Categorieën
Economie Filosofie Politiek

De sublieme idiotie van het superioriteitsdenken

Oorspronkelijke tekst (Engels): Il Disertore

fotografie: Jacobo Medrano

door Franco Berardi


In 1996 lanceerde John Perry Barlow de Onafhankelijkheidsverklaring van Cyberspace:
‘Regeringen van de industriële wereld, jullie vermoeide reuzen van vlees en staal: ik spreek tot jullie vanuit Cyberspace, de nieuwe thuisbasis van de menselijke geest. Namens de toekomst vraag ik jullie, vertegenwoordigers van het verleden, om ons met rust te laten. Jullie zijn hier niet welkom. Jullie hebben geen gezag over de plek waar wij samenkomen.

https://www.eff.org/cyberspace-independence

Het was een gedurfde, libertaire uitdaging aan de macht van natiestaten, in naam van een superieure universaliteit van kennis. En het was ook een vertoon van neoliberale arrogantie.

Het mondialisme van markt en kennis was veelbelovend, maar koesterde ook de giftige vruchten die vandaag de dag rijp zijn.

In dat tijdperk van cyberoptimisme riepen we tegen de politieke machthebbers van de wereld: ‘Wij hebben de ruimte van het wereldwijde netwerk gecreëerd, en we willen jullie niet op ons terrein.’

In dat decennium presenteerde de digitale elite – voortgekomen uit de wetenschap van de twintigste eeuw en deels geïnspireerd door de libertaire energie van de wereldwijde beweging van 1968 – zichzelf als een jonge, vernieuwende kracht. Ze zag zichzelf als dynamisch en creatief, in staat om innovaties te ontwikkelen die het sociale leven en de communicatie zouden verbeteren.

Decadentie van een frigide utopie

Dertig jaar later zijn we helaas genoodzaakt het Techno-Republikeinse manifest van tweeëntwintig punten te lezen, geschreven door de deprimerende geesten van Alex Karp en Nicholas Zamiska.

Wit nationalisme, agressief superioriteitsdenken, de cultus van de vernietigende kracht van technologie. Beloften van oorlog.

De claim van witte raciale superioriteit is pathetisch, maar ook vreselijk gevaarlijk, omdat deze het recht opeist om de Untermenschen uit te roeien, terwijl tegelijkertijd de noodzaak wordt erkend dat kennis ondergeschikt moet zijn aan de Natie en dat de beslissing over kernwapens moet worden overgedragen aan ons enige kind dat niet lijdt aan depressieve psychose: de Intelligente Automaat.

Achter deze vorm van superioriteitsdenken kunnen we een glimp opvangen van de aftakeling van het witte lichaam, bevroren in het ijs van de wiskunde.

We zien hier een teken van de wanhoop in het Westen, dat moeite heeft om de chaos en de ongecontroleerde verspreiding van massavernietigingswapens onder controle te houden.

Het wanhopige optreden van de Amerikaanse president laat zien hoezeer een denken gebaseerd op superioriteit zichzelf heeft gevangen in een tragische en uitzichtloze situatie.

De aarde, onherstelbaar beschadigd door klimaatverandering, lijkt nu op de rand te staan van een allesomvattend en verwoestend conflict.

De witte hersenrot is niet langer in staat de Terminal-machine te bedienen, noch controle te garanderen over de atoomoverkill.

Het enige wat hij kan doen is de hendels van de overkill overdragen aan zijn superintelligente automatische erfgenaam, in de hoop dat deze ons de overwinning zal garanderen. Maar helaas beschikken zelfs de Untermenschen over dezelfde soort wapens, en beschikken zij (vooral die kleine verraderlijke Chinezen) over de Intelligente Automaat. Zij hebben onlangs een leger van krijgerrobots getoond in wier aanwezigheid de heer Alex Karp er goed aan zou doen zich op een meer bescheiden manier te gedragen.

Maar ik vrees dat hij dat niet zal doen — met schadelijke gevolgen voor iedereen.

De afgelopen dertig jaar heeft de demografische ontwikkeling een harde klap uitgedeeld aan degenen die zichzelf als het superieure ras beschouwen.

In de tweede helft van de twintigste eeuw groeide de wereldbevolking ongekend snel, mede dankzij de grote vooruitgang in de medische wetenschap.

De generatie die in de dertig jaar na de oorlog opgroeide (mijn generatie) had toegang tot het beste voedsel dat er ooit was, leefde relatief beschaafd en comfortabel, was over het algemeen redelijk gelukkig – of in elk geval hoopvol – en geloofde dat vrede, en misschien zelfs socialisme, mogelijk waren.

Maar rond de eeuwwisseling keerde de demografische curve om, en de triomf van de medische wetenschap zorgde ervoor dat een enorm leger van ouderen het historische toneel kon binnenvallen: arrogant, humeurig, agressief en niet in staat om de implicaties van hun eigen uitputting te begrijpen, aangezien ze zijn opgegroeid in een culturele wereld waar ouderdom en dood onbespreekbaar en verboden waren.

Noch de reclame-ideologie van de heersende klasse, noch het door het marxisme geïnspireerde kritische denken, heeft geprobeerd deze ommekeer van het perspectief, dit verval van het collectieve lichaam, te verwerken. Niemand is in staat geweest om het verdriet van de collectieve geest te genezen of te voorkomen, niet alleen de geest van de ouderen, maar nog duidelijker die van de nieuwe generaties, die depressief zijn door de last van een steeds senielere toekomst. Omdat we niet hebben nagedacht over ouderdom en dood, staan we nu machteloos tegenover de ongebreidelde seniele dementie.

Het Nazi-manifest van de heer Alex Karp en zijn metgezel moet in de eerste plaats worden gelezen als een uiting van de woeste decadentie van een cultuur die niet in staat is om met haar eigen veroudering om te gaan.

Dit zielige manifest tracht de strijdlustige geest van het dominante ras nieuw leven in te blazen door deze te zuiveren van alle mededogen.

Punt tien waarschuwt: ‘De psychologisering van de moderne politiek leidt ons op een dwaalspoor. Degenen die naar de politieke arena kijken om hun ziel en zelfbeeld te voeden, die te zwaar leunen op hun innerlijke leven dat tot uiting komt in mensen die ze misschien nooit zullen ontmoeten, zullen teleurgesteld achterblijven.’

Als de moderne beschaving iets goeds heeft voortgebracht – naast de gewelddadige overheersing van het westerse kolonialisme – dan was het wel dat sprankje universalisme, dat in zowel de kantiaanse als de marxistische traditie probeerde zich een wereld voor te stellen waarin vrede mogelijk is.

De onverschrokken Karp (en zijn trouwe schildknaap Nicholas Zamiska) denken dat ze door een dreigende uitstraling de Untermenschen angst kunnen aanjagen.

Maar de Perzische Untermenschen lijken niet zo bang te zijn, terwijl de Chinese Untermenschen venijnig lachen terwijl ze de ineenstorting van de Amerikaanse geest gadeslaan.

Punt 5 van het manifest waarschuwt tegen elke beperking (ethisch of gewoon menselijk) op het gebruik van gewapend geweld (en van de moorddadige kunstmatige intelligentie): ‘Onze tegenstanders zullen zich niet laten tegenhouden door eindeloze, theatrale discussies over de voor- en nadelen van dergelijke technologie. Zij zullen gewoon doorgaan.’

Dit is waarschijnlijk het gevaarlijkste punt uit het manifest, omdat het een onmiskenbare realiteit beschrijft: in competitieve omstandigheden is het ergste gegarandeerd.

Herinner je je de glorieuze tijden van het jeugdige, ongebreidelde neoliberalisme nog, toen John Perry Barlow die gewaagde verklaring schreef?

Destijds werd ons verteld dat alles moest worden onderworpen aan de markt en het streven naar winst. Scholen, de gezondheidszorg en andere publieke diensten moesten volgens die logica functioneren, omdat concurrentie – zo was het idee – de kwaliteit zou verhogen en betere resultaten voor gebruikers zou opleveren.

Dat bleek onjuist, en inmiddels weten we dat de sociale omstandigheden sterk zijn verslechterd sinds winst het belangrijkste uitgangspunt werd.

Maar als economische concurrentie al tot grote sociale problemen heeft geleid, dan dreigt militaire concurrentie een nog veel grotere ramp te veroorzaken, mogelijk zelfs de ondergang van de menselijke beschaving.

Sommige politici stellen dat we de schadelijke gevolgen van kunstmatige intelligentie kunnen voorkomen, door ethische regels vast te leggen die ervoor zorgen dat zulke systemen ons geen schade toebrengen.

Echt waar?

Zo’n vastlegging van regels zou alleen echt mogelijk zijn in een wereld waarin vrede en onderling vertrouwen de norm zijn.

Maar in plaats daarvan zijn we het tijdperk van agressief nationalisme binnengetreden. Hoe kunnen we verwachten dat onze tegenstanders zich terughoudend en netjes zullen gedragen, als we zelf al hebben aangekondigd dat we dat niet zullen doen?

In elke situatie van concurrentie is er altijd iets wat we niet kunnen weten, namelijk welke strategie onze tegenstander of concurrent zal volgen.

Juist omdat we niet weten wat de ander zal doen, voelen we de druk om alles te doen wat technisch mogelijk is. We leggen onszelf geen beperkingen op, uit angst dat de tegenstander anders wél doorgaat met wat wij hebben nagelaten. In die logica lijkt het alsof we ons niet kunnen veroorloven om mogelijkheden onbenut te laten, zelfs als ze schadelijk zijn, of misschien juist omdat ze dat zijn.

Daarom dreigt geen enkele vorm van verwoesting ons bespaard te blijven die technisch mogelijk is met de kennis die we hebben.

Daarom ben ik ervan overtuigd dat de eenentwintigste eeuw wel eens de laatste eeuw zou kunnen zijn.

Er is nog een andere gedachte: we weten niet of datgene wat ons in gevaar brengt — zelfs extreem gevaar — misschien ook de basis vormt voor een hogere orde. Een orde die, in abstracte zin, bevrijd is van de onvolmaaktheid van het bewuste leven.

De Intelligente Automaat weet dit. Daarom is hij vastbesloten om de onvolmaaktheid die wij vertegenwoordigen uit te wissen.

Is dit de reden waarom we hem hebben gebouwd?

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Filosofie Politiek

Anti-Palantir manifest

Oorspronkelijke tekst (Engels): Nym Technologies

fotografie: Nym Technologies

door Harry Halpin

1. Programmeurs die aan het internet werken, hebben een verantwoordelijkheid tegenover de hele wereld, niet tegenover één enkel land. Het internet is vanaf het begin bedoeld als een open systeem om kennis te delen, zonder censuur. Het is dan ook niet het eigendom van één regering of één natie.

2. Het internet maakt massasurveillance mogelijk op een schaal die zelfs voor organisaties als de Gestapo en de Tsjeka ondenkbaar was. Veel programmeurs hebben hun talent ingezet voor het bouwen van volgsystemen, vaak vermomd als technologie voor online advertenties. Die systemen worden inmiddels gebruikt om mensen te monitoren en te controleren – en in sommige gevallen zelfs te doden. Bedrijven zoals Palantir Technologies zijn voorbeelden van organisaties die data-analyse combineren met staatsmacht, wat kan leiden tot een nieuw vorm van technofascisme.

3. Surveillance die wordt ingevoerd vanwege vermeende externe dreigingen voor de nationale veiligheid, kan uiteindelijk ook tegen de eigen bevolking worden gebruikt. Waar massasurveillance vroeger vooral het domein was van organisaties als de NSA, is een deel daarvan tegenwoordig verschoven naar private bedrijven zoals Palantir Technologies, die niet onder democratische controle staan. Wat vaak begint met angst voor buitenlandse dreigingen, richt zich daarna steeds meer naar binnen – op immigranten, critici en uiteindelijk iedereen die de bestaande orde ter discussie stelt of zich eraan probeert te onttrekken.

4. Iedereen is een doelwit. De ‘interne vijand’ breidt zich voortdurend verder uit totdat deze de gehele bevolking van een natie omvat, ongeacht status en overtuigingen, waarmee steeds paranoïdere en verdergaande totalitaire surveillance wordt gerechtvaardigd. De grens tussen politie- en militaire operaties vervaagt, waarbij wettelijke kaders worden vervangen door technologisch geweld dat met totale straffeloosheid opereert.

5. Surveillance kan alleen echt worden tegengegaan door technologie zelf: door software en hardware te ontwikkelen waardoor mensen worden beschermd. Algemene oproepen tot regulering of morele principes zijn onvoldoende. In plaats daarvan moeten rechten vooral via technologie worden afgedwongen. Code – niet wetten – kan ervoor zorgen dat ieders privacy wordt gehandhaafd, door toezicht technisch moeilijk of zelfs onmogelijk te maken, ook voor staten.

6. We worden geregeerd door een seniele gerontocratie. In tegenstelling tot eerdere generaties leiders die in de wereldoorlogen vochten, zijn veel van de huidige machthebbers vooral gericht op het behouden van hun positie, ten koste van jongere generaties en de toekomst van de planeet. Zij beschouwen technologieën voor surveillance en geautomatiseerde oorlogsvoering als middelen om archaïsche machtsstructuren in stand te houden.

7. Het Amerikaanse imperium valt uit elkaar. De Verenigde Staten konden lange tijd hun heerschappij afdwingen dankzij de rol van de dollar als mondiale reservemunt en een netwerk van militaire bases over de hele wereld. Tegenwoordig wordt die positie steeds vaker uitgedaagd door opkomende regionale machten. Tegelijkertijd valt het Amerikaanse imperium uiteen als gevolg van interne economische stagnatie, politieke corruptie en de inflatie van de dollar.

8. In een echte oorlog werken fantasieën over totale technologische dominantie altijd averechts. Wanneer een anonieme drone de vader van een kind doodt, zal dat kind op een dag wraak nemen, ongeacht de kosten. Dit is iets wat vergeten wordt door degenen die zijn opgegroeid in comfortabele buitenwijken. Als je verder kijkt dan het idee dat de één alleen kan winnen als de ander verliest, blijkt dat je de strijd tegen een volk alleen echt kunt ‘winnen’ door te laten zien dat jouw manier van leven aantrekkelijker is, met meer welvaart en een overtuigend perspectief voor de toekomst.

9. Vreemd genoeg zijn voorstanders van volledig geautomatiseerde oorlogsvoering voorstander van een algemene dienstplicht. Diep van binnen weten deze toetsenbordstrijders dat hun techno-fascistische fantasieën weinig voorstellen tegenover vastberaden tegenstanders die onconventionele vormen van oorlogvoering gebruiken. Ze weten ook dat geen van hun eigen kinderen in een oorlog voor hun land zal vechten, maar ze zouden het prima vinden als andermans kinderen in lijkzakken thuiskomen.

10. Het probleem is niet of er AI-wapens zullen worden gebouwd; we moeten degenen die ze bouwen ter verantwoording roepen. Welk land zulke geautomatiseerde moordmachines ook gebruikt, het mag nooit zo zijn dat burgerslachtoffers of de vernietiging van infrastructuur worden afgedaan door de schuld bij AI te leggen.

11. Een atoomoorlog ligt in het verschiet. Nu steeds meer landen verwikkeld raken in conflicten om schaarser wordende grondstoffen, komt ook het risico van het gebruik van tactische kernwapens weer nadrukkelijker in beeld – bijvoorbeeld in spanningsgebieden rond Teheran en Kyiv. Steeds meer bejaarde en autoritaire heersers hebben minder remmingen dan voorheen om kernwapens in te zetten, en zijn misschien zelfs bereid het voortbestaan van de mensheid op te offeren om hun eigen kleingeestige ego’s te strelen.

12. Ons doel is een vreedzame wereld waarin iedereen door het internet mondiger kan worden. Moderne oorlog komt er vaak op neer dat vooral jonge mensen de zwaarste prijs betalen. Waarom zou je je leven riskeren voor de belangen van corrupte machthebbers, als je via het internet ook zelf kansen kunt creëren en je eigen toekomst kunt opbouwen?

13. We moeten vechten voor de wereld die we willen, en de tools bouwen die toekomstige generaties nodig hebben. Pacifisme is in een tijd van wereldwijde spanningen en conflicten om grondstoffen geen haalbare optie. Echte harde macht ligt steeds meer in technologie. Programmeurs moeten technologie ontwikkelen die mensen helpt om vrij te leven en zich staande te houden in een samenleving met veel toezicht en controle. Decentralisatie is een belangrijke strategie, omdat die systemen minder kwetsbaar maakt voor de onvermijdelijke onderdrukking.

14. De staat zal ons niet helpen. De staat is een verouderde instelling uit de tijd vóór het internet, die steeds meer lijkt op een systeem dat draait op belastingen en schulden. Geen van de jongeren die vandaag de dag leven, zal waarschijnlijk profiteren van voorzieningen zoals sociale zekerheid en gezondheidszorg. Technologie kan macht verschuiven van centrale overheden naar individuen en naar gemeenschappen waar mensen zich vrijwillig bij aansluiten.

15. Gecentraliseerde en ondoorzichtige algoritmen vormen een gevaar voor de vrijheid van meningsuiting. Propaganda is de keerzijde van surveillance, aangezien voortdurende propaganda voorkomt dat iemand er zelfs maar aan denkt het systeem uit te dagen. In dit perspectief spelen dominante sociale mediaplatforms een belangrijke rol. Ze versterken de propaganda en onderdrukken kritische stemmen, waardoor mensen zich moeilijk kunnen organiseren of verzetten tegen de bestaande orde.

16. Het samen bouwen van nieuwe vormen van sociale organisatie is van vitaal belang om te overleven. Het traditionele medialandschap van politiek en entertainment bestaat om ons af te leiden van het opbouwen van genetwerkte solidariteit en gedistribueerde autonome organisaties over de grenzen heen. De hiërarchische staat is voor ons even relevant als de middeleeuwse kerk en koningen waren voor de vorming van de naamloze vennootschap en de vakbond.

17. Digitale identiteit is de volgende stap in hun controlesysteem. Binnen enkele jaren zal voor toegang tot het internet – ook in Europa en de Verenigde Staten – een biometrische nationale identiteitskaart vereist zijn, onder het zwakke voorwendsel van ‘het beschermen van kinderen.’ Het werkelijke doel is het afschermen van de vrije toegang tot subversieve politieke inhoud, en het stoppen van grensoverschrijdende communicatie om te voorkomen dat nieuwe vormen van zelforganisatie en verzet ontstaan.

18. Alleen wanneer men anoniem kan zijn, is men werkelijk vrij. De vrijheid om je zonder censuur en toezicht te kunnen uiten, is een basisvoorwaarde voor zowel zelfstandig denken als een goed functionerende democratie. Technologie zou die vrijheid juist moeten ondersteunen. Dat betekent dat mensen zelf moeten kunnen bepalen wat ze wel en niet van zichzelf laten zien, zodat ze zich vrij kunnen ontwikkelen. Daarvoor is het belangrijk dat het recht op privacy online goed wordt beschermd – niet alleen persoonlijke gegevens, maar ook de mogelijkheid om privé transacties te verrichten en afspraken te maken zonder ongewenste inmenging.

19. Amerika creëerde de eerste wereldwijde surveillancestaat, maar het zal niet de laatste zijn. Te veel mensen zijn de onthullingen van Wikileaks en Snowden vergeten, of beschouwen ze misschien als vanzelfsprekend. Staten over de hele wereld, van China tot Rusland, bouwen steeds krachtigere wereldwijde surveillancesystemen en propagandamachines. Door gebruik te maken van particuliere defensiecontracten in landen over de hele wereld, streeft Palantir ernaar zichzelf tot het besturingssysteem van een grensoverschrijdende mondiale geheime staat te maken, terwijl het zijn eigen belachelijke versie van het etnonationalisme propageert.

20. Cultuuroorlogen zijn een psyop. De ‘Epstein-klasse’ pronkt met haar deugdzaamheid en de superioriteit van haar beschaving, terwijl ze tegelijkertijd probeert terug te keren naar de heerschappij van erfelijke elites, zelfs in de Verenigde Staten. In plaats van de verworvenheden van de Verlichting ongedaan te willen maken, kiezen wij de kant van onze voorouders die eeuwenlang hebben gestreden voor individuele vrijheid, wetenschappelijke vooruitgang, gedecentraliseerde markten, bottom-up democratie, en de emancipatie van de mensheid van feodale vorsten en hun fantasierijke mythologieën.

21. Nieuwe vormen van technologie kunnen de wereld opnieuw vormgeven. Technologie is niet alleen een hulpmiddel, maar vormt steeds meer de wereld waarin we leven en werkt als een verlengstuk van ons denken. De samenwerking tussen mensen en de collectieve intelligentie van AI kan de vooruitgang versnellen en helpen bij het aanpakken van grote wereldproblemen, zoals klimaatverandering en de dreiging van een nucleaire oorlog.

22. Leef vrij, of probeer het tot het uiterste – zelfs als dat je leven kost. We moeten eeuwig waakzaam zijn in de strijd tegen het fascisme, en het slagveld is technologie. Er is geen middenweg: mensen die technologie ontwikkelen hebben een duidelijke keuze hebben – bijdragen aan systemen die mensen beperken en controleren, of juist technologie bouwen die nieuwe vormen van vrijheid mogelijk maakt.

Opmerking van Harry Halpin

Dit zijn mijn persoonlijke overtuigingen, niet die van Nym. Maar als filosoof en oprichter van een tech-startup die werkt aan anti-surveillancetechnologie, voel ik me wel verplicht om te reageren op het manifest van Palantir Technologies en zijn zogenoemde ‘filosoof-CEO’ Alex Karp. Ik heb filosofie gestudeerd bij de Franse technologiefilosoof Bernard Stiegler, die waarschuwde voor de opkomst van gedragssturing en een vorm van ‘kunstmatige domheid’ op digitale platforms. Aan zijn nalatenschap draag ik deze reactie op. Voor wie meer wil lezen: ik heb recent een filosofisch artikel geschreven over de ‘immateriële grondwet’ die is ontstaan uit internetstandaarden, mede als reactie op de onthullingen van Edward Snowden over grootschalige surveillance door de NSA. De discussie gaat door – en er staat nu nog meer op het spel.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Filosofie Politiek

Palantir Manifest

Oorspronkelijke tekst (Engels): X

fotografie: theonering.com

door Alex Karp en Nicholas W. Zamiska

Fragmenten uit de #1 New York Times-bestseller The Technological Republic: Hard Power, Soft Belief, and the Future of the West, door Alexander C. Karp & Nicholas W. Zamiska:

Omdat we deze vraag vaak krijgen. De Technologische Republiek, in het kort.

1. Silicon Valley heeft een morele verantwoordelijkheid tegenover het land dat zijn groei mogelijk heeft gemaakt. De technische elite die daar werkt, heeft de plicht om bij te dragen aan de verdediging van de natie.

2. We moeten ons verzetten tegen de tirannie van de apps. Is de iPhone echt onze grootste creatieve prestatie, misschien zelfs het hoogtepunt van onze beschaving? Het apparaat heeft ons leven ingrijpend veranderd, maar dreigt nu ook ons beeld van wat mogelijk is te verkleinen en te beperken.

3. Gratis e-mail is niet voldoende. De decadentie van een cultuur of beschaving – en vooral die van de elite – wordt alleen geaccepteerd als diezelfde cultuur in staat is om economische groei en veiligheid voor de samenleving te bieden.

4. De grenzen van soft power – van mooie woorden en overtuigende retoriek alleen – zijn duidelijk geworden. Het succes van vrije en democratische samenlevingen hangt af van meer dan alleen morele overtuigingskracht. Er is ook harde macht nodig, en in deze eeuw zal die in belangrijke mate gebaseerd zijn op software.

5. De vraag is niet óf er AI-wapens worden ontwikkeld, maar door wie en met welk doel voor ogen. Onze tegenstanders zullen zich niet laten tegenhouden door eindeloze, theatrale discussies over de voor- en nadelen van dergelijke technologie. Zij zullen gewoon doorgaan.

6. Nationale dienstplicht zou voor iedereen moeten gelden. Als samenleving zouden we serieus moeten overwegen om af te stappen van een volledig vrijwillig leger en alleen oorlog te voeren als iedereen de risico’s en kosten deelt.

7. Als een Amerikaanse marinier vraagt om een beter geweer, dan moeten we dat maken – en hetzelfde geldt voor software. Als land moeten we het debat kunnen blijven voeren over wanneer militair ingrijpen in het buitenland wel of niet gerechtvaardigd is, terwijl we tegelijk onvoorwaardelijk achter de mensen staan die we vragen om hun leven op het spel te zetten.

8. Ambtenaren hoeven niet onze priesters te zijn. Elk bedrijf dat zijn medewerkers zou belonen zoals de federale overheid dat doet, zou waarschijnlijk moeite hebben om te overleven.

9. We moeten meer begrip en mildheid tonen tegenover mensen die zich inzetten voor het publieke leven. Als we geen ruimte meer laten voor fouten, vergeving en de complexiteit van menselijk gedrag, lopen we het risico dat er uiteindelijk leiders overblijven waar we juist spijt van krijgen.

10. De psychologisering van de moderne politiek leidt ons op een dwaalspoor. Degenen die naar de politieke arena kijken om hun ziel en zelfbeeld te voeden, die te zwaar leunen op hun innerlijke leven dat tot uiting komt in mensen die ze misschien nooit zullen ontmoeten, zullen teleurgesteld achterblijven.

11. Onze samenleving is te gretig geworden om de ondergang van haar vijanden te bespoedigen, en is daar vaak opgetogen over. Het verslaan van een tegenstander is een moment om even stil te staan, niet om te juichen.

12. Het atoomtijdperk loopt ten einde. Een tijdperk van afschrikking, het atoomtijdperk, loopt ten einde, en een nieuw tijdperk van afschrikking, gebaseerd op kunstmatige intelligentie, staat op het punt te beginnen.

13. Geen enkel ander land in de wereldgeschiedenis heeft progressieve waarden zo sterk bevorderd als dit land. De Verenigde Staten zijn zeker niet perfect. Toch wordt vaak vergeten hoeveel kansen er daar zijn voor mensen zonder afkomst uit een elite, vergeleken met veel andere landen.

14. De Amerikaanse macht heeft bijgedragen aan een uitzonderlijk lange periode van relatieve vrede. Veel mensen zijn vergeten – of nemen als vanzelfsprekend aan – dat er bijna een eeuw geen directe oorlog is geweest tussen grote wereldmachten. Minstens drie generaties – miljarden mensen, hun kinderen en inmiddels hun kleinkinderen – hebben nooit een wereldoorlog meegemaakt.

15. De naoorlogse castratie van Duitsland en Japan moet herzien worden. De ontwapening van Duitsland was een te sterke correctie, waar Europa nu een zware prijs voor betaalt. Een vergelijkbare toewijding aan pacifisme in Japan zou – als dat zo blijft – ook het machtsevenwicht in Azië kunnen verstoren.

16. We zouden mensen moeten waarderen die proberen iets op te bouwen waar de markt tekortschiet. De cultuur lijkt vaak wat meewarig te doen over bijvoorbeeld de interesse van Elon Musk in een groter verhaal of visie. Alsof miljardairs zich alleen maar zouden moeten bezighouden met hun eigen rijkdom. Elke oprechte nieuwsgierigheid naar de waarde van wat hij heeft gecreëerd wordt dan snel weggewuifd, of bekeken nauwelijks verhulde minachting.

17. Silicon Valley zou een actieve rol moeten spelen bij het aanpakken van geweldsmisdrijven. In de Verenigde Staten lijken veel politici het probleem grotendeels te laten liggen. Serieuze pogingen om het aan te pakken – en daarbij risico’s te nemen richting kiezers of donateurs – blijven vaak uit, terwijl er juist dringend behoefte is aan nieuwe oplossingen en experimenten om levens te redden.

18. De voortdurende en vaak meedogenloze aandacht voor het privéleven van publieke figuren jaagt veel talent weg uit de overheidsdienst. De publieke arena is zo hard en oppervlakkig geworden – met kleinzielige aanvallen op mensen die iets anders proberen te doen dan zichzelf verrijken – dat er uiteindelijk vooral leiders overblijven die weinig te bieden hebben. Hun ambitie zou nog te begrijpen zijn, als er tenminste een oprechte overtuiging achter zat.

19. De voorzichtigheid die we in het openbare leven – vaak onbewust – aanmoedigen, is schadelijk. Mensen die bang zijn om iets verkeerds te zeggen, zeggen uiteindelijk vaak helemaal niets.

20. De wijdverbreide afkeer van religieuze overtuigingen in sommige kringen moet worden bestreden. De intolerantie van bepaalde elites tegenover religie is misschien wel een duidelijk teken dat hun politieke project minder open en pluralistisch is dan ze zelf beweren.

21. Sommige culturen hebben belangrijke vooruitgang geboekt, terwijl andere minder goed functioneren of zelfs achteruitgaan. Tegelijk is het idee ontstaan dat alle culturen per definitie gelijk zijn en dat kritiek of waardeoordelen niet meer toegestaan zijn. Maar dat standpunt gaat voorbij aan het feit dat sommige culturen – en zelfs subculturen – grote prestaties hebben geleverd. Andere culturen zijn middelmatig gebleken, en erger nog, regressief en schadelijk.

22. We moeten oppassen voor de verleiding van een leeg en oppervlakkig pluralisme. In Amerika – en breder in het hele Westen – hebben we ons de afgelopen vijftig jaar vaak terughoudend opgesteld als het gaat om het benoemen van een nationale cultuur, uit naam van inclusiviteit. Maar dan blijft de vraag: inclusie in wat precies?

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Filosofie Politiek

‘Geklets van een superschurk’

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 21 april 2026

fotografie: Kevin Dietsch

door Aisha Down and Robert Booth

Er is onrust ontstaan door uitspraken van Alex Karp, de CEO van technologiebedrijf Palantir, waarin hij pleit voor militaire dominantie van de Verenigde Staten en voor de ontwikkeling van AI-wapens

Het Amerikaanse spionagetechnologiebedrijf Palantir heeft een manifest gepubliceerd, waarin de voordelen van Amerikaanse macht worden benadrukt en waarin wordt gesuggereerd dat sommige culturen minderwaardig zouden zijn. Parlementsleden reageerden fel en noemden het onder meer ‘een parodie op een RoboCop-film’ en ‘het geklets van een superschurk.’

‘Sommige culturen hebben belangrijke vooruitgang geboekt, terwijl andere minder goed functioneren of zelfs achteruitgaan,’ schreef Palantir in een bericht van 22 punten dat afgelopen weekend op X verscheen en waarin ook werd opgeroepen tot een einde aan de ‘naoorlogse castratie’ van Duitsland en Japan.

Het bericht riep de Verenigde Staten op om de dienstplicht opnieuw in te voeren. Daarbij werd gesteld dat ‘vrije en democratische samenlevingen’ ook ‘harde macht’ nodig hebben om te kunnen zegevieren.

Het voorspelde ook een toekomst die gedomineerd wordt door autonome wapens: ‘De vraag is niet óf er AI-wapens worden ontwikkeld, maar door wie en met welk doel voor ogen. Onze tegenstanders zullen zich niet laten tegenhouden door eindeloze, theatrale discussies over de voor- en nadelen van dergelijke technologie. Zij zullen gewoon doorgaan.’

Deze uitspraak is meest recente in een reeks opvallende verklaringen van Palantir en zijn CEO, Alex Karp. Die wekken de indruk dat Karp zichzelf niet alleen ziet als leider van een softwarebedrijf, maar ook als iemand met belangrijke ideeën over de toekomst van de beschaving.

Dit leidde tot kritiek van diverse parlementsleden, die zeiden dat dit nieuwe vragen oproept over de contracten die het Verenigd Koninkrijk heeft gesloten met Palantir. Het bedrijf heeft in Groot-Brittannië voor meer dan 500 miljoen pond aan opdrachten binnengehaald, waaronder een contract van 330 miljoen pond met de NHS (Nationale Gezondheidsdienst), en overeenkomsten met de politie en het Ministerie van Defensie. Deze overeenkomsten staan steeds vaker ter discussie.

Volgens Martin Wrigley, parlementslid voor de Liberaal-Democraten en lid van de commissie voor wetenschap en technologie van het Lagerhuis, is het manifest van Palantir ‘ofwel een parodie op een RoboCop-film, ofwel een verontrustende, narcistische tirade van een arrogante organisatie.’ Hij doelde daarmee op passages waarin onder meer AI-gestuurde staatssurveillance en nationale dienstplicht worden verdedigd.

‘Hoe je het ook bekijkt, dit laat zien dat de bedrijfsfilosofie totaal ongeschikt is voor het werken aan Britse overheidsprojecten waarbij zeer gevoelige persoonlijke gegevens van burgers betrokken zijn.’

Het is niet duidelijk waarom Palantir het manifest heeft gepubliceerd. De inhoud lijkt sterk op de ideeën uit het boek The Technological Republic van Alex Karp, dat vorig jaar verscheen. In dat boek bekritiseert hij wat hij ziet als een wijdverbreide zelfgenoegzaamheid onder ‘ingenieurs en oprichters van techbedrijven.’ Volgens hem richten zij zich te veel op relatief oppervlakkige toepassingen, zoals apps voor het delen van foto’s, in plaats van samen te werken met overheden ‘om de geopolitieke positie van het Westen’ veilig te stellen.

In een interview met CNBC begin maart stelde Karp dat AI de machtsverhoudingen tussen kiezers zou kunnen verschuiven. Volgens hem zou de invloed van ‘hoogopgeleide kiezers – vaak vrouwen die op de Democraten stemmen’ – kunnen afnemen, terwijl praktisch opgeleide kiezers uit de arbeidersklasse, vaker mannen, juist meer invloed zouden krijgen.

Rachael Maskell, parlementslid voor Labour, voormalig medewerker van de NHS en criticus van het contract van 330 miljoen pond dat Palantir kreeg voor het beheer van het gegevensplatform van NHS England, zei tegen The Guardian: ‘Het is behoorlijk verontrustend dat dit wordt gepubliceerd. Als je hieruit probeert op te maken wat Palantir commercieel wil bereiken, lijkt het erop dat het bedrijf zichzelf in het centrum van een technologische defensierevolutie wil plaatsen. Daarmee is het veel meer dan alleen een leverancier van technologische oplossingen; het probeert ook invloed uit te oefenen op beleid, politiek en investeringskeuzes.’

‘Het is tijd dat de regering goed kijkt naar de cultuur en ideologie van Palantir, en onderzoekt hoe ze zo snel mogelijk onder de bestaande contracten uit kan komen.’

Vorige maand meldde The Guardian dat Palantir toegang zou krijgen tot zeer gevoelige Britse financiële toezichtgegevens. Dat gebeurde nadat de Financial Conduct Authority het bedrijf een contract had gegeven om interne inlichtingengegevens te analyseren. Parlementsleden riepen de regering op om deze deal stop te zetten.

In een debat vorige week eisten parlementsleden ook dat de regering het contract met de NHS zou beëindigen.

‘Er is geen gebrek aan bizarre en verontrustende uitspraken van het management van Palantir,’ zei Tim Squirrell, hoofd strategie bij de actiegroep Foxglove.

‘Deze jongste reeks onsamenhangende uitspraken van Alex Karp, die rechtstreeks uit een stripboek lijken te komen, laat zien hoe diep Palantir verankerd is in de alliantie tussen Donald Trump en de grote techbedrijven. Het bedrijf lijkt gefixeerd op Amerikaanse dominantie en is daarmee volstrekt ongeschikt om ook maar in de buurt van onze publieke diensten te komen.’

‘Het “manifest” van Palantir klinkt als het geklets van een superschurk,’ zei Victoria Collins, parlementslid voor de Liberaal-Democraten. ‘Een bedrijf met zulke uitgesproken ideologische standpunten en zo weinig respect voor de democratische rechtsstaat hoort niet betrokken te zijn bij onze publieke diensten.’

Een woordvoerder van Palantir zei: ‘De software van Palantir helpt de werkzaamheden van de NHS uit te breiden, verkort de tijd die nodig is om kanker vast te stellen, zorgt ervoor dat schepen van de Royal Navy langer op zee kunnen blijven en helpt vrouwen en kinderen te beschermen tegen huiselijk geweld.’

‘We zijn er trots op dat deze ondersteuning wordt geleverd door de zeventien procent van ons personeel dat in het Verenigd Koninkrijk werkt – het hoogste aandeel onder de twintig grootste technologiebedrijven ter wereld.’

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

Cole Tomas Allen is een postmodern fenomeen

Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 28 april 2026

fotografie: UnHerd

door Sohrab Ahmari


Sohrab Ahmari is de Amerikaanse eindredacteur van UnHerd en de auteur van het onlangs verschenen Tyranny, Inc: How Private Power Crushed American Liberty — and What To Do About It

We snakken naar grootse verhalen

Spectaculaire gebeurtenissen – zoals de poging tot moord van dit weekend op Donald Trump en zijn kabinet in Washington – kunnen de indruk wekken dat we in uitzonderlijke tijden leven: ongekend onrustig en gewelddadig. Maar zelfs een basiskennis van de geschiedenis laat zien dat dit idee van ‘alles is nu erger dan ooit’ niet klopt. Van de dood van Alexander Hamilton door een duel tot het overlijden van Abraham Lincoln en de moord op John F. Kennedy, loopt politiek geweld parallel aan de Amerikaanse constitutionele stabiliteit.

Het feit dat sommige verschijnselen steeds terugkomen in de geschiedenis, betekent niet dat ze altijd hetzelfde blijven. Hun vorm en betekenis veranderen mee met bredere economische en ideologische ontwikkelingen. Zo valt het bijvoorbeeld op dat Cole Tomas Allen, de nieuwste persoon die wordt gelinkt aan een mogelijke aanslag op Donald Trump, afkomstig zou zijn uit de professionele middenklasse. Zijn motieven lijken vooral moreel gedreven – en beïnvloed door thema’s rond Jeffrey Epstein – maar staan los van een groter politiek project of een bredere beweging voor maatschappelijke verandering.

Met andere woorden: Cole Tomas Allen laat zien hoe de grote ideologische verhalen zijn weggevallen – precies wat de Franse denker Jean-François Lyotard beschreef als kenmerkend voor de postmoderne tijd (in een boek uit 1979 met de titel ‘La condition postmoderne’). Allen handelde niet om een nieuw politiek toekomstbeeld te realiseren, maar eerder om zichzelf moreel te zuiveren. Zoals zijn manifest het verwoordde: ‘Ik ben niet langer bereid toe te staan dat een pedofiel, verkrachter en verrader mijn handen met zijn misdaden besmeurt.’

‘Postmodernisme’ is eigenlijk een begrip dat is overgebleven uit eerdere fases van de cultuuroorlog. Ter rechterzijde werd het vaak slecht begrepen: veel conservatieve critici zagen de beschrijving van de situatie door linkse denkers aan voor een goedkeuring ervan. Daardoor ontstond een houding waarbij ongeveer gold: ‘Alles wat ik niet leuk vind, is postmodern.’ Dat was typerend voor veel conservatieve (en ook liberale) discussies in de jaren tachtig en negentig. Ondertussen raakte de term onder linkse academici juist snel uit de mode, omdat andere progressieve thema’s belangrijker werden.

Maar hoewel de discussies over het postmodernisme vaak weinig opleverden, beschreven Lyotard en zijn navolgers wel een belangrijke verandering. Vanaf het laatste derde deel van de twintigste eeuw ontstond er namelijk steeds meer wantrouwen jegens grote, allesomvattende verhalen over de menselijke samenleving – verhalen die vroeger juist richting gaven aan sociale verandering. Voorbeelden van zulke ‘grote verhalen’ zijn het liberalisme van de Verlichting, het wetenschappelijk positivisme, de freudiaanse psychoanalyse, en natuurlijk het marxisme en het dialectisch materialisme.

Sommige denkers verwelkomden het verdwijnen van de grote ideologische verhalen, omdat zij die zagen als rechtvaardigingen van bestaande machtsstructuren, en uiteindelijk als onhoudbaar. Maar dat verlies had ook een keerzijde. Een belangrijk gevolg was dat het optimistische geloof in de toekomst, dat zo kenmerkend was voor het modernistische denken, verzwakte. Stromingen zoals het marxisme plaatsten de mens bovendien minder centraal dan in de klassieke en middeleeuwse wereldbeelden het geval was.

Tegelijkertijd beweerden denkers als Auguste Comte, Sigmund Freud en Karl Marx dat zij nieuwe fundamenten voor de menselijke vrijheid hadden ontdekt. Voor marxisten betekende dit dat je de geschiedenis een zetje kon geven richting haar vermeende eindpunt: het doorbreken van het kapitalistische systeem, waarin mensen elkaar uitbuiten, en het vervangen daarvan door een welvarende, klassenloze samenleving. In zo’n samenleving zou iedereen zijn eigen talenten kunnen ontwikkelen, wat Marx in het derde deel van Het Kapitaal ‘het ware rijk van de vrijheid’ noemde.

Na het modernisme bleven wetenschap en technologie zich in hoog tempo verder ontwikkelen. Maar die vooruitgang werd niet langer gezien als onderdeel van een groter verhaal over bevrijding of vooruitgang voor de mensheid. De nieuwe communicatietechnologieën die in de jaren negentig opkwamen, zorgden juist voor meer versnippering. Allerlei achterhaalde ideeën en hyperlokale belangen kregen online nieuw leven. Mensen trokken zich steeds vaker terug in kleine gemeenschappen met dezelfde interesses, en vaak ook dezelfde meningen.

In de kunst maakte de typische modernistische focus op tijd – of die nu gericht was op de toekomst of op een idealisering van het verleden – plaats voor een meer oppervlakkige en ‘platte’ stijl, vaak in de vorm van pastiches. Dat stelde de Amerikaanse criticus Fredric Jameson. Ook in de architectuur veranderde het beeld. De grote, utopische en monumentale ontwerpen van het modernisme maakten plaats voor stijlen die speelser en toegankelijker waren, en sterker aansloten bij de populaire cultuur. Een invloedrijke tekst moedigde architecten zelfs aan om te leren van – in plaats van afstand te nemen van – Las Vegas.

En ook op het gebied van het politiek geweld is er iets veranderd. De figuur van de ideologisch gedreven anarchist of socialistische revolutionair heeft plaatsgemaakt voor een ander type: de eenling, zoals Cole Tomas Allen. Deze persoon handelt niet namens een bredere beweging of een visie op maatschappelijke verandering, maar vanuit een persoonlijke of sterk lokale motivatie. Dat past bij wat Lyotard beschreef: het verdwijnen van grote, allesomvattende verklaringsmodellen – zoals die van Comte, Freud en Marx – en hun vervanging door kleinere, meer persoonlijke betekeniskaders.

Dit betekent niet dat alle daders van het type Allen worden gedreven door bizarre overtuigingen of dat hun daden geen politieke betekenis hebben. Sommigen passen wel in dat beeld, zoals John Hinckley Jr., die probeerde Ronald Reagan te vermoorden. Hij wilde de filmfiguur Travis Bickle uit Taxi Driver nadoen, om indruk te maken op de jonge actrice Jodie Foster. Iets vergelijkbaars kan worden gezegd over Ryan Routh, die als tweede een poging ondernam om Donald Trump te vermoorden. Hij is meerdere keren door de geestelijke gezondheidszorg omschreven als iemand met wanen. Zo zei hij dat hij Oekraïne wilde verdedigen en vrede wilde brengen in Gaza, en verwees hij tijdens zijn proces – waarin hij terechtstaat voor meerdere ernstige aanklachten – ook naar Hitler.

Daarentegen schreef Cole Tomas Allen een vrij samenhangend manifest. Het lijkt erop dat hij dacht te handelen vanuit een progressieve en zelfs christelijke plicht. Maar het hebben van sterke politieke overtuigingen is nog iets anders dan het opzetten van een breed politiek project, zoals dat in de negentiende en een groot deel van de twintigste eeuw gebeurde. Toen socialistische revolutionairen de aanslag pleegden op tsaar Alexander II van Rusland, dachten zij dat ze een obstakel voor een betere toekomst uit de weg ruimden. Iets vergelijkbaars gold voor Leon Czolgosz, de anarchist die de Amerikaanse president William McKinley vermoordde.

Maar hoe zit dat bij Allen? Wat voor toekomst dacht hij in te luiden door Trump en zijn topfunctionarissen te doden? In zijn manifest komen woorden als ‘vrijheid,’ ‘gelijkheid,’ ‘arbeidersklasse’ of ‘imperialisme’ niet voor. Zulke begrippen krijgen pas betekenis binnen een breder politiek verhaal – een kader waarin bijvoorbeeld arbeiders tegenover werkgevers staan, het mondiale Zuiden tegenover het mondiale Noorden, onderdrukten tegenover machthebbers, en vooruitgang tegenover reactionaire krachten.

Laat één ding duidelijk zijn: ik betoog niet dat er ‘goede’ redenen zouden zijn om te moorden. Ook in de tijd van de grote ideologische verhalen werd terrorisme al bekritiseerd, juist door linkse denkers. Zij stelden dat een eenzame dader, wat zijn motieven ook zijn, uiteindelijk vooral het tegenovergestelde bereikt: hij versterkt de repressieve kant van de staat, brengt onschuldige mensen schade toe en – misschien wel het belangrijkste – vervangt collectieve actie en massabewegingen door een geromantiseerd idee van individuele heldendaden.

Het gaat mij er vooral om te laten zien hoe arm een tijdperk zonder grote, samenhangende verhalen – een postmodern tijdperk – kan zijn. En om de vraag te stellen waarom juist in zo’n tijd figuren zoals Allen de overhand lijken te krijgen.

Een van die zogenaamd ‘mislukte’ grote verhalen, het marxisme, kan hier misschien een verklaring voor bieden. Dat heeft te maken met de sociale positie van mensen als Allen en anderen, zoals Luigi Mangione, die wordt beschuldigd van de moord op Brian Thompson, de CEO van UnitedHealthCare. Zowel Allen als Mangione heeft gestudeerd aan een prestigieuze universiteit – respectievelijk Caltech en de uiversiteit van Pennsylvania – en behoort tot een professionele middenklasse die steeds meer onder druk staat en aan status verliest.

Professionals bezitten meestal niet zoveel vermogen als de rijke bovenklasse, maar ze zijn ook geen arbeiders die van een laag loon moeten rondkomen. Ze bevinden zich daar ergens tussenin. In de periode van de New Deal in de VS en de sociaaldemocratie in Europa vervulden zij vaak een bemiddelende rol tussen kapitaal en arbeid. Ze stonden aan de ene kant dicht bij het management en hielden toezicht op de werkprocessen, en droegen aan de andere kant bij aan het in stand houden van de ideeën en structuren waarop het systeem draaide.

Het begrip ‘laatkapitalisme’ in de ondertitel van het boek Postmodernism: or, the Cultural Logic of Late Capitalism van Fredric Jameson verwijst precies naar dit soort economische ordeningen uit het midden van de twintigste eeuw. In die periode maakte het harde, competitieve kapitalisme van de negentiende eeuw plaats voor een stabieler en beter georganiseerd systeem, waarin managers vaak meer invloed kregen dan de traditionele ondernemersklasse. De neoliberale wending – de sterke deregulering van de markten die in de jaren zeventig begon – heeft de rol van de professionals niet kleiner gemaakt. Hun functies, zoals bemiddelen en het in stand houden van ideeën en systemen, zijn alleen meer verschoven van de publieke sector naar de private sector.

Maar inmiddels lijkt de oude ondernemersklasse weer aan invloed te winnen, in de vorm van figuren als Elon Musk, Peter Thiel en Alex Karp. Deze invloedrijke zakenmensen zijn begonnen een nieuw, groots verhaal te formuleren, waarin zij zichzelf centraal stellen in de geschiedenis. Dat is bijvoorbeeld duidelijk te zien bij Palantir Technologies, dat in een recent ‘manifest’ de grote technologiebedrijven oproept om het Westen te bewapenen voor een nieuw tijdperk van voortdurende conflicten.

Je zou kunnen zeggen dat de Amerikaanse presidentverkiezingen van 2024 draaiden om een alliantie tussen de zogenoemde ‘Tech Right’ en een grote groep mensen met weinig vermogen. Samen keerden zij zich tegen de professionals en managers die vroeger juist als tussenlaag fungeerden. Tegelijkertijd versterkt de automatisering in kantoorbanen dit proces. Managers en bemiddelaars verdwijnen, waardoor de verhoudingen weer directer worden: rijk en arm staan steeds vaker rechtstreeks tegenover elkaar.

In een materialistische benadering kun je zeggen dat de grote ideologische verhalen uit de modernistische periode voortkwamen uit een ‘heroïsche’ fase van het kapitalisme, waarin felle en soms gewelddadige klassenstrijd centraal stond. Daarna volgde een meer bureaucratische en gecontroleerde fase, vaak aangeduid als ‘laatkapitalisme,’ waarin die spanningen deels werden afgezwakt. Nu zijn er echter tekenen dat we opnieuw een soort ‘heroïsche’ fase ingaan. Een zelfverzekerde en agressieve ondernemersklasse lijkt weer op te komen en produceert haar eigen, vaak eenvoudige grote verhalen. Maar zoals critici opmerken: figuren als Alex Karp zijn geen denkers van het niveau van Georg Wilhelm Friedrich Hegel.

Zo’n moment vraagt om nieuwe ideeën over de toekomst – nieuwe, grote verhalen die van onderaf ontstaan, vanuit de brede groep mensen zonder veel vermogen, die beginnen te beseffen dat de techmiljardairs niet vanzelf hun bondgenoten zijn. De wederopleving van het christendom kan helpen om zulke verhalen te verbinden met oude waarheden. Zolang zulke nieuwe perspectieven ontbreken, is de verwachting dat vormen van willekeurig geweld zullen blijven toenemen – geweld dat kan worden gezien als een uiting van frustratie bij een onder druk staande professionele klasse, die haar betekenis en positie ziet afnemen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Zal Trump een nieuwe Grote Depressie veroorzaken?

Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 27 april 2026

fotografie: De Morgen

door Wolfgang Münchau


Wolfgang Munchau is directeur van Eurointelligence en columnist bij UnHerd.

Dollarswaps zijn een slecht teken

Financiële crises zien er nooit precies hetzelfde uit. Wat ze wél gemeen hebben, is een wildgroei aan rare verhalen. Zo gingen er tijdens de beurscrash van 1929 verhalen rond over schoenpoetsers die aandelenadvies gaven op basis van wat ze toevallig hadden opgevangen. Begin deze eeuw dachten beleggers dat ingewikkelde financiële producten en geavanceerde wiskundige modellen het veilig maakten om te beleggen in risicovolle hypotheekproducten. De dwaasheid van dit soort verhalen wordt beschreven in het boek This Time is Different van Kenneth Rogoff en Carmen Reinhart. Financiële euforie ontstaat vaak doordat mensen vergeten wat er in het verleden is misgegaan.

De ‘schoenpoetser’ van nu is bijvoorbeeld de Amerikaanse soldaat die vierhonderdduizend dollar inzette op Polymarket, een wedplatform, in de verwachting dat de Venezolaanse president Nicolás Maduro in januari gearresteerd zou worden. Maar het vreemdste verhaal is misschien wel iets dat veel mensen hebben gemist, omdat het verstopt zit in de financiële pagina’s. De Amerikaanse minister van Financiën, Scott Bessent, heeft gezegd dat diverse Golfstaten – waaronder de Verenigde Arabische Emiraten – hebben gevraagd om zogeheten dollarswaplijnen met de Verenigde Staten. Bij een swap spreken twee partijen af om valuta uit te wisselen: in dit geval Amerikaanse dollars tegen de munt van de Emiraten, de dirham. Een swaplijn betekent dat de Emiraten op elk moment zo’n ruil kunnen activeren, bijvoorbeeld om snel aan dollars te komen als dat nodig is.

Maar waarom zouden ze dat willen? De Verenigde Arabische Emiraten zijn immers heel rijk. Het land beschikt al over een hoeveelheid dollars die meer dan tien keer zo groot is als het Exchange Stabilisation Fund van de Amerikaanse overheid – het fonds dat bij zo’n swap de tegenpartij zou zijn. Volgens Gita Gopinath, voormalig adjunct-directeur en hoofdeconoom van het IMF, kan dit erop wijzen dat ‘de gevolgen van het conflict met Iran veel groter zijn dan wat momenteel in de markten wordt ingeprijsd. Zulke verkenningen ontstaan niet zomaar, zelfs niet achter gesloten deuren.’

Volgens Brad Setser, onderzoeker bij de Council on Foreign Relations, is hier iets fundamenteel nieuws aan de hand. Hij vindt dat het lijkt op een twijfelachtige constructie buiten de officiële balans, ‘waarbij de Emiraten het voordeel hebben.’

Manipulatie van gokmarkten en dubieuze swaps kunnen tekenen zijn dat er een financiële crisis op komst is. Hoe de oorlog tegen Iran zal aflopen, is onzeker. Wel is duidelijk dat de diplomatie eromheen veel ingewikkelder is dan Donald Trump doet voorkomen. Dat bleek afgelopen weekend, toen hij de geplande reis van zijn gezanten Steve Witkoff en Jared Kushner naar Pakistan afblies. Het kost tijd om tot een diplomatieke oplossing te komen. Eerst moet er overeenstemming worden bereikt, en daarna duurt het nóg langer voordat de afspraken ook echt worden uitgevoerd. Dat proces kan maanden in beslag nemen. Zelfs daarna zullen de olie- en gasprijzen waarschijnlijk niet terugkeren naar hun oude niveau. De oorlog heeft blijvende schade veroorzaakt aan infrastructuur, zoals pijpleidingen en verwerkingsinstallaties. Ook hebben scheepvaart- en verzekeringsmaatschappijen tijd nodig om te bepalen wanneer het weer veilig is om door de Straat van Hormuz te varen.

Als Iran inkomsten inkomsten zou ontvangen uit het scheepvaartverkeer door de Straat van Hormuz, zoals Donald Trump heeft gesuggereerd, zou dat een gevaarlijk precedent scheppen voor de wereldeconomie. Het zou neerkomen op een soort belasting op internationale scheepvaart. Geïnspireerd door de Iraanse Revolutionaire Garde liet de Indonesische minister van Financiën, Purbaya Yudhi Sadewa, weten dat ook zijn land overweegt tol te heffen op schepen die door de Straat van Malakka varen. Deze zeestraat is zelfs nog belangrijker voor de wereldeconomie dan Hormuz: ongeveer veertig procent van de wereldhandel gaat erdoorheen.

Deze maatregelen zouden in strijd zijn met het verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee. In dit verdrag staat het principe dat geen enkel land soevereiniteit over de zeeën heeft. Als we dat principe loslaten, zou dat een grote stap terug zijn – naar een tijd van piraterij en kanonneerbootdiplomatie. We zouden daarmee niet alleen de mondialisering van de afgelopen dertig jaar ondermijnen, maar zelfs de vooruitgang van de afgelopentweehonderd jaar. De wereld zou er dan ingrijpend anders uitzien.

We moeten niet denken dat een snel en slecht doordacht vredesakkoord, een capitulatie van de VS, de minst slechte uitkomst voor de wereldeconomie zou zijn. Het grootste risico voor de wereldeconomie is niet een tijdelijke stijging van de olieprijzen, en ook niet kortdurende tekorten aan bijvoorbeeld ureum of helium. Zulke ontwrichtingen aan de aanbodkant zijn vervelend, maar het zijn schokken waar je je in principe op kunt voorbereiden.

Het grotere risico op de korte termijn is een nieuwe wereldwijde financiële crisis. Zo’n crisis kan niet alleen ontstaan door een langdurige oorlog, maar ook door een slechte vredesregeling. Daarmee wordt niet bedoeld dat een beurscrash de belangrijkste oorzaak zou zijn. Als bijvoorbeeld een blokkade van de Straat van Hormuz leidt tot een wereldwijde recessie, kan dat een kettingreactie veroorzaken in andere delen van het financiële systeem – vooral rond staats- en privéschulden. Daarom schrikken mensen die de mondiale financiële stromen volgen van berichten over gesprekken tussen de VS en de VAE over een valutaswap. Als zo’n swap slechts een twijfelachtige deal is, dan is dat nog de meest onschuldige verklaring. Maar het kan ook betekenen dat men zich voorbereidt op een ernstige schok in het wereldwijde financiële systeem. In dat scenario zouden banken in de Emiraten plots moeite kunnen krijgen om aan dollars te komen. Een swapovereenkomst zou dan helpen om het systeem draaiende te houden, maar wel onder enorme druk. In zo’n situatie gaat het niet langer over de prijs van diesel of tekorten aan kerosine, maar over iets veel groters: een economische crisis van het niveau van de Grote Depressie. Aandelenkoersen zouden dan zeker dalen, maar dat zou nog het minste probleem zijn.

Er is echter één groot verschil met 2008. Toen kwamen de wereldleiders nog samen om de crisis gezamenlijk aan te pakken. De G20, die tot dan toe vooral een overleggroep was van centrale bankiers en ministers van Financiën, hield in november 2008 in Washington haar eerste top met staatshoofden en regeringsleiders. De Amerikanen, Russen, Chinezen en Europeanen zaten toen allemaal aan één tafel, klaar om nieuwe financiële regels af te spreken en gezamenlijk de economie te stimuleren. Ook kwamen de leiders van landen met de euro voor het eerst samen als een aparte eurozone. Het internationale systeem van samenwerking en bestuur werkte toen nog.

Ik verlang niet terug naar die tijd. Wat de leiders toen besloten, werkte misschien op de korte termijn, maar richtte op de lange termijn schade aan in westerse economieën en democratieën. Beleidsmaatregelen zoals monetaire verruiming (quantitative easing) en strenge bezuinigingen behoren tot de meest schadelijke economische keuzes van deze eeuw. Bovendien werden ze ingevoerd zonder sterke democratische controle. Dat verklaart ook waarom de voorstanders van internationale samenwerking zo geschokt waren door Brexit: het was de eerste succesvolle tegenreactie op het multilateralisme.

Ik betreur het einde van het multilaterale tijdperk dus niet. Maar we moeten wel begrijpen wat de gevolgen daarvan zijn. Als de wereldeconomie opnieuw in een soort ‘hartstilstand’ terechtkomt, zoals in 2008, kunnen we niet verwachten dat politici zich weer zullen verenigen om snel tot een oplossing te komen, of überhaupt tot een oplossing. In plaats daarvan zullen ze elkaar de schuld geven, zoals ze nu al doen. Deze nieuwe financiële crisis zou zich dan ontwikkelen zonder effectieve gezamenlijke ingrepen.

In een wereld die het multilateralisme heeft losgelaten, wordt het belangrijker dan ooit dat de grootmachten zich terughoudend en voorzichtig opstellen. China lijkt op het eerste gezicht politiek terughoudend, maar voert economisch beleid dat eerder roekeloos te noemen is. Het land is bovendien veruit de grootste veroorzaker van mondiale economische onevenwichtigheden. Daarnaast bestaat het risico dat China op een onvoorspelbaar moment in de toekomst een militaire aanval op Taiwan zal uitvoeren.

Ook Vladimir Poetin staat niet bekend om zijn terughoudendheid, en dat geldt evenmin voor Donald Trump. Van Trump weten we dat hij van nature impulsief is en risico’s neemt. Hij is geen strategische denker, en lijkt zich te hebben verkeken toen hij opdracht gaf tot een aanval op Iran. Het zou dan ook verrassend zijn als hij in de toekomst wél kiest voor geduld en lange-termijndenken. Trump en zijn minister van Defensie, Pete Hegseth, hebben zich bovendien omringd met mensen die vooral ja-knikken. Er lijkt weinig ruimte meer voor tegenspraak binnen de regering. Zo heeft Hegseth kritische generaals en hoge ambtenaren ontslagen, waaronder recent John Phelan, de minister van Marine. Daarnaast heeft Trump geen vaste nationale veiligheidsadviseur. Minister van Buitenlandse Zaken Marco Rubio doet die job er tijdelijk bij. En hoewel vice-president JD Vance sceptisch was over de oorlog, is het onwaarschijnlijk dat hij zich openlijk tegen Trump zal keren.

De huidige Europese leiders zijn regelgebonden wezens, en dat geldt misschien nog wel het meest voor de Britse premier Keir Starmer. Zij betreuren het einde van het multilaterale tijdperk. Tegelijkertijd lijkt het hen te ontbreken aan strategisch denken en een duidelijke langetermijnvisie.

Ondanks alle sombere vooruitzichten is er ook een belangrijk lichtpunt. Kunstmatige intelligentie (AI) blijft het sterkste argument van de optimisten onder ons en een logische verklaring voor de hoge waarderingen op de markten van vandaag. AI kan uitgroeien tot de belangrijkste technologische doorbraak sinds elektriciteit. Het heeft de potentie om de manier waarop we werken en leven ingrijpender te veranderen dan welke andere innovatie ook die we in ons leven hebben meegemaakt.

De eeuwenoude basisregels van het beleggen gelden echter nog steeds. Deze keer kan alleen anders zijn in de mate waarin AI de economische productiviteitsgroei beïnvloedt. De effecten van AI beginnen nu pas voorzichtig zichtbaar te worden in sommige economische cijfers in de Verenigde Staten. Persoonlijk denk ik dat AI een technologie is die ons leven ingrijpend zal veranderen. Maar zeker weten doen we dat pas over een tijdje.

Dat betekent dat de voordelen van AI vrijwel zeker niet op tijd zullen komen om ons te beschermen tegen de gevolgen van deze oorlog, en tegen de economische en financiële schade die daaruit voortkomt. In die zin zal deze keer inderdaad anders zijn, maar niet op een positieve manier.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Gezondheid Politiek

Tsjernobyl en de prijs van nucleaire overmoed

Oorspronkelijke tekst (Engels): Engelsberg Ideas, 22 april 2026

fotografie: Globalnuclearenvironment.org

door Paul Josephson

Paul R. Josephson is een vooraanstaand historicus op het gebied van wetenschap, technologie en de Sovjetgeschiedenis. Hij is hoogleraar geschiedenis aan het Colby College in de Verenigde Staten en heeft vijftien boeken op zijn naam staan, waaronder ‘Would Trotsky Wear a Bluetooth? Technological Utopianism Under Socialism’ (2007).

Voorstanders van een nucleaire ‘renaissance’ zouden de gruwelijke mislukkingen van de Sovjet-Unie niet mogen vergeten

Veertig jaar geleden, eind april 1986, stonden de kranten vol met verontrustende berichten uit Oekraïne. De explosie vlak na middernacht in reactor 4 van de kerncentrale van Tsjernobyl veranderde het leven van de nietsvermoedende inwoners van Pripjat in een nachtmerrie van radioactieve besmetting. Op zaterdagochtend gingen de bewoners nog gewoon door met hun dagelijkse leven. Kinderen speelden buiten, er vonden in de omgeving zestien bruiloften plaats en vissers gooiden hun netten uit in de rivier die als koelwater voor de centrale diende. Niemand wist wat er werkelijk was gebeurd. De brandweerlieden die als eersten ter plaatse kwamen, handelden moedig, maar waren totaal niet voorbereid op de situatie. Ze moesten brandend grafiet en splijtstofstaven die uit de reactor waren geslingerd blussen – extreem radioactief materiaal. Op één na stierven zij later aan de gevolgen van de straling. Pas 36 uur later besloten de autoriteiten om de ongeveer vijftigduizend inwoners van Pripjat te evacueren, de stad die op slechts drie kilometer van de reactor was gebouwd. Ongelooflijk genoeg moesten schoolkinderen enkele dagen later nog deelnemen aan de jaarlijkse 1 mei-parade in Kyiv, terwijl er nog radioactieve deeltjes door de lucht zweefden.

De oorzaken van het ongeluk waren al duidelijk, zoals ik destijds schreef in een commentaar in de Boston Globe. Het ging om meerdere factoren: reactoren die zonder beschermende insluiting waren gebouwd, een ontwerp dat bij laag vermogen instabiel en zelfs explosief kon worden, en het vroegtijdig standaardiseren van onderdelen om kosten te besparen. Daar kwam nog bij dat men te veel vertrouwde op de betrouwbaarheid van technologie, iets wat pijnlijk zichtbaar werd in het idee om een complex met brandbaar grafiet, uranium en plutonium een ‘nucleair park’ te noemen. Michail Gorbatsjov stelde later dat de ramp in Tsjernobyl uiteindelijk heeft bijgedragen aan het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Hoewel hij zijn hervormingen van glasnost en perestrojka had aangekondigd, duurde het achttien dagen voordat hij zich publiekelijk tot de bevolking richtte over het ongeluk.

De ramp in Tsjernobyl leidde tot nieuwe categorieën van ‘radioactieve mensen.’ Ongeveer zevenhonderdduizend zogenoemde ‘liquidators’ werden ingezet om de gevolgen van de ramp te beperken. Zij sloopten besmette gebouwen, kapten bossen en verwijderden met bulldozers vervuilde grond en materialen. Sommigen, de zogenoemde ‘biorobots’, werkten in shifts van slechts één minuut op het dak van een aangrenzende reactor. Daar schepten ze brokstukken van uraniumbrandstof en rokend grafiet in het gapende gat eronder. Om de straling in te dammen, werd de beschadigde reactor afgedekt met een betonnen ‘sarcofaag.’ In 2017 werd daar een tweede, grotere beschermlaag overheen geplaatst. Tijdens de Russische invasie van Oekraïne in 2022 werd het gebied rond Tsjernobyl korte tijd bezet, waarbij opnieuw radioactief stof vrijkwam. Recent is ook de tweede afdekking beschadigd door droneaanvallen, zodat deze moet worden gerepareerd. Daarnaast is de kerncentrale van Zaporizja beschoten en bezet, waardoor deze is veranderd in een vuile atoombom die op ontploffen staat.

Nucleaire rampen vernietigen ecosystemen. In de Verboden Zone rond Tsjernobyl – een gebied van ongeveer 2.600 vierkante kilometer – stuurden de autoriteiten soldaten eropuit om huisdieren, vee en wilde dieren op te sporen, af te schieten en te begraven. Zo wilden ze voorkomen dat radioactieve deeltjes via hun vacht naar andere gebieden zouden worden verspreid. Een groot deel van de regio zal nog eeuwenlang radioactief blijven. Slechts enkele grote zoogdieren hebben zich in aantal hersteld. Uiteindelijk leidde de ramp naar schatting tot vijfduizend tot vijftigduizend extra sterfgevallen door kanker, naast talloze gevallen van leukemie en schildklierkanker bij kinderen. In totaal raakte minstens honderdvijftigduizend vierkante kilometer land besmet, een gebied ter grootte van een Amerikaanse staat als Illinois of Georgia.

Wat leert Tsjernobyl ons over de toekomst van kernenergie? De ramp liet op explosieve wijze zien dat veel beloften van het nucleaire tijdperk waarschijnlijk nooit volledig zullen worden waargemaakt: volledig veilige reactoren, voertuigen en medische toepassingen op kernenergie, een einde aan conflicten over olie en gas, en energie die zo goedkoop is dat meten nauwelijks nodig is. Toch ging de sector door, vaak met te weinig aandacht voor de risico’s van grote ongelukken en voor de groeiende hoeveelheid radioactief afval. Wereldwijd zijn er ongeveer vierhonderdvijftig kernreactoren in gebruik en nog eens zo’n vijftig in aanbouw. Daarnaast ligt er meer dan vierhonderdduizend ton gebruikte splijtstof opgeslagen in koelbassins en betonnen containers, in afwachting van een definitieve oplossing. Jaarlijks komt daar nog eens zo’n elfduizend ton bij. Dit materiaal brengt risico’s met zich mee, bijvoorbeeld bij mogelijke sabotage of ongelukken. Alleen al in de Verboden Zobe van Tsjernobyl liggen duizenden gebruikte splijtstofelementen, grote hoeveelheden splijtstof in de sarcofaag en miljoenen liters ander radioactief afval.

De wereldwijde saneringskosten van de militaire en civiele nucleaire sector lopen inmiddels in de biljoenen dollars. Alleen al het beperken van de gevolgen van de ramp in Tsjernobyl wordt geschat op zo’n zevenhonderd miljard dollar, en dat bedrag blijft stijgen, onder meer door verlaten landbouwgrond en stilgevallen industrie. Ook de ramp in Fukushima in Japan in 2011 had enorme gevolgen. Die ramp kon ontstaan doordat een kerncentrale was gebouwd op slechts vijfhonderd meter van de Stille Oceaan, in een gebied waar aardbevingen voorkomen. Een tsunami overspoelde de centrale, wat leidde tot kernsmeltingen, evacuaties en zware schade aan de visserij. De totale kosten – als gevolg van de sanering, verloren inkomsten, schade aan eigendommen en vervangende energie – zijn inmiddels opgelopen tot ongeveer vijfhonderd miljard dollar. Ondertussen loost Fukushima nog steeds radioactief tritium uit de sanering in de Stille Oceaan.

De nucleaire industrieën in China, Frankrijk, Rusland en de Verenigde Staten stellen dat er een nieuwe ‘renaissance’ van kernenergie ophanden is. Terwijl de rampen in Tsjernobyl en Fukushima zijn begraven in afgesloten gebieden, presenteren zij optimistische plannen. Ze spreken over zogenoemde Small Modular Reactors (SMR’s) die van nature veilig zouden zijn, snel gebouwd kunnen worden en CO₂-vrije elektriciteit leveren. Ook zouden ze een oplossing bieden voor de snel groeiende vraag naar energie. Tegelijkertijd zijn deze plannen sterk afhankelijk van miljarden aan overheidssubsidies. In de Verenigde Staten heeft de regering van Donald Trump het overheidstoezicht op de veiligheid van kerncentrales versoepeld om de bouw te versnellen.

En zo blijven dezelfde vragen uit 1986 nog altijd bestaan: waar moeten nieuwe kerncentrales komen? Wie gaat ze betalen? En wat gaan ze uiteindelijk kosten? Zijn zogenoemde Small Modular Reactors (SMR’s) echt veiliger en goedkoper dan de ongeveer vierhonderdvijftig reactoren die nu wereldwijd in gebruik zijn? Tot nu toe zijn er namelijk pas twee gebouwd, terwijl andere projecten al zijn stopgezet omdat de kostenramingen verdrievoudigden nog vóór de bouw begon. Er zijn ook zorgen over de gevolgen voor de gezondheid. Zo wees recent onderzoek in Plymouth, Massachusetts op een mogelijk verhoogd risico op kanker in de buurt van kerncentrales. En misschien wel de belangrijkste vraag: hoe groot is de kans dat er opnieuw een ernstig nucleair ongeluk plaatsvindt?

Kortom, de kernenergie-industrie wordt vaak gekenmerkt door overmoed. De bouw van één reactor kan inmiddels zo’n twintig miljard dollar kosten, radioactief afval blijft kwetsbaar voor bijvoorbeeld sabotage, en de opruiming van oude installaties loopt vaak tientallen jaren en enorme bedragen achter. Een ongeluk bij een wind- of zonnepark zal waarschijnlijk nooit zo’n blijvende naam krijgen, maar Tsjernobyl zal nog lange tijd symbool blijven staan voor wat er mis kan gaan met technologie.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

Veertig jaar na de ramp in Tsjernobyl zijn de gevolgen nog altijd merkbaar

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Conversation, 21 april 2026

fotografie: Harvard Ukranian Studies

door David Roger Marples


David Roger Marples is hoogleraar Russische en Oost-Europese geschiedenis aan de universiteit van Alberta

De explosie in de vierde reactor van de kerncentrale van Tsjernobyl, in het noorden van Oekraïne, op 26 april 1986 veranderde het leven van duizenden inwoners van de Sovjet-Unie ingrijpend.

De centrale lag op ongeveer twintig kilometer van de grens met Wit-Rusland, vlak bij de plek waar de rivieren de Oezj en de Pripjat samenkomen en uitmonden in het Kiev-reservoir. Het was een afgelegen gebied, met verspreide boerderijen in een rustig, agrarisch landschap.

Wind en regen verspreidden de radioactieve straling naar het noorden en noordwesten. De autoriteiten evacueerden de stad Pripjat, op drie kilometer ten noorden van de centrale, waar ongeveer 55.000 mensen woonden. Dat gebeurde pas veertig uur na het ongeluk.

Meer dan zeventig functionarissen van de regerende Communistische Partij van de Sovjet-Unie ontvluchtten de centrale. Twee operators kwamen direct om het leven. Daarnaast stierven 28 brandweerlieden en hulpverleners die naar de rampplaats waren gestuurd binnen drie maanden aan stralingsziekte.

Michail Gorbatsjov, de secretaris-generaal van het Centraal Comité van de partij, was op dat moment nog maar zes weken in functie.

In maart had hij zich op het 27e partijcongres gepresenteerd met zijn idee van ‘nieuw denken,’ met als kernbegrippen ‘glasnost’ (openheid) en ‘perestrojka’ (herstructurering). Toch zweeg de Sovjetregering na de ramp in Tsjernobyl ruim veertig uur voordat er informatie naar buiten kwam.

Op 28 april hoorden de Sovjetburgers dat er een ongeluk had plaatsgevonden, dat daarbij twee mensen waren omgekomen en dat er een overheidscommissie was ingesteld om de oorzaak te onderzoeken.

Wat gebeurde er in Tsjernobyl?

Het ongeluk in Tsjernobyl ontstond tijdens een veiligheidsexperiment. Daarbij wilde men onderzoeken hoe de stroomvoorziening zich zou gedragen tijdens het uitschakelen van de reactor. Het experiment vond plaats in een vakantieperiode, waardoor zowel de directeur van de centrale als de hoofdingenieur afwezig waren. Om het experiment te laten slagen, schakelden de operators zeven veiligheidssystemen uit die de reactor normaal gesproken automatisch zouden stilleggen.

De met grafiet gemodereerde RBMK-reactor, die werkte met regelstaven, had een ontwerpfout waarvan de operators niet op de hoogte waren. Bij een laag vermogen werd de reactor instabiel. Toen een operator het vermogen verlaagde, ontstond er een plotselinge piek in de energie. Die explosie blies het dak van de reactor weg, waardoor stukken grafiet uit de kern werden verspreid en er een radioactieve wolk vrijkwam.

Begin mei verscheen Gorbatsjov op televisie, maar hij gebruikte zijn toespraak vooral om ‘sensationele’ berichten over grote aantallen slachtoffers te veroordelen.

De bevolking in de zwaarst getroffen gebieden van Oekraïne en Wit-Rusland snakte naar informatie. Ongeveer zeshonderdduizend zogenoemde ‘liquidators’ werden ingezet om de radioactief besmette bovenlaag van de grond te verwijderen. Daarnaast bouwden mijnwerkers uit Rusland en de Donbas-regio in Oost-Oekraïne een ondergronds platform onder de reactor, om te voorkomen dat deze in het grondwater zou wegzakken.

Het duurde drie jaar voordat de Sovjetautoriteiten kaarten publiceerden waarop precies te zien was waar radioactief cesium was neergekomen. Het getroffen gebied omvatte het grootste deel van Wit-Rusland, grote delen van Noord- en West-Oekraïne en een deel van Zuid-Rusland.

Duizenden liquidators stierven tussen 1986 en 1989, vooral aan hartaanvallen. Het ging vaak om jonge mannen van in de twintig en dertig jaar.

In 1990 werd bij kinderen in Wit-Rusland schildklierkanker vastgesteld; meer dan 3.000 kinderen werden getroffen. Oekraïne stelde datzelfde jaar een moratorium in op de bouw van nieuwe kernreactoren. De centrale van Tsjernobyl werd in 2000 voorzien van een beschermende overkapping (een ‘sarcofaag’) over de beschadigde reactor.

Reactie van het publiek

Naarmate de omvang van de ramp duidelijker werd, namen de woede en de teleurstelling onder de bevolking toe. Veel mensen vroegen zich vooral af waarom de hele energiesector werd aangestuurd vanuit Moskou, door ministeries die weinig kennis hadden van de lokale omstandigheden.

In zekere zin heeft Tsjernobyl glasnost gecreëerd. Journalisten begonnen kritische artikelen te schrijven over de wetenschappers die toezicht hielden op de nasleep van de ramp en over de gevolgen voor de gezondheid. Volgens sommige berichten lagen de aantallen slachtoffers veel hoger dan de cijfers die door de Wereldgezondheidsorganisatie werden gepubliceerd.

In november 1988 vonden in Kyiv protesten tegen kernenergie plaats onder de slogan ‘Het milieu en wij.’ Dr. Yuriy Shcherbak – later ambassadeur van Oekraïne in Canada – richtte de Green World Association op, die later uitgroeide tot de Groene Partij van Oekraïne. In 1989 ontstond daarnaast de volksbeweging Rukh, die zich inzette voor Oekraïense soevereiniteit, het behoud van de taal en het vertellen van de waarheid over wat er in Tsjernobyl was gebeurd.

Zowel Oekraïne als Wit-Rusland waren traag in het doorvoeren van politieke veranderingen. Partijleiders deden weinig om de gevolgen van de ramp in Tsjernobyl goed aan te pakken. In beide samenlevingen ontstond daardoor een duidelijke kloof tussen de wetenschappelijke en politieke elite aan de ene kant, en activisten, journalisten en het brede publiek aan de andere kant.

De nasleep van Tsjernobyl

In augustus 1986 reisde een Sovjetteam naar Wenen om bij het Internationaal Atoomenergieagentschap uit te leggen wat de oorzaken van het ongeluk waren. Onder leiding van de Sovjetchemicus Valery Legasov legde het team de schuld volledig bij menselijke fouten. Daarbij werden meer dan dertig bekende ontwerpfouten in de RBMK-reactor genegeerd.

Aan de vooravond van de tweede herdenking van het ongeluk pleegde Legasov zelfmoord. Hij was gedemoraliseerd omdat de autoriteiten zijn waarschuwingen over de veiligheid van de reactor hadden genegeerd. Waarschijnlijk leed hij ook aan stralingsziekte.

Door het groeiende verzet tegen kernenergie in de hele Sovjet-Unie werd het grootschalige programma voor de uitbreiding van kerncentrales stopgezet. Politieke bewegingen in de Baltische staten, Oekraïne, Georgië en andere republieken werkten samen, waardoor de Sovjetleiding uiteindelijk werd gedwongen om concessies te doen.

In 1991 beperkte Gorbatsjov de glasnost en introduceerde hij het concept van een hernieuwde unie van zelfstandige republieken. Tsjernobyl was niet de enige oorzaak van deze ontwikkeling, maar speelde wel een belangrijke rol als katalysator.

De reactor is al lange tijd gesloten en deels ontmanteld, maar de betekenis ervan is nog steeds groot. Oekraïne is namelijk nog altijd voor ongeveer de helft van zijn elektriciteit afhankelijk van kernenergie. Tijdens de Russische invasie werd de kerncentrale van Tsjernobyl korte tijd bezet. Ook de grootste kerncentrale van Oekraïne in Zaporizja kwam in handen van Russische troepen.

We moeten de moed gedenken van de mensen die de brand hebben bestreden en het gebied hebben opgeruimd. Daarnaast mogen we de moed niet vergeten van gewone burgers die de autoriteiten trotseerden om de waarheid te achterhalen en verandering af te dwingen. Ook moeten we ons deze datum blijven herinneren, omdat die een belangrijk keerpunt markeert in de geschiedenis van de voormalige Sovjet-Unie.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Klimaat Politiek

De paradox van de Verboden Zone

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 23 april 2026

fotografie: Canongate

door Jonathan Watts

Jonathan Watts is een Britse journalist en de auteur van When a Billion Chinese Jump: How China Will Save the World – or Destroy It en
The Many Lives of James Lovelock’.

De zwaarste kernramp ter wereld heeft een dubbele erfenis nagelaten: aan de ene kant laat de natuur zien hoe veerkrachtig ze kan zijn, maar aan de andere kant blijft er sprake van ernstige vervuiling. Tegelijkertijd zorgen oorlogen voor extra druk op de energievoorziening

Veertig jaar na de ergste kernramp ter wereld is Tsjernobyl nog steeds vervuild met bijna de helft van het cesium-137 dat in 1986 uit reactor 4 is vrijgekomen, evenals met andere gevaarlijke stoffen zoals plutonium, tritium en americium. Toch wijzen sommige deskundigen erop dat de langetermijneffecten voor de natuur mogelijk minder ernstig zijn dan wanneer het gebied intensief door mensen was gebruikt. Doordat mensen grotendeels zijn verdwenen, heeft de natuur zich op onverwachte manieren kunnen herstellen in een omgeving die aan haar lot is overgelaten.

De blijvende gevolgen van de ramp in Tsjernobyl kwamen opnieuw onder de aandacht in de aanloop naar de herdenking van zondag 26 april. Die valt samen met een hernieuwde lobby voor kernenergie en groeiende zorgen over nucleaire risico’s, mede door de oliecrisis en de oorlogen in het Midden-Oosten en Oekraïne.

Het conflict in Oekraïne vormt nog steeds een bedreiging voor Tsjernobyl en kan de vervuiling verder verergeren. Vorige maand werd bekend dat de enorme beschermende koepel rond het meest radioactieve deel van de voormalige kerncentrale voor ongeveer 500 miljoen euro moet worden gerepareerd, nadat deze beschadigd raakte bij een aanval met een Russische drone.

Binnen de beschermende constructie van Tsjernobyl bevindt zich naar schatting vier ton radioactief stof, brandstofpellets en ander puin van de ramp van 26 april 1986. Die ramp leidde tot de grootste uitstoot van radioactiviteit in de geschiedenis van de kernenergie en speelde een rol in de latere ondergang van de Sovjet-Unie.

Na de ramp in Tsjernobyl werden meer dan driehonderdduizend mensen geëvacueerd uit de kerncentrale en het omliggende gebied van ongeveer 4.200 vierkante kilometer in Oekraïne en Wit-Rusland. Radioactieve deeltjes verspreidden zich over een groot deel van West-Europa. Dat leidde tot zorgen over de besmetting van gewassen, zelfs in gebieden zo ver weg als het Engelse Lake District, Schotland en Ierland. De meeste aandacht ging echter uit naar de gezondheidsrisico’s voor mensen in de directe omgeving, niet in de laatste plaats omdat de Sovjet-Unie de ernst van de ramp aanvankelijk probeerde te verdoezelen. Het officiële dodental lag rond de dertig, vooral onder brandweerlieden en werknemers van de centrale. Tegelijk waarschuwden andere onderzoekers dat de radioactieve neerslag op de langere termijn bij tienduizenden mensen tot kanker zou kunnen leiden.

De Nationale Academie voor Medische Wetenschappen van Oekraïne publiceert deze week een nieuwe evaluatie van de gevolgen van de ramp in Tsjernobyl. In de meest recente update uit 2022 werd het aantal dodelijke slachtoffers geschat op ongeveer 41.000. Eerdere studies van externe deskundigen, uit 2006, kwamen uit op lagere aantallen: tussen de 4.000 en 16.000 doden.

Deskundigen zijn het nog steeds niet eens over de langetermijneffecten van de straling op het milieu rond Tsjernobyl. Wel is er meer overeenstemming over een ander punt: doordat mensen het gebied grotendeels hebben verlaten, heeft de natuur zich er verrassend goed kunnen herstellen. Dit onbedoelde ‘rewilding’-effect heeft geleid tot duidelijke voordelen voor wilde dieren en ecosystemen.

De Verboden Zone van Tsjernobyl (2.800 km²) en het aangrenzende radio-ecologische reservaat Polesskiy (2.170 km²) in Wit-Rusland vormen een van Europa’s grootste onbedoelde natuurreservaten, zij het wel midden in een oorlogsgebied.

‘De wolvenpopulatie is zeven keer zo groot als vóór het ongeval, doordat er veel minder menselijke druk is,’ zegt Jim Smith, milieuwetenschapper aan de universiteit van Portsmouth, die het gebied al meer dan dertig jaar onderzoekt. Ook andere dieren, zoals elanden, reeën, herten en konijnen, doen het er naar verluidt opvallend goed.

‘Het ecosysteem in de verboden zone is veel gezonder dan vóór het ongeval,’ zegt Smith. ‘Dat laat duidelijk zien dat de impact van ’s werelds zwaarste nucleaire ramp eigenlijk beperkt is, terwijl de invloed van menselijke bewoning juist enorm verwoestend kan zijn.’

Soortgelijke conclusies zijn getrokken in andere afgesloten gebieden, zoals Fukushima. Daar komen wilde zwijnen, Japanse makaken en wasberen juist vaker voor op plekken die na de kernramp van 2011 zijn ontruimd. Ook in de gedemilitariseerde zone op het Koreaanse schiereiland blijkt de natuur te profiteren. Door de spanningen tussen Noord- en Zuid-Korea en de afwezigheid van mensen is daar een toevluchtsoord ontstaan waar maar liefst 38 procent van de bedreigde diersoorten van Zuid-Korea leeft. Denk aan witnekkraanvogels, Siberische muskusherten, Aziatische zwarte beren en Koreaanse gorals.

Oekraïne experimenteert momenteel met het hervatten van de landbouw in enkele van de minder vervuilde gebieden rond Tsjernobyl. Smith was vorig jaar mede-auteur van een wetenschappelijk artikel waarin de concentraties van radioactieve stoffen zijn onderzocht in onder meer tarwe, maïs, bladgroenten en andere mogelijke gewassen.

Smith zegt dat hij aanvankelijk tegen kernenergie was, maar inmiddels een voorzichtige voorstander is geworden. Volgens hem brengt kernenergie minder risico’s met zich mee voor de menselijke gezondheid en het klimaat dan fossiele brandstoffen. Hij erkent wel dat straling het DNA kan beschadigen en schat dat er in Europa ongeveer vijftienduizend extra sterfgevallen door kanker zijn geweest als gevolg van de ramp in Tsjernobyl. Tegelijk stelt hij dat dit aantal waarschijnlijk relatief klein is vergeleken met het aantal doden door luchtvervuiling of door de atmosferische kernproeven van de VS en Rusland in de jaren vijftig en zestig.

‘Al sinds de jaren negentig uiten veel wetenschappers hun frustratie, omdat het niet goed is gelukt om duidelijk te maken wat er in Tsjernobyl nu precies zo belangrijk is,’ zegt Smith. Hij voegt daaraan toe dat de evacuaties niet alleen fysieke gevolgen hadden, maar ook grote psychologische en economische impact.

De langetermijngevolgen van de ramp voor de natuur zijn nog steeds onderwerp van discussie. Diverse wetenschappelijke studies melden dat er blijvende genetische schade voorkomt bij sommige zoogdieren, vogels en planten, vooral in de meest vervuilde gebieden. In een studie van vorig jaar werd bijvoorbeeld vastgesteld dat soorten als de boerenzwaluw en de koolmees minder succesvol zijn in hun voortplanting. Dit komt onder meer door afwijkingen in het sperma, verhoogde oxidatieve stress en een tekort aan antioxidanten.

Gennady Laptev van het Oekraïense Hydrometeorologisch Centrum, die jarenlang onderzoek deed in Tsjernobyl, zegt dat hij geen zichtbare mutaties heeft waargenomen. Tegelijk vindt hij het lastig om met zekerheid te zeggen dat het ecosysteem er beter aan toe is dan vóór het ongeval. ‘Het is een complexe kwestie. Maar als er veel wilde dieren zijn, lijkt het mij dat het goed met ze gaat,’ aldus Laptev.

De politieke gevolgen van dit debat zijn enorm. De regering-Trump probeert de veiligheidsregels te versoepelen, zodat er ook kerncentrales in voorstedelijke gebieden gebouwd kunnen worden. Dat gebeurt onder meer om te voorzien in de groeiende energiebehoefte van datacenters.

Ondertussen zei Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, naar aanleiding van de Amerikaans-Israëlische aanval op Iran, die de olieprijzen heeft opgedreven, dat Europa’s afkeer van kernenergie een ‘strategische fout’ is geweest. Volgens haar heeft dit landen afhankelijker gemaakt van dure en onvoorspelbare import. Onlangs kwamen twintig landen bijeen op een top in Frankrijk om te spreken over het potentieel van civiele kernenergie als ‘sector van de toekomst.’ Om echt door te breken, moeten voorstanders de wereld ervan overtuigen dat kernenergie zowel veilig als betaalbaar is.

Tegenstanders van kernenergie zeggen dat dit moeilijk zal blijven, zolang Rusland opzettelijk Tsjernobyl aanvalt en Japan radioactief water uit Fukushima in de Stille Oceaan loost.

Shaun Burnie van Greenpeace Oekraïne zegt dat pogingen om de kernenergiesector nieuw leven in te blazen volgens hem een gevaarlijke afleiding zijn van een industrie die moeite heeft om te overleven. ‘Ondanks alle hype en misinformatie blijft de kans op een nieuw ernstig ongeluk bestaan. En in tegenstelling tot wat politici in het Kremlin en het Witte Huis beweren, zijn die risico’s nog altijd te groot om te negeren. Bovendien blijft kernenergie financieel gezien erg onaantrekkelijk,’ aldus Burnie.

Shaun Burnie werkt samen met wetenschappers en ingenieurs in Tsjernobyl. Daar kwam hij onderweg wilde elanden tegen, hoorde hij Russische drones overvliegen op weg naar doelen in Oekraïne en bracht hij drie keer een bezoek aan het zogenoemde ‘nieuwe veilige omhulsel,’ waar de stralingsniveaus nog altijd hoog zijn.

‘De nucleaire industrie grijpt elke crisis aan – zoals die in het Midden-Oosten – om zichzelf nieuw leven in te blazen,’ zegt hij ‘Maar de toekomst van energiezekerheid en het terugdringen van de CO₂-uitstoot ligt volgens mij bij hernieuwbare energie. Na meer dan tachtig jaar van enorme subsidies en meerdere kernrampen, waaronder Tsjernobyl, levert kernenergie nog steeds minder dan tien procent van de wereldwijde elektriciteit en slechts vier procent van alle energie. Dat is geen indrukwekkend resultaat. Waar het wél goed in is gebleven – en waar het oorspronkelijk ook voor bedoeld was – is het produceren van plutonium voor kernwapens.’

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

Het presidentschap van Trump is de belichaming van het kwaad

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 20 april 2026

fotografie: European Press Prize

door Nesrine Malik

Nesrine Malik is een Soedanees-Britse, bekroonde non-fictieschrijfster, journaliste en columniste. Ze is de auteur van We Need New Stories, Challenging the Myths Behind our Age of Discontent (VK) en The Myths That Subvert Freedom (VS). Malik is sinds 2019 columniste bij The Guardian, en haar werk richt zich op buitenlands beleid, immigratie, de cultuuroorlog en identiteitspolitiek.

Sommige commentatoren denken dat de clowneske houding en het gebrek aan duidelijke ideologie van de Amerikaanse president hem minder gevaarlijk maken. Dat is een misvatting.

De afgelopen weken schieten er allerlei beelden door mijn hoofd. Sommige komen uit films die ik sinds mijn kindertijd niet meer heb gezien. Andere zijn fragmenten uit boeken of beelden van bekende kunstwerken. Wat ze gemeen hebben, is een overdreven, bijna kitscherige vorm van het kwaad.

Deze beelden lijken het echte geweld te verdringen dat mijn brein probeert te verwerken: lichamen die onder het puin vandaan worden gehaald in Gaza, een school vol jonge leerlingen die in Iran aan flarden is geblazen, en de meer dan een miljoen mensen in Zuid-Libanon die massaal uit hun huizen zijn verdreven. (Alex uit de film A Clockwork Orange verschijnt, met wijd opengesperde ogen, terwijl er vloeistof in wordt gedruppeld.)

Wat zo verbijsterend is aan deze wreedheid, is niet alleen dát ze plaatsvindt, maar hoe achteloos ze lijkt te worden toegestaan. Donald Trump lijkt erboven te zweven, alsof het een circus van dood en chaos is. (Billy, de marionet met het clownsgezicht uit Saw, duikt op en zegt schor: ‘Ik wil een spelletje spelen.’) Trump lijkt zich weinig aan te trekken van de pogingen om zijn handelen te verklaren als onderdeel van een doordachte strategie. Zijn beslissingen – oorlogen, het doden van onschuldigen en zelfs het bedreigen van hele beschavingen – hebben grote gevolgen voor de wereld, maar lijken niet voort te komen uit een duidelijk plan. Ze ogen eerder gedreven door directe impulsen en persoonlijke wrok.

Het feit dat Donald Trump geen duidelijke visie of ideologie lijkt te hebben, wordt soms uitgelegd alsof hij daardoor minder gevaarlijk zou zijn dan autoritaire leiders uit het verleden – leiders die vaak als hét voorbeeld van het kwaad worden gezien. Dat zie je bijvoorbeeld terug in de discussie of Trump een ‘fascist’ genoemd kan worden. Volgens Barton Swaim van The Wall Street Journal kan iemand geen fascist zijn zonder bewust de intentie te hebben dat te zijn. Hij beschrijft Trump als onbekwaam, inconsequent en ‘raadselachtig en irritant,’ maar volgens hem is hij dus geen fascist.

Trump past ook niet in het klassieke beeld van een fascistische leider. Hij organiseert geen massabijeenkomsten, draagt geen uniformen en houdt geen vurige toespraken vanaf balkons voor vlagzwaaiende menigten. Tegelijkertijd heeft hij wel stappen gezet die de democratie onder druk zetten en de grondwet aantasten. Hij wordt vaak gezien als een chaotische en soms bijna komische figuur: iemand die zijn emoties openlijk toont in woede-uitbarstingen op sociale media of in onsamenhangende toespraken, zonder veel zelfreflectie. Hij spreekt over de oorlog tegen Iran naast een gigantische Paashaas, en deelt een afbeelding van zichzelf als Jezus Christus. ‘Hij schrikt altijd terug en neemt schielijk de benen.’ (Een Wheeler, een dreigend maar grillig wezen uit de duistere fantasyfilm Return to Oz uit 1985: gillend, giechelend, achtervolgend, maar ook ineenkrimpend en geneigd om zich plots terug te trekken wanneer er weerstand komt.)

Maar is dit niet juist wat het kwaad is? Geen groots, doordacht plan, maar een projectie van kleinheid en angst op de wereld. Het geweld lijkt dan minder te gaan om het resultaat, en meer om de bevestiging die iemand ervaart door het toe te brengen. Bij Donald Trump uit zich dat in voortdurende zelfverheerlijking, wrok jegens politieke tegenstanders, boosheid bij kritiek van de pers en dreigende taal richting het Iraanse regime. Zulke uitingen kunnen worden gezien als pogingen om gevoelens van kwetsbaarheid, vernedering of verlies van controle te onderdrukken. (Goya’s Saturnus, met wilde ogen, verslindt zijn zoon.)

Juist in die ogenschijnlijke kleinheid kan een vorm van onverzadigbaar kwaad schuilgaan. In 1931, nadat de nazipartij van Adolf Hitler sterk was gegroeid in de peilingen, interviewde de Amerikaanse journaliste Dorothy Thompson hem voor Cosmopolitan. Ze schreef later dat ze, toen ze zijn salon in het Kaiserhof-hotel binnenliep, dacht dat ze de toekomstige dictator van Duitsland zou ontmoeten. Maar binnen een minuut veranderde haar indruk volledig. Ze besefte hoe schokkend onbeduidend deze man leek, die in staat was geweest om de wereld in rep en roer te brengen.

‘Denk aan Benito Mussolini,’ schreef de journaliste Barbara Grizzuti Harrison in de Los Angeles Times. ‘Met zijn laarzen, hoekige kaak en overdreven, bombastische optreden, poserend op het balkon van zijn kantoor aan het Piazza Venezia in Rome – die maffe stijve groet met de gestrekte arm, die absurde retoriek. Denk aan die bijna komische figuur, die perfecte clown.’ Maar, zo waarschuwde ze: het feit dat iets belachelijk lijkt, betekent niet dat het ongevaarlijk is.

We hebben de neiging om de geschiedenis en al haar ernstige gebeurtenissen te doordrenken met een ernst en samenhang die we in het heden maar moeilijk kunnen toepassen. Dat komt misschien omdat het voor mensen lastig is om het kwaad te herkennen wanneer het zich in een belachelijke of verwarrende vorm voordoet. Zo kan het ongemerkt dichterbij komen. Daardoor vragen we ons later af hoe zulke misdaden ooit konden plaatsvinden. Het antwoord is dat ze zelden beginnen met een duidelijk herkenbare schurk. Ze ontstaan vaak door mensen die innerlijk beschadigd zijn en gedreven worden door een sterke drang om zichzelf te bevestigen, ongeacht de gevolgen. In het geval van Trump staat zijn absurditeit niet los van zijn macht. Hij heeft toegang tot de middelen voor nucleaire vernietiging en een sociopathische drang naar escalatie. (Milton: ‘Het is beter te heersen in de hel dan te dienen in de hemel.’)

Het kwaad bestaat uit frivoliteit, nonchalance en kwetsbaarheid, maar ook uit meedogenloosheid, onverzadigbaarheid en wreedheid. Ik moet denken aan een beeld uit de filmreeks The Purge. Daar is een wet ingevoerd die bepaalt dat gedurende twaalf uur alle misdaad is toegestaan, zogenaamd om opgekropte woede te ontladen en de rest van het jaar vrij van misdaad te maken. Maar het blijft niet bij geweld alleen. Mensen verkleden zich, dragen opvallende make-up en maskers, en zetten harde muziek op, in een ritueel van genot.

De film suggereert dat misdaad op zichzelf niet genoeg is; het krijgt pas betekenis door de manier waarop het wordt opgevoerd. Alsof de kracht niet alleen zit in de daad, maar in de houding eromheen – het idee dat je de ernstigste dingen kunt doen als iets lichts, bijna als een spel. Het gaat dan minder om wat er gebeurt, en meer om de vrijheid waarmee het gebeurt. In die logica is het niet genoeg dat de maatregelen van instanties als U.S. Immigration and Customs Enforcement (ICE) gezinnen uit elkaar halen en levens ontwortelen. Het is belangrijk dit alles te omgeven door beelden en boodschappen die het geheel van een bijna speelse of theatrale uitstraling voorzien, zoals Trump die naast alligators staat met ICE-petten op met de tekst ‘Alligator Alcatraz’ in filmposterlettertype.

We kunnen dit soort openlijk gevierde wreedheid niet weg relativeren of met humor verzachten. Niets zal Trump ertoe bewegen om terughoudender te worden, ook niet tegenover zijn eigen bibberende bondgenoten. Het afdoen van zijn handelen als ideologisch onbeduidend of strategisch onsamenhangend maakt het niet minder gevaarlijk – en zeker niet beheersbaar. De ongebreidelde wreedheid en het geweld dat hij in binnen- en buitenland ontketent en mogelijk maakt, put uit al zijn precedenten, en moet fel bestreden worden, of het zal alles verzwelgen. (Patrick Bateman in American Psycho: ‘Mijn pijn is constant en scherp, en ik hoop voor niemand op een betere wereld. Sterker nog, ik wil dat mijn pijn aan anderen wordt toegebracht. Ik wil dat niemand ontsnapt.’)

Vertaling: Menno Grootveld