Categorieën
Politiek

Rochdale en de toekomst van de democratie

Oorspronkelijke tekst (Engels): Thomas Fazi op Substack, 2 maart 2024

fotografie: Hurst

door Thomas Fazi

Thomas Fazi is columnist en vertaler bij UnHerd. Zijn jongste boek is The Covid Consensus, dat hij samen met Toby Green schreef. Dit boek komt binnenkort in Nederlandse vertaling uit bij Starfish Books.

De paniekreactie van het establishment laat zien hoe bang de elites zijn voor het volk

Tussentijdse verkiezingen – verkiezingen die in één kiesdistrict worden gehouden ter vervanging van een gekozen parlementslid dat is overleden of ontslag heeft genomen – halen meestal de krantenkoppen niet, vooral niet als ze in kleine kiesdistricten plaatsvinden. Bij de recente tussentijdse verkiezingen in Rochdale, een kleine stad in Greater Manchester, een van de meest achtergestelde gebieden van het Verenigd Koninkrijk, was dat echter anders. De verpletterende overwinning van een radicale buitenstaander uit de arbeidersklasse, George Galloway – een voormalig parlementslid voor Labour, al heel lang anti-imperialist en pleitbezorger van de Palestijnen, en tegenwoordig leider van de Workers Party of Britain, een ouderwetse socialistische partij die anti-NAVO en anti-EU is – heeft een politieke aardbeving veroorzaakt.

Galloway stelde de steun van de twee grootste partijen van het Verenigd Koninkrijk voor Israëls vernietigingscampagne in Gaza centraal in zijn grassroots-campagne, met speciale nadruk op de medeplichtigheid van het Labour van Keir Starmer. Dat wierp zijn vruchten af: Galloway kreeg twee keer zoveel stemmen als Labour en de Conservatieven samen. ‘Keir Starmer, deze is voor Gaza,’ zei Galloway in zijn overwinningstoespraak. ‘Je zult een hoge prijs betalen voor de rol die je hebt gespeeld in het mogelijk maken, aanmoedigen en toedekken van de catastrofe die zich momenteel voltrekt in bezet Gaza, in de Gazastrook.’

Mainstream-commentatoren proberen nu Galloway’s overwinning vooral toe te schrijven aan het feit dat Rochdale een grote moslimgemeenschap heeft. Als dit waar zou zijn, zou daar natuurlijk niets mis mee zijn: Britse moslims hebben alle reden om bijzonder bezorgd te zijn over wat er in Gaza gebeurt. Maar de waarheid is dat deze poging om de houding van mensen ten opzichte van Gaza te verklaren door het prisma van religie of etniciteit niet alleen op gevaarlijke wijze verdeeldheid zaait; zij staat ook los van de realiteit. Een overweldigende meerderheid van de Britse burgers – bijna zeventig procent – steunt een staakt-het-vuren. Dit gaat dus niet over de etnische of religieuze samenstelling van Rochdale; het gaat over de steun van de Britse regering en beide grote partijen voor het genocidale beleid van Israël in Gaza – en over het toenemende verzet van de bevolking daartegen.

In die zin heeft Galloway gelijk als hij zijn overwinning als ‘historisch’ bestempelt: zijn verkiezing is de eerste serieuze barst in de politieke dam die is opgeworpen om de onvoorwaardelijke Britse steun voor Israël te garanderen, ondanks massale oppositie van het volk – en natuurlijk de eerste echte uitdaging aan het adres van het Britse establishment sinds Farage’s UKIP. Geen wonder dat het establishment zo hysterisch reageert. Niet alleen zijn de aanvalshonden van de media op Galloway losgelaten (dat was te verwachten, maar Galloway is een begenadigd redenaar en perfect in staat om ze af te weren); nog verbazingwekkender is dat de premier zelf, Rishi Sunak, zich gedwongen voelde om een tien minuten durende toespraak te houden, alleen maar om de resultaten van de tussentijdse verkiezingen in Rochdale te bespreken.

In die nogal huiveringwekkende toespraak beschuldigde Sunak Galloway ervan een sympathisant van terroristen te zijn en, misschien nog onheilspellender, deel uit te maken van een bredere extremistische aanval op de democratie zelf – waartegen de regering nu ‘actie zou ondernemen.’ Sunak herhaalde vervolgens een script waaraan we de afgelopen maanden gewend zijn geraakt: de massale demonstraties voor Palestina en voor een staakt-het-vuren worden verward met geweld, antisemitisme en pro-terroristische apologie – ondanks het feit dat deze massale protesten ondubbelzinnig vreedzaam waren, bijgewoond door mensen van alle geloofsovertuigingen, onder wie duizenden joodse mensen, en opvallend verstoken (op enkele uitzonderingen na) van pro-Hamas beelden en slogans.

De bedoeling is duidelijk: het criminaliseren van het recht van mensen om te protesteren – of zelfs maar om te stemmen op kandidaten die zich verzetten tegen de koers van het establishment in belangrijke binnenlandse en/of buitenlandse beleidskwesties. Dit alles in naam van de ‘strijd tegen het extremisme’ (Sunak gebruikte deze zinsnede dertien keer in zijn toespraak). In die zin was de toespraak van Sunak een gevaarlijk hoogtepunt in de autoritaire en antidemocratische regressie van de Britse samenleving – en van de westerse samenlevingen in het algemeen – die zich nu al een aantal jaren aan het voltrekken is.

We hebben het hier namelijk over een miljardair-oligarch wiens macht nog nooit gelegitimeerd is geweest via nationale verkiezingen, die actief een aannemelijke genocide steunt (volgens het Internationaal Gerechtshof), een van de meest extreme beleidslijnen denkbaar. Het heeft onmiskenbaar Orwelliaanse trekjes, om het zacht uit te drukken, als deze man een politicus uit de arbeidersklasse die net met overweldigende meerderheid een verkiezing heeft gewonnen, met een pleidooi voor een staakt-het-vuren dat gedeeld wordt door de meerderheid van de Britten, ervan beticht antidemocratisch en een extremist te zijn – en belooft ‘actie te zullen ondernemen’ tegen de beweging die hij vertegenwoordigt.

Dit vertelt ons veel over de staat van de westerse ‘democratie’ – en over de opvatting van onze elites daaromtrent. Het zegt ons dat ze inmiddels zó’n afkeer van de democratie hebben gekregen dat ze geschokt zijn door het idee dat mensen daadwerkelijk naar de stembus gaan om iemand te kiezen die geen deel uitmaakt van de oligarchie. Vanuit hun perspectief dient het electorale ‘democratische’ proces maar één doel: het verdoezelen van het feit dat we leven onder een de facto oligarchisch systeem, waarin de spelregels worden gemanipuleerd door en ten gunste van de heersende klassen.

De macht van de staat en het bedrijfsleven zijn zodanig met elkaar versmolten dat het vermogen van mensen om de status quo echt uit te dagen via de stembus effectief teniet wordt gedaan door de inzet van een breed scala aan instrumenten: verkiezingsregels die zijn ontworpen om kleine partijen te marginaliseren; consensus creërende propaganda en censuur die worden gewaarborgd door de volgzaamheid van de massamedia en sociale netwerkplatforms (die zelfs kunnen worden ingezet om karaktermoord te plegen op onwelgevallige kandidaten zoals Jeremy Corbyn); onbeperkte economische middelen om politieke trouw te kopen; de verschuiving van de soevereiniteit van de natiestaat naar internationale en supranationale instellingen die structureel immuun zijn voor democratische druk, enz. En dan hebben we het nog niet eens over de mate waarin de elites bereid zijn de wet om te buigen en zelfs te overtreden teneinde elke uitdaging aan hun heerschappij de kop in te drukken – zoals op dramatische wijze blijkt uit de tien-en-een-half jaar durende juridische vervolging van Julian Assange.

We moeten eerlijk zijn over de implicaties hiervan: het systeem uitdagen via het verkiezingsproces is bijna onmogelijk geworden. Sterker nog, je kunt alleen maar huiveren bij de gedachte aan de ‘vuile oorlog’ die het establishment tegen Galloway’s partij zou voeren als die op nationaal niveau voet aan de grond zou krijgen. Dit betekent echter niet dat we de democratie helemaal moeten opgeven. De paniekerige reactie van het Britse establishment op de overwinning van Galloway is immers een bewijs van de impact die zelfs een kleine, relatief invloedloze lokale verkiezing kan hebben.

Maar hoe zit dat dan? Het feit dat Galloway parlementslid wordt, verschuift de machtsverhoudingen binnen het parlement, laat staan binnen de regering, geen jota. Bovendien hebben we net gezegd dat de heersende klasse bijna onbeperkte macht heeft – en effectief in staat is om de (uitkomst van het) ‘democratische’ proces veilig te controleren, althans op nationaal niveau. Dus waar zijn ze zo bang voor? Hadden ze Galloway’s overwinning niet gewoon van zich af kunnen schudden en kunnen doorgaan waarmee ze bezig zijn? Waarom zouden ze hem frontaal aanvallen?

Ongeveer een eeuw geleden, in het fascistische tijdperk, dacht de Italiaanse historicus en socioloog Giuseppe Ferrero na over een soortgelijke vraag. Hij was diep geschokt door de moord in 1924 op de socialistische politicus Giacomo Matteotti door toedoen van het fascistische regime – niet alleen omdat die de wreedheid van dat regime blootlegde, maar ook omdat Ferrero de logica erachter niet begreep. Natuurlijk, Matteotti was een uitgesproken criticus van het fascisme en van Benito Mussolini – maar hij was ook vrijwel het enige parlementslid dat openlijk kritiek op het regime uitte. Mussolini kon rekenen op een volledig onderdanig parlement, inclusief de formele oppositie. Hij kon elke wet doordrukken die hij wilde, en deed dat ook. Dus waarom was Mussolini, die in het openbaar een aura van absolute zelfverzekerdheid uitstraalde, zo bang voor de eenzame oppositie van Matteotti – tot op het punt waarop hij hem liet vermoorden? Ferrero kon het niet bevatten.

Hoe langer hij erover nadacht, des te meer hij zich realiseerde dat Mussolini’s ogenschijnlijk irrationele gedrag tal van historische precedenten had – met name Napoleons staatsgreep van 1799, waarmee hij alle onafhankelijke kranten buiten de wet stelde en een militaire dictatuur onder zijn absolute controle vestigde. ‘Waarom voelde Napoleon, die al een ongelooflijk populaire militaire bevelhebber was, zich zo bedreigd door de stemmen van een paar kritische journalisten en wetgevers dat hij elke afwijkende mening verbood?,’ vroeg Ferrero zich af.

Ferrero’s intellectuele onderzoek resulteerde in de publicatie van een van zijn belangrijkste boeken, The Principles of Power. Daarin biedt Ferrero een verklaring voor het gedrag van deze almachtige, maar schijnbaar bange leiders in termen van de relatie tussen macht en legitimiteit. ‘Legitimiteitsprincipes zijn rechtvaardigingen van macht, dat wil zeggen, van het recht om te heersen,’ schrijft Ferrero. ‘Van alle menselijke ongelijkheden is er geen zo belangrijk in zijn gevolgen en is er geen met een grotere behoefte aan logische rechtvaardiging dan de ongelijkheid die door macht tot stand wordt gebracht.’ Macht, met andere woorden, vereist legitimiteit – of instemming, zouden we kunnen zeggen –, omdat het een zeer ongelijke relatie tussen heerser en geregeerde impliceert. Hoe groter de macht die wordt uitgeoefend, des te meer legitimiteit, of instemming, nodig is om die macht in stand te houden.

Geen enkele macht, hoe groot ook, kan onbeperkt worden uitgeoefend zonder legitimiteit. Heersers begrijpen deze ijzeren wet van de geschiedenis heel goed, en daarom veroorzaakt macht die op onrechtmatige wijze is verkregen – vooral na een staatsgreep – volgens Ferrero onvermijdelijk angst in de hoofden van de heersers, wat leidt tot steeds paranoïder, repressiever en angstiger regimes. Hoe onrechtmatiger een macht is, des te meer zal zij zelfs de kleinste uitdaging van haar heerschappij als een existentiële bedreiging gaan zien – in een mate die evenredig is aan de machtsongelijkheid die het regime in kwestie kenmerkt.

Ik denk dat Ferrero’s analytische prisma in grote mate verklaart wat er vandaag in het Westen aan de hand is. Onze heersende elites zijn enorm machtig, maar hun macht is onrechtmatig verkregen – ze regeren en zijn in staat hun heerschappij te reproduceren om geen andere reden dan het feit dat ze zo machtig zijn. Het is een zuiver autochtone vorm van macht, maar wel een die de legitimiteit mist van eerdere vormen van autochtone macht, zoals monarchieën. Ze hebben geen symbolisch reservoir of ‘seculiere theologie’ om uit te putten. Naast angst – hun claim dat ze ons beschermen tegen kwade krachten die op ons uit zijn: Rusland, terroristen, virussen, of wat dan ook – is de enige legitimerende kracht die deze oligarchen nog hebben de ‘democratie.’ Verkiezingen zijn uiteindelijk het enige dat nog wat legitimiteit verleent aan hun de facto absolute heerschappij.

Daarom doen ze er alles aan om het democratische proces te controleren, maar kunnen ze het zich niet veroorloven om het helemaal af te schaffen. Want als ze dat zouden doen, zou er alleen nog maar een ruw, naakt elitair bewind overblijven, blootgelegd in al zijn onrechtmatigheid. Maar zelfs die zogenaamde democratische legitimiteit wordt steeds dunner – en de elites weten dat. Vandaar hun angst, die op zijn beurt leidt tot een voortdurende aanscherping van de sociale controle (meer censuur, repressie, enz., evenals de aanhoudende zoektocht naar buitenlandse vijanden) – en tot hysterische reacties op zelfs de geringste uitdaging aan het adres van hun heerschappij.

Hoewel we ons in deze context niet al te veel illusies moeten maken over de mogelijkheid om het democratische proces onder de huidige omstandigheden te gebruiken om de machtsverhoudingen fundamenteel te veranderen, kunnen en moeten we het democratische proces wél gebruiken om de werkelijke, fundamenteel gemanipuleerde aard van het systeem te onthullen – en zo de laatste legitimerende kracht die de elites nog hebben, af te breken. Alleen door de absolute onrechtmatigheid van hun absolute macht bloot te leggen, kunnen we hopen hun heerschappij aan te vechten en de voorwaarden scheppen voor het opbouwen van een echte democratie. Daarom zijn de elites ondanks alles nog steeds bang voor de democratie. In die zin zouden de tussentijdse verkiezingen in Rochdale inderdaad wel eens ‘historisch’ kunnen blijken te zijn.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Wat verbindt Rishi Sunak, Javier Millei en Donald Trump?

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 6 januari 2024

fotografie: The Orwell Foundation

door George Monbiot

George Monbiot is een Britse schrijver die bekend staat om zijn milieu- en politiek activisme. Hij schrijft regelmatig columns voor The Guardian en is auteur van een aantal boeken, waaronder Regenesis dat in het Nederlands is verschenen bij Starfish Books.

Het duistere geld van het Atlas Network gaat schuil achter het neoliberale beleid over de hele wereld

Er zijn elementen van het fascisme, elementen geleend van de Chinese staat en elementen die de Argentijnse geschiedenis van dictatuur weerspiegelen. Maar het grootste deel van het regeringsprogramma dat is aangekondigd door Javier Milei, de demagogische nieuwe Argentijnse president, voelt griezelig vertrouwd aan, hier op het noordelijk halfrond.

Een crashprogramma van enorme bezuinigingen; het slopen van openbare diensten; het privatiseren van publieke bezittingen; het centraliseren van politieke macht; het ontslaan van ambtenaren; het wegvagen van beperkingen voor bedrijven en oligarchen; het vernietigen van regels die werknemers, kwetsbare mensen en de leefwereld beschermen; het steunen van huisbazen tegen huurders; het criminaliseren van vreedzaam protest; het beperken van het stakingsrecht. Gaat er al een belletje rinkelen?

Milei probeert, met een enorm ‘nooddecreet’ en een monsterlijke ‘hervormingswet,’ te bereiken wat de Conservatieven in het Verenigd Koninkrijk al 45 jaar lang doen. Het crashprogramma vertoont opvallende gelijkenissen met de ‘mini’- (maxi-)begroting van de voormalige Britse premier Liz Truss, die de vooruitzichten van veel arme mensen en mensen uit de middenklasse de grond in boorde en de onrust verergerde die nu het openbare leven beheerst.

Toeval? Helemaal niet. Milei’s programma werd sterk beïnvloed door Argentijnse neoliberale denktanks die behoren tot het Atlas Network, een wereldwijd coördinerend orgaan dat overal waar het actief is in grote lijnen hetzelfde politieke en economische pakket promoot. Het werd in 1981 opgericht door een Brit, Antony Fisher. Fisher was ook de oprichter van het Institute of Economic Affairs (IEA), een van de eerste leden van het Atlas Network.

Het IEA heeft in opmerkelijke mate het politieke platform van Liz Truss gecreëerd. In een videogesprek op de dag van haar ‘mini-begroting’ met een ander lid van het instituut merkte de toenmalige directeur-generaal, Mark Littlewood, op: ‘We zijn nu verantwoordelijk. Als het niet werkt, is het jouw en mijn schuld.’ Het werkte niet – in feite crashte het spectaculair, met grote kosten voor ons allemaal – maar dankzij de Britse media, inclusief de BBC, die deze fanatieke bedrijfslobbyisten blijven behandelen als leveranciers van heilige geschriften, zijn ze vrijuit gegaan.

Vorig jaar kreeg het IEA gemiddeld veertien keer per dag vrij baan in de Britse media: nog vaker dan vóór de ramp (de begroting van Truss) die het instituut het Verenigd Koninkrijk hielp toebrengen. Vrijwel nooit werd de vraag gesteld wie het instituut financiert of wie het vertegenwoordigt. De drie leden van het Hogerhuis die Truss nomineerde toen ze terugtrad als premier hebben allemaal gewerkt voor of met organisaties die deel uitmaken van het Atlas Network (Matthew Elliott, TaxPayers’ Alliance; Ruth Porter, IEA en Policy Exchange; Jon Moynihan, IEA). Nu hebben ze, net als de rechters van het Amerikaanse hooggerechtshof, levenslang de bevoegdheid om ons leven vorm te geven, zonder enige democratische goedkeuring. Truss had ook Littlewood zelf naar voren geschoven, maar zijn beloning voor het verwoesten van mensenlevens werd geblokkeerd door de benoemingscommissie van het Hogerhuis.

Er is helaas helemaal niets geleerd: deze lobbygroepen uit het bedrijfsleven bepalen nog steeds onze politiek. Policy Exchange, dat, zoals Rishi Sunak heeft toegegeven, ‘ons geholpen heeft bij het opstellen’ van de kwaadaardige nieuwe anti-protestwetten van het Verenigd Koninkrijk, is ook lid van het Atlas Network. We kunnen bepaald beleid omschrijven als dat van Milei of van Bolsonaro, of van Truss of van Johnson of van Sunak, maar het zijn allemaal variaties op hetzelfde thema, uitgebroed en verfijnd door ‘junktanks’ die tot hetzelfde netwerk behoren. Die presidenten en premiers zijn slechts de gezichten die het programma draagt.

En wie zijn op hun beurt die junktanks? Velen weigeren te onthullen wie hen financiert, maar naarmate er meer informatie naar buiten kwam, ontdekten we dat het Atlas Network zelf en veel van zijn leden geld hebben aangenomen van financieringsnetwerken die zijn opgezet door de gebroeders Koch en andere rechtse miljardairs, van olie-, steenkool- en tabaksfirma’s, en van andere levensbedreigende belangengroepen. Die junktanks fungeren slechts als intermediar. Ze treden naar voren namens hun donateurs, in de klassenstrijd die wordt gevoerd door de rijken tegen de armen. Wanneer een regering reageert op de eisen van het netwerk, wordt er in werkelijkheid gereageerd op het geld waardoor dat netwerk gefinancierd wordt.

De ‘dark money junktanks’ en het Atlas Network zijn een zeer effectief middel om macht te verhullen en te bundelen. Zij vormen het kanaal waarlangs miljardairs en bedrijven in staat zijn de politiek te beïnvloeden zonder hun handen te laten zien, het meest effectieve beleid en de meest effectieve tactieken te doceren om weerstand tegen hun agenda te overwinnen, en vervolgens dit beleid en deze tactieken over de hele wereld te verspreiden. Zo worden nominale democratieën nieuwe aristocratieën.

Ze lijken ook bedreven in het vormgeven van de publieke opinie. Wereldwijd hebben neoliberale junktanks bijvoorbeeld niet alleen gelobbyd voor extreme anti-protestmaatregelen, maar ook milieubetogers met succes gedemoniseerd als ‘extremisten’ en ‘terroristen.’ Dit zou kunnen helpen verklaren waarom vreedzame milieuactivisten die een weg blokkeren routinematig worden geslagen, geschopt en bespuugd, en op sommige gevallen door andere burgers worden overreden of bedreigd met wapens, terwijl dat niet gebeurt met boeren of vrachtwagenchauffeurs die een weg blokkeren. Het zou ook kunnen verklaren waarom er nauwelijks media-aandacht of publieke bezorgdheid is wanneer extreme straffen worden opgelegd, zoals de gevangenisstraf van zes maanden die klimaatactivist Stephen Gingell in december kreeg voor het langzaam door een Londense straat paraderen.

Maar het ergste moet nog komen. Donald Trump heeft nooit een coherent eigen platform ontwikkeld, maar dat hoeft ook niet. Zijn beleid is voor hem geschreven, in een negenhonderd pagina’s tellend Mandate for Leadership dat is opgesteld door een groep denktanks onder leiding van de Heritage Foundation. De Heritage Foundation is – u raadt het al – lid van het Atlas Network. Veel van de voorstellen in dit ‘mandaat’ zijn eerlijk gezegd angstaanjagend. Ze hebben niets te maken met de eisen van het publiek, maar alles met de eisen van het kapitaal.

Toen Friedrich Hayek en anderen voor het eerst de basisprincipes van het neoliberalisme formuleerden, geloofden ze dat het de wereld zou beschermen tegen tirannie. Maar toen het grote geld binnenstroomde en er een internationaal netwerk van neoliberale denktanks werd opgericht om de eisen te ontwikkelen en te verwoorden, werd het programma dat ons had moeten bevrijden zelf een nieuwe bron van onderdrukking.

In Argentinië is Milei in het vacuüm gestapt dat is achtergelaten door het grove wanbestuur van zijn voorgangers, waardoor hij in staat is om, op ware shockdoctrine-achtige wijze, beleid op te leggen waartegen anders hevig verzet zou zijn geboden. De armen en de leden van de middenklasse van het land staan op het punt een verschrikkelijke prijs te betalen. Hoe we dat weten? Omdat zeer vergelijkbare programma’s zijn uitgevoerd in andere landen, te beginnen met Argentinië’s buurland Chili, na de staatsgreep van Augusto Pinochet in 1973.

Deze junktanks zijn als de spike-eiwitten op een virus. Ze zijn het middel waarmee de plutocratische macht de cellen van het openbare leven binnendringt en ze overneemt. Het wordt tijd dat we een immuunsysteem ontwikkelen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

Meester en knecht

Oorspronkelijke tekst (Engels): NLR Sidecar, 20 december 2023

fotografie: Manolo Finish

door Wolfgang Streeck

Wolfgang Streeck is een Duitse socioloog, gespecialiseerd in economische sociologie. Hij is directeur emeritus van het Max Planck Instituut voor Sociale Wetenschappen in Keulen. Sinds ca. 2013 doet hij ook opgeld als publieksintellectueel, met een boek en een serie artikelen over de gevolgen van de kredietcrisis, de eurocrisis en het fundamentele conflict tussen kapitalisme en democratie.

Het Israëlische bloedbad in Gaza is een catastrofe, en niet alleen voor de gekwelde gevangenen van het gebied, die al tientallen jaren wegkwijnen onder een meedogenloze bezetting. Vooral de Verenigde Staten, maar ook Duitsland, zullen voor altijd nauw verbonden blijven met deze onverbiddelijke slachting van duizenden onschuldige mannen, vrouwen en kinderen, een slachting die beide landen materieel en diplomatiek blijven steunen. Tweeënhalve maand na het begin van de massamoord spraken de VS hun veto uit over een resolutie van de Veiligheidsraad die de overgebleven Gazanen weer enige hoop op overleven zou hebben gegeven, na de hel van de voortdurende bombardementen en beschietingen. Tegen die tijd, na de uitbraak van Hamas en de moorddadige aanval op kibboetsim dicht bij de muur van Gaza, waren er al ruim twintigduizend Gazanen gedood, onder wie 8.700 kinderen en 4.400 vrouwen, en vijftigduizend gewond, tegen 121 dode Israëlische soldaten, waarvan een vijfde slachtoffer was van eigen vuur of verkeersongelukken. Sinds het begin van de oorlog beweert de Israëlische luchtmacht 22.000 ‘terroristische’ doelen te hebben gebombardeerd: ruim driehonderd per dag, iedere dag, in een gebied zo groot als München.

Aan het einde van het jaar was negentig procent van de ruwweg 2,3 miljoen inwoners van de Gazastrook dakloos geworden, door het Israëlische leger van het noorden naar het zuiden van de Gazastrook en weer terug gejaagd, met de opdracht om te schuilen in zogenaamd veilige zones die vervolgens werden gebombardeerd. Er is honger die grenst aan hongersnood, zeer beperkte medische zorg, geen brandstof, geen regelmatige elektriciteitsvoorziening en geen enkele aanwijzing dat er snel een einde zal komen aan de slachting. De reden die de VS gaven voor hun veto tegen de resolutie van de Veiligheidsraad waarin een onmiddellijk staakt-het-vuren werd geëist, was dat dit ‘onrealistisch’ zou zijn. Ondertussen eist de Duitse regering, onder leiding van haar feministische minister van Buitenlandse Zaken Annalena Baerbock, ‘humanitaire pauzes’ als alternatief voor vrede, waarna het moorden zal doorgaan totdat ‘Hamas,’ voorbereid op de dood door een gratis UNRWA-maaltijd, eindelijk zal zijn ‘uitgeroeid.’

Wat griezelig is, is dat in de eindeloze stroom van verslagen en commentaren over de Gaza-oorlog bijna nooit wordt vermeld dat Israël een nucleaire macht is, en zeker geen kleine. Voor een klein land is Israël zwaar bewapend, en niet alleen conventioneel. Alles bij elkaar geeft Israël ruim 4,5 procent van zijn bbp uit aan zijn leger (in 2022), en dat is waarschijnlijk exclusief de gratis militaire hulp van de VS en Duitsland. Vóór de laatste aanval op Gaza had Israël naar schatting minstens negentig kernkoppen en voorraden splijtbaar materiaal voor nog eens tweehonderd. Nog belangrijker is dat Israël de beschikking heeft over het volledige scala aan nucleaire overbrengingsmiddelen, de zogenoemde driepoot: te land, ter zee en in de lucht. Israëls kernraketten op land worden naar verluidt bewaard in silo’s die diep genoeg zijn om een nucleaire aanval te weerstaan, waardoor ze niet alleen geschikt zijn voor een eerste, maar ook voor een tweede aanval. Voor nucleaire overbrenging door de lucht heeft de IDF (het Israëlische leger) een vloot van ten minste 36 van de in totaal 224 gevechtsvliegtuigen met een uitgebreide bijtankcapaciteit. Israël heeft ook zes onderzeeërs – van de zogenaamde Dolfijnklasse – die volgens experts nucleair bewapende kruisraketten kunnen afvuren. Deze raketten hebben een geschat bereik van vijftienhonderd kilometer, waardoor Israël een bijna onkwetsbaar platform heeft voor zijn nucleaire verdediging, of in voorkomende gevallen, voor aanvallen. In het algemeen mag men ervan uitgaan dat Israël het volledige spectrum van nucleaire capaciteiten in hun huis heeft, van tactische wapens op het slagveld tot luchtbombardementen op militaire verzamelplaatsen en bombardementen op steden als Teheran.

Het is niet precies bekend hoe Israël een nucleaire macht is geworden, waarschijnlijk beetje bij beetje, stap voor stap. Er is zeker geen gebrek aan nucleaire wetenschap in Israël. De VS kunnen hebben geholpen, sommige Amerikaanse regeringen meer dan andere, samen met de Amerikaanse vrienden van Israël, diep in het Amerikaanse militair-industriële complex. Net als andere openlijk nucleaire mogendheden zijn de VS toegewijd aan non-proliferatie en hebben ze daar inderdaad een sterk nationaal belang bij, net als Rusland en China. Spionage kan echter een factor zijn geweest; denk aan Jonathan Pollard, een Amerikaanse defensieanalist en Israëlische spion die na zijn ontdekking in 1985 ternauwernood aan de doodstraf ontsnapte. Ondanks niet aflatende Israëlische pogingen om hem uitgeleverd te krijgen, moest Pollard 28 jaar de gevangenis in totdat hij gratie kreeg van de vertrekkende regering-Obama, tegen de wens van het Amerikaanse militaire establishment in.

Er lijkt ook een Duitse component te zijn, en die heeft vooral te maken met die Israëlische onderzeeërs. Merkels mysterieuze bewering in 2008 dat de veiligheid van Israël de raison d’etat van Duitsland was, enthousiast ontvangen door de Israëlische regering en nu letterlijk bijna dagelijks nagewauweld door de Duitse regering en haar staatstreue media, moet misschien in deze context worden gelezen. Zoals gezegd werden er tussen 1999 en 2023 zes onderzeeërs geleverd. Van de eerste drie betaalde Duitsland er twee, terwijl de kosten van de derde gedeeld werden, zogenaamd als boetedoening voor wat de VS beweerden dat de deelname van Duitse bedrijven aan de ontwikkeling van Iraakse massavernietigingswapens was – die natuurlijk nooit bleken te hebben bestaan. (Voor de volgende drie onderzeeërs ging Duitsland akkoord om 600 miljoen euro te betalen).

Als de in Duitsland gebouwde Israëlische onderzeeërs zijn uitgerust met kernraketten, zou niet alleen de fabrikant ThyssenKrupp, maar ook de Duitse regering dit weten. Dit geldt ook voor de VS, die door de vingers zouden hebben gezien dat Duitsland zijn verplichtingen op grond van het Non-Proliferatieverdrag niet na zou zijn nagekomen. Van 2016 tot een paar maanden vóór de Gaza-oorlog werd het vooruitzicht van nog eens drie in Duitsland gebouwde onderzeeërs, die ook door de Duitse staat zouden worden gesubsidieerd, door de twee regeringen besproken. Maar deze keer waren er twijfels in Israël over de vraag of ze eigenlijk wel nodig waren. Er was ook een corruptieschandaal aan de Israëlische kant aan het licht gekomen, waarbij ThyssenKrupp onder meer een neef van Netanyahu als advocaat had ingehuurd. De zaak werd onderzocht door Israëlische openbare aanklagers en werd onderdeel van het constitutionele conflict tussen de regering-Netanyahu en de rechterlijke macht. In 2017 zag Duitsland zich genoodzaakt een definitieve beslissing uit te stellen totdat de Israëlische beschuldigingen van corruptie waren afgehandeld. Vervolgens werd in januari 2022 het contract voor de drie onderzeeërs ondertekend. Van de geschatte prijs van drie miljard euro betaalt Duitsland minstens 540 miljoen euro.

Israël heeft nooit officieel toegegeven dat het kernwapens heeft; sommige van zijn leiders, vaak gepensioneerde premiers, hebben echter af en toe hints in die richting laten vallen, en waarschijnlijk niet per ongeluk. Dat het een open vraag blijft, betekent dat er geen inspecties komen, evenmin als druk van de IAEA. Potentiële tegenstanders in het ongewisse laten over de omvang en het precieze doel, of zelfs het bestaan zelf, van de nucleaire capaciteit kan eveneens strategische voordelen bieden (er is bijvoorbeeld niets met zekerheid bekend over Israëls nucleaire doctrine). Wat wel mag worden aangenomen is dat Israël vastbesloten is om de enige kernmacht in de regio te blijven – zoals blijkt uit de incidentele bombardementen op kernreactoren in Syrië en de pleidooien bij de VS om te voorkomen dat Iran kernbommen verwerft, niet door een verdrag à la Obama, maar door een militaire interventie. Er mag ook worden aangenomen dat Israël, in tegenstelling tot andere kernmachten, het eerste gebruik van zijn kernwapens niet uitsluit, aangezien het wordt omringd door diverse naties waarmee het in een staat van vijandschap verkeert. Dit zou vooral moeten gelden in een situatie waarin de Israëlische regering het voortbestaan van de Israëlische staat in gevaar acht, ook al blijft wat dat voortbestaan precies inhoudt een open vraag, tenzij men de definitie overneemt van zowel de extreemrechtse regering-Netanyahu als de regering van Duitsland, voor wie het bestaansrecht van Israël tevens het recht van Israël inhoudt om zijn grenzen naar believen vast te stellen.

Naarmate de oorlog in Gaza voortduurt, lijkt de onzekerheid rond Israëls nucleaire strijdmacht steeds meer de gebeurtenissen op het diplomatieke en militaire slagveld te bepalen. Beschermd door haar sluier van onvoorspelbaarheid lijkt de Israëlische regering te geloven dat ze Gaza, en binnenkort misschien ook de Westelijke Jordaanoever, elke straf kan opleggen die ze maar wil, zonder bang te hoeven zijn voor ingrijpen van buitenaf. De afgelopen weken heeft Netanyahu gedaan alsof hij Washington kon vertellen dat de Amerikaanse steun voor Israël onvoorwaardelijk moest zijn – omdat Israël zich, als het onder druk gezet wordt, zelf zou kunnen verdedigen, vertrouwend op zijn nucleaire driepoot. Het bloedbad in Gaza dreigt van Israël een van de meest gehate landen ter wereld te maken, samen met Duitsland – dat in tegenstelling tot de VS stevig achter de regering-Netanyahu staat; toch lijkt er bij de Israëlische legerleiding een vaste opvatting te bestaan dat dit er niet toe doet, omdat geen enkele regering, waar dan ook, Gaza te hulp zal durven schieten.

Er is nog een andere invalshoek die misschien nog wel beangstigender is. In oktober 1973, tijdens de Jom Kippoer-oorlog, werd op wat later bekend werd als de Watergate-tapes een gesprek opgenomen tussen Richard Nixon, toen nog president, en zijn naaste assistent, Bob Haldeman. Toen Haldeman Nixon vertelde dat de situatie in het Midden-Oosten kritiek werd, beval Nixon hem om de Amerikaanse nucleaire strijdkrachten wereldwijd in de hoogste staat van paraatheid te brengen. Haldeman, stomverbaasd: Mr. President, de Sovjets zullen denken dat u gek bent geworden. Nixon antwoordde: Dat is precies wat ik wil dat ze denken. In een nucleair-strategische omgeving kan geloofwaardige waanzin een effectief wapen zijn, vooral voor een regering geleid door iemand als Netanyahu. Zoals gezegd, Israël heeft geen officiële nucleaire doctrine en kan die ook eigenlijk niet hebben, omdat het niet wil toegeven een kernmacht te zijn. Maar het lijkt waarschijnlijk dat de Israëlische regering tot de conclusie komt dat het bestaan van Israël bedreigd wordt, zij niet zou aarzelen om gebruik te maken van al haar wapens, inclusief kernwapens. Dit maakt het relevant dat de huidige regeringscoalitie van Israël mensen omvat die de Bijbel beschouwen als een soort gids. Voor velen van hen is de mythe van de massale zelfmoord in Masada in 73 na Christus, nadat de eerste Joods-Romeinse oorlog werd verloren, een krachtige bron van politieke inspiratie, een feit dat niet onbekend kan zijn bij de Amerikaanse regering.

In feite is er een nog ouder model van Israëlisch heldendom, de mythe van Samson, die niet minder populair lijkt te zijn onder minstens enkele van de nucleaire strategen in en rond het IDF-commando. Samson was een heerser over Israël – een ‘rechter’ – in bijbelse tijden, tijdens de oorlog tussen de Israëlieten en de Filistijnen in de dertiende of twaalfde eeuw vóór Christus. Net als Heracles beschikte Samson over bovenmenselijke fysieke kracht, waardoor hij een heel leger Filistijnen, naar verluidt duizend man sterk, kon doden door ze dood te slaan met het kaakbeen van een ezel. Nadat hij was verraden en in handen van de vijand was gevallen, werd hij gevangen gehouden in de hoofdtempel van de Filistijnen. Toen hij niet meer kon hopen te ontsnappen, gebruikte hij zijn overgebleven kracht om de twee machtige zuilen die het dak van het gebouw ondersteunden naar beneden te trekken. Alle Filistijnen stierven samen met hem.

Radicale pro-Israëlische commentatoren beweren soms dat kernwapens het land een ‘Samson-optie’ hebben gegeven – die ervoor moeten zorgen dat als Israël ten onder gaat, zijn vijanden ook ten onder gaan. Nogmaals, wanneer die optie wordt uitgeoefend hangt af van wat de zittende Israëlische regering als een bedreiging voor het voortbestaan van Israël zou beschouwen, wat voor sommigen al het geval zou kunnen zijn als de VN-Veiligheidsraad een tweestatenoplossing oplegt. Mythen kunnen een bron van macht zijn; een geloofwaardige dreiging van uitgebreide zelfmoord kan veel strategische ruimte openen – misschien genoeg om Israël in staat te stellen de Gazastrook te zuiveren van de door Hamas besmette bevolking, door deze voor altijd onbewoonbaar te maken. Als men gelooft dat Israël gek genoeg is om te sterven voor een strook land, of om geen concessies te hoeven doen aan een vijand als Hamas, dan kan een land als Israël, lang voordat het daadwerkelijk zijn nucleaire optie uitoefent, erin slagen om landen als Iran, of vijandige legers als dat van Hezbollah, ervan af te laten zien om gehoor te geven aan de roep van de bevolking om de massale uitroeiing van de Palestijnen met militaire middelen te beëindigen.

Zijn de VS de controle over hun protégé kwijt, is de knecht de meester geworden, en de meester de knecht? Het is niet ondenkbaar dat de publieke meningsverschillen tussen de twee tot nu toe onafscheidelijke wapenbroeders gewoon theater zijn, op listige wijze verzonnen om de VS te beschermen tegen de verantwoordelijkheid voor de slachting in Gaza. Maar dit is verre van zeker, gezien het feit dat de verschillen tussen de publieke verklaringen van de twee landen over de legitieme doelen van de speciale militaire operatie in Gaza bijna met de dag groter worden. Zijn de VS, gechanteerd door de dreiging van een Armageddon in het Midden-Oosten, nu gedwongen toe te staan dat Israël ‘tegen elke prijs de overwinning nastreeft’? Geeft Israëls nucleaire oorlogscapaciteit de Israëlische rechtsradicalen een gevoel van onoverwinnelijkheid en het vertrouwen dat ze de vredesvoorwaarden kunnen dicteren, met of zonder de Amerikanen en zeker zonder de Palestijnen? De politieke kosten die de VS oplopen als ze geen einde maken aan het moorden – omdat ze dat niet willen of kunnen – zullen waarschijnlijk gigantisch zijn, zowel moreel – hoewel er in dat opzicht misschien niet meer zo heel veel meer te verliezen valt – als strategisch: de ‘onmisbare natie’ waarvan de hele wereld kan zien dat ze hulpeloos staat tegenover de schaamteloze ongehoorzaamheid van haar naaste internationale bondgenoot. Voor hun plaats in de opkomende nieuwe wereldorde na het einde van het einde van de geschiedenis belooft dit niet veel goeds voor de Verenigde Staten.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Filosofie Politiek

Hoe zit het met de duistere kant van de menigte?

Oorspronkelijke tekst (Engels): Journal of Communication Inquiry, 16 september 2011

fotografie: Disenz

door Franco Berardi

Franco Berardi (ook bekend als Bifo) is schrijver, mediatheoreticus en media-activist. Hij werd beschuldigd van deelname aan militante acties en werd in 1969 en 1972 gevangen gezet. In 1970 publiceerde hij Contro il lavoro (Feltrinelli), een klein boekje waarin hij de libertaire filosofie van de weigering van werk uiteenzette en zich uitsprak tegen de leninistische ideologie. Hij richtte het tijdschrift A/traverso op (1975-1981), maakte deel uit van de staf van Radio Alice, het eerste vrije piratenradiostation in Italië (1976-1978), en was medeoprichter van het e-zine rekombinant.org en van het Telestreet-netwerk. Zijn jongste boek, Desertie, verschijnt in april bij Starfish Books.

De boeken van Michel Hardt en Toni Negri uit het eerste decennium van deze eeuw kunnen worden gedefinieerd als een trilogie, en het getal drie is betekenisvol voor degenen die de geschiedenis van de moderne filosofie kennen. Deze trilogie is een meesterzet geweest vanuit het oogpunt van politieke actie en strategie. De auteurs hebben het voor elkaar gekregen om een soort herdefiniëring van het theoretische veld van de hedendaagse filosofie te bewerkstelligen, door de relatie tussen sociale communicatie, subjectiviteit en mondiale macht te herdefiniëren, en zijn erin geslaagd om de perceptie van het politieke raamwerk te veranderen na de enorme transformaties als gevolg van de val van het Sovjetsysteem, het ontstaan van internet en de mondialisering van de kapitalistische economie. Dankzij de conceptualisering die ze in deze drie boeken hebben geproduceerd, hebben Hardt en Negri de ruimte van kritisch en dissident gedachtegoed aan een herwaardering onderworpen, terwijl ze de historische legitimiteit van rebellie op nieuwe grondslagen herbevestigen en ze de sociale autonomie in een totaal nieuw perspectief plaatsen.

Als je denkt aan de gevolgen van de val van het Sovjetimperium voor de cultuur, de filosofie en de politieke verbeelding, als je denkt aan de triomf van de neoliberale ideologie in de nasleep van de omwenteling van 1989, zul je begrijpen hoe belangrijk de herbevestiging van het conflictueuze bestaan van de ontembare hardnekkigheid van het antagonisme en de voortdurende herschepping van een ruimte voor het Gemeenschappelijke is geweest, ondanks de agressieve privatisering die de afgelopen decennia is afgedwongen.

In de jaren negentig werd het theoretische veld bezet door twee verschillende soorten verbeelding: de eerste was die van het technofiele sociaal-darwinisme dat de onzichtbare hand van het liberale denken gelijkstelde aan de oneindige ontwikkeling van het Net: de ‘long boom’ van de Nieuwe Economie die triomfantelijk werd verkondigd door het tijdschrift Wired, terwijl de Nasdaq vrolijk explodeerde.

De tweede verbeelding was gebaseerd op het vooruitzicht van een botsing der beschavingen, en op het idee dat de Grote Geschiedenis van ideologische conflicten en revoluties voorbij was en dat de komende tijd voorbestemd zou zijn om de tijd van een Kleine Geschiedenis te worden, een geschiedenis van specifieke belangen, onbelangrijke conflicten en culturele regressie in de richting van een identitaire oorlog.

Negri en Hardt zijn erin geslaagd een moeilijke taak te volbrengen: het onderkennen van de progressieve en onomkeerbare trend van de mondialisering, maar tegelijkertijd het heropenen van de uitdaging van autonomie en revolte. Zo ontsloten ze een manier om te ontsnappen aan de valse maar met kracht opgedrongen keuze: ofwel instemmen met het mondiale kapitalisme of terugvallen in de richting van de nostalgie van de mislukte socialistische pogingen van de vorige eeuw. De trilogie van Negri en Hardt is erin geslaagd om de reden van de oppositie en van de zoektocht naar autonomie te verplaatsen, en dat is zo’n belangrijke prestatie dat elke andere opmerking een kleinigheid is.

Toch moet ik enkele opmerkingen maken over de filosofische en analytische kanten van deze boeken, die zijn verschenen in het eerste decennium van deze eeuw. Er moet iets gezegd worden over de structuur van de trilogie en het niet zo cryptische hegelianisme van zijn theoretische structuur. De opeenvolging is openlijk hegeliaans: het negatieve (Empire), de negatie van het negatieve (De menigte), en tenslotte, voorspelbaar genoeg, de positieve synthese, het Gemeenschappelijke (Commonwealth). Naast de algemene structuur, die gezien zou kunnen worden als een ironisch maniërisme, is de analytische inhoud van de eerste twee boeken niet altijd overtuigend. Laten we eens nadenken over het begrip Empire. Dit concept vat niet echt de tendens van het eerste decennium van deze eeuw, eerder het tegendeel, denk ik.

In het laatste deel van de twintigste eeuw is de Amerikaanse macht steeds minder in staat gebleken om haar politieke wil en militaire dominantie op te leggen, terwijl ze ook instabiel was en in economische zin is afgenomen. Empire werd enkele jaren voor de verschijning ervan geschreven, in het Clinton-tijdperk, en is de beste conceptualisering van die conjunctuur. Het nieuwe landschap van de Bush-jaren (en ook van de Obama-jaren) is er echter een van achteruitgang en nederlagen, van Irak tot Afghanistan, om nog maar te zwijgen van de rampzalige puinhoop in Pakistan, de moeizame relatie met Rusland en het gebrek aan autonomie tegenover de Chinezen.

Het concept Empire is een poging om tot een integratie te komen van de politieke sfeer met het genetwerkte communicatiesysteem. Het internet wordt geconceptualiseerd als een omgeving, en niet alleen als een middel, en dit stelt Hardt en Negri in staat om de tekenen van de vorming van het semiokapitalisme te ontcijferen. Ze zien echter het ambigue karakter van het netwerk niet, de pathologie die van invloed is op de subjectiviteit die een netwerk wordt. Het begrip Empire wordt niet alleen in geopolitieke en militaire termen geïnterpreteerd, maar verwijst ook naar de potentie van het netwerk, niet langer beperkt door nationale grenzen en identiteit. Het begrip Empire omvat in dit boek de nieuwe kracht van het netwerk als machtsstructuur en de mogelijkheid tot bevrijding. Wat belangrijk is in Empire is de verandering van de politieke houding, die niet langer wordt gekenmerkt door een gevoel van nederlaag en historisch bedrog, maar door een nuchter begrip van een nieuwe fase in de geschiedenis van sociale conflicten.

Het tweede boek, De menigte, heeft mij altijd een mislukte poging geleken om het subject een andere naam te geven, na de verzwakking van de industriële beroepsbevolking en de ontbinding van de arbeidersklasse die volgde op de mondialisering en de precarisering van de jaren negentig. Dit concept is niet voldoende om het proces van subjectivering op te bouwen dat we nodig hebben in de nieuwe sfeer van het mondiale kapitalisme. De notie van de menigte, in zijn spinozistische herkomst, verwijst naar de onmogelijkheid van de macht om de grenzeloze energieën van het sociale leven te onderwerpen aan haar overheersing.

Dit is natuurlijk belangrijk, maar zegt niets (of te weinig) over de kwaliteit, het bewustzijn en de bedoelingen van de menigte, in het bijzonder over haar mogelijkheid van autonomie ten opzichte van de kapitalistische overheersing. De duistere kant van de menigte wordt vergeten in de Hardt-Negri-formule. Depressie, paniek en zelfmoord zijn kenmerkend geweest voor de fenomenologie van het leven van de eerste ‘connectieve’ generatie (tot nu toe) en het concept van ‘de menigte’ gaat niet in op deze duistere kant, die essentieel is als we een verbeelding willen vinden voor de bewegingen die komen gaan.

In het derde boek, Commonwealth, hebben Negri en Hardt op overtuigende wijze een nieuwe kritiek op eigendom voorgesteld, gebaseerd op de grenzeloze expansie van de productieve energie van het algemene intellect in het netwerk, naast een nieuw idee van het gemeenschappelijke als de ruimte van een onophoudelijke dynamiek van uitvinding, creatie, liberalisering, privatisering, uitholling, opnieuw uitvinden, enzovoorts. Kennis is de essentiële ruimte van de commonwealth, vooral in het tijdperk van het net. En het kapitalisme is steeds minder geneigd om de uitbreiding van het kennispotentieel in semiotiek te vertalen. In die zin is het derde boek van de trilogie, Commonwealth, een goede inleiding tot de beweging die we aan de horizon zien: de beweging van kennis tegen het financiële kapitalisme of, beter gezegd, de beweging van kennisopbouwende autonomie ten opzichte van het financiële kapitalisme.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Filosofie Politiek

Voor Toni

Oorspronkelijke tekst (Engels, uit het Italiaans vertaald door Gerard Raunig): Transversal, 17 december 2023

fotografie: Manolo Finish

door Sandro Mezzadra

Sandro Mezzadra doceert politieke theorie aan de universiteit van Bologna. Hij is adjunct-hoogleraar aan het Institute for Culture and Society van de Western Sydney University en aan het Center for Cultural Research and Development van de Lingnan University in Hong Kong. Zijn recente werk concentreert zich op de relaties tussen mondialisering, migratie en kapitalisme, op hedendaags kapitalisme en op postkoloniale kritiek. Hij is een van de oprichters van de website www.euronomade.info.

Een vroege en zeer persoonlijke herinnering

Het is moeilijk om over Toni Negri te schrijven op de dag dat hij stierf. Althans, voor mij is dat moeilijk. Te veel beelden schieten me te binnen: de vakanties die we samen vierden, de reizen naar Latijns-Amerika, de eindeloze vergaderingen en discussies, maar ook de eerste lezingen van zijn boeken, Il dominio e il sabotaggio natuurlijk en daarna Dall’operaio massa all’operaio sociale, vlak na 7 april 1979. En ik herinner me die dag nog goed, toen ik na thuiskomst van school op televisie hoorde dat de leider van de Rode Brigades eindelijk was gearresteerd. Het is algemeen bekend dat van wat werd gepresenteerd als de ‘stelling van Calogero’ niets overeind bleef na de processen. Wat wel bleef waren de gebroken levens en de eindeloze jaren van voorarrest die Toni deelde met honderden van zijn kameraden en metgezellen.

Ik wil hier een eerste portret van Toni schetsen, zeer persoonlijk en zeker volledig partijdig. Ik zal dat doen door te benadrukken wat in ieder geval in mijn ogen zijn eigenheid definieerde en wat hem onderscheidde van veel andere radicale intellectuelen die ik door de jaren heen in verschillende delen van de wereld heb leren kennen. Voor nu zal het volstaan om twee aspecten van zijn persoon en leven te noemen die me altijd zijn bijgebleven.

Het eerste is zijn onuitputtelijke intellectuele en politieke nieuwsgierigheid, die, als dat mogelijk is, in de loop der jaren zelfs is gegroeid. Het is zeker normaal dat het tegenovergestelde gebeurt, dat vooral degenen die veel ervaring en een respectabele intellectuele productie achter zich hebben zelfgenoegzaam worden in het beheren van wat ze in de loop der tijd hebben opgebouwd. Bij Toni is dat nooit gebeurd, eerder het tegenovergestelde. Nieuwsgierigheid, het verlangen om te weten en de wens om het nieuwe te leren vergezelden hem tot zijn laatste levensdagen. En hoe dan ook benadrukte hij de beperkingen van zijn eigen werk, en spoorde hij vrienden en kameraden aan om niet te stoppen, om verder te gaan dan de gevestigde aannames en paradigma’s. Of het nu ging over digitale platforms, massamigratie of wereldwijde wanorde, Toni was nooit tevreden met wat hem verteld werd (of wat hij las), hij wilde altijd beter en meer begrijpen.

Het tweede aspect is zijn politieke passie, die eveneens niet te stillen was. Vooral na Empire waren de uitnodigingen van prestigieuze universiteiten en instituten over de hele wereld ontelbaar, en was er aan onderscheidingen geen gebrek. Toni keek geërgerd naar dat laatste, of met ironie, hoewel hij de confrontatie in wetenschappelijke kringen zeker niet schuwde. Maar wat hem werkelijk boeide was de mogelijkheid om echte bewegingen tegen te komen: dan veranderden de uitdrukking op zijn gezicht en de toon van zijn stem – ten teken dat hij het serieus meende. Om Toni, die de tachtig al lang gepasseerd was, urenlang in koude ruimtes in sociale centra te zien zitten discussiëren over de nieuwe vormen die de klassenstrijd aannam, is een ervaring die ik zeker niet alleen had. Het was normaal voor hem: het lijkt me echter niet normaal voor veel intellectuelen van zijn kaliber.

Per slot van rekening zijn de twee dingen die ik noemde slechts twee aspecten van hetzelfde verlangen dat Toni als communistisch definieerde. Wat ik nieuwsgierigheid noem was niets anders dan een spanning om de wereld te begrijpen teneinde haar te kunnen transformeren, te beginnen met de identificatie van de tendensen die er doorheen lopen, de tegenstellingen die haar tekenen, en de subjectiviteiten die gevormd worden in en tegen regimes van uitbuiting. En elke ontmoeting met echte bewegingen was voor hem tegelijkertijd een gelegenheid om kennis te produceren. Gesmeed in de arbeidersstrijd van de jaren zestig werd deze politieke aard van Toni verfijnd op de as die bepaald werd door de werken van Machiavelli, Spinoza en Marx, om vervolgens voortdurend vernieuwd en verrijkt te worden in de confrontatie met de bewegingen van de afgelopen vijftig jaar. Het lijkt mij dat wat hij in zijn klassieke geaardheid de volledig politieke ontologie van het leven dat hij leefde zou hebben genoemd, een van Toni’s kostbaarste nalatenschappen is.

Aan het eind van het derde deel van zijn autobiografie (Storia di un comunista) sprak Toni sereen over zijn dood. Hij was echter minder sereen over een wereld waarin hij de heropleving van het fascisme ontwaarde. Hij zei: ‘We moeten in opstand komen. We moeten ons verzetten. Mijn leven vloeit weg en vechten na je tachtigste wordt moeilijk. Maar wat er over is van mijn ziel brengt me tot deze beslissing.’ Hij bracht de vele generaties van deugdzame mannen en vrouwen die hem waren voorgegaan in de ‘kunst van de ondermijning en bevrijding’ bij elkaar en vergat niet – met het optimisme van de rede dat hem altijd kenmerkte – ‘degenen die zullen volgen’ te noemen. Hier is, in deze kunst, Toni’s politieke ontologie onthuld: we zullen die koesteren en we zullen die in de praktijk blijven brengen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

John Pilgers laatste woorden

Oorspronkelijke tekst (Engels): Thomas Fazi’s Substack, 31 december 2023

fotografie: UnHerd

door Thomas Fazi

Thomas Fazi is columnist en vertaler bij UnHerd. Zijn jongste boek is The Covid Consensus, dat hij samen met Toby Green schreef. Dit boek komt binnenkort in Nederlandse vertaling uit bij Starfish Books.

De wereld verliest een van haar laatste echte journalisten

De legendarische John Pilger – journalist, filmmaker en meedogenloze criticus van het westerse buitenlandse beleid – is op 30 december 2023 overleden. Hij was een enorme inspiratiebron voor generaties journalisten, waaronder ikzelf. Dit is het laatste artikel dat hij een maand geleden schreef, getiteld ‘We Are Spartacus,’ voor Consortium News een grimmige maar ook hoopvolle reflectie op het oprukkende fascisme in het Westen:

Spartacus was een Hollywoodfilm uit 1960, gebaseerd op een boek dat onder pseudoniem was geschreven door de op de zwarte lijst geplaatste romanschrijver Howard Fast, en bewerkt door scenarioschrijver Dalton Trumbo, een van de ‘Hollywood 10’ die werden geboycot vanwege hun ‘on-Amerikaanse’ politieke opvattingen. Het is een parabel van verzet en heldendom die zonder voorbehoud tot onze eigen tijd spreekt.

Beide schrijvers waren communisten en slachtoffers van Senator Joseph McCarthy, voorzitter van het Government Operations Committee en het Permanent Subcommittee on Investigations van de Amerikaanse Senaat, die tijdens de Koude Oorlog de carrières en vaak ook de levens verwoestten van degenen die principieel en moedig genoeg waren om zich te verzetten tegen het fascisme van eigen bodem in Amerika.

‘Dit is een scherpe tijd nu, een duidelijke tijd…,’ schreef Arthur Miller in The Crucible, ‘we leven niet langer in de schemerige namiddag toen het kwaad zich vermengde met het goede en de wereld in verwarring bracht.’

Er is nu één ‘duidelijke’ provocateur, die goed te ontwaren is voor degenen die hem willen zien en zijn acties willen voorspellen. Het is een bende staten onder leiding van de Verenigde Staten, wier verklaarde doel ‘dominantie over het hele spectrum’ is. Rusland is nog steeds de gehate, Rood China de gevreesde vijand.

Vanuit Washington en Londen kent de virulentie geen grenzen. Israël, het koloniale anachronisme en de losgeslagen aanvalshond, is tot de tanden bewapend en wordt historische straffeloosheid vergund zodat ‘wij,’ het Westen, ervoor zorgen dat het bloed en de tranen nooit opdrogen in Palestina.

Britse parlementsleden die durven oproepen tot een staakt-het-vuren in Gaza worden in de ban gedaan, en de ijzeren deur van de tweepartijenpolitiek wordt voor hen gesloten door een Labour-leider die kinderen water en voedsel wil onthouden.

In McCarthy’s tijd waren er nog eilanden van de waarheid. Buitenbeentjes, die toen nog werden verwelkomd, zijn nu ketters geworden; er bestaat nu alleen nog een ondergrondse journalistiek (zoals deze site) in een landschap van leugenachtige conformiteit. Journalisten met een afwijkende mening worden buitengesloten van de ‘mainstream’ (zoals de beroemde redacteur David Bowman schreef); de taak van de media is het ondersteboven keren van de waarheid en het ondersteunen van de illusies van de democratie, inclusief een ‘vrije pers.’

De sociaaldemocratie is gekrompen tot de breedte van het sigarettenvloeitje dat het belangrijkste beleid van de grote partijen scheidt. Die stroming is alleen nog toegewijd aan een kapitalistische cultus, die van het neoliberalisme, met een opgelegde armoede die door een speciale VN-rapporteur wordt omschreven als ‘het in de misère storten van een aanzienlijk deel van de Britse bevolking.’

Oorlog is vandaag de dag een onbeweeglijke schaduw; ‘eeuwige’ imperiale oorlogen worden als normaal beschouwd. Irak, het model, is verwoest ten koste van een miljoen levens en drie miljoen onteigenden. De vernietiger, Blair, heeft zich persoonlijk verrijkt en werd op het congres van zijn partij toegejuicht als electorale winnaar.

Blair en zijn morele tegenpool, Julian Assange, wonen vijfentwintig kilometer van elkaar vandaan, de één in een Regency-herenhuis, de ander in een cel in afwachting van uitlevering aan de hel.

Volgens een onderzoek van Brown University zijn er sinds 9/11 bijna zes miljoen mannen, vrouwen en kinderen gedood door Amerika en zijn volgelingen in de ‘wereldwijde oorlog tegen het terrorisme.’ Er zal in Washington een monument worden gebouwd om deze massamoord te ‘vieren’; het comité wordt voorgezeten door de voormalige president van de VS, George W. Bush, de mentor van Blair. Afghanistan, waar het allemaal begon, werd uiteindelijk ten gronde gericht toen president Biden de nationale bankreserves stal.

Er zijn veel Afghanistans geweest. De forensisch deskundige William Blum wijdde zich aan het doorgronden van een staatsterrorisme dat zelden bij de naam werd genoemd: tijdens mijn leven hebben de Verenigde Staten ruim vijftig regeringen omvergeworpen of geprobeerd omver te werpen, de meeste in democratische landen. Ze hebben zich bemoeid met democratische verkiezingen in dertig landen. Ze hebben bommen gegooid op de bevolking van dertig landen, waarvan de meeste arm en weerloos waren. Ze hebben gevochten om bevrijdingsbewegingen in twintig landen te onderdrukken. Ze hebben geprobeerd talloze leiders te vermoorden.

Misschien hoor ik sommigen van jullie nu zeggen: zo is het wel genoeg. In een tijd dat de Endlösung in Gaza live wordt uitgezonden voor miljoenen kijkers, de gezichtjes van de slachtoffers geëtst in het gebombardeerde puin, ingekaderd tussen tv-reclames voor auto’s en pizza’s, ja, dan is dat zeker genoeg. Hoe godslasterlijk is dat woord ‘genoeg’ eigenlijk?

Afghanistan was het land waar het Westen jonge mannen naartoe stuurde die gebukt gingen onder het ritueel van ‘strijders’ om mensen te doden en ervan te genieten. We weten dat sommigen van hen er echt van genoten dankzij het bewijs van Australische SAS-sociopaten, inclusief een foto waarop ze drinken uit de prothese van een Afghaanse man.

Niet één sociopaat is hiervoor aangeklaagd en ook niet voor misdaden zoals het van een klif af schoppen van een man, het van dichtbij neerschieten van kinderen of het doorsnijden van kelen, ook al deed niets van dit alles zich voor ‘tijdens gevechten.’ David McBride, een voormalige Australische militaire jurist die twee keer in Afghanistan heeft gediend, was een ‘ware gelover’ die het systeem zag als moreel en eervol. Hij heeft ook een diepgeworteld geloof in waarheid en loyaliteit. Hij kan die waarden definiëren zoals weinigen dat kunnen. Komende week staat hij voor de rechter in Canberra als een vermeende crimineel.

‘Een Australische klokkenluider,’ meldt Kieran Pender, advocaat bij het Australian Human Rights Law Centre, ‘[zal] terechtstaan omdat hij afschuwelijke wandaden naar buiten heeft gebracht. Het is zeer onrechtvaardig dat de eerste persoon die terecht staat voor oorlogsmisdaden in Afghanistan een klokkenluider is en niet een vermeende oorlogsmisdadiger.’

McBride kan tot honderd jaar gevangenisstraf krijgen voor het onthullen van de doofpotaffaire van de grote misdaad van Afghanistan. Hij probeerde zijn wettelijke recht als klokkenluider uit te oefenen onder de Public Interest Disclosure Act, waarvan de huidige minister van Justitie, Mark Dreyfus, zegt dat deze ‘onze belofte nakomt om de bescherming voor klokkenluiders in de publieke sector te versterken.’

Toch is het Dreyfus, een Australische Labor-minister, die zijn goedkeuring hechtte aan het proces tegen McBride, die vier jaar en acht maanden heeft moeten wachten sinds zijn arrestatie op het vliegveld van Sydney: een wachttijd die een ravage betekende voor zijn gezondheid en zijn gezin.

Degenen die David kennen en weten van het afschuwelijke onrecht dat hem is aangedaan, vullen zijn straat in Bondi, vlakbij het strand in Sydney, om deze goede en fatsoenlijke man een hart onder de riem te steken. Voor hen, en voor mij, is hij een held.

McBride was ontdaan door wat hij aantrof in de dossiers die hij moest inzien. Hier was bewijs van misdaden en het toedekken ervan. Hij gaf honderden geheime documenten door aan de Australian Broadcasting Corporation en The Sydney Morning Herald. De politie deed een inval in de kantoren van de ABC in Sydney, terwijl verslaggevers en producers geschokt toekeken hoe hun computers in beslag werden genomen door de federale politie.

Minister Dreyfus, een zelfverklaard progressief hervormer en vriend van klokkenluiders, heeft de unieke macht om het proces tegen McBride tegen te houden. Een Freedom of Information-onderzoek naar zijn handelen op dit vlak heeft weinig aan het licht gebracht, hooguit onverschilligheid.

Je kunt geen volwaardige democratie zijn én een koloniale oorlog voeren; het ene heeft alles te maken met fatsoen, het andere is een vorm van fascisme, ongeacht de pretenties. Kijk maar naar de slachtvelden van Gaza, die tot stof zijn gebombardeerd door de apartheidsstaat Israël. Het is geen toeval dat in het rijke, maar verarmde Groot-Brittannië op dit moment een ‘onderzoek’ loopt naar het neerschieten van tachtig Afghanen, allemaal burgers, waaronder een koppel in bed, door Britse SAS-soldaten.

Het groteske onrecht dat David McBride is aangedaan, heeft overlappingen met het onrecht dat zijn landgenoot Julian Assange is aangedaan. Beiden zijn vrienden van me. Telkens als ik ze zie, ben ik optimistisch. ‘Je vrolijkt me op,’ zeg ik tegen Julian als hij aan het eind van het bezoekuur een uitdagende vuist opsteekt. ‘Door jou voel ik me trots,’ zeg ik tegen David in onze favoriete koffieshop in Sydney.

Hun moed heeft velen van ons, die misschien wanhopig zijn, in staat gesteld om de werkelijke betekenis te begrijpen van een verzet dat we allemaal delen als we de verovering van ons geweten en van ons zelfrespect willen voorkomen, als we vrijheid en fatsoen verkiezen boven meegaandheid en collusie. Hierin zijn we allemaal Spartacus.

Spartacus was de opstandige leider van de slaven van Rome in 71-73 vóór Christus. Er is een spannend moment in de Kirk Douglas-film Spartacus als de Romeinen de mannen van Spartacus oproepen hun leider te identificeren om zo gratie te verkrijgen. In plaats daarvan staan honderden van zijn kameraden op, heffen solidair hun vuisten en roepen: ‘Ik ben Spartacus!’ De opstand is begonnen.

Julian en David zijn Spartacus. De Palestijnen zijn Spartacus. Mensen die de straten vullen met vlaggen en principes en solidariteit zijn Spartacus. We zijn allemaal Spartacus als we dat willen.

Rust in vrede, John. Je zult niet vergeten worden.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Klimaat Politiek

Een kleine genocide

Oorspronkelijke tekst (Engels): CounterPunch, 17 december 2023

fotografie: Praza Pública

door Julie Wark

Julie Wark is Australisch/Spaans staatsburger en woont al 27 jaar in Barcelona. Ze is vertaalster (Catalaans/Spaans naar Engels, literatuur, politiek en filosofie), langdurig mensenrechtenauteur/activiste en zit in de redactieraad van Sin Permiso.

Van Gaza tot het Mau Forest in Kenia

Vijftien jaar nadat de Amerikaanse regering de Marshalleilanden gebruikte om nieuwe atoomwapens te testen en te leren over de langetermijngevolgen van straling voor een menselijke bevolking (zoals Dennis OʼRourke op angstaanjagende wijze documenteert in zijn film Half Life: A Parable for the Nuclear Age), gaf Henry Kissinger zijn versie van de getallentheorie als het om genocide gaat. Negentigduizend mensen is niet genoeg. Volgens Walter Hickel, de minister van Binnenlandse Zaken, zei Kissinger tijdens een bijeenkomst met William Rogers, de minister van Buitenlandse Zaken, en twee andere functionarissen in 1969: ‘Er zijn daar maar negentigduizend mensen. Wie kan dat wat schelen?’ Hij bedoelde eigenlijk negentigduizend mensen met een donkere huidskleur. Inheemse mensen. Alleen maar die andere mensen. Stalin zei het op zijn eigen manier: ‘Eén enkele dood is een tragedie; een miljoen doden is een statistiek,’ en de subtekst is dat één van de onzen belangrijker is dan een miljoen van die anderen.

In de denkwijze van genocide-bedrijvers als Kissinger en Stalin overkomt genocide andere mensen (alsof dat iets is dat je in aparte hokjes kunt stoppen), met namen als Rohingya, Oeigoeren, Armeniërs, Yazidi’s, West-Papoea’s, Oost-Timorezen, Australische Aboriginals, Darfuri’s, Tutsi’s, Bosniërs, Bangladeshi, Herero’s, Maya’s, om er maar een paar te noemen. Dit patroon gaat terug tot de Dzungar-stam (1755), de Taíno (1492) en de Katharen (1209 – 1229), en tot inheemse volken met meestal onbekende namen. Volgens Raphael Lemkin, in zijn Axis Rule in Occupied Europe (1944) waarin hij het woord bedacht, is ‘genocide’ een imperiale relatie waarin het groepsleven van inheemse bevolkingsgroepen wordt vernietigd en het ene ‘nationale patroon’ wordt opgelegd aan het andere (p. 79).

Dit ‘nationale patroon’ was toen al behoorlijk mondiaal, in de vorm van het kapitalisme met zijn fundamenten van uitbuiting, onteigening en plundering van mensen en hun leefomgeving, allemaal uitgedost als beschaving en vooruitgang. Het einde van het kolonialisme betekende niet het einde van het systeem dat het voortbracht. Het op koloniën gebaseerde kapitalisme oude stijl, getransformeerd in mondiaal neoliberalisme en de soevereiniteit van de markt met zijn nieuwe geopolitiek, moest politieke vrijheid en echte zelfbeschikking ontzeggen aan de mensen van de voormalige koloniën, zodat iedereen kon worden onderworpen aan een internationale arbeidsverdeling en extractivisme. Maar niet alleen de voormalige koloniën werden overgenomen. Zoals Jessica Whyte opmerkt ‘heeft het neoliberalisme zich geïnternaliseerd in de [westerse] subjectiviteit.’ Margaret Thatcher begreep dit: ‘Er bestaat niet zoiets als de samenleving.’ Vakbonden, sociale steun en welzijnssystemen worden ondermijnd en de ‘samenleving’ bestaat uit algoritmische monaden die voor zichzelf handelen op één grote competitieve marktplaats. Als je geluk hebt en slaagt, kun je voor ongeveer twintig miljoen dollar met Elon Musk naar de maan vliegen of, voor iets minder geld, een volledig oplaadbare, massief gouden dildo van vijftienduizend dollar van Gwyneth Paltrow kopen (wie heeft er trouwens menselijke warmte nodig als de temperatuurveranderingen van dat ding je ‘NAAR DE MAAN’ kunnen sturen?). Als je een Yanomami bent, word je uit je voorouderlijk huis verjaagd of vermoord voor het goud dat in de modder van je land ligt. En dat allemaal om een rijk persoon te plezieren die denkt dat een dure dildo van massief goud een sexy bedpartner is.

Dit is waar genocide en ecocide, waar Palestijnen en de Ogiek van het Mau Forest in Kenia samenkomen, in lichtzinnig spilzieke producten zoals Elons ruimteraketten en Gwyneths dildo. Het kapitalisme heeft zijn krankzinnige einde bereikt en de genocide-bedrijvers die de weg hebben vrijgemaakt voor de vorderingen ervan tekenen het doodvonnis van hun eigen nakomelingen. Als genocide ooit een misdaad was tegen een deel van de mensheid (althans in fysieke, zo niet in morele termen), dan is ecocide, nu onlosmakelijk verbonden met genocide, een misdaad tegen de hele mensheid en tevens elke andere levensvorm op Aarde, zoals de huidige klimaatcatastrofe luid en duidelijk aankondigt.

Nu de lat van de wreedheidstolerantie zo hoog ligt, is genocide oké, zolang het maar een beetje kan worden toegedekt en netjes kan worden toegespitst op aparte groepen, degenen die er niet helemaal bijhoren. In het VN-Verdrag inzake de Preventie en Bestraffing van Genocide van december 1948 wordt genocide omschreven als ‘het voornemen om een nationale, etnische, raciale of religieuze groep als zodanig geheel of gedeeltelijk te vernietigen.’ Het moeilijke deel van het bewijzen dat het misdrijf genocide is gepleegd, was vroeger de kwestie van de ‘intentie’ (dolus specialis). Niet iedereen was zo openhartig als generaal Lothar von Trotha, die in 1904 zijn ‘uitroeiingsbevel’ tegen de Namaqua en Herero rechtvaardigde in termen van een ‘rassenoorlog,’ een collectieve straf voor mensen die zich verzetten tegen de rol van Duitsland in de algemene strijd om Afrika. Zelfs Indonesië, met zijn langzame genocide in West-Papoea, is voorzichtig met racisme in zijn openbare verklaringen, hoewel het onder insiders bijnamen als uitroeibare ‘ratten’ en ‘apen’ gebruikt als verwijzing naar de inheemse bevolking.

Bij de huidige aanval van Israël op Gaza wordt er weinig moeite gedaan om de intentie te verbergen. Israël gaat er juist prat op, omdat het gesteund wordt door zijn westerse bondgenoten die zeggen dat ze ‘vrede’ willen (lees: ongecompliceerde toegang tot de grondstoffen van het Midden-Oosten). Yoav Gallant, de Israëlische minister van Defensie, verklaarde op 9 oktober:

‘We leggen Gaza een volledig beleg op. Geen elektriciteit, geen voedsel, geen water, geen brandstof. Alles is afgesloten. We vechten tegen menselijke dieren en we zullen dienovereenkomstig handelen.’ Toen aan diplomaat Michal Maayan werd gevraagd waarom de Israëlische strijdkrachten op demonstranten schoten en ze doodden bij de grensovergangen van Gaza, antwoordde hij kalm: ‘Nou, we kunnen niet al deze mensen in de gevangenis stoppen.’ Werkwoorden als ‘uitroeien’ en ‘platgooien’ worden vrijelijk gebruikt in de sociale media. Netanyahu verwijst naar de Palestijnen als Amalek, de oude vijand van de Israëlieten die moest worden uitgeroeid. Zijn minister van Erfgoed ziet nucleaire bombardementen als een optie. Voormalig permanent vertegenwoordiger van Israël bij de VN, Dan Gillerman, zegt dat de Palestijnen ‘verschrikkelijke onmenselijke dieren’ zijn (alsof het oké is om dieren uit te roeien). Parlementslid Ariel Kallner zegt dat ‘de vijand tot een einde moet worden gebracht’ en zijn collega Zvi Sukkot, die Hamas ‘nazi’s’ noemt, zweert: ‘We zullen de nazi’s en hun helpers doden. Met minder dan dat nemen we geen genoegen.’

Sinds 1998 en de zaak The Prosecutor v. Jean Kambanda (Judgement and Sentence), ICTR 97-23-S, bij het Internationaal Tribunaal voor Rwanda (ICTR), wordt genocide vaak de ‘misdaad der misdaden’ genoemd. Maar de echte misdaad der misdaden is ecocide, waarbij uiteindelijk geen onderscheid wordt gemaakt tussen mensen of tussen soorten. De misselijkmakende klucht van COP28 is onlangs in Dubai opgevoerd met de niet-zo-verborgen agenda van het ontkennen van de bevindingen van de klimaatwetenschap en het pushen van nog meer oliedeals. De Braziliaanse delegatie van ruim tweeduizend mensen liet de wereld zien hoe het land ongelijkheid aanpakt en de regenwouden beschermt, terwijl de Braziliaanse minister van Energie, Alexandre Silveira, bij de opening aankondigde dat Brazilië van plan is zich nauwer aan te sluiten bij ’s werelds grootste oliekartel, de OPEC. Israël, dat slechts 28 functionarissen stuurde in plaats van de oorspronkelijk geplande duizend, deed aan ‘groene diplomatie’ terwijl het vrolijk doorging met zijn genocide en milieumoord in Gaza. Ecocide? Dat kun je beter verzwijgen, want in tegenstelling tot genocide raakt het iedereen, en burgers van liberale democratieën kunnen boos worden als ze last hebben van overstromingen en bosbranden, die zo lang mogelijk als natuurrampen zullen worden afgeschilderd. De COP-deelnemers en -regeringen slaan dus ‘groene’ taal uit. Zelfs BP – zijn dieselpompen althans – is groen.

Hier zijn een paar ecocidale feiten over Israëls aanval op Gaza die nauwelijks in de reguliere media aan bod zijn gekomen. Op 30 oktober verleende Israël twaalf licenties aan zes bedrijven, verdeeld over twee consortia, het ene bestaande uit Eni, Dana Petroleum en Ratio Energies, en het andere uit BP, State Oil Company of Azerbaijan Republic (SOCAR) en NewMed Energy, om in de Middellandse Zee naar gasreserves te zoeken die, inclusief olie, in 2019 op 524 miljard dollar werden geschat. The Times of Israel meldt dat ‘de winnende bedrijven zich hebben verbonden tot ongekende investeringen in aardgasexploratie in de komende drie jaar, in de hoop nieuwe aardgasreserves te ontdekken.’ Maar volgens een UNCTAD-rapport dat ook in 2019 werd gepubliceerd, zit er een kink in de kabel voor deze ongekende investering, want een deel van die rijkdom zou zich binnen de bezette Palestijnse gebieden bevinden, terwijl een groot deel van de rest buiten de nationale zeegrenzen ligt en volgens de wet met alle relevante partijen zou moeten worden gedeeld. In juni 2022 ondertekende de EU, op zoek naar een andere bron van gas sinds de invasie van Rusland in Oekraïne, een Memorandum of Understanding met Israël om gas te importeren uit het Leviathan-veld, terwijl de VS een samenwerkingsovereenkomst met Israël ondertekenden op het gebied van energie, waarin onder punt (8) staat dat ‘samenwerking tussen de Verenigde Staten en Israël op het gebied van energie en de ontwikkeling van natuurlijke hulpbronnen door Israël in het strategisch belang van de Verenigde Staten zijn,’ en onder punt (10) dat ‘de Verenigde Staten een rol kunnen spelen bij het assisteren van Israël bij regionale veiligheids- en beveiligingskwesties.’ En dat alles zonder enige aandacht voor het feit dat aardgas veel slechter voor het milieu is dan steenkool.

Ondertussen stellen de VS nu een coalitie van westerse regeringen voor om Gaza over te nemen zodra Israël zich heeft ontdaan van de twee miljoen inwoners. Een soortgelijk plan wordt geopperd voor de Westelijke Jordaanoever. Misschien heeft het allemaal iets te maken met het Ben Goerionkanaal, een Israëlisch project dat dateert uit de jaren zestig van de vorige eeuw, met als doel de Rode Zee met de Middellandse Zee te verbinden via het zuidelijke uiteinde van de Golf van Akaba. De oorspronkelijke route omzeilde de Gazastrook, waardoor het project langer en duurder werd. Het Suezkanaal, dat twaalf procent van de wereldhandel voor zijn rekening neemt, vormt natuurlijk al de verbinding tussen de Noord-Atlantische en de Indische Oceaan, maar is te onbetrouwbaar voor westerse behoeften. Egypte heeft na de stichting van Israël in 1948 en de Nakba meerdere malen de toegang tot het kanaal afgesloten, wat een grote ontwrichting van de wereldhandel en geopolitieke onzekerheid teweegbracht. En enorme vastgelopen schepen blokkeren het kanaal soms dagenlang, wat tien miljard dollar per dag kost. Nu de Gazastrook ‘platgegooid’ wordt, zijn er naar verluidt nieuwe plannen voor het Ben Goerion-kanaal, dit keer met de bedoeling om het midden door de Palestijnse enclave te leiden. De aanwezigheid van de Palestijnen was ooit een obstakel. Maar nu genocide en ecocide hun ware verwantschap laten zien, is het niet moeilijk te begrijpen waarom de westerse liberale democratieën en beide rivaliserende partijen in de VS onder één hoedje spelen rond de kwestie van het aan de kaak stellen van genocide, om te voorkomen dat er een kijkgat wordt geopend naar de nog grotere misdaad die wordt gepleegd om de levensstijl van rijke en machtige mensen in stand te houden.

De wreedheden van Israël in Palestina passen in het algemene patroon van vestigingskolonialisme en de gevolgen van ‘ecologisch geïnduceerde genocide,’ meestal officieel als een ‘humanitaire crisis’ bestempeld. Als genocide, gemotiveerd door extractivisme, leidt tot ecocide, dan leidt ecocide tot genocide wanneer bossen, land, vissen, dieren en gewassen worden vernietigd, in wat soms ‘counterinsurgency’-tactieken van uithongering en ontheemding worden genoemd. Crook, Short en South vatten de systemische kant van het verband tussen genocide en ecocide samen. ‘De kapitalistische manier om sociale (re)productie te organiseren is inherent anti-ecologisch en noodzakelijkerwijs eco-criminogeen. Sterker nog, in het tijdperk van de klimaatcrisis en het Antropoceen zal ecocide (zowel “natuurlijk” als “door de mens veroorzaakt”) een primaire drijfveer van genocide worden.’ Een systeem dat zich bezighoudt met het onttrekken van ‘gebruikswaarden’ aan de natuur, roeit andere systemen uit die de natuur en haar schepselen respecteren als thuis en als verwanten, in onopgemerkte genocides die mensen als Kissinger de aandacht niet waard achten.

Een van de kleine genociden die in de wereld plaatsvinden tegen mensen uit deze laatstgenoemde systemen, is die tegen de ongeveer dertigduizend Ogiek in het Keniaanse Mau Forest (zo’n vierduizend hectare groot en zich uitstrekkend over meerdere landen), die waarschijnlijk de laatste jagers en verzamelaars van Kenia zijn en voornamelijk overleven op wilde vruchten en wortels, wild en de traditionele bijenteelt. Omdat ze afhankelijk zijn van hun omgeving, zijn ze de beheerders, bewoners en bewakers van een woud dat hun thuis, hun cultuur, hun opleiding en hun identiteit is. De naam ‘Ogiek’ betekent letterlijk ‘verzorger van alle planten en wilde dieren,’ wat betekent dat het Mau Forest op zijn beurt afhankelijk is van de Ogiek om te overleven. Toch zijn de Ogiek, ooit toegewijde rentmeesters van 91.000 hectare land, sinds de koloniale tijd verdreven uit hun voorouderlijk domein, dat is verdeeld onder bondgenoten van de overheid, boeren en houtkapbedrijven. In naam van de dierenbescherming is het hen verboden om te jagen. Omdat de Ogiek hun traditionele levenswijze niet meer kunnen uitoefenen, worden ze in hun bestaan als volk bedreigd.

De Ogiek hebben een beroep gedaan op het internationaal recht inzake de rechten van inheemse volkeren en beweren dat de Keniaanse regering weigert hen te erkennen als een inheemse gemeenschap, om zo hun recht op gemeenschappelijk eigendom van hun traditionele land te kunnen ontkennen. Op dit moment, onder dekking van de afleidende verschrikkingen van Gaza, en samenvallend met het bezoek van de (‘groene’) Britse koning Charles III aan Kenia, is de Keniaanse regering bezig hen van hun land te verdrijven, wat een directe schending zou zijn van een uitspraak van het Afrikaanse Gerechtshof, zogenaamd om milieuredenen. Gewapende boswachters vernielen huizen met bijlen en hamers. Toch had het Hof de regering in juni 2022 opgedragen om de Ogiek collectieve landeigendomsrechten te geven in het Mau Forest, omdat zij duidelijk ‘eigenaar zijn van dit land.’ De Keniaanse wet is dus niet in overeenstemming met het internationaal recht inzake de rechten van inheemse volkeren. Maar de regering accepteert niet dat de Ogiek een inheems volk zijn, wat betekent dat ze ook geen rechten kunnen hebben. Ze erkent 42 stammen, maar jager-verzamelaars bestaan niet, dus in recente volkstellingen worden de Ogiek bij de (zeer verschillende) Maasai of Kelenjin opgeteld. De Ogiek zijn ‘anders,’ maar hun identiteit wordt hen ontzegd en ze genieten geen wettelijke bescherming.

De regering claimt het Mau Forest als een van haar belangrijkste (internationaal gefinancierde) ‘watertorens,’ maar de vernietiging van dit bos door houtkappers en boeren heeft geleid tot de ernstige uitputting van een vitaal waterwingebied. Een ‘watertoren’ wordt omschreven als ‘een topografische verhoging die voldoende afvloeiing naar een lager gelegen punt mogelijk maakt, hydrologie (voldoende bronnen, beken en riviernetwerken om grotere bekkens te voeden), geologie, geschikte bodems en voldoende vegetatie die genoeg opslag van zowel ondergronds als oppervlaktewater mogelijk maakt en een grote biodiversiteit herbergt.’

Alleen gaat het niet echt om deze ‘watertorens.’ Advocaten van de Ogiek hebben het feit aan de kaak gesteld dat de overheid jager-verzamelaars illegaal uitzet om te profiteren van koolstofkredieten, in naam van de bescherming van het milieu. Koolstofkredieten zijn handelswaar. De ‘eigenaar’ van het bos wordt betaald om vervuilers toe te staan koolstofdioxide en andere schadelijke gassen uit te stoten, door de uitstoot op te vangen via het koolstofabsorberend vermogen van de bomen. Dr. Justin Kenrick van het Forest Peopleʼs Programme stelt dat de regering probeert de volledige controle te verkrijgen over dit nieuwe lucratieve bezit. ‘Degenen die de controle hebben over de bossen van Afrika kunnen veel geld verdienen … En het Mau Forest is het grootste bos van Kenia. De Ogiek staan dus in de frontlinie van een valse klimaatoplossing die wordt gebruikt om voortdurende uitzettingen en emissies te rechtvaardigen.’ Dubai ligt hier ook op de loer, want de nieuwe wens van de Keniaanse regering om bossen te ‘behouden’ (op haar manier) valt samen met haar ‘gedenkwaardige overeenkomst’ van oktober vorig jaar met het in Dubai gevestigde bedrijf Blue Carbon (dat nu het bestaan van een dergelijk programma ontkent). Ondertussen krijgen de Ogiek de schuld van ‘inbreuken en illegale houtkap.’

Dit is niets nieuws. In koloniale tijden werden jager-verzamelaars routinematig hun hooglandsavannen uitgezet, die krioelden van de wilde dieren maar niet bewoond werden door mensen, zo werd althans beweerd. Hun bestaan werd dus ontkend. Ze waren al ‘dood’ voordat de genocide begon. Het koloniale beleid van gedwongen assimilatie van jager-verzamelaars in grotere stammen ging door na de onafhankelijkheid. De Ogiek werden voor het eerst verdreven door de Britse koloniale regering toen deze Kenia in 1920 bezette. Zij verhuisden naar andere delen van het bos en velen van hen werden zelfs boswachters voor de koloniale regering toen die er niet in slaagde hen uit te zetten. Ze bleven manieren vinden om het bos te beschermen.

Net als de West-Papoea’s – eveneens onderhevig aan een langzame, onder de pet gehouden, internationaal goedgeprate genocide, die een anti-ecocidale Green State Vision hebben ontwikkeld die angstvallig wordt genegeerd door de COP-toppen – heeft ook de Chepkitale-Ogiek Raad van Bestuur zijn groene visie, die bestaat uit niets minder dan 144 richtlijnen die tot doel hebben het milieu te beschermen en de co-existentie tussen mensen en wilde dieren te bevorderen. Het gaat hierin onder meer over het afbakenen van zones voor begrazing tijdens natte en droge seizoenen, met sommige gebieden die alleen gebruikt mogen worden met toestemming van de hele gemeenschap; over landgebieden die door de gemeenschap als geheel worden beschermd; over bijenteelt en honingoogst, waarbij de bescherming van bijen, bijenkorven en bomen wordt gegarandeerd, met speciale seizoenen voor het verzamelen van honing en een verbod op het omhakken van bomen waar bijen zwermen; over de bescherming van de ernstig bedreigde Afrikaanse bosolifanten die zich nu aan de Chepkitale-kant van Mount Elgon hebben gevestigd sinds ze uit hun natuurlijke habitat zijn verdreven door het Keniaanse ‘agroforestry’-systeem (commerciële bosbouw en houtkap); en over levensvatbare benaderingen van het landbeheer en -behoud in Kenia, dat gedomineerd wordt door beleid uit de koloniale tijd, inclusief het verdrijven van traditionele volkeren uit naam van landbehoud. Maar echt groene visies zijn een gruwel voor de BP-pompen en degenen die daar baat bij hebben.

Een van de meest verschrikkelijke video’s die ik heb gezien over de misdaden tegen de menselijkheid die in Gaza worden begaan, is die van een pasgeboren baby, zo jong dat hij nog een laagje vernix heeft. Zijn kleine kin trilt. De baby heeft granaatscherfwonden. Een baby, zo jong in zijn beschermende laagje vernix, met de wonden van een soldaat. We worden verondersteld dat in onze ‘subjectiviteiten’ te internaliseren en onze schouders op te halen over het feit dat, als deze monsterlijke misdaad kan worden begaan tegen een baby in Gaza, het ook met andere baby’s elders zal gebeuren. In het Mau Forest in Kenia zijn de Ogiek niet talrijk genoeg voor Henry Kissingers aandacht of Jozef Stalins statistieken. En ze zijn te talrijk voor de tragedie van Stalin, tenzij we de mensheid niet als kleine groepen beschouwen die door grotere groepen kunnen worden vernietigd, maar als één geheel. Dan is die tragedie echt, want dan wordt genocide zoiets als ‘soortzelfmoord.’ Friedrich Engels begreep dit lang geleden al in ‘Dialectiek van de Natuur’: ‘Laten we ons echter niet te veel beroemen op onze menselijke overwinningen op de natuur. Want voor elke overwinning neemt de natuur wraak op ons.’ (p. 183).

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Jacques Delors heeft Europees links vernietigd

Oorspronkelijke tekst (Engels): Unherd, 1 januari 2024

fotografie: Hurst

door Thomas Fazi

Thomas Fazi is columnist en vertaler bij UnHerd. Zijn jongste boek is The Covid Consensus, dat hij samen met Toby Green schreef. Dit boek komt binnenkort in Nederlandse vertaling uit bij Starfish Books.

De Franse socialist maakte populistisch rechts mogelijk

Er is een verhaal dat Europese progressieven zichzelf graag vertellen: dat hun regeringen na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog een quasi-utopisch compromis tussen kapitalisme en socialisme sloten – maar dat dit werd bedorven door de import van het moordende kapitalisme dat de neoliberale contrarevolutie van Reagan begin jaren tachtig kenmerkte.

Het is een geruststellend fabeltje, ontworpen om het eigen falen te verhullen. Het is echter volledig onwaar. Het neoliberalisme werd niet van de overkant van de Atlantische Oceaan (of van het Kanaal) naar Europa geëxporteerd. Het kwam grotendeels van eigen bodem – onder de hoede van de Europese socialisten, en van één socialist in het bijzonder: Jacques Delors, voorzitter van de Europese Commissie van 1985 tot 1995, die onlangs overleed.

Om deze tragedie te begrijpen, hoeven we niet terug te gaan naar 1945, maar slechts naar 1981. In mei van dat jaar werd de socialist François Mitterrand gekozen tot president van Frankrijk, na ruim twee decennia waarin links had moeten afzien van het presidentschap. Hij vormde een regering waarin voor het eerst sinds 1947 ook communistische ministers zaten, hetgeen het wijdverbreide geloof aanwakkerde dat Frankrijk op weg was naar een radicale breuk met het kapitalisme.

In die tijd was dat niet ondenkbaar. De meeste Europese regeringen geloofden nog heilig in het belang van economisch dirigisme, en in de noodzaak van kapitaalcontroles en gereguleerde financiële markten, wat een hoge mate van economische soevereiniteit veronderstelde. Nergens was dit méér waar dan in Frankrijk: de Fransen waren altijd bijzonder terughoudend geweest om in te stemmen met een supranationale autoriteit – een consistent standpunt dat de vooruitgang naar een Europese economische en monetaire unie had belemmerd. In het algemeen geloofde men nog steeds dat individuele naties de macht hadden om hun eigen economische en politieke lot te bepalen – en zelfs om het kapitalistische systeem zelf uit te dagen.

Niets illustreert dit beter dan de overwinning van Mitterrand in de lente van 1981. De beleidsagenda van de nieuwe president behelste een ambitieus hervormingsprogramma van Keynesiaanse economische reflatie en herverdeling. Hij stelde ook uitgebreide nationalisaties van de Franse industriële conglomeraten voor. Door dit programma uit te voeren, beweerde Mitterrand, zou zijn regering een ‘breuk’ met het kapitalisme teweegbrengen en de basis leggen voor een ‘Franse weg naar het socialisme.’ Het is makkelijk te begrijpen waarom dit een moment van immense hoop was, niet alleen voor Frans links, maar voor heel Europees links – van een soort dat we sindsdien niet meer hebben gezien.

Kort na het begin van het Mitterrand-experiment begon het echter al uiteen te vallen. Als reactie op het ambitieuze plan voor economische hervormingen van de socialisten begon het kapitaal Frankrijk vrijwel onmiddellijk te ontvluchten. Ondanks het opleggen van draconische kapitaalcontroles was de regering niet in staat om deze vlucht te stoppen.

Dit creëerde een neerwaartse druk op de frank (nog verergerd door de wereldwijde rentestijgingen na 1979), waardoor het Franse lidmaatschap van het Europese Monetair Stelsel (EMS) – het systeem van semi-vaste wisselkoersen dat in 1979 werd gecreëerd – in gevaar kwam. Onder het EMS hadden de centrale banken van de deelnemende landen weinig andere keuze dan het restrictieve monetaire beleid van de Bundesbank te volgen. Dit was echter onverenigbaar met het reflatoire programma van Mitterrand, en Mitterrand kwam in een positie terecht waarin hij moest beslissen of hij het EMS zou verlaten of zijn progressieve agenda zou opgeven. Helaas koos hij voor het laatste.

En dus gooiden Mitterrand en de socialisten in het voorjaar van 1983 het roer drastisch om, in wat bekend werd als de tournant de la rigueur (draai naar soberheid): in plaats van op groei en werkgelegenheid zou de nadruk nu komen te liggen op prijsstabiliteit, fiscale terughoudendheid en een bedrijfsvriendelijk beleid. Een cruciaal aspect hiervan was de geleidelijke afschaffing van vrijwel alle kapitaalcontroles en beperkingen op financiële transacties. En wie was de belangrijkste architect van deze verschuiving? Inderdaad, de minister van Financiën van Mitterrand, Jacques Delors.

De gevolgen van deze ommezwaai kunnen niet worden overschat. De overwinning van Mitterrand in 1981 had het wijdverbreide geloof aangewakkerd dat een breuk met het kapitalisme – althans in zijn extreme vorm – nog steeds mogelijk was. Maar twee jaar later waren de Franse socialisten erin geslaagd om precies het tegenovergestelde te ‘bewijzen’: dat de mondialisering een onontkoombare realiteit was. Ook al waren er alternatieven beschikbaar voor Mitterrand (zoals het verlaten van het EMS en het laten zweven van de frank), de conclusie die de meeste mensen trokken luidde dat de ‘Keynesiaanse weg naar het socialisme’ had gefaald. Het kapitaal had gewonnen.

Om het nog erger te maken, exporteerden de Franse socialisten, nadat ze thuis het neoliberalisme hadden omarmd, hun pas ontdekte opvattingen – over alles van kapitaalbewegingen tot monetaire integratie – naar de rest van Europa. Ook hierin stond Delors centraal. ‘Nationale soevereiniteit betekent niet veel meer, of heeft niet veel reikwijdte meer in de moderne wereldeconomie,’ zei hij. ‘Een hoge mate van supranationaliteit is essentieel.’ Dit was een radicale breuk met de traditionele, op soevereiniteit gebaseerde houding van Frankrijk, die al ernstig was aangetast door de beslissing van Frankrijk om toe te treden tot het EMS, waardoor het land, zoals gezegd, in feite werd gedwongen zijn eigen monetair-fiscale beleidsonafhankelijkheid ondergeschikt te maken aan het monetaire beleid van de Bundesbank.

Ondanks alle historische zorgen van Frankrijk over supranationale (dat wil zeggen: ‘Europese’) aantasting van zijn soevereiniteit aan de ene kant en Duitse hegemonie aan de andere kant, ontging weinigen de ironie dat het de socialisten waren die deze soevereiniteit opgaven – en uitgerekend aan Duitsland. Maar eind jaren zeventig hadden Franse politici aan beide zijden van het politieke spectrum geaccepteerd dat het behoud van de status van Frankrijk betekende dat het land stevig ‘in Europa’ moesten blijven – dat wil zeggen: in het EMS –, wat op zijn beurt inhield dat het een beleid moest voeren van lage inflatie en een stabiele munt.

Dit bracht een duidelijke verschuiving teweeg in de houding van de socialisten ten opzichte van Europa – een stemming die Delors in oktober 1983 aldus samenvatte: ‘Onze enige keuze is die tussen een verenigd Europa en achteruitgang.’ Zoals Rawi E. Abdelal, hoogleraar bedrijfskunde aan de Harvard Business School, opmerkte: ‘Voor zover Frans links bleef hopen op een socialistische transformatie, konden haar leden Europa zien als de enige arena waarin socialistische doelen bereikt konden worden.’ Het probleem was alleen dat ze in 1983 weinig te bieden hadden in termen van een progressief alternatief voor heel Europa, omdat ze het idee hadden geaccepteerd dat sociaal-politieke doelstellingen ondergeschikt moesten worden gemaakt aan ‘prijsstabiliteit.’

En dus steunde Frankrijk twee jaar later met kracht de benoeming van Delors tot voorzitter van de Europese Commissie – een positie die hij een decennium lang, ofwel drie termijnen, zou bekleden, langer dan enige andere drager van het ambt. Het is niet overdreven om te zeggen dat het voorzitterschap van Delors baanbrekend was en het Europese integratieproces een impuls gaf die in het voorgaande decennium ontbrak. Het is ook de periode waarin de fundamenten van de monetaire unie, en meer in het algemeen van het neoliberale Europa, werden gelegd – een ontwikkeling waarin Delors, en de Franse socialisten in het algemeen, een sleutelrol speelden.

Hun logica was de volgende: gezien het feit dat binnen het EMS de Bundesbank in feite de rentetarieven bepaalde voor alle deelnemende staten en dat uit het EMS stappen niet als een optie werd beschouwd, raakten de Fransen er steeds meer van overtuigd dat er maar één manier was om een vast wisselkoerssysteem met lage inflatie te behouden en tegelijkertijd de controle over het monetaire beleid bij Duitsland weg te halen: aandringen op een volledige Europese monetaire unie. Voor Delors werd het creëren van één Europese munt een topprioriteit, en hij begon zijn aarzelende Europese collega-beleidsmakers te overtuigen om het idee te omarmen. De eerste stap was de ondertekening van de Europese Akte in 1986, met als doel de oprichting van een interne markt tegen 1992. Delors exporteerde ook de nieuwe opvattingen van Frankrijk over het kapitaalverkeer naar de rest van Europa door aan te dringen op de volledige liberalisering van de kapitaalstromen over het hele continent – waarmee hij de weg vrijmaakte voor een monetaire unie.

Dit maakt het historische belang van de neoliberale wending van Frans links duidelijk: als de Fransen de financiële liberalisering op binnenlands niveau niet hadden omarmd, zouden ze nooit hun steun hebben verleend aan een geïntegreerde Europese financiële markt – en zou een monetaire unie waarschijnlijk nooit het levenslicht hebben gezien.

De voorstellen van de Commissie stuitten aanvankelijk op hevig verzet van een aantal regeringen. Maar tegen het einde van de jaren tachtig was Delors erin geslaagd om de Europese benadering van kapitaalcontroles radicaal te veranderen en om de EU-lidstaten zover te krijgen dat ze tegen 1992 volledige kapitaalmobiliteit invoerden, waardoor het vrije verkeer van kapitaal een centraal principe werd van de opkomende Europese interne markt. Dit was niet alleen een bindende verplichting tussen de EU-leden onderling, maar ook tussen de leden en derde landen.

Delors was er in feite in geslaagd om Europa te dwingen om de ‘consensus van Parijs,’ het Europese equivalent van de Washington Consensus, volledig te omarmen. Het gevolg hiervan was een Europees financieel systeem dat in principe het meest liberale was dat de wereld ooit had gekend. In die zin waren de Europeanen geen passieve ontvangers van het vrijemarktbeleid dat in Washington werd bedacht, maar gingen ze de Amerikanen voor door de neoliberale mondialisering te omarmen en de verspreiding van het mondiale kapitaal te bevorderen.

Dit was ook van grote invloed op de opbouw van de monetaire unie. Kortom, Delors slaagde erin de Europese regeringen ervan te overtuigen dat ze, door zich aan te sluiten bij het EMS en de kapitaalstromen te liberaliseren, in feite al een groot deel van hun economische soevereiniteit waren kwijtgeraakt; ze hadden daarom weinig andere keuze dan de monetaire integratie te omarmen als een manier om weer enige soevereiniteit op supranationaal niveau terug te krijgen, door ‘inspraak’ te hebben in het collectieve monetaire beleid van Europa. Het was een slim argument, maar een misleidend argument: zoals de geschiedenis zou aantonen, verloren de Europese regeringen door hun monetaire beleid over te dragen aan een supranationale centrale bank uiteindelijk gewoon het beetje soevereiniteit dat ze nog hadden.

Delors werd echter geholpen door het feit dat begin jaren negentig zelfs het Duitse establishment zich achter het idee van een monetaire unie had geschaard – en in feite waren de nationale elites in de meeste Europese landen achter het idee van een supranationale centrale bank gaan staan, volledig immuun voor democratische druk, als een nuttige manier om economisch beleid te isoleren van betwisting door het volk. In 1989 had de Europese Commissie van Delors zijn enorm invloedrijke rapport gepubliceerd, dat in wezen fungeerde als een blauwdruk voor de opbouw van de monetaire unie in de komende jaren.

De laatste daad van deze democratische tragedie kwam drie jaar later met het Verdrag van Maastricht. Dit stelde niet alleen een tijdlijn vast voor de oprichting van de monetaire unie (in lijn met het rapport-Delors), maar creëerde ook een de facto economische grondwet die het neoliberalisme verankerde in het weefsel van de Europese Unie. Tegen de tijd dat het voorzitterschap van de Europese Commissie van Delors in 1995 ten einde liep, was een groot deel van de basis gelegd voor de techno-autoritaire en antidemocratische moloch die de EU later zou worden – en dat hebben we voornamelijk te danken aan Delors, een Franse socialist.

Ironisch genoeg leidde dit niet alleen tot de afbraak van het door links gekoesterde Europese sociale model, ten gunste van de belangen van financiële ondernemingen (en natuurlijk Duitsland), maar maakte het ook de weg vrij voor de ondergang van Europees socialistisch links – en voor de opkomst van populistisch rechts. Meer dan wie ook zijn het deze laatsten die vandaag hulde moeten brengen aan Delors.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Filosofie Politiek

Een communistisch leven

Oorspronkelijke tekst (Engels): NLR Sidecar, 21 december 2023

fotografie: Simon Fraser University

door Alberto Toscano

Alberto Toscano (1977) is een Italiaans cultuurcriticus, sociaal theoreticus, filosoof en vertaler. Zijn werk is beschreven als een onderzoek naar de hardnekkigheid van het idee van communisme in het hedendaagse denken en als een genealogisch onderzoek naar het begrip fanatisme.

‘De vrije mens denkt het minst van al aan de dood, en zijn wijsheid is als een meditatie, niet over de dood maar over het leven.’ Toni Negri, die op 16 december op negentigjarige leeftijd in Parijs overleed, maakte van deze uitspraak van Spinoza een ethisch en politiek richtsnoer. Het slot van het derde en laatste deel van zijn intellectuele autobiografie, Storia di un comunista, bevat een ontroerende reflectie over ouder worden als het zich verheugen in het leven en het langzaam afbouwen van actie. Negri biedt het overwinnen van de dood – een resoluut atheïstisch en collectief idee van de eeuwigheid – als de kern van zijn denken, politiek en leven. Hij schrijft: ‘En toch is de mogelijkheid om de aanwezigheid van de dood te overwinnen geen droom van de jeugd, maar een praktijk van de ouderdom; altijd in gedachten houdend dat het organiseren van het leven om de aanwezigheid van de dood te overwinnen een plicht van de mensheid is, een plicht die even belangrijk is als die van het uitbannen van de uitbuiting en de ziekte die de dood veroorzaken.’

Misschien puttend uit de verre herinnering aan het katholieke activisme van zijn jeugd, ontleent Negri daar de materialistische en humanistische kern aan van de wederopstanding van het vlees tegen alle ellendige cultussen van eindigheid en het op-weg-zijn-naar-de-dood. Negri’s levenslange oorlog tegen de paleizen was gebaseerd op de overtuiging dat macht, potestas, gevoed wordt door een haat tegen lichamen en gefixeerd is in de drievoudige fetisj van patriarchaat-eigendom-soevereiniteit. Haar apparatsjiks en bestuurders houden van het lege syllogisme ‘ieder mens is sterfelijk,’ dat volgens Negri ten grondslag ligt aan ‘de haat tegen de menselijkheid, de haat die elke autoriteit, elke macht produceert om zichzelf te bevestigen en te consolideren: de haat van de macht jegens haar onderdanen. Macht is gebaseerd op de introductie van de dood als een alledaagse mogelijkheid in het leven – zonder de dreiging van de dood zouden het idee en de praktijk van de macht niet kunnen bestaan. … Macht is de voortdurende inspanning om de dood aanwezig te maken in het leven.’

Volgens Negri was vrijheid een collectieve strijd tegen deze dodelijke macht, een strijd tegen de angst voor de dood, tegen terreur, het betaalmiddel van de macht. Zoals de communistische dichter Franco Fortini zei in zijn bewerking van de Internationale: chi ha compagni non morirà – wie kameraden heeft, zal niet sterven. Naast de wetenschappelijke beheersing van de geschiedenis en de theorie van de filosofie, het recht en de staat, naast de eindeloze maar urgente zoektocht naar het revolutionaire subject, naast de enorm invloedrijke fenomenologieën van de macht van het kapitaal – van plan-staat tot crisis-staat tot Empire – bestond de kern van Negri’s leven en werk uit het idee dat de filosofie onlosmakelijk verbonden is met een praktijk van collectieve bevrijding, of met communisme, opgevat als een ‘vreugdevolle ethische en politieke collectieve passie die vecht tegen de drie-eenheid van eigendom, grenzen en kapitaal.’ Toni straalde deze passie uit. Als er iets was dat hem onderscheidde, zowel onder militanten als onder wetenschappers, dan was het wel een soort grenzeloze nieuwsgierigheid, een genereus verlangen om tot in detail te leren van iedereen die werkelijk betrokken was bij een bevrijdingsstrijd, die hij altijd in de meest ruime termen zag. Hij was niet het cliché van een gepacificeerde wijsheid – hij kon strijdlustig, ingewikkeld en tegendraads zijn. Maar een onbedwingbaar enthousiasme voor bevrijding verleende hem een zeldzaam weerbarstige jeugdigheid, zelfs op hoge leeftijd. Als wijsheid een vreugdevolle minachting inhield voor de machtigen, wat Spinoza verontwaardiging noemde, ‘een haat jegens iemand die een ander kwaad heeft gedaan,’ dan was Toni inderdaad wijs. Die vreugde en verontwaardiging hielpen hem door een decennium van gevangenschap en veertien jaar ballingschap, karikatuur en laster, terwijl te velen van zijn generatie letterlijk en figuurlijk getuigen voor de staat werden.

Zowel in gedrukte vorm als in persoonlijke zin had Toni een reputatie voor aan fantasie grenzend optimisme, vooral als het ging om zijn visie op de ‘multitude’ (menigte) – gesmeed met zijn goede vriend en co-auteur Michael Hardt in een viertal boeken die een seizoen markeerden in het intellectuele leven van mondiaal links. Veel aanhangers van de partijvorm hebben over het hoofd gezien dat voor Hardt en Negri de menigte een nieuwe naam is voor zowel massa-organisatie als voor de arbeidersklasse voorbij de lopende band. Beschuldigingen van naïviteit zagen ook over het hoofd dat Toni – niet verrassend voor iemand die als kind de verwoestingen van de oorlog en als volwassene de wreedheden van de gevangenis had meegemaakt – een diep geloof koesterde in de noodzaak om de confrontatie aan te gaan met de realiteit van geestelijk en lichamelijk lijden. Zijn essay over het boek Job en zijn studie van Giacomo Leopardi waren beide gericht op het doordenken van het materialistische vermogen van poëzie om tragedie, pijn en nihilisme te trotseren en om werelden te creëren uit de ervaringen van zinloosheid, mislukking en nederlaag. Hoewel Toni’s Marx vooral die van de Grundrisse was – van ‘reële subsumptie’ en het ‘General Intellect’ – is er een regel uit de Parijse Manuscripten van 1844 die resoneert met deze materialistische poëtica van het lichaam, wanneer Marx schrijft dat de mens ‘een lijdend wezen is, en – omdat hij zijn lijden voelt – ook een gepassioneerd wezen.’

Deze passie voor een gemeenschappelijke vrijheid, geleefd door lijden maar gericht op een vreugde die de dood trotseert, is voor Negri het punt waar communisme en filosofie, bevrijding en ethiek elkaar ontmoetten – zowel in zijn schrijven als in zijn leven. Het is geen toeval dat hij de allerlaatste pagina’s van zijn autobiografie, zijn afscheidswoorden, heeft gewijd aan de strijd tegen extreem rechts, dat zijn eigen jeugd overspoelde en nu dreigt terug te keren. De zwakte en angst van de menigte, zegt hij daarin, maakt opnieuw plaats voor een terreur die de apotheose van eigendom, patriarchaat en soevereiniteit wil, en die alle uitingen van vreugde verboden wil zien. ‘Het fascisme,’ aldus Negri, ‘berust op angst, brengt angst voort, vormt en dwingt het volk in angst.’ Tegen het devies van het fascisme – ‘lang leve de dood’ – bouwde Toni een leven op van denken, kameraadschap, liefde en strijd. Ik kan geen betere manier bedenken om hem te eren dan door de laatste paragraaf van zijn autobiografie over te schrijven:

‘In het verzet tegen het fascisme, in de poging om de overheersing ervan te doorbreken, en in de zekerheid dat te zullen doen, heb ik dit boek geschreven. Er rest mij niets anders, vrienden, dan jullie te verlaten. Met een glimlach, met tederheid, deze pagina’s opdragend aan de deugdzame mannen en vrouwen die mij zijn voorgegaan in de kunst van subversie en bevrijding, en aan hen die zullen volgen. We hebben gezegd dat zij “eeuwig” zijn – moge de eeuwigheid ons omarmen.’

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

De geheimen die de Amerikaanse regering blijft verbergen

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Nation, 31 augustus 2023

fotografie: National Security Archive

door Peter Kornbluh

Peter Kornbluh, die al lange tijd bijdragen aan The Nation levert over Cuba, is co-auteur, samen met William M. LeoGrande, van Back Channel to Cuba: The Hidden History of Negotiations Between Washington and Havana. Kornbluh is ook de auteur van The Pinochet File: A Declassified Dossier on Atrocity and Accountability.

Vijftig jaar na de militaire coup die Salvador Allende ten val bracht en de dictatuur van Pinochet inluidde, zijn er nog steeds topgeheime documenten over de rol van de VS die openbaar gemaakt moeten worden

Op 25 augustus jl. plaatste de Central Intelligence Agency stilletjes twee documenten over de militaire staatsgreep in Chili op zijn website, die een halve eeuw lang topgeheim waren gehouden: de President’s Daily Brief (PDB) voor de ochtend van 11 september 1973 – de dag van de coup – en die voor 8 september 1973, toen het Chileense leger de laatste hand legde aan zijn plannen om de democratisch gekozen regering van de socialist Salvador Allende omver te werpen. De nieuw vrijgegeven documenten bleken bijna onmogelijk te vinden en te lezen op de CIA website, verscholen tussen tientallen andere eerder vrijgegeven PDB’s. Uiteindelijk stuurde het State Department een persbericht uit met de links. Het vrijgeven van de PDB’s was ‘in overeenstemming met ons streven naar meer transparantie,’ aldus het persbericht. ‘We blijven ons inzetten om samen te werken met onze Chileense partners om te proberen aanvullende informatiebronnen te vinden om ons bewustzijn van belangrijke gebeurtenissen in onze gezamenlijke geschiedenis te vergroten.’

Nu het vijftig jaar geleden is dat de staatsgreep plaatsvond, zal die toewijding op de proef worden gesteld als de Chilenen en hun regering proberen aanvullende geheime documenten te verkrijgen over de rol van de VS bij het ondermijnen van de democratie en het steunen van de dictatuur in Chili. Deze week had een delegatie van Chileense congresleden van de Socialistische Partij een ontmoeting met de Amerikaanse ambassadeur Bernadette Meehan om bij haar te lobbyen voor het vrijgeven van de resterende geheime documenten over Chili; eerder deze maand stemde het Chileense Congres bijna unaniem voor het verzoek aan het ministerie van Buitenlandse Zaken om nog immer geheime documenten op te vragen over de ‘interventie van de VS in de soevereiniteit van Chili voor, tijdens en na de staatsgreep van 1973.’ En de Chileense regering van Gabriel Boric heeft al een beroep gedaan op de regering-Biden voor een speciaal gebaar van ‘declassificatie-diplomatie’ ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de coup. ‘Wij weten nog steeds niet wat president Nixon op zijn bureau zag liggen op de ochtend van de militaire staatsgreep,’ verklaarde de Chileense ambassadeur in Washington, Juan Gabriel Valdés, in een interview voordat de PDB’s werden vrijgegeven. ‘Er zijn details die interessant blijven voor [de Chilenen], die belangrijk zijn voor ons om onze eigen geschiedenis te reconstrueren.’

Gecensureerde geschiedenis

Tussen de documenten op het bureau van president Nixon op de ochtend van 11 september 1973 lag het PDB – een dagelijkse samenvatting van CIA-gegevens die drie paragrafen bevatte over de eerste salvo’s van de militaire coup in Chili. Vijftig jaar nadat Nixon het las, weten we eindelijk wat erin stond – heel weinig. De informatie die aan de president werd gegeven over het begin van de staatsgreep was dubbelzinnig en foutief. ‘Hoewel militaire officieren in toenemende mate vastbesloten zijn om de politieke en economische orde te herstellen, ontbreekt het hen mogelijk nog steeds aan een effectief gecoördineerd plan dat munt zou kunnen slaan uit de wijdverbreide burgeroppositie,’ vermeldde het PDB ten onrechte. ‘President Allende, van zijn kant,’ stelde het PDB eveneens, ‘hoopt nog steeds dat temporiseren een krachtmeting zal kunnen afwenden.’
Maar Nixon had tevens toegang tot veel meer gedetailleerde en dramatische informatie. Een speciale ‘CRITIC’ – Critical Advance Intelligence Cable – van de CIA, die op 10 september met spoed zou zijn verspreid onder de hoogste niveaus van het Witte Huis, bevatte concrete informatie over datum, tijd en plaats van de geplande staatsgreep; een andere topgeheime CIA-memo die het Witte Huis in de ochtend van 11 september bereikte, bevatte een dringend verzoek van ‘een sleutelfunctionaris in de militaire groep die van plan was president Allende omver te werpen,’ waarin werd gevraagd ‘of de Amerikaanse regering het Chileense leger te hulp zou kunnen komen als de situatie moeilijk zou worden.’ Hoe de president van de Verenigde Staten op dat verzoek heeft gereageerd is één van de details van de geschiedenis van de staatsgreep die onbekend zijn gebleven.
Deze dramatische CIA-documenten behoren tot de duizenden geheime documenten over Chili die al zijn vrijgegeven. Chili is een van de best gedocumenteerde gevallen van geheime interventie van de VS met het oog op ‘regime change.’ Na de arrestatie van Pinochet in Londen in 1998 wegens mensenrechtenschendingen werden honderden operationele CIA-documenten eindelijk vrijgegeven in het kader van een speciaal ‘Chili Declassification Project,’ in opdracht van president Bill Clinton, samen met ongeveer vierentwintigduizend andere dossiers van het Witte Huis, de NSC, de FBI en het State Department over de rol van de VS in Chili tussen 1970 en 1990. In 2016 gaf president Obama opdracht tot een speciale vrijgave van topgeheime documenten over de rol van generaal Pinochet als het brein achter de terreurdaad waarbij de voormalige Chileense ambassadeur Orlando Letelier en zijn jonge collega Ronni Karpen Moffitt in september 1976 in Washington D.C. werden vermoord.
En toch zijn er een halve eeuw later nog steeds zeer geheime documenten die de Amerikaanse regering geheim houdt en die belangrijke details zouden kunnen onthullen over wat zij deed in en wist over Chili.

Geheime samenwerking met derde landen

Een van die geheimen is hoe de CIA eind 1970 de Australische inlichtingendienst ASIS benaderde en vroeg om geheime ondersteuning in Santiago om zijn Chileense agenten te helpen managen. De CIA heeft geen enkel document over deze unieke clandestiene samenwerking openbaar gemaakt; we weten er alleen van dankzij de inspanningen van een vasthoudende Australische hoogleraar, Clinton Fernandes, die enkele jaren geleden in Canberra een transparantierechtzaak aanspande tegen de ASIS. Zijn juridische petitie resulteerde in het vrijgeven van administratieve documenten – documenten over de meer alledaagse kant van het opzetten van een spionage-‘station’ in Santiago, zoals huurovereenkomsten en de aanschaf van kantoorapparatuur en voertuigen voor twee agenten. Zowel de CIA als de ASIS blijft operationele documenten verbergen, waaronder talrijke inlichtingenrapporten van de Australische geheime agenten aan hun CIA-tegenhangers over ontmoetingen met Chileense agenten die ingebed waren in het leger, de krant El Mercurio – die door de CIA werd gefinancierd – en de christen-democratische partij, naast andere belangrijke organisaties in Chili die banden hebben met de CIA.
Op dezelfde manier blijft de regering van de Verenigde Staten gegevens achterhouden over de sleutelrol van Brazilië in het ondermijnen van de regering-Allende en het helpen installeren van het regime van Pinochet – het onderwerp van een nieuw boek, El Brasil de Pinochet, van de Braziliaanse verslaggever Roberto Simon. Na de inauguratie van Allende gaf president Nixon specifiek opdracht om het Braziliaanse militaire regime in het geheim te benaderen voor steun aan de Amerikaanse inspanningen om de regering van de Unidad Popular te ondermijnen. Er zijn geen Amerikaanse documenten vrijgegeven over deze vroege communicatie, maar een onthullend memorandum van een Oval Office-ontmoeting in december 1971 tussen Nixon en de Braziliaanse militaire leider generaal Emílio Garrastazu Médici geeft aan dat er een zekere mate van samenwerking kan zijn ontstaan.
Tijdens de ontmoeting vertelde Médici Nixon dat Allende omvergeworpen zou worden ‘om dezelfde redenen als Goulart in Brazilië’ en ‘maakte hij duidelijk dat Brazilië naar dit doel toe werkte,’ volgens een geheime samenvatting van het gesprek. Nixon antwoordde ‘dat het heel belangrijk was dat Brazilië en de Verenigde Staten op dit gebied nauw samenwerkten,’ en hij bood ‘discrete hulp’ en geld aan voor Braziliaanse operaties tegen de regering-Allende. De twee leiders kwamen overeen om een geheim kanaal op te zetten voor communicatie over de operaties tegen Allende, maar als dat kanaal ooit werd gebruikt, hebben noch de Amerikaanse noch de Braziliaanse regering de berichten vrijgegeven die er doorheen gingen.

Brazilië werd het allereerste land dat de militaire junta in Chili officieel erkende – een diplomatieke operatie die werd gecoördineerd met de regering-Nixon, die wilde vermijden het nieuwe regime dat zij clandestien aan de macht had geholpen, meteen te omarmen. Maar Washington draaide al snel de kraan open voor Amerikaanse economische, militaire en politieke hulp, waarvan een deel heimelijk was, om Pinochet te helpen zijn gewelddadige bewind te consolideren. De CIA financierde bijvoorbeeld in het geheim een speciale delegatie van christendemocraten die door Europa reisde om de staatsgreep publiekelijk te rechtvaardigen tegenover de internationale gemeenschap. De Amerikaanse documenten over deze kleine maar belangrijke propaganda-operatie na de staatsgreep blijven ontoegankelijk.

CIA en DINA

Noch zijn er ooit een heleboel geheime dossiers vrijgegeven over de hulp van de CIA bij de ontwikkeling van de Chileense inlichtingendienst DINA tot het repressieve apparaat dat het is geworden. In februari 1974 stuurden Nixon en Kissinger een speciale afgezant, plaatsvervangend directeur van de CIA Vernon Walters, om Pinochet achter gesloten deuren te ontmoeten in Santiago en ‘onze vriendschap en steun’ over te brengen, evenals ‘onze wens om op een discrete manier behulpzaam te zijn.’ Volgens een geheim verslag aan Kissinger over hun gesprek, vroeg Pinochet Walters en de CIA direct om te helpen bij DINA’s ‘vormende periode,’ en wees hij kolonel Manuel Contreras aan als ‘zijn sleutelfiguur.’ ‘Ik zei tegen hem dat we graag Contreras of iemand anders bij ons op bezoek zouden hebben,’ aldus Walters tegen Kissinger, ‘om te zien wat we konden doen om hen te helpen.’
Toch blijven de CIA-dossiers over Contreras’ eerste bezoek aan het Langley-hoofdkwartier in 1974, en over wat de CIA beloofde te zullen doen om de organisatorische vorming en operaties van DINA te ondersteunen, achter slot en grendel in de kluizen van het agentschap. De CIA heeft ook nog nooit één pagina van het personeelsdossier van Contreras vrijgegeven dat midden 1975 geopend werd, toen hooggeplaatste CIA-functionarissen besloten om de DINA-leider daadwerkelijk op de geheime loonlijst te zetten als informant/medewerker. De informatie die Contreras aan de CIA verschafte blijft topgeheim. Hetzelfde geldt voor de memoranda over de interne weerstand binnen het agentschap tegen het op de loonlijst zetten van Latijns-Amerika’s meest beruchte folteraar. De argumenten die daartegen werden aangevoerd, gaven de doorslag; al na een paar maanden liet het hoofd van het CIA-station in Santiago Contreras weten dat hij in feite ontslagen was! De geheime gegevens over deze dramatische episode zouden buitengewoon onthullend zijn, zowel voor de burgers van Chili als voor die van de VS.
Contreras en de DINA waren de drijvende kracht achter de lancering van Operatie Condor – een transnationale afspraak van de militaire regimes in onder meer Chili, Argentinië, Uruguay en Brazilië om hun inspanningen te coördineren om de burgerlijke en militante oppositie op te sporen en uit te schakelen. Omdat er buitenlandse inlichtingendiensten bij betrokken waren, heeft de CIA belangrijke historische gegevens achtergehouden, zoals hoe ze van Condor hoorde en welke acties ze ondernam als reactie op de doodseskaders van de geheime politie van Condor. Welke stappen de CIA zette in de nasleep van Condors meest beruchte terroristische operatie – de bomaanslag op 21 september 1976 in Washington, D.C., die Letelier en Moffitt het leven kostte – blijft ook gehuld in nevelen.
Op de veertigste verjaardag van de moord op Letelier en Moffitt in september 2016 maakte de CIA eindelijk een uitgebreid overzicht openbaar, uit 1987, van de eerste inlichtingen over de zaak, waarin ‘overtuigend bewijs wordt genoemd dat president Pinochet persoonlijk zijn chef van de inlichtingendienst opdracht gaf om de moord(en) uit te voeren.’ Maar de meeste van de ruwe inlichtingengegevens waarop dat vermoeden is gebaseerd, zijn zevenenveertig jaar later nog steeds geheim. Misschien nog belangrijker is dat de bewijsdossiers van een groot onderzoek van het ministerie van Justitie, uitgevoerd tijdens het laatste jaar van de regering-Clinton, waarin Pinochet werd aangewezen als de intellectuele auteur van een daad van internationaal terrorisme in Washington D.C., ook nog steeds niet openbaar zijn. Deze dossiers bevatten ruim veertig getuigenverklaringen die in Chili zijn afgenomen van handlangers van Pinochet, evenals een ontwerpaanklacht waarin het bewijs van zijn rol als brein achter een internationaal terroristisch complot is samengevat. Deze documentatie is niet alleen relevant voor Chili, waar ultrarechts zijn pogingen voortzet om Pinochets criminaliteit goed te praten; zij kan ook bijdragen aan de inspanningen van de VS en andere landen om zichzelf te beschermen tegen toekomstige dreigingen van door staten gesponsord internationaal terrorisme.

Tenslotte is er nog de kwestie van Pinochets persoonlijke corruptie. Een speciaal onderzoek van de Senaat naar ‘Money Laundering and Foreign Corruption’ in 2005 identificeerde financiële gegevens die ruim honderd buitenlandse bankrekeningen onthulden, aangemaakt met valse paspoorten van Pinochet onder namen als Augusto Ugarte en Jose Ramon Ugarte, naast andere verzonnen identiteiten, om ruim achtentwintig miljoen dollar aan onwettig verkregen geld te verbergen. Het bewijs van illegale winsten is overweldigend. Maar het Amerikaanse ministerie van Handel blijft nog meer bankgegevens achterhouden die Chilenen en de wereld zouden kunnen herinneren aan de corruptie die gepaard ging met Pinochets repressieve dictatuur.

Het oordeel van de geschiedenis

Het vrijgeven van de Amerikaanse dossiers ‘bevordert de zoektocht naar de waarheid en versterkt de toewijding van onze naties aan democratische waarden,’ verklaarde Gloria de la Fuente, een ambtenaar van het Chileense ministerie van Buitenlandse Zaken, toen ze de regering-Biden bedankte voor haar inspanningen om in te gaan op het Chileense verzoek om documenten. Inderdaad, op een moment dat prominente en machtige Chilenen blijven volhouden dat Pinochet ‘een staatsman’ was en de realiteit van zijn barbaarse regime blijven ontkennen, kunnen deze documenten een directe rol spelen in het verdeeldheid zaaiende debat over de erfenis van de coup en de betekenis ervan voor de moderne Chileense samenleving in heden en toekomst. Nu Chili zijn verleden evalueert op deze vijftigste verjaardag van de coup, hebben zijn burgers recht op volledige openheid van zaken. Niet alleen de Verenigde Staten zouden zich moeten inzetten voor het vrijgeven van hun resterende gegevens, maar ook Brazilië, Australië en andere landen die een rol hebben gespeeld in het gewelddadige verleden van Chili.

Maar de Chilenen zijn niet de enigen die baat zullen hebben bij het openbaren van deze belangrijke geschiedenis. In een tijd waarin veel landen, waaronder de Verenigde Staten, geconfronteerd worden met de ernstige bedreiging die autoritaire regimes vormen voor het voortbestaan van democratische instellingen, blijft toegang tot de volledige historische gegevens over wat er in Chili is gebeurd van cruciaal belang voor ons allemaal.

Vertaling: Menno Grootveld