Categorieën
Politiek

Wederzijds zelfbedrog

Oorspronkelijke tekst (Engels): NLR Sidecar, 7 augustus 2026

fotografie: Quincy Institute for Responsible Statecraft

door Anatol Lieven

Anatol Lieven is een Britse auteur, journalist en politiek analist.

Hardliners aan beide kanten van de oorlog in Oekraïne jagen een hersenschim na en hopen op een wonder. Moskou lijkt ervan uit te gaan dat de Oekraïense verdedigingslinies – die de Russische opmars al jaren tot een trage en bloedige uitputtingsslag beperken – op korte termijn plotseling zullen instorten. Of dat de Europese financiële en militaire steun die deze verdediging mogelijk maakt, opeens zal opdrogen. Veel westerse commentatoren – en sommige, maar zeker niet alle Oekraïense veiligheidsexperts – lijken gevangen te zitten in een vergelijkbare illusie. Dankzij drones en satellietinformatie is het voor Rusland vrijwel onmogelijk geworden om ongemerkt voldoende troepen en materieel samen te brengen voor een grote doorbraak. Daardoor heeft het Oekraïense leger de Russische opmars grotendeels tot stilstand weten te brengen. Toch lijken veel westerse waarnemers ervan uit te gaan dat Rusland niet in staat zal zijn diezelfde technologieën te gebruiken om een Oekraïense doorbraak eveneens te verhinderen.

Westerse militaire deskundigen die beweren dat Oekraïne ‘het tij heeft gekeerd,’ lijken de lessen van deze oorlog zó makkelijk terzijde te schuiven dat er ernstige vragen rijzen over hun deskundigheid of oprechtheid. Het veelgeprezen Oekraïense succes bij de aanvallen op Russische olieraffinaderijen – waarbij overigens slechts ongeveer dertien procent van de productiecapaciteit werd uitgeschakeld – wordt ruimschoots tenietgedaan door de Russische blokkade van de haven van Odessa en de schade die Rusland heeft toegebracht aan het Oekraïense transportnetwerk en de elektriciteitsvoorziening. Bovendien is Rusland inmiddels beter in staat de Oekraïense infrastructuur te vernietigen, doordat de levering van Amerikaanse luchtverdedigingsraketten aan Oekraïne als gevolg van de oorlog met Iran is stilgevallen.

Russische ultranationalisten met wie ik heb gesproken, blijven volhouden dat Rusland Odessa kan veroveren. Daarvoor zouden de Russische strijdkrachten zich echter een weg moeten vechten door de benedenloop van de Dnjepr of een grootschalige amfibische aanval moeten uitvoeren. In dat laatste geval zou Rusland eerst zijn Zwarte Zeevloot opnieuw moeten opbouwen, omdat die door Oekraïense raket- en droneaanvallen zwaar is uitgedund en uit haar basis in Sevastopol is verdreven. In delen van de westerse media leeft een vergelijkbare illusie, maar dan in omgekeerde richting: het Oekraïense succes bij het beschadigen van de Russische marine en de aanvoerroutes naar de Krim zou betekenen dat Oekraïne het schiereiland kan heroveren. Maar net zoals Rusland bij een aanval op Odessa voor enorme militaire obstakels zou staan, zou Oekraïne voor de herovering van de Krim de Dnjepr moeten oversteken en zich vervolgens een weg naar het schiereiland moeten vechten, of een invasie over zee moeten uitvoeren – met een marine waarover het niet beschikt.

Het is moeilijk te zeggen wat erger zou zijn: dat we bewust worden voorgelogen, of dat de gepensioneerde officieren en veiligheids‘deskundigen’ die een spoedige Oekraïense overwinning voorspellen, deze onzin werkelijk geloven. Waarschijnlijk is de eensgezindheid binnen de Europese politiek, het ambtelijk apparaat, de media, de academische wereld en de denktanks inmiddels zó groot en allesoverheersend dat zij er inderdaad zelf van overtuigd zijn, simpelweg omdat vrijwel niemand nog een afwijkend geluid laat horen. Wie op zoek is naar andere, meer realistische analyses, ziet zich helaas maar al te vaak gedwongen uit te wijken naar populistisch rechts.

De situatie aan het front in Oost-Oekraïne doet inmiddels denken aan de patstelling aan het westfront in 1916, maar met één cruciaal verschil. Eind 1916 waren de nieuwe wapens en tactieken die twee jaar later zouden bijdragen aan het einde van de oorlog al in ontwikkeling, al stonden ze nog in de kinderschoenen. Tanks, vliegtuigen en nieuwe infiltratietactieken wisten uiteindelijk de impasse van machinegeweren en prikkeldraad te doorbreken. Vandaag is er geen vergelijkbare militaire omwenteling in zicht. De enorme verliezen die drones veroorzaken, kunnen uiteindelijk leiden tot de ontwikkeling van onbemande tanks en robotsoldaten – die, anders dan mensen, zouden kunnen blijven oprukken wanneer de eenheden om hen heen worden vernietigd. Het lijkt echter zeer onwaarschijnlijk dat zulke technologieën snel genoeg op grote schaal beschikbaar komen om het verloop van de huidige oorlog in Oekraïne nog wezenlijk te veranderen.

Het enige concrete geschilpunt waarover beide partijen nog strijden, is de controle over de ongeveer elf procent van de Donbas die nog in Oekraïense handen is. Rusland eist dat gebied op als onderdeel van de voorwaarden voor vrede. Het gaat om ongeveer 5.200 vierkante kilometer. De schrille tegenstelling tussen de beperkte omvang van het betwiste gebied en het enorme menselijke leed dat de strijd erom veroorzaakt, roept herinneringen op aan veldslagen als die bij Bapaume en Passendale. Alleen al in de strijd om de controle over het onbeduidende stadje Pokrovsk – in de Sovjettijd Krasnoarmeisk geheten – zijn aan beide zijden mogelijk honderdduizend militairen omgekomen. Het is een plaats waar ik vroeger, onderweg van Dnipropetrovsk naar Donetsk, langsreed zonder er ook maar enige aandacht aan te schenken.

Beide partijen stellen dat dit gebied van cruciaal strategisch belang is, omdat er een reeks zwaar versterkte Oekraïense steden ligt. Volgens Oekraïne zijn die onmisbaar voor de verdediging van het land. Rusland stelt daarentegen dat ze in de toekomst als uitvalsbasis zouden kunnen dienen voor een Oekraïense poging om de rest van de Donbas te heroveren. Geen van beide argumenten overtuigt mij volledig. De Russen hebben slechts zeer langzaam terrein gewonnen bij hun aanvallen op de door Oekraïne bezette steden in de Donbas, maar ook pogingen om elders over open terrein op te rukken hebben nauwelijks iets opgeleverd. Als een vredesakkoord – zoals de regering-Trump heeft voorgesteld – zou voorzien in de demilitarisering van dit deel van de Donbas, zou Oekraïne met Europese steun enkele kilometers westelijker een nieuwe verdedigingslinie kunnen aanleggen. Voor Kyiv gaat het echter niet alleen om een strategische, maar vooral ook om een morele kwestie. Iedere Oekraïner met wie ik hierover heb gesproken – ook degenen die wanhopig hopen op vrede door middel van een compromis – zegt in wezen hetzelfde: Oekraïne zou in een vredesakkoord kunnen erkennen dat het gebied dat Rusland nu bezet voorlopig in Russische handen blijft. Maar grondgebied dat Oekraïne zelf nog in handen heeft formeel afstaan, is voor iedere Oekraïense regering moreel en politiek ondenkbaar.

Het Russische argument dat het noordwestelijke deel van de Donbas van groot praktisch belang is, overtuigt nog minder. Moskou stelt niet alleen dat het gebied in de toekomst als uitvalsbasis zou kunnen dienen voor een Oekraïense aanval op door Rusland gecontroleerd grondgebied, maar ook dat het van essentieel belang is voor de watervoorziening van de steden Donetsk en Loehansk. Die argumenten zijn echter niet bijzonder sterk. Een toekomstig Oekraïens offensief zou immers op vrijwel elke plek langs de frontlinie kunnen worden ingezet. Bovendien zou het niet al te moeilijk zijn om vanuit Rusland alternatieve watervoorzieningen voor de Donbas aan te leggen. Achter gesloten deuren erkennen veel Russische analisten dat deze argumenten vooral voor de vorm worden aangevoerd. De werkelijke reden waarom Moskou blijft vasthouden aan de verovering van dit kleine stuk grondgebied is volgens hen een andere: zonder dit gebied wordt het veel moeilijker om de oorlog als een overwinning te presenteren, vol te houden dat het een goed idee was om eraan te beginnen en te rechtvaardigen dat de enorme verliezen de moeite waard zijn geweest.

Hoewel het Russische leger enkele successen heeft geboekt, zijn de resultaten tot dusver over het geheel genomen uiterst mager. Dat geldt niet alleen in vergelijking met de doelstellingen die het Kremlin bij het begin van de invasie in februari 2022 voor ogen had, maar ook tegen de achtergrond van de vier eeuwen waarin Rusland het grootste deel van Oekraïne domineerde. Rusland heeft weliswaar een landcorridor naar de Krim veroverd, waardoor zowel de veiligheid als de watervoorziening van het schiereiland aanzienlijk zijn verbeterd. Ook heeft het de Oekraïense strijdkrachten ver genoeg van Donetsk en Loehansk teruggedrongen om deze steden buiten het bereik te brengen van de artillerie waarmee Oekraïne ze tussen 2014 en 2022 met tussenpozen beschoten heeft. Maar ik betwijfel sterk of Poetin de oorlog zou zijn begonnen als hij had geweten dat dit na vierenhalf jaar vrijwel alles zou zijn wat Rusland had bereikt.

Ook bij de Oekraïense politieke elites kunnen we ons afvragen of zij, met de kennis van nu, de Minsk-akkoorden – die de Donbas autonomie binnen Oekraïne toekenden – zouden hebben ondermijnd, waarmee ze hebben bijgedragen aan het ontstaan van dit conflict. Aan de ene kant kunnen zij er voldoening uit putten dat de oorlog de Oekraïense nationale identiteit heeft geconsolideerd en de overgrote meerderheid van de bevolking tegen Rusland heeft gekeerd. Bovendien heeft de oorlog Zelensky de status van een historische nationale leider bezorgd en ultranationalistische groeperingen in staat gesteld grote invloed binnen delen van de strijdkrachten te verwerven.

Daar staat tegenover dat honderdduizenden jonge Oekraïense mannen zijn omgekomen, de economie is verwoest, miljoenen mensen naar het Westen zijn gevlucht – van wie velen waarschijnlijk nooit meer zullen terugkeren – en het geboortecijfer dramatisch is gedaald. Onder de Oekraïense bevolking lijkt de stemming te zijn veranderd. Recente opiniepeilingen wijzen erop dat een meerderheid een overwinning inmiddels vooral ziet als het beëindigen van de oorlog zonder verdere concessies en een terugkeer naar een ‘normaal leven.’ De hoop dat Oekraïne Rusland nog uit de bezette gebieden kan verdrijven, is grotendeels verdwenen.

Toch lijken alle partijen in het conflict, zoals de situatie er nu voorstaat, vast te zitten in hun huidige posities en er belang bij te hebben dat de oorlog voortduurt. Politiek gezien lijkt dat voor iedereen aantrekkelijker dan de concessies te doen die nodig zijn om een einde aan de oorlog te maken. Misschien zien zowel Zelensky als Poetin – al dan niet bewust – ook met grote bezorgdheid uit naar de politieke, sociale en economische problemen waarmee zij na afloop van de oorlog te maken zullen krijgen. Een daarvan is de moeilijke transitie van een oorlogseconomie naar een economie in vredestijd. Poetin zou bovendien geconfronteerd kunnen worden met kritische vragen over de onthutsende incompetentie waarmee zijn regering de oorlog is begonnen. Zowel Oekraïne als Rusland staat daarnaast voor de enorme opgave om grote aantallen verbitterde en getraumatiseerde militairen na de oorlog weer in de burgermaatschappij te laten terugkeren.

Wat de westerse bondgenoten van Oekraïne betreft, wordt de regering-Trump momenteel vooral in beslag genomen door de oorlog met Iran. Tegelijkertijd lijkt Washington er genoegen mee te nemen dat Europese landen blijven betalen voor Amerikaanse wapens die aan Oekraïne worden geleverd. De kans op een radicaal nieuwe aanpak om de oorlog te beëindigen wordt nog kleiner als de Democraten bij de tussentijdse verkiezingen in november de controle over het Congres weten te veroveren. Dat komt enerzijds doordat de overgrote meerderheid van de Democraten in het Congres zich volledig achter een Oekraïense ‘overwinning’ heeft geschaard en zich tegen een vredescompromis heeft verzet. Anderzijds zullen zij waarschijnlijk vrijwel elk initiatief van de regering-Trump met wantrouwen tegemoet treden. De Europese regeringen hebben zich ondertussen zo sterk vastgelegd op wat in feite neerkomt op onvoorwaardelijke steun aan Oekraïne, dat het moeilijk voorstelbaar lijkt dat zij serieus naar een compromisvrede zullen streven. Tijdens een bijeenkomst in Londen op 7 juni formuleerden de ‘E3’ – het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland – samen met Oekraïne een aantal voorwaarden voor een vredesregeling. Daartoe behoorden een onmiddellijk staakt-het-vuren vóór het begin van de onderhandelingen, de inzet van ‘een multinationale troepenmacht voor Oekraïne’ en behoud van het recht van Oekraïne om tot de NAVO toe te treden. Aangezien de Russische regering herhaaldelijk heeft verklaard dat deze voorwaarden voor haar onbespreekbaar zijn, komen de eisen in de praktijk neer op een gezamenlijk veto tegen iedere vredesregeling. Illustratief voor deze kritiekloze eensgezindheid was de nieuwe Britse premier Andy Burnham, die vrijwel onmiddellijk verklaarde de bestaande koers te zullen voortzetten.

Het hoogst haalbare waarop de betrokken leiders nog lijken te kunnen hopen, is dat de oorlog uiteindelijk eindigt door wederzijdse uitputting. Maar dat zou waarschijnlijk geen duurzame vrede opleveren. Eerder dreigt dan een wankel bestand dat regelmatig wordt geschonden, zoals sinds 1948 in Kasjmir of tussen 2015 en 2022 in Oost-Oekraïne. Het is moeilijk voorstelbaar dat iemand werkelijk zou geloven dat zo’n uitkomst in het belang is van Europa of Oekraïne. Een dergelijk langdurig en instabiel bestand zou onder meer een toekomstige toetreding van Oekraïne tot de Europese Unie onmogelijk maken. Overigens is het de vraag of zo’n EU-lidmaatschap überhaupt haalbaar is, gezien de grote problemen die het voor verschillende belangrijke lidstaten zou veroorzaken. Polen en andere Oost-Europese landen zouden een deel van de subsidies die zij nog altijd uit Brussel en van West-Europese landen ontvangen, moeten afstaan, zodat dat geld kan worden gebruikt voor de wederopbouw en ontwikkeling van Oekraïne. Ook zou het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingrijpend moeten worden hervormd. Europese boeren – met name in Frankrijk – zouden daardoor zwaar onder druk komen te staan, met het risico dat velen van hen failliet gaan.

Dit alles laat twee andere mogelijkheden open. De eerste is dat Europa het komende jaar, of in de jaren daarna, te maken krijgt met een combinatie van economische crises en politieke onrust die zo ernstig is dat het onmogelijk wordt om Oekraïne op het huidige niveau te blijven steunen. Een cruciale vraag zal zijn of het Rassemblement National volgend voorjaar de Franse presidentsverkiezingen wint. Jordan Bardella heeft geprobeerd zijn standpunten over Oekraïne in overeenstemming te brengen met die van de NAVO en de EU. Marine Le Pen daarentegen beschouwt zichzelf eerder als erfgenaam van De Gaulles ideeën over een gemeenschappelijke Europese veiligheidsorde waarin ook Rusland een plaats heeft. Tegelijkertijd geldt dat de aanhangers van Bardella, hoewel zij weinig tot geen sympathie voor Rusland hebben, andere problemen als veel urgenter beschouwen. Voor hen vormen migratie, criminaliteit en sociale ontwrichting veruit de grootste bedreigingen voor Frankrijk.

De tweede mogelijkheid is dat de oorlog zich zonder grote overwinningen aan beide kanten blijft voortslepen, totdat Rusland uiteindelijk – na nog meer jaren van strijd en nog meer doden – ook het laatste deel van de Donbas verovert. Poetin zou dat vervolgens als een overwinning kunnen presenteren. Het zou echter onverstandig zijn ervan uit te gaan dat de oorlog op deze manier kan blijven voortduren zonder dat er een ernstige escalatie plaatsvindt. Tot nu toe heeft zowel Rusland als de NAVO een zekere terughoudendheid betracht, waardoor een directe confrontatie is voorkomen, ondanks de druk van hardliners aan beide kanten. Maar het risico op een rampzalig incident blijft altijd bestaan. Een voorbeeld daarvan is de verkeerd gerichte Amerikaanse raketaanval waarbij een basisschool in Iran werd verwoest.

Russische analisten hebben mij verteld dat zij ervan overtuigd zijn dat Poetin min of meer gedwongen zou zijn de confrontatie met Europese NAVO-landen te escaleren als een Oekraïense raket of drone – zelfs per ongeluk – een school in Moskou of Sint-Petersburg zou treffen. Volgens de Russen hebben Europese NAVO-landen Oekraïne immers geholpen bij het selecteren van doelen, en zij menen daarvoor goede gronden te hebben. Zo’n incident zou precies de gelegenheid kunnen bieden waarop Russische hardliners hopen. Zij zijn ervan overtuigd dat Rusland alleen de volledige overwinning kan behalen waarvan zij nog altijd dromen door de Europese landen zoveel angst aan te jagen dat deze hun steun aan Oekraïne intrekken. Tegelijkertijd heeft ook de Oekraïense regering zich ingespannen om een rechtstreekse confrontatie tussen Rusland en de NAVO dichterbij te brengen. Zo heeft zij westerse media voortdurend voorzien van ‘informatie’ over Ruslands agressieve ambities om zijn macht wereldwijd uit te breiden.

In de laatste decennia van de Koude Oorlog leidde het gevaar dat een escalatie zou uitmonden in een nucleaire catastrofe – ondanks de westerse angst voor Sovjetagressie – tot een sterke bereidheid binnen het westerse establishment om naar ontspanning en toenadering te streven. Na de val van de Sovjet-Unie bleek bovendien dat de dreiging van Sovjetagressie in het Westen sterk was overdreven. Tegenwoordig is het gevaar van escalatie veel groter, maar die les lijkt niet te zijn geleerd. De bereidheid om naar ontspanning en toenadering te streven is vrijwel verdwenen. Die moet worden hersteld voordat het te laat is.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Klimaat Politiek

Space X is geen normaal bedrijf

Oorspronkelijke tekst (Engels): Patterns by Naomi Klein, 16 juli 2026

fotografie: Rob Trendiak

door Naomi Klein

Naomi Klein is een Canadese journalist, publicist en politiek activist.

Space X is een metafoor voor de ontsnappingsdroom van de superrijken

Onlangs voerde ik weer een van mijn vaste Unshocked-gesprekken met Mehdi Hasan over Elon Musk. Daarin probeerden we te doorgronden hoe het kan dat ’s werelds eerste biljonair tegelijkertijd een van de meest verwerpelijke mensen ter wereld is. Hier wil ik uitleggen waarom die twee zaken allesbehalve toevallig samengaan.

In de meeste discussies over Musk worden deze twee kanten van hem strikt van elkaar gescheiden. Aan de ene kant is er Musk, de briljante technologieondernemer en CEO tegen wie je maar beter niet kunt wedden en wiens vermogen inmiddels rond de grens van een biljoen dollar schommelt. Aan de andere kant staat Musk als weerzinwekkende publieke figuur: iemand die met een kettingzaag staat te zwaaien, gebaren maakt die sterk aan de nazigroet doen denken, zich verbindt met extreemrechtse bewegingen over de hele wereld, en die je in beschaafd gezelschap liever uit de weg gaat.

In werkelijkheid zijn deze twee kanten van Musk niet van elkaar te scheiden. Ze zijn twee uitingen van hetzelfde verschijnsel. De stunts met de kettingzaag en het stopzetten van levensreddende hulp aan arme mensen, de racistische samenzweringstheorieën die zich via X verspreiden, de nazistische uitbarstingen van Grok en de ophef rond het genereren van geseksualiseerde deepfakes: het zijn allemaal onderdelen van dezelfde ontwikkeling. Musk draagt zo bij aan een wereld waarin grote groepen mensen worden geminacht, buitengesloten en uiteindelijk als opofferbaar worden beschouwd. Juist die maatschappelijke omstandigheden zijn nodig voor het economische project dat hem onlangs tot biljonair heeft gemaakt. De door AI en robotica aangedreven toekomst die Musk aan beleggers voorspiegelt, zal immers slechts een uiterst klein deel van de mensheid ten goede komen, terwijl talloze andere mensen – en ook niet-menselijk leven – ervoor zullen moeten wijken. De vraag is dan wat er moet gebeuren met al diegenen die niet van deze toekomst profiteren. En precies daar komt de andere kant van Musk in beeld: wat hij zelf ‘Dark MAGA’ noemt.

De ontsnappingsdroom

Dertien jaar geleden stond de schrijfster Arundhati Roy stil bij de betekenis van een opzichtig stuk architectuur: het nieuwe woonhuis van Mukesh Ambani, de rijkste man van India, dat door zijn ongekende luxe veel opzien baarde. Het hele land, schreef ze, sprak over ‘de zevenentwintig verdiepingen, drie helikopterplatforms, negen liften, hangende tuinen, balzalen, klimaatkamers, fitnessruimtes, zes verdiepingen met parkeerplaatsen en zeshonderd personeelsleden.’

Terwijl Roy in de schaduw van het gebouw stond en omhoogkeek naar de verticale tuinen, vroeg ze zich af: ‘Is dit de laatste fase van de succesvolste afscheidingsbeweging in India? De ontsnapping van de midden- en hogere klassen naar de ruimte?’

Roy bedoelde dit als metafoor: de rijken van India verlieten de aarde natuurlijk niet letterlijk. Maar ze gedroegen zich wel alsof hun rijkdom hen in staat stelde hun eigen afgesloten werelden te creëren, waarin ze niet langer rekening hoefden te houden met de armen of ooit nog het lot van die armen hoefden te delen. Dat betekende een ingrijpende breuk met het verleden. Zelfs koningen en keizers moesten zich nog verhouden tot hun arme onderdanen, zich bezighouden met hun alledaagse problemen en accepteren dat deze mensen uiteindelijk dezelfde lucht inademden. Roy meende te zien hoe de Indiase elite een manier had gevonden om zich zelfs aan die ongemakken te onttrekken.

Je kunt Musk en SpaceX dan ook zien als de wereldwijde verwezenlijking van het verlangen dat Roy beschreef, maar nu voorzien van een beurskoers. De beleggers op de Nasdaq die onlangs bij de beursgang van Space X alle records braken, waardeerden in feite niet zozeer Musks belofte om van de mensheid een ‘multi-planetaire soort’ te maken. Iedereen weet immers dat dit op korte termijn niet zal gebeuren. Waar zij wél op inzetten, is de droom die Musk inmiddels belichaamt: die van de superrijken die erin slagen te ontsnappen aan de wereld die zij anders met de rest van ons zouden moeten delen. Die ontsnappingsdroom wordt voor een belangrijk deel mogelijk gemaakt door vermogens die zijn opgebouwd tijdens golven van door hype aangewakkerde speculatieve investeringen – precies het soort speculatie dat SpaceX zelf heeft losgemaakt. De ontsnappingsdroom die Roy destijds beschreef, is door de jaren heen opvallend onveranderd gebleven. Alleen het decor is veranderd. Het spektakel van raketlanceringen wekt nu de indruk dat een daadwerkelijke vlucht van de aarde binnen handbereik komt, ook al exploderen de raketten geregeld en is het in werkelijkheid buitengewoon moeilijk om op een planeet als Mars te overleven).

In ons binnenkort te verschijnen boek End Times Fascism: And the Fight for the Living World, dat in september zal uitkomen, noemen Astra Taylor en ik deze mentaliteit ‘de vlucht van de rijken’: de fantasie dat de allerrijksten zich kunnen onttrekken aan de wereld en aan het lot van de rest van de mensheid. Terwijl de planeet gebukt gaat onder vervuiling en armoede, vormt deze gedachte een van de fronten in een veel bredere strijd om de vraag wie nog een toekomst zal hebben, en wie niet. Nu Musk zich heeft ontpopt tot een van de belangrijkste hoofdrolspelers in deze strijd, is het de moeite waard om eens goed te kijken naar wat hij ons precies probeert te verkopen.

Gokken op onzin

Toen Musk via een videoverbinding vanuit het hoofdkantoor van SpaceX in Texas deelnam aan de beursgang op de Nasdaq, verklaarde hij dat het bedrijf ‘iedereen die naar de maan wil, iedereen die naar Mars wil of naar welke andere plek in het zonnestelsel dan ook – en misschien ooit zelfs daarbuiten’ zou meenemen. Volgens Musk was SpaceX bezig ‘de fictie uit sciencefiction te verwijderen.’

Wat hij in werkelijkheid doet, is pure fictie verkopen. De prognoses rond de beursgang zijn zo absurd dat ze nauwelijks nog op bedrog lijken, maar eerder op regelrechte minachting: een gok dat mensen geld naar Musk zullen blijven gooien, hoe schaamteloos hij ons ook in ons gezicht voorliegt.

Mijn favoriete detail: in de S-1-aanvraag van SpaceX bij de Amerikaanse beurswaakhond SEC wordt de ‘totale adresseerbare markt’ geschat op maar liefst 28,5 biljoen dollar – bijna evenveel als het volledige Amerikaanse bbp van ongeveer 32 biljoen dollar. Maar het wordt nog erger. Ondanks al Musks verhalen over de kolonisatie van de ruimte schrijft SpaceX slechts ongeveer 2 biljoen dollar van die potentiële markt toe aan zijn daadwerkelijke ruimtevaart- en connectiviteitsactiviteiten. Veruit het grootste deel van die gigantische verwachte markt – zo’n 26 biljoen dollar – zou volgens het bedrijf niet voortkomen uit raketten of uit Starlink, maar uit kunstmatige intelligentie.

Met andere woorden: SpaceX is in feite een AI-bedrijf dat zich presenteert als een ruimtevaartbedrijf – en dan ook nog een AI-bedrijf dat verlies lijdt. In 2025 behaalde xAI, inmiddels de AI-divisie van SpaceX, slechts 3,2 miljard dollar omzet, terwijl het 6,4 miljard dollar uitgaf. Vroeger zou een bedrijf dat twee keer zoveel geld uitgeeft als het binnenkrijgt simpelweg als een mislukking zijn beschouwd. Bij Musk reageerde de aandelenmarkt echter anders. Beleggers zagen die verliezen en gokten erop dat hetzelfde bedrijf op de een of andere manier 26 biljoen dollar aan nieuwe omzet zou kunnen creëren, ongeveer een kwart van het totale mondiale bbp. Op zulke buitenissige verwachtingen worden nu ook het spaargeld en de pensioenen van gewone mensen ingezet. Zakenbank Goldman Sachs heeft beleggers voorgehouden dat de omzet van SpaceX in 2030 kan oplopen tot 474 miljard dollar, tegenover 18,7 miljard dollar vorig jaar. Dat zou neerkomen op een vijfentwintigvoudige stijging in slechts vijf jaar. Dit is nauwelijks nog economie te noemen; zelfs met wiskunde heeft het weinig te maken. Het lijkt eerder op slam poetry.

Deze waanzin is al tientallen jaren in de maak. Musks beleggers behandelen hem al lange tijd minder als een gewone CEO dan als een soort mysticus. Ze accepteren uitzonderlijk slecht bestuur, niet-gehaalde verkoopdoelstellingen, exploderende raketten en satellieten, en berichten over vermeend drugsgebruik. Het is niet zo dat beleggers deze mislukkingen niet zien. Ze weten dat de omzet van Tesla kelderde na Musks kettingzaagactie bij DOGE (Trumps Department of Government Efficiency). En ze weten ook dat het gat tussen de uitgaven en inkomsten van xAI zo enorm is dat je er bij wijze van spreken met een Cybertruck doorheen kunt rijden (alweer zo’n veelbesproken Musk-debacle).

Toch wordt dit alles op de een of andere manier terzijde geschoven met de alomtegenwoordige mantra die vaak wordt toegeschreven aan Peter Thiel, Musks voormalige zakenpartner en vriend: zet nooit in tegen Elon. Met andere woorden: geloof niet wat je met eigen ogen ziet, maar geloof in de man zelf. Dat is besluitvorming op basis van geloof, niet wezenlijk anders dan bij een religie. En nu Musk – althans op goede beursdagen – de status van biljonair heeft bereikt, is de mythe rond zijn persoon alleen maar sterker geworden. Daardoor voelen zijn trouwe financiers zich aangemoedigd tot steeds roekelozer vormen van financiële alchemie.

Dat brengt ons terug bij SpaceX, dat eigenlijk geen bedrijf is in de traditionele betekenis van het woord. Het kan beter worden gezien als een in elkaar geknutseld vehikel om rijkdom aan de markt te onttrekken, telkens verpakt in het verhaal waarmee op dat moment het snelst geld kan worden opgehaald. Zo merkte een analyse van The Motley Fool op dat uit het hoofdstuk over risicofactoren in de S-1-aanvraag van SpaceX – een onderdeel dat doorgaans vooral uit standaardwaarschuwingen bestaat – blijkt dat de groeiplannen van het bedrijf voor een groot deel afhankelijk zijn van ‘onbewezen technologieën of technologieën die nog niet bestaan.’

Met andere woorden: niet-bestaande technologieën hebben niet-bestaande groeiverwachtingen voortgebracht, die vervolgens hebben geleid tot de lucratiefste beursgang uit de geschiedenis en de eerste biljonair ter wereld. In welke fase van het kapitalisme zijn we inmiddels aanbeland? Niemand die het weet.

Wat het geld oplevert

Om een biljoen dollar in perspectief te plaatsen: slechts 21 landen ter wereld hebben een bbp van meer dan één biljoen dollar. Zweden niet. Argentinië niet. Israël niet. Taiwan niet. Ierland evenmin. Maar één man beschikt inmiddels wél over een vermogen van die omvang.

Het is daarom de moeite waard ons af te vragen wat deze enorme rijkdom eigenlijk mogelijk moet maken. Het eenvoudige antwoord luidt: ontsnapping. Ontsnapping aan ons, aan de eisen die we stellen aan mannen als Musk, en aan de ravage die hun tomeloze vervuiling van onze planeet, van ons publieke debat en van onze politiek achterlaat. Het vergaren van een vrijwel onvoorstelbaar groot persoonlijk vermogen is geen toevallig bijproduct van het SpaceX-verhaal. Het vormt juist de kern ervan.

In 2009 schreef Peter Thiel een essay dat nog altijd veelvuldig wordt aangehaald. Het is vooral bekend geworden omdat hij daarin openlijk afstand nam van de democratie: ‘Ik geloof niet langer dat vrijheid en democratie verenigbaar zijn.’ De enige weg voorwaarts was volgens hem ‘een uitweg te vinden uit de politiek in al haar vormen.’ Dat verklaart waarom hij diverse initiatieven financiert om zogenoemde ‘bedrijfslanden’ te stichten, waarom hij samen met Musk PayPal heeft opgericht en waarom hij al lange tijd cryptovaluta steunt: met een eigen geldsysteem blijft de overheid immers op afstand. Het verklaart ook waarom hij al vroeg investeerde in Musks raketprojecten. Daar krijgt de droom om je met behulp van rijkdom aan de bestaande orde te onttrekken haar meest letterlijke vorm: de zeggenschap van privé-ondernemingen over de ruimte.

Het staat zelfs zwart op wit in de kleine lettertjes van de servicevoorwaarden van Starlink, die vrijwel niemand leest:

‘Voor de diensten die op Mars worden geleverd, of tijdens de reis naar Mars met Starship of andere ruimtevaartuigen, erkennen de partijen Mars als een vrije planeet waar geen enkele regering op aarde gezag of soevereiniteit kan uitoefenen. Geschillen zullen daarom worden beslecht volgens beginselen van zelfbestuur die bij de kolonisatie van Mars te goeder trouw worden vastgesteld.’

Voordat we dit afdoen met de constatering dat niemand op korte termijn Mars zal koloniseren, is het de moeite waard de formulering nauwkeurig te bekijken. Musk zou immers kunnen aanvoeren dat alles wat SpaceX in de ruimte doet uiteindelijk deel uitmaakt van de reis naar Mars, aangezien dat het verklaarde einddoel van het bedrijf is. Betekent dit dat Musk overal waar een Starlink-satelliet vliegt al aanspraak kan maken op een vorm van soevereiniteit? En hoe zit het dan met de datacenters die hij naar eigen zeggen in een baan om de aarde wil brengen, waarin al onze digitale sporen worden opgeslagen? Heeft hij daarmee stilzwijgend al een zakelijke claim gelegd op delen van de ruimte en op alles wat hij daar onderbrengt? En kan hij daarmee wegkomen?

Wanneer fascisme deel uitmaakt van het bedrijfsplan

Dit brengt ons bij de kant van Musk waarover beleggers minder graag praten, maar die des te duidelijker zichtbaar wordt in zijn obsessieve nachtelijke berichten op X. Toen hij zich openlijk achter Trump schaarde en zichzelf vervolgens uitriep tot ‘Dark MAGA,’ was aanvankelijk niet duidelijk hoe ver hij daarin zou gaan. Inmiddels hebben we daar een veel beter beeld van.

Musk heeft zich in verschillende landen achter fascistische en neofascistische politieke bewegingen geschaard. Zo voerde hij campagne voor de AfD in Duitsland, nam hij via een videoverbinding deel aan een racistische bijeenkomst van Tommy Robinson in het Verenigd Koninkrijk en droeg hij bij aan het aanwakkeren van gewelddadige anti-immigrantenrellen in Ierland. Ook heeft hij de samenzweringstheorie van de ‘Grote Vervanging’ gepromoot en de bewering verspreid dat er in Zuid-Afrika een ‘witte genocide’ plaatsvindt. Tegelijkertijd pleit hij voor meer witte immigratie en werkt hij aan wat wel zijn eigen ‘legioen’ van kinderen is genoemd.

Tijdens zijn korte periode aan het hoofd van DOGE bezuinigde Musk systematisch op programma’s die zwarte gemeenschappen en andere gemeenschappen van kleur in de Verenigde Staten en daarbuiten ten goede kwamen. Een onderzoek in The Lancet schatte dat de programma’s van USAID meer dan negentig miljoen levens hebben gered.

Wanneer de bezuinigingen van DOGE op buitenlandse hulp worden gekoppeld aan de steeds ernstiger gevolgen van door klimaatverandering verergerde droogte en aan de sterke prijsstijgingen van kunstmest en brandstof als gevolg van Trumps illegale oorlog tegen Iran, lijken de gevolgen in landen als Somalië minder op gewone bezuinigingen dan op het doelbewust uitdunnen van de bevolking. Zoals Bill McKibben op Substack schreef, mag Musks persoonlijke verantwoordelijkheid daarbij niet buiten beeld blijven: ‘Elon Musk in het bijzonder heeft USAID stilgelegd – hij pochte er zelfs over dat hij het tijdens het eerste weekend van zijn DOGE-aanval op de federale overheid “door de houtversnipperaar had gehaald.” Met andere woorden: de rijkste man ter wereld deed dit onder auspiciën van onze regering. Zijn wreedheid en zelfingenomenheid – en zijn verachtelijke racisme – kennen geen grenzen.’

Musk kan zich niet op onwetendheid beroepen. Hij weet dat klimaatverandering een realiteit is en dat grote delen van de wereld daardoor onbewoonbaar dreigen te worden. Jarenlang gold hij immers als hét boegbeeld van groene technologie, als de man die ons juist voor die toekomst zou helpen behoeden. Nu zijn eigen uitstoot sterk toeneemt door energieverslindende datacenters, en Grok deel is gaan uitmaken van het militaire apparaat van het Pentagon, lijkt Musk echter onderdeel te zijn geworden van een breder project. Een project dat het publiek eraan lijkt te willen laten wennen dat grote aantallen mensen, vooral in Azië en Afrika, in de toekomst simpelweg niet over voldoende voedsel, medicijnen of een leefbaar klimaat zullen beschikken om te overleven.

Gokken met de toekomst van de mensheid

Dat betekent niet dat Musk geen toekomst voor zich ziet. Integendeel, hij vertelt ons voortdurend wat hij aan de horizon ontwaart: vliegende auto’s, robotbedienden, seksrobots, ruimtereizen en werk dat ‘optioneel’ wordt. Maar zelfs in het meest optimistische scenario is Musks toekomstvisie alleen weggelegd voor mensen die zich al die luxe kunnen veroorloven. Bovendien rust die toekomst op gestolen gegevens en de slinkende inkomens van gewone mensen, wordt zij overeind gehouden met overheidsgeld en is het financiële systeem eromheen zó opgeblazen dat het uiteindelijk dreigt in te storten wanneer de AI-zeepbel barst. Daarbij dreigen ook de spaargelden en pensioenen van werkende mensen te verdampen. Geen wonder dat de geboortecijfers dalen – een ontwikkeling waarover Musk en zijn rechtse geestverwanten zich obsessief zorgen maken. Veel mensen lijken de boodschap te hebben begrepen: de toekomst wordt een exclusief VIP-feest waarvoor zij geen toegangskaartje krijgen. Ze beseffen dat een markt die nooit tegen Elon Musk wedt, in feite tegen de rest van ons gokt.

Als er één type bouwwerk is waarin de twee kanten van de ontsnappingsdroom in 2026 het scherpst samenkomen, dan zijn het niet de steeds verder uitdijende landhuizen van de superrijken, met hun hangende tuinen en helikopterplatforms. Het zijn evenmin de luxueuze bunkers die zij bouwen om zich te beschermen tegen de crises die ze zelf helpen aanwakkeren en tegen de haat die ze oproepen. Het zijn de datacenters: kaal, voortdurend zoemend en methaan uitstotend in de omliggende wijken, zonder rekening te houden met de democratische wensen van de bewoners, hun gezondheid of hun verlangen de plekken te beschermen waaraan ze gehecht zijn. Het zijn het soort complexen dat Musk in Memphis, Tennessee, heeft laten bouwen en die nu vervuiling veroorzaken in overwegend zwarte arbeiderswijken zoals Boxtown.

De schrijver en kunstenaar Molly Crabapple, die als een van de eersten alarm sloeg over de grootschalige toe-eigening door AI en de aantasting van de materiële wereld, verwoordde het tegenover mij als volgt: ‘Die datacenters zijn de motor van hun ontsnappingsdroom. En wij – kunstenaars, arbeiders en de natuur – zijn de brandstof die daarvoor moet worden verbrand.’

Hoewel Musks ontsnappingsdroom zich voordoet als een techno-utopische toekomstvisie, is zij in wezen buitengewoon gewelddadig. Om te rechtvaardigen dat zoveel mensen en zoveel waardevolle dingen worden opgeofferd, moet eerst de weg worden vrijgemaakt met supremacistische retoriek. Je moet onze informatieomgeving zó aantasten dat we niet langer weten wie of wat echt is. Je moet wreedheid tot vermaak maken, inclusief kettingzagen op podia en publieke vernederingen op X waaraan iedereen kan meedoen. Want hoe kun je anders een opstand voorkomen? Hoe kun je anders verhinderen dat de woede je uiteindelijk inhaalt?

Dit zijn enkele van de verbanden die Astra en ik in ons binnenkort te verschijnen boek blootleggen. Ik heb geprobeerd een deel van wat we daarbij hebben geleerd toe te passen op de beursgang van SpaceX, en de schijnbaar onbegrijpelijke cijfers en enorme hype rond één bedrijf te doorgronden vanuit het perspectief van het eindtijdfascisme. Nu ook Anthropic en OpenAI zich voorbereiden op mogelijk recordbrekende beursgangen, zullen er nog genoeg gelegenheden komen om beter te begrijpen waar deze weg ons heen voert – tenzij we besluiten een andere richting in te slaan.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

Israël: van uitzetting tot etnische zuivering

Oorspronkelijke tekst (Engels): Le Monde diplomatique, mei 2026

fotografie: Wikimedia Commons

door Ilan Pappé

Ilan Pappé is een Israëlische historicus en politiek wetenschapper

Hoe een beweging om joden te redden en het jodendom te moderniseren veranderde in een koloniaal nederzettingsproject

Zionistische leiders hebben lange tijd gediscussieerd over de vraag of Palestijnen ertoe konden worden bewogen vrijwillig te vertrekken, of dat hun vertrek alleen met geweld kon worden afgedwongen. Vanaf het midden van de jaren twintig, toen steeds meer land werd aangekocht en de spanningen opliepen, kregen deze ideeën steeds vastere voet aan de grond

Halverwege de jaren twintig veranderde de koers van de zionistische beweging. Het ging niet langer uitsluitend om het streven naar een thuisland waar joden veilig zouden kunnen leven, afhankelijk van de bescherming van grotere imperiale mogendheden. Steeds nadrukkelijker richtte de beweging zich op de kolonisatie van Palestina, waarbij de inheemse bevolking zonder veel terughoudendheid van haar land werd verdreven. Bovendien ging de beweging deze onteigening steeds meer beschouwen als noodzakelijk voor de verwezenlijking van een joods thuisland.

Tegen 1926 had de zionistische beweging de bestaande verhoudingen rond grondbezit, die teruggingen tot de Ottomaanse hervormingen van het midden van de negentiende eeuw, ingrijpend veranderd. Door deze hervormingen hoefde grond niet langer uitsluitend van de staat te worden gepacht en konden vermogende particulieren grond in eigendom verwerven. Daardoor kwamen grote stukken land in handen van een kleine groep grootgrondbezitters. Velen van hen woonden buiten Palestina en waren zogenoemde afwezige landeigenaren. Een kleiner deel behoorde tot de Palestijnse elite.

Wanneer land van eigenaar wisselde, maakten de dorpen en hun bewoners in zekere zin deel uit van die overdracht. Volgens het gewoonterecht hadden de dorpsbewoners bepaalde verplichtingen tegenover de landeigenaar, maar van hen werd niet verwacht dat zij het land zouden verlaten. Dat veranderde pas toen het Britse bestuur de regels aanpaste. In 1920 schaften de Britten om te beginnen veel van de bestaande beperkingen op de aankoop van grond af. Hoewel zij, vanwege het Palestijnse verzet, enkele beperkingen stelden aan grondaankopen door zionistische organisaties, betekende dit in de praktijk dat de zionistische beweging zoveel land kon kopen als haar financiële middelen toelieten. Daarnaast classificeerden de Britten Palestijnse dorpelingen, van wie velen al generaties lang dezelfde grond bewerkten, voortaan als pachters. Daarmee werd hun recht om op het land te blijven afhankelijk van de toestemming en welwillendheid van de landeigenaar.

Tussen 1921 en 1925 kocht de American Zion Commonwealth ongeveer 33 hectare grond in het toenmalige Marj ibn Amr, tegenwoordig bekend als de Jezreelvallei, van de in Beiroet gevestigde familie Sursock. In 1929 verwierf het Joods Nationaal Fonds vervolgens ongeveer 3 hectare in het toenmalige Wadi Hawarith, tussen Haifa en Tel Aviv, nadat de erfgenamen van de oorspronkelijke Libanese eigenaar diens schulden niet konden aflossen. In beide gevallen verdreven de nieuwe zionistische kolonisten de dorpelingen en boeren die de grond tot dan toe hadden bewerkt, soms met geweld.

Gedreven door het ideaal dat joden zelf het land zouden bewerken, vroegen zionistische organisaties de Britse autoriteiten om uitzettingsbevelen. Die werden ook verleend. Daarmee begon de etnische zuivering van Palestina, een proces dat tot op de dag van vandaag voortduurt.

Wat ooit begon als een beweging die joden wilde beschermen en het jodendom wilde moderniseren door het vorm te geven als een nationale identiteit naast andere, had zich inmiddels duidelijk ontwikkeld tot een kolonistenproject dat afhankelijk was van de onderwerping van een ander volk. Bij nederzettingskolonialisme streven de kolonisten ernaar de bestaande inheemse samenleving te vervangen door hun eigen samenleving. Door kolonisten die hun eigen cultuur en maatschappelijke orde willen vestigen, wordt de plaatselijke bevolking – die zich duidelijk van hen onderscheidt – gezien als een obstakel dat uit de weg moet worden geruimd. Zo’n proces gaat vrijwel onvermijdelijk gepaard met geweld en wreedheid. In Australië vonden bijvoorbeeld gedurende 140 jaar Britse kolonisatie minstens 270 bloedbaden onder de Aboriginalbevolking plaats.

Het proces draait echter niet alleen om bruut geweld. Kolonisten wissen ook het verleden uit, waardoor het lijkt alsof de geschiedenis pas met hun komst begint. Bestaande tradities en gebruiken verdwijnen, terwijl lokale voedselbronnen worden toegeëigend en vervolgens als onderdeel van de cultuur van de kolonisten worden voorgesteld. Eenvoudig gezegd: het land is niet leeg, dus maken de kolonisten het leeg.

De Australische wetenschapper Patrick Wolfe, gespecialiseerd in nederzettingskolonialisme, omschreef de houding van de kolonisten als de ‘logica van eliminatie.’ Volgens hem is die eliminatie weliswaar niet volledig, maar is het koloniale project er voortdurend op gericht haar te voltooien. Met andere woorden: zolang Israël vasthoudt aan een koloniale mentaliteit, zal vreedzaam samenleven met de Palestijnen niet mogelijk zijn.

Deze acties komen niet uit het niets. Voorafgaand aan en tijdens dergelijke daden van etnische zuivering en genocide bouwen kolonisten een ideologische rechtvaardiging op en proberen zij daarvoor een consensus te creëren. Ze schrijven over hun bedoelingen, soms openlijk, soms meer verhuld. Die denkwereld komt zelfs tot uiting in ogenschijnlijk onschuldige cultuurvormen, zoals de schilderkunst. Zo schilderden vroege zionistische kunstenaars het landschap van hun toekomstige thuisland zonder de Palestijnse dorpen die daar in werkelijkheid lagen af te beelden.

Hoe rechtvaardigden kolonisten hun houding tegenover de inheemse bevolking? Zoals bij veel andere koloniale projecten gebeurde dat door de oorspronkelijke bewoners te ontmenselijken en hen af te schilderen als ‘wilden’ of ‘primitieven.’ Een bijzonder hardnekkig beeld was dat Palestijnen ‘nomaden’ zouden zijn: mensen zonder werkelijke binding met het land. Dit terwijl veel Palestijnse dorpen al duizenden jaren bestonden. Tegelijkertijd presenteerden de kolonisten hun eigen streven als een nobele onderneming. Zij beweerden een achtergebleven gebied de voordelen van modernisering en ‘beschaving’ te brengen.

Maar nederzettingskolonialisme verschilt op één cruciaal punt van het klassieke kolonialisme. Klassieke kolonialisten zagen zichzelf als de brengers van moderniteit aan de ‘wilden.’ Nederzettingskolonisten beschouwden zichzelf daarentegen vooral als moderniseerders van het land, niet van de bevolking die er woonde. Die bevolking vormde in hun ogen een obstakel dat uit de weg moest worden geruimd. Ook vandaag de dag wordt in Israël nog vaak de mythe herhaald dat Palestina vóór de komst van de zionisten weinig meer was dan een uitgestrekte woestenij, die zij vervolgens ‘tot bloei brachten.’

Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, herhaalde dit oude cliché in haar felicitatieboodschap ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van Israël. Palestina was echter allerminst een woestijn, en de mensen die er woonden waren evenmin primitieve nomaden. Hoewel dergelijke voorstellingen werden verspreid om het zionistische project aantrekkelijker te maken voor joden in Europa en elders, waren zionistische denkers zich er terdege van bewust dat Palestina een inheemse bevolking had met wie zij rekening moesten houden.

Al lang vóór de jaren twintig bespraken zionistische leiders al hoe de Palestijnse bevolking kon worden verdreven. Sommige zionistische ideologen hoopten dat Palestijnen vrijwillig naar naburige Arabische landen zouden emigreren als hun daarvoor een passende financiële vergoeding werd geboden. Als zij daar niet toe bereid waren, bleef gedwongen verhuizing echter een mogelijkheid. Vanaf het midden van de jaren twintig tot 1948 werkten zionistische leiders en activisten deze ideeën steeds verder uit. In 1948 brak het moment aan waarop ze in praktijk konden worden gebracht. Wat aanvankelijk nog betrekkelijk vage ideeën waren geweest, kreeg toen de vorm van een uitgewerkt plan dat zou leiden tot de etnische zuivering van de helft van de Arabische bevolking van Palestina.

De grootschalige landaankopen in de jaren twintig en de daarmee gepaard gaande etnische zuivering van Palestijnen maakten een einde aan een betrekkelijk rustige periode. Tegen het einde van het decennium liepen de spanningen tussen joodse kolonisten en Palestijnen steeds verder op, waarna gewelddadige confrontaties in de jaren dertig steeds vaker voorkwamen. Beide partijen raakten bovendien in conflict met de Britse autoriteiten, die zij ervan beschuldigden onvoldoende bescherming te bieden.

De voortekenen van een naderende ramp waren al duidelijk zichtbaar. Palestijnen die kort daarvoor hun land waren kwijtgeraakt – en waren verdreven van de landbouwgrond die zij zelf vruchtbaar hadden gemaakt – zagen zich gedwongen naar de steden te trekken. Zij waren het slachtoffer geworden van zogenaamd ‘socialistische’ zionistische groeperingen die bekendstonden als Hebrew Labour. Deze bewegingen waren ervan overtuigd dat de joden alleen konden moderniseren door zelf productieve arbeid te verrichten.

Daarom wilden zij dat het werk in de landbouw uitsluitend door joden werd verricht. Zelfs joodse werkgevers die Palestijnse landarbeiders in dienst hadden, verzetten zich tegen dit beleid. Het betekende immers dat zij ervaren arbeidskrachten moesten ontslaan en vervangen door kolonisten die soms nog nooit op een echte boerderij hadden gewerkt. Landeigenaren die zich hiertegen verzetten, werden echter onder druk gezet en publiekelijk aan de schandpaal genageld, totdat zij uiteindelijk toegaven. Zo trokken steeds meer Palestijnen, berooid en van hun land verdreven, naar de steden op zoek naar werk.

In 1929 liepen de spanningen op catastrofale wijze uit de hand tijdens wat onder Palestijnen bekendstaat als de Al-Buraq-opstand (thawrat al-buraq). Op 15 augustus organiseerden leden van de Haganah en revisionistische zionisten, geïnspireerd door Ze’ev Jabotinsky, demonstraties bij de Klaagmuur. Een dag later volgden islamitische tegendemonstraties. Gedurende de daaropvolgende week vonden gewelddadige confrontaties tussen moslims en joden plaats. Op 23 augustus, na het islamitische vrijdaggebed, werden zeventien joden gedood. Dit ontketende een kettingreactie van geweld, waarbij binnen een week 133 joden en 116 Palestijnen om het leven kwamen. Het geweld bleef niet beperkt tot Jeruzalem, maar verspreidde zich naar andere steden. Het beruchtste voorbeeld was het bloedbad van Hebron op 24 augustus 1929. De joodse gemeenschap van Hebron vormde een kleine minderheid die al eeuwen vóór de opkomst van het zionisme in Palestina woonde en vreedzaam samenleefde met de plaatselijke moslimgemeenschap. Voor beide gemeenschappen is Hebron een heilige plaats, omdat zich daar volgens hun religieuze tradities het graf bevindt van de profeet Abraham, die zowel door joden als moslims wordt vereerd.

Jonge zionistische jesjivastudenten – studenten aan joodse religieuze scholen – die moderne Europese kleding droegen, werden daarentegen als ongewenste nieuwkomers beschouwd. Toen het nieuws over de confrontaties in Jeruzalem Hebron bereikte, trokken moslims uit omliggende dorpen de stad binnen. Daarbij werden 67 joden vermoord, al wisten sommigen aan het geweld te ontkomen doordat sympathiserende moslimgezinnen hun onderdak boden. Tegenwoordig wordt het bloedbad van Hebron – een gruwelijke misdaad – in het officiële Israëlische discours aangehaald als ‘bewijs’ dat vreedzaam samenleven onmogelijk zou zijn. Ironisch genoeg wordt het daarmee ook gebruikt om latere bloedbaden onder Palestijnen te rechtvaardigen.

Hoewel de directe aanleiding voor de gebeurtenissen van 1929 religieus van aard was, verspreidden de onlusten zich snel en kregen ze een verwoestend karakter toen Palestijnen zagen hoe de bestaande maatschappelijke orde uiteenviel. Het geweld vormde een uitbarsting van frustratie na een decennium waarin de zionistische beweging grote vooruitgang had geboekt. Voor Palestijnen op het platteland werd in die jaren steeds duidelijker wat hun volgens hen te wachten stond: etnische zuivering en doelbewuste verarming.

Naarmate steeds meer Palestijnen uit de landbouw werden verdreven, ontstonden er sloppenwijken. In die van Haifa, in het noorden van Palestina, kreeg een nieuwe vorm van Palestijns verzet tegen het zionisme en de Britse steun daaraan gestalte: de guerrillastrijd. In deze omgeving trad een charismatische prediker naar voren: imam Izz al-Din al-Qassam (1882–1935). Later werden zowel de militaire vleugel van Hamas als de eerste raketten van deze organisatie naar hem vernoemd.

Ook veel seculiere Palestijnse verzetsbewegingen eren zijn nalatenschap, omdat hij de guerrillastrijd introduceerde in het Palestijnse verzet, aanvankelijk in een vrijwel kansloze strijd tegen de Britten. Al-Qassam had in zijn geboorteland Syrië ervaring opgedaan met antikoloniaal verzet. In de sloppenwijken van Haifa wist hij jonge moslims te inspireren om eigen paramilitaire groepen op te richten en zich voor te bereiden op een langdurige strijd tegen het Britse koloniale bewind.

Geconfronteerd met een sterke toename van de joodse immigratie en steeds intensiever toezicht door de Britse autoriteiten zag al-Qassam zich echter gedwongen eerder dan gepland tot actie over te gaan. Op 20 november 1935 hield hij samen met elf medestrijders in de heuvels bij Jenin enkele uren stand tegen een veel grotere Britse troepenmacht. Uiteindelijk werden al-Qassam en vier van zijn medestrijders gedood.

De volgende dag werd in Haifa een algemene staking uitgeroepen. De dood van al-Qassam inspireerde steeds meer jonge Palestijnen om de wapens op te nemen en zich voor te bereiden op een strijd tegen Groot-Brittannië, met als doel de Britse regering te dwingen haar steun aan het zionistische project op te geven. Hoewel de gewapende opstand van al-Qassam weinig kans van slagen had, effende zij de weg voor het beter georganiseerde Palestijnse verzet dat in de tweede helft van de jaren dertig zou ontstaan.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Filosofie Politiek

De sublieme idiotie van het superioriteitsdenken

Oorspronkelijke tekst (Engels): Il Disertore

fotografie: Jacobo Medrano

door Franco Berardi


In 1996 lanceerde John Perry Barlow de Onafhankelijkheidsverklaring van Cyberspace:
‘Regeringen van de industriële wereld, jullie vermoeide reuzen van vlees en staal: ik spreek tot jullie vanuit Cyberspace, de nieuwe thuisbasis van de menselijke geest. Namens de toekomst vraag ik jullie, vertegenwoordigers van het verleden, om ons met rust te laten. Jullie zijn hier niet welkom. Jullie hebben geen gezag over de plek waar wij samenkomen.

https://www.eff.org/cyberspace-independence

Het was een gedurfde, libertaire uitdaging aan de macht van natiestaten, in naam van een superieure universaliteit van kennis. En het was ook een vertoon van neoliberale arrogantie.

Het mondialisme van markt en kennis was veelbelovend, maar koesterde ook de giftige vruchten die vandaag de dag rijp zijn.

In dat tijdperk van cyberoptimisme riepen we tegen de politieke machthebbers van de wereld: ‘Wij hebben de ruimte van het wereldwijde netwerk gecreëerd, en we willen jullie niet op ons terrein.’

In dat decennium presenteerde de digitale elite – voortgekomen uit de wetenschap van de twintigste eeuw en deels geïnspireerd door de libertaire energie van de wereldwijde beweging van 1968 – zichzelf als een jonge, vernieuwende kracht. Ze zag zichzelf als dynamisch en creatief, in staat om innovaties te ontwikkelen die het sociale leven en de communicatie zouden verbeteren.

Decadentie van een frigide utopie

Dertig jaar later zijn we helaas genoodzaakt het Techno-Republikeinse manifest van tweeëntwintig punten te lezen, geschreven door de deprimerende geesten van Alex Karp en Nicholas Zamiska.

Wit nationalisme, agressief superioriteitsdenken, de cultus van de vernietigende kracht van technologie. Beloften van oorlog.

De claim van witte raciale superioriteit is pathetisch, maar ook vreselijk gevaarlijk, omdat deze het recht opeist om de Untermenschen uit te roeien, terwijl tegelijkertijd de noodzaak wordt erkend dat kennis ondergeschikt moet zijn aan de Natie en dat de beslissing over kernwapens moet worden overgedragen aan ons enige kind dat niet lijdt aan depressieve psychose: de Intelligente Automaat.

Achter deze vorm van superioriteitsdenken kunnen we een glimp opvangen van de aftakeling van het witte lichaam, bevroren in het ijs van de wiskunde.

We zien hier een teken van de wanhoop in het Westen, dat moeite heeft om de chaos en de ongecontroleerde verspreiding van massavernietigingswapens onder controle te houden.

Het wanhopige optreden van de Amerikaanse president laat zien hoezeer een denken gebaseerd op superioriteit zichzelf heeft gevangen in een tragische en uitzichtloze situatie.

De aarde, onherstelbaar beschadigd door klimaatverandering, lijkt nu op de rand te staan van een allesomvattend en verwoestend conflict.

De witte hersenrot is niet langer in staat de Terminal-machine te bedienen, noch controle te garanderen over de atoomoverkill.

Het enige wat hij kan doen is de hendels van de overkill overdragen aan zijn superintelligente automatische erfgenaam, in de hoop dat deze ons de overwinning zal garanderen. Maar helaas beschikken zelfs de Untermenschen over dezelfde soort wapens, en beschikken zij (vooral die kleine verraderlijke Chinezen) over de Intelligente Automaat. Zij hebben onlangs een leger van krijgerrobots getoond in wier aanwezigheid de heer Alex Karp er goed aan zou doen zich op een meer bescheiden manier te gedragen.

Maar ik vrees dat hij dat niet zal doen — met schadelijke gevolgen voor iedereen.

De afgelopen dertig jaar heeft de demografische ontwikkeling een harde klap uitgedeeld aan degenen die zichzelf als het superieure ras beschouwen.

In de tweede helft van de twintigste eeuw groeide de wereldbevolking ongekend snel, mede dankzij de grote vooruitgang in de medische wetenschap.

De generatie die in de dertig jaar na de oorlog opgroeide (mijn generatie) had toegang tot het beste voedsel dat er ooit was, leefde relatief beschaafd en comfortabel, was over het algemeen redelijk gelukkig – of in elk geval hoopvol – en geloofde dat vrede, en misschien zelfs socialisme, mogelijk waren.

Maar rond de eeuwwisseling keerde de demografische curve om, en de triomf van de medische wetenschap zorgde ervoor dat een enorm leger van ouderen het historische toneel kon binnenvallen: arrogant, humeurig, agressief en niet in staat om de implicaties van hun eigen uitputting te begrijpen, aangezien ze zijn opgegroeid in een culturele wereld waar ouderdom en dood onbespreekbaar en verboden waren.

Noch de reclame-ideologie van de heersende klasse, noch het door het marxisme geïnspireerde kritische denken, heeft geprobeerd deze ommekeer van het perspectief, dit verval van het collectieve lichaam, te verwerken. Niemand is in staat geweest om het verdriet van de collectieve geest te genezen of te voorkomen, niet alleen de geest van de ouderen, maar nog duidelijker die van de nieuwe generaties, die depressief zijn door de last van een steeds senielere toekomst. Omdat we niet hebben nagedacht over ouderdom en dood, staan we nu machteloos tegenover de ongebreidelde seniele dementie.

Het Nazi-manifest van de heer Alex Karp en zijn metgezel moet in de eerste plaats worden gelezen als een uiting van de woeste decadentie van een cultuur die niet in staat is om met haar eigen veroudering om te gaan.

Dit zielige manifest tracht de strijdlustige geest van het dominante ras nieuw leven in te blazen door deze te zuiveren van alle mededogen.

Punt tien waarschuwt: ‘De psychologisering van de moderne politiek leidt ons op een dwaalspoor. Degenen die naar de politieke arena kijken om hun ziel en zelfbeeld te voeden, die te zwaar leunen op hun innerlijke leven dat tot uiting komt in mensen die ze misschien nooit zullen ontmoeten, zullen teleurgesteld achterblijven.’

Als de moderne beschaving iets goeds heeft voortgebracht – naast de gewelddadige overheersing van het westerse kolonialisme – dan was het wel dat sprankje universalisme, dat in zowel de kantiaanse als de marxistische traditie probeerde zich een wereld voor te stellen waarin vrede mogelijk is.

De onverschrokken Karp (en zijn trouwe schildknaap Nicholas Zamiska) denken dat ze door een dreigende uitstraling de Untermenschen angst kunnen aanjagen.

Maar de Perzische Untermenschen lijken niet zo bang te zijn, terwijl de Chinese Untermenschen venijnig lachen terwijl ze de ineenstorting van de Amerikaanse geest gadeslaan.

Punt 5 van het manifest waarschuwt tegen elke beperking (ethisch of gewoon menselijk) op het gebruik van gewapend geweld (en van de moorddadige kunstmatige intelligentie): ‘Onze tegenstanders zullen zich niet laten tegenhouden door eindeloze, theatrale discussies over de voor- en nadelen van dergelijke technologie. Zij zullen gewoon doorgaan.’

Dit is waarschijnlijk het gevaarlijkste punt uit het manifest, omdat het een onmiskenbare realiteit beschrijft: in competitieve omstandigheden is het ergste gegarandeerd.

Herinner je je de glorieuze tijden van het jeugdige, ongebreidelde neoliberalisme nog, toen John Perry Barlow die gewaagde verklaring schreef?

Destijds werd ons verteld dat alles moest worden onderworpen aan de markt en het streven naar winst. Scholen, de gezondheidszorg en andere publieke diensten moesten volgens die logica functioneren, omdat concurrentie – zo was het idee – de kwaliteit zou verhogen en betere resultaten voor gebruikers zou opleveren.

Dat bleek onjuist, en inmiddels weten we dat de sociale omstandigheden sterk zijn verslechterd sinds winst het belangrijkste uitgangspunt werd.

Maar als economische concurrentie al tot grote sociale problemen heeft geleid, dan dreigt militaire concurrentie een nog veel grotere ramp te veroorzaken, mogelijk zelfs de ondergang van de menselijke beschaving.

Sommige politici stellen dat we de schadelijke gevolgen van kunstmatige intelligentie kunnen voorkomen, door ethische regels vast te leggen die ervoor zorgen dat zulke systemen ons geen schade toebrengen.

Echt waar?

Zo’n vastlegging van regels zou alleen echt mogelijk zijn in een wereld waarin vrede en onderling vertrouwen de norm zijn.

Maar in plaats daarvan zijn we het tijdperk van agressief nationalisme binnengetreden. Hoe kunnen we verwachten dat onze tegenstanders zich terughoudend en netjes zullen gedragen, als we zelf al hebben aangekondigd dat we dat niet zullen doen?

In elke situatie van concurrentie is er altijd iets wat we niet kunnen weten, namelijk welke strategie onze tegenstander of concurrent zal volgen.

Juist omdat we niet weten wat de ander zal doen, voelen we de druk om alles te doen wat technisch mogelijk is. We leggen onszelf geen beperkingen op, uit angst dat de tegenstander anders wél doorgaat met wat wij hebben nagelaten. In die logica lijkt het alsof we ons niet kunnen veroorloven om mogelijkheden onbenut te laten, zelfs als ze schadelijk zijn, of misschien juist omdat ze dat zijn.

Daarom dreigt geen enkele vorm van verwoesting ons bespaard te blijven die technisch mogelijk is met de kennis die we hebben.

Daarom ben ik ervan overtuigd dat de eenentwintigste eeuw wel eens de laatste eeuw zou kunnen zijn.

Er is nog een andere gedachte: we weten niet of datgene wat ons in gevaar brengt — zelfs extreem gevaar — misschien ook de basis vormt voor een hogere orde. Een orde die, in abstracte zin, bevrijd is van de onvolmaaktheid van het bewuste leven.

De Intelligente Automaat weet dit. Daarom is hij vastbesloten om de onvolmaaktheid die wij vertegenwoordigen uit te wissen.

Is dit de reden waarom we hem hebben gebouwd?

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Filosofie Politiek

Anti-Palantir manifest

Oorspronkelijke tekst (Engels): Nym Technologies

fotografie: Nym Technologies

door Harry Halpin

1. Programmeurs die aan het internet werken, hebben een verantwoordelijkheid tegenover de hele wereld, niet tegenover één enkel land. Het internet is vanaf het begin bedoeld als een open systeem om kennis te delen, zonder censuur. Het is dan ook niet het eigendom van één regering of één natie.

2. Het internet maakt massasurveillance mogelijk op een schaal die zelfs voor organisaties als de Gestapo en de Tsjeka ondenkbaar was. Veel programmeurs hebben hun talent ingezet voor het bouwen van volgsystemen, vaak vermomd als technologie voor online advertenties. Die systemen worden inmiddels gebruikt om mensen te monitoren en te controleren – en in sommige gevallen zelfs te doden. Bedrijven zoals Palantir Technologies zijn voorbeelden van organisaties die data-analyse combineren met staatsmacht, wat kan leiden tot een nieuw vorm van technofascisme.

3. Surveillance die wordt ingevoerd vanwege vermeende externe dreigingen voor de nationale veiligheid, kan uiteindelijk ook tegen de eigen bevolking worden gebruikt. Waar massasurveillance vroeger vooral het domein was van organisaties als de NSA, is een deel daarvan tegenwoordig verschoven naar private bedrijven zoals Palantir Technologies, die niet onder democratische controle staan. Wat vaak begint met angst voor buitenlandse dreigingen, richt zich daarna steeds meer naar binnen – op immigranten, critici en uiteindelijk iedereen die de bestaande orde ter discussie stelt of zich eraan probeert te onttrekken.

4. Iedereen is een doelwit. De ‘interne vijand’ breidt zich voortdurend verder uit totdat deze de gehele bevolking van een natie omvat, ongeacht status en overtuigingen, waarmee steeds paranoïdere en verdergaande totalitaire surveillance wordt gerechtvaardigd. De grens tussen politie- en militaire operaties vervaagt, waarbij wettelijke kaders worden vervangen door technologisch geweld dat met totale straffeloosheid opereert.

5. Surveillance kan alleen echt worden tegengegaan door technologie zelf: door software en hardware te ontwikkelen waardoor mensen worden beschermd. Algemene oproepen tot regulering of morele principes zijn onvoldoende. In plaats daarvan moeten rechten vooral via technologie worden afgedwongen. Code – niet wetten – kan ervoor zorgen dat ieders privacy wordt gehandhaafd, door toezicht technisch moeilijk of zelfs onmogelijk te maken, ook voor staten.

6. We worden geregeerd door een seniele gerontocratie. In tegenstelling tot eerdere generaties leiders die in de wereldoorlogen vochten, zijn veel van de huidige machthebbers vooral gericht op het behouden van hun positie, ten koste van jongere generaties en de toekomst van de planeet. Zij beschouwen technologieën voor surveillance en geautomatiseerde oorlogsvoering als middelen om archaïsche machtsstructuren in stand te houden.

7. Het Amerikaanse imperium valt uit elkaar. De Verenigde Staten konden lange tijd hun heerschappij afdwingen dankzij de rol van de dollar als mondiale reservemunt en een netwerk van militaire bases over de hele wereld. Tegenwoordig wordt die positie steeds vaker uitgedaagd door opkomende regionale machten. Tegelijkertijd valt het Amerikaanse imperium uiteen als gevolg van interne economische stagnatie, politieke corruptie en de inflatie van de dollar.

8. In een echte oorlog werken fantasieën over totale technologische dominantie altijd averechts. Wanneer een anonieme drone de vader van een kind doodt, zal dat kind op een dag wraak nemen, ongeacht de kosten. Dit is iets wat vergeten wordt door degenen die zijn opgegroeid in comfortabele buitenwijken. Als je verder kijkt dan het idee dat de één alleen kan winnen als de ander verliest, blijkt dat je de strijd tegen een volk alleen echt kunt ‘winnen’ door te laten zien dat jouw manier van leven aantrekkelijker is, met meer welvaart en een overtuigend perspectief voor de toekomst.

9. Vreemd genoeg zijn voorstanders van volledig geautomatiseerde oorlogsvoering voorstander van een algemene dienstplicht. Diep van binnen weten deze toetsenbordstrijders dat hun techno-fascistische fantasieën weinig voorstellen tegenover vastberaden tegenstanders die onconventionele vormen van oorlogvoering gebruiken. Ze weten ook dat geen van hun eigen kinderen in een oorlog voor hun land zal vechten, maar ze zouden het prima vinden als andermans kinderen in lijkzakken thuiskomen.

10. Het probleem is niet of er AI-wapens zullen worden gebouwd; we moeten degenen die ze bouwen ter verantwoording roepen. Welk land zulke geautomatiseerde moordmachines ook gebruikt, het mag nooit zo zijn dat burgerslachtoffers of de vernietiging van infrastructuur worden afgedaan door de schuld bij AI te leggen.

11. Een atoomoorlog ligt in het verschiet. Nu steeds meer landen verwikkeld raken in conflicten om schaarser wordende grondstoffen, komt ook het risico van het gebruik van tactische kernwapens weer nadrukkelijker in beeld – bijvoorbeeld in spanningsgebieden rond Teheran en Kyiv. Steeds meer bejaarde en autoritaire heersers hebben minder remmingen dan voorheen om kernwapens in te zetten, en zijn misschien zelfs bereid het voortbestaan van de mensheid op te offeren om hun eigen kleingeestige ego’s te strelen.

12. Ons doel is een vreedzame wereld waarin iedereen door het internet mondiger kan worden. Moderne oorlog komt er vaak op neer dat vooral jonge mensen de zwaarste prijs betalen. Waarom zou je je leven riskeren voor de belangen van corrupte machthebbers, als je via het internet ook zelf kansen kunt creëren en je eigen toekomst kunt opbouwen?

13. We moeten vechten voor de wereld die we willen, en de tools bouwen die toekomstige generaties nodig hebben. Pacifisme is in een tijd van wereldwijde spanningen en conflicten om grondstoffen geen haalbare optie. Echte harde macht ligt steeds meer in technologie. Programmeurs moeten technologie ontwikkelen die mensen helpt om vrij te leven en zich staande te houden in een samenleving met veel toezicht en controle. Decentralisatie is een belangrijke strategie, omdat die systemen minder kwetsbaar maakt voor de onvermijdelijke onderdrukking.

14. De staat zal ons niet helpen. De staat is een verouderde instelling uit de tijd vóór het internet, die steeds meer lijkt op een systeem dat draait op belastingen en schulden. Geen van de jongeren die vandaag de dag leven, zal waarschijnlijk profiteren van voorzieningen zoals sociale zekerheid en gezondheidszorg. Technologie kan macht verschuiven van centrale overheden naar individuen en naar gemeenschappen waar mensen zich vrijwillig bij aansluiten.

15. Gecentraliseerde en ondoorzichtige algoritmen vormen een gevaar voor de vrijheid van meningsuiting. Propaganda is de keerzijde van surveillance, aangezien voortdurende propaganda voorkomt dat iemand er zelfs maar aan denkt het systeem uit te dagen. In dit perspectief spelen dominante sociale mediaplatforms een belangrijke rol. Ze versterken de propaganda en onderdrukken kritische stemmen, waardoor mensen zich moeilijk kunnen organiseren of verzetten tegen de bestaande orde.

16. Het samen bouwen van nieuwe vormen van sociale organisatie is van vitaal belang om te overleven. Het traditionele medialandschap van politiek en entertainment bestaat om ons af te leiden van het opbouwen van genetwerkte solidariteit en gedistribueerde autonome organisaties over de grenzen heen. De hiërarchische staat is voor ons even relevant als de middeleeuwse kerk en koningen waren voor de vorming van de naamloze vennootschap en de vakbond.

17. Digitale identiteit is de volgende stap in hun controlesysteem. Binnen enkele jaren zal voor toegang tot het internet – ook in Europa en de Verenigde Staten – een biometrische nationale identiteitskaart vereist zijn, onder het zwakke voorwendsel van ‘het beschermen van kinderen.’ Het werkelijke doel is het afschermen van de vrije toegang tot subversieve politieke inhoud, en het stoppen van grensoverschrijdende communicatie om te voorkomen dat nieuwe vormen van zelforganisatie en verzet ontstaan.

18. Alleen wanneer men anoniem kan zijn, is men werkelijk vrij. De vrijheid om je zonder censuur en toezicht te kunnen uiten, is een basisvoorwaarde voor zowel zelfstandig denken als een goed functionerende democratie. Technologie zou die vrijheid juist moeten ondersteunen. Dat betekent dat mensen zelf moeten kunnen bepalen wat ze wel en niet van zichzelf laten zien, zodat ze zich vrij kunnen ontwikkelen. Daarvoor is het belangrijk dat het recht op privacy online goed wordt beschermd – niet alleen persoonlijke gegevens, maar ook de mogelijkheid om privé transacties te verrichten en afspraken te maken zonder ongewenste inmenging.

19. Amerika creëerde de eerste wereldwijde surveillancestaat, maar het zal niet de laatste zijn. Te veel mensen zijn de onthullingen van Wikileaks en Snowden vergeten, of beschouwen ze misschien als vanzelfsprekend. Staten over de hele wereld, van China tot Rusland, bouwen steeds krachtigere wereldwijde surveillancesystemen en propagandamachines. Door gebruik te maken van particuliere defensiecontracten in landen over de hele wereld, streeft Palantir ernaar zichzelf tot het besturingssysteem van een grensoverschrijdende mondiale geheime staat te maken, terwijl het zijn eigen belachelijke versie van het etnonationalisme propageert.

20. Cultuuroorlogen zijn een psyop. De ‘Epstein-klasse’ pronkt met haar deugdzaamheid en de superioriteit van haar beschaving, terwijl ze tegelijkertijd probeert terug te keren naar de heerschappij van erfelijke elites, zelfs in de Verenigde Staten. In plaats van de verworvenheden van de Verlichting ongedaan te willen maken, kiezen wij de kant van onze voorouders die eeuwenlang hebben gestreden voor individuele vrijheid, wetenschappelijke vooruitgang, gedecentraliseerde markten, bottom-up democratie, en de emancipatie van de mensheid van feodale vorsten en hun fantasierijke mythologieën.

21. Nieuwe vormen van technologie kunnen de wereld opnieuw vormgeven. Technologie is niet alleen een hulpmiddel, maar vormt steeds meer de wereld waarin we leven en werkt als een verlengstuk van ons denken. De samenwerking tussen mensen en de collectieve intelligentie van AI kan de vooruitgang versnellen en helpen bij het aanpakken van grote wereldproblemen, zoals klimaatverandering en de dreiging van een nucleaire oorlog.

22. Leef vrij, of probeer het tot het uiterste – zelfs als dat je leven kost. We moeten eeuwig waakzaam zijn in de strijd tegen het fascisme, en het slagveld is technologie. Er is geen middenweg: mensen die technologie ontwikkelen hebben een duidelijke keuze hebben – bijdragen aan systemen die mensen beperken en controleren, of juist technologie bouwen die nieuwe vormen van vrijheid mogelijk maakt.

Opmerking van Harry Halpin

Dit zijn mijn persoonlijke overtuigingen, niet die van Nym. Maar als filosoof en oprichter van een tech-startup die werkt aan anti-surveillancetechnologie, voel ik me wel verplicht om te reageren op het manifest van Palantir Technologies en zijn zogenoemde ‘filosoof-CEO’ Alex Karp. Ik heb filosofie gestudeerd bij de Franse technologiefilosoof Bernard Stiegler, die waarschuwde voor de opkomst van gedragssturing en een vorm van ‘kunstmatige domheid’ op digitale platforms. Aan zijn nalatenschap draag ik deze reactie op. Voor wie meer wil lezen: ik heb recent een filosofisch artikel geschreven over de ‘immateriële grondwet’ die is ontstaan uit internetstandaarden, mede als reactie op de onthullingen van Edward Snowden over grootschalige surveillance door de NSA. De discussie gaat door – en er staat nu nog meer op het spel.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Filosofie Politiek

Palantir Manifest

Oorspronkelijke tekst (Engels): X

fotografie: theonering.com

door Alex Karp en Nicholas W. Zamiska

Fragmenten uit de #1 New York Times-bestseller The Technological Republic: Hard Power, Soft Belief, and the Future of the West, door Alexander C. Karp & Nicholas W. Zamiska:

Omdat we deze vraag vaak krijgen. De Technologische Republiek, in het kort.

1. Silicon Valley heeft een morele verantwoordelijkheid tegenover het land dat zijn groei mogelijk heeft gemaakt. De technische elite die daar werkt, heeft de plicht om bij te dragen aan de verdediging van de natie.

2. We moeten ons verzetten tegen de tirannie van de apps. Is de iPhone echt onze grootste creatieve prestatie, misschien zelfs het hoogtepunt van onze beschaving? Het apparaat heeft ons leven ingrijpend veranderd, maar dreigt nu ook ons beeld van wat mogelijk is te verkleinen en te beperken.

3. Gratis e-mail is niet voldoende. De decadentie van een cultuur of beschaving – en vooral die van de elite – wordt alleen geaccepteerd als diezelfde cultuur in staat is om economische groei en veiligheid voor de samenleving te bieden.

4. De grenzen van soft power – van mooie woorden en overtuigende retoriek alleen – zijn duidelijk geworden. Het succes van vrije en democratische samenlevingen hangt af van meer dan alleen morele overtuigingskracht. Er is ook harde macht nodig, en in deze eeuw zal die in belangrijke mate gebaseerd zijn op software.

5. De vraag is niet óf er AI-wapens worden ontwikkeld, maar door wie en met welk doel voor ogen. Onze tegenstanders zullen zich niet laten tegenhouden door eindeloze, theatrale discussies over de voor- en nadelen van dergelijke technologie. Zij zullen gewoon doorgaan.

6. Nationale dienstplicht zou voor iedereen moeten gelden. Als samenleving zouden we serieus moeten overwegen om af te stappen van een volledig vrijwillig leger en alleen oorlog te voeren als iedereen de risico’s en kosten deelt.

7. Als een Amerikaanse marinier vraagt om een beter geweer, dan moeten we dat maken – en hetzelfde geldt voor software. Als land moeten we het debat kunnen blijven voeren over wanneer militair ingrijpen in het buitenland wel of niet gerechtvaardigd is, terwijl we tegelijk onvoorwaardelijk achter de mensen staan die we vragen om hun leven op het spel te zetten.

8. Ambtenaren hoeven niet onze priesters te zijn. Elk bedrijf dat zijn medewerkers zou belonen zoals de federale overheid dat doet, zou waarschijnlijk moeite hebben om te overleven.

9. We moeten meer begrip en mildheid tonen tegenover mensen die zich inzetten voor het publieke leven. Als we geen ruimte meer laten voor fouten, vergeving en de complexiteit van menselijk gedrag, lopen we het risico dat er uiteindelijk leiders overblijven waar we juist spijt van krijgen.

10. De psychologisering van de moderne politiek leidt ons op een dwaalspoor. Degenen die naar de politieke arena kijken om hun ziel en zelfbeeld te voeden, die te zwaar leunen op hun innerlijke leven dat tot uiting komt in mensen die ze misschien nooit zullen ontmoeten, zullen teleurgesteld achterblijven.

11. Onze samenleving is te gretig geworden om de ondergang van haar vijanden te bespoedigen, en is daar vaak opgetogen over. Het verslaan van een tegenstander is een moment om even stil te staan, niet om te juichen.

12. Het atoomtijdperk loopt ten einde. Een tijdperk van afschrikking, het atoomtijdperk, loopt ten einde, en een nieuw tijdperk van afschrikking, gebaseerd op kunstmatige intelligentie, staat op het punt te beginnen.

13. Geen enkel ander land in de wereldgeschiedenis heeft progressieve waarden zo sterk bevorderd als dit land. De Verenigde Staten zijn zeker niet perfect. Toch wordt vaak vergeten hoeveel kansen er daar zijn voor mensen zonder afkomst uit een elite, vergeleken met veel andere landen.

14. De Amerikaanse macht heeft bijgedragen aan een uitzonderlijk lange periode van relatieve vrede. Veel mensen zijn vergeten – of nemen als vanzelfsprekend aan – dat er bijna een eeuw geen directe oorlog is geweest tussen grote wereldmachten. Minstens drie generaties – miljarden mensen, hun kinderen en inmiddels hun kleinkinderen – hebben nooit een wereldoorlog meegemaakt.

15. De naoorlogse castratie van Duitsland en Japan moet herzien worden. De ontwapening van Duitsland was een te sterke correctie, waar Europa nu een zware prijs voor betaalt. Een vergelijkbare toewijding aan pacifisme in Japan zou – als dat zo blijft – ook het machtsevenwicht in Azië kunnen verstoren.

16. We zouden mensen moeten waarderen die proberen iets op te bouwen waar de markt tekortschiet. De cultuur lijkt vaak wat meewarig te doen over bijvoorbeeld de interesse van Elon Musk in een groter verhaal of visie. Alsof miljardairs zich alleen maar zouden moeten bezighouden met hun eigen rijkdom. Elke oprechte nieuwsgierigheid naar de waarde van wat hij heeft gecreëerd wordt dan snel weggewuifd, of bekeken nauwelijks verhulde minachting.

17. Silicon Valley zou een actieve rol moeten spelen bij het aanpakken van geweldsmisdrijven. In de Verenigde Staten lijken veel politici het probleem grotendeels te laten liggen. Serieuze pogingen om het aan te pakken – en daarbij risico’s te nemen richting kiezers of donateurs – blijven vaak uit, terwijl er juist dringend behoefte is aan nieuwe oplossingen en experimenten om levens te redden.

18. De voortdurende en vaak meedogenloze aandacht voor het privéleven van publieke figuren jaagt veel talent weg uit de overheidsdienst. De publieke arena is zo hard en oppervlakkig geworden – met kleinzielige aanvallen op mensen die iets anders proberen te doen dan zichzelf verrijken – dat er uiteindelijk vooral leiders overblijven die weinig te bieden hebben. Hun ambitie zou nog te begrijpen zijn, als er tenminste een oprechte overtuiging achter zat.

19. De voorzichtigheid die we in het openbare leven – vaak onbewust – aanmoedigen, is schadelijk. Mensen die bang zijn om iets verkeerds te zeggen, zeggen uiteindelijk vaak helemaal niets.

20. De wijdverbreide afkeer van religieuze overtuigingen in sommige kringen moet worden bestreden. De intolerantie van bepaalde elites tegenover religie is misschien wel een duidelijk teken dat hun politieke project minder open en pluralistisch is dan ze zelf beweren.

21. Sommige culturen hebben belangrijke vooruitgang geboekt, terwijl andere minder goed functioneren of zelfs achteruitgaan. Tegelijk is het idee ontstaan dat alle culturen per definitie gelijk zijn en dat kritiek of waardeoordelen niet meer toegestaan zijn. Maar dat standpunt gaat voorbij aan het feit dat sommige culturen – en zelfs subculturen – grote prestaties hebben geleverd. Andere culturen zijn middelmatig gebleken, en erger nog, regressief en schadelijk.

22. We moeten oppassen voor de verleiding van een leeg en oppervlakkig pluralisme. In Amerika – en breder in het hele Westen – hebben we ons de afgelopen vijftig jaar vaak terughoudend opgesteld als het gaat om het benoemen van een nationale cultuur, uit naam van inclusiviteit. Maar dan blijft de vraag: inclusie in wat precies?

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Filosofie Politiek

‘Geklets van een superschurk’

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 21 april 2026

fotografie: Kevin Dietsch

door Aisha Down and Robert Booth

Er is onrust ontstaan door uitspraken van Alex Karp, de CEO van technologiebedrijf Palantir, waarin hij pleit voor militaire dominantie van de Verenigde Staten en voor de ontwikkeling van AI-wapens

Het Amerikaanse spionagetechnologiebedrijf Palantir heeft een manifest gepubliceerd, waarin de voordelen van Amerikaanse macht worden benadrukt en waarin wordt gesuggereerd dat sommige culturen minderwaardig zouden zijn. Parlementsleden reageerden fel en noemden het onder meer ‘een parodie op een RoboCop-film’ en ‘het geklets van een superschurk.’

‘Sommige culturen hebben belangrijke vooruitgang geboekt, terwijl andere minder goed functioneren of zelfs achteruitgaan,’ schreef Palantir in een bericht van 22 punten dat afgelopen weekend op X verscheen en waarin ook werd opgeroepen tot een einde aan de ‘naoorlogse castratie’ van Duitsland en Japan.

Het bericht riep de Verenigde Staten op om de dienstplicht opnieuw in te voeren. Daarbij werd gesteld dat ‘vrije en democratische samenlevingen’ ook ‘harde macht’ nodig hebben om te kunnen zegevieren.

Het voorspelde ook een toekomst die gedomineerd wordt door autonome wapens: ‘De vraag is niet óf er AI-wapens worden ontwikkeld, maar door wie en met welk doel voor ogen. Onze tegenstanders zullen zich niet laten tegenhouden door eindeloze, theatrale discussies over de voor- en nadelen van dergelijke technologie. Zij zullen gewoon doorgaan.’

Deze uitspraak is meest recente in een reeks opvallende verklaringen van Palantir en zijn CEO, Alex Karp. Die wekken de indruk dat Karp zichzelf niet alleen ziet als leider van een softwarebedrijf, maar ook als iemand met belangrijke ideeën over de toekomst van de beschaving.

Dit leidde tot kritiek van diverse parlementsleden, die zeiden dat dit nieuwe vragen oproept over de contracten die het Verenigd Koninkrijk heeft gesloten met Palantir. Het bedrijf heeft in Groot-Brittannië voor meer dan 500 miljoen pond aan opdrachten binnengehaald, waaronder een contract van 330 miljoen pond met de NHS (Nationale Gezondheidsdienst), en overeenkomsten met de politie en het Ministerie van Defensie. Deze overeenkomsten staan steeds vaker ter discussie.

Volgens Martin Wrigley, parlementslid voor de Liberaal-Democraten en lid van de commissie voor wetenschap en technologie van het Lagerhuis, is het manifest van Palantir ‘ofwel een parodie op een RoboCop-film, ofwel een verontrustende, narcistische tirade van een arrogante organisatie.’ Hij doelde daarmee op passages waarin onder meer AI-gestuurde staatssurveillance en nationale dienstplicht worden verdedigd.

‘Hoe je het ook bekijkt, dit laat zien dat de bedrijfsfilosofie totaal ongeschikt is voor het werken aan Britse overheidsprojecten waarbij zeer gevoelige persoonlijke gegevens van burgers betrokken zijn.’

Het is niet duidelijk waarom Palantir het manifest heeft gepubliceerd. De inhoud lijkt sterk op de ideeën uit het boek The Technological Republic van Alex Karp, dat vorig jaar verscheen. In dat boek bekritiseert hij wat hij ziet als een wijdverbreide zelfgenoegzaamheid onder ‘ingenieurs en oprichters van techbedrijven.’ Volgens hem richten zij zich te veel op relatief oppervlakkige toepassingen, zoals apps voor het delen van foto’s, in plaats van samen te werken met overheden ‘om de geopolitieke positie van het Westen’ veilig te stellen.

In een interview met CNBC begin maart stelde Karp dat AI de machtsverhoudingen tussen kiezers zou kunnen verschuiven. Volgens hem zou de invloed van ‘hoogopgeleide kiezers – vaak vrouwen die op de Democraten stemmen’ – kunnen afnemen, terwijl praktisch opgeleide kiezers uit de arbeidersklasse, vaker mannen, juist meer invloed zouden krijgen.

Rachael Maskell, parlementslid voor Labour, voormalig medewerker van de NHS en criticus van het contract van 330 miljoen pond dat Palantir kreeg voor het beheer van het gegevensplatform van NHS England, zei tegen The Guardian: ‘Het is behoorlijk verontrustend dat dit wordt gepubliceerd. Als je hieruit probeert op te maken wat Palantir commercieel wil bereiken, lijkt het erop dat het bedrijf zichzelf in het centrum van een technologische defensierevolutie wil plaatsen. Daarmee is het veel meer dan alleen een leverancier van technologische oplossingen; het probeert ook invloed uit te oefenen op beleid, politiek en investeringskeuzes.’

‘Het is tijd dat de regering goed kijkt naar de cultuur en ideologie van Palantir, en onderzoekt hoe ze zo snel mogelijk onder de bestaande contracten uit kan komen.’

Vorige maand meldde The Guardian dat Palantir toegang zou krijgen tot zeer gevoelige Britse financiële toezichtgegevens. Dat gebeurde nadat de Financial Conduct Authority het bedrijf een contract had gegeven om interne inlichtingengegevens te analyseren. Parlementsleden riepen de regering op om deze deal stop te zetten.

In een debat vorige week eisten parlementsleden ook dat de regering het contract met de NHS zou beëindigen.

‘Er is geen gebrek aan bizarre en verontrustende uitspraken van het management van Palantir,’ zei Tim Squirrell, hoofd strategie bij de actiegroep Foxglove.

‘Deze jongste reeks onsamenhangende uitspraken van Alex Karp, die rechtstreeks uit een stripboek lijken te komen, laat zien hoe diep Palantir verankerd is in de alliantie tussen Donald Trump en de grote techbedrijven. Het bedrijf lijkt gefixeerd op Amerikaanse dominantie en is daarmee volstrekt ongeschikt om ook maar in de buurt van onze publieke diensten te komen.’

‘Het “manifest” van Palantir klinkt als het geklets van een superschurk,’ zei Victoria Collins, parlementslid voor de Liberaal-Democraten. ‘Een bedrijf met zulke uitgesproken ideologische standpunten en zo weinig respect voor de democratische rechtsstaat hoort niet betrokken te zijn bij onze publieke diensten.’

Een woordvoerder van Palantir zei: ‘De software van Palantir helpt de werkzaamheden van de NHS uit te breiden, verkort de tijd die nodig is om kanker vast te stellen, zorgt ervoor dat schepen van de Royal Navy langer op zee kunnen blijven en helpt vrouwen en kinderen te beschermen tegen huiselijk geweld.’

‘We zijn er trots op dat deze ondersteuning wordt geleverd door de zeventien procent van ons personeel dat in het Verenigd Koninkrijk werkt – het hoogste aandeel onder de twintig grootste technologiebedrijven ter wereld.’

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

Cole Tomas Allen is een postmodern fenomeen

Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 28 april 2026

fotografie: UnHerd

door Sohrab Ahmari


Sohrab Ahmari is de Amerikaanse eindredacteur van UnHerd en de auteur van het onlangs verschenen Tyranny, Inc: How Private Power Crushed American Liberty — and What To Do About It

We snakken naar grootse verhalen

Spectaculaire gebeurtenissen – zoals de poging tot moord van dit weekend op Donald Trump en zijn kabinet in Washington – kunnen de indruk wekken dat we in uitzonderlijke tijden leven: ongekend onrustig en gewelddadig. Maar zelfs een basiskennis van de geschiedenis laat zien dat dit idee van ‘alles is nu erger dan ooit’ niet klopt. Van de dood van Alexander Hamilton door een duel tot het overlijden van Abraham Lincoln en de moord op John F. Kennedy, loopt politiek geweld parallel aan de Amerikaanse constitutionele stabiliteit.

Het feit dat sommige verschijnselen steeds terugkomen in de geschiedenis, betekent niet dat ze altijd hetzelfde blijven. Hun vorm en betekenis veranderen mee met bredere economische en ideologische ontwikkelingen. Zo valt het bijvoorbeeld op dat Cole Tomas Allen, de nieuwste persoon die wordt gelinkt aan een mogelijke aanslag op Donald Trump, afkomstig zou zijn uit de professionele middenklasse. Zijn motieven lijken vooral moreel gedreven – en beïnvloed door thema’s rond Jeffrey Epstein – maar staan los van een groter politiek project of een bredere beweging voor maatschappelijke verandering.

Met andere woorden: Cole Tomas Allen laat zien hoe de grote ideologische verhalen zijn weggevallen – precies wat de Franse denker Jean-François Lyotard beschreef als kenmerkend voor de postmoderne tijd (in een boek uit 1979 met de titel ‘La condition postmoderne’). Allen handelde niet om een nieuw politiek toekomstbeeld te realiseren, maar eerder om zichzelf moreel te zuiveren. Zoals zijn manifest het verwoordde: ‘Ik ben niet langer bereid toe te staan dat een pedofiel, verkrachter en verrader mijn handen met zijn misdaden besmeurt.’

‘Postmodernisme’ is eigenlijk een begrip dat is overgebleven uit eerdere fases van de cultuuroorlog. Ter rechterzijde werd het vaak slecht begrepen: veel conservatieve critici zagen de beschrijving van de situatie door linkse denkers aan voor een goedkeuring ervan. Daardoor ontstond een houding waarbij ongeveer gold: ‘Alles wat ik niet leuk vind, is postmodern.’ Dat was typerend voor veel conservatieve (en ook liberale) discussies in de jaren tachtig en negentig. Ondertussen raakte de term onder linkse academici juist snel uit de mode, omdat andere progressieve thema’s belangrijker werden.

Maar hoewel de discussies over het postmodernisme vaak weinig opleverden, beschreven Lyotard en zijn navolgers wel een belangrijke verandering. Vanaf het laatste derde deel van de twintigste eeuw ontstond er namelijk steeds meer wantrouwen jegens grote, allesomvattende verhalen over de menselijke samenleving – verhalen die vroeger juist richting gaven aan sociale verandering. Voorbeelden van zulke ‘grote verhalen’ zijn het liberalisme van de Verlichting, het wetenschappelijk positivisme, de freudiaanse psychoanalyse, en natuurlijk het marxisme en het dialectisch materialisme.

Sommige denkers verwelkomden het verdwijnen van de grote ideologische verhalen, omdat zij die zagen als rechtvaardigingen van bestaande machtsstructuren, en uiteindelijk als onhoudbaar. Maar dat verlies had ook een keerzijde. Een belangrijk gevolg was dat het optimistische geloof in de toekomst, dat zo kenmerkend was voor het modernistische denken, verzwakte. Stromingen zoals het marxisme plaatsten de mens bovendien minder centraal dan in de klassieke en middeleeuwse wereldbeelden het geval was.

Tegelijkertijd beweerden denkers als Auguste Comte, Sigmund Freud en Karl Marx dat zij nieuwe fundamenten voor de menselijke vrijheid hadden ontdekt. Voor marxisten betekende dit dat je de geschiedenis een zetje kon geven richting haar vermeende eindpunt: het doorbreken van het kapitalistische systeem, waarin mensen elkaar uitbuiten, en het vervangen daarvan door een welvarende, klassenloze samenleving. In zo’n samenleving zou iedereen zijn eigen talenten kunnen ontwikkelen, wat Marx in het derde deel van Het Kapitaal ‘het ware rijk van de vrijheid’ noemde.

Na het modernisme bleven wetenschap en technologie zich in hoog tempo verder ontwikkelen. Maar die vooruitgang werd niet langer gezien als onderdeel van een groter verhaal over bevrijding of vooruitgang voor de mensheid. De nieuwe communicatietechnologieën die in de jaren negentig opkwamen, zorgden juist voor meer versnippering. Allerlei achterhaalde ideeën en hyperlokale belangen kregen online nieuw leven. Mensen trokken zich steeds vaker terug in kleine gemeenschappen met dezelfde interesses, en vaak ook dezelfde meningen.

In de kunst maakte de typische modernistische focus op tijd – of die nu gericht was op de toekomst of op een idealisering van het verleden – plaats voor een meer oppervlakkige en ‘platte’ stijl, vaak in de vorm van pastiches. Dat stelde de Amerikaanse criticus Fredric Jameson. Ook in de architectuur veranderde het beeld. De grote, utopische en monumentale ontwerpen van het modernisme maakten plaats voor stijlen die speelser en toegankelijker waren, en sterker aansloten bij de populaire cultuur. Een invloedrijke tekst moedigde architecten zelfs aan om te leren van – in plaats van afstand te nemen van – Las Vegas.

En ook op het gebied van het politiek geweld is er iets veranderd. De figuur van de ideologisch gedreven anarchist of socialistische revolutionair heeft plaatsgemaakt voor een ander type: de eenling, zoals Cole Tomas Allen. Deze persoon handelt niet namens een bredere beweging of een visie op maatschappelijke verandering, maar vanuit een persoonlijke of sterk lokale motivatie. Dat past bij wat Lyotard beschreef: het verdwijnen van grote, allesomvattende verklaringsmodellen – zoals die van Comte, Freud en Marx – en hun vervanging door kleinere, meer persoonlijke betekeniskaders.

Dit betekent niet dat alle daders van het type Allen worden gedreven door bizarre overtuigingen of dat hun daden geen politieke betekenis hebben. Sommigen passen wel in dat beeld, zoals John Hinckley Jr., die probeerde Ronald Reagan te vermoorden. Hij wilde de filmfiguur Travis Bickle uit Taxi Driver nadoen, om indruk te maken op de jonge actrice Jodie Foster. Iets vergelijkbaars kan worden gezegd over Ryan Routh, die als tweede een poging ondernam om Donald Trump te vermoorden. Hij is meerdere keren door de geestelijke gezondheidszorg omschreven als iemand met wanen. Zo zei hij dat hij Oekraïne wilde verdedigen en vrede wilde brengen in Gaza, en verwees hij tijdens zijn proces – waarin hij terechtstaat voor meerdere ernstige aanklachten – ook naar Hitler.

Daarentegen schreef Cole Tomas Allen een vrij samenhangend manifest. Het lijkt erop dat hij dacht te handelen vanuit een progressieve en zelfs christelijke plicht. Maar het hebben van sterke politieke overtuigingen is nog iets anders dan het opzetten van een breed politiek project, zoals dat in de negentiende en een groot deel van de twintigste eeuw gebeurde. Toen socialistische revolutionairen de aanslag pleegden op tsaar Alexander II van Rusland, dachten zij dat ze een obstakel voor een betere toekomst uit de weg ruimden. Iets vergelijkbaars gold voor Leon Czolgosz, de anarchist die de Amerikaanse president William McKinley vermoordde.

Maar hoe zit dat bij Allen? Wat voor toekomst dacht hij in te luiden door Trump en zijn topfunctionarissen te doden? In zijn manifest komen woorden als ‘vrijheid,’ ‘gelijkheid,’ ‘arbeidersklasse’ of ‘imperialisme’ niet voor. Zulke begrippen krijgen pas betekenis binnen een breder politiek verhaal – een kader waarin bijvoorbeeld arbeiders tegenover werkgevers staan, het mondiale Zuiden tegenover het mondiale Noorden, onderdrukten tegenover machthebbers, en vooruitgang tegenover reactionaire krachten.

Laat één ding duidelijk zijn: ik betoog niet dat er ‘goede’ redenen zouden zijn om te moorden. Ook in de tijd van de grote ideologische verhalen werd terrorisme al bekritiseerd, juist door linkse denkers. Zij stelden dat een eenzame dader, wat zijn motieven ook zijn, uiteindelijk vooral het tegenovergestelde bereikt: hij versterkt de repressieve kant van de staat, brengt onschuldige mensen schade toe en – misschien wel het belangrijkste – vervangt collectieve actie en massabewegingen door een geromantiseerd idee van individuele heldendaden.

Het gaat mij er vooral om te laten zien hoe arm een tijdperk zonder grote, samenhangende verhalen – een postmodern tijdperk – kan zijn. En om de vraag te stellen waarom juist in zo’n tijd figuren zoals Allen de overhand lijken te krijgen.

Een van die zogenaamd ‘mislukte’ grote verhalen, het marxisme, kan hier misschien een verklaring voor bieden. Dat heeft te maken met de sociale positie van mensen als Allen en anderen, zoals Luigi Mangione, die wordt beschuldigd van de moord op Brian Thompson, de CEO van UnitedHealthCare. Zowel Allen als Mangione heeft gestudeerd aan een prestigieuze universiteit – respectievelijk Caltech en de uiversiteit van Pennsylvania – en behoort tot een professionele middenklasse die steeds meer onder druk staat en aan status verliest.

Professionals bezitten meestal niet zoveel vermogen als de rijke bovenklasse, maar ze zijn ook geen arbeiders die van een laag loon moeten rondkomen. Ze bevinden zich daar ergens tussenin. In de periode van de New Deal in de VS en de sociaaldemocratie in Europa vervulden zij vaak een bemiddelende rol tussen kapitaal en arbeid. Ze stonden aan de ene kant dicht bij het management en hielden toezicht op de werkprocessen, en droegen aan de andere kant bij aan het in stand houden van de ideeën en structuren waarop het systeem draaide.

Het begrip ‘laatkapitalisme’ in de ondertitel van het boek Postmodernism: or, the Cultural Logic of Late Capitalism van Fredric Jameson verwijst precies naar dit soort economische ordeningen uit het midden van de twintigste eeuw. In die periode maakte het harde, competitieve kapitalisme van de negentiende eeuw plaats voor een stabieler en beter georganiseerd systeem, waarin managers vaak meer invloed kregen dan de traditionele ondernemersklasse. De neoliberale wending – de sterke deregulering van de markten die in de jaren zeventig begon – heeft de rol van de professionals niet kleiner gemaakt. Hun functies, zoals bemiddelen en het in stand houden van ideeën en systemen, zijn alleen meer verschoven van de publieke sector naar de private sector.

Maar inmiddels lijkt de oude ondernemersklasse weer aan invloed te winnen, in de vorm van figuren als Elon Musk, Peter Thiel en Alex Karp. Deze invloedrijke zakenmensen zijn begonnen een nieuw, groots verhaal te formuleren, waarin zij zichzelf centraal stellen in de geschiedenis. Dat is bijvoorbeeld duidelijk te zien bij Palantir Technologies, dat in een recent ‘manifest’ de grote technologiebedrijven oproept om het Westen te bewapenen voor een nieuw tijdperk van voortdurende conflicten.

Je zou kunnen zeggen dat de Amerikaanse presidentverkiezingen van 2024 draaiden om een alliantie tussen de zogenoemde ‘Tech Right’ en een grote groep mensen met weinig vermogen. Samen keerden zij zich tegen de professionals en managers die vroeger juist als tussenlaag fungeerden. Tegelijkertijd versterkt de automatisering in kantoorbanen dit proces. Managers en bemiddelaars verdwijnen, waardoor de verhoudingen weer directer worden: rijk en arm staan steeds vaker rechtstreeks tegenover elkaar.

In een materialistische benadering kun je zeggen dat de grote ideologische verhalen uit de modernistische periode voortkwamen uit een ‘heroïsche’ fase van het kapitalisme, waarin felle en soms gewelddadige klassenstrijd centraal stond. Daarna volgde een meer bureaucratische en gecontroleerde fase, vaak aangeduid als ‘laatkapitalisme,’ waarin die spanningen deels werden afgezwakt. Nu zijn er echter tekenen dat we opnieuw een soort ‘heroïsche’ fase ingaan. Een zelfverzekerde en agressieve ondernemersklasse lijkt weer op te komen en produceert haar eigen, vaak eenvoudige grote verhalen. Maar zoals critici opmerken: figuren als Alex Karp zijn geen denkers van het niveau van Georg Wilhelm Friedrich Hegel.

Zo’n moment vraagt om nieuwe ideeën over de toekomst – nieuwe, grote verhalen die van onderaf ontstaan, vanuit de brede groep mensen zonder veel vermogen, die beginnen te beseffen dat de techmiljardairs niet vanzelf hun bondgenoten zijn. De wederopleving van het christendom kan helpen om zulke verhalen te verbinden met oude waarheden. Zolang zulke nieuwe perspectieven ontbreken, is de verwachting dat vormen van willekeurig geweld zullen blijven toenemen – geweld dat kan worden gezien als een uiting van frustratie bij een onder druk staande professionele klasse, die haar betekenis en positie ziet afnemen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Zal Trump een nieuwe Grote Depressie veroorzaken?

Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 27 april 2026

fotografie: De Morgen

door Wolfgang Münchau


Wolfgang Munchau is directeur van Eurointelligence en columnist bij UnHerd.

Dollarswaps zijn een slecht teken

Financiële crises zien er nooit precies hetzelfde uit. Wat ze wél gemeen hebben, is een wildgroei aan rare verhalen. Zo gingen er tijdens de beurscrash van 1929 verhalen rond over schoenpoetsers die aandelenadvies gaven op basis van wat ze toevallig hadden opgevangen. Begin deze eeuw dachten beleggers dat ingewikkelde financiële producten en geavanceerde wiskundige modellen het veilig maakten om te beleggen in risicovolle hypotheekproducten. De dwaasheid van dit soort verhalen wordt beschreven in het boek This Time is Different van Kenneth Rogoff en Carmen Reinhart. Financiële euforie ontstaat vaak doordat mensen vergeten wat er in het verleden is misgegaan.

De ‘schoenpoetser’ van nu is bijvoorbeeld de Amerikaanse soldaat die vierhonderdduizend dollar inzette op Polymarket, een wedplatform, in de verwachting dat de Venezolaanse president Nicolás Maduro in januari gearresteerd zou worden. Maar het vreemdste verhaal is misschien wel iets dat veel mensen hebben gemist, omdat het verstopt zit in de financiële pagina’s. De Amerikaanse minister van Financiën, Scott Bessent, heeft gezegd dat diverse Golfstaten – waaronder de Verenigde Arabische Emiraten – hebben gevraagd om zogeheten dollarswaplijnen met de Verenigde Staten. Bij een swap spreken twee partijen af om valuta uit te wisselen: in dit geval Amerikaanse dollars tegen de munt van de Emiraten, de dirham. Een swaplijn betekent dat de Emiraten op elk moment zo’n ruil kunnen activeren, bijvoorbeeld om snel aan dollars te komen als dat nodig is.

Maar waarom zouden ze dat willen? De Verenigde Arabische Emiraten zijn immers heel rijk. Het land beschikt al over een hoeveelheid dollars die meer dan tien keer zo groot is als het Exchange Stabilisation Fund van de Amerikaanse overheid – het fonds dat bij zo’n swap de tegenpartij zou zijn. Volgens Gita Gopinath, voormalig adjunct-directeur en hoofdeconoom van het IMF, kan dit erop wijzen dat ‘de gevolgen van het conflict met Iran veel groter zijn dan wat momenteel in de markten wordt ingeprijsd. Zulke verkenningen ontstaan niet zomaar, zelfs niet achter gesloten deuren.’

Volgens Brad Setser, onderzoeker bij de Council on Foreign Relations, is hier iets fundamenteel nieuws aan de hand. Hij vindt dat het lijkt op een twijfelachtige constructie buiten de officiële balans, ‘waarbij de Emiraten het voordeel hebben.’

Manipulatie van gokmarkten en dubieuze swaps kunnen tekenen zijn dat er een financiële crisis op komst is. Hoe de oorlog tegen Iran zal aflopen, is onzeker. Wel is duidelijk dat de diplomatie eromheen veel ingewikkelder is dan Donald Trump doet voorkomen. Dat bleek afgelopen weekend, toen hij de geplande reis van zijn gezanten Steve Witkoff en Jared Kushner naar Pakistan afblies. Het kost tijd om tot een diplomatieke oplossing te komen. Eerst moet er overeenstemming worden bereikt, en daarna duurt het nóg langer voordat de afspraken ook echt worden uitgevoerd. Dat proces kan maanden in beslag nemen. Zelfs daarna zullen de olie- en gasprijzen waarschijnlijk niet terugkeren naar hun oude niveau. De oorlog heeft blijvende schade veroorzaakt aan infrastructuur, zoals pijpleidingen en verwerkingsinstallaties. Ook hebben scheepvaart- en verzekeringsmaatschappijen tijd nodig om te bepalen wanneer het weer veilig is om door de Straat van Hormuz te varen.

Als Iran inkomsten inkomsten zou ontvangen uit het scheepvaartverkeer door de Straat van Hormuz, zoals Donald Trump heeft gesuggereerd, zou dat een gevaarlijk precedent scheppen voor de wereldeconomie. Het zou neerkomen op een soort belasting op internationale scheepvaart. Geïnspireerd door de Iraanse Revolutionaire Garde liet de Indonesische minister van Financiën, Purbaya Yudhi Sadewa, weten dat ook zijn land overweegt tol te heffen op schepen die door de Straat van Malakka varen. Deze zeestraat is zelfs nog belangrijker voor de wereldeconomie dan Hormuz: ongeveer veertig procent van de wereldhandel gaat erdoorheen.

Deze maatregelen zouden in strijd zijn met het verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee. In dit verdrag staat het principe dat geen enkel land soevereiniteit over de zeeën heeft. Als we dat principe loslaten, zou dat een grote stap terug zijn – naar een tijd van piraterij en kanonneerbootdiplomatie. We zouden daarmee niet alleen de mondialisering van de afgelopen dertig jaar ondermijnen, maar zelfs de vooruitgang van de afgelopentweehonderd jaar. De wereld zou er dan ingrijpend anders uitzien.

We moeten niet denken dat een snel en slecht doordacht vredesakkoord, een capitulatie van de VS, de minst slechte uitkomst voor de wereldeconomie zou zijn. Het grootste risico voor de wereldeconomie is niet een tijdelijke stijging van de olieprijzen, en ook niet kortdurende tekorten aan bijvoorbeeld ureum of helium. Zulke ontwrichtingen aan de aanbodkant zijn vervelend, maar het zijn schokken waar je je in principe op kunt voorbereiden.

Het grotere risico op de korte termijn is een nieuwe wereldwijde financiële crisis. Zo’n crisis kan niet alleen ontstaan door een langdurige oorlog, maar ook door een slechte vredesregeling. Daarmee wordt niet bedoeld dat een beurscrash de belangrijkste oorzaak zou zijn. Als bijvoorbeeld een blokkade van de Straat van Hormuz leidt tot een wereldwijde recessie, kan dat een kettingreactie veroorzaken in andere delen van het financiële systeem – vooral rond staats- en privéschulden. Daarom schrikken mensen die de mondiale financiële stromen volgen van berichten over gesprekken tussen de VS en de VAE over een valutaswap. Als zo’n swap slechts een twijfelachtige deal is, dan is dat nog de meest onschuldige verklaring. Maar het kan ook betekenen dat men zich voorbereidt op een ernstige schok in het wereldwijde financiële systeem. In dat scenario zouden banken in de Emiraten plots moeite kunnen krijgen om aan dollars te komen. Een swapovereenkomst zou dan helpen om het systeem draaiende te houden, maar wel onder enorme druk. In zo’n situatie gaat het niet langer over de prijs van diesel of tekorten aan kerosine, maar over iets veel groters: een economische crisis van het niveau van de Grote Depressie. Aandelenkoersen zouden dan zeker dalen, maar dat zou nog het minste probleem zijn.

Er is echter één groot verschil met 2008. Toen kwamen de wereldleiders nog samen om de crisis gezamenlijk aan te pakken. De G20, die tot dan toe vooral een overleggroep was van centrale bankiers en ministers van Financiën, hield in november 2008 in Washington haar eerste top met staatshoofden en regeringsleiders. De Amerikanen, Russen, Chinezen en Europeanen zaten toen allemaal aan één tafel, klaar om nieuwe financiële regels af te spreken en gezamenlijk de economie te stimuleren. Ook kwamen de leiders van landen met de euro voor het eerst samen als een aparte eurozone. Het internationale systeem van samenwerking en bestuur werkte toen nog.

Ik verlang niet terug naar die tijd. Wat de leiders toen besloten, werkte misschien op de korte termijn, maar richtte op de lange termijn schade aan in westerse economieën en democratieën. Beleidsmaatregelen zoals monetaire verruiming (quantitative easing) en strenge bezuinigingen behoren tot de meest schadelijke economische keuzes van deze eeuw. Bovendien werden ze ingevoerd zonder sterke democratische controle. Dat verklaart ook waarom de voorstanders van internationale samenwerking zo geschokt waren door Brexit: het was de eerste succesvolle tegenreactie op het multilateralisme.

Ik betreur het einde van het multilaterale tijdperk dus niet. Maar we moeten wel begrijpen wat de gevolgen daarvan zijn. Als de wereldeconomie opnieuw in een soort ‘hartstilstand’ terechtkomt, zoals in 2008, kunnen we niet verwachten dat politici zich weer zullen verenigen om snel tot een oplossing te komen, of überhaupt tot een oplossing. In plaats daarvan zullen ze elkaar de schuld geven, zoals ze nu al doen. Deze nieuwe financiële crisis zou zich dan ontwikkelen zonder effectieve gezamenlijke ingrepen.

In een wereld die het multilateralisme heeft losgelaten, wordt het belangrijker dan ooit dat de grootmachten zich terughoudend en voorzichtig opstellen. China lijkt op het eerste gezicht politiek terughoudend, maar voert economisch beleid dat eerder roekeloos te noemen is. Het land is bovendien veruit de grootste veroorzaker van mondiale economische onevenwichtigheden. Daarnaast bestaat het risico dat China op een onvoorspelbaar moment in de toekomst een militaire aanval op Taiwan zal uitvoeren.

Ook Vladimir Poetin staat niet bekend om zijn terughoudendheid, en dat geldt evenmin voor Donald Trump. Van Trump weten we dat hij van nature impulsief is en risico’s neemt. Hij is geen strategische denker, en lijkt zich te hebben verkeken toen hij opdracht gaf tot een aanval op Iran. Het zou dan ook verrassend zijn als hij in de toekomst wél kiest voor geduld en lange-termijndenken. Trump en zijn minister van Defensie, Pete Hegseth, hebben zich bovendien omringd met mensen die vooral ja-knikken. Er lijkt weinig ruimte meer voor tegenspraak binnen de regering. Zo heeft Hegseth kritische generaals en hoge ambtenaren ontslagen, waaronder recent John Phelan, de minister van Marine. Daarnaast heeft Trump geen vaste nationale veiligheidsadviseur. Minister van Buitenlandse Zaken Marco Rubio doet die job er tijdelijk bij. En hoewel vice-president JD Vance sceptisch was over de oorlog, is het onwaarschijnlijk dat hij zich openlijk tegen Trump zal keren.

De huidige Europese leiders zijn regelgebonden wezens, en dat geldt misschien nog wel het meest voor de Britse premier Keir Starmer. Zij betreuren het einde van het multilaterale tijdperk. Tegelijkertijd lijkt het hen te ontbreken aan strategisch denken en een duidelijke langetermijnvisie.

Ondanks alle sombere vooruitzichten is er ook een belangrijk lichtpunt. Kunstmatige intelligentie (AI) blijft het sterkste argument van de optimisten onder ons en een logische verklaring voor de hoge waarderingen op de markten van vandaag. AI kan uitgroeien tot de belangrijkste technologische doorbraak sinds elektriciteit. Het heeft de potentie om de manier waarop we werken en leven ingrijpender te veranderen dan welke andere innovatie ook die we in ons leven hebben meegemaakt.

De eeuwenoude basisregels van het beleggen gelden echter nog steeds. Deze keer kan alleen anders zijn in de mate waarin AI de economische productiviteitsgroei beïnvloedt. De effecten van AI beginnen nu pas voorzichtig zichtbaar te worden in sommige economische cijfers in de Verenigde Staten. Persoonlijk denk ik dat AI een technologie is die ons leven ingrijpend zal veranderen. Maar zeker weten doen we dat pas over een tijdje.

Dat betekent dat de voordelen van AI vrijwel zeker niet op tijd zullen komen om ons te beschermen tegen de gevolgen van deze oorlog, en tegen de economische en financiële schade die daaruit voortkomt. In die zin zal deze keer inderdaad anders zijn, maar niet op een positieve manier.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Gezondheid Politiek

Tsjernobyl en de prijs van nucleaire overmoed

Oorspronkelijke tekst (Engels): Engelsberg Ideas, 22 april 2026

fotografie: Globalnuclearenvironment.org

door Paul Josephson

Paul R. Josephson is een vooraanstaand historicus op het gebied van wetenschap, technologie en de Sovjetgeschiedenis. Hij is hoogleraar geschiedenis aan het Colby College in de Verenigde Staten en heeft vijftien boeken op zijn naam staan, waaronder ‘Would Trotsky Wear a Bluetooth? Technological Utopianism Under Socialism’ (2007).

Voorstanders van een nucleaire ‘renaissance’ zouden de gruwelijke mislukkingen van de Sovjet-Unie niet mogen vergeten

Veertig jaar geleden, eind april 1986, stonden de kranten vol met verontrustende berichten uit Oekraïne. De explosie vlak na middernacht in reactor 4 van de kerncentrale van Tsjernobyl veranderde het leven van de nietsvermoedende inwoners van Pripjat in een nachtmerrie van radioactieve besmetting. Op zaterdagochtend gingen de bewoners nog gewoon door met hun dagelijkse leven. Kinderen speelden buiten, er vonden in de omgeving zestien bruiloften plaats en vissers gooiden hun netten uit in de rivier die als koelwater voor de centrale diende. Niemand wist wat er werkelijk was gebeurd. De brandweerlieden die als eersten ter plaatse kwamen, handelden moedig, maar waren totaal niet voorbereid op de situatie. Ze moesten brandend grafiet en splijtstofstaven die uit de reactor waren geslingerd blussen – extreem radioactief materiaal. Op één na stierven zij later aan de gevolgen van de straling. Pas 36 uur later besloten de autoriteiten om de ongeveer vijftigduizend inwoners van Pripjat te evacueren, de stad die op slechts drie kilometer van de reactor was gebouwd. Ongelooflijk genoeg moesten schoolkinderen enkele dagen later nog deelnemen aan de jaarlijkse 1 mei-parade in Kyiv, terwijl er nog radioactieve deeltjes door de lucht zweefden.

De oorzaken van het ongeluk waren al duidelijk, zoals ik destijds schreef in een commentaar in de Boston Globe. Het ging om meerdere factoren: reactoren die zonder beschermende insluiting waren gebouwd, een ontwerp dat bij laag vermogen instabiel en zelfs explosief kon worden, en het vroegtijdig standaardiseren van onderdelen om kosten te besparen. Daar kwam nog bij dat men te veel vertrouwde op de betrouwbaarheid van technologie, iets wat pijnlijk zichtbaar werd in het idee om een complex met brandbaar grafiet, uranium en plutonium een ‘nucleair park’ te noemen. Michail Gorbatsjov stelde later dat de ramp in Tsjernobyl uiteindelijk heeft bijgedragen aan het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Hoewel hij zijn hervormingen van glasnost en perestrojka had aangekondigd, duurde het achttien dagen voordat hij zich publiekelijk tot de bevolking richtte over het ongeluk.

De ramp in Tsjernobyl leidde tot nieuwe categorieën van ‘radioactieve mensen.’ Ongeveer zevenhonderdduizend zogenoemde ‘liquidators’ werden ingezet om de gevolgen van de ramp te beperken. Zij sloopten besmette gebouwen, kapten bossen en verwijderden met bulldozers vervuilde grond en materialen. Sommigen, de zogenoemde ‘biorobots’, werkten in shifts van slechts één minuut op het dak van een aangrenzende reactor. Daar schepten ze brokstukken van uraniumbrandstof en rokend grafiet in het gapende gat eronder. Om de straling in te dammen, werd de beschadigde reactor afgedekt met een betonnen ‘sarcofaag.’ In 2017 werd daar een tweede, grotere beschermlaag overheen geplaatst. Tijdens de Russische invasie van Oekraïne in 2022 werd het gebied rond Tsjernobyl korte tijd bezet, waarbij opnieuw radioactief stof vrijkwam. Recent is ook de tweede afdekking beschadigd door droneaanvallen, zodat deze moet worden gerepareerd. Daarnaast is de kerncentrale van Zaporizja beschoten en bezet, waardoor deze is veranderd in een vuile atoombom die op ontploffen staat.

Nucleaire rampen vernietigen ecosystemen. In de Verboden Zone rond Tsjernobyl – een gebied van ongeveer 2.600 vierkante kilometer – stuurden de autoriteiten soldaten eropuit om huisdieren, vee en wilde dieren op te sporen, af te schieten en te begraven. Zo wilden ze voorkomen dat radioactieve deeltjes via hun vacht naar andere gebieden zouden worden verspreid. Een groot deel van de regio zal nog eeuwenlang radioactief blijven. Slechts enkele grote zoogdieren hebben zich in aantal hersteld. Uiteindelijk leidde de ramp naar schatting tot vijfduizend tot vijftigduizend extra sterfgevallen door kanker, naast talloze gevallen van leukemie en schildklierkanker bij kinderen. In totaal raakte minstens honderdvijftigduizend vierkante kilometer land besmet, een gebied ter grootte van een Amerikaanse staat als Illinois of Georgia.

Wat leert Tsjernobyl ons over de toekomst van kernenergie? De ramp liet op explosieve wijze zien dat veel beloften van het nucleaire tijdperk waarschijnlijk nooit volledig zullen worden waargemaakt: volledig veilige reactoren, voertuigen en medische toepassingen op kernenergie, een einde aan conflicten over olie en gas, en energie die zo goedkoop is dat meten nauwelijks nodig is. Toch ging de sector door, vaak met te weinig aandacht voor de risico’s van grote ongelukken en voor de groeiende hoeveelheid radioactief afval. Wereldwijd zijn er ongeveer vierhonderdvijftig kernreactoren in gebruik en nog eens zo’n vijftig in aanbouw. Daarnaast ligt er meer dan vierhonderdduizend ton gebruikte splijtstof opgeslagen in koelbassins en betonnen containers, in afwachting van een definitieve oplossing. Jaarlijks komt daar nog eens zo’n elfduizend ton bij. Dit materiaal brengt risico’s met zich mee, bijvoorbeeld bij mogelijke sabotage of ongelukken. Alleen al in de Verboden Zobe van Tsjernobyl liggen duizenden gebruikte splijtstofelementen, grote hoeveelheden splijtstof in de sarcofaag en miljoenen liters ander radioactief afval.

De wereldwijde saneringskosten van de militaire en civiele nucleaire sector lopen inmiddels in de biljoenen dollars. Alleen al het beperken van de gevolgen van de ramp in Tsjernobyl wordt geschat op zo’n zevenhonderd miljard dollar, en dat bedrag blijft stijgen, onder meer door verlaten landbouwgrond en stilgevallen industrie. Ook de ramp in Fukushima in Japan in 2011 had enorme gevolgen. Die ramp kon ontstaan doordat een kerncentrale was gebouwd op slechts vijfhonderd meter van de Stille Oceaan, in een gebied waar aardbevingen voorkomen. Een tsunami overspoelde de centrale, wat leidde tot kernsmeltingen, evacuaties en zware schade aan de visserij. De totale kosten – als gevolg van de sanering, verloren inkomsten, schade aan eigendommen en vervangende energie – zijn inmiddels opgelopen tot ongeveer vijfhonderd miljard dollar. Ondertussen loost Fukushima nog steeds radioactief tritium uit de sanering in de Stille Oceaan.

De nucleaire industrieën in China, Frankrijk, Rusland en de Verenigde Staten stellen dat er een nieuwe ‘renaissance’ van kernenergie ophanden is. Terwijl de rampen in Tsjernobyl en Fukushima zijn begraven in afgesloten gebieden, presenteren zij optimistische plannen. Ze spreken over zogenoemde Small Modular Reactors (SMR’s) die van nature veilig zouden zijn, snel gebouwd kunnen worden en CO₂-vrije elektriciteit leveren. Ook zouden ze een oplossing bieden voor de snel groeiende vraag naar energie. Tegelijkertijd zijn deze plannen sterk afhankelijk van miljarden aan overheidssubsidies. In de Verenigde Staten heeft de regering van Donald Trump het overheidstoezicht op de veiligheid van kerncentrales versoepeld om de bouw te versnellen.

En zo blijven dezelfde vragen uit 1986 nog altijd bestaan: waar moeten nieuwe kerncentrales komen? Wie gaat ze betalen? En wat gaan ze uiteindelijk kosten? Zijn zogenoemde Small Modular Reactors (SMR’s) echt veiliger en goedkoper dan de ongeveer vierhonderdvijftig reactoren die nu wereldwijd in gebruik zijn? Tot nu toe zijn er namelijk pas twee gebouwd, terwijl andere projecten al zijn stopgezet omdat de kostenramingen verdrievoudigden nog vóór de bouw begon. Er zijn ook zorgen over de gevolgen voor de gezondheid. Zo wees recent onderzoek in Plymouth, Massachusetts op een mogelijk verhoogd risico op kanker in de buurt van kerncentrales. En misschien wel de belangrijkste vraag: hoe groot is de kans dat er opnieuw een ernstig nucleair ongeluk plaatsvindt?

Kortom, de kernenergie-industrie wordt vaak gekenmerkt door overmoed. De bouw van één reactor kan inmiddels zo’n twintig miljard dollar kosten, radioactief afval blijft kwetsbaar voor bijvoorbeeld sabotage, en de opruiming van oude installaties loopt vaak tientallen jaren en enorme bedragen achter. Een ongeluk bij een wind- of zonnepark zal waarschijnlijk nooit zo’n blijvende naam krijgen, maar Tsjernobyl zal nog lange tijd symbool blijven staan voor wat er mis kan gaan met technologie.

Vertaling: Menno Grootveld