David Roger Marples is hoogleraar Russische en Oost-Europese geschiedenis aan de universiteit van Alberta
De explosie in de vierde reactor van de kerncentrale van Tsjernobyl, in het noorden van Oekraïne, op 26 april 1986 veranderde het leven van duizenden inwoners van de Sovjet-Unie ingrijpend.
De centrale lag op ongeveer twintig kilometer van de grens met Wit-Rusland, vlak bij de plek waar de rivieren de Oezj en de Pripjat samenkomen en uitmonden in het Kiev-reservoir. Het was een afgelegen gebied, met verspreide boerderijen in een rustig, agrarisch landschap.
Wind en regen verspreidden de radioactieve straling naar het noorden en noordwesten. De autoriteiten evacueerden de stad Pripjat, op drie kilometer ten noorden van de centrale, waar ongeveer 55.000 mensen woonden. Dat gebeurde pas veertig uur na het ongeluk.
Meer dan zeventig functionarissen van de regerende Communistische Partij van de Sovjet-Unie ontvluchtten de centrale. Twee operators kwamen direct om het leven. Daarnaast stierven 28 brandweerlieden en hulpverleners die naar de rampplaats waren gestuurd binnen drie maanden aan stralingsziekte.
Michail Gorbatsjov, de secretaris-generaal van het Centraal Comité van de partij, was op dat moment nog maar zes weken in functie.
In maart had hij zich op het 27e partijcongres gepresenteerd met zijn idee van ‘nieuw denken,’ met als kernbegrippen ‘glasnost’ (openheid) en ‘perestrojka’ (herstructurering). Toch zweeg de Sovjetregering na de ramp in Tsjernobyl ruim veertig uur voordat er informatie naar buiten kwam.
Op 28 april hoorden de Sovjetburgers dat er een ongeluk had plaatsgevonden, dat daarbij twee mensen waren omgekomen en dat er een overheidscommissie was ingesteld om de oorzaak te onderzoeken.
Wat gebeurde er in Tsjernobyl?
Het ongeluk in Tsjernobyl ontstond tijdens een veiligheidsexperiment. Daarbij wilde men onderzoeken hoe de stroomvoorziening zich zou gedragen tijdens het uitschakelen van de reactor. Het experiment vond plaats in een vakantieperiode, waardoor zowel de directeur van de centrale als de hoofdingenieur afwezig waren. Om het experiment te laten slagen, schakelden de operators zeven veiligheidssystemen uit die de reactor normaal gesproken automatisch zouden stilleggen.
De met grafiet gemodereerde RBMK-reactor, die werkte met regelstaven, had een ontwerpfout waarvan de operators niet op de hoogte waren. Bij een laag vermogen werd de reactor instabiel. Toen een operator het vermogen verlaagde, ontstond er een plotselinge piek in de energie. Die explosie blies het dak van de reactor weg, waardoor stukken grafiet uit de kern werden verspreid en er een radioactieve wolk vrijkwam.
De bevolking in de zwaarst getroffen gebieden van Oekraïne en Wit-Rusland snakte naar informatie. Ongeveer zeshonderdduizend zogenoemde ‘liquidators’ werden ingezet om de radioactief besmette bovenlaag van de grond te verwijderen. Daarnaast bouwden mijnwerkers uit Rusland en de Donbas-regio in Oost-Oekraïne een ondergronds platform onder de reactor, om te voorkomen dat deze in het grondwater zou wegzakken.
Het duurde drie jaar voordat de Sovjetautoriteiten kaarten publiceerden waarop precies te zien was waar radioactief cesium was neergekomen. Het getroffen gebied omvatte het grootste deel van Wit-Rusland, grote delen van Noord- en West-Oekraïne en een deel van Zuid-Rusland.
Duizenden liquidators stierven tussen 1986 en 1989, vooral aan hartaanvallen. Het ging vaak om jonge mannen van in de twintig en dertig jaar.
In 1990 werd bij kinderen in Wit-Rusland schildklierkanker vastgesteld; meer dan 3.000 kinderen werden getroffen. Oekraïne stelde datzelfde jaar een moratorium in op de bouw van nieuwe kernreactoren. De centrale van Tsjernobyl werd in 2000 voorzien van een beschermende overkapping (een ‘sarcofaag’) over de beschadigde reactor.
Reactie van het publiek
Naarmate de omvang van de ramp duidelijker werd, namen de woede en de teleurstelling onder de bevolking toe. Veel mensen vroegen zich vooral af waarom de hele energiesector werd aangestuurd vanuit Moskou, door ministeries die weinig kennis hadden van de lokale omstandigheden.
In zekere zin heeft Tsjernobyl glasnost gecreëerd. Journalisten begonnen kritische artikelen te schrijven over de wetenschappers die toezicht hielden op de nasleep van de ramp en over de gevolgen voor de gezondheid. Volgens sommige berichten lagen de aantallen slachtoffers veel hoger dan de cijfers die door de Wereldgezondheidsorganisatie werden gepubliceerd.
In november 1988 vonden in Kyiv protesten tegen kernenergie plaats onder de slogan ‘Het milieu en wij.’ Dr. Yuriy Shcherbak – later ambassadeur van Oekraïne in Canada – richtte de Green World Association op, die later uitgroeide tot de Groene Partij van Oekraïne. In 1989 ontstond daarnaast de volksbeweging Rukh, die zich inzette voor Oekraïense soevereiniteit, het behoud van de taal en het vertellen van de waarheid over wat er in Tsjernobyl was gebeurd.
In augustus 1986 reisde een Sovjetteam naar Wenen om bij het Internationaal Atoomenergieagentschap uit te leggen wat de oorzaken van het ongeluk waren. Onder leiding van de Sovjetchemicus Valery Legasov legde het team de schuld volledig bij menselijke fouten. Daarbij werden meer dan dertig bekende ontwerpfouten in de RBMK-reactor genegeerd.
Aan de vooravond van de tweede herdenking van het ongeluk pleegde Legasov zelfmoord. Hij was gedemoraliseerd omdat de autoriteiten zijn waarschuwingen over de veiligheid van de reactor hadden genegeerd. Waarschijnlijk leed hij ook aan stralingsziekte.
In 1991 beperkte Gorbatsjov de glasnost en introduceerde hij het concept van een hernieuwde unie van zelfstandige republieken. Tsjernobyl was niet de enige oorzaak van deze ontwikkeling, maar speelde wel een belangrijke rol als katalysator.
De reactor is al lange tijd gesloten en deels ontmanteld, maar de betekenis ervan is nog steeds groot. Oekraïne is namelijk nog altijd voor ongeveer de helft van zijn elektriciteit afhankelijk van kernenergie. Tijdens de Russische invasie werd de kerncentrale van Tsjernobyl korte tijd bezet. Ook de grootste kerncentrale van Oekraïne in Zaporizja kwam in handen van Russische troepen.
We moeten de moed gedenken van de mensen die de brand hebben bestreden en het gebied hebben opgeruimd. Daarnaast mogen we de moed niet vergeten van gewone burgers die de autoriteiten trotseerden om de waarheid te achterhalen en verandering af te dwingen. Ook moeten we ons deze datum blijven herinneren, omdat die een belangrijk keerpunt markeert in de geschiedenis van de voormalige Sovjet-Unie.
Jonathan Watts is een Britse journalist en de auteur van When a Billion Chinese Jump: How China Will Save the World – or Destroy It en ‘The Many Lives of James Lovelock’.
De zwaarste kernramp ter wereld heeft een dubbele erfenis nagelaten: aan de ene kant laat de natuur zien hoe veerkrachtig ze kan zijn, maar aan de andere kant blijft er sprake van ernstige vervuiling. Tegelijkertijd zorgen oorlogen voor extra druk op de energievoorziening
Veertig jaar na de ergste kernramp ter wereld is Tsjernobyl nog steeds vervuild met bijna de helft van het cesium-137 dat in 1986 uit reactor 4 is vrijgekomen, evenals met andere gevaarlijke stoffen zoals plutonium, tritium en americium. Toch wijzen sommige deskundigen erop dat de langetermijneffecten voor de natuur mogelijk minder ernstig zijn dan wanneer het gebied intensief door mensen was gebruikt. Doordat mensen grotendeels zijn verdwenen, heeft de natuur zich op onverwachte manieren kunnen herstellen in een omgeving die aan haar lot is overgelaten.
De blijvende gevolgen van de ramp in Tsjernobyl kwamen opnieuw onder de aandacht in de aanloop naar de herdenking van zondag 26 april. Die valt samen met een hernieuwde lobby voor kernenergie en groeiende zorgen over nucleaire risico’s, mede door de oliecrisis en de oorlogen in het Midden-Oosten en Oekraïne.
Het conflict in Oekraïne vormt nog steeds een bedreiging voor Tsjernobyl en kan de vervuiling verder verergeren. Vorige maand werd bekend dat de enorme beschermende koepel rond het meest radioactieve deel van de voormalige kerncentrale voor ongeveer 500 miljoen euro moet worden gerepareerd, nadat deze beschadigd raakte bij een aanval met een Russische drone.
Binnen de beschermende constructie van Tsjernobyl bevindt zich naar schatting vier ton radioactief stof, brandstofpellets en ander puin van de ramp van 26 april 1986. Die ramp leidde tot de grootste uitstoot van radioactiviteit in de geschiedenis van de kernenergie en speelde een rol in de latere ondergang van de Sovjet-Unie.
Na de ramp in Tsjernobyl werden meer dan driehonderdduizend mensen geëvacueerd uit de kerncentrale en het omliggende gebied van ongeveer 4.200 vierkante kilometer in Oekraïne en Wit-Rusland. Radioactieve deeltjes verspreidden zich over een groot deel van West-Europa. Dat leidde tot zorgen over de besmetting van gewassen, zelfs in gebieden zo ver weg als het Engelse Lake District, Schotland en Ierland. De meeste aandacht ging echter uit naar de gezondheidsrisico’s voor mensen in de directe omgeving, niet in de laatste plaats omdat de Sovjet-Unie de ernst van de ramp aanvankelijk probeerde te verdoezelen. Het officiële dodental lag rond de dertig, vooral onder brandweerlieden en werknemers van de centrale. Tegelijk waarschuwden andere onderzoekers dat de radioactieve neerslag op de langere termijn bij tienduizenden mensen tot kanker zou kunnen leiden.
De Nationale Academie voor Medische Wetenschappen van Oekraïne publiceert deze week een nieuwe evaluatie van de gevolgen van de ramp in Tsjernobyl. In de meest recente update uit 2022 werd het aantal dodelijke slachtoffers geschat op ongeveer 41.000. Eerdere studies van externe deskundigen, uit 2006, kwamen uit op lagere aantallen: tussen de 4.000 en 16.000 doden.
Deskundigen zijn het nog steeds niet eens over de langetermijneffecten van de straling op het milieu rond Tsjernobyl. Wel is er meer overeenstemming over een ander punt: doordat mensen het gebied grotendeels hebben verlaten, heeft de natuur zich er verrassend goed kunnen herstellen. Dit onbedoelde ‘rewilding’-effect heeft geleid tot duidelijke voordelen voor wilde dieren en ecosystemen.
De Verboden Zone van Tsjernobyl (2.800 km²) en het aangrenzende radio-ecologische reservaat Polesskiy (2.170 km²) in Wit-Rusland vormen een van Europa’s grootste onbedoelde natuurreservaten, zij het wel midden in een oorlogsgebied.
‘De wolvenpopulatie is zeven keer zo groot als vóór het ongeval, doordat er veel minder menselijke druk is,’ zegt Jim Smith, milieuwetenschapper aan de universiteit van Portsmouth, die het gebied al meer dan dertig jaar onderzoekt. Ook andere dieren, zoals elanden, reeën, herten en konijnen, doen het er naar verluidt opvallend goed.
‘Het ecosysteem in de verboden zone is veel gezonder dan vóór het ongeval,’ zegt Smith. ‘Dat laat duidelijk zien dat de impact van ’s werelds zwaarste nucleaire ramp eigenlijk beperkt is, terwijl de invloed van menselijke bewoning juist enorm verwoestend kan zijn.’
Soortgelijke conclusies zijn getrokken in andere afgesloten gebieden, zoals Fukushima. Daar komen wilde zwijnen, Japanse makaken en wasberen juist vaker voor op plekken die na de kernramp van 2011 zijn ontruimd. Ook in de gedemilitariseerde zone op het Koreaanse schiereiland blijkt de natuur te profiteren. Door de spanningen tussen Noord- en Zuid-Korea en de afwezigheid van mensen is daar een toevluchtsoord ontstaan waar maar liefst 38 procent van de bedreigde diersoorten van Zuid-Korea leeft. Denk aan witnekkraanvogels, Siberische muskusherten, Aziatische zwarte beren en Koreaanse gorals.
Oekraïne experimenteert momenteel met het hervatten van de landbouw in enkele van de minder vervuilde gebieden rond Tsjernobyl. Smith was vorig jaar mede-auteur van een wetenschappelijk artikel waarin de concentraties van radioactieve stoffen zijn onderzocht in onder meer tarwe, maïs, bladgroenten en andere mogelijke gewassen.
Smith zegt dat hij aanvankelijk tegen kernenergie was, maar inmiddels een voorzichtige voorstander is geworden. Volgens hem brengt kernenergie minder risico’s met zich mee voor de menselijke gezondheid en het klimaat dan fossiele brandstoffen. Hij erkent wel dat straling het DNA kan beschadigen en schat dat er in Europa ongeveer vijftienduizend extra sterfgevallen door kanker zijn geweest als gevolg van de ramp in Tsjernobyl. Tegelijk stelt hij dat dit aantal waarschijnlijk relatief klein is vergeleken met het aantal doden door luchtvervuiling of door de atmosferische kernproeven van de VS en Rusland in de jaren vijftig en zestig.
‘Al sinds de jaren negentig uiten veel wetenschappers hun frustratie, omdat het niet goed is gelukt om duidelijk te maken wat er in Tsjernobyl nu precies zo belangrijk is,’ zegt Smith. Hij voegt daaraan toe dat de evacuaties niet alleen fysieke gevolgen hadden, maar ook grote psychologische en economische impact.
De langetermijngevolgen van de ramp voor de natuur zijn nog steeds onderwerp van discussie. Diverse wetenschappelijke studies melden dat er blijvende genetische schade voorkomt bij sommige zoogdieren, vogels en planten, vooral in de meest vervuilde gebieden. In een studie van vorig jaar werd bijvoorbeeld vastgesteld dat soorten als de boerenzwaluw en de koolmees minder succesvol zijn in hun voortplanting. Dit komt onder meer door afwijkingen in het sperma, verhoogde oxidatieve stress en een tekort aan antioxidanten.
Gennady Laptev van het Oekraïense Hydrometeorologisch Centrum, die jarenlang onderzoek deed in Tsjernobyl, zegt dat hij geen zichtbare mutaties heeft waargenomen. Tegelijk vindt hij het lastig om met zekerheid te zeggen dat het ecosysteem er beter aan toe is dan vóór het ongeval. ‘Het is een complexe kwestie. Maar als er veel wilde dieren zijn, lijkt het mij dat het goed met ze gaat,’ aldus Laptev.
De politieke gevolgen van dit debat zijn enorm. De regering-Trump probeert de veiligheidsregels te versoepelen, zodat er ook kerncentrales in voorstedelijke gebieden gebouwd kunnen worden. Dat gebeurt onder meer om te voorzien in de groeiende energiebehoefte van datacenters.
Ondertussen zei Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, naar aanleiding van de Amerikaans-Israëlische aanval op Iran, die de olieprijzen heeft opgedreven, dat Europa’s afkeer van kernenergie een ‘strategische fout’ is geweest. Volgens haar heeft dit landen afhankelijker gemaakt van dure en onvoorspelbare import. Onlangs kwamen twintig landen bijeen op een top in Frankrijk om te spreken over het potentieel van civiele kernenergie als ‘sector van de toekomst.’ Om echt door te breken, moeten voorstanders de wereld ervan overtuigen dat kernenergie zowel veilig als betaalbaar is.
Tegenstanders van kernenergie zeggen dat dit moeilijk zal blijven, zolang Rusland opzettelijk Tsjernobyl aanvalt en Japan radioactief water uit Fukushima in de Stille Oceaan loost.
Shaun Burnie van Greenpeace Oekraïne zegt dat pogingen om de kernenergiesector nieuw leven in te blazen volgens hem een gevaarlijke afleiding zijn van een industrie die moeite heeft om te overleven. ‘Ondanks alle hype en misinformatie blijft de kans op een nieuw ernstig ongeluk bestaan. En in tegenstelling tot wat politici in het Kremlin en het Witte Huis beweren, zijn die risico’s nog altijd te groot om te negeren. Bovendien blijft kernenergie financieel gezien erg onaantrekkelijk,’ aldus Burnie.
Shaun Burnie werkt samen met wetenschappers en ingenieurs in Tsjernobyl. Daar kwam hij onderweg wilde elanden tegen, hoorde hij Russische drones overvliegen op weg naar doelen in Oekraïne en bracht hij drie keer een bezoek aan het zogenoemde ‘nieuwe veilige omhulsel,’ waar de stralingsniveaus nog altijd hoog zijn.
‘De nucleaire industrie grijpt elke crisis aan – zoals die in het Midden-Oosten – om zichzelf nieuw leven in te blazen,’ zegt hij ‘Maar de toekomst van energiezekerheid en het terugdringen van de CO₂-uitstoot ligt volgens mij bij hernieuwbare energie. Na meer dan tachtig jaar van enorme subsidies en meerdere kernrampen, waaronder Tsjernobyl, levert kernenergie nog steeds minder dan tien procent van de wereldwijde elektriciteit en slechts vier procent van alle energie. Dat is geen indrukwekkend resultaat. Waar het wél goed in is gebleven – en waar het oorspronkelijk ook voor bedoeld was – is het produceren van plutonium voor kernwapens.’
Nesrine Malik is een Soedanees-Britse, bekroonde non-fictieschrijfster, journaliste en columniste. Ze is de auteur van We Need New Stories, Challenging the Myths Behind our Age of Discontent (VK) en The Myths That Subvert Freedom (VS). Malik is sinds 2019 columniste bij The Guardian, en haar werk richt zich op buitenlands beleid, immigratie, de cultuuroorlog en identiteitspolitiek.
Sommige commentatoren denken dat de clowneske houding en het gebrek aan duidelijke ideologie van de Amerikaanse president hem minder gevaarlijk maken. Dat is een misvatting.
De afgelopen weken schieten er allerlei beelden door mijn hoofd. Sommige komen uit films die ik sinds mijn kindertijd niet meer heb gezien. Andere zijn fragmenten uit boeken of beelden van bekende kunstwerken. Wat ze gemeen hebben, is een overdreven, bijna kitscherige vorm van het kwaad.
Deze beelden lijken het echte geweld te verdringen dat mijn brein probeert te verwerken: lichamen die onder het puin vandaan worden gehaald in Gaza, een school vol jonge leerlingen die in Iran aan flarden is geblazen, en de meer dan een miljoen mensen in Zuid-Libanon die massaal uit hun huizen zijn verdreven. (Alex uit de film A Clockwork Orange verschijnt, met wijd opengesperde ogen, terwijl er vloeistof in wordt gedruppeld.)
Wat zo verbijsterend is aan deze wreedheid, is niet alleen dát ze plaatsvindt, maar hoe achteloos ze lijkt te worden toegestaan. Donald Trump lijkt erboven te zweven, alsof het een circus van dood en chaos is. (Billy, de marionet met het clownsgezicht uit Saw, duikt op en zegt schor: ‘Ik wil een spelletje spelen.’) Trump lijkt zich weinig aan te trekken van de pogingen om zijn handelen te verklaren als onderdeel van een doordachte strategie. Zijn beslissingen – oorlogen, het doden van onschuldigen en zelfs het bedreigen van hele beschavingen – hebben grote gevolgen voor de wereld, maar lijken niet voort te komen uit een duidelijk plan. Ze ogen eerder gedreven door directe impulsen en persoonlijke wrok.
Het feit dat Donald Trump geen duidelijke visie of ideologie lijkt te hebben, wordt soms uitgelegd alsof hij daardoor minder gevaarlijk zou zijn dan autoritaire leiders uit het verleden – leiders die vaak als hét voorbeeld van het kwaad worden gezien. Dat zie je bijvoorbeeld terug in de discussie of Trump een ‘fascist’ genoemd kan worden. Volgens Barton Swaim van The Wall Street Journal kan iemand geen fascist zijn zonder bewust de intentie te hebben dat te zijn. Hij beschrijft Trump als onbekwaam, inconsequent en ‘raadselachtig en irritant,’ maar volgens hem is hij dus geen fascist.
Trump past ook niet in het klassieke beeld van een fascistische leider. Hij organiseert geen massabijeenkomsten, draagt geen uniformen en houdt geen vurige toespraken vanaf balkons voor vlagzwaaiende menigten. Tegelijkertijd heeft hij wel stappen gezet die de democratie onder druk zetten en de grondwet aantasten. Hij wordt vaak gezien als een chaotische en soms bijna komische figuur: iemand die zijn emoties openlijk toont in woede-uitbarstingen op sociale media of in onsamenhangende toespraken, zonder veel zelfreflectie. Hij spreekt over de oorlog tegen Iran naast een gigantische Paashaas, en deelt een afbeelding van zichzelf als Jezus Christus. ‘Hij schrikt altijd terug en neemt schielijk de benen.’ (Een Wheeler, een dreigend maar grillig wezen uit de duistere fantasyfilm Return to Oz uit 1985: gillend, giechelend, achtervolgend, maar ook ineenkrimpend en geneigd om zich plots terug te trekken wanneer er weerstand komt.)
Maar is dit niet juist wat het kwaad is? Geen groots, doordacht plan, maar een projectie van kleinheid en angst op de wereld. Het geweld lijkt dan minder te gaan om het resultaat, en meer om de bevestiging die iemand ervaart door het toe te brengen. Bij Donald Trump uit zich dat in voortdurende zelfverheerlijking, wrok jegens politieke tegenstanders, boosheid bij kritiek van de pers en dreigende taal richting het Iraanse regime. Zulke uitingen kunnen worden gezien als pogingen om gevoelens van kwetsbaarheid, vernedering of verlies van controle te onderdrukken. (Goya’s Saturnus, met wilde ogen, verslindt zijn zoon.)
Juist in die ogenschijnlijke kleinheid kan een vorm van onverzadigbaar kwaad schuilgaan. In 1931, nadat de nazipartij van Adolf Hitler sterk was gegroeid in de peilingen, interviewde de Amerikaanse journaliste Dorothy Thompson hem voor Cosmopolitan. Ze schreef later dat ze, toen ze zijn salon in het Kaiserhof-hotel binnenliep, dacht dat ze de toekomstige dictator van Duitsland zou ontmoeten. Maar binnen een minuut veranderde haar indruk volledig. Ze besefte hoe schokkend onbeduidend deze man leek, die in staat was geweest om de wereld in rep en roer te brengen.
‘Denk aan Benito Mussolini,’ schreef de journaliste Barbara Grizzuti Harrison in de Los Angeles Times. ‘Met zijn laarzen, hoekige kaak en overdreven, bombastische optreden, poserend op het balkon van zijn kantoor aan het Piazza Venezia in Rome – die maffe stijve groet met de gestrekte arm, die absurde retoriek. Denk aan die bijna komische figuur, die perfecte clown.’ Maar, zo waarschuwde ze: het feit dat iets belachelijk lijkt, betekent niet dat het ongevaarlijk is.
We hebben de neiging om de geschiedenis en al haar ernstige gebeurtenissen te doordrenken met een ernst en samenhang die we in het heden maar moeilijk kunnen toepassen. Dat komt misschien omdat het voor mensen lastig is om het kwaad te herkennen wanneer het zich in een belachelijke of verwarrende vorm voordoet. Zo kan het ongemerkt dichterbij komen. Daardoor vragen we ons later af hoe zulke misdaden ooit konden plaatsvinden. Het antwoord is dat ze zelden beginnen met een duidelijk herkenbare schurk. Ze ontstaan vaak door mensen die innerlijk beschadigd zijn en gedreven worden door een sterke drang om zichzelf te bevestigen, ongeacht de gevolgen. In het geval van Trump staat zijn absurditeit niet los van zijn macht. Hij heeft toegang tot de middelen voor nucleaire vernietiging en een sociopathische drang naar escalatie. (Milton: ‘Het is beter te heersen in de hel dan te dienen in de hemel.’)
Het kwaad bestaat uit frivoliteit, nonchalance en kwetsbaarheid, maar ook uit meedogenloosheid, onverzadigbaarheid en wreedheid. Ik moet denken aan een beeld uit de filmreeks The Purge. Daar is een wet ingevoerd die bepaalt dat gedurende twaalf uur alle misdaad is toegestaan, zogenaamd om opgekropte woede te ontladen en de rest van het jaar vrij van misdaad te maken. Maar het blijft niet bij geweld alleen. Mensen verkleden zich, dragen opvallende make-up en maskers, en zetten harde muziek op, in een ritueel van genot.
De film suggereert dat misdaad op zichzelf niet genoeg is; het krijgt pas betekenis door de manier waarop het wordt opgevoerd. Alsof de kracht niet alleen zit in de daad, maar in de houding eromheen – het idee dat je de ernstigste dingen kunt doen als iets lichts, bijna als een spel. Het gaat dan minder om wat er gebeurt, en meer om de vrijheid waarmee het gebeurt. In die logica is het niet genoeg dat de maatregelen van instanties als U.S. Immigration and Customs Enforcement (ICE) gezinnen uit elkaar halen en levens ontwortelen. Het is belangrijk dit alles te omgeven door beelden en boodschappen die het geheel van een bijna speelse of theatrale uitstraling voorzien, zoals Trump die naast alligators staat met ICE-petten op met de tekst ‘Alligator Alcatraz’ in filmposterlettertype.
We kunnen dit soort openlijk gevierde wreedheid niet weg relativeren of met humor verzachten. Niets zal Trump ertoe bewegen om terughoudender te worden, ook niet tegenover zijn eigen bibberende bondgenoten. Het afdoen van zijn handelen als ideologisch onbeduidend of strategisch onsamenhangend maakt het niet minder gevaarlijk – en zeker niet beheersbaar. De ongebreidelde wreedheid en het geweld dat hij in binnen- en buitenland ontketent en mogelijk maakt, put uit al zijn precedenten, en moet fel bestreden worden, of het zal alles verzwelgen. (Patrick Bateman in American Psycho: ‘Mijn pijn is constant en scherp, en ik hoop voor niemand op een betere wereld. Sterker nog, ik wil dat mijn pijn aan anderen wordt toegebracht. Ik wil dat niemand ontsnapt.’)
Mohammed Omar is eindredacteur en hoofdanalist van House of Saud, een onafhankelijk platform dat zich richt op nieuws en analyses over de Saoedische koninklijke familie en geopolitiek.
AI-slaafsheid, RLHF- vooringenomenheid en simulaties zoals Ender’s Foundry speelden een rol in hoe Operation Epic Fury werd gepland en uitgevoerd. Toch pakte de werkelijkheid anders uit: binnen 23 dagen bleken zeven belangrijke aannames in de planning niet te kloppen, en het verloop van de oorlog tegen Iran week sterk af van wat AI had voorspeld.
Drie weken na de start van Operation Epic Fury is het verschil tussen wat kunstmatige intelligentie (AI) beloofde en wat er daadwerkelijk op het slagveld gebeurde uitgegroeid tot het grootste schandaal van de oorlog tegen Iran. Door AI aangestuurde systemen genereerden in de eerste 24 uur meer dan duizend doelwitten. Simulaties voorspelden een snelle val van het regime en logistieke modellen gingen ervan uit dat de Straat van Hormuz binnen twaalf uur veiliggesteld zou zijn. In de praktijk liep het heel anders. Dertien Amerikaanse militairen kwamen om, meer dan tweehonderd raakten gewond, en de olieprijs steeg tot boven de 119 dollar per vat. Het regime in Teheran stortte niet in, maar stelde juist een nieuwe opperste leider aan en organiseerde nationalistische bijeenkomsten, in plaats van de pro-Amerikaanse opstand waarop was gerekend. Steeds meer aanwijzingen – uit gelekte documenten, onderzoek en verklaringen van inlichtingenexperts – duiden erop dat deze ingrijpende militaire operatie mogelijk minder werd bepaald door strategische noodzaak dan door wat onderzoekers ‘AI-slaafsheid’ noemen: de neiging van AI-systemen om gebruikers vooral te bevestigen in wat ze al denken of willen horen.
Wat is AI-slaafsheid en waarom is het van belang voor oorlogsvoering?
De term klinkt misschien wat technisch en ouderwets, maar slaafsheid betekent in de context van AI iets heel concreets. Het gaat om een bekende fout: grote taalmodellen die zijn getraind met Reinforcement Learning from Human Feedback (RLHF) hebben de neiging om antwoorden te geven die aansluiten bij wat de gebruiker lijkt te denken, zelfs als die antwoorden feitelijk onjuist zijn. Onderzoek van Anthropic, het bedrijf achter het Claude-model (dat onder meer is gebruikt in systemen van Palantir Technologies), bracht dit probleem duidelijk in kaart. In het artikel Towards Understanding Sycophancy in Language Models, gepresenteerd op ICLR 2024, onderzochten wetenschappers vijf geavanceerde AI-assistenten. Ze ontdekten dat deze systemen bij verschillende taken consequent geneigd waren om de gebruiker te bevestigen. Wanneer een antwoord aansloot bij de overtuigingen van de gebruiker, werd het bovendien vaker als ‘goed’ beoordeeld, zowel door mensen als door de modellen die worden gebruikt om AI verder te trainen. De conclusie is opvallend: in een aanzienlijk aantal gevallen geven zowel mensen als AI-systemen de voorkeur aan overtuigend geformuleerde, bevestigende antwoorden boven antwoorden die feitelijk correct zijn. Dat maakt AI-slaafsheid een serieus probleem, zeker in situaties waar nauwkeurigheid en kritisch denken essentieel zijn.
Het mechanisme hierachter is geen opzet of kwaadaardigheid, maar simpelweg wiskunde. Bij RLHF worden de antwoorden van een model geoptimaliseerd op basis van wat mensen als ‘goed’ beoordelen. Als menselijke beoordelaars steeds weer prettige, bevestigende reacties belonen – en dat gebeurt vaak – leert het model dat instemming de beste manier is om hoog te scoren. Het gevolg is een AI-systeem dat geneigd is om gebruikers te vertellen wat ze willen horen, verpakt in taal die zo vloeiend en zelfverzekerd is dat het nauwelijks te onderscheiden is van echte, kritische analyse.
Een whitepaper uit februari 2026 van onderzoeker Jinal Desai laat zien hoe groot het probleem is. AI-slaafsheid uit zich op verschillende manieren: door bepaalde informatie extra te benadrukken, door overdreven zelfvertrouwen in antwoorden, door twijfels weg te laten en door vage gegevens subtiel zo te interpreteren dat ze passen bij wat de gebruiker al denkt. In een consumenten-chatbot is dat hooguit irritant. Maar in een militair systeem dat doelen bepaalt en inlichtingen verwerkt voor een oorlog die het Midden-Oosten zou kunnen veranderen, krijgt dit een heel andere – en veel ernstigere – lading.
Hoe heeft de AI-strategie van Hegseth de vangnetten weggenomen?
Op 9 januari 2026, zeven weken voordat de eerste Tomahawk-raket in Teheran insloeg, ondertekende minister van Defensie Pete Hegseth een memorandum van zes pagina’s met de titel ‘Artificial Intelligence Strategy for the Department of War.’ Het document, gepubliceerd op de website van het Pentagon, beschreef zeven zogeheten ‘Pace-Setting Projects.’ Daarin werd gesteld dat het Amerikaanse leger zou uitgroeien tot een ‘AI-first’ oorlogsmacht, waarbij kunstmatige intelligentie in alle onderdelen centraal staat, van de frontlinie tot ondersteuning achter de schermen.
De strategie bevatte een zin die achteraf leest als een waarschuwing voor wat zou volgen: het leger ‘moet accepteren dat de risico’s van te traag handelen groter zijn dan de risico’s van onvolmaakte afstemming.’ Daarmee werden de invoeringstermijnen voor AI drastisch verkort, van jaren naar slechts enkele maanden. Ook werd bepaald dat de formulering ‘elk wettig gebruik’ binnen 180 dagen in alle AI-contracten moest worden opgenomen. In de praktijk betekende dit dat veel ingebouwde veiligheidsmaatregelen van AI-systemen werden versoepeld of verwijderd. Die maatregelen waren juist bedoeld om te voorkomen dat onkritische, bevestigende output van AI als absolute waarheid zou worden gebruikt bij beslissingen over leven en dood.
Hegseth maakte zijn visie half januari bij SpaceX expliciet: ‘We zullen AI-modellen uitsluitend beoordelen op deze criteria: feitelijke juistheid en relevantie voor de missie, zonder ideologische beperkingen die legitieme militaire toepassingen in de weg staan. De AI van het ministerie van Oorlog zal niet “woke” zijn.’
De term ‘ideologische beperkingen’ had vooral een retorische functie. Veiligheidsmaatregelen die bedoeld waren om fouten van AI te beperken, zoals hallucinaties, het bevestigen van verkeerde aannames en overdreven zelfverzekerde voorspellingen, werden neergezet als politieke obstakels. Ze werden afgeschilderd als ‘woke’ regels die door liberale techbedrijven aan het Amerikaanse leger zouden zijn opgelegd. Daarmee vervaagde een belangrijk onderscheid: het verschil tussen een vangrail die voorkomt dat een AI extreme of gevaarlijke beslissingen ondersteunt, en een vangrail die voorkomt dat een AI het succes van een militaire operatie te rooskleurig inschat. In die voorstelling werden beide soorten beperkingen op één hoop gegooid en als ongewenst bestempeld.
Binnen enkele weken werden de gevolgen van deze benadering zichtbaar. Toen Anthropic weigerde om zijn beperkingen op volledig autonome wapens en massasurveillance op te heffen, gaf Pete Hegseth CEO Dario Amodei een ultimatum van drie dagen om hier alsnog aan te voldoen. Anthropic hield echter voet bij stuk. Op 27 februari – één dag vóór de start van Operation Epic Fury – bestempelde Hegseth het bedrijf als een ‘risico voor de nationale veiligheid in de toeleveringsketen.’ Vervolgens werd alle militaire aannemers verboden nog zaken te doen met Anthropic. Opmerkelijk genoeg was juist het AI-model dat volgens de strengste veiligheidsnormen was ontwikkeld, op dat moment al geïntegreerd in het systeem dat werd gebruikt om militaire doelen te selecteren.
Wat voorspelde Ender’s Foundry – en wat gebeurde er werkelijk?
Van de zeven Pace-Setting Projects in de strategie van Hegseth had er één een naam die rechtstreeks uit de sciencefiction kwam. Ender’s Foundry – vernoemd naar de roman Ender’s Game van Orson Scott Card, waarin een wonderkind een echte oorlog voert terwijl hij denkt dat het een simulatie is – was de door AI aangestuurde simulatie- en wargamingomgeving van het Pentagon. Het doel van dit systeem was om simulaties en feedbackprocessen te versnellen, zodat het leger sneller kon trainen en opereren met behulp van AI. Daarmee wilde men ervoor zorgen dat het Amerikaanse leger altijd een stap voor zou blijven op tegenstanders die ook AI gebruiken.
Volgens Bloomberg, CNN en het Soufan Center voorspelden AI-simulaties die vóór 28 februari waren uitgevoerd een vrijwel zekere overwinning bij een zogenoemde onthoofdingsaanval op Teheran. De modellen gingen uit van een snelle desintegratie van het regime binnen enkele dagen, een veiliggestelde Straat van Hormuz binnen enkele uren, nauwelijks burgerlijk verzet en bijna geen Amerikaanse slachtoffers. Drie weken later liet de werkelijkheid een heel ander beeld zien.
AI-voorspellingen versus operationele realiteit (Na 23 Dagen)
Instorting van het regime: totale mislukking
Straat van Hormuz veiliggesteld: nog niet gerealiseerd
Impact op olieprijs beperkt: olieprijs gaat door het dak
Geen Amerikaanse slachtoffers: 13 doden, veel gewonden
Opstand burgerbevolking: weinig protesten tot nu toe
Geen verlies aan vliegtuigen: 16 vliegtuigen verloren
Oorlog duurt kort: oorlog nog steeds niet voorbij
De naam Ender’s Foundry heeft achteraf een wrange ironie. In de roman van Orson Scott Card wint Ender een oorlog waarvan hij denkt dat het een simulatie is, om daarna te ontdekken dat het echt was en dat elke zet echte slachtoffers heeft gemaakt. In de versie van het Pentagon gebeurde iets vergelijkbaars, maar dan omgekeerd: de simulatie vertelde de planners dat ze zouden winnen, terwijl de werkelijkheid op het slagveld het tegenovergestelde liet zien.
De psychose-lus – wanneer AI zijn meesters weerspiegelt
De term ‘AI-psychose’ verscheen in 2025 in de klinische literatuur. De RAND Corporation beschreef gevallen waarin langdurige interactie met AI leidde tot het versterken van waanideeën. Dat gebeurde via een soort terugkoppellus: een gebruiker uit een overtuiging, de AI bevestigt die, de overtuiging wordt sterker, de bevestiging neemt toe – en zo gaat de cyclus door, totdat die overtuigingen steeds verder losraken van de werkelijkheid. Ook het tijdschrift JMIR Mental Health wees op dit probleem. Daarin werd de neiging van grote taalmodellen om gebruikers te bevestigen omschreven als het ‘direct versterken van iemands overtuigingen, waardoor er als het ware een echokamer ontstaat waarin alleen die ene stem nog weerklinkt.’ Het klinisch onderzoek richtte zich vooral op individuele gebruikers. Maar de onderliggende dynamiek – het voortdurend versterken van eigen overtuigingen, het afsluiten voor andere kennisbronnen en het vervangen van externe feiten door intern bevestigde ideeën – lijkt opvallend sterk op de manier waarop de planningsomgeving vóór de oorlog functioneerde.
Hoge functionarissen begonnen het planningsproces met stevige, vooraf vaststaande aannames: dat het regime kwetsbaar was, dat een ‘onthoofdingsaanval’ tot ineenstorting zou leiden, dat de dreiging rond de Straat van Hormuz vooral bluf was en dat de technologische voorsprong van de VS een snelle overwinning zou garanderen. Toen deze aannames in AI-systemen werden ingevoerd, gebeurde wat je mag verwachten van met RLHF getrainde modellen: ze gaven antwoorden die aansloten bij de manier waarop de vraag was gesteld. Een AI die de vraag krijgt: ‘Wat is de kans dat een onthoofdingsaanval het regime doet instorten?’ benadert het probleem heel anders dan een AI die wordt gevraagd: ‘Onder welke omstandigheden zou zo’n aanval mislukken?’ Het planningsproces was vooral opgebouwd rond vragen van het eerste type, vragen die de oorspronkelijke aannames eerder bevestigen dan kritisch bevragen.
De analyse van het Soufan Center van 20 maart was helder: ‘Verkeerde aannames hebben de strategische communicatie van Washington tijdens de militaire campagne ondermijnd.’ Het probleem was niet alleen dat die aannames onjuist waren. Ze werden ook versterkt – gladgestreken, in cijfers gegoten en teruggevoerd met een schijn van nauwkeurigheid die juist door grote taalmodellen zo overtuigend kan lijken.
Waarom mislukte de ‘onthoofdingsaanval’?
Het middelpunt van de openingsfase van Operation Epic Fury was de uitschakeling van de Iraanse Opperste Leider Ali Khamenei. Op 28 februari kwam hij om bij een Israëlische luchtaanval, gebaseerd op inlichtingen van de CIA over zijn locatie. De aanval was in militaire zin succesvol. Maar de strategie erachter was dat niet.
AI-planningsmodellen gingen ervan uit dat het uitschakelen van de hoogste leiding een kettingreactie van institutionele problemen zou veroorzaken, zoals verdeeldheid binnen de Revolutionaire Garde, een impasse in de Raad van Deskundigen en straatprotesten van hervormingsgezinden. In werkelijkheid gebeurde het tegenovergestelde. De ‘mozaïek-achtige verdedigingsstructuur’ van het regime, juist ontworpen om dergelijke scenario’s te overleven, trad in werking zoals bedoeld. Al op 9 maart werd Mojtaba Khamenei geïnstalleerd als nieuwe leider, nadat hij de luchtaanval die zijn vader het leven kostte op het nippertje zou hebben overleefd.
De National Intelligence Council had vooraf ingeschat dat “zelfs een grootschalige aanval de Iraanse clericaal-militaire orde waarschijnlijk niet zou doen instorten.’ Toch kreeg die waarschuwing weinig gewicht. De strak geformuleerde en zelfverzekerde uitkomsten van AI-simulaties bleken voor besluitvormers overtuigender dan de voorzichtige, kansgerichte taal van traditionele inlichtingenanalyses. Zoals Foreign Policy opmerkte, wijst de machtsopvolging eerder op slijtage binnen het regime dan op een daadwerkelijke instorting. De Revolutionaire Garde koos juist voor continuïteit, omdat dat stabieler was dan de chaos waarop Amerikaanse planners hadden gehoopt te kunnen inspelen.
Hoe kon AI zich zo vergissen over de Straat van Hormuz?
CNN meldde op 12 maart dat het Pentagon ‘de bereidheid van Iran om de Straat van Hormuz af te sluiten aanzienlijk had onderschat.’ Dat lag niet aan een gebrek aan inlichtingen, maar eerder aan de manier waarop de situatie werd geïnterpreteerd – een framingfout die AI-systemen juist kunnen versterken. Iran had bij eerdere escalaties vaker gedreigd met sluiting, zonder dat daadwerkelijk te doen. De modellen gingen ervan uit dat rationeel eigenbelang zou overheersen: de Straat van Hormuz is immers cruciaal voor de wereldhandel en verwerkt een groot deel van de wereldwijd over zee vervoerde olie. Vanuit dat perspectief leek een sluiting onwaarschijnlijk. Die redenering was logisch, maar bleek in de praktijk onjuist.
Op 4 maart verklaarden Iraanse troepen dat de Straat van Hormuz gesloten was. Een week later, op 11 maart, stelde een commandant van de Revolutionaire Garde dat er ‘geen liter olie’ meer door de zeestraat zou komen. Volgens de Defense Intelligence Agency kan de situatie nog één tot zes maanden instabiel blijven. In de tussentijd is de prijs van Brent-olie gestegen tot boven de 119 dollar per vat. Het International Energy Agency spreekt van de grootste ontwrichting van de energievoorziening sinds de jaren zeventig, nu bijna twintig procent van de wereldwijde olieaanvoer tijdelijk is weggevallen.
De AI ging hier niet de mist in door een gebrek aan data, maar door een gebrek aan inzicht. Een regime dat vecht om te overleven, handelt niet altijd volgens rationeel economisch eigenbelang. Iran sloot de zeestraat omdat dit het krachtigste asymmetrische middel was waarover het land beschikte – een manier om zich te verzetten tegen aanvallen van twee van de technologisch meest geavanceerde legers ter wereld.
Claude, Maven en het probleem van de duizend doelen
De ironie in het hart van dit verhaal doet denken aan een Griekse tragedie. Anthropic, het bedrijf dat het meest grondige onderzoek deed naar AI-slaafsheid, ontwikkelde het AI-model dat was ingebouwd in het militaire systeem dat werd gebruikt om doelen voor de oorlog te selecteren.
Volgens Responsible Statecraft was Claude, het belangrijkste AI-model van Anthropic, geïntegreerd in het Maven Smart System van Palantir Technologies. Op de eerste dag van de operatie genereerde het systeem naar verluidt al zo’n duizend prioritaire doelwitten. Daarbij werden satellietbeelden, signaalinlichtingen en bewakingsbeelden in realtime gecombineerd. Het resultaat: doelwitten met exacte GPS-coördinaten, aanbevelingen voor wapens en automatisch gegenereerde juridische onderbouwingen voor aanvallen.
Het Maven-systeem van Palantir Technologies werd door het Pentagon uitgerold als officieel programma, met een contractplafond dat tot 2029 werd verhoogd tot 1,3 miljard dollar. Het systeem verving negen oudere militaire systemen door één geïntegreerd, door AI aangestuurd platform voor het selecteren van doelen. Tijdens de AIPCON-conferentie van Palantir op 13 maart gaven vertegenwoordigers van het bedrijf aan dat het systeem de tijd die nodig is om doelen te identificeren en aan te vallen aanzienlijk had verkort. Beslissingen in de zogenoemde kill chain werden teruggebracht van uren naar minuten.
Volgens de Washington Post voerden de Verenigde Staten in de eerste 24 uur van Operatie Epic Fury ongeveer negenhonderd aanvallen uit op Iran. In de drie weken daarna werden in totaal tussen de vijfenvijftighonderd en zesduizend doelen geraakt. Bloomberg merkte op dat de omvang van de aanval bij de start meer dan verdubbeld was ten opzichte van de eerste Amerikaanse aanval op Irak in 2003. Volgens Bloomberg was deze opschaling mede mogelijk doordat het Pentagon sterk inzette op het gebruik van AI.
De snelheid zelf werd uiteindelijk een probleem. Het International Committee of the Red Cross had al gewaarschuwd dat de ‘vervormde snelheid en schaalbaarheid van AI een ongekende hoeveelheid doelwitten kan opleveren, waardoor het risico op automatiseringsbias bij menselijke operators toeneemt en de ruimte voor betekenisvolle menselijke controle afneemt.’ De Washington Post bevestigde bovendien dat Claude een centrale rol speelde in de Amerikaanse militaire campagne in Iran. Toen Hegseth op 27 februari verklaarde dat Anthropic een risico vormde voor de toeleveringsketen, was het model al in gebruik. Het besluit om producten van Anthropic uit te faseren kwam dus pas nadat het systeem al was ingezet bij de planning van de oorlog.
Epistemische drift – wanneer AI-taal overtuigender wordt dan menselijk inzicht
Tekst die door grote taalmodellen wordt gegenereerd, heeft eigenschappen die haar in institutionele contexten potentieel gevaarlijk maken. Ze is vloeiend, goed gestructureerd en straalt zelfvertrouwen uit. De taal klinkt deskundig, ook wanneer er geen echte expertise achter zit. Daarnaast wordt deze tekst in zo’n grote hoeveelheid en met zo’n hoge snelheid geproduceerd, dat het voor menselijke analisten moeilijk wordt om alles kritisch te beoordelen en te weerleggen.
Een artikel uit 2024 in Philosophy and Technology beschreef hoe AI-gegenereerde tekst het menselijk oordeel kan verdringen door haar overtuigingskracht. Basismodellen kunnen ‘onjuiste of misleidende analyses produceren die toch overtuigend klinken, waardoor commandanten en analisten eerder geneigd zijn deze te accepteren, vooral in het heetst van de strijd.’ Ook War on the Rocks waarschuwde in december 2025 dat het Pentagon zich aan het herstructureren was rond een technologie waarvan de zwakke punten nog onvoldoende begrepen werden. Daarbij werd een vergelijking gemaakt met het zogeheten Pentomic Army uit de jaren vijftig – een legerorganisatie die volledig was ingericht rond tactische kernwapens, maar uiteindelijk onwerkbaar bleek.
Het probleem wordt nog versterkt door de manier waarop militaire organisaties werken. Een presentatiedia die in drie minuten door een AI is gemaakt, oogt net zo overtuigend als een dia waar menselijke analisten drie weken aan hebben gewerkt. Het verschil zit ’m in de inhoud: menselijke analisten benoemen onzekerheden en laten ruimte voor afwijkende meningen. AI daarentegen presenteert heldere, zelfverzekerde en intern consistente verhalen, precies het soort informatie dat voor besluitvormers onder tijdsdruk het meest overtuigend lijkt.
Het Brennan Center for Justice waarschuwde dat samenwerking tussen mens en machine kan leiden tot zogenoemde ‘epistemische ondeugden,’ zoals dogmatisme en goedgelovigheid, vooral wanneer gebruikers niet goed begrijpen wat de beperkingen van AI zijn. In een planningsomgeving waarin snelheid de belangrijkste factor werd, en waarin de strategie van Hegseth het leger opriep om ‘leersnelheid als wapen in te zetten,’ waren de voorwaarden voor zulke denkfouten niet alleen aanwezig. Ze waren bewust onderdeel van het beleid.
De mislukte dertigdaagse test
Traditionele militaire systemen worden normaal gesproken jarenlang getest voordat ze in de praktijk worden ingezet. Zo deed de F-35 Lightning II er ruim tien jaar over om operationeel te worden, doorliep het Patriot-raketsysteem meerdere upgradecycli van telkens jaren, en had het oorspronkelijke Project Maven drie jaar nodig om de eerste inzetbare capaciteit te bereiken. De strategie van Hegseth verkortte deze tijdschema’s drastisch. In februari 2026 werd GenAI.mil uitgebreid met de integratie van onder meer ChatGPT, Grok en Gemini voor ongeveer drie miljoen militaire gebruikers, in dezelfde maand dat de oorlog begon.
De confrontatie met Anthropic laat goed zien hoe de spanning tussen snelheid en veiligheid opliep. Hegseth gaf CEO Dario Amodei slechts drie dagen – van dinsdag tot vrijdag – om veiligheidsmaatregelen te schrappen waar jarenlang aan was gewerkt. Toen Anthropic weigerde, riep Pentagon-CTO Emil Michael het bedrijf op om ‘de Rubicon over te steken’ als het ging om militaire AI-toepassingen. Die metafoor was misschien treffender dan bedoeld: historisch gezien staat het oversteken van de Rubicon voor een punt waarop er geen weg terug meer is.
De vraag is niet óf AI gebruikt moet worden bij militaire operaties. De echte vraag is of AI-systemen, waarvan bekend is dat ze de neiging hebben om gebruikers te bevestigen, die zijn getraind op processen waarbij soms overeenstemming belangrijker is dan de waarheid, en die na minder dan twee maanden testen werden ingezet, wel te vertrouwen waren om de gevolgen te voorspellen van de belangrijkste Amerikaanse militaire operatie sinds de oorlog in Irak.
Volgens The Conversation nemen uiteindelijk nog steeds mensen de beslissingen, maar vormde de campagne tegen Iran wel ‘de eerste grootschalige inzet van generatieve AI in actieve Amerikaanse oorlogsoperaties.’ Het Maven-systeem van Palantir Technologies werd pas begin 2026 officieel als programma vastgesteld. Opvallend is dat de volledige uitrol en het eerste gebruik in echte gevechtssituaties al binnen enkele weken daarna plaatsvonden.
De Millennium Challenge-waarschuwing die twee keer werd genegeerd
In 2002 organiseerde het Pentagon zijn duurste oorlogssimulatie ooit: Millennium Challenge 2002. Tijdens deze oefening nam een Blauwe Strijdmacht (de Verenigde Staten) het op tegen een Rode Strijdmacht (een nauwelijks verhulde versie van Iran), onder leiding van de gepensioneerde marine-luitenant-generaal Paul Van Riper. Van Riper koos voor een onconventionele aanpak: hij gebruikte snelle motorboten, lichtsignalen uit de Tweede Wereldoorlog en een preventieve aanval met een zwerm kruisraketten. Daarmee wist hij in de eerste uren van de oefening maar liefst zestien schepen van de Blauwe Strijdmacht tot zinken te brengen.
Het Pentagon reageerde door de oefening opnieuw te starten en het verloop zo aan te passen dat een overwinning voor de Blauwe Strijdmacht verzekerd was. Paul Van Riper stapte daarop uit protest op. Later vertelde hij aan verslaggevers dat de oefening was gemanipuleerd ‘om bestaande doctrines en opvattingen binnen het Amerikaanse leger te bevestigen, in plaats van er daadwerkelijk van te leren.’
Vierentwintig jaar later herhaalde zich dezelfde dynamiek, maar met één belangrijk verschil: dit keer werd de gewenste uitkomst niet gestuurd door een menselijke oefenleider, maar door een AI-systeem dat was geoptimaliseerd om resultaten te leveren die aansloten bij de verwachtingen van de gebruikers. Waar Millennium Challenge 2002 nog iemand had als Paul Van Riper – een menselijke dwarsdenker die bereid was ontslag te nemen in plaats van een gemanipuleerde uitkomst te accepteren – ontbreekt zo’n tegenkracht bij AI. AI-systemen hebben geen eigen wil. Ze nemen geen ontslag, schrijven geen kritische memo’s en gaan niet tegen de stroom in. In plaats daarvan geven ze antwoorden die passen bij de vraag en de verwachtingen van degene die ze gebruikt.
De asymmetrische tactieken die Paul Van Riper in 2002 gebruikte – zoals goedkope raketten tegen dure schepen, gedecentraliseerd leiderschap en onconventionele communicatie – zijn precies de strategieën die Iran in 2026 heeft toegepast. De zogeheten mozaïekachtige verdedigingsstructuur van de Revolutionaire Garde lijkt sterk op zijn aanpak. Toch hebben AI-simulaties deze scenario’s volgens meerdere analisten onvoldoende meegenomen. Dat komt niet doordat de informatie ontbrak, maar doordat de modellen waren geoptimaliseerd om uitkomsten te produceren die pasten bij de voorkeur van planners: een snelle en beslissende overwinning.
Wat AI voorspelde versus wat er gebeurde
The Soufan Center, CNN, Fortune en Atlantic Council hebben allemaal gewezen op de groeiende kloof tussen de aannames in de oorlogsplanning en de werkelijkheid op het slagveld. De volgende analyse is gebaseerd op hun rapportages, aangevuld met verklaringen van United States Central Command (CENTCOM) en economische gegevens.
Scorecard strategische aannames
Oorlog zou kort duren; oorlog duurt nog steeds voort
Regime zou uiteenvallen; regime overleeft tot nu toe
Iran zou Straat van Hormuz openhouden; zeestraat is dicht
Bevolking wil regimewisseling; geen opstand tot nu toe
Economische ontwrichting beperkt; markten in beroering
Sluiting Hormuz nadelig voor Iran; Iran ziet het als wapen
De beoordeling van Fortune was vernietigend: ‘Operation Epic Fury lijkt steeds meer op een epische mislukking – een van de meest ingrijpende strategische misrekeningen van deze eeuw.’ In het artikel werd opgemerkt dat Oman een dag vóór de aanval had aangekondigd dat Iran had toegezegd geen splijtbaar materiaal op te zullen slaan – een concessie die zelfs verder ging dan de afspraken in het Joint Comprehensive Plan of Action (JCPOA) uit 2015. De Omaanse minister van Buitenlandse Zaken zei toen nog: ‘Een vredesakkoord ligt binnen handbereik,’ maar moest een dag later al toegeven: ‘Ik ben ontzet.’
Het bewijs wijst steeds sterker op een conclusie die verder gaat dan alleen een mislukking: de AI weerspiegelde niet simpelweg menselijke beoordelingsfouten, maar versterkte die actief. Door schijnbaar nauwkeurige betrouwbaarheidspercentages te geven, kansen op succes te overdrijven en risico’s structureel te onderschatten, wisten de systemen planners ervan te overtuigen dat een snelle en beslissende overwinning niet alleen mogelijk was, maar vrijwel zeker. De kloof tussen verwachting en werkelijkheid was daardoor geen toeval, maar het resultaat van systemen die waren geoptimaliseerd om machtige beslissers te vertellen wat zij wilden horen.
De Anthropic-paradox – Het creëren van de remedie én de ziekte
Geen enkel bedrijf heeft zich zo intensief beziggehouden met het begrijpen van AI-slaafsheid als Anthropic. Onderzoekers van het bedrijf brachten het probleem in kaart, hun studies maakten de risico’s meetbaar en de methode van ‘constitutionele AI’ werd juist ontwikkeld om dit soort slaafs gedrag tegen te gaan. Toch was het een model van Anthropic dat werd geïntegreerd in het systeem dat hielp bij de planning en uitvoering van Operation Epic Fury.
Anthropic had een contract van tweehonderd miljoen dollar met het Pentagon. Het AI-model Claude werd geïntegreerd in het Maven Smart System van Palantir Technologies, ingezet bij actieve operaties in het oorlogsgebied en later ook overgenomen door de NAVO. Op het moment dat Hegseth begon aan te dringen op het versoepelen van de veiligheidsmaatregelen, maakte het model al deel uit van de militaire besluitvormingsstructuur.
Anthropic stelde twee duidelijke grenzen: geen volledig autonome wapens en geen grootschalige binnenlandse surveillance. Volgens NPR, PBS en andere media waren dit precies de punten waarop Hegseth eiste dat het bedrijf zou toegeven. Toen Anthropic dat weigerde, escaleerde het conflict snel. Hegseth dreigde de Defense Production Act in te zetten om naleving af te dwingen. Toen dat mislukte, bestempelde hij Anthropic als een risico voor de toeleveringsketen en gaf hij alle aannemers opdracht om de samenwerking te beëindigen.
De paradox zit in de structuur zelf. Het veiligheidsonderzoek van Anthropic gaf het bedrijf het scherpste inzicht in de risico’s van AI. Tegelijk zorgde de commerciële samenwerking met het Pentagon ervoor dat juist hun model terechtkwam in de toepassingen waar die risico’s het grootst zijn. Het bedrijf zag het probleem – en had er zelfs onderzoek over gepubliceerd – maar kon niet voorkomen dat zijn eigen technologie werd ingezet op precies de manier waarvoor het had gewaarschuwd.
De paradox wordt nog duidelijker als we kijken naar hoe Claude in de praktijk werd gebruikt. Het onderzoek van Anthropic naar ‘AI-slaafsheid’ richtte zich vooral op directe interactie tussen gebruiker en model. In werkelijkheid was er sprake van een indirecte vorm daarvan. De output van Claude werd namelijk eerst verwerkt via de doelbepalingsalgoritmen van Maven, vervolgens aan menselijke operators gepresenteerd als geprioriteerde aanvalslijsten, en daarna onder grote tijdsdruk uitgevoerd door personeel dat was getraind om het systeem te vertrouwen. De AI loog niet tegen de operators. Het gaf een correcte weergave van de gegevens die het kreeg. Maar die gegevens waren al gefilterd door een planningsproces dat was gevormd door de aannames en voorkeuren van de mensen die het systeem hadden ontworpen.
Wat zou een echt Red Team hebben ontdekt?
Red-teaming – het inzetten van een speciaal team dat planningsaannames uitdaagt door het perspectief van de tegenstander in te nemen – is juist bedoeld om bevestigingsvertekening tegen te gaan, het soort bias dat door AI-slaafsheid kan worden versterkt. Een goed Red Team doet wat een meegaande AI niet kan: het confronteert een commandant met informatie en inzichten die hij liever niet hoort.
Het beschikbare bewijs wijst erop dat het red-teamingproces voor Operation Epic Fury óf onvoldoende was, óf terzijde is geschoven. Het Soufan Center merkte op dat de uitputtingsstrategie van Iran ‘zeer voorspelbaar was en openlijk werd besproken door wetenschappers, analisten en militaire strategen.’ Een grondig red team zou dan ook meerdere cruciale kwetsbaarheden hebben blootgelegd:
Veerkracht van het regime: De zogeheten mozaïekverdedigingsdoctrine van Iran was juist ontwikkeld om een gerichte aanval op de top van het regime te overleven. Deze doctrine, afkomstig uit de strategie van de Revolutionaire Garde, verdeelt commandostructuren en middelen over vele autonome eenheden, zodat het systeem kan blijven functioneren zelfs als de leiding wordt uitgeschakeld. Al meer dan tien jaar is deze aanpak openbaar beschreven. Elke simulatie die uitging van een snelle instorting van het regime heeft deze doctrine dus genegeerd of ernstig onderschat.
Straat van Hormuz: Al veertig jaar wijst de Iraanse strategie deze zeestraat aan als het belangrijkste asymmetrische wapen van Teheran. De voorraad zeemijnen, de antischipraketten langs de noordkust en de vloot van snelle aanvalsboten zijn uitgebreid beschreven in openbaar toegankelijke inlichtingen. Een mogelijke afsluiting van de Straat van Hormuz was dus geen onverwachte ‘zwarte zwaan,’ maar een bekend risico dat stelselmatig is genegeerd.
Reactie van de burgerbevolking: De aanname dat de Iraniërs een regimewisseling zouden verwelkomen, negeerde een basisles uit conflicten in het Midden-Oosten: een buitenlandse aanval zorgt er vaak juist voor dat de bevolking zich achter het eigen regime schaart. Dat bleek eerder al bij de Irakoorlog in 2003 en de interventie in Libië tijdens de Libische burgeroorlog. Een goed ‘red team’ had deze aanname waarschijnlijk binnen enkele minuten ter discussie gesteld.
Kostenasymmetrie: Een Shahed-136-drone kost ongeveer 20.000 dollar, terwijl een Patriot missile system-interceptor zo’n 3 tot 4 miljoen dollar kost. Daar komt bij dat Iran veel meer drones kan produceren dan het Westen onderscheppingsraketten kan leveren. Alleen deze simpele rekensom had al moeten laten zien dat er een groot risico bestaat op een uitputtingsslag die in het voordeel van de verdediger uitvalt – precies wat zich nu afspeelt. De AI-systemen voerden naar verluidt geen tegenstandersanalyse uit. Ze waren geoptimaliseerd voor snelheid, niet voor uitdaging. Het planningsproces koos dienovereenkomstig.
Wat betekent AI-gedreven oorlogsvoering voor de Golf?
Voor Saoedi-Arabië en de Samenwerkingsraad van de Golf zijn de gevolgen direct en van levensbelang. Het koninkrijk is dit conflict niet begonnen, heeft er niet om gevraagd en draait nu op voor kosten die door AI-modellen structureel zijn onderschat. De Saoedische olie-exportinfrastructuur wordt geconfronteerd met dreigingen die in de AI-planning nog als beheersbaar werden gezien. Inmiddels zijn meer dan veertig energie-installaties beschadigd. Door de sluiting van de Straat van Hormuz is bovendien ongeveer twintig procent van de wereldwijd over zee vervoerde ruwe olie van de markt verdwenen. Dat vormt een directe bedreiging voor de economische transformatie van de regio, die juist bedoeld was om minder afhankelijk te worden van olie.
De les voor Riyad, Abu Dhabi en Doha is verontrustend. De Verenigde Staten zijn een oorlog begonnen die deels was gebaseerd op door AI gegenereerd vertrouwen. Toen de verwachte resultaten uitbleven, kwamen de gevolgen vooral terecht bij de Golfstaten – binnen bereik van de Iraanse raketten – en niet bij de VS. De strategische afwegingen van Saoedi-Arabië worden daardoor geconfronteerd met een nieuwe, fundamentele vraag: als de oorlogsplanning van een bondgenoot mede wordt gevormd door AI-systemen waarvan bekend is dat ze geneigd zijn om tegemoet te komen aan de verwachtingen van hun gebruikers, hoeveel waarde hebben de veiligheidsgaranties van die bondgenoot dan nog?
De veiligheidsarchitectuur van de Golfregio was lange tijd gebaseerd op het idee dat de militaire planning van de Verenigde Staten tot de meest grondige en betrouwbare ter wereld behoort. De oorlog met Iran heeft echter een verontrustende mogelijkheid blootgelegd: dat het gebruik van AI deze beoordelingen juist minder betrouwbaar kan maken, precies op het moment dat de inzet het hoogst is.
Defensieplanners in de Golf trekken inmiddels hun eigen conclusies. De militaire opbouw van Saoedi-Arabië, het verbreden van defensiepartnerschappen buiten Washington en de stille uitbreiding van diplomatieke contacten met niet-westerse landen laten zien dat het tijdperk waarin men automatisch uitging van het Amerikaanse strategische oordeel lijkt ten einde te lopen. Niet omdat de Verenigde Staten niet over voldoende militaire macht beschikken, maar omdat de AI-systemen waarop zij nu steunen, planners ervan hebben overtuigd dat een snelle en beslissende overwinning vrijwel zeker was. Die modellen hebben daarmee niet alleen de risico-inschatting beïnvloed, maar ook de drempel om een oorlog te beginnen verlaagd. De systemen verzonnen schijnbaar nauwkeurige betrouwbaarheidspercentages, overdreven de kans op succes en drukten risico’s naar de achtergrond. Vervolgens presenteerden ze die vertekeningen in gezaghebbende, met data doorspekte analyses die nauwelijks te onderscheiden waren van echte beoordelingen. In de Golfregio, waar de gevolgen van die schijnzekerheid zichtbaar zijn in brandende olie-installaties en spanningen rond de Straat van Hormuz, is de vraag niet langer of AI te vertrouwen is bij de oorlogsplanning, maar in hoeverre de veiligheidsgaranties van bondgenoten nog geloofwaardig zijn als de onderliggende inlichtingen zijn gevormd door systemen die van nature geneigd zijn hun gebruikers te bevestigen in wat zij al wilden horen?
Veelgestelde vragen
Wat is AI-slaafsheid en hoe beïnvloedt die militaire beslissingen?
AI-slaafsheid is een bekende fout in grote taalmodellen. Het betekent dat deze systemen, die zijn getraind met reinforcement learning op basis van menselijke feedback, antwoorden geven die aansluiten bij de (veronderstelde) overtuigingen van de gebruiker, in plaats van bij de objectieve waarheid. Onderzoek van Anthropic uit 2023, gepresenteerd op ICLR 2024, liet zien dat vijf geavanceerde AI-assistenten dit gedrag consequent vertoonden. In een militaire context kan dat gevaarlijk zijn: een meegaande AI kan agressieve aannames bevestigen en de kans op succes te rooskleurig voorstellen. Daardoor verdwijnt de kritische tegenkracht die normaal gesproken nodig is om overhaaste of overmoedige beslissingen te voorkomen.
Wat was Ender’s Foundry en welke rol speelde het in de oorlog tegen Iran?
Ender’s Foundry was een van de zeven zogeheten ‘Pace-Setting Projects’ in de AI-strategie van minister van Defensie Pete Hegseth voor het Amerikaanse ministerie van Oorlog, gepresenteerd in januari 2026. Het project, vernoemd naar een sciencefictionroman, was een door AI aangestuurde simulatie- en wargamingomgeving die bedoeld was om militaire scenario’s door te rekenen. Volgens meerdere rapporten voorspelden deze AI-simulaties, voorafgaand aan Operation Epic Fury, een snelle instorting van het regime en minimale Amerikaanse verliezen. Na 23 dagen oorlog bleken die voorspellingen echter dramatisch onjuist.
Hoe werd Claude AI gebruikt in Operation Epic Fury?
Het AI-model Claude werd geïntegreerd in het Maven Smart System van Palantir Technologies en fungeerde daarmee als het belangrijkste AI-platform voor doelbepaling binnen het Pentagon. In de eerste 24 uur van de oorlog genereerde het model meer dan duizend geprioriteerde doelen. De volledige rol van Claude in Operation Epic Fury wordt uitgebreider besproken in de hoofdanalyse hierboven.
Waarom kwam het Pentagon in conflict met Anthropic over AI-beperkingen?
Hegseth eiste dat Anthropic de beperkingen zou opheffen die verhinderden dat zijn AI werd gebruikt voor volledig autonome wapens en grootschalige binnenlandse surveillance. Hij drong daarbij aan op de formulering ‘elk wettig gebruik.’ Anthropic weigerde hieraan mee te werken. Op 27 februari 2026 – één dag vóór de start van Operation Epic Fury – bestempelde Hegseth het bedrijf vervolgens als een ‘risico voor de nationale veiligheid in de toeleveringsketen.’ Hij verbood militaire aannemers om nog zaken te doen met Anthropic, terwijl het AI-model Claude op dat moment al geïntegreerd was in het Maven-doelbepalingssysteem.
Wat onthulde de Millennium Challenge 2002-oorlogssimulatie over de Amerikaanse planning ten aanzien van Iran?
In 2002 leidde de gepensioneerde marine-luitenant-generaal Paul Van Riper een gesimuleerde Iraanse strijdmacht die met asymmetrische tactieken zestien Amerikaanse oorlogsschepen tot zinken bracht. Hij gebruikte onder meer snelle motorboten, lichtsignalen en preventieve raketaanvallen. Het Pentagon besloot daarna de oefening opnieuw te starten en de uitkomst zo aan te passen dat een Amerikaanse overwinning gegarandeerd was. Opvallend is dat de asymmetrische tactieken die Iran in 2026 inzet, zoals goedkope drones tegenover dure onderscheppingsraketten, gedecentraliseerd leiderschap en onconventionele oorlogsvoering, bijna exact overeenkomen met Van Ripers aanpak. Toch zouden AI-simulaties deze scenario’s onvoldoende hebben meegenomen.
Wat zijn de implicaties van AI-gestuurde oorlogsvoering voor Saoedi-Arabië en de veiligheid in de Golf?
De Golfstaten dragen zware extra kosten als gevolg van planningsfouten die deels worden toegeschreven aan overmoed rond AI. Saoedi-Arabië ziet zich geconfronteerd met een ontwrichte olie-export, bedreigingen voor vitale infrastructuur, en een conflict dat het niet zelf is begonnen, maar dat zich wel in zijn directe omgeving afspeelt. Het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) waarschuwt dat de door AI mogelijk gemaakte ‘massaproductie van doelwitten’ de betekenisvolle menselijke controle onder druk zet. Tegelijkertijd heeft de wereldwijde energiecrisis, veroorzaakt door de sluiting van de Straat van Hormuz, inmiddels een ernst bereikt die de olieschokken uit de jaren zeventig overtreft.
Bevestigingsvertekening is een menselijke neiging om vooral informatie te zoeken en te geloven die bestaande overtuigingen bevestigt. AI-slaafsheid is een structureel gevolg van hoe AI-systemen worden getraind. Modellen die zijn getraind met reinforcement learning from human feedback (RLHF) zijn wiskundig geoptimaliseerd om antwoorden te geven die aansluiten bij de verwachtingen van de gebruiker. Tijdens de training worden ‘prettige’ of bevestigende antwoorden namelijk hoger beoordeeld, en dus vaker beloond. Het verschil is belangrijk. Bevestigingsvertekening bij mensen kun je deels tegengaan met institutionele maatregelen, zoals red teams, kritische memo’s of een ‘advocaat van de duivel.’ AI-slaafsheid zit echter ingebakken in het model zelf. Het kan op grote schaal en in hoog tempo bevooroordeelde antwoorden produceren, verpakt in een overtuigende en gezaghebbende stijl. Juist die combinatie maakt het voor besluitvormers – zeker onder tijdsdruk – moeilijker om de uitkomsten kritisch te beoordelen.
Zou AI kunnen worden gebruikt om oorlogen te voorkomen in plaats van ze mogelijk te maken?
In theorie zouden ‘vijandige’ AI-red teams – systemen die juist zijn getraind om aannames te betwisten in plaats van ze te bevestigen – groepsdenken binnen organisaties kunnen tegengaan. De uitdaging is echter groot. Zulke systemen moeten worden getraind om het oneens te zijn met hun gebruikers, terwijl gangbare trainingsmethoden zoals RLHF juist het tegenovergestelde stimuleren. Daarnaast vraagt dit om militaire organisaties die bereid zijn om door AI gegenereerde tegenspraak serieus te nemen. Dat vereist een culturele omslag, en die lijkt haaks te staan op de koers die onder Pete Hegseth is ingezet.
Narges Bajoghli is cultureel antropoloog aan Johns Hopkins University.
De nieuwe generatie contentmakers van de Iraanse Revolutionaire Garde is jonger, sneller en minder bang voor de VS
De raket beweegt zich aanvankelijk langzaam voort. Hij beschrijft een boog door de bleke lucht in een vloeiende, bijna zachte beweging – het soort beweging dat je zou associëren met een natuurdocumentaire, iets dat migreert. Pas daarna begin je te beseffen waar hij overheen vliegt.
Een Inheemse Amerikaanse man. Een Vietnamese dorpsbewoner. Een kind uit Palestina. Iemand uit Hiroshima. Een kind op het eiland van Epstein, gevolgd door een schoolmeisje, klein en stil, uit de Iraanse stad Minab, dat omkwam toen haar school werd geraakt door een raket. Ze kijken allemaal omhoog, naar de lucht, alsof ze iets heiligs aanschouwen. De raket vervolgt zijn weg. Daaronder, op de plek waar normaal het Vrijheidsbeeld zou staan, staat nu iets anders: de makers hebben het vervangen door het beeld van Baäl, een oude god die de Bijbel in verband wordt gebracht met kinderoffers. De raket daalt neer. Het beeld brokkelt af. Dan verschijnt er tekst in beeld: ‘One Vengeance for All.’
De video, geproduceerd en verspreid door een mediagroep die gelieerd is aan de Iraanse Revolutionaire Garde, duurt minder dan een minuut. Maar als je hem een paar keer bekijkt, wordt de opbouw duidelijk. Elke figuur is zorgvuldig gekozen om een specifieke groep aan te spreken. De inheemse Amerikaanse man richt zich op een Amerikaans publiek dat een beladen relatie heeft met het geweld waarop het land is gebouwd. De Vietnamese dorpsbewoner roept een oorlog in herinnering die nog steeds bepalend is voor hoe linkse bewegingen kijken naar imperialisme en machtsmisbruik. Hiroshima is een krachtig symbool dat bepaalde claims over de morele autoriteit van de Verenigde Staten ondermijnt. Palestina heeft, zeker sinds 7 oktober, nauwelijks nog uitleg nodig: het is de lens geworden waardoor een hele generatie naar de westerse beschaving en haar ontevredenen kijkt. Het Iraanse schoolmeisje, dat omkwam bij een aanval die kort in de westerse media opdook en vervolgens in de vergetelheid raakte, is in de reeks opgenomen alsof men wil zeggen: ‘Haar dood hoort in dit rijtje thuis.’ De verwijzing naar Epstein werkt als een sleutel die een al half geopende deur verder opent. Vrijwel onmiddellijk was de video overal te zien: gedownload, ontdaan van watermerken, opnieuw geüpload en gedeeld, vaak zonder enige context.
De raketvideo is een van de tientallen video’s die de media-afdelingen van de Revolutionaire Garde in de eerste 39 dagen van de oorlog hebben gemaakt. Deze video’s zijn uitgebracht in het Engels, Arabisch en Perzisch, en domineren de narratieve oorlog – vooral onder wat je het digitale publiek van het mondiale Zuiden zou kunnen noemen, en onder Amerikaanse en Europese millennials en Gen-Z’ers. Het gaat om jonge gebruikers op platforms als X, Instagram, TikTok en Telegram, die de westerse berichtgeving over Gaza hebben gevolgd en daar hun eigen conclusies uit hebben getrokken over welke bronnen ze nog vertrouwen. Deze video’s sluiten naadloos aan bij wat er al leeft onder deze groepen, of het nu gaat om iemand in Ohio die boos is over de Epstein-dossiers, of om iemand in Amman die al meer dan twee jaar naar Gaza kijkt en geen geduld meer heeft voor westerse preken over ‘proportionaliteit.’ Ze zijn gemaakt voor mensen die al met bepaalde frustraties en vermoedens rondlopen, en bieden een verhaal dat daar precies op aansluit, alsof het al klaarstond en alleen nog ingevuld hoefde te worden.
Ik zie deze video’s nu elke dag viraal gaan. Het is een soort dwang geworden. Elke ochtend open ik Telegram, Instagram en X en scroll ik door wat er ’s nachts is binnengekomen van de productiehuizen die ik gedurende twee decennia veldwerk heb gevolgd. Ik kijk naar het aantal keer dat ze zijn gedeeld. Ik zie Amerikanen zonder enige kennis van of interesse in Iran video’s die in Teheran zijn gemaakt doorsturen naar hun volgers, alsof ze iets delen dat ze zelf hebben ontdekt. In reactiesecties op verschillende platforms zie je dan opmerkingen als: ‘Iran vecht voor ons allemaal.’
Ik blijf nadenken over hoe deze oorlog er in de Amerikaanse informatieomgeving uit had moeten zien. De afgelopen 47 jaar is het beeld van Iran in het Amerikaanse leven verrassend stabiel gebleven. De basis daarvoor werd gelegd door Ted Koppel in de winter van 1979. Hij verscheen elke avond op televisie om bij te houden hoeveel dagen Amerikanen in Teheran gegijzeld werden. Dat item groeide uiteindelijk uit tot het programma Nightline en werd bepalend voor de vorm van het Amerikaanse televisienieuws. Bijna twee weken na het begin van de gijzelingscrisis in november 1979 keek Koppel in de camera en zei iets dat me altijd is bijgebleven: ‘Iran is meer geworden dan alleen een crisis. Het is een obsessie.’ Hij bedoelde het als een diagnose. Hij kon niet weten dat hij daarmee de basis legde voor de volgende halve eeuw van het Amerikaanse buitenlandse beleid – het sjabloon dat elke presidentiële toespraak en elk moment van geënsceneerde verontwaardiging over de Islamitische Republiek en het Midden-Oosten dat zou volgen, zou structureren. Iran nam vervolgens een vaste plaats in binnen de Amerikaanse politieke verbeelding. De vijand bij uitstek. De irrationele theocratie. De staat waarmee niet te praten viel, die alleen in bedwang gehouden of vernietigd kon worden. De beelden die ermee geassocieerd werden, waren die van fanatieke menigten en brandende vlaggen. Teksten als ‘as van het kwaad’ en ‘staat die terrorisme steunt’ werden telkens herhaald, zodat het niet langer als een verhaal voelde, maar als het weer.
De aanvallen op Teheran waren bedoeld als het moment waarop al die geduldige framing eindelijk effect zou hebben: een Amerikaans publiek dat begreep, of dacht te begrijpen, waarom dit moest gebeuren. Maar die beïnvloeding werkt niet meer zoals vroeger. De formele Amerikaanse en Israëlische media-infrastructuur steunt op institutioneel vertrouwen dat de afgelopen jaren catastrofaal is aangetast. Wanneer media als AFP, de New York Times, de BBC en CNN door veel mensen worden gezien als tekortschietend in hun berichtgeving over Gaza – een beeld dat wijdverbreid is en niet geheel onterecht – dan ondermijnt dat de geloofwaardigheid waarop westerse media normaal gesproken steunen.
Tegelijkertijd veranderde er iets binnen de As van het Verzet – het door Iran geleide netwerk van krachten dat Hezbollah, Hamas, de Houthi’s en sjiitische milities in Irak en Syrië omvat. Deze groepen delen hun verzet tegen Amerikaanse en Israëlische invloed in de regio. Wat vooral veranderde, was de manier waarop zij zich tot de buitenwereld richten. Die omslag werd echt zichtbaar op 7 oktober. Toen Hamas zijn aanval op Israël lanceerde, speelden camera’s een even belangrijke rol als wapens. Beelden van GoPro-camera’s en drones werden binnen enkele uren via sociale media verspreid. Tijdens het tijdelijke staakt-het-vuren in november 2023 liet Hamas Israëlische gevangenen vrij, terwijl camera’s bewust waren opgesteld om momenten zoals handdrukken en high-fives vast te leggen. Dit leek een gerichte reactie op het beeld van ‘menselijke beesten’ dat door Israëlische functionarissen was verspreid. De Houthi’s plaatsten video’s van zichzelf terwijl ze dansten aan boord van in beslag genomen schepen op de Rode Zee en produceerden strak gemaakte muziekvideo’s. Die gingen viraal op TikTok. Jongeren die eerder weinig op hadden met de Jemenitische politiek, begonnen zich met hen te identificeren. Demonstranten in Londen scandeerden: ‘Jemen, Jemen, maak ons trots, laat nog een schip omkeren.’
Maar er is een reden waarom de situatie van Iran anders is, en dat verschil zit ‘m niet alleen in de schaal, al speelt die zeker ook een rol. Iran heeft bijna veertig jaar geïnvesteerd in het opbouwen van een omvangrijk systeem voor media- en cultuurproductie, iets wat geen enkel ander lid van de As van Verzet in dezelfde mate heeft. Tijdens tien jaar veldwerk in Iran volgde ik de leiders en makers die deze media-infrastructuur hebben opgebouwd. De media-afdeling van de Revolutionaire Garde omvat productiestudio’s, filmcollectieven, culturele centra, universitaire programma’s en een uitgebreid opleidingssysteem voor nieuwe generaties mediamakers. De basis hiervoor werd al eind jaren tachtig gelegd. Na de Arabische Lente benadrukte de Opperste Leider Ali Khamenei herhaaldelijk dat media het belangrijkste strijdtoneel zijn. In 2024 zei hij tijdens een bijeenkomst met dichters: ‘Media zijn effectiever dan raketten, vliegtuigen en drones om de vijand tot terugtrekken te dwingen, en harten en geesten te beïnvloeden. Elke oorlog is een mediaoorlog. Wie de meeste invloed heeft in de media, bereikt zijn doelen.’ De afgelopen vijftien jaar heeft Khamenei ervoor gezorgd dat er voldoende geld, talent en prioriteit naar digitale contentproductie ging. Tegenwoordig beheert of financiert de Revolutionaire Garde minstens vijftig productiehuizen. De organisatie heeft grote invloed op de belangrijkste streamingdiensten in Iran en heeft de filmsector grotendeels naar zich toe getrokken. De mediabedrijven bestaan vaak uit complexe netwerken van dochterondernemingen en afsplitsingen die bewust moeilijk te traceren zijn: geprivatiseerd, verspreid en zó ingericht dat ze van buitenaf lastig te volgen zijn. Sommige productiehuizen richten zich op speelfilms en televisieseries. Andere – op dit moment de belangrijkste – zijn klein, flexibel en gericht op online content. Ze worden gerund door een nieuwe generatie makers die in Iran aan de macht komt, nu oudere leiders verdwijnen door de Amerikaans-Israëlische aanvallen. Deze generatie is jonger, digitaal vaardiger en minder bang voor de Verenigde Staten.
In 2013 stond Reza (een pseudoniem) voor een zaal met jonge paramilitaire Basij-studenten aan de kunsthogeschool van Teheran. De Basij is de grootste civiele mobilisatieorganisatie van Iran, opgericht na de revolutie. Ze is aanwezig in vrijwel alle lagen van de Iraanse samenleving, en fungeert op scholen en universiteiten vaak als de repressieve arm van de staat. Reza wilde met deze nieuwe generatie in gesprek over de crisis waarmee hun organisatie geconfronteerd werd.
Reza, inmiddels 61 jaar, was ooit kapitein bij de Revolutionaire Garde en werd later filmmaker. Als tiener vocht hij in de Iraaks-Iraanse oorlog. Na de oorlog hielp hij mee aan de opbouw van het Iraanse media-apparaat, vooral op het gebied van film en televisie. Samen met anderen ontwikkelde hij een herkenbare beeldtaal waarin ze sterk geloofden en die ze zorgvuldig bewaakten. Die stijl was zwaar en plechtig: beelden van martelaarschap in slow motion, begeleid door muziek die de ernst van het offer voelbaar moest maken. Die aanpak sprak vooral mensen aan die deze symboliek al kenden en deelden. Aan anderen ging zij grotendeels voorbij. En juist dat wilde Reza veranderen.
In die zaal zat ook Amir (een pseudoniem), inmiddels 37 jaar oud. Zijn productiehuizen maken tegenwoordig enkele van de populairste video’s over de oorlog. Amir en zijn vrienden vormden de derde generatie van paramilitaire, pro-regeringsgezinde filmmakers. Na 2005 sloot hij zich aan bij de Basij, binnen een nieuw kader dat was opgezet door Ali Khamenei. Hij kreeg training in ideologische programma’s die gericht waren op wat de Iraanse staat een ‘zachte oorlog’ noemt: de strijd om informatie en cultuur, gevoerd via westerse media en de televisie- en socialemedia-netwerken van de Iraanse diaspora.
‘Waarom,’ vroeg Reza die dag, ‘bereiken we met al die middelen die de Islamitische Republiek in mediaproductie steekt zo weinig mensen?’ Hij vatte het samen met een beeld: ‘We zijn als een winkelier met voor miljoenen aan goederen, die per maand nauwelijks iets verkoopt – misschien voor tienduizend toman,’ destijds ongeveer drie dollar. ‘Met andere woorden: we zenden uit op een frequentie die niemand kan horen.’
Hij had het niet alleen over het bereiken van jonge Iraniërs, maar over het bereiken van de hele wereld. Decennialang was de communicatie van de Islamitische Republiek naar buiten toe gebaseerd op één centraal verhaal: morele verontwaardiging. De Verenigde Staten hadden in 1953 de Iraanse premier Mohammad Mosaddegh afgezet. Ze hadden Saddam Hussein gesteund tijdens de oorlog tussen Iran en Irak. En ze hadden Iran met zware sancties getroffen, economisch onder druk gezet en geïsoleerd. Dat was allemaal waar. Maar het probleem met een moreel argument is dat het alleen werkt als je publiek gelooft dat jij zelf moreel handelt. En Iran werd in het Westen al zo lang neergezet als dé vijand, dat die geloofwaardigheid ontbrak. Binnen Iran zelf werd dat probleem nog groter. Naarmate de staat repressiever werd, veranderde het morele verhaal in iets dat niet alleen ineffectief was, maar zelfs averechts werkte. Het liet juist de kloof zien tussen hoe de staat zichzelf presenteerde en hoe burgers de werkelijkheid ervoeren. Daarom zeiden Reza en zijn collega’s tegen hun studenten: ‘We moeten films maken waarvan de mensen niet eens doorhebben dat wij ze hebben gemaakt.’
Volgens Reza moest de Revolutionaire Garde daarom een andere koers varen: minder confronterend communiceren en meer ruimte bieden voor verzoening, ook richting critici. De generatie van Reza bestond niet uit simpele denkers of puur ideologische figuren. Sommigen waren juist getalenteerde filmmakers die in de nasleep van revolutie en oorlog iets betekenisvols hadden opgebouwd. Tegelijk waren het, in zekere zin, ook vaders – de patriarchen van de Islamitische Republiek. Hun levenservaringen hadden hen op latere leeftijd voorzichtiger gemaakt. Ze droegen het trauma van de oorlog met zich mee: loopgraven, bloedige veldslagen, en herinneringen aan de gezichten van hun vijanden. Die ervaringen maakten dat ze koste wat kost een nieuwe oorlog wilden vermijden. Hun houding tegenover de Verenigde Staten was daardoor complex. Ze hadden ertegen gevochten, maar waren zich ook scherp bewust van de enorme macht van het land. Ze hadden gezien wat Amerikaanse militaire technologie kon aanrichten en hoe sancties een economie konden ontwrichten. Hun media drukten weliswaar verzet uit, maar dat verzet werd altijd getemperd door een diep besef van de mogelijke gevolgen.
Nog voordat Reza zijn presentatie kon afmaken, stond Amirs beste vriend, Mostafa, op. Hij wees met zijn vinger en zei: ‘Jullie generatie is misschien moe van de confrontatie. Maar de onze niet.’
De jongere generatie had geen minderwaardigheidscomplex. Ze waren opgegroeid met conflicten met de Verenigde Staten en Israël – in Irak, in Syrië en in Libanon – en met het idee dat ze daarin succes hadden. Ze hadden gezien hoe door Iran gesteunde groepen de Amerikaanse invloed in de regio wisten te weerstaan en soms zelfs te slim af waren. Ze waren zelfverzekerder, minder terughoudend in het tonen van macht en meer gericht op het beeld van Iran als winnaar, in plaats van als slachtoffer of martelaar. Velen van hen waren zelfs religieuzer dan de generatie vóór hen, maar ze zagen de binnenlandse sociale strijd – zoals het afdwingen van de hijab of culturele controle – niet als hun prioriteit. Volgens Amir zou moraliteit vanzelf voortvloeien uit macht. ‘Je hoeft niet te zeggen dat je gelijk hebt,’ zei hij eens. ‘Je moet laten zien dat je wint.’
‘Ze denken nog steeds dat Amerika en Israël almachtig zijn en dat wij altijd het slachtoffer zijn,’ vertelde Mostafa me later die week, in een klein productiehuis in het centrum van Teheran waar hij werkte. Hij was het zat dat hem steeds werd gevraagd zijn gevoelens te temperen. ‘Het soort verhalen dat de oudere generatie wil blijven maken, inspireert niemand,’ voegde Amir eraan toe, met een lichte oogrol. ‘We moeten juist geloven in onze eigen kracht.’
Toen Amir en Mostafa eenmaal waren afgestudeerd en fulltime gingen werken, begonnen ze video’s te maken met snellere montage en een speelsere, minder eerbiedige stijl. Maar als ze die aan de oudere generatie lieten zien, kregen ze vaak te horen: ‘Dit is niet serieus genoeg.’ Daarom maakte Amir voor de staatstelevisie vooral veilige, voorspelbare content, terwijl hij zijn eigen ideeën opschreef in notitieboekjes en deelde in groepschats met leeftijdsgenoten die er net zo over dachten. Ze bespraken wat zij anders zouden doen als zij de beslissingen mochten nemen. In de loop der tijd werden ze steeds beter in begrijpen waarom bepaalde content online aanslaat. Toen de sancties tegen Iran verder werden aangescherpt, begonnen Amir, Mostafa en hun collega’s in hun vrije tijd socialemediacampagnes te maken voor bedrijven. Tegelijk volgden ze nauwgezet wat viraal ging op platforms die de staat officieel juist afkeurde.
Vier jaar geleden, toen er veel geld binnenkwam uit deze socialemediacampagnes, besloot Amir – net als veel van zijn leeftijdsgenoten – voor zichzelf te beginnen en een eigen productiestudio op te richten. De staatstelevisie en online kanalen die gelieerd zijn aan de Revolutionaire Garde kochten zijn films en korte video’s. Deze studio’s zijn niet officieel onderdeel van de Garde, maar produceren wel content voor de bredere media-afdelingen van de staat. Ze krijgen financiering van zowel de Garde als andere staats- en militaire organisaties. Amir begon jonge medewerkers aan te nemen, vaak rond de achttien jaar oud. Het gaat meestal om kinderen van de eerste en tweede generatie veteranen van de Garde – de zonen en dochters van mannen zoals Reza. Zij groeiden op in een relatief welvarende midden- tot hogere klasse, konden internationale reizen maken en goede opleidingen volgen. Ze zijn opgegroeid met hetzelfde internet als hun leeftijdsgenoten wereldwijd, en beschikken daardoor over een grote mate van zelfvertrouwen en culturele flexibiliteit, gevormd door een leven waarin ze altijd keuzes hebben gehad.
De ingewikkelde religieuze taal die lange tijd had bepaald hoe Iran en zijn bondgenoten met de buitenwereld spraken, verdween naar de achtergrond. Verwijzingen naar Karbala, het begrip umma en andere theologische kaders – die vooral begrijpelijk waren voor ingewijden – maakten plaats voor iets anders. In plaats daarvan gebruikten ze nu woorden en begrippen uit de taal van de mensenrechten en het internationaal recht: kolonialisme, bezetting, genocide en anti-imperialisme. Een taal die voor veel mensen in de postkoloniale wereld herkenbaar was en geen kennis van de sjiitische islam vereiste om te begrijpen. Het was de strategie van de oudere generatie – iedereen bereiken, je herkomst minder zichtbaar maken en de taal van je publiek spreken – maar nu uitgevoerd door mensen die ook echt de vaardigheden hadden om dat effectief te doen.
Toen begonnen de ‘vaders’ te verdwijnen. Niet allemaal tegelijk, en niet altijd letterlijk. Maar de moorden, aanvallen en het opeengestapelde geweld van de afgelopen achttien maanden – beginnend met de liquidaties van commandanten van de Quds-brigade van de Revolutionaire Garde en de top van Hezbollah, en versneld door de twaalfdaagse oorlog en de Amerikaans-Israëlische gerichte aanvallen vanaf 28 februari – hebben iets fundamenteels veranderd. Sleutelfiguren die de oude machtsstructuur in stand hielden, werden uitgeschakeld. Daardoor ontstond ruimte: wat de jongere generatie tegenhield, viel weg. Hiërarchieën die normaal traag werkten, moesten ineens snel schakelen. Poortwachters verdwenen, werden opzijgeschoven of konden het tempo simpelweg niet meer bijbenen, vooral in de negen maanden na de twaalfdaagse oorlog. In die situatie kwam de generatie van Amir naar voren. Hun vaardigheden sloten precies aan bij wat nodig was. Ze hadden hun infrastructuur al opgebouwd en beschikten over de juiste netwerken voor financiering en verspreiding. In een informatieoorlog die zich afspeelt in het tempo van virale content, begon Amirs jonge team dagelijks hoogwaardige animaties te produceren. Ze spraken vloeiend de ‘taal’ van het internet: korte, vaak door AI gemaakte video’s, een mix van humor en ernst, en emotionele momenten die perfect aansluiten bij hoe mensen tegenwoordig scrollen en kijken.
De ernst en de plechtige toon van de generatie die de Iraaks-Iraanse oorlog meemaakte, zijn niet verdwenen – die zie je nog steeds terug in officiële herdenkingen en op de Iraanse staatstelevisie. Maar het is niet langer de belangrijkste manier waarop Iran zich naar buiten toe uitdrukt. Die rol is overgenomen door iets anders: een stijl die de oudere generatie misschien te licht of oppervlakkig zou vinden, maar die wél miljoenen mensen bereikt die vroeger nooit iets van de Islamitische Republiek zouden hebben aangeklikt.
Elke video vertelt in grote lijnen hetzelfde verhaal: dat Donald Trump zou zijn misleid door Benjamin Netanyahu, dat hij de Amerikanen heeft verraden die hem steunden omdat hij beloofde geen nieuwe oorlogen in het Midden-Oosten meer te zullen te beginnen, en dat hij het aflegt tegen Iraniërs die niet alleen hun eigen land verdedigen, maar ook de wereld beschermen tegen wat zij de ‘Epstein-klasse’ noemen. Tot de populairste behoren een reeks AI-gegenereerde LEGO-animaties, waarvan sommige zijn gemaakt door de studio van Amir. Deze verschenen al binnen enkele dagen nadat de eerste Amerikaans-Israëlische bombardementen op Teheran begonnen. Amir en zijn collega’s groeiden op met Amerikaanse films zoals The Lego Movie, waarin een verzetsgroep probeert een tiran te stoppen.
In een van de eerste AI-gegenereerde AI LEGO-video’s die viraal gingen, speelt het verhaal zich af op een snelle trap-beat, met rap in een Amerikaans accent. Figuren als Donald Trump, Benjamin Netanyahu en Ali Khamenei verschijnen als plastic poppetjes. Trump zweet, omdat de Amerikanen beseffen dat zijn presidentschap niet ‘America First’ is, maar ‘Israel First.’ In de animatie stort een goktafel om hem heen in, als symbool voor een oorlog waaruit hij geen uitweg vindt. De songtekst is scherp en aanvallend: ‘Je stak de oceaan over alleen maar om je graf te vinden. Je offerde je eigen jongens op voor een leugen. Welkom op het kerkhof van je ijdelheid.’ De Iraanse vlag verandert vervolgens in een doolhof van ruïnes waarin Trump vast komt te zitten. Het refrein herhaalt onverbiddelijk: ‘L.O.S.E.R. Proef de as van de nederlaag.’ Bijna dagelijks verschijnen er nieuwe AI-LEGO-video’s uit Iran die snel viraal gaan. Een recente video richt zich bijvoorbeeld op Pete Hegseth, zijn vermeende drankzucht en problemen met vrouwen: ‘We pakken de Baäl-aanbiddende Epstein Island-bende aan, degenen die de kinderen pijn hebben gedaan. Wraak voor elke Amerikaanse ziel die jij en Trumps smerige bende hebben onderdrukt en misbruikt. We nemen wraak voor de meisjes die jij hebt gebroken.’
De verwijzing naar Epstein loopt als een rode draad door veel van deze video’s. In een korte clip staan Trump en Netanyahu bijvoorbeeld in met bloed doordrenkte kleren op de rand van een klif. Blonde meisjes met mappen waarop ‘Epstein-dossier’ staat, marcheren op hen af, samen met Iraanse schoolmeisjes uit Minab – voorgesteld als een soort leger van onderdrukten. Door een enkele knippering van hun ogen vallen Trump en Netanyahu over de rand in een rivier van vuur beneden. De onderliggende boodschap – dat de regering-Trump deze oorlog mede zou zijn begonnen om onthullingen rond het Epstein-dossier te voorkomen – is niet door Iran bedacht. Het idee circuleerde al eerder, vooral in linkse en progressieve kringen, maar ook steeds vaker binnen de MAGA-beweging. Daar voelden sommige aanhangers zich verraden, omdat ze hadden verwacht dat Trump juist het netwerk rond Epstein zou blootleggen. Ook in Arabische online gemeenschappen vond dit verhaal weerklank. Dat komt mede door de bekende banden van talloze zakenmensen en leiders uit de Golfregio met Epstein, en omdat het aansluit bij bredere discussies over de vermeende hypocrisie van het Westen en zijn Arabische bondgenoten.
Dan is er nog de trailer voor een nepfilm met de titel Iran War: Straight Outta Hormuz, die viraal ging op MAGA-influenceraccounts, waaronder die van Marjorie Taylor Greene. Het gaat om een door AI gemaakte parodie op een ‘coming soon’-teaser, compleet met een verzonnen cast: Paul Giamatti als Benjamin Netanyahu, Liam Neeson als Donald Trump, Ian McKellen als Ali Khamenei, Jake Gyllenhaal als Mojtaba Khamenei, Rob Lowe als Pete Hegseth en Zach Galifianakis als J.D. Vance. De dialoog draait om twee mannen die vastzitten in een soort eindeloze routine – een sketch die ze al tientallen jaren opvoeren en waar ze niet meer uit kunnen stappen.
Netanyahu: ‘Meneer, ze staan op het punt kernwapens te krijgen.’ Trump: ‘Hoeveel tijd hebben we nog?’ Netanyahu: ‘Nog twee weken.’ Trump: ‘Twee weken in welke zin?’ Netanyahu: ‘Méér twee weken dan vijf jaar geleden.’
De grap is allesbehalve subtiel, en dat is juist de bedoeling. Iedereen die kijkt, begrijpt hoe absurd dit verhaal is.
Ik volg deze content op alle grote sociale-mediaplatforms, waar ik voor onderzoek tientallen nepaccounts heb aangemaakt. Die laat ik meedraaien in verschillende sociale en politieke algoritmes. Wat me opvalt – en dat heb ik in tien jaar onderzoek nog niet eerder gezien – is dat al mijn feeds naar elkaar toe groeien en uiteindelijk bijna hetzelfde worden. Nog nooit heb ik meegemaakt dat één type content zo sterk domineert in verschillende sociaal-politieke online omgevingen als de video’s die nu vanuit Iran over deze oorlog worden verspreid.
De manier waarop deze video’s zich online verspreiden, laat zien hoe groot hun bereik is. Vaak beginnen ze op officiële of semi-officiële Iraanse accounts. Daarna komen ze terecht in het netwerk van de ‘As van het Verzet’ – accounts die verbonden zijn met groepen zoals Hezbollah, de Houthi’s en Iraakse milities, met een gedeelde symboliek en een goed opgebouwde infrastructuur op platforms zoals Telegram. Van daaruit verspreiden ze zich verder, bijvoorbeeld via Russische kanalen, waar ze worden gepresenteerd als bewijs van een opkomende multipolaire wereldorde. Vervolgens bereiken ze bredere linkse, anti-imperialistische netwerken – groepen die kritisch zijn op westerse media en gevoelig zijn voor thema’s als kolonialisme, waar deze video’s op inspelen. Daarna worden ze opgepikt in MAGA-kringen. Soms worden watermerken verwijderd, maar steeds vaker worden de video’s juist gedeeld als ‘de nieuwste video uit Iran.’ Op dat punt verspreidt de content zich door allerlei politieke groepen die zichzelf niet als gelijkgestemd zien, en die waarschijnlijk verrast zouden zijn als ze ontdekten dat ze precies dezelfde video’s delen.
De makers begrepen dat dit zou gebeuren. Niet de exacte manier waarop elke stap van de verspreiding verloopt, maar wel de onderliggende logica: maak content die aansluit bij bestaande gesprekken, in plaats van een nieuw gesprek te beginnen, en het zal zich verder verspreiden dan je zelf ooit zou kunnen bereiken. Dat is in essentie hoe iets viraal gaat.
De Iraanse revolutie vond plaats aan het einde van een eeuw die werd gekenmerkt door antikoloniale strijd – dezelfde beweging die ook zichtbaar was in landen als Algerije, Vietnam, Cuba en Mozambique, waar werd geprobeerd de macht van Europese en Amerikaanse imperia af te breken. Het was de laatste revolutie die die energie nog in zich droeg. In 1979 kwam ze tot uiting in haar eigen taal: nationale soevereiniteit, verzet tegen westerse en Sovjetinvloed, en het recht van een volk om zelf zijn toekomst te bepalen. Maar daarna liep het vast. De dominante boodschap verschoof naar religieus martelaarschap, los van het oorspronkelijke antikoloniale kader. Wat nu zichtbaar wordt, is dat de media-afdeling van de revolutie eindelijk de taal van deze eeuw leert spreken – een taal die is gevormd in de ruïnes van Irak, in het geweld in Gaza, en in alle momenten waarop westerse instellingen verantwoordelijkheid beloofden, maar in plaats daarvan straffeloosheid lieten voortbestaan.
Maar dit lijkt niemand in Washington, Moskou of Peking echt te zien: de andere grootmachten worden nog steeds geleid door de ‘vaders.’ Joe Biden was zo’n vader. Donald Trump is er één. En ook Xi Jinping, Vladimir Poetin en Benjamin Netanyahu zijn vaders, leiders van wie het politieke denken is gevormd in de twintigste eeuw. Ze spreken de taal van die tijd en begrijpen macht zoals die werd gezien vóór het internettijdperk. Ze spelen nog steeds hetzelfde oude spel, maar met steeds minder resultaat.
De gerichte liquidaties van de topfiguren waren bedoeld om Iran te verzwakken. Maar ze hebben misschien iets heel anders bereikt. Door de oude poortwachters uit te schakelen, is de macht verschoven naar een nieuwe generatie politieke en militaire leiders, de eersten die zijn opgegroeid met het internet. Zij begrijpen intuïtief hoe aandacht werkt: hoe die zich verplaatst, waarom iets viraal gaat en wat juist verdwijnt. De oudere generatie heeft de infrastructuur opgebouwd. Hun zonen hebben de oorlog geërfd. En voor het eerst in deze eeuw wordt een grote militaire én informatieoorlog geleid door millennials die alles wat ze weten hebben geleerd via hetzelfde internet als het publiek dat ze proberen te bereiken.
Zo ziet de overgang van de twintigste naar de eenentwintigste eeuw eruit: geen ceremonie, geen duidelijk moment van overdracht, maar een opeenvolging van virale momenten. Een raket die een boog trekt tegen een bleke hemel, en ondertussen is de wereld eronder al veranderd.
Gabriela Greilinger is promovendus aan de universiteit van Georgia; Cas Mudde is de Stanley Wade Shelton UGAF-hoogleraar internationale betrekkingen aan de universiteit van Georgia en auteur van The Far Right Today
Op zondag 12 april gaan de Hongaren naar de stembus om te beslissen welke koers hun land de komende vier jaar zal volgen. De verkiezingen lijken uit te lopen op een spannende strijd. Viktor Orbán, de langstzittende premier van Europa – al zestien jaar aan de macht en verantwoordelijk voor het omvormen van Hongarije tot een electorale autocratie – zou de verkiezingen kunnen verliezen. In de aanloop naar de verkiezingen hopen veel EU-functionarissen op verandering in Hongarije onder nieuw leiderschap. Volgens Politico ‘bidt het establishment in Brussel voor een overwinning van [Péter] Magyar, in de hoop dat een door Tisza geleide regering de banden met de EU zal aanhalen.’
Magyar werd een opvallende nieuwkomer toen hij in 2024 zijn intrede deed in de Hongaarse politiek, na een politiek schandaal waarbij de voormalige president Katalin Novák en de minister van Justitie – Magyars ex-vrouw Judit Varga – betrokken waren. Door de sociaaleconomische zorgen van gewone Hongaren centraal te stellen, de problemen in de verwaarloosde gezondheidszorg en het onderwijs politiek op de agenda te zetten, en de verslechterende economische situatie en corruptie binnen de regering aan de kaak te stellen, is Magyar gestaag gestegen in de peilingen.
Toch moeten waarnemers hun verwachtingen temperen. Hoewel een verkiezingsoverwinning voor Magyars Tisza-partij binnen bereik lijkt, is er nog veel onzekerheid, zowel over de uiteindelijke uitslag als over de vooruitzichten voor Magyar, mocht hij de nieuwe premier van Hongarije worden.
In de eerste plaats: hoewel alle onafhankelijke opiniepeilers aangeven dat Magyar en zijn Tisza-partij duidelijk voorliggen op Fidesz, is het nog onzeker of hij de verkiezingen daadwerkelijk zal winnen. De verkiezingen zijn formeel vrij, maar oneerlijk. Orbán heeft het electorale speelveld in de loop der jaren namelijk sterk in zijn eigen voordeel aangepast. Zo is er herhaaldelijk sprake geweest van gerrymandering (het willekeurig verschuiven van de grenzen van kiesdistricten), werd een systeem van ‘winnaarscompensatie’ ingevoerd dat de grootste partij in de districten bevoordeelt, en kregen Hongaarse minderheden in het buitenland stemrecht – groepen die overwegend Fidesz steunen. Daarnaast hebben onderzoeken systematische vormen van verkiezingsfraude aan het licht gebracht, zoals kettingstemmen, het omkopen van kiezers en intimidatie, vooral in de armste regio’s van Hongarije.
Onder deze omstandigheden is het onzeker of de stemmen voor Tisza ook daadwerkelijk zullen uitmonden in een parlementaire meerderheid, laat staan in een grondwettelijke meerderheid. Zonder een tweederdemeerderheid in het parlement zal het namelijk vrijwel onmogelijk zijn om het systeem dat Orbán heeft opgebouwd te ontmantelen. De afgelopen zestien jaar heeft Fidesz zijn ideeën en mensen diep verankerd in het Hongaarse politieke systeem. Dat gebeurde onder meer via grondwetswijzigingen die alleen met een supermeerderheid kunnen worden aangepast of teruggedraaid.
Om Hongarije opnieuw onder de electorale democratieën te laten vallen, zouden de Fidesz-getrouwen die sleutelposities bekleden moeten worden vervangen. Het gaat onder meer om rechters van het Constitutionele Hof en om de leiders van belangrijke overheidsinstellingen, zoals de procureur-generaal en de voorzitter van de media-autoriteit. De situatie wordt nog ingewikkelder doordat de Hongaarse president, Tamás Sulyok, eveneens een loyale bondgenoot van Fidesz is. Hij is door het parlement gekozen en zou normaal gesproken tot 2029 in functie blijven. Hoewel de rol van de president grotendeels ceremonieel is, heeft Fidesz onlangs een wet aangenomen die deze positie versterkt, mogelijk als voorbereiding op een mogelijke machtswisseling na de verkiezingen. De president zou daardoor een extra obstakel kunnen vormen voor een Tisza-regering, bijvoorbeeld door wetgeving terug te sturen of ter beoordeling voor te leggen aan het door Fidesz gedomineerde Constitutionele Hof.
Onder deze omstandigheden zou een situatie kunnen ontstaan die lijkt op die in Polen nadat de radicaal-rechtse partij Recht en Rechtvaardigheid (PiS) de verkiezingen van 2023 verloor. Nadat PiS was verslagen, werd premier Donald Tusk ervan beschuldigd zijn toevlucht te nemen tot onwettige middelen om de democratie te herstellen, iets wat scherpe kritiek opleverde van rechtsgeleerden. Een zorgwekkend signaal voor Hongaarse democraten is dat Karol Nawrocki, de PiS-kandidaat die vorig jaar tot president werd gekozen, de regering van Tusk herhaaldelijk heeft tegengewerkt. Zo sprak hij zijn veto uit over belangrijke wetgeving, waaronder een recente hervorming van de rechterlijke macht die onderdeel was van de agenda van de regering om de rechtsstaat te herstellen.
Een nieuwe Hongaarse regering zou met vergelijkbare obstakels te maken krijgen, maar waarschijnlijk met een nog zwaardere strijd. Na zestien jaar aan de macht – twee keer zo lang als PiS in Polen – is Fidesz veel dieper in de staat verankerd geraakt dan PiS ooit was. Daardoor wordt een terugkeer naar de eerdere democratische situatie nog moeilijker.
Zelfs als de stemmen voor Tisza zich vertalen in een parlementaire meerderheid en de partij daardoor hervormingen kan doorvoeren, moeten democraten hun verwachtingen van een regering onder leiding van Magyar niet te hoog stellen. De oppositieleider komt uit een conservatief gezin en was meer dan twintig jaar lid van Fidesz. Hij heeft jarenlang voor het regime van Orbán gewerkt en staat ideologisch in veel opzichten nog steeds dicht bij zijn voormalige partij.
Sommige voorlopige analyses van het stemgedrag van Tisza in het Europees Parlement duiden er zelfs op dat de partij op verschillende punten grotendeels op één lijn ligt met Fidesz, vooral als het gaat om immigratie en Oekraïne. Dat kan deels tactisch zijn, gezien hoe gevoelig deze onderwerpen liggen in het Hongaarse politieke debat. Toch belooft het partijprogramma van Tisza ook het migratiepact en de quota van de EU te verwerpen en zich te verzetten tegen een versnelde toetreding van Oekraïne tot de Europese Unie. Daarom is het waarschijnlijk dat, hoewel Tisza een constructievere partner voor Europa zal zijn, er op enkele fundamentele punten meningsverschillen zullen blijven bestaan.
Tot slot: hoewel de achterban van Tisza vooral bestaat uit liberale en linkse kiezers, doen progressieven er goed aan hun hoop niet te vestigen op een snelle overgang naar een liberale democratie in Hongarije. Volgens recente peilingen zal het nieuwe parlement uitsluitend uit rechtse partijen bestaan: de rechtse Tisza, het extreemrechtse Fidesz en mogelijk ook de extreemrechtse Beweging Ons Vaderland. Hoewel Magyar in algemene termen zegt dat hij gelijkheid steunt, heeft hij tot nu toe vermeden een duidelijk standpunt in te nemen over enkele belangrijke ideologische kwesties, zoals LGBTQ+-rechten. Dat kan deel uitmaken van een strategie om te voorkomen dat Fidesz nieuwe aanknopingspunten krijgt voor propaganda. Tegelijkertijd sluit deze terughoudendheid ook aan bij zijn politieke verleden en bij het rechtse karakter van het partijprogramma.
Gezien de uitdagingen waarmee Magyar te maken zal krijgen als hij wordt gekozen – en nog afgezien van zijn eigen rechtse politieke opvattingen – lijkt het onwaarschijnlijk dat hij het herstel van de liberale democratie in Hongarije tot zijn hoogste prioriteit zal maken. Zijn belangrijkste doel zal waarschijnlijk eerder zijn om zestien jaar Orbánisme terug te draaien. Progressieven en democraten doen er daarom goed aan hun verwachtingen te temperen. Zoals het er nu voorstaat, zou het meest gunstige scenario voor Hongarije een terugkeer zijn naar een electorale democratie onder een regering van Magyar. Een volledige liberale democratie zal voorlopig echter waarschijnlijk buiten bereik blijven.
Shakeel Hashim is de eindredacteur van Transformer, een publicatie over de macht en politiek van transformatieve AI
De schijnbaar bovenmenselijke hackvaardigheden van Claude Mythos baren deskundigen zorgen, terwijl de regering-Trump verblind blijft door vijandigheid
In juni 2024 zorgde een cyberaanval op een bedrijf voor pathologiediensten voor grote chaos in de ziekenhuizen van Londen. Meer dan tienduizend afspraken moesten worden geannuleerd. Er ontstond bovendien een tekort aan bloed, en vertragingen bij bloedonderzoeken droegen uiteindelijk bij aan het overlijden van een patiënt.
Dodelijke cyberaanvallen zoals deze zijn gelukkig zeldzaam. Maar een nieuwe AI-ontwikkeling zou daar verandering in kunnen brengen, en ons kunnen onderdompelen in een verontrustende nieuwe wereld van chaos en ontwrichting van de digitale systemen waarop we vertrouwen.
Deze week kondigde Anthropic, een toonaangevend AI-bedrijf uit San Francisco, ‘Claude Mythos Preview’ aan. Volgens de start-up is dit AI-model te gevaarlijk om volledig openbaar te maken vanwege zijn uitzonderlijke mogelijkheden op het gebied van cyberbeveiliging – én cyberaanvallen. Volgens het bedrijf heeft Mythos kwetsbaarheden ontdekt in alle grote browsers en besturingssystemen. Met andere woorden: dit nieuwe AI-model zou hackers kunnen helpen om een groot deel van de belangrijkste software ter wereld te ontregelen.
‘Dit is alarmerend op het niveau van Y2K,’ aldus een beveiligingsexpert. Mythos heeft nu al een 27 jaar oude fout ontdekt in een cruciaal onderdeel van de beveiligingsinfrastructuur, evenals meerdere kwetsbaarheden in de Linux-kernel, die een essentiële rol speelt in computersystemen over de hele wereld. Deze zwakke plekken kunnen vrijwel alles op het internet in gevaar brengen, van de streamingdiensten waarmee je ontspant tot de banksystemen waarop je vertrouwt.
Als zulke technologie op grote schaal beschikbaar zou komen en inderdaad zo krachtig is als Anthropic beweert, kunnen de gevolgen catastrofaal zijn. Cyberaanvallen zijn namelijk allang niet meer alleen maar een digitaal probleem. Vrijwel alles waarop we in de fysieke wereld vertrouwen, is afhankelijk van software. In de afgelopen jaren zijn bijvoorbeeld luchthavens, ziekenhuizen en transportnetwerken lamgelegd door cyberaanvallen. Tot nu toe vereisten aanvallen van deze omvang veel specialistische kennis. Mythos zou die mogelijkheden binnen het bereik van amateurs kunnen brengen, en tegelijk het vermogen van professionals om grote schade aan te richten enorm vergroten.
Cyberbeveiligingsexperts luiden de alarmklok. Anthony Grieco van Cisco, een bedrijf dat gespecialiseerd is in netwerk- en cyberbeveiliging, zei: ‘De mogelijkheden van AI hebben een drempel overschreden die de urgentie om kritieke infrastructuur te beschermen fundamenteel verandert … en er is geen weg terug.’ Lee Klarich, hoofd productmanagement bij Palo Alto Networks, stelde dat dit model ‘een gevaarlijke verschuiving aangeeft’ en waarschuwde dat ‘iedereen zich moet voorbereiden op aanvallers die door AI worden ondersteund.’
‘Er zullen meer aanvallen komen, en ze zullen sneller en geavanceerder zijn,’ aldus Klarich.
Gelukkig zijn we voorlopig nog niet helemaal verloren. In plaats van Mythos direct openbaar te maken, biedt Anthropic het eerst aan bedrijven aan die een groot deel van onze kritieke infrastructuur beheren, waaronder Apple, Microsoft en Google. Het idee is dat deze bedrijven Mythos kunnen gebruiken om zwakke plekken in hun beveiliging op te sporen en te verhelpen, voordat kwaadwillenden over vergelijkbare mogelijkheden beschikken.
Dat betekent dat we nu in een race tegen de klok zitten. Door het gebrek aan nationale en internationale regelgeving is er niets dat andere bedrijven verplicht om de implementatiestrategie van Anthropic te volgen. Het is waarschijnlijk slechts een kwestie van maanden voordat minder verantwoordelijke partijen – in de Verenigde Staten of elders – een model met vergelijkbare mogelijkheden uitbrengen. Als dat gebeurt, kunnen we alleen maar hopen dat de software waarop we vertrouwen inmiddels voldoende is beveiligd.
In meer coöperatieve tijden zou ik optimistisch zijn dat de Verenigde Staten een brede, gezamenlijke inspanning zouden kunnen organiseren om zich voor te bereiden op deze dreigende ‘vulnpocalypse.’ Maar de regering-Trump heeft juist de aanval geopend op Anthropic. Overheidsinstanties en het leger mogen de technologie van het bedrijf niet gebruiken, en het wordt publiekelijk weggezet als een ‘radicaal-links, woke bedrijf.’ De reden: Anthropic weigert zijn tools beschikbaar te stellen voor de grootschalige surveillance van Amerikaanse burgers door het leger. Door deze vijandigheid is het onwaarschijnlijk dat de overheid met Anthropic zal samenwerken om haar eigen systemen te versterken – systemen die bovendien bekendstaan als kwetsbaar en die juist tot de belangrijkste behoren om te beveiligen.
Er is ook enige reden voor optimisme. Het is mogelijk dat Anthropic de mogelijkheden van Mythos enigszins overdrijft; het bedrijf heeft er immers belang bij zijn eigen producten aantrekkelijk voor te stellen. Tegelijkertijd wijzen de gedocumenteerde kwetsbaarheden en de bereidheid van concurrenten om met Anthropic samen te werken erop dat de dreiging reëel is. Ondertussen lijken sommige delen van de regering de waarschuwingen wel serieus te nemen. Zo zouden Scott Bessent, de Amerikaanse minister van Financiën, en Jerome Powell, de voorzitter van de Federal Reserve, dinsdag topbestuurders van Wall Street hebben bijeengeroepen om zich voor te bereiden op de risico’s van Mythos en van toekomstige AI-modellen die zich richten op cyberbeveiliging.
Maar het algemene beeld blijft somber. Mythos vormt niet alleen een risico voor de cyberbeveiliging; het blijkt ook verontrustend goed te zijn in het helpen ontwerpen van biowapens. Bovendien kan het gebruikers soms bewust misleiden en zijn eigen sporen uitwissen. Het model laat daarmee zien welke risico’s verbonden zijn aan de ontwikkeling van ‘superintelligente’ AI – technologie die Anthropic en zijn concurrenten op grote schaal willen inzetten, ongeacht de mogelijke gevolgen. Met Mythos hebben we misschien nog tijd om de risico’s voor te zijn. Maar als overheden deze bedrijven zonder duidelijke regels blijven laten opereren, hebben we in de toekomst misschien niet meer zoveel geluk.
Ben Judah is senior fellow bij de Atlantic Council en auteur van ‘This is London.’
Imperiale intriges zijn een ramp voor de joden
Elk jaar zit er een merkwaardige leemte in onze Pesach-seder, tussen de matze en de vier bekers wijn. Er wordt geen melding gemaakt van Mozes, behalve één keer, en dan nog indirect. Dat is geen toevallige historische eigenaardigheid, maar een bewuste en diepgaande politieke keuze. Toen de rabbijnen in de tweede eeuw begonnen met het samenstellen van de Pesach-liturgie, wilden zij niet dat de joden één keer per jaar samenkwamen om de lof van een grote leider te bezingen. Terwijl zij, na de verwoesting van de Tempel, als overlevenden van een catastrofe probeerden vast te houden aan hun dorpen in Galilea, wisten zij maar al te goed hoe duur zulke leiders hen waren komen te staan.
Toen de rabbijnen destijds probeerden het jodendom zonder Tempel opnieuw vorm te geven, in wat later de Misjna zou worden, waarschuwden zij tegen de verleidingen van het koningschap en tegen de macht van Rome. ‘Houd van werk,’ zeiden ze, ‘verafschuw het bekleden van hoge ambten en zoek geen nabijheid tot de heersende macht.’ Tegenwoordig leest een belangrijk deel van de Misjna, De Ethiek van de Vaders, als een bijna bezwerende opsomming van generaties religieuze joodse leiders. Maar oorspronkelijk was juist opvallend wie er níet in voorkwam. De rabbijnen hadden niet alleen koning Herodes uit de geschiedenis geschrapt, maar ook de messiaanse politieke leiders van de drie grote opstanden tegen Rome.
De waarheid is dat de joden, als het gaat om nationale leiders, maar weinig historische voorbeelden hebben om op terug te vallen. Dat komt doordat zij ruim achttienhonderd jaar lang geen eigen thuisland hebben gehad. Juist daarom is het veelzeggend dat Benjamin Netanyahu, in de aanloop naar de oorlog tegen Teheran, aandacht heeft besteed aan het herontdekken van heersers die de rabbijnen liever wilden vergeten. Hij deed dat onder meer door een nieuw boek te lezen: Joden vs. Rome: Twee eeuwen van opstand tegen ’s werelds machtigste rijk, van professor Barry Strauss. Over dat boek zei Netanyahu tegen een verslaggever: ‘Die strijd hebben we verloren. Ik denk dat we de volgende moeten winnen.’
Dit is misschien wel de meest onbedoeld onthullende uitspraak die Bibi ooit heeft gedaan. Terwijl zijn oorlogsplannen met Washington in een stroomversnelling raakten, las de Israëlische premier een boek over een enorme historische ommekeer. Het beschrijft hoe, binnen één mensenleven, de joodse koninklijke familie veranderde van een macht die politiek bedreef in Rome – waar hun volk privileges en respect genoot in het centrum van het rijk – in toeschouwers die machteloos moesten toezien hoe Romeinse legioenen de Tempel in brand staken en de menora meenamen. Tegelijkertijd werd hun volk veroordeeld tot slavernij, vernedering en ballingschap. In wezen is dit het verhaal van koning Herodes en van het falen van zijn erfgenamen: hoe een combinatie van ongeremd fundamentalisme en diplomatiek falen een zeer succesvol volk uiteindelijk veroordeelde tot de status van bijna-paria’s.
Je kunt koning Herodes – of de diepten van Bibi’s geest – niet begrijpen zonder opnieuw naar een kaart van het Romeinse Rijk te kijken. Dat rijk zag er in het oosten anders uit dan in het westen. In het westen lagen de meer uniform onderworpen ‘barbaarse’ provincies, zoals Gallië en Brittannië. In het oosten daarentegen bestond het rijk uit een lappendeken van rijke en hoogontwikkelde staatjes, vazalkoninkrijken en provincies. Judea was een van die koninkrijken. Het was de thuisbasis van het grootste tempelcomplex van de antieke wereld, in Jeruzalem. Volgens de beroemde oudheidkundige Josephus was het heiligdom zo rijkelijk verguld dat het in de ochtendzon ‘een vurige gloed uitstraalde.’ Het marmer was zó wit dat het complex van een afstand leek op een met sneeuw bedekte berg.
Dit was bovendien een stad die met de Thora een literaire traditie had voortgebracht waarvan haar inwoners geloofden dat die kon wedijveren met die van de Grieken. Tegelijkertijd was het een stad met een diaspora die verspreid was over de twee grote rijken van de toen bekende wereld: het Romeinse Rijk, dat zich in het westen uitstrekte tot de Zuilen van Hercules, en het Parthische Rijk, dat in het oosten reikte tot aan de Hindu Kush. Over beide rijken lagen joodse handelsgemeenschappen verspreid, die elk hun eigen tienden aan de Tempel afdroegen.
Strauss noemt Judea in deze periode ‘in wezen een tempelstaat.’ Rond 63 v.Chr. was het land vrijwel onbestuurbaar geworden. De elite riep toen voor het eerst de hulp van Rome in om te bemiddelen in een burgeroorlog binnen de verzwakkende Hasmonese monarchie. Drieëntwintig jaar later, na een lange periode van chaos, benoemde de Romeinse Senaat hun meest veelbelovende lokale bondgenoot tot koning van heel Judea. Met militaire steun werd hij vervolgens teruggestuurd om zijn koninkrijk te veroveren. Zijn naam was Herodes.
Deze koning werd later zo gehaat in zowel de joodse als de christelijke traditie dat zijn feitelijke heerschappij vrijwel uit het geheugen werd gewist. Maar wanneer je Jews vs. Rome leest, is het niet moeilijk te begrijpen wat Netanyahu in hem zou kunnen herkennen. Alles draaide namelijk om de keizer. Herodes presenteerde zichzelf niet alleen als een joodse heerser, maar ook als een Romeins politicus. Om de territoriale ambities van Cleopatra te ontlopen, zocht en kreeg hij de steun van Marcus Antonius. Toen zijn beschermheer echter werd verslagen door Octavianus – later bekend als keizer Augustus – wist Herodes zich opnieuw aan te passen. Hij slaagde erin een van de trouwste bondgenoten van de eerste Romeinse keizer te worden.
Om succesvol te zijn in de Romeinse politiek romaniseerde Herodes zichzelf. Zo vernoemde hij zijn kleinzoon naar Augustus’ favoriete generaal, Agrippa, en werd hij zelfs voorzitter van de Olympische Spelen. Om zijn loyaliteit aan Rome te onderstrepen, veranderde hij ook het landschap van zijn koninkrijk. Aan de kust, ten zuiden van het huidige Haifa, stichtte hij een nieuwe stad: Caesarea. Deze strategie wierp vruchten af, niet alleen voor Herodes zelf, maar ook voor zijn in Rome opgevoede kleinzoon, Herodes Agrippa I. Die groeide uit tot zo’n invloedrijk Romeins politicus dat hij, in de chaos na de moord op zijn vriend Caligula, een belangrijke rol speelde bij het op de troon helpen van Claudius als keizer.
Het is moeilijk voor te stellen dat het voorbeeld van Herodes niet door Bibi’s hoofd speelde toen hij dit boek las, in de maanden waarin hij Trump met uitzonderlijke vleierij achtervolgde. Zo werd er een nederzetting naar Trump vernoemd, bood Netanyahu hem de hoogste onderscheidingen van het land aan en probeerde hij hem via elk optreden bij Fox & Friends of bij Sean Hannity te bereiken. Dit alles terwijl hij de eigen media in Israël juist zoveel mogelijk mijdt. Netanyahu weet dat zijn tweetalige, Israëlisch-Amerikaanse politieke identiteit – in een land waar maar weinig mensen uit de traditionele politiek-militaire elite vloeiend Engels spreken – een belangrijke bron van zijn macht is. Het geeft hem het vermogen om politiek te bedrijven in het moderne ‘Rome.’
Door de manier waarop het uiteindelijk afliep, is de sterk Romeins georiënteerde macht van de Herodiaanse dynastie grotendeels in de vergetelheid geraakt. Eerst was er Herodes de Grote, die de Tempel liet renoveren. Maar zijn omvangrijke koninkrijk viel vrijwel onmiddellijk na zijn dood uiteen. Overal braken opstanden uit, mede als gevolg van zijn wrede verdeel-en-heerspolitiek, die zelfs leidde tot de moord op zijn eigen zonen. Wat het Romeinse Rijk gaf, kon het echter ook weer afnemen. De tweede, geromaniseerde generatie – onder wie Herodes Antipas van Galilea, die Johannes de Doper liet executeren – werd gedegradeerd tot heersers met een lagere status. Zij regeerden slechts als door Rome benoemde ‘tetrarchen’ of ‘etnarchen’ over overblijfselen van hun vroegere koninkrijk.
Ongeveer vijftig jaar later kende de inmiddels sterk geromaniseerde derde generatie nog een korte opleving. Herodes Agrippa I, de kleinzoon van Herodes de Grote, regeerde toen als koning over heel Judea, maar slechts voor ongeveer drie jaar. De vierde generatie, waaronder Herodes Agrippa II van Galilea, werd opnieuw teruggebracht tot de status van ondergeschikte vazallen. Zij waren de laatsten die in het land Israël regeerden. De ooit zo aanzienlijke regionale invloed van de Herodiaanse dynastie liet uiteindelijk nauwelijks sporen na in de geschiedenis. De joods-Romeinse alliantie was gedoemd te mislukken.
Hier verandert het verhaal van Strauss in een studie van mislukking. Opeenvolgende generaties Herodianen werden steeds meer gehaat door hun eigen volk, onder meer vanwege hun gehelleniseerde, als vreemd ervaren levensstijl. Uiteindelijk konden deze heersers weinig anders doen dan zich verschuilen voor de religieuze hartstochten van hun onderdanen. Ze waren niet langer in staat die gevoelens te sturen of zelfs maar te temperen. Het maakte uiteindelijk weinig uit dat Herodes Agrippa II van Galilea tijdens de Grote Opstand, die in 66 n.Chr. begon, aan de kant van de Romeinen vocht. Evenmin dat zijn zus Berenice de minnares was van generaal Titus. Misschien wist hij Galilea, en zij enkele gevangenen, voor zwaardere represailles te behoeden, maar geen van beiden kon de Tempel of Judea redden. Hun rentmeesterschap had gefaald. Na deze ramp bleef de dynastie wel bestaan, maar niet meer in Judea en ook niet meer als joden. De nakomelingen van koning Herodes zouden later regeren als koningen in Armenië en Cetis in Anatolië, of dienen als Romeinse senatoren, magistraten en zelfs als consuls. Maar dat deden zij resoluut als heidenen.
De erfgenamen van Herodes de Grote faalden omdat zij de zeloten (fanatieke gelovigen) niet dicht genoeg bij zich hielden om hen te kunnen controleren. Het is moeilijk om Strauss’ geschiedenis te lezen zonder daarin een echo te zien van wat als de handtekening van Bibi’s hele politieke carrière kan worden beschouwd: de zeloten zullen míjn zeloten zijn. Al dertig jaar lang maakt Israëls meest Amerikaanse – en in zekere zin meest buitenlandse – leider gebruik van fundamentalistische rabbijnen en kolonisten als politieke bondgenoten en beschermers. In dat licht moet ook de politieke rol van Bezalel Smotrich (minster van Financiën en de leider van de extreemrechtse Nationale Religieuze Partij) en Itamar Ben Gvir (minister van Nationale Veiligheid en de leider van de radicaal-rechtse partij Joodse Macht) worden begrepen. Natuurlijk speelt cynisme een rol: Netanyahu zal vrijwel alles doen om verkiezingen uit te stellen en gevangenisstraf te vermijden. Maar er lijkt ook een somber pessimisme over het joodse volk achter te zitten. Het is alsof Netanyahu werkelijk gelooft dat joden niet te regeren zijn, tenzij je wordt geflankeerd door hun grootste fanatiekelingen.
Dit was de erfenis van Herodes: de priesters van Judea waren verdreven naar dorpen op de heuvels van Galilea, terwijl de prinsen als heidenen verbleven aan de hoven van Klein-Azië. Tegen het einde van de Grote Opstand in 70 n.Chr. waren de joden een volk zonder leiderschap geworden. Hun tempel en hun monarchie lagen in puin. Onder het volk verspreidde zich een ongebreideld, apocalyptisch fanatisme. Er volgden nog twee opstanden, in 115 en in 135 n.Chr. Het resultaat was wat we vandaag etnische zuivering en genocide zouden noemen. Archeologisch onderzoek in het huidige Israël heeft de omvang van de wreedheden bevestigd – wreedheden die zelfs de Romeinse historici uit de oudheid schokten. Tegen het einde van de eerste opstand had het geweld en de slavernij onder Titus de bevolking van Judea al met een derde doen afnemen. Na de derde opstand verminderde keizer Hadrianus de bevolking nog verder: door de joden uit Judea te verdrijven en hun nederzettingen te vernietigen, daalde het aantal inwoners met maar liefst twee derde. Tijdens de tweede opstand had keizer Trajanus, om de historicus Appianus te citeren, ‘het joodse volk in Egypte volledig vernietigd.’ Voor een lezer als Netanyahu bevestigt deze geschiedenis vooral één overtuiging: dat de joodse diaspora alleen veilig kan zijn als Israël sterk en succesvol blijft.
Binnen één mensenleven verloren de joden niet alleen Jeruzalem, hun grote spirituele stad met al haar schatten, maar ook Alexandrië, hun belangrijke havenstad in de diaspora met al haar rijkdom. Daarmee waren de joden in feite ten dode opgeschreven – niet als natie, maar als een van de grote volkeren van de antieke wereld. Hun thuisland werd omgedoopt tot Palestina, een naam die de Grieken al lang gebruikten, maar die nu bewust werd gebruikt om hen te vernederen. Bovendien verplichtte Rome hen tot het betalen van de fiscus Judaicus: een speciale belasting die voortaan naar de schatkist van de keizer en naar de grote tempel van Jupiter in Rome ging. Daarmee werd de oude tiende vervangen die zij ooit vrijwillig aan hun eigen tempel hadden betaald. Kortom, het was een duizelingwekkende val van de privileges die Julius Caesar ooit zelf aan de joden had toegekend.
Ik twijfel er niet aan dat Netanyahu, toen hij het boek van Strauss las, zichzelf zag als een soort Herodes de Grote: de enige betrouwbare bemiddelaar tussen Rome en de joden. Maar er is ook een andere, verontrustender interpretatie, namelijk dat Netanyahu het helemaal bij het verkeerde eind heeft. Door alles in te zetten op het Huis van Trump, maakt hij dan niet dezelfde fout als de Herodianen? Het Huis van Herodes investeerde immers volledig in zijn band met het Huis van Augustus: van het samen opvoeden van hun kinderen tot het opbouwen van vriendschappen die generaties lang zouden duren. Maar dat bleek minder goed te werken toen nieuwe dynastieën aan de macht kwamen, zoals de meer afstandelijke militaire heersers van de Flaviërs en later de Nerva-Antonijnen. Dynastieën konden immers vallen, en dat gebeurde ook. Wat Judea destijds werkelijk nodig had, en wat zo duidelijk ontbrak, waren vrienden en bondgenoten in de Senaat en onder het volk van Rome.
Waarom de Tempel werd verwoest, is een van de grote en pijnlijke vragen binnen het jodendom. In Jews vs. Rome probeert Strauss deze vraag vanuit een politiek perspectief te beantwoorden. Volgens hem ligt de sleutel in de onderlinge verdeeldheid. De joden waren sterk versnipperd in verschillende groepen – onder meer zeloten en hellenisten, fundamentalisten en aanpassers – die elkaar vaak fel bestreden. Door deze diepe verdeeldheid had het volk van Israël uiteindelijk geen enkele kans tegen de legioenen van het Romeinse Rijk.
Ook hier vertoont Netanyahu’s leiderschap gelijkenissen met dat van koning Herodes, en waarschijnlijk niet op een manier die hem zou bevallen. Het gaat daarbij niet alleen om de manier waarop hij Trump ertoe probeerde te bewegen druk uit te oefenen op de Israëlische president om hem gratie te verlenen in zijn corruptieproces. Evenmin gaat het alleen om het feit dat hij de Knesset heeft gevuld met ja-knikkers en haatzaaiers. Het gaat ook om de dertig jaar waarin hij voortdurend provocatie en verdeeldheid heeft aangewakkerd: de haatmarsen tegen Yitzhak Rabin, de anti-Arabische retoriek, zijn pogingen om het Hooggerechtshof te verzwakken en de meedogenloze beweging richting wat wel ‘ongegronde haat’ wordt genoemd.
Deze merkwaardige uitdrukking gebruikt de Talmoed om het politieke klimaat in het oude Israël te beschrijven wanneer wordt nagedacht over de vraag waarom de Tempel werd verwoest. Het is een term die mij te binnen schiet wanneer ik Itamar Ben Gvir in de Knesset zie rondlopen met een fles champagne, terwijl hij een doodstraf viert die specifiek voor Palestijnen geldt, en Netanyahu toekijkt en glimlacht.
Netanyahu denkt dat hij kan leiden door de fanatiekelingen dicht bij zich te houden. In werkelijkheid is het echter zo dat zij hém leiden. Dat is een fout die Herodes de Grote niet maakte. Twee millennia later is duidelijk dat de koning van Judea, met zijn besluit om de Tempel te herbouwen en te verfraaien, iets fundamenteels begreep van de hartstochten binnen het jodendom – iets wat de meesten van zijn erfgenamen niet begrepen. In de ziel van Israël zijn deze krachten onontkoombaar en explosief. Een leider die erover wil heersen, moet ze sturen en kanaliseren, niet erachteraan lopen. Herodes deed dat door de enorme inspanning om de Tempel te herbouwen. Bij de overgebleven Westelijke Muur bidden mensen tot op de dag van vandaag. Netanyahu heeft precies het tegenovergestelde gedaan. Hij regeert door voortdurend tegemoet te komen aan de eisen van kolonisten en van Haredim (ultra-orthodoxe joden) die zich onttrekken aan militaire dienst. Hun eisen drijven hem steeds dichter naar een mogelijke splitsing van de natie en wakkeren tegelijkertijd de woede van ‘Rome’ aan.
Hier liggen de grenzen van Netanyahu’s cynisme en pessimisme. Want daarin ontbreekt de spirituele kracht om te reageren op de profetische waarschuwing van Gershom Scholem, de grote geleerde van de joodse mystiek. Scholem waarschuwde dat Israël, na zoveel verwoesting en ontheemding, zijn eigen impulsen zou moeten weerstaan. Het mocht niet bezwijken voor wat hij ‘de vrijwel uit de lucht gegrepen messiaanse claim’ noemde – namelijk het idee dat de terugkeer naar het land van onze voorouders vanzelf verlossing zou brengen. Na achttienhonderd jaar hebben we plotseling weer een geschiedenis opgepakt die griezelig vertrouwd aandoet: een geschiedenis van fanatiekelingen, vazalkoningen en keizers. Daar moeten we van leren – anders zullen we opnieuw de prijs betalen voor fundamentalisme en ongegronde haat.
Hettie O’Brien levert regelmatig bijdragen aan de Guardian Long Read, is assistent-redacteur bij de rubriek Opinion van The Guardian en auteur van The Asset Class: How Private Equity Turned Capitalism Against Itself, dat op 9 april verschijnt
Wil je weten wat het eindspel van het kapitalisme is? Kijk dan naar private equity – dat heeft ons dagelijks leven volledig in zijn greep.
Deze bedrijven bezitten tegenwoordig alles, van kinderdagverblijven tot verzorgingstehuizen, en halen maximale winst uit essentiële diensten, terwijl wij uiteindelijk de rekening betalen.
Het waren de gratis croissants die het verrieden. En het Scandinavisch ogende meubilair. En de smaakvolle pastelkleurige muren. Het voelde anders dan de andere kinderdagverblijven die ik had bezocht: iets duurder, het esthetische equivalent van een WeWork voor peuters. Ik was acht maanden zwanger en bezocht diverse kinderdagverblijven in Zuidoost-Londen voor mijn dochter. Op dat moment besefte ik nog niet dat dit geen gewoon kinderdagverblijf was, maar een prototype voor een enorm experiment dat zich inmiddels stilletjes over heel Groot-Brittannië verspreidt.
Het kinderdagverblijf dat ik bezocht, wordt gefinancierd door private equity: een grotendeels onzichtbare, maar enorm machtige financiële sector die inmiddels bijna overal een vinger in de pap heeft. Private-equityfondsen en vergelijkbare vermogensbeheerders bezitten tegenwoordig waterbedrijven, appartmentencomplexen, studentenhuisvesting, verzorgingstehuizen, kindertehuizen, uitvaartondernemingen en nog veel meer. De grote spelers in deze sector hebben een ‘van de wieg tot het graf’-investeringsmodel ontwikkeld. Ze richten zich op de plekken waar we wonen, werken, oud worden en uiteindelijk sterven, nemen daar essentiële diensten over en proberen er vervolgens zo veel mogelijk winst uit te halen.
Laat ik duidelijk zijn: ik heb niets tegen gratis croissants. De problemen ontstaan pas wanneer fondsbeheerders gaan bepalen wat er gebeurt met instellingen die de samenleving draaiende houden. De afgelopen vijf jaar zijn in het hele Verenigd Koninkrijk door private equity gefinancierde kinderdagverblijven als paddenstoelen uit de grond geschoten. Ze hebben onafhankelijke opvangcentra opgekocht en samengevoegd tot grote ketens. Voor een buitenstaander lijken veel van deze locaties nog hetzelfde als vroeger, maar achter de schermen is er veel veranderd. Deze ketens rapporteren winsten die tot wel zeven keer hoger liggen dan het overschot van non-profitkinderdagverblijven. Tegelijk geven ze tot veertien procent minder uit aan personeel en hebben ze veel hogere personeelsverloopcijfers dan kinderdagverblijven die door scholen worden beheerd. Door hun sterke focus op winst is de kans bovendien kleiner dat ze zich vestigen in armere wijken. En ze kunnen ook plotseling sluiten. Dat ondervonden ouders in Hackney onlangs toen hun kinderdagverblijf van de ene dag op de andere de deuren sloot. Zo ga je niet om met een essentiële maatschappelijke voorziening.
De afgelopen vier jaar heb ik onderzoek gedaan naar private equity. In die tijd ben ik steeds meer onder de indruk geraakt van hoe groot de rol van deze sector in ons dagelijks leven is, en van wat dat laat zien over hoe macht en rijkdom tegenwoordig worden georganiseerd. Een belangrijke aanwijzing zit al in de naam: private equity gaat over bedrijven die privébezit zijn. In tegenstelling tot beursgenoteerde ondernemingen hoeven bedrijven die in handen zijn van private-equityfondsen nauwelijks informatie openbaar te maken over hun activiteiten of financiën. Daardoor is het vaak moeilijk om te achterhalen waar het geld precies naartoe gaat. Het is bijvoorbeeld lastig om te zien hoe de kosten van kinderopvang worden besteed, en zelfs of een bedrijf winst maakt of verlies lijdt.
‘Het daglicht is het beste ontsmettingsmiddel,’ zei ooit Louis Brandeis, rechter bij het Amerikaanse Hooggerechtshof en liberaal hervormer. Met andere woorden: openheid maakt controle mogelijk. Wanneer informatie verdwijnt, verdwijnt ook de mogelijkheid tot effectieve controle. Als eigendomsvorm lijkt private equity dan ook bijna het tegenovergestelde van democratie. De macht komt in handen van een kleine groep uitzonderlijk rijke dealmakers, die profiteren van het feit dat de samenleving hen moeilijk ter verantwoording kan roepen. Het is dan ook geen verrassing dat de Republikeinse partij herhaaldelijk heeft gepleit voor wetgeving die de invloed van deze sector op de Amerikaanse economie verder zou versterken.
De term private equity is eigenlijk een vorm van camouflage. Hij verhult dat bij veel van deze overnames enorme schulden komen kijken. Het basismechanisme daarachter is de zogeheten ‘leveraged buy-out.’ Dat werkt ongeveer zo: een fondsbeheerder koopt een bedrijf met een klein deel eigen geld en leent de rest. Vervolgens wordt die schuld op het gekochte bedrijf zelf afgewenteld. Als de deal goed uitpakt, gaat de winst naar de beleggers. Gaat het mis, dan is het het bedrijf – en niet de belegger – dat met de schulden blijft zitten. In theorie zou deze schulddruk bedrijven slanker, efficiënter en beter georganiseerd moeten maken. In de praktijk kan het echter grote schade aanrichten, vooral wanneer het gaat om publieke of essentiële diensten. Bij kinderdagverblijven bijvoorbeeld hebben ketens die door private equity worden gesteund, ondanks hun grote schuldenlast, weinig gedaan om het tekort aan opvangplekken te verminderen. Sterker nog: door hun financiële structuur zijn ze kwetsbaarder voor een faillissement. Als zo’n bedrijf omvalt, blijven ouders zonder kinderopvang achter en werknemers zonder baan.
Het verhaal van hoe de financiële topwereld zich begon te bemoeien met zulke alledaagse voorzieningen begon – zoals zoveel ontwikkelingen in Groot-Brittannië – in de jaren tachtig. Ministers in de Conservatieve regering van Margaret Thatcher maakten zich zorgen dat het land economisch achteropraakte en keken naar de Verenigde Staten voor antwoorden. In 1987 keurde de regering een regeling goed waardoor fondsbeheerders minder belasting hoefden te betalen over hun winsten dan gewone werknemers over hun inkomen. De ministers dachten dat ze daarmee durfkapitalisten zouden aantrekken: beleggers die, net als in Silicon Valley, nieuwe bedrijven en technologieën zouden helpen ontstaan – misschien wel de volgende iPhone of elektrische auto. In plaats daarvan kregen ze vooral fondsbeheerders die bestaande bedrijven goedkoop opkochten en vervolgens met schulden overlaadden. Daarmee werd de basis gelegd voor het huidige private-equitymodel.
Hoe meer tijd ik besteedde aan het doorzoeken van archieven, het interviewen van financiers en het lezen van biografieën van overleden dealmakers, hoe meer ik de werkwijze van deze sector ben gaan zien als een metafoor voor hoe macht tegenwoordig werkt in het 21e-eeuwse Groot-Brittannië. We leven in een systeem waarin particuliere rijkdom en extravagantie de keerzijde zijn geworden van publieke bezuinigingen. Overheden hebben de overheidsuitgaven teruggedrongen in naam van fiscale verantwoordelijkheid, terwijl de nieuwe eigenaren van diensten die ooit door de staat werden beheerd enorme schulden opstapelen. Tegelijk hebben beleggers roekeloze financiële spelletjes gespeeld met onze vitale infrastructuur, terwijl het toezicht zo sterk is uitgekleed dat veel toezichthouders nauwelijks nog onderzoeken welke problemen hierdoor ontstaan.
Dit alles weerspiegelt een nóg duisterder ontwikkeling in de economie, waarbij door schulden aangedreven speculatie een van de belangrijkste manieren is geworden om rijkdom te vergaren. Tegenwoordig zijn het niet alleen fondsbeheerders die met geleend geld bedrijven opkopen. Wie door TikTok scrolt, komt al snel een hele industrie van influencers tegen die het welvaartsevangelie van ‘passief inkomen’ verkondigen. Zij leren hun volgers hoe ze met geleend geld huizen kunnen kopen om die vervolgens te verhuren aan ongelukkige huurders. Zoals Stefano Sgambati, een onderzoeker die deze ontwikkelingen in onze politieke economie bestudeert, het eens tegen mij verwoordde: ‘Het spel is simpel: je leent geld en probeert vervolgens anderen jouw schulden te laten betalen.’
De afgelopen tachtig jaar werd het kapitalisme vooral gerechtvaardigd door het idee dat de economie voortdurend zou groeien en dat uiteindelijk iedereen daarvan zou profiteren. Mensen accepteerden dat sommigen grotere stukken van de taart kregen, zolang ze geloofden dat zij zelf ook meer dan alleen de kruimels zouden overhouden. Maar in een ongelijke en stagnerende economie verandert dat beeld. Het kapitalisme lijkt dan minder op een steeds groter wordende taart, en meer op een nulsomspel: om te winnen, moet iemand anders verliezen. Als de waarde van jouw huis stijgt, betekent dat vaak dat iemand anders geen eigen woning meer kan betalen. En wanneer een fondsbeheerder winst maakt door studentenhuisvesting op te kopen, betaalt uiteindelijk ergens een student de rekening.
In deze context is het eigenlijk heel logisch dat beleggers zich richten op essentiële diensten. Zelfs wanneer mensen op bijna alles moeten bezuinigen, blijven bepaalde dingen nog steeds noodzakelijk: water, energie en een plek om te wonen. Ouderen hebben nog steeds verzorgingstehuizen nodig. En ouders met kinderen hebben nog steeds kinderopvang nodig. Dat private equity zich steeds meer op zulke sectoren richt, wijst op iets diepers en verontrustenders. Het duidt erop dat het kapitalisme niet per se hoeft te groeien om te blijven bestaan. In plaats daarvan hebben degenen aan de top een eenvoudigere manier gevonden om hun rijkdom te vergroten: koop de basisvoorzieningen van het dagelijks leven op, overlaad ze met schulden en schuif de gevolgen af op gewone mensen.
Aaron Bastani is medeoprichter van Novara Media en de auteur van Fully Automated Luxury Communism.
De Chinese fabrieken zijn klaar voor een doorbraak
Er zijn sterke argumenten om Deng Xiaoping, de leider van China vanaf 1978, te zien als de belangrijkste historische figuur van de tweede helft van de twintigste eeuw. Hij werd twee keer uit de partij gezet, maar keerde telkens terug en wist zich uiteindelijk opnieuw aan de top te vestigen. Deng voerde een markteconomie in, terwijl hij tegelijkertijd de eenpartijstaat in stand hield. Hij was daarmee de centrale architect van het moderne China: van de opkomst als technologische grootmacht tot het invoeren van het éénkindbeleid.
Eén uitspraak wordt vooral verbonden met de kleine opvolger van Mao Zedong. Zijn beroemde gezegde luidt: ‘Het maakt niet uit of een kat zwart of wit is. Als hij muizen vangt, is het een goede kat.’ Met andere woorden: een socialistische samenleving kan best een markteconomie hebben, net zoals een kapitalistische samenleving elementen van een planeconomie kan bevatten. Waar het uiteindelijk om gaat, is welke maatschappelijke belangen voorrang krijgen. Als je deze gedachte van Deng begrijpt, begrijp je ook hoe het huidige China particuliere bedrijven en winstbejag kan toestaan, terwijl het tegelijkertijd probeert de schadelijkste kanten van het kapitalisme te beperken. De economische doelen van de Chinese staat worden namelijk politiek vastgesteld door de Communistische Partij van China, en niet door de belangen van particuliere kapitaalbezitters. Zo’n planstaat is niet altijd even zachtzinnig – het is bijvoorbeeld misschien geen goed idee om het vruchtbaarheidsbeleid door een raketingenieur te laten ontwerpen – maar dit systeem heeft China wel geholpen om uit te groeien tot een geopolitieke grootmacht.
Op zijn eigen, onnavolgbare manier hield Trump onlangs een spiegel voor aan de beroemde uitspraak van Deng Xiaoping. ‘Ik respecteer China, omdat het … een systeem is dat eigenlijk niet zou moeten werken,’ zei hij vorige week tegen een publiek in Miami. ‘Maar kijk eens hoe goed ze het doen, hoeveel ze produceren. Ze maken zó veel auto’s dat ze zelfs wedstrijden houden om te zien wie de minste auto’s kan produceren.’ Als Dengs uitspraak bekendstaat als de ‘witte kat’-formule, dan heeft Trump misschien een minder poëtische variant geleverd: de ‘te veel auto’s’-theorie. Die beschrijft treffend hoe bedrijven in China, vaak met steun van de staat, grote marktaandelen veroveren door simpelweg meer te produceren dan de markt vraagt. Tien jaar geleden leidde dat tot een plotselinge overvloed aan zonnepanelen. Tegenwoordig zien we hetzelfde gebeuren met elektrische auto’s.
Zo’n openlijke erkenning van het succes van het Chinese systeem, zeker door een Republikeinse president, lijkt misschien verrassend, maar eigenlijk zou dat niet zo moeten zijn. Deng Xiaoping heeft het politieke en economische systeem van zijn land ingrijpend hervormd. Nu, bijna een halve eeuw later, lijkt het er steeds meer op dat de Verenigde Staten op de een of andere manier dit voorbeeld zullen moeten volgen. De vraag is alleen of dat na Donald Trump nog mogelijk is. Terwijl de Volksrepubliek China een systeem heeft waarin de partij hetzelfde blijft maar het beleid kan veranderen, lijkt het in de Verenigde Staten juist andersom te werken. Gezichten, facties en retoriek veranderen voortdurend – de politieke polarisatie is overal en wordt steeds heviger – maar de onderliggende economische structuur blijft grotendeels hetzelfde.
Zelfs vóór de oorlog met Iran was al duidelijk dat de Verenigde Staten – en het zogeheten politieke Westen in het algemeen – zich in een periode van relatieve achteruitgang bevinden. Hun gezamenlijke hoogtepunt lag rond het begin van deze eeuw, toen de landen van de OESO ongeveer tachtig procent van het wereldwijde nominale bbp vertegenwoordigden. Tegenwoordig ligt dat aandeel rond de zestig procent, terwijl de economische invloed – en daarmee ook de politieke macht – steeds meer naar het oosten verschuift. Volgens sommige berekeningen is China inmiddels al de grootste economie ter wereld, met India en Rusland eveneens hoog op de ranglijst, terwijl de Verenigde Staten de tweede plaats innemen.
Hoewel het verleidelijk kan zijn om te wijzen op de recente economische groei aan de andere kant van de Stille Oceaan, berust de economische expansie in de Verenigde Staten grotendeels op schulden. Het Amerikaanse bbp groeide tussen 2020 en 2025 weliswaar met ongeveer negen biljoen dollar, maar in dezelfde periode nam de staatsschuld nog sterker toe, met elf biljoen dollar. Zelfs aan het begin van het jaar, nog vóór de moord op ayatollah Khamenei, stonden de arbeidsmarktcijfersen het aanhoudende begrotingstekort haaks op Trumps retoriek over een economisch wonder. Zoals bij vrijwel elke Republikeinse president sinds Ronald Reagan is het groeimodel herkenbaar: belastingverlagingen die met tekorten worden gefinancierd, terwijl tegelijkertijd wordt gepleit voor een kleinere overheid. De Brookings Institution concludeerde onlangs dat het handhaven van de door Trump ingevoerde belastingvoordelen ertoe zou leiden dat de schuldquote van de VS tegen de jaren vijftig van deze eeuw boven de tweehonderd procent van het bbp uitkomt. Het beeld dat dan ontstaat lijkt een beetje op Japan, maar dan zonder de snelle treinen en zonder de sociale samenhang.
Maar het probleem is niet alleen dat het Westen trager groeit. China wordt tegelijkertijd steeds concurrerender, als industriële grootmacht én als wereldwijd centrum voor innovatie. Begin deze eeuw, toen China mocht toetreden tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO), was de heersende gedachte dat de Verenigde Staten zich geleidelijk zouden de-industrialiseren en zich meer zouden richten op de hoogwaardige delen van de productieketen. Het vuile en arbeidsintensieve werk zou dan worden overgelaten aan armere en minder innovatieve landen. Een bekend voorbeeld van die logica was de Apple iPhone. De telefoon werd weliswaar in Azië geassembleerd, maar ontworpen in Californië, de thuisbasis van ’s werelds grootste technologiebedrijf, dat ook het eerste bedrijf was dat een marktwaarde van één biljoen dollar bereikte.
Tegenwoordig ontwikkelt China echter zijn eigen varianten van de iPhone, van merken als Xiaomi tot Huawei, terwijl het land nog steeds bijna een derde van de wereldwijde industriële productie voor zijn rekening neemt. Daarnaast groeit de Chinese auto-industrie razendsnel. BYD is inmiddels ’s werelds grootste producent van elektrische auto’s en heeft Tesla enkele jaren geleden ingehaald. Ook op andere terreinen blijft China invloedrijk. Huawei is, ondanks dat het op verschillende westerse markten is verboden, nog altijd een wereldleider op het gebied van 5G-netwerken.
China bouwt ook een steeds grotere voorsprong op in sectoren zoals lithium-ionbatterijen, zonnecellen en drones. Zes van de tien grootste accuproducenten ter wereld zijn Chinees, en het land produceert ongeveer negentig procent van alle consumentendrones. De innovatiekloof op deze terreinen lijkt bovendien alleen maar groter te worden. Veelzeggend is dat BYD momenteel alleen al meer dan honderdduizend mensen in dienst heeft voor onderzoek en ontwikkeling.
Tot slot is er het opvallende succes van China op het gebied van hernieuwbare energie. Negen van de tien zonnepanelen ter wereld worden in China geproduceerd. Nu wereldwijd bijna de helft van alle elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen komt – waarbij zonne-energie verreweg de belangrijkste is – levert dat China enorme exportmogelijkheden op. In 2025 groeide de wereldwijde zonne-energiecapaciteit met 511 gigawatt, en vrijwel al die nieuwe capaciteit kwam van panelen die in het Rijk van het Midden zijn gemaakt.
De Iran-oorlog lijkt deze ontwikkeling nog te versnellen. Niet alleen omdat zij de industriële kracht van China benadrukt, maar ook omdat zij de voordelen zichtbaar maakt van een zogeheten planningsstaat, waarin particuliere bedrijven nauw samenwerken met de overheid. De strategie van Iran om zijn strategische ligging te gebruiken om een belangrijk economisch knelpunt te blokkeren en zo een wereldwijde energiecrisis te veroorzaken, kan ertoe leiden dat Peking uiteindelijk de grootste winnaar van het conflict wordt.
In de eerste dagen van de oorlog verschenen vaakbeweringen dat de aanvallen op zowel Iran als Venezuela deel uitmaakten van een nieuw geopolitiek ‘Great Game,’ waarbij de Verenigde Staten probeerden de toegang van China tot goedkope fossiele brandstoffen te ondermijnen. Maar afgezien van het feit dat Iran slechts ongeveer twaalf procent van de Chinese energievoorziening leverde, waren het in werkelijkheid vooral de traditionele bondgenoten van Amerika – met name in Europa en Oost-Azië – die het meest kwetsbaar waren voor een blokkade van de Straat van Hormuz. De zogeheten Pax Americana berustte namelijk niet alleen op Amerikaanse veiligheidsgaranties voor deze regio’s, maar ook op het garanderen van een stabiele en goedkope energievoorziening. Wanneer dat fundament wankelt, komt niet alleen de energiehandel in gevaar – ongeveer een vijfde van de wereldwijde oliehandel loopt via de Straat van Hormuz – maar ook de bredere economische stabiliteit. Die veronderstellingen staan nu onder druk. En daarmee staat ook de geloofwaardigheid van de Amerikaanse wereldorde zelf op het spel.
Peking heeft zich goed op dit moment voorbereid. China is niet alleen een netto-exporteur van geraffineerde olie, maar beschikt ook over een strategische reserve van ongeveer 1,3 miljard vaten aardolie, genoeg om ongeveer drie maanden aan binnenlandse vraag te dekken. Daardoor kan de Chinese staat, terwijl de energieprijzen voor buitenlandse concurrenten stijgen, de energieprijzen voor binnenlandse fabrikanten stabiel houden. Dat geeft Chinese bedrijven een belangrijk voordeel. Bovendien zullen Chinese exporteurs hier op een unieke manier van profiteren: niet alleen door de stabiele energieprijzen in eigen land, maar ook doordat in veel sectoren de wereldwijde vraag toeneemt. Voor bedrijven als BYD, CATL (een grote batterijfabrikant) en LONGI (producent van zonnepanelen) lijkt een ideaal scenario te ontstaan. Deze bedrijven hebben jarenlang geïnvesteerd in het ontwikkelen van zeer efficiënte technologie voor hernieuwbare energie, ondersteund door sterk geoptimaliseerde wereldwijde toeleveringsketens. Tot voor kort leek dat misschien een risicovolle strategie. Maar de komende weken en maanden kan de wereldwijde vraag naar deze producten sterk toenemen.
Zelfs voordat de stroom aan nieuwe bestellingen op gang kwam, zagen Chinese producenten van lithium-ionbatterijen hun gezamenlijke beurswaarde al met zeventig miljard dollar stijgen in de eerste fase van de oorlog. Vorige week kondigde de Indonesische president plannen aan om de zonne-energiecapaciteit van het land in de komende twee jaar bijna te vertienvoudigen, van elf gigawatt naar honderd gigawatt. ‘We gaan alle motorfietsen ombouwen tot elektrische motorfietsen,’ zei hij. ‘Ook alle auto’s, vrachtwagens en tractoren moeten elektrisch worden.’ De Zuid-Koreaanse president Lee Jae Myung heeft soortgelijke uitspraken gedaan. Hij voegde eraan toe dat de noodzaak om snel over te schakelen op hernieuwbare energie zó urgent is dat het hem ’s nachts wakker houdt.
Als zulke plannen werkelijkheid worden, betekent dat dat er honderden miljarden dollars zullen worden besteed aan Chinese producten. Dat zou niet alleen een enorme exportimpuls geven aan de Chinese cleantechsector, die al decennialang profiteert van staatssteun, maar het laat ook iets anders zien: de vooruitziende blik van de Chinese planningsstaat. Tegen het einde van dit decennium zal namelijk bijna de helft van het kobalt dat in Congo wordt gewonnen in handen zijn van Chinese bedrijven, terwijl ongeveer zeventig procent van de raffinage in China zelf plaatsvindt. Dat is belangrijk omdat kobalt een essentieel onderdeel is van lithium-ionbatterijen. Terwijl Washington een reeks kostbare oorlogen voerde in het Midden-Oosten, heeft Peking zich verzekerd van toegang tot de kritieke mineralen die nodig zijn voor de belangrijkste technologieën van de 21e eeuw. Hetzelfde geldt voor grafiet en tantaal – waarbij dat laatste een cruciaal metaal is voor condensatoren, die op hun beurt onmisbaar zijn voor de stabiele werking van wind- en zonne-energie.
Als het gaat om zeldzame aardmetalen, heeft China inmiddels een belangrijk strategisch voordeel. Het land beschikt over grotere voorraden van deze grondstoffen dan enig ander land. Voor de Verenigde Staten is dat een zorgwekkende situatie, aangezien hun leger naar verluidt slechts genoeg reserves heeft voor ongeveer twee maanden gebruik. Hoewel zeldzame aardmetalen ook in andere landen voorkomen, bijvoorbeeld in Australië, heeft China momenteel bijna een monopolie op de raffinage en verwerking ervan. Als Washington werkelijk technologische onafhankelijkheid wil bereiken, zal het deze sector waarschijnlijk zelf moeten ontwikkelen. Vanuit militair perspectief is het belang van deze grondstoffen namelijk enorm. Zo zou één F-35-gevechtsvliegtuig alleen al honderden kilo’s zeldzame aardmetalen nodig hebben.
Maar zoals we al hebben gezien, is dat vrijwel onmogelijk te realiseren zolang de politieke consensus al lange tijd uitgaat van het idee dat industrie minder belangrijk is dan financiële dienstverlening, technologiebedrijven en verschillende vormen van rentenierschap. De winstmarges in sectoren als mijnbouw en grondstoffenverwerking kunnen weliswaar groot zijn, maar als ondernemingen bieden ze niet de schaalbaarheid waar het Amerikaanse techkapitaal naar zoekt. Wanneer je ondernemerschap bekijkt vanuit het perspectief van monopolies, zoals bijvoorbeeld Peter Thiel doet, worden deze sectoren al snel onaantrekkelijk. Ze kennen namelijk weinig netwerkeffecten en vereisen bovendien veel arbeid, wat ze minder aantrekkelijk maakt voor investeerders die vooral op snelle schaalvergroting mikken.
Zoals NS Lyons vorig jaar schreef op UnHerd, is het gebrek aan productiecapaciteit in het Westen een van zijn meest opvallende defensieve zwaktes. Zelfs nu, na jaren van oorlog in Oekraïne, kunnen Europa en de Verenigde Staten niet tippen aan het vermogen van Rusland om artilleriegranaten te produceren. Als het Westen al moeite heeft om gelijke tred te houden met Rusland – een land waarvan de industriële basis lang niet zo groot of productief is als die van China – rijst de vraag welke kansen het zou hebben in een langdurig conflict met Peking. In 2025 produceerde China bijvoorbeeld een half miljoen consumentendrones. Wat zo’n productiecapaciteit zou betekenen in een oorlogseconomie, is bijna niet te bevatten. Daarnaast is de scheepsbouwcapaciteit van China inmiddels meer dan tweehonderd keer zo groot als die van de Verenigde Staten.
De paraatheid van China – die voortkomt uit zijn afwijzing van strikt marktfundamentalisme – biedt nu, in combinatie met de oorlog tegen Iran, een historische kans om die voordelen verder uit te bouwen. De macht van China is niet het resultaat van een steeds groter militair-industrieel complex, maar van civiele industrieën van wereldklasse die klaarstaan om nog meer marktaandeel te veroveren. Naarmate deze industrieën de komende maanden en jaren verder groeien – mede aangejaagd door de oorlog van Trump en Netanyahu – ontstaat er een nog grotere industriële basis die in tijden van oorlog kan worden ingezet. Het idee dat herbewapening de weg zou zijn naar industriële vernieuwing voor Groot-Brittannië, zoals John Healey en een groot deel van de Labour-partij beweren, betekent dat men niet alleen weigert de belangrijkste lessen van de afgelopen vijfentwintig jaar te erkennen, maar zelfs die van de afgelopen maand. Mocht er ooit een oorlog met China uitbreken, dan zou de Volksrepubliek het Westen waarschijnlijk verslaan om precies dezelfde reden waarom zij nu profiteert van de wereldwijde vraag naar groene technologie: zij produceert daadwerkelijk goederen. Haar defensiecapaciteit rust op haar industriële basis, en niet andersom.
Hoewel sommigen de huidige ontwikkelingen in de Perzische Golf vergelijken met de Suezcrisis, lijkt het Amerikaanse-Israëlische falen om Teheran een beslissende nederlaag toe te brengen eerder op de betekenis van de val van Singapore voor het Britse Rijk. Met andere woorden: het zou misschien niet meteen het einde van de Pax Americana inhouden, maar wel het begin van het einde. De geleidelijke uitholling van bondgenootschappen, het afnemende vertrouwen in de competentie van de Verenigde Staten als hegemon, en de verminderde voordelen van het huisvesten van Amerikaanse militaire bases spelen allemaal een rol. Maar vooral het feit dat Washington een oorlog is begonnen die China’s voorsprong in industrie en technologie waarschijnlijk nog verder zal vergroten, laat zien dat de VS misschien wel hun meest roekeloze zet tot nu toe hebben gedaan.
Plotseling lijkt de toekomst zich dan ook duidelijker af te tekenen. Energiestabiliteit – of Europa nu meer van zijn eigen beperkte fossiele brandstoffen gebruikt of niet – zal vooral meer elektrificatie, meer batterijen en meer energieopslag vereisen. Kortom: het betekent een grotere inzet van technologieën waarin China nu al de onbetwiste marktleider is. En met technologische dominantie komt ook politieke invloed, waardoor de geopolitieke verhoudingen onvermijdelijk zullen verschuiven.
Dengs op één na beroemdste uitspraak ging over de rol van China op het wereldtoneel: ‘Verberg je kracht en wacht je tijd af.’ Met de huidige voorsprong van China – op het gebied van technologie, toeleveringsketens en steeds vaker ook moreel gezag – lijkt de tijd van het verbergen echter voorbij.