Categorieën
Gezondheid Politiek

COVID-19 legt de soevereiniteitscrisis bloot

Oorspronkelijke tekst (Engels): Africa is a Country, 1 april 2020

fotografie: twitter.com

door Christopher J. Lee

Christopher J. Lee is universitair hoofddocent geschiedenis en Afrika-studies aan het Lafayette College in Easton, Pennsylvania. Van hem zijn vijf boeken verschenen, onder meer over Frantz Fanon en Alex la Guma. Hij legt momenteel de laatste hand aan een boek over Kwame Anthony Appiah.

De eerste zin van Achille Mbembeʼs essay Necropolitics (2003) begint met de bewering dat ʻde ultieme uitdrukking van soevereiniteit voor een groot deel ligt in de macht en het vermogen om te bepalen wie mag blijven leven en wie moet sterven.ʼ De COVID-19-pandemie lijkt een lakmoesproef voor deze bewering te zijn. Hoewel Mbembeʼs betoog over de opkomst van een nieuwe vorm van politiek, gericht op macht over de dood, lang voor het opduiken van deze pandemie is verschenen en voornamelijk is toegepast in de context van Afrika, biedt zijn concept een manier van denken waarmee het huidige beleid kan worden verklaard zonder dat men zijn toevlucht hoeft te nemen tot de conventionele kaders van links en rechts die tot dusver de discussies in het mondiale noorden hebben bepaald. Hoewel deze kaders de infrastructurele capaciteiten van staten om te reageren op de crisis fundamenteel hebben vormgegeven, waarbij neoliberale democratieën als Groot-Brittannië en de Verenigde Staten na jaren van bezuinigingen op en privatisering van de medische zorg voor een duidelijke uitdaging staan, mag de kans niet worden gemist om anders na te gaan denken over wat er op het spel staat. COVID-19 is niet alleen een medische of epidemiologische crisis; het is ook een soevereiniteitscrisis.

De gebeurtenissen van de afgelopen weken en maanden kunnen in dit bestek niet volledig worden gerecapituleerd, maar wel worden gekarakteriseerd als een poging om de soevereiniteit terug te winnen. Ze onthullen een ontluikend necropolitiek landschap dat wordt gedefinieerd door staten die macht hebben over het leven en staten die uitsluitend macht hebben over de dood. Een kort overzicht van de bekendmakingen, verboden en sluitingen is in dit verband nuttig: artsen uit het Chinese Wuhan meldden eind december 2019 voor het eerst het bestaan van een ongespecificeerd virus; op 23 januari 2020 werd in deze stad van 11 miljoen mensen een verplichte lockdown opgelegd, naast extra reisbeperkingen voor andere steden in de provincie Hubei (in totaal 57 miljoen mensen); acht dagen later, op 31 januari, werd in Italië de noodtoestand uitgeroepen, en op 9 maart een nationale quarantaine ingesteld; op 11 maart kwam de regering-Trump met een reisverbod voor reizigers uit Europa die geen Amerikaans staatsburger zijn; Spanje kondigde op 15 maart een nationale quarantaine af; op dezelfde dag voerde Duitsland nieuwe grensbeperkingen in; op 18 maart stelde Zuid-Afrika een reisverbod in voor buitenlanders uit risicolanden; op 19 maart legde Autralië een reisverbod op aan vreemdelingen, enzovoort. Wat dit korte overzicht schetst is een terugkeer naar de meest basale technieken van territoriale controle en staatsmacht – een beleid van grensbeperkingen, gemeenschapsbeheer, avondklokken, bedrijfssluitingen, publieksspreiding en lege straten. Aan burgers wordt gevraagd op een Foucauldiaanse manier zelfdiscipline te betrachten door middel van ʻsocial distancing.ʼ De omvang, snelheid en wereldwijde omvang van deze soevereine maatregelen lijken ongekend.

Voor alle duidelijkheid: deze maatregelen moeten worden voortgezet. In tegenstelling tot normatieve omstandigheden waarin dergelijke methoden als autoritair zouden worden beschouwd, zijn ze in dit geval essentieel voor het in stand houden van het leven. Samen vormen ze een reactieve versie van de necropolitiek die zich bezighoudt met het beheer van leven en dood – om de verspreiding van de ziekte, het aantal sterfgevallen en het aantal besmettingen in het algemeen te verminderen. Deze reactieve houding duidt echter evenzeer op een ongelijkmatige verdeling van de capaciteiten van de staat, op het feit dat niet alle regeringen bij machte zijn om op dezelfde wijze in actie te komen. COVID-19 heeft aangetoond dat sommige staten op de langere termijn falen om de volksgezondheid en het leven in stand te houden, als gevolg van hun toewijding aan neoliberale agendaʼs waarbij de staatszorg is afgeschaft ten gunste van de privatisering. Vooral de Amerikaanse en de Britse overheid hebben de neiging aan de dag gelegd om de gezondheidszorg door privatisering en bezuinigingsmaatregelen betaalbaar te houden. Het aanvankelijke voorstel van de Britse premier Boris Johnson om naar ʻgroepsimmuniteitʼ te streven, waarbij COVID-19 zijn gang mocht gaan door de Britse bevolking, is een voorbeeld van deze aanpak – een economische houding van laissez-faire die wordt toegepast op gewone, kwetsbare mensen, in de context van een pandemie.

Als COVID-19 een necropolitieke benadering van het leven van burgers en niet-burgers heeft blootgelegd die tot nu toe onzichtbaar is gebleven, komt dit doordat deze macht over de dood in contrast staat met Mbembeʼs oorspronkelijke nadruk op het spektakel van onder meer oorlogsmachines en zelfmoordaanslagen. De dynamiek van COVID-19 en andere epidemieën, of het nu ebola of hiv is, is die van langzaam geweld. Na tientallen jaren van afbraak van de infrastructuur voor medische zorg in vele landen, hetzij door de beperkte medische voorzieningen op het platteland of door de schaarste aan levensreddende ziekenhuisapparatuur waarvan nu sprake is, kunnen nationale regeringen het leven niet meer garanderen of zelfs maar beheren, behalve via de meest grove vormen van niet-medische staatscontrole en koud geweld tegen niet-staatsburgers, zoals eerder aangehaald. Anders gezegd: wie mag blijven leven en wie moet sterven is afhankelijk van de goede wil, bekwaamheid en expertise van medische hulpverleners en anderen die betrokken zijn bij de situatie. De macht om te bepalen wie mag blijven leven is uitbesteed en in toenemende mate geprivatiseerd, alleen beschikbaar voor diegenen die het zich kunnen veroorloven.

En dan nog een paar woorden over de economie: als dit necropolitieke landschap tot nu toe grotendeels onzichtbaar is gebleven, dan komt dat doordat het spektakel van het mondiale kapitalisme ook dít politieke beheer heeft verhuld. Ook nu laat een korte blik op de dagelijkse krantenkoppen zien hoe de sterke achteruitgang van de wereldeconomie en de angst voor een kapitalistische recessie evenveel aandacht krijgen als de ziekte zelf, waarbij de oplossingen van het mondiale noorden voor de pandemie – naast de eerder beschreven soevereine maatregelen – in monetaire termen worden geschetst, of het nu gaat om renteverlagingen door de centrale banken, reddingsoperaties voor de industrie of ʻhelicoptergeld.ʼ Het feit dat de COVID-19-pandemie als een economische crisis wordt omschreven, toont niet alleen aan welke soevereiniteitsprioriteiten hier aan het werk zijn, maar duidt ook op de beperkte instrumenten die de neoliberale staatsmacht tot haar beschikking heeft als het gaat om zaken van crises en sociale wanorde die niet rechtstreeks verband houden met het begrotingsbeleid.

Voor alle duidelijkheid: er moeten beleidsmaatregelen worden genomen die de economische bestaansmiddelen van de zwaarst getroffenen in stand houden. Maar dergelijke onmiddellijke maatregelen mogen het streven naar langetermijnoplossingen voor economisch onrecht niet in de weg zitten. De ontluikende economie van COVID-19 onthult namelijk in grimmige termen wat we allang wisten: de soevereine staatsmacht is door de bijtende effecten van het neoliberale beleid op het economische leven, zoals de erosie van de sociale zekerheidsprogrammaʼs, de werkloosheidsuitkeringen en het openbaar onderwijs, ingrijpend gereorganiseerd; de prioriteit is verschoven van het veiligstellen van het leven en het ondersteunen van het welzijn naar het louter bezig zijn met de arbitrage van de dood, zoals we die nu zien.

De necropolitiek van COVID-19 legt dus zowel de sterke punten als de grenzen van Mbembeʼs oorspronkelijke concept bloot, hoe belangrijk dat ook was en nog steeds is. Verschenen vlak na de millenniumwende, toen de Rwandese genocide en de burgeroorlogen in Liberia en Sierra Leone van de jaren negentig bij velen nog vers in het geheugen lagen, trachtte zijn betoog een antwoord te geven op de fundamentele vraag waarom episodes van geweld het Afrikaanse continent ondanks decennia van onafhankelijkheid zijn blijven teisteren, ruim nadat het geweld van de koloniale periode achter de rug was. Als alternatief voor het structurele argument over het kolonialisme en zijn etnische erfenis, zoals beschreven door Mahmood Mamdani in Citizen and Subject (1996), stelde Mbembe de postkoloniale vervolmaking voor van een nieuw soort staatsregime dat putte uit de erfenis van de koloniale biopolitiek, maar daar ook van afstapte door een meer flagrante macht te verkrijgen over de dood – door ʻdodenwereldenʼ te creëren voor burgers en niet-burgers, in plaats van de ʻlevenswereldenʼ die geassocieerd worden met meer normatieve opvattingen over de soevereiniteit van de staat. Wat Mbembe niet gemakkelijk kon voorzien, is hoe de staat zelf in een wereldwijde context van neoliberale druk op verschillende manieren is geherinstrumentaliseerd, met als gevolg haar beperkte capaciteit met betrekking tot vragen over leven en dood. Het vermogen om de facto over leven en dood te beslissen, zoals we dat nu zien in een tijd van epidemiologische crisis, is niet hetzelfde als het proactief nastreven ervan, zoals Mbembe dat voor het eerst beschreef.

Niettemin biedt het concept van de necropolitiek een ander register voor het nadenken over de dimensies van dit ontluikende politieke moment, in het bijzonder die van het falen van de staat in het mondiale noorden, wat ertoe heeft geleid dat het gebruik van dit concept verder is uitgebreid. De soevereiniteitscrisis die COVID-19 in de VS, Groot-Brittannië en andere noordelijke liberale democratieën heeft teweeggebracht, onderstreept de interpretatieve kracht die deze mondiale zuidelijke benadering heeft om de aanspraken en grenzen van de staatsmacht opnieuw te benadrukken. Hoewel het nog te vroeg is om een uitspraak te doen over de onmiddellijke politieke gevolgen van COVID-19, laat staan over die op de langere termijn, onderstreept de geografie van de respons die aan het licht is gekomen hoe staten proberen hun soevereine macht over zaken die de volksgezondheid aangaan terug te winnen.

Hoewel het idee van de necropolitiek nooit sterk is geweest als verzamelpunt voor politieke solidariteit, kan het als kritische methode bijdragen aan een meer progressieve en radicale politieke visie op hoe staten er in de toekomst uit zouden kunnen zien – met de ambitie en het doel om het leven in stand te houden, in plaats van uitsluitend en veel te laat, de dood te beheren.

Vertaling Tiers Bakker

Één reactie op “COVID-19 legt de soevereiniteitscrisis bloot”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *