Oorspronkelijke tekst (Engels): NLR Sidecar, 7 augustus 2026

door Anatol Lieven
Anatol Lieven is een Britse auteur, journalist en politiek analist.
Hardliners aan beide kanten van de oorlog in Oekraïne jagen een hersenschim na en hopen op een wonder. Moskou lijkt ervan uit te gaan dat de Oekraïense verdedigingslinies – die de Russische opmars al jaren tot een trage en bloedige uitputtingsslag beperken – op korte termijn plotseling zullen instorten. Of dat de Europese financiële en militaire steun die deze verdediging mogelijk maakt, opeens zal opdrogen. Veel westerse commentatoren – en sommige, maar zeker niet alle Oekraïense veiligheidsexperts – lijken gevangen te zitten in een vergelijkbare illusie. Dankzij drones en satellietinformatie is het voor Rusland vrijwel onmogelijk geworden om ongemerkt voldoende troepen en materieel samen te brengen voor een grote doorbraak. Daardoor heeft het Oekraïense leger de Russische opmars grotendeels tot stilstand weten te brengen. Toch lijken veel westerse waarnemers ervan uit te gaan dat Rusland niet in staat zal zijn diezelfde technologieën te gebruiken om een Oekraïense doorbraak eveneens te verhinderen.
Westerse militaire deskundigen die beweren dat Oekraïne ‘het tij heeft gekeerd,’ lijken de lessen van deze oorlog zó makkelijk terzijde te schuiven dat er ernstige vragen rijzen over hun deskundigheid of oprechtheid. Het veelgeprezen Oekraïense succes bij de aanvallen op Russische olieraffinaderijen – waarbij overigens slechts ongeveer dertien procent van de productiecapaciteit werd uitgeschakeld – wordt ruimschoots tenietgedaan door de Russische blokkade van de haven van Odessa en de schade die Rusland heeft toegebracht aan het Oekraïense transportnetwerk en de elektriciteitsvoorziening. Bovendien is Rusland inmiddels beter in staat de Oekraïense infrastructuur te vernietigen, doordat de levering van Amerikaanse luchtverdedigingsraketten aan Oekraïne als gevolg van de oorlog met Iran is stilgevallen.
Russische ultranationalisten met wie ik heb gesproken, blijven volhouden dat Rusland Odessa kan veroveren. Daarvoor zouden de Russische strijdkrachten zich echter een weg moeten vechten door de benedenloop van de Dnjepr of een grootschalige amfibische aanval moeten uitvoeren. In dat laatste geval zou Rusland eerst zijn Zwarte Zeevloot opnieuw moeten opbouwen, omdat die door Oekraïense raket- en droneaanvallen zwaar is uitgedund en uit haar basis in Sevastopol is verdreven. In delen van de westerse media leeft een vergelijkbare illusie, maar dan in omgekeerde richting: het Oekraïense succes bij het beschadigen van de Russische marine en de aanvoerroutes naar de Krim zou betekenen dat Oekraïne het schiereiland kan heroveren. Maar net zoals Rusland bij een aanval op Odessa voor enorme militaire obstakels zou staan, zou Oekraïne voor de herovering van de Krim de Dnjepr moeten oversteken en zich vervolgens een weg naar het schiereiland moeten vechten, of een invasie over zee moeten uitvoeren – met een marine waarover het niet beschikt.
Het is moeilijk te zeggen wat erger zou zijn: dat we bewust worden voorgelogen, of dat de gepensioneerde officieren en veiligheids‘deskundigen’ die een spoedige Oekraïense overwinning voorspellen, deze onzin werkelijk geloven. Waarschijnlijk is de eensgezindheid binnen de Europese politiek, het ambtelijk apparaat, de media, de academische wereld en de denktanks inmiddels zó groot en allesoverheersend dat zij er inderdaad zelf van overtuigd zijn, simpelweg omdat vrijwel niemand nog een afwijkend geluid laat horen. Wie op zoek is naar andere, meer realistische analyses, ziet zich helaas maar al te vaak gedwongen uit te wijken naar populistisch rechts.
De situatie aan het front in Oost-Oekraïne doet inmiddels denken aan de patstelling aan het westfront in 1916, maar met één cruciaal verschil. Eind 1916 waren de nieuwe wapens en tactieken die twee jaar later zouden bijdragen aan het einde van de oorlog al in ontwikkeling, al stonden ze nog in de kinderschoenen. Tanks, vliegtuigen en nieuwe infiltratietactieken wisten uiteindelijk de impasse van machinegeweren en prikkeldraad te doorbreken. Vandaag is er geen vergelijkbare militaire omwenteling in zicht. De enorme verliezen die drones veroorzaken, kunnen uiteindelijk leiden tot de ontwikkeling van onbemande tanks en robotsoldaten – die, anders dan mensen, zouden kunnen blijven oprukken wanneer de eenheden om hen heen worden vernietigd. Het lijkt echter zeer onwaarschijnlijk dat zulke technologieën snel genoeg op grote schaal beschikbaar komen om het verloop van de huidige oorlog in Oekraïne nog wezenlijk te veranderen.
Het enige concrete geschilpunt waarover beide partijen nog strijden, is de controle over de ongeveer elf procent van de Donbas die nog in Oekraïense handen is. Rusland eist dat gebied op als onderdeel van de voorwaarden voor vrede. Het gaat om ongeveer 5.200 vierkante kilometer. De schrille tegenstelling tussen de beperkte omvang van het betwiste gebied en het enorme menselijke leed dat de strijd erom veroorzaakt, roept herinneringen op aan veldslagen als die bij Bapaume en Passendale. Alleen al in de strijd om de controle over het onbeduidende stadje Pokrovsk – in de Sovjettijd Krasnoarmeisk geheten – zijn aan beide zijden mogelijk honderdduizend militairen omgekomen. Het is een plaats waar ik vroeger, onderweg van Dnipropetrovsk naar Donetsk, langsreed zonder er ook maar enige aandacht aan te schenken.
Beide partijen stellen dat dit gebied van cruciaal strategisch belang is, omdat er een reeks zwaar versterkte Oekraïense steden ligt. Volgens Oekraïne zijn die onmisbaar voor de verdediging van het land. Rusland stelt daarentegen dat ze in de toekomst als uitvalsbasis zouden kunnen dienen voor een Oekraïense poging om de rest van de Donbas te heroveren. Geen van beide argumenten overtuigt mij volledig. De Russen hebben slechts zeer langzaam terrein gewonnen bij hun aanvallen op de door Oekraïne bezette steden in de Donbas, maar ook pogingen om elders over open terrein op te rukken hebben nauwelijks iets opgeleverd. Als een vredesakkoord – zoals de regering-Trump heeft voorgesteld – zou voorzien in de demilitarisering van dit deel van de Donbas, zou Oekraïne met Europese steun enkele kilometers westelijker een nieuwe verdedigingslinie kunnen aanleggen. Voor Kyiv gaat het echter niet alleen om een strategische, maar vooral ook om een morele kwestie. Iedere Oekraïner met wie ik hierover heb gesproken – ook degenen die wanhopig hopen op vrede door middel van een compromis – zegt in wezen hetzelfde: Oekraïne zou in een vredesakkoord kunnen erkennen dat het gebied dat Rusland nu bezet voorlopig in Russische handen blijft. Maar grondgebied dat Oekraïne zelf nog in handen heeft formeel afstaan, is voor iedere Oekraïense regering moreel en politiek ondenkbaar.
Het Russische argument dat het noordwestelijke deel van de Donbas van groot praktisch belang is, overtuigt nog minder. Moskou stelt niet alleen dat het gebied in de toekomst als uitvalsbasis zou kunnen dienen voor een Oekraïense aanval op door Rusland gecontroleerd grondgebied, maar ook dat het van essentieel belang is voor de watervoorziening van de steden Donetsk en Loehansk. Die argumenten zijn echter niet bijzonder sterk. Een toekomstig Oekraïens offensief zou immers op vrijwel elke plek langs de frontlinie kunnen worden ingezet. Bovendien zou het niet al te moeilijk zijn om vanuit Rusland alternatieve watervoorzieningen voor de Donbas aan te leggen. Achter gesloten deuren erkennen veel Russische analisten dat deze argumenten vooral voor de vorm worden aangevoerd. De werkelijke reden waarom Moskou blijft vasthouden aan de verovering van dit kleine stuk grondgebied is volgens hen een andere: zonder dit gebied wordt het veel moeilijker om de oorlog als een overwinning te presenteren, vol te houden dat het een goed idee was om eraan te beginnen en te rechtvaardigen dat de enorme verliezen de moeite waard zijn geweest.
Hoewel het Russische leger enkele successen heeft geboekt, zijn de resultaten tot dusver over het geheel genomen uiterst mager. Dat geldt niet alleen in vergelijking met de doelstellingen die het Kremlin bij het begin van de invasie in februari 2022 voor ogen had, maar ook tegen de achtergrond van de vier eeuwen waarin Rusland het grootste deel van Oekraïne domineerde. Rusland heeft weliswaar een landcorridor naar de Krim veroverd, waardoor zowel de veiligheid als de watervoorziening van het schiereiland aanzienlijk zijn verbeterd. Ook heeft het de Oekraïense strijdkrachten ver genoeg van Donetsk en Loehansk teruggedrongen om deze steden buiten het bereik te brengen van de artillerie waarmee Oekraïne ze tussen 2014 en 2022 met tussenpozen beschoten heeft. Maar ik betwijfel sterk of Poetin de oorlog zou zijn begonnen als hij had geweten dat dit na vierenhalf jaar vrijwel alles zou zijn wat Rusland had bereikt.
Ook bij de Oekraïense politieke elites kunnen we ons afvragen of zij, met de kennis van nu, de Minsk-akkoorden – die de Donbas autonomie binnen Oekraïne toekenden – zouden hebben ondermijnd, waarmee ze hebben bijgedragen aan het ontstaan van dit conflict. Aan de ene kant kunnen zij er voldoening uit putten dat de oorlog de Oekraïense nationale identiteit heeft geconsolideerd en de overgrote meerderheid van de bevolking tegen Rusland heeft gekeerd. Bovendien heeft de oorlog Zelensky de status van een historische nationale leider bezorgd en ultranationalistische groeperingen in staat gesteld grote invloed binnen delen van de strijdkrachten te verwerven.
Daar staat tegenover dat honderdduizenden jonge Oekraïense mannen zijn omgekomen, de economie is verwoest, miljoenen mensen naar het Westen zijn gevlucht – van wie velen waarschijnlijk nooit meer zullen terugkeren – en het geboortecijfer dramatisch is gedaald. Onder de Oekraïense bevolking lijkt de stemming te zijn veranderd. Recente opiniepeilingen wijzen erop dat een meerderheid een overwinning inmiddels vooral ziet als het beëindigen van de oorlog zonder verdere concessies en een terugkeer naar een ‘normaal leven.’ De hoop dat Oekraïne Rusland nog uit de bezette gebieden kan verdrijven, is grotendeels verdwenen.
Toch lijken alle partijen in het conflict, zoals de situatie er nu voorstaat, vast te zitten in hun huidige posities en er belang bij te hebben dat de oorlog voortduurt. Politiek gezien lijkt dat voor iedereen aantrekkelijker dan de concessies te doen die nodig zijn om een einde aan de oorlog te maken. Misschien zien zowel Zelensky als Poetin – al dan niet bewust – ook met grote bezorgdheid uit naar de politieke, sociale en economische problemen waarmee zij na afloop van de oorlog te maken zullen krijgen. Een daarvan is de moeilijke transitie van een oorlogseconomie naar een economie in vredestijd. Poetin zou bovendien geconfronteerd kunnen worden met kritische vragen over de onthutsende incompetentie waarmee zijn regering de oorlog is begonnen. Zowel Oekraïne als Rusland staat daarnaast voor de enorme opgave om grote aantallen verbitterde en getraumatiseerde militairen na de oorlog weer in de burgermaatschappij te laten terugkeren.
Wat de westerse bondgenoten van Oekraïne betreft, wordt de regering-Trump momenteel vooral in beslag genomen door de oorlog met Iran. Tegelijkertijd lijkt Washington er genoegen mee te nemen dat Europese landen blijven betalen voor Amerikaanse wapens die aan Oekraïne worden geleverd. De kans op een radicaal nieuwe aanpak om de oorlog te beëindigen wordt nog kleiner als de Democraten bij de tussentijdse verkiezingen in november de controle over het Congres weten te veroveren. Dat komt enerzijds doordat de overgrote meerderheid van de Democraten in het Congres zich volledig achter een Oekraïense ‘overwinning’ heeft geschaard en zich tegen een vredescompromis heeft verzet. Anderzijds zullen zij waarschijnlijk vrijwel elk initiatief van de regering-Trump met wantrouwen tegemoet treden. De Europese regeringen hebben zich ondertussen zo sterk vastgelegd op wat in feite neerkomt op onvoorwaardelijke steun aan Oekraïne, dat het moeilijk voorstelbaar lijkt dat zij serieus naar een compromisvrede zullen streven. Tijdens een bijeenkomst in Londen op 7 juni formuleerden de ‘E3’ – het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland – samen met Oekraïne een aantal voorwaarden voor een vredesregeling. Daartoe behoorden een onmiddellijk staakt-het-vuren vóór het begin van de onderhandelingen, de inzet van ‘een multinationale troepenmacht voor Oekraïne’ en behoud van het recht van Oekraïne om tot de NAVO toe te treden. Aangezien de Russische regering herhaaldelijk heeft verklaard dat deze voorwaarden voor haar onbespreekbaar zijn, komen de eisen in de praktijk neer op een gezamenlijk veto tegen iedere vredesregeling. Illustratief voor deze kritiekloze eensgezindheid was de nieuwe Britse premier Andy Burnham, die vrijwel onmiddellijk verklaarde de bestaande koers te zullen voortzetten.
Het hoogst haalbare waarop de betrokken leiders nog lijken te kunnen hopen, is dat de oorlog uiteindelijk eindigt door wederzijdse uitputting. Maar dat zou waarschijnlijk geen duurzame vrede opleveren. Eerder dreigt dan een wankel bestand dat regelmatig wordt geschonden, zoals sinds 1948 in Kasjmir of tussen 2015 en 2022 in Oost-Oekraïne. Het is moeilijk voorstelbaar dat iemand werkelijk zou geloven dat zo’n uitkomst in het belang is van Europa of Oekraïne. Een dergelijk langdurig en instabiel bestand zou onder meer een toekomstige toetreding van Oekraïne tot de Europese Unie onmogelijk maken. Overigens is het de vraag of zo’n EU-lidmaatschap überhaupt haalbaar is, gezien de grote problemen die het voor verschillende belangrijke lidstaten zou veroorzaken. Polen en andere Oost-Europese landen zouden een deel van de subsidies die zij nog altijd uit Brussel en van West-Europese landen ontvangen, moeten afstaan, zodat dat geld kan worden gebruikt voor de wederopbouw en ontwikkeling van Oekraïne. Ook zou het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingrijpend moeten worden hervormd. Europese boeren – met name in Frankrijk – zouden daardoor zwaar onder druk komen te staan, met het risico dat velen van hen failliet gaan.
Dit alles laat twee andere mogelijkheden open. De eerste is dat Europa het komende jaar, of in de jaren daarna, te maken krijgt met een combinatie van economische crises en politieke onrust die zo ernstig is dat het onmogelijk wordt om Oekraïne op het huidige niveau te blijven steunen. Een cruciale vraag zal zijn of het Rassemblement National volgend voorjaar de Franse presidentsverkiezingen wint. Jordan Bardella heeft geprobeerd zijn standpunten over Oekraïne in overeenstemming te brengen met die van de NAVO en de EU. Marine Le Pen daarentegen beschouwt zichzelf eerder als erfgenaam van De Gaulles ideeën over een gemeenschappelijke Europese veiligheidsorde waarin ook Rusland een plaats heeft. Tegelijkertijd geldt dat de aanhangers van Bardella, hoewel zij weinig tot geen sympathie voor Rusland hebben, andere problemen als veel urgenter beschouwen. Voor hen vormen migratie, criminaliteit en sociale ontwrichting veruit de grootste bedreigingen voor Frankrijk.
De tweede mogelijkheid is dat de oorlog zich zonder grote overwinningen aan beide kanten blijft voortslepen, totdat Rusland uiteindelijk – na nog meer jaren van strijd en nog meer doden – ook het laatste deel van de Donbas verovert. Poetin zou dat vervolgens als een overwinning kunnen presenteren. Het zou echter onverstandig zijn ervan uit te gaan dat de oorlog op deze manier kan blijven voortduren zonder dat er een ernstige escalatie plaatsvindt. Tot nu toe heeft zowel Rusland als de NAVO een zekere terughoudendheid betracht, waardoor een directe confrontatie is voorkomen, ondanks de druk van hardliners aan beide kanten. Maar het risico op een rampzalig incident blijft altijd bestaan. Een voorbeeld daarvan is de verkeerd gerichte Amerikaanse raketaanval waarbij een basisschool in Iran werd verwoest.
Russische analisten hebben mij verteld dat zij ervan overtuigd zijn dat Poetin min of meer gedwongen zou zijn de confrontatie met Europese NAVO-landen te escaleren als een Oekraïense raket of drone – zelfs per ongeluk – een school in Moskou of Sint-Petersburg zou treffen. Volgens de Russen hebben Europese NAVO-landen Oekraïne immers geholpen bij het selecteren van doelen, en zij menen daarvoor goede gronden te hebben. Zo’n incident zou precies de gelegenheid kunnen bieden waarop Russische hardliners hopen. Zij zijn ervan overtuigd dat Rusland alleen de volledige overwinning kan behalen waarvan zij nog altijd dromen door de Europese landen zoveel angst aan te jagen dat deze hun steun aan Oekraïne intrekken. Tegelijkertijd heeft ook de Oekraïense regering zich ingespannen om een rechtstreekse confrontatie tussen Rusland en de NAVO dichterbij te brengen. Zo heeft zij westerse media voortdurend voorzien van ‘informatie’ over Ruslands agressieve ambities om zijn macht wereldwijd uit te breiden.
In de laatste decennia van de Koude Oorlog leidde het gevaar dat een escalatie zou uitmonden in een nucleaire catastrofe – ondanks de westerse angst voor Sovjetagressie – tot een sterke bereidheid binnen het westerse establishment om naar ontspanning en toenadering te streven. Na de val van de Sovjet-Unie bleek bovendien dat de dreiging van Sovjetagressie in het Westen sterk was overdreven. Tegenwoordig is het gevaar van escalatie veel groter, maar die les lijkt niet te zijn geleerd. De bereidheid om naar ontspanning en toenadering te streven is vrijwel verdwenen. Die moet worden hersteld voordat het te laat is.
Vertaling: Menno Grootveld









