Categorieën
Economie Politiek

Links mag niet op Macron stemmen

Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 22 april 2022

fotografie: UnHerd

door Thomas Fazi

Thomas Fazi is schrijver, journalist en vertaler. Zijn laatste boek, Reclaiming the State, verscheen bij Pluto Press.

Macrons aggresieve agenda heeft de werkende klasse verlamd

Op 6 mei 2017, de dag dat Emmanuel Macron werd verkozen tot president van Frankrijk nadat hij Marine Le Pen met groot verschil had verslagen, deed hij een belofte aan het Franse volk: dat het land nooit meer een ʻextreem-rechtseʼ kandidaat de tweede ronde van de presidentsverkiezingen zou zien bereiken. Maar nu, vijf jaar later, moet Macron het opnieuw opnemen tegen Le Pen. En deze keer zal het zeker veel dichter bij elkaar liggen, met een peiling van 55 procent voor de zittende president en 45 procent voor Le Pen.

Om dat verschil te verkleinen, moet Le Pen ten minste een deel van de 22 procent van de kiezers overhalen die in de eerste ronde van de verkiezingen voor de ʻlinks-populistischeʼ Jean-Luc Mélenchon hebben gekozen. Het standpunt van Mélenchon in dezen is echter duidelijk: ʻWij mogen geen enkele stem aan Le Pen geven,ʼ verklaarde hij op de avond van de eerste ronde, in wat neerkwam op een de facto steunbetuiging aan Macron. In een brief aan zijn achterban liet hij duidelijk weten dat hij de aftredende president de minst slechte optie vindt die op tafel ligt.

Maar niet al zijn kiezers zijn dezelfde mening toegedaan. Zoals Alexandre, een 36-jarige man die in de eerste ronde op Mélenchon stemde, aan BFMTV vertelde: ʻIk ben fundamenteel, ideologisch links en ik ben diep humanistisch, maar ik zal toch op Marine Le Pen stemmen.ʼ Hij is niet de enige die er zo over denkt: volgens opiniepeilingbureau Elabe zal een derde van de kiezers van Mélenchon in de tweede ronde waarschijnlijk op Le Pen stemmen.

Het hoeft ons niet te verbazen dat een groot deel van de aanhangers van Mélenchon het niet met hun leider eens is dat Macron het minste kwaad is. Gedurende zijn hele presidentschap heeft Macron onophoudelijk een aggressieve neoliberale agenda nagestreefd die de omstandigheden van de Franse arbeidersklasse dramatisch heeft verslechterd, terwijl hij de rijke elites en bedrijfsgiganten van het land enorm heeft bevoordeeld – verlaging van de belastingen voor de rijken en de grote bedrijven, hervorming van de arbeidswetgeving ten gunste van de werkgevers, bezuinigingen op de sociale voorzieningen en voortzetting van de ʻvermarktingʼ van elk gebied van de Franse samenleving.

Zoals een Franse econoom het formuleerde: ʻMacron is de kandidaat van de rijkste 1 procent of zelfs 0,1 procent.ʼ Dit is meer dan alleen een stijlfiguur: in zijn opzienbarende boek Crépuscule beschrijft de Franse schrijver en activist Juan Branco hoe Frankrijks machtigste oligarchen en mediamagnaten Macron vrij letterlijk van jongs af aan hebben ʻklaargestoomd,ʼ waarna ze al het geld en alle invloed waarover ze beschikten hebben gebruikt om hem te helpen de jongste president ooit van het land te worden. Het bleek een lonende investering: de laatste jaren is het aantal miljonairs in Frankrijk, na de Verenigde Staten, het sterkst toegenomen: een derde van de Franse rijkdom is nu in handen van slechts acht miljardairs. Intussen zijn de levensomstandigheden van de minstbedeelden verslechterd en is het aantal Fransen dat in armoede leeft toegenomen.

Alsof dit nog niet erg genoeg was, heeft Macron, toen de Franse onderklasse de straat opging om te protesteren tegen het top-down klassenoorlogsbeleid van de president en de Gilets Jaunes-beweging ontstond, daarop gereageerd met angstaanjagend politiegeweld dat niet onderdoet voor ʼs werelds meest repressieve regimes, waardoor betogers ten minste 24 ogen en vijf handen verloren.

De protesten kwamen alleen tot een einde omdat het uitbreken van de Covid-pandemie Macron, net als andere leiders over de hele wereld, het perfecte excuus bood om een draconisch en autoritair beleid van sociale controle uit te rollen, dat, zoals Toby Green en ik hebben gedocumenteerd, de arbeidersklasse het zwaarst heeft getroffen. Zoals Serge Halimi, directeur van Le Monde diplomatique, onlangs verklaarde, is het presidentschap van Macron ʻFrankrijks meest “illiberale” presidentschap van de moderne tijd.ʼ Hij heeft de angst voor onveiligheid, terrorisme, Covid-19 en nu de oorlog in Oekraïne uitgebuit om ʻeen antidemocratische “shockstrategie” te bevorderenʼ die erop gericht is ʻdoor angst te regeren.ʼ

En de toekomst voor de gewone Fransen ziet er niet rooskleuriger uit, als we het verkiezingsprogramma van Macron mogen geloven: meer belastingverlagingen voor grote bedrijven, de pensioengerechtigde leeftijd verhogen tot 65 jaar, uitkeringsgerechtigden dwingen om meer dan vijftien uur per week te werken, en terugkeren naar de strenge begrotingsregels van Maastricht (d.w.z. meer bezuinigingen). Zoals Halimi opmerkt: ʻEen tweede termijn voor Macron zou vooral gevaarlijk zijn voor de arbeidersklasse, omdat hij zich niet kandidaat kan stellen voor een derde termijn. Zonder de remmende invloed van een toekomstige verkiezingʼ staat er weinig meer in de weg van Macrons autoritaire neoliberale project.

Dit alles roept de vraag op waarom een socialist als Mélenchon zou moeten willen dat Macron aan de macht blijft. Op de meeste linkse mensen, niet alleen die in Frankrijk, zal deze vraag waarschijnlijk provocerend retorisch overkomen: wel, omdat het alternatief – Le Pen – duidelijk slechter is. Maar is dat ook zo? Of is het slechts een linkse Pavlov-reactie op de klank van haar naam? De argumenten van Mélenchon weerspiegelen de conventionele wijsheid onder Franse linksen en socialisten: de economische agenda van Le Pen is net zo slecht – dat wil zeggen: neoliberaal – als die van Macron, terwijl haar ʻculturele agendaʼ (over kwesties als immigratie) veel slechter is.

Dit zou een redelijk argument zijn als het waar was. Maar het idee dat de programmaʼs van Le Pen en Macron even slecht zijn vanuit een links-socialistisch perspectief is gewoon onjuist.

Le Pen heeft de ʻneoliberaleʼ logica van veel van de voorstellen van haar concurrent gehekeld – met name de aanscherping van de voorwaarden voor de ontvangers van sociale uitkeringen voor werkenden en de verhoging van de pensioenleeftijd, waar Le Pen zich in beide gevallen consequent tegen heeft verzet. Het is eerlijk gezegd moeilijk in te zien hoe iemand te goeder trouw het verkiezingsprogramma van Le Pen als neoliberaal zou kunnen omschrijven. Het is eerder een gematigd herverdelingsprogramma op keynesiaanse leest, gebaseerd op staatsinterventionisme, sociale bescherming en verdediging van de publieke diensten. De maatregelen omvatten de versterking van publieke diensten zoals ziekenhuizen, algemene BTW-verlagingen, loonsverhogingen voor werknemers in de gezondheidszorg en andere sectoren, belastingvrijstellingen of gratis vervoer voor jonge werkenden, de bouw van honderdduizend sociale huurwoningen per jaar, de renationalisatie van de autowegen en een belasting op financieel vermogen. Niets dat bijzonder radicaal is – maar neoliberaal is het zeker niet.

Het is dan ook geen verrassing dat een diepgaand onderzoek van het manifest van Le Pen door het Centre de Recherche Politique van Sciences Po, een van de grootste en invloedrijkste centra voor politiek-wetenschappelijk onderzoek in Frankrijk en zeker geen lepénistisch bolwerk, tot de conclusie kwam dat haar politieke programma stevig ʻlinks van het economische middenʼ ligt – veel meer dan de agenda van Macron. Interessant genoeg bleek uit het onderzoek ook dat de kiezers van Le Pen haar linkse economische visie delen: groot vertrouwen in de vakbonden, wantrouwen jegens grote particuliere ondernemingen, weigering om het aantal ambtenaren te verminderen. Over het geheel genomen is een overweldigende meerderheid van de aanhangers van Le Pen het eens met het idee dat ʻmen van de rijken moet nemen om aan de armen te geven.ʼ

Het is inderdaad pijnlijk duidelijk dat Mélenchons eigen economische manifest veel meer overeenkomsten vertoont met dat van Le Pen dan met dat van Macron. Ja, het programma van Mélenchon legt meer nadruk op lonen en werknemersrechten, zoals te verwachten valt, maar de algemene oriëntatie is vergelijkbaar. Mélenchon en Le Pen hebben zich ook allebei zeer kritisch uitgelaten over Macrons ʻvaccinpaspoorten,ʼ en hebben beloofd die in te zullen trekken als zij verkozen zouden worden. En de twee leiders hebben een vergelijkbare afkeer van de mondialisering en van de Europese Unie in het bijzonder – waarvan Macron een fervent pleitbezorger is. Ze zijn ook allebei voorstander van de terugtrekking van Frankrijk uit de NAVO.

Het grootste verschil tussen de twee betreft de immigratie. Terwijl Mélenchon in zijn manifest oproept om ʻimmigranten op een waardige manier te verwelkomen,ʼ wil Le Pen ʻde immigratie weer volledig onder controle krijgenʼ – door de regels voor het verkrijgen van de Franse nationaliteit aan te scherpen, nationale onderdanen voorrang te geven bij de toegang tot bepaalde sociale voorzieningen, en delinquente en stelselmatig werkloze buitenlanders het land uit te zetten. Zij heeft ook een hard standpunt ingenomen tegen het islamitisch radicalisme.

Nu kan het heel goed zijn dat men het niet eens is met dit beleid, maar het demoniseren ervan als ʻfascistischʼ – zoals velen ter linkerzijde doen – is gewoon belachelijk. Immers, het idee dat een staat voorrang moet geven aan het welzijn van de eigen burgers werd tot niet al te lang geleden als vanzelfsprekend beschouwd – zelfs onder linkse partijen en kiezers, zoals Sahra Wagenknecht, voormalig leider van de radicaal-linkse Duitse partij Die Linke, opmerkt in haar jongste boek Die Selbstgerechten(ʻDe zelfingenomenenʼ).

Maar wat belangrijker is, is de vraag of Macron in dit opzicht echt zo veel beter is dan Le Pen. Zoals Pauline Bock in The Guardian schreef, heeft Macron zelf een zeer ʻharde houding op het gebied van de immigratie aangenomen, waarbij politieagenten tenten van vluchtelingen in Calais vernielden … hij een eerbetoon bracht aan de ʻgrote soldaatʼ maarschalk Pétain … en interviews gaf aan extreem-rechtse tijdschriften.ʼ Toen Macrons minister van Binnenlandse Zaken, Gérald Darmanin, in februari 2021 in een tv-programma tegenover Le Pen stond, beschuldigde hij haar er zelfs van ʻte mild te zijn op het gebied van de immigratie.ʼ

Het lijkt er dus op dat de meeste argumenten van Mélenchon (en Frans links) om Macron boven Le Pen te verkiezen geen stand houden: de eerste is onvergelijkbaar veel slechter – d.w.z. ʻrechtserʼ – dan Le Pen op economisch gebied, en aantoonbaar bijna even slecht als zijn rivaal, vanuit een standaard ʻprogressiefʼ gezichtspunt, als het op de behandeling van immigranten aankomt. Ongeacht wat men van Le Pen mag denken – ik ben geen fan en als ik in Frankrijk had gewoond, zou mijn stem naar Mélenchon zijn gegaan – lijkt het vrij duidelijk dat de Franse arbeidersklasse veel slechter af zou zijn met een tweede ambtstermijn van Macron.

Uiteindelijk laat deze hele affaire echt zien waarom de historische kloof tussen links en rechts nergens meer op slaat. Geen enkel land illustreert dit beter dan Frankrijk – het land dat als eerste de concepten links en rechts in de politiek uitvond. Want niet alleen zijn nominaal linkse en progressieve partijen radicaal naar rechts opgeschoven in economische termen, en hebben zij klassenpolitiek opgegeven ten gunste van identiteitspolitiek, maar nominaal rechtse partijen zijn tegelijkertijd naar links opgeschoven als het om de economie gaat. Ook al hebben politieke partijen de traditionele links-rechts dichotomie uitgedaagd, en hebben Macron, Le Pen en Mélenchon er allemaal op hun eigen manier op gewezen dat de links-rechtspolitiek voorbij is, waarbij de laatste zich veel moeite heeft getroost om de linkse politiek te ʻont-neoliberaliseren,ʼ deze labels blijken zeer moeilijk verwijderbaar.

Dat is uiteindelijk de reden waarom een socialist als Mélenchon het nog steeds niet kan opbrengen om de ʻrechtseʼ Le Pen te verkiezen boven de nominaal ʻprogressieveʼ Macron, ook al is de economische agenda van eerstgenoemde veel linkser. Het verklaart ook waarom Macron waarschijnlijk voor een tweede termijn zal worden verkozen, met nefaste gevolgen voor de Franse arbeiders- en middenklasse.

Natuurlijk zouden de kiezers van Le Pen waarschijnlijk voor hetzelfde dilemma staan als Mélenchon het tegen Macron zou moeten opnemen. Maar dit bewijst alleen maar dat de kloof tussen links en rechts een rookgordijn is geworden dat het vrijwel onmogelijk maakt om de status quo serieus aan te vechten. Zolang politieke partijen en kiezers meer belang blijven hechten aan de steeds betekenislozere labels die zij zichzelf geven, in plaats van aan het beleid dat andere partijen en kiezers daadwerkelijk steunen, zal elk vooruitzicht om iemand als Macron ten val te brengen waarschijnlijk worden gedwarsboomd – tot grote vreugde van de heersende klassen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Gezondheid Politiek

Afwezig zonder verlof: de Europese Unie tijdens de coronapandemie

Oorspronkelijke tekst (Engels): wolfgangstreeck.com

fotografie: Manolo Finish

door Wolfgang Streeck

Wolfgang Streeck is een Duitse socioloog, gespecialiseerd in economische sociologie. Hij is directeur emeritus van het Max Planck Instituut voor Sociale Wetenschappen in Keulen. Sinds ca. 2013 doet hij ook opgeld als publieksintellectueel, met een boek en een serie artikelen over de gevolgen van de kredietcrisis, de eurocrisis en het fundamentele conflict tussen kapitalisme en democratie.

Hoe heeft de Europese Unie gereageerd op de Covid-19-pandemie? Het eerste deel van dit artikel analyseert de logica van de EU-politiek op verschillende niveaus met betrekking tot de relatie tussen de nationale en supranationale besluitvorming in een internationale noodsituatie. Pogingen van de kant van de EU om haar bevoegdheden uit te breiden mislukten grotendeels, terwijl de lidstaten in wezen aan hun lot werden overgelaten, mede vanwege de onzekerheid van de situatie en de verscheidenheid van plaatselijke omstandigheden en voorkeuren. Het tweede deel gaat over de duidelijke afwezigheid van de EU in de wereldpolitiek van de ʻbioveiligheid,ʼ die grotendeels wordt gedomineerd door de Verenigde Staten, hun wereldwijde farmaceutische industrie en – in indrukwekkende mate – door het militaire establishment van de VS. In deze context geeft het artikel een samenvatting van de huidige stand van de internationale discussie over de oorsprong van het nieuwe coronavirus en over het virologisch onderzoek dat onder meer wordt verricht in het virologisch laboratorium van Wuhan.

De Europese Unie was niet klaar voor SARS-CoV-2, ook wel bekend als het corona-virus, evenmin als haar centrale instellingen en lidstaten. Hoe verbazingwekkend het ook moge lijken, deze beide entiteiten beschouwden de pandemie als Europese business as usual, die door de Europese politiek als gebruikelijk moest worden afgehandeld. Bijna instinctief zagen de Europese Commissie en het Europees Parlement de pandemie als een kans om de macht te grijpen, d.w.z. om hun jurisdictie over de lidstaten uit te breiden. Die bleven op hun beurt het oude spel van probleemverplaatsing en schuldvermijding spelen: verantwoordelijkheden van zich afschuiven die zij moeilijk aankonden, of op Europees niveau mandaten voor zichzelf creëren die zij van hun nationale electoraat nooit zouden hebben gekregen. Geen van de spelers maakte zich zorgen over de grote vragen, en in ieder geval vermeden ze strikt er in het openbaar over te spreken: waar het virus zijn oorsprong vond – in de natuur of in een of andere menselijke activiteit; of het een eenmalige gebeurtenis was, of dat er nog andere virussen in de coulissen lagen te wachten; hoe we een herhaling zouden kunnen voorkomen, door de ʻveerkrachtʼ van de Europese samenlevingen te versterken of door toekomstige virussen bij de bron te bestrijden, waar die zich ook mocht bevinden.

Als het gaat om de georganiseerde – of ongeorganiseerde – onmiddellijke reactie van Europa op de pandemie is het allesbehalve verrassend dat deze verre van toereikend was. In operationeel opzicht, d.w.z. wat de beleidsvorming en de beleidsuitvoering betreft, was en bleef de EU disfunctioneel, terwijl zij op stereotiepe wijze bleef hameren op ʻEuropese oplossingen.ʼ Maar hoe graag de nationale regeringen het virus ook hadden willen europeaniseren door het aan Brussel over te dragen, uiteindelijk zouden hun kiezers niet toestaan dat zij zich ontdeden van de hete aardappel van een potentieel hardnekkige en politiek explosieve crisis. Zelfs zonder een publiek debat over de bedroevende rol van de EU op het gebied van de Europese volksgezondheid, eisten de burgers dat hun gekozen regeringen de verantwoordelijkheid namen voor wat hun was voorgespiegeld als een zaak van leven en dood. Gezien de grote verscheidenheid van zowel de nationale verschijningsvormen van Covid-19 als de werking van de nationale gezondheidszorgstelsels, lijkt het meer dan redelijk dat de nationale publieke opinie een nationaal in plaats van een supranationaal beleid verlangde – een beleid waarover publiekelijk en in de eigen taal gedebatteerd kon worden, in de hoop het te kunnen beïnvloeden. Het zou inderdaad vreemd zijn geweest als het anders was gegaan en de Europese burgers hadden toegestaan dat Covid-19 zou zijn aangepakt door een verafgelegen centrale techno-bureaucratie, waarvan de vertegenwoordigers enthousiaster lijken over het ʻsteeds hechter verbond van de Europese volkerenʼ dan over de gezondheid van die volkeren; in ieder geval gaven deze vertegenwoordigers er blijk van vooral belangstelling hebben voor het laatste, voor zover dit het eerste zou kunnen bevorderen.

Zoals zo vaak bleken de voorkeuren van de bevolking realistisch te zijn. Zelfs achteraf, na bijna twee jaar, is er geen uniform patroon van besmetting in de Europese landen te ontdekken. Infectiegolven variëren qua intensiteit en duur, van land tot land en van regio tot regio, zonder dat volledig wordt begrepen waarom, hetgeen in ieder geval geïmproviseerde en uiteenlopende lokale in plaats van vooraf bepaalde en uniforme centrale reacties vereist. De Europese samenlevingen zijn blijkbaar te verschillend voor een uniforme aanpak. De klimatologische omstandigheden lopen uiteen, evenals de demografische structuren, de algemene gezondheidstoestand van de bevolking, de plaatselijke luchtkwaliteit, de wijze van gezinsleven en het leven in het algemeen, in het bijzonder van de zogenaamde ʻrisicogroepen,ʼ alsook de religieuze en culturele tradities met betrekking tot gezondheid en het menselijk lichaam. Ook de mate waarin de mensen vertrouwen hebben in hun regering lijkt van belang te zijn, hetgeen een verklaring zou kunnen zijn voor de aanzienlijke verschillen tussen de nationale vaccinatiepercentages, bijvoorbeeld tussen die van Duitsland en Denemarken. Bovendien hebben nationale samenlevingen verschillende ʻwaardenʼ die aanleiding geven tot verschillende politieke prioriteiten – zie Zweden, dat gedurende de gehele pandemie zijn scholen openhield, tegenover Duitsland, waar het onderwijsbeleid werd bepaald door docenten die eerst bang waren om besmet te raken, en vervolgens om gevaccineerd te worden. Niet in de laatste plaats verschillen ook de nationale economieën, bijvoorbeeld in de mate waarin hun welvaart afhankelijk is van het internationale toerisme; sommige landen wilden derhalve hun grenzen zo open mogelijk houden, terwijl sommige landen van herkomst van die toeristen hun burgers wellicht juist wilden beletten om te reizen, teneinde te voorkomen dat zij infecties zouden importeren.

Toen de pandemie uitbrak, beschikte de EU al enige tijd over een instelling met de naam Europees Centrum voor Ziektepreventie en -Bestrijding (ECDC), gevestigd in Stockholm, met 280 voltijdse personeelsleden in dienst en een jaarlijks budget van 57 miljoen euro. Bijna niemand had er ooit van gehoord, behalve virologen en epidemiologen uit de hele wereld die er steevast bijeenkwamen voor internationale conferenties. Hoe weinig we ook van het Centrum afweten, het heeft de EU en haar lidstaten zeker niet geholpen zich goed voor te bereiden op zoiets als Covid-19. Het Centrum had er bijvoorbeeld bij landen op aan kunnen dringen voldoende gezichtsmaskers, andere beschermingsmiddelen en beademingsapparatuur in te slaan; hen kunnen vertellen dat ze voldoende opgeleid personeel achter de hand moesten hebben; cursussen kunnen aanbieden voor nationale volksgezondheidsdeskundigen en toezichthouders met betrekking tot ziekenhuishygiëne en ziektepreventie in verpleeghuizen; oefeningen kunnen organiseren voor besluitvormers in de lidstaten over wat te doen en hoe samen te werken bij een pandemie in heel Europa; en het Europese publiek kunnen waarschuwen dat het mondiale leven dodelijk kan zijn, als zij en hun nationale gezondheidszorgstelsels er niet goed op voorbereid zijn.

Een van de redenen dat al deze dingen niet zijn gebeurd was waarschijnlijk dat dergelijke waarschuwingen in strijd zouden zijn geweest met de strenge aanbevelingen die jaarlijks worden gedaan in het kader van de verschillende bezuinigings- en begrotingscoördinatie-exercities van de EU. Deze vloeien voort uit het EMU-stelsel van harde valuta, dat de lidstaten verplicht om te snijden in de overheidsuitgaven, teneinde de begrotingstekorten en de staatsschulden terug te dringen, inclusief de uitgaven aan de gezondheidszorg. Tussen 2011 en 2018 heeft de Europese Commissie 63 formele verzoeken aan de lidstaten gericht om te bezuinigen op hun overheidsuitgaven aan de gezondheidszorg en om hun gezondheidszorgstelsels te privatiseren. Toen Covid-19 toesloeg, hadden de bezuinigingen in de economisch zwakkere landen van de Unie de uitgaven aan de gezondheidszorg teruggebracht tot 8,8 procent van het bbp in Italië en 8,9 procent in Spanje. Daarvan bestond respectievelijk slechts 6,5 en 6,3 procent uit overheidsuitgaven, terwijl de rest door de burgers uit eigen zak werd betaald, of via vrijwillige ziektekostenverzekeringsstelsels. Ter vergelijking: de Duitse uitgaven aan de gezondheidszorg bedroegen 11,2 procent, waarvan 9,5 procent bestond uit overheidsuitgaven. (Drie procent van het bbp – het verschil tussen de overheidsuitgaven aan de gezondheidszorg in Italië en Duitsland – komt overeen met ruim 2,3 maal het Duitse defensiebudget, dat nu 1,35 procent van het bbp bedraagt). Het is duidelijk dat de Commissie het buitensporig vond om 9,5 procent van het bbp aan de gezondheidszorg uit te geven, zodat er bij de Duitse regering op werd aangedrongen dit percentage naar beneden bij te stellen. In 2019 begon de Duitse regering inderdaad met een campagne om ziekenhuizen te sluiten. Toen de pandemie arriveerde, kwam daar abrupt een einde aan, en het memoreren ervan wordt door alle ʻpro-Europeseʼ politieke krachten zorgvuldig vermeden.

Voor het overige ging het typische pingpongspel tussen ʻEuropaʼ en zijn lidstaten, mogelijk gemaakt en in feite aangemoedigd door de institutionele opzet van de EU, gewoon door, waarbij Brussel deed alsof het een continentale hoofdstad was en de staten ofwel het spel meespeelden ofwel hun eigen ding deden, afhankelijk van hoe hun regeringen hun belang of dat van hun natie interpreteerden.1 Een belangrijk voorbeeld betreft de aanschaf van vaccins, die in het voorjaar van 2020 begon toen het waarschijnlijk was geworden dat verschillende vaccins van verschillende producenten in het najaar en aan het begin van de winter beschikbaar zouden komen. Op nationaal niveau hadden diverse ministers, belast met de gezondheidszorg, een consortium gevormd voor gezamenlijke onderhandelingen met potentiële leveranciers, toen Duitsland het roulerend halfjaarlijks voorzitterschap van de EU overnam. Dit zou de laatste keer zijn dat Angela Merkel het voorzitterschap bekleedde, en ter voorbereiding daarop droeg zij haar minister van Volksgezondheid op de aanschaf van vaccins over te dragen aan de Europese Commissie. Er zijn verschillende theorieën over haar beweegredenen hiervoor, aangezien de Commissie geen ervaring had met dergelijke zaken en moest onderhandelen namens 27 soevereine landen, die waarschijnlijk uiteenlopende ideeën hadden over hoeveel ze bereid waren uit te geven aan welk soort vaccin. Eén van de verklaringen is dat Merkel bang was dat Duitsland, rijk geworden dankzij de monetaire unie, eerder dan andere landen zou beginnen met vaccineren, wat tijdens Merkels voorzitterschap tot ruzies tussen de lidstaten had kunnen leiden. De onderhandelingen sleepten zich voort door onenigheid tussen de lidstaten en de Commissie over volumes, prijzen en leveringsdata, alsmede over productielocaties en de subsidiëring van productiefaciliteiten. Uiteindelijk betaalden de landen daardoor meer en moesten zij langer op hun vaccins wachten dan anders het geval zou zijn geweest. Een bijkomende factor waren blijkbaar de Franse eisen om ruimte te laten in de Europese bestelling voor een Frans vaccin, te produceren door een Frans bedrijf, Sanofi. Begin 2021 moest Sanofi op de valreep toegeven dat zijn ontwikkelingsinspanningen tot niets hadden geleid. Dat Groot-Brittannië er na de Brexit in was geslaagd zijn vaccinatiecampagne eerder te beginnen en toch minder te betalen, werd een schande voor de EU-leiders en leidde tot incidentele exportverboden voor vaccins die op het Europese vasteland voor het Verenigd Koninkrijk waren geproduceerd.

De belangrijkste reactie van de EU op de pandemie was wat in eurojargon de ʻNextGenerationEU Recovery and Resilience Facilityʼ wordt genoemd, kortweg NGEU, die in juli 2020 door de Europese Raad werd opgericht als een uiting van ʻEuropese solidariteitʼ in moeilijke tijden. In het kader van de NGEU zal de Unie 175 miljard euro (inmiddels 807 miljard) – in prijzen van 2018 – over een periode van zeven jaar, van 2021 tot 2007, verdelen onder haar lidstaten, om hen te helpen zich te herstellen van corona, en hun samenlevingen en economieën beter voor te bereiden op toekomstige virussen. Bij nader inzien heeft de nieuwe faciliteit echter weinig te maken met corona of met Europese solidariteit; meer dan wat ook wordt corona aangegrepen om een ouder, in wezen Frans project voor een ʻEuropese begrotingscapaciteitʼ te verwezenlijken, dat oorspronkelijk alleen voor de Europese Monetaire Unie was opgezet. De NGEU wordt gefinancierd door de EU schulden te laten maken, in weerwil van de Europese Verdragen. Daartoe moesten alle 27 lidstaten aan boord worden gebracht, waarbij ieder een deel van het nieuwe geld zou krijgen, ongeacht of en hoe zij door de pandemie waren getroffen. Iets meer dan de helft van de middelen zal worden uitgekeerd als subsidies, de rest als leningen. De toewijzingen per land zijn bijna tot op het laatste cijfer achter de komma gespecificeerd, volgens een ingewikkelde formule die niet makkelijk te begrijpen is. Italië zal het leeuwendeel ontvangen – 172,7 miljard, waarvan 81,8 miljard als schenking; Spanje volgt met 140,4 (77,3) miljard. Interessant is dat Polen, met een zeer laag percentage Covid-besmettingen, de derde plaats inneemt, met respectievelijk 63,8 en 37,7 miljard. Frankrijk krijgt 38,8 miljard euro, en het rijke Duitsland een symbolische 28,8 miljard, beide als subsidies. (Ter relativering: Duitsland leende alleen al in 2020 in totaal 219 miljard). De terugbetaling, vanaf nu uit de gewone EU-begroting, moet in 2028 beginnen en dertig jaar later eindigen. De hoop bestaat dat de EU tegen het einde van de jaren twintig onafhankelijke bronnen van inkomsten zal hebben gekregen of, wat waarschijnlijker is, van haar lidstaten toestemming zal krijgen om haar schulden met nieuwe schulden te (her)financieren, naar het model van de neoliberale schuldenstaat.

Het NGEU-geld moet binnen de zeven jaar van de looptijd van het programma worden uitgegeven. Landen moeten hun programmabegroting ter goedkeuring voorleggen aan de Commissie, en hun herstel- en veerkrachtfondsen aan drie hoofddoelen toewijzen: de schade van corona herstellen en hun landen ʻveerkrachtigerʼ maken; hun nationale industrieën en levenswijzen ʻvergroenen,ʼ in overeenstemming met de zogenaamde Green Deal van de EU; en de ʻdigitaliseringʼ bevorderen, wat dat ook moge inhouden (afgezien van een buitenkansje voor Silicon Valley). Daarnaast willen het Parlement en de Commissie de uitbetaling aan individuele lidstaten afhankelijk maken van de voorwaarde dat zij hun rechtssystemen de-nationaliseren en de LGBTQ+-rechten uitbreiden. In het najaar van 2021 waren de uitbetalingen aan sommige landen al begonnen, terwijl de bestedingsplannen van verschillende andere landen nog op goedkeuring door de Commissie wachtten. Over het algemeen bleek, zoals te verwachten was, dat voor de besteding van het geld voor herstel en veerkracht deskundige planning, bekwaam openbaar bestuur en industriële capaciteiten nodig zijn die niet overal op korte termijn beschikbaar waren. Bovendien konden de gezondheidszorgstelsels, net als het openbaar bestuur en de onderwijsinstellingen, om te herstellen van de schade die zij hebben opgelopen door de bezuinigingen van de EU en de pandemie, waarschijnlijk niet opnieuw opgebouwd en gemoderniseerd worden door een eenmalige injectie van middelen, en zouden zij beter gefinancierd moeten worden, op doorlopende basis. Uiteindelijk vereist dit dat de fundamentele economische verschillen tussen de lidstaten, veroorzaakt door de Monetaire Unie, worden aangepakt.

Tenslotte is de Europese Unie vrijwel geheel afwezig in de wereldpolitiek van corona, evenals de Europese natiestaten en het Europese publiek. Af en toe werd betreurd dat de Europeanen weigerden vaccins te delen met het Mondiale Zuiden, vooral toen er nog geen vaccins waren. Eind 2021 werden de Europeanen en de Noord-Amerikanen door de Wereldgezondheidsorganisatie aangespoord om restdoses vaccins niet te gebruiken voor zogenaamde boostershots voor hun reeds gevaccineerde burgers, en ze in plaats daarvan te doneren aan arme landen met een lage vaccinatiegraad. Of dit meer was dan retorische dikdoenerij kunnen we niet weten zonder bijvoorbeeld de mogelijkheden van dergelijke landen te kennen om gedoneerde vaccins aan hun burgers te leveren. Waar wel over werd gesproken waren pogingen van de EU en sommige lidstaten om Oost-Europese landen als Hongarije zover te krijgen dat zij de goedkopere Russische en Chinese vaccins níet zouden kopen. Er is geen informatie over de mate waarin dit gelukt is, of over wat het gekost heeft om de Oost-Europeanen hun vaccins in het Westen te laten betrekken.

Een kort moment waarop de wereldpolitiek van corona aan de oppervlakte kwam, betrof een publieke controverse tussen de Europese landen en de Verenigde Staten over patentrechten voor de nieuw ontwikkelde zogeheten mRNA-vaccins, die het meest geschikt zouden zijn voor de bestrijding van het coronavirus. Tot verbazing van de Europeanen drong de nieuwe, verondersteld eurofiele Amerikaanse president Biden er bij hen op aan afstand te doen van hun intellectuele eigendomsrechten en arme landen toe te staan de nieuwe SARS-2-vaccins te produceren zonder licentierechten te hoeven betalen. Dit was verrassend omdat de Verenigde Staten, met het grootste onderzoeksestablishment ter wereld, doorgaans de grootste voorstanders zijn van patentbescherming. De Europeanen, die over het algemeen als soft op het gebied van intellectuele eigendom worden beschouwd, tekenden onmiddellijk bezwaar aan en wezen er onder meer op dat het feit dat men iets mag produceren niet betekent dat men het ook daadwerkelijk kán produceren zolang er geen functionerende productiecapaciteiten zijn. De strijdbijl werd kort daarna begraven, waardoor waarnemers zich afvroegen wat er achter had gezeten. Mogelijk was de controverse het gevolg van het feit dat belangrijke patenten op dit gebied in handen zijn van Europese bedrijven, zoals het Duitse BioNTech. Hoewel Europese producenten, die de wegen van de gemondialiseerde wereld kennen, al vroeg samenwerking zochten met grote Amerikaanse farmaceutische bedrijven – zoals BioNTech met Pfizer – hebben zij hun patenten wellicht niet met hen gedeeld. Hoe dan ook geeft Duitsland nog steeds de voorkeur aan het delen van vaccins via liefdadige donaties. Intussen zijn vaccinproducenten uitgegroeid tot geldmachines: het piepkleine BioN-Tech is nu een van de best gekapitaliseerde bedrijven in Europa, met een marktwaarde van 88 miljard euro, meer dan de helft van reuzen als Mercedes en Volkswagen, terwijl hun eigenaars, die nu 14 miljard waard zijn, op de lijst van de tien rijkste Duitsers zijn gekomen.

Europa lijkt geen enkele rol te spelen in de nakende confrontatie tussen de Verenigde Staten en China over de wereldwijde veiligheid op gezondheidsgebied, vroeger ook wel ʻbioveiligheidʼ genoemd. Het topje van de ijsberg is de controverse over de oorsprong van SARS-CoV-2, en in het centrum van die controverse staat een virologisch laboratorium in de Chinese stad Wuhan.2 Het Wuhan-laboratorium schijnt een van ʼs werelds meest geavanceerde onderzoekscentra inzake coronavirussen te zijn, en het was in Wuhan dat SARS-CoV-2 voor het eerst mensen lijkt te hebben besmet, vermoedelijk eind 2019. Gezien dit toeval rees al snel de vraag of het nieuwe virus misschien uit het lab was ontsnapt, per ongeluk of met behulp van sabotage. De Chinese regering, evenals een groot deel van de internationale virologische gemeenschap, ontkende beide theorieën ten stelligste en houdt vol dat het nieuwe virus een cross-over was van een wild dier, hoogstwaarschijnlijk een vleermuis, en dat de plaats waar dit gebeurde waarschijnlijk een markt voor wilde dieren was – een ʻnatte marktʼ – die ook in Wuhan was gevestigd. Pogingen van de WHO om de kwestie op te helderen zijn verschillende malen mislukt, naar verluidt door een gebrek aan medewerking van de Chinese regering.

Waarom is dit belangrijk? Komt dit niet gewoon neer op het uit de sloot halen van oude koeien? Afgezien van een mogelijke noodzaak om de veiligheidsprocedures in virologische laboratoria te verbeteren of, in voorkomende gevallen, de handel in bepaalde dieren te reguleren of te verbieden, werd de kwestie onmiddellijk gepolitiseerd; naarmate het verhaal zich ontvouwde, nam het een aantal wendingen die niet minder dan verbazingwekkend zijn. De toenmalige president van de Verenigde Staten, Donald Trump, gooide olie op het vuur door SARS-CoV-2 ʻhet Chinese virusʼ te noemen, waarop China terugsloeg door te suggereren dat het virus mogelijk was ontsnapt uit een Amerikaanse militaire faciliteit, Fort Detrick, in het kader van onderzoek voor of naar biologische oorlogsvoering.3 Twee onderzoeksexpedities van vooraanstaande virologen naar Wuhan, onder auspiciën van de WHO, vonden de hypothese van de natuurlijke oorsprong aannemelijker, maar wilden evenmin een ongeluk in het laboratorium van Wuhan uitsluiten, mede op grond van het feit dat zij niet voldoende toegang tot het laboratorium hadden gekregen. Momenteel eisen de deelnemers aan de tweede expeditie een nieuw onderzoek, met weinig hoop, omdat het bewijsmateriaal in de loop der tijd is verslechterd. De opvolger van Trump, Biden, leek aanvankelijk te proberen de kwestie te laten overwaaien, maar maakte vervolgens een u-bocht en vroeg de Amerikaanse geheime diensten om een oordeel. Klaarblijkelijk stemde een meerderheid van de agentschappen voor een natuurlijke oorsprong, maar ten minste één agentschap vond de theorie van het labongeluk overtuigender.

In de periferie doken enkele vreemde verbanden op. Zoals gedeeltelijk gerapporteerd door journalistieke bloggers, bleek het Wuhan-lab een hotspot te zijn voor internationaal virologisch onderzoek, gerund door in de VS opgeleide Chinese wetenschappers en deels indirect gefinancierd via subsidies van de National Institutes of Health, een Amerikaanse overheidsinstelling, en direct door particuliere Amerikaanse bedrijven en stichtingen. Een deel van die financiering werd blijkbaar gekanaliseerd via een in New York gevestigd onderzoekscentrum waarvan de directeur, ene Peter Daszak, nauwe banden onderhield met het Wuhan-laboratorium; hij maakte later deel uit van de twee onderzoeksteams van de WHO in Wuhan. Hij was ook een van de medeondertekenaars, waarschijnlijk zelfs de initiatiefnemer, van een open brief, gepubliceerd in The Lancet, een toonaangevend tijdschrift voor medisch onderzoek, een paar dagen nadat CoVid-19 op het toneel was verschenen, waarin een groep wereldberoemde virologen categorisch ontkende dat het virus uit het Wuhan-lab kon zijn ontsnapt, en deze hypothese een ʻcomplottheorieʼ noemde.4

Het gebruik van die term in deze context had van belang moeten zijn voor onderzoeksjournalisten. Waarom zou je immers niet kunnen spreken van een ʻtheorie van het lab-ongeluk,ʼ als het ging om een ontkenning van wat toen door sommigen als een ongeluk werd beschouwd, terwijl niemand het over een complot had? In dit verband kan het relevant zijn dat de term ʻcomplottheorieʼ lange tijd een prominente rol heeft gespeeld in een reeks internationale oefeningen, die kennelijk in de jaren tachtig zijn begonnen, ter voorbereiding op het uitbreken van een pandemie tijdens een internationale oorlog of, later, een terroristische aanslag.5 Bij deze oefeningen, die werden georganiseerd door de Verenigde Staten, waren regeringen, internationale organisaties als de WHO – maar niet de EU, zo lijkt het –, multinationale farmaceutische bedrijven, stichtingen, militaire en inlichtingendiensten, public relations firmaʼs en de massamedia betrokken. Een van de vragen was hoe tijdens een pandemie met het publiek moest worden gecommuniceerd om de mensen te laten doen wat men meende dat gedaan moest worden om de besmettingen een halt toe te roepen, door bijvoorbeeld quarantaineregels in acht nemen, zich te laten vaccineren, vertrouwen te hebben in de leiders, en te geloven in hun bekwaamheid en hun mededelingen. In dit verband werd ook besproken hoe moest worden omgegaan met ʻcomplottheorieënʼ die haaks staan op waarheidsgetrouwe of strategische informatie die door regeringen wordt verstrekt.

Het is heel goed mogelijk dat journalisten uit angst om als complotdenker te worden gebrandmerkt – met alle gevolgen van dien, zoals uitsluiting van officiële overheidsinformatie – zich hebben onthouden van onafhankelijke verslaggeving, of zelfs van álle verslaggeving, over de wereldwijde achtergrond van de politiek van de huidige pandemie. Die achtergrond bestaat uit een uitgebreid web van internationale en nationale, publieke en particuliere organisaties die zich bezighouden met de dreiging van en de voorbereiding op biologische oorlogsvoering – een wetenschappelijk-militair-industrieel complex rond bioveiligheid, verweven met het medisch-industrieel complex (een relatie die onlangs heeft geleid tot de vervanging van de term bioveiligheid door een minder verdacht begrip: veiligheid op het gebied van de gezondheid). Er is zeer weinig bekend over dit complex, behalve dat het door de VS wordt geleid, met zware betrokkenheid van de Amerikaanse inlichtingendiensten, en dat het onder meer de armlastige WHO en de geldverslindende Big Pharma omvat. Wat wel bekend is, is dat het netwerk de afgelopen twee decennia diverse bijeenkomsten heeft gehouden waar internationale en publiek-private samenwerking werd geoefend voor toekomstige noodsituaties. Achteraf gezien was het meest opmerkelijke evenement van deze aard er een in Hotel Pierre in New York op 18 oktober 2019, genaamd ʻEvent 201,ʼ waarbij werd doorgenomen hoe moest worden gereageerd op een wereldwijde pandemie veroorzaakt door een SARS-achtig coronavirus, nadat eerdere oefeningen betrekking hadden gehad op pokken, pest, miltvuur, en SARS-CoV-1. Slechts een paar weken later zag SARS-CoV-2 het licht.

Niemand die bij zijn volle verstand heeft geopperd dat de verschijning van het nieuwe virus eind 2019 – als dat al op dat moment was, en niet een paar weken eerder; ook dat wordt namelijk betwist – zoiets was als een levend experiment dat door het wereldwijde establishment in de nasleep van de Pierre-conferentie op de volkeren van de wereld is uitgevoerd. Uit de opeenvolging der gebeurtenissen blijkt echter wel dat SARS-CoV-2 niet onverwacht kwam. De basisstructuren ervan waren al bekend toen het virus opdook, omdat er uitgebreid wetenschappelijk onderzoek op hoog niveau aan vooraf was gegaan. (Dit kan overigens ook verklaren waarom het nieuwe type vaccin, mRNA, dat blijkbaar bijna op maat voor het nieuwe virustype is gemaakt, in recordtijd beschikbaar kwam toen het eenmaal nodig was). Nog interessanter is echter de manier waarop het virologisch onderzoek, dat ook in het laboratorium van Wuhan wordt verricht, onder meer onder leiding van een voormalig doctoraalstudent van genoemde Peter Daszak, gekoppeld lijkt te zijn aan internationale voorbereidingen, zowel tegen als in specifieke zin voor biologische oorlogsvoering – een koppeling die nogal vergelijkbaar lijkt met de koppeling van de kernfysica tijdens de Koude Oorlog aan de voorbereidingen zowel voor als tegen een atoomoorlog. Gezien de risicoʼs van het bioveiligheidsonderzoek – die zeker niet geringer zijn dan de risicoʼs van kernwapens – lijkt het van essentieel belang dat het publiek een beter inzicht krijgt in de mondiale politieke dimensie van SARS-CoV-2, iets waarover in Europa bijna nooit wordt gesproken.

Kortom: het wereldwijde bioveiligheidsnetwerk dat een groot deel van het huidige geavanceerde virologisch onderzoek blijkt te sponsoren, lijkt zijn oorsprong te vinden in een internationaal verdrag inzake biologische wapens, dat in 1971 door de Algemene Vergadering van de VN werd goedgekeurd en dat niet alleen biologische oorlogsvoering verbiedt, maar ook al het onderzoek ter voorbereiding daarvan.6 Onderzoek naar de manier waarop men zich tegen biologische wapens kan verdedigen, is echter wel toegestaan – en dat vereist, zo lijkt men te begrijpen, kennis over de eigenschappen van dergelijke wapens. Alleen specialisten kunnen weten welke mogelijkheden dit opent voor onderzoek naar biowapens, en hoe dit zich op zijn beurt weer verhoudt tot virologisch onderzoek voor medische doeleinden – meer dan één ʻdual useʼ-probleem, zo lijkt het. Het lijdt geen twijfel dat met name de Verenigde Staten enorme centra voor bioveiligheidsonderzoek onder militair toezicht hebben, bijvoorbeeld in het bovengenoemde Fort Detrick, waar sinds SARS-CoV-1, dat de zogenaamde vogelgriep veroorzaakte, coronavirussen bovenaan de onderzoeksagenda lijken te staan. Hoe belangrijk de Verenigde Staten een verdediging tegen dit soort virussen – of ze nu uit de natuur of uit een laboratorium voortkomen – achten, moge blijken uit het feit dat de wargame-oefening van oktober 2019 in Hotel Pierre (het duurste onder de dure hotels in de stad New York), waarbij de veronderstelde vijand een nieuw soort virus van onbekende oorsprong was, werd geleid door de voormalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright, die zich gedroeg als niemand minder dan POTUS zelf. Ook aanwezig was, naast vele anderen, ene Avril Haynes, die adjunct-directeur van de CIA en plaatsvervangend nationaal veiligheidsadviseur onder Obama was geweest. Ten tijde van de Pierre-oefeningen werkte zij voor een lobbyfirma in Washington die contacten met het Pentagon en de geheime diensten verkoopt. Kort na Event 201 benoemde president Biden haar tot directeur van de nationale inlichtingendienst, de hoogste post in het Amerikaanse inlichtingenbestel, belast met het toezicht op en de coördinatie van het grote aantal inlichtingendiensten van de Verenigde Staten.

De politiek rond internationale verdragen inzake wapenbeheersing kan vreemde bedgenoten voortbrengen, en dit lijkt ook het geval te zijn met betrekking tot biologische oorlogsvoering. Wetende wat men weet over de paradoxale wereld van de wederzijdse afschrikking, waarin je je tegenstander een deel van je kennis laat kennen terwijl je het beslissende restant verbergt, en waarin het internationaal recht bestaat naast uiteenlopende nationale wetgevingen, waardoor iets in het ene land wel en in het andere land niet verboden kan zijn, lijkt het helemaal niet ondenkbaar dat potentieel vijandige mogendheden samenwerken bij wetenschappelijk onderzoek, waarbij zij elkaar tegelijkertijd observeren en bedriegen. Een gebied dat zich hiervoor zou kunnen lenen in de virologie zou het zogenaamde ʻgain of functionʼ-onderzoek kunnen zijn, dat wordt gebruikt om te leren hoe een virus genetisch kan worden gewijzigd teneinde het besmettelijker en dodelijker te maken. Om zich tegen biologische aanvallen te verdedigen, zou het legitiem kunnen zijn te willen weten hoe deze ʻgain-of-functionʼ-technologie een virus als het ware kan opwaarderen. Als ʻgain of functionʼ-onderzoek op virussen in het ene land illegaal is, maar in het andere land niet, zou je het onderzoek misschien daar kunnen laten uitvoeren, op voorwaarde dat de resultaten worden gedeeld. Het is duidelijk dat hier een kans ligt voor allerlei James Bond-achtige fratsen, en wie zou durven uitsluiten dat er zowel in de Verenigde Staten als in China krachten zijn, zowel op wetenschappelijk als op defensiegebied, die graag op deze manier willen samenwerken?

In dit verband is het interessant dat onmiddellijk na de publicatie van de resultaten van de genetische sequencing van SARS-CoV-2 een aantal prominente virologen, de meesten gepensioneerd, lieten weten dat het nieuwe coronavirus volgens hen onmogelijk uit zichzelf kon zijn ontstaan en niets anders kon zijn dan een product van biotechnologische engineering. Nog interessanter is misschien de nerveuze reactie hierop van de kant van het virologisch establishment, met zijn rijkelijk gebruik van het begrip ʻcomplottheorie.ʼ Keer op keer werd het publiek verteld dat SARS-CoV-2 ontegenzeggelijk het resultaat was van natuurlijke evolutie, wat impliceerde dat noch de Chinese wetenschappers, noch hun Amerikaanse collegaʼs en sponsors het verdrag inzake biologische wapens hadden geschonden. Een van de meest uitgesproken pleitbezorgers van dit standpunt was de hoofdviroloog van de Duitse regering, Christian Drosten, een zelfverklaard frequent bezoeker van Wuhan, zowel van het laboratorium als van de ʻnatte markt.ʼ Om het vermoeden van ʻgain of functionʼ-onderzoek te weerleggen, voerde Drosten aan dat het nieuwe virus complexer was dan nodig zou zijn geweest om het gevaarlijk te maken voor de mens, hetgeen volgens hem bewees dat de modificatie in kwestie het resultaat moest zijn van natuurlijke evolutie en niet van menselijke manipulatie. Niet zonder beroepsmatige trots suggereerde Drosten zelfs aan een interviewer dat als hij het virus had moeten modificeren, hij wel een veel eenvoudiger en eleganter manier had geweten.7

Van hieruit bezien lijkt het begrijpelijk dat de op het eerste gezicht ietwat perifere vraag naar de oorsprong van het virus en de rol van het Wuhan-laboratorium zo hardnekkig in leven blijft. Parallel met de pogingen om het debat het zwijgen op te leggen, is de vraag waar SARS-CoV-2 vandaan kwam, uit een vleermuizengrot of uit een petrischaal, het voorwerp geworden van diverse, regelmatig gefrustreerde, internationale onderzoeken die gezien het explosieve karakter van de kwestie wellicht zó zijn opgezet dat ze geen uitsluitsel zullen geven. (Of waarom zou uitgerekend de genoemde Peter Daszak anders zijn uitgenodigd om zitting te nemen in de onderzoekscommissies van de WHO?). In ieder geval vraagt dit om een krachtig openbaar debat over de manier waarop de grote mogendheden van de wereld, en vooral de allergrootste, de Verenigde Staten, zich met of zonder Europese deelname voorbereiden op zowel biologische oorlogsvoering als de verdediging daartegen, waarbij die twee potentieel even gevaarlijk zijn en moeilijk uit elkaar te houden; en over de manier waarop medisch en militair biologisch onderzoek met elkaar in verband lijken te staan in de eerstelijns virologie. Het publiek moet weten wat voor bescherming de machthebbers voor ogen hebben, en hoe destructief een dergelijke bescherming kan zijn. ʻBioveiligheidʼ mag niet langer een geheime aangelegenheid zijn, en als de Europese landen in feite ʻweerbaarderʼ willen worden tegen nieuwe coronavirussen, moeten de voorbereidingen voor en tegen biologische oorlogsvoering een belangrijk punt op hun agenda zijn.

Vertaling: Menno Grootveld

1Een waardevol verslag is nu beschikbaar in de vorm van een boek van Luc van Middelaar, Pan-demonium: Saving Europe, Agenda Publishing, Newcastle upon Tyne 2021. Van Middelaars relaas verschilt op sommige punten van het hier gepresenteerde, en het volgt het traditionele verhaal over ʻEuropaʼ als een Phoenix die uit de as van een eindeloze keten van opeenvolgende crises oprijst. Het belangrijkste is dat het boek volledig voorbijgaat aan het verband tussen ʻEuropeseʼ politiek en beleid, en de kapitalistische ontwikkeling van Europa tijdens en na het neoliberalisme.

2Zie over het volgende onder meer N.WADE, The Origin of COVID? Did People or Nature Open Pandora’s Box at Wuhan?, Bulletin of the Atomic Scientists, 5 mei 2021, https://thebulletin.org/2021/05/the-origin-of-covid-did-people-or-nature-open-pandoras-box-at-wuhan/, voor het laatst bezocht op 21 september 2021. En recenter, met een actuelere inhoud, K.STACEY en I.KAMINSKA, Genetic engineering: why some fear the next pandemic could be lab-made, in de Financial Times van 17 november 2021.

3Vergeet niet het lemma over Fort Detrick op de Engelstalige Wikipedia-site te bekijken: https://en.wikipedia.org/wiki/Fort_Detrick.

4The Lancet, Vol. 395, 7 maart 2020.

5De beste bron die ik kon vinden is helaas alleen in het Duits beschikbaar: P.SCHREYER, Chronik einer angekündigten Krise: Wie ein Virus die Welt verändern konnte, Westend, Frankfurt am Main 2020.

6De volledige naam luidt ʻConventie inzake het Verbod op de Ontwikkeling, Productie en Opslag van Bacteriologische (Biologische) en Toxische Wapens en hun Vernietiging.ʼ De Verenigde Staten hadden in 1969, na een aantal incidenten die in de openbaarheid kwamen, het onderzoek naar biologische wapens verboden, voorzover dergelijk onderzoek burgers schade zou kunnen berokkenen.

7Herr Drosten, woher kam dieses Virus?, in Republik, 5 juni 2021, https://www.repub-lik.ch/2021/06/05/herr-drosten-woher-kam-dieses-virus, voor het laatst bezocht op 21 september 2021.

Categorieën
Economie Politiek

Lessen voor links

Oorspronkelijke tekst (Frans): Le Monde Diplomatique, januari 2022

fotografie: Linkedin

door Serge Halimi en Benoît Bréville

Serge Halimi is hoofdredacteur van Le Monde Diplomatique en Benoît Bréville is eindredacteur van Le Monde Diplomatique

In het Westen is links verdeeld en zwak, en de kiezers uit de arbeidersklasse hebben het vertrouwen verloren in het vermogen van links om hun leven te verbeteren. Zolang dat niet verandert, zal populistisch rechts er de vruchten van plukken.

Met de Franse presidentsverkiezingen in het vooruitzicht is de algemene opvatting dat links opnieuw op een nederlaag afstevent. Dit gevoel wordt nog versterkt door het feit dat, zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat de verschillende linkse stromingen zich tijdens de campagne nog zouden verenigen, zij niet veel meer gemeen hebben. Hoe zouden zij samen kunnen regeren als ze het oneens zijn over zulke fundamentele zaken als belastingen, pensioenleeftijd, kernenergie, de EU, het defensiebeleid en de betrekkingen met de VS, Rusland en China?

Het enige dat hen nog bindt, is hun angst voor extreem-rechts. Maar in de afgelopen vier decennia is extreem-rechts blijven groeien, zelfs toen links aan de macht was (1981-ʼ86, 1988-ʼ93, 1997-2002, 2012-ʼ17). Met andere woorden: hun strategieën om dit gevaar in te dammen zijn een spectaculaire mislukking geweest.

Buiten Frankrijk is het beeld niet veel rooskleuriger. ‘Het heeft geen zin er omheen te draaien. We zijn overrompeld! Links is in een hele reeks landen weggevaagd,’ zegt Jean-Luc Mélenchon,1 die de voornaamste presidentskandidaat van Frans links lijkt te zijn, hoewel hij verschillende kandidaten van rechts en uiterst rechts vóór zich moet dulden. In 2002 leidden sociaaldemocraten dertien van de vijftien regeringen van de EU; twintig jaar later zijn dat er nog maar zeven van de zevenentwintig (Duitsland, Finland, Zweden, Denemarken, Spanje, Portugal en Malta).

Deze ineenstorting kan niet los gezien worden van een wrede paradox die wordt benadrukt door Jean-Pierre Chevènement, zelf een voormalig linkse kandidaat voor het presidentschap: ‘De neoliberale mondialisering, in de vorm van het vrije verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen, wordt niet aangevochten door links, dat zich grotendeels heeft geschaard achter het sociaal-liberalisme, maar door zogenaamd “populistisch” rechts.’2

Een dergelijke situatie zou in het voordeel van uiterst links moeten zijn. Maar ook hier is het beeld niet veel rooskleuriger. In Griekenland werd Syriza door de schuldeisers van het land verplicht om het economische en financiële beleid dat het beloofd had te zullen bestrijden, aan te scherpen; toen Syriza dit met tegenzin deed, verloor het de macht. Podemos in Spanje en Die Linke in Duitsland zijn verzwakt; de Franse communisten hebben geen zetels meer in het Europees Parlement. Jeremy Corbyn, die de Britse Labourpartij had geleid en geprobeerd had haar uit de door Tony Blair veroorzaakte sleur te halen, werd uit zijn partij gezet, en in de VS zag Bernie Sanders, die ook hoopte een nieuwe identiteit te kunnen geven aan een partij die de neoliberale mondialisering had vormgegeven, zijn presidentiële campagne in minder dan een week tijd ineenstorten. Alleen Latijns-Amerika biedt links nog enige reden tot troost.

Een sociale transformatie kan alleen tot stand worden gebracht als zij berust op een krachtige arbeidersbeweging. Weten dat een beleid gefaald heeft, of zelfs dat een systeem onwettig is, genereert niet automatisch de wil om het ten val te brengen. Wanneer de middelen daartoe ontbreken, maken opstand en woede vaak plaats voor gewoon doorzetten en voor jezelf zorgen, of voor de overtuiging dat de sociale rechten van je buurman in feite privileges zijn: houdingen die in het voordeel werken van conservatieven en extreem-rechts.

In Frankrijk en elders is het mislukken van de meeste grote sociale mobilisaties van de afgelopen twintig jaar, hoewel deels te wijten aan ineffectieve vakbondsstrategieën (zoals periodieke acties in plaats van algehele stakingen bij de SNCF, de nationale spoorwegen, en de RATP, het Parijse transportsysteem), ook voor een groot deel te danken aan het regeringsbeleid, dat de organisatie van (verlammende) stakingen verhinderde door bijvoorbeeld een minimale dienstverplichting voor het openbaar vervoer op te leggen. De bourgeoisie weet hoe ze van haar nederlagen moet leren en hoe ze de instrumenten die daar verantwoordelijk voor waren moet vernietigen. Zij zal niet aarzelen om de regels van het spel te veranderen of te breken. Als het moet, kán zij het, en doet zij het ook. Zoals de filosoof Lucien Sève opmerkte: ‘Het kapitalisme zal niet vanzelf instorten, het heeft nog steeds de kracht om ons allemaal naar de dood te leiden, zoals sommige piloten van luchtvaartmaatschappijen die zelfmoord plegen met hun passagiers. We moeten dringend de cockpit binnengaan en samen de besturing overnemen.’3

Maar links heeft al vaak in de cockpit gezeten. Dit maakt juist deel uit van haar huidige probleem, aangezien de herinneringen aan links aan de macht de bereidheid hebben vernietigd om haar opnieuw het stuur in handen te geven. Namen als Blair, Clinton, Mitterrand, Craxi, Gonzáles, Schröder en Hollande roepen dikwijls een sterk negatieve reactie op. Zozeer zelfs dat je ver terug moet gaan voordat het woord ‘links’ enige nostalgie wekt: de New Deal in de VS en het Franse Volksfront in de jaren dertig; de ‘geest van 1945,’ waaraan de Britten hun National Health Service te danken hebben; ‘het communisme dat er al is,’ zoals de socioloog Bernard Friot het Franse socialezekerheidsstelsel omschrijft.

De geschiedenis van de teleurstellingen die daarop volgden, met name de afgelopen jaren, is welbekend. Twee aspecten zijn echter de moeite waard om in herinnering te brengen. Het eerste is dat het links niet alleen niet is gelukt zijn eigen programma uit te voeren, maar dat het in plaats daarvan juist het programma van zijn tegenstanders uitvoerde. Het tweede is dat wanneer links niet snel toegaf – in het geval van president Hollande al op de eerste dag van zijn ambtstermijn – het niet een staatsgreep of een buitenlands leger was dat haar ondergang teweegbracht, maar financiële wurging. ‘De Atheense Lente,’ zo zei de voormalige Griekse minister van Financiën Yanis Varoufakis in 2015, ‘werd verpletterd, net als de Praagse Lente eerder. Maar dit gebeurde natuurlijk niet [met] tanks, maar [met behulp van] de banken.’

En de vijand zat vaak in eigen gelederen… Wie had zich tot voor kort kunnen voorstellen dat een voormalige Labour-premier in de particuliere sector zou gaan werken en een fortuin zou verdienen bij Barclay’s Bank en JPMorgan (Tony Blair), of dat een voormalige socialistische minister van Financiën hoofd van het IMF zou worden (Dominique Strauss-Kahn)? Drie Franse socialisten of met Mitterrand geassocieerde politici waren de architecten van de deregulering van het kapitaal, die de financiële mondialisering heeft aangejaagd: Jacques Delors als voorzitter van de Europese Commissie, Henri Chavranski bij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), en Michel Camdessus als hoofd van het IMF.

De Europese Akte, de publiek-private partnerschappen en de privatiseringen, met inbegrip van de privatisering van de media, waren dus vaak het werk van links. Toen hij zich kandidaat stelde voor de Franse presidentsverkiezingen van 2002, opperde de socialistische premier Lionel Jospin zelfs dat zijn regering France Télécom en Air France had geprivatiseerd in het belang van de werknemers. Hoe kun je nu een links electoraat politiek mobiliseren met zo’n staat van dienst?

Maar het wordt er niet makkelijker op wanneer links, als het aan de macht is, weigert rechts beleid uit te voeren. Een kleine eeuw geleden gaf de Franse socialistische leider Léon Blum aan de vooravond van de parlementsverkiezingen uiting aan zijn bezorgdheid over de mogelijke overwinning van het linkse kartel: ‘Wij zijn er niet van overtuigd dat de vertegenwoordigers en leiders van de huidige maatschappij, op het moment dat haar essentiële beginselen in hun ogen te ernstig bedreigd lijken, niet zélf buiten de wet zullen treden.’4 Blum was bang voor een plotseling gewelddadig ingrijpen. Vandaag zou dat niet nodig zijn, en is het zelfs niet nodig om buiten de wet te treden teneinde de ‘essentiële beginselen’ van een kapitalistische samenleving overeind te houden, wat de betrokkenen ook beslissen.

‘Geen keuze tegen EU-verdragen’

Slechts vier dagen na de verkiezingsoverwinning van Grieks links waarschuwde Jean-Claude Juncker, de voorzitter van de Europese Commissie: ‘Er kan geen sprake zijn van een democratische keuze tegen de Europese verdragen.’ Dit structurele slot op de deur, het gevoel dat bijna alles onmogelijk is geworden, is nu zó diep geworteld in de wetten – en gedachten – van regeringen dat toen de Franse minister van Financiën afgelopen november te horen kreeg dat 90 procent van de Fransen de btw op vijftig essentiële producten wilde afschaffen, hij antwoordde: ‘Dat zou jaren van discussie met de Europese Commissie vergen, want het invoeren van een btw van 0 procent is onder de huidige regels niet mogelijk.’5 Met andere woorden: we zouden het graag doen, maar we zijn er niet meer toe in staat…

Dergelijke herhaalde betuigingen van onmacht hebben er uiteindelijk toe geleid dat het politieke debat aan geloofwaardigheid heeft ingeboet. Partijen die steeds meer leden verliezen (de Socialistische Partij van Frankrijk telde er vorig jaar nog maar tweeëntwintigduizend, tegen bijna tweehonderdduizend veertig jaar geleden) zien er niet langer uit als aandrijvers van potentiële verandering, maar als electorale machines die aanzetten tot navelstaren, leiderschapsoorlogen en persoonlijkheidsconflicten. Veel activisten willen zich distantiëren van deze wereld, die zij als corrupt beschouwen, en wenden zich tot andere vormen van horizontale, inclusieve en participatieve actie. De betogers die deelnamen aan de Arabische Lente, Occupy Wall Street, Nuit Debout en de Gilets Jaunes verwierpen allen leiders (om persoonsverheerlijking te voorkomen), hiërarchische organisaties (om autoritarisme te voorkomen), allianties met partijen of vakbonden (uit angst voor coöptatie) en het zich verkiesbaar stellen (wat hen te dicht bij een wereld van gekonkel en compromissen zou brengen).

Maar dit streven naar zuiverheid kan ten koste gaan van de doeltreffendheid. Op 15 oktober 2011 bracht de Occupy-beweging miljoenen mensen bijeen in 952 steden in 82 landen, de grootste wereldwijde mobilisatie in de geschiedenis. Zij bereikte echter helemaal niets. De Gilets Jaunes, de langstlevende sociale beweging in Frankrijk, hield tientallen marsen op de zaterdagen. Ook zij kwam echter niet ver. En de Arabische lente? Tien jaar na de betogingen op het Tahrirplein in Caïro leeft Egypte onder de dictatuur van Abdel Fattah al-Sissi, die nog erger is dan die van Hosni Mubarak, die in 2011 werd verdreven.

‘De jongeren, die aan het hoofd van die bewegingen stonden … verwierpen ieder concept van verticale, top-down organisatie,’ zei Midden-Oostenanalist Hicham Alaoui over de Arabische lente. ‘Waarom? Na decennia van corruptie te hebben gezien, hadden ze inherente twijfels over de politiek. Politiek was smerig, het was corrupt. Voor hen betekende het behoud van hun idealisme in wezen ongerept blijven … Je kunt druk opbouwen door mensen de straat op te krijgen, maar als die druk uiteindelijk niet de weg naar het politieke systeem vindt, word je volledig gemarginaliseerd.’6 In een dergelijke situatie is de uitkomst simpel: zonder organisatie is er geen invloed; en zonder invloed kunnen er geen resultaten worden geboekt.

Lokale, concrete initiatieven

Vandaar het gevoel van berusting, zelfs fatalisme, en het zoeken naar andere strijdtonelen. Aangezien miljoenen mensen die de straat op zijn gegaan er niet in zijn geslaagd de wereld te veranderen, geven veel activisten nu de voorkeur aan lokale, concrete initiatieven die hen in staat stellen een sociale structuur die hen niet aanstaat omver te werpen. Daarom floreren de ʻZones to Defendʼ (ZAD), die ongewenste ontwikkelingsprojecten tegenhouden, net als zelfbesturende gemeenschappen en koop-lokaal initiatieven. Buiten het systeem leven komt echter neer op accepteren dat je acties marginaal zijn, omdat je de grondslagen van het systeem niet kunt veranderen.

‘Je kunt sociale relaties niet transformeren door je van sommige ervan af te keren,ʼ zegt Frédéric Lordon. ‘Een antikapitalistisch eilandje elimineert het kapitalisme niet: het laat alle “continenten” op hun plaats. Het demonstreert echter “de beweging in beweging,” en dat is van onschatbare waarde. Op voorwaarde natuurlijk dat we ons voorbereiden op een terugkeer naar het continent: de veralgemening.ʼ7 Ja, maar zijn deze lokale bewegingen, die vaak worden geleid door jonge afgestudeerden uit de middenklasse, ook in dezelfde mate betrokken op de volkswijken?

Als we nadenken over de mislukkingen van links, mogen we niet voorbijgaan aan het klassenverbond dat links gedurende de hele twintigste eeuw in staat heeft gesteld de maatschappij te winnen en te veranderen. Dat verbond was altijd al fragiel, en nu ligt het in duigen. Kan het opnieuw worden opgebouwd, of moet het worden vervangen door iets nieuws? Want het verenigd front van de progressieve middenklasse en de arbeidersklasse is uiteengevallen. Deze twee groepen ontmoeten elkaar niet meer, omdat ze steeds meer op verschillende plaatsen wonen, werken en studeren; ze voeren niet langer samen campagne in politieke partijen, die nu meestal bestaan uit afgestudeerden en gepensioneerden uit de middenklasse; ze worden niet langer gemobiliseerd door dezelfde doelen of prioriteiten.

De afgelopen dertig jaar is de vervreemding tussen links en het electoraat van de arbeidersklasse toegeschreven aan een reeks factoren: politieke (verwaarloosde beloften), economische (uitbreiding van de dienstensector, financialisering, mondialisering), ideologische (neoliberale dominantie), sociologische (het pleidooi van de geschoolde klasse voor meritocratie), antropologische (de ontbinding van verschillende aspecten van het leven in een gekwantificeerde, commerciële rationaliteit), geografische (metropolen versus buitenwijken) en culturele (maatschappelijke versus sociale strijd). Dergelijke klassieke verklaringen vormen alleen een samenhangend beeld als we rekening houden met twee andere, niet vaak genoemde oorzaken: het matigende effect van de ʻSovjetdreigingʼ op de leiders van de kapitalistische ʻvrije wereldʼ enerzijds, en de verslechtering van de verhouding van de arbeidersklasse tot de institutionele politiek anderzijds.

ʻCommunistisch tegenmodelʼ

Thomas Piketty, een fervent tegenstander van het revolutionaire marxisme, erkent niettemin dat ‘de vermindering van de ongelijkheid in de twintigste eeuw nauw samenhing met het bestaan van een communistisch tegenmodel […] Door de kracht van die druk en de dreiging die deze inhield voor de elites van de bezittende klasse in de kapitalistische landen, heeft zij in zeer belangrijke mate bijgedragen tot de omvorming van de machtsverhoudingen en in de kapitalistische landen het ontstaan mogelijk gemaakt van een belastingstelsel, een sociaal stelsel en een stelsel van sociale zekerheid die zonder dit tegenmodel zeer moeilijk op te leggen zouden zijn geweest.ʼ8

Want, hoe vreemd dit vandaag de dag ook moge klinken, decennialang vertegenwoordigde de Sovjet-Unie, vooral onder de meest militante sector van de westerse arbeidersklasse, de concrete mogelijkheid van een ander heden en dus van een andere toekomst – een hoop. Er is geen politiek mogelijk zonder geloof in de toekomst en het was precies deze mengeling van verlangen, illusie en hoop die in de jaren tachtig is verdwenen, toen links aan de macht zich bekeerde tot het neoliberalisme en industriële bolwerken vernietigde, wat tot gevolg had dat de sociale groep die zich sinds de jaren dertig in een sterke positie had bevonden, uit het spel werd gehaald.9 Wat commentatoren en opiniepeilers de depolitisering van de arbeidersklasse noemen, is gewoon een manier om te verwijzen naar hun weigering om een spel mee te spelen dat zij naar hun gevoel niet kunnen winnen.

En de terugtrekking van sommigen heeft het monopolie van anderen geconsolideerd. Naarmate het percentage afgestudeerden is toegenomen (na de oorlog nog geen vijf procent van de bevolking, nu ruim een derde in Europa en de VS), zijn zij cultureel dominant geworden en electoraal van doorslaggevend belang. Bijgevolg vinden zij dat hun politieke overwicht minder afhankelijk is van het smeden van allianties met anderen, hetgeen zou vereisen dat ook rekening wordt gehouden met hún prioriteiten.

In de jaren vijftig en zestig stemden de rijken en hoogopgeleiden op rechts, terwijl de armen en degenen met alleen een middelbare schoolopleiding op links stemden. Dat is nu niet langer het geval: een universitair diploma – de positie van deskundige, leidinggevende, specialist – betekent dat je waarschijnlijk links zult stemmen en dat brengt soms, als reactie, degenen die noch deskundigen, noch afgestudeerden zijn, en die zich door hen veracht voelen, ertoe om de tegenovergestelde richting in te gaan. Dit ‘Amerikaanse model’ is bijna overal in Europa terug te vinden: rijke, intellectuele steden als New York en San Francisco stemmen Democratisch. Een arme, landelijke staat als West Virginia of Mississippi stemt Republikeins.

Maar in tegenstelling tot dertig of veertig jaar geleden kunnen gematigd linkse partijen – socialisten, Labour, Democraten of groenen – nu op winst rekenen, zelfs als zij de eisen van de kiezers uit de arbeidersklasse veronachtzamen, vooral bij verkiezingen waar de opkomst van de arbeidersklasse laag is. Ze kunnen dan prioriteit geven aan een sociaal en cultureel liberalisme dat in de eerste plaats is afgestemd op de hoogopgeleide middenklasse. ‘Het verliezen van de arbeiders is niet erg,’ concludeerde François Hollande. De New Yorkse senator Chuck Schumer zei in juli 2016 iets soortgelijks: ‘Voor elke blue-collar Democraat die we verliezen in het westen van Pennsylvania, halen we twee gematigde Republikeinen binnen in de buitenwijken van Philadelphia, en dat kun je herhalen in Ohio en Illinois en Wisconsin.’ Een paar maanden later won Donald Trump Pennsylvania, en het presidentschap…

Ook Dominique Strauss-Kahn raadde de Franse socialisten aan het electoraat van de arbeidersklasse achter zich te laten en ‘wat in de middenklasse van ons land gebeurt tot topprioriteit te maken.’ Hij had deze keuze kort voor de presidentsverkiezingen van 2002, waarbij de socialistische kandidaat werd uitgeschakeld, toegelicht: ‘De leden van de middenklasse, voor het overgrote deel bestaand uit loontrekkenden die scherpzinnig, geïnformeerd en hoogopgeleid zijn, vormen de ruggengraat van onze samenleving en staan garant voor haar stabiliteit.’ Dit gold volgens hem niet voor ‘de meest achtergestelde groep,’ die ‘meestal helemaal niet gaat stemmen’ en wier ‘oprispingen zich soms door geweld manifesteren.’10

Twintig jaar geleden versloegen de socialisten rechts bij de gemeenteraadsverkiezingen in Parijs, maar verloren de controle over ruim twintig steden in het hele land. Een van hun leiders, Henri Emmanuelli, publiceerde een artikel (‘Links, tegen welke prijs per vierkante meter?’) waarin hij schreef: ‘Voortaan kan de invloed van pluralistisch links [een linkse coalitie] de neiging hebben om de prijs [van onroerend goed] per vierkante meter te volgen, terwijl die er van oudsher omgekeerd evenredig aan was.’11

In 1983 en 1989 had Jacques Chirac elk van de twintig arrondissementen van Parijs voor rechts gewonnen. Sinds 2001 heeft Parijs socialistische burgemeesters gehad (Bernard Delanoë, gevolgd door Anne Hidalgo) en zijn de vastgoedprijzen per vierkante meter verdrievoudigd. Tegelijkertijd kreeg extreem-rechts, dat bij de presidentsverkiezingen van 1988 13,38 procent van de stemmen in Parijs won – een vergelijkbaar resultaat als in de rest van het land – in 2017 slechts 4,99 procent in de hoofdstad, hoewel Marine Le Pen dat jaar 21,3 procent van de nationale stemmen won, met name dankzij de arbeidersklasse. Gezien een dergelijke demografische omslag is het niet verwonderlijk dat de hogere middenklasse en afgestudeerden de toon zetten voor links en haar strategische prioriteiten bepalen.

Maar wat voor sommigen het belangrijkst is, is dat niet voor anderen, zelfs niet wanneer zij dezelfde partij steunen. Toen Amerikaanse arbeiders die in 2017 Democratisch stemden, hun topprioriteiten opsomden, kozen ze voor de kosten van de gezondheidszorg, de toestand van de economie, banen en pensioenen. De topprioriteiten voor progressieve afgestudeerden – de ʻcreatieve klassenʼ van journalisten, kunstenaars, leraren, opiniepeilers, gekozen functionarissen, hoogleraren, New York Times-lezers, bloggers en publieke radioluisteraars – waren, in volgorde: het milieu, klimaatverandering, de kosten van de gezondheidszorg en onderwijs.12

Corbyn gaf toe aan de druk

Dergelijke discrepanties zijn niet per se netjes in kaart te brengen op de scheidslijn tussen gematigden en radicalen. De Britse Labourpartij kreeg in 2019 bijvoorbeeld een grote tegenslag te verwerken toen haar leider Jeremy Corbyn zwichtte voor de druk van zowel Blair-getrouwe parlementsleden, die Corbyn verafschuwden, als van radicale studenten, die van hem hielden; hij kondigde aan dat als hij de verkiezingen zou winnen, hij een tweede Brexit-referendum zou houden. De meeste Labour-kiesdistricten in het noorden van Engeland hadden vóór Brexit gestemd, terwijl Brexit juist gehaat werd door de goed-opgeleide middenklasse, zowel radicaal als gematigd. Corbyns besluit betekende dat tientallen van dergelijke zetels naar de Conservatieven gingen. De les is duidelijk: als links het electoraat wil terugwinnen, kan het zich maar beter niet richten op de kwesties die het meest kans maken het electoraat tegen zich in het harnas te jagen. Rechts, Twitter en de media doen dat toch al.

In moeilijke tijden neemt de vraag naar goed nieuws toe. Maar met de pandemie worden mobilisaties die suggereren dat links in het offensief is, zeldzamer; dit vergroot de individuele terugtrekking, de melancholie over de ‘voorbije tijden’ en het publieke debat dat zich concentreert op de identiteitsgebonden obsessies van extreem-rechts. Dit zijn allemaal elementen van een politiek van angst die, als links eraan zou toegeven, ertoe zou leiden dat het zich zou beperken tot het verdedigen van verworvenheden uit het verleden of het sluiten van overhaaste verkiezingspacten om het ergste te voorkomen. In een dergelijk scenario wordt vaak achter het meest gematigde, meest timide voorstel, het voorstel dat de bestaande orde het minst dreigt te verstoren, een defensieve coalitie georganiseerd: Hollande en Macron in plaats van Mélenchon in 2012 en in 2017, Clinton en Biden in plaats van Sanders in 2016 en in 2020. Met het risico dat het water de volgende keer weer verder zal zijn gestegen.

De architecten van het neoliberalisme, zoals Friedrich Hayek, die het beu waren altijd in de verdediging te moeten gaan tegen het naoorlogse socialisme, kozen voor een andere weg. Zij daagden hun volgelingen uit om te kiezen voor ‘een intellectueel avontuur,’ ‘een gebaar van moed,’ ‘een waarlijk radicalisme.’ Vandaag geldt hetzelfde advies voor links: het scrupuleus respecteren van de economische en politieke spelregels die de tegenstanders dertig jaar geleden hebben opgesteld, kan alleen maar opnieuw tot een zekere mislukking leiden. De drievoudige ecologische, sociale en democratische noodsituatie vereist daarentegen dat het echte ‘neoliberale radicalisme,’ dat nu triomfeert en waarvan de voortzetting uiteindelijk de vernietiging van de samenleving en het einde van de mensheid zou betekenen, wordt bestreden door een tegengesteld radicalisme. Deze keer in de zekerheid dat een bijna uniform intellectueel en meritocratisch links noch egalitair, noch populair, noch zegevierend zal zijn.

De zojuist gekozen Chileense president Gabriel Boric heeft, ervan uitgaande dat hij handelt naar zijn claim dat hij van zijn land het ʻgrafʼ van het neoliberalisme zal maken, het doel uiteengezet. Zeggen dat de weg hobbelig zal zijn, is een understatement. Maar toen hem gevraagd werd naar zijn onwrikbare optimisme, antwoordde Noam Chomsky ooit: ʻKijk, je hebt twee keuzes. Je kunt zeggen: ik ben een pessimist, niets zal werken. Ik geef het op, ik zorg ervoor dat het ergste zal gebeuren. Of je kunt je vastgrijpen aan de kansen die er wel zijn, de sprankjes hoop die er zijn en zeggen: misschien maken we er een betere wereld van. Dat is niet echt een moeilijke keuze.’

Vertaling: Menno Grootveld

1Questions politiques,’ France Inter, 21 maart 2021.

2 Jean-Pierre Chevènement, Qui veut risquer sa vie la sauvera, Robert Laffont, Parijs 2020.

3 Interview in L’Humanité, 8 november 2019, opnieuw verschenen op 24 maart 2020, kort na zijn dood.

4 Léon Blum, ‘L’idéal socialiste’, La Revue de Paris, mei 1924. Geciteerd in Jean Lacouture, Léon Blum, Seuil, Parijs, 1977.

5 Gerald Darmanin, Le Journal du dimanche, 7 april 2019.

6A dissenter’s view of the Arab Spring’, interview met Hicham Alaoui, Harvard Gazette, 23 december 2019.

7Frédéric Lordon: rouler sur le capital,’ Ballast, 21 november 2018.

8 Lezing bij ‘Amis de l’Huma’, 31 januari 2020.

9 Stéphane Beaud en Michel Pialoux, ‘Pourquoi la gauche a-t-elle perdu les classes populaires?’ (Waarom is links de arbeidersklasse kwijtgeraakt?), Savoir/Agir, Vulaines-sur-Seine, no 34, december 2015.

10 Dominique Strauss-Kahn, La Flamme et la Cendre (De vlam en de as), Grasset, Parijs, 2002.

11 Libération, Parijs, 27 maart 2001.

12 ‘Placing priority: How Issues Mattered More than Demographics in the 2016 Election,’ Democracy Fund Voter Study Group, Washington DC, december 2017.

Categorieën
Economie Gezondheid Politiek

Het Covid-falen van links

Oorspronkelijke tekst (Engels): Unherd, 23 november 2021

fotografie: Unherd

door Toby Green en Thomas Fazi

Toby Green is hoogleraar geschiedenis aan Kingʼs College, Londen, en de auteur van The Covid Consensus: The New Politics of Global Inequality (Hurst); Thomas Fazi is schrijver, journalist en vertaler. Zijn jongste boek ʻReclaiming the Stateʼ is verschenen bij Pluto Press.

Tijdens de verschillende fasen van de wereldwijde pandemie zijn de voorkeuren van mensen in termen van epidemiologische strategieën dikwijls nauw samengevallen met hun politieke oriëntatie. Sinds Donald Trump en Jair Bolsonaro in maart 2020 hun twijfels uitten over de wijsheid van een lockdownstrategie, hebben progressieven en linkse mensen in het westerse politieke spectrum, waaronder de meeste socialisten, zich in het openbaar achter de lockdownstrategie van de pandemie-indamming geschaard – en de laatste tijd ook achter de logica van de vaccinpaspoorten. Nu landen in heel Europa experimenteren met strengere beperkingen voor ongevaccineerden, valt op dat linkse commentatoren – die gewoonlijk zo luidkeels opkomen voor minderheden die gediscrimineerd worden – er vooral het zwijgen toe doen.

Als schrijvers die zich altijd ter linkerzijde hebben gepositioneerd, zijn wij verontrust over deze ontwikkeling. Is er werkelijk geen progressieve kritiek mogelijk op het in quarantaine plaatsen van gezonde mensen, terwijl uit de meest recente onderzoeken blijkt dat er een miniem verschil bestaat in termen van de overdracht van het virus tussen gevaccineerden en ongevaccineerden? De reactie van links op Covid lijkt deel uit te maken van een bredere crisis in de linkse politiek en het linkse denken – een crisis die al minstens drie decennia aan de gang is. Het is dus belangrijk om het proces te identificeren waardoor dit vorm heeft gekregen.

In de eerste fase van de pandemie – de fase van de lockdowns – waren het naar cultureel en economisch rechts neigende politici die het meest de nadruk legden op de sociale, economische en psychologische schade die de lockdowns konden aanrichten. Ondertussen maakte de aanvankelijke scepsis van Donald Trump ten aanzien van lockdowns dit standpunt onhoudbaar voor de meeste aanhangers van cultureel en economisch links. De algoritmes van de sociale media hebben deze polarisatie vervolgens nog aangewakkerd. Al snel omarmden linkse mensen in het Westen de lockdowns, die werden gezien als een ʻpro-levenʼ- en ʻpro-collectieveʼ keuze – een beleid dat in theorie de volksgezondheid of het collectieve recht op gezondheid hoog in het vaandel droeg. Intussen werd iedere kritiek op de lockdowns afgedaan als een ʻrechtse,ʼ ʻpro-economischeʼ en ʻpro-individueleʼ benadering, en werden de boodschappers ervan beticht van het voorrang geven aan ʻwinstʼ en ʻbusiness as usualʼ boven het leven van mensen.

Kortom, decennia van politieke polarisatie hebben een volksgezondheidsprobleem gepolitiseerd, zonder enige discussie mogelijk te maken over wat een coherent links antwoord zou kunnen zijn. Tegelijkertijd verwijderde het linkse standpunt zich van iedere vorm van een arbeidersbasis, aangezien werknemers met een laag inkomen het zwaarst werden getroffen door de sociaal-economische gevolgen van een aanhoudend lockdown-beleid, en het ook het meest waarschijnlijk was dat deze mensen buiten het arbeidsproces zouden komen te staan, terwijl de laptopklasse juist van Zoom profiteerde. Deze zelfde politieke breuklijnen kwamen aan de oppervlakte tijdens de uitrol van de vaccins, en nu ook weer tijdens de fase van de Covid-paspoorten. Het verzet daartegen wordt geassocieerd met rechts, terwijl mainstream links beide maatregelen doorgaans steunt. De oppositie wordt gedemoniseerd als een verwarde mengeling van anti-wetenschappelijk irrationalisme en individualistisch libertarisme.

Maar waarom heeft mainstream links uiteindelijk vrijwel alle Covid-maatregelen gesteund? Hoe is deze simplistische kijk op de relatie tussen gezondheid en economie ontstaan, een kijk die de spot drijft met decennia van (links georiënteerd) sociaal-wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt hoe nauw welvaart en gezondheid met elkaar samenhangen? Waarom negeerde links de enorme toename van de ongelijkheid, de aanval op de armen, op arme landen, op vrouwen en kinderen, de wrede behandeling van ouderen, en de enorme toename van de rijkdom voor de rijkste individuen en bedrijven als gevolg van dit beleid? Hoe heeft links, in verband met de ontwikkeling en de verspreiding van vaccins, uiteindelijk het idee belachelijk kunnen maken dat er, gezien het geld dat op het spel staat en gezien het feit dat BioNTech, Moderna en Pfizer momenteel samen ruim duizend dollar per seconde verdienen aan de Covid-vaccins, mogelijk andere beweegredenen van de vaccinproducenten in het spel zouden kunnen zijn dan ʻhet algemeen belangʼ? En hoe is het mogelijk dat links, dat vaak het slachtoffer is van staatsrepressie, zich vandaag de dag niet bewust lijkt te zijn van de zorgwekkende ethische en politieke implicaties van de Covid-paspoorten?

Terwijl de Koude Oorlog samenviel met het tijdperk van de dekolonisatie en de opkomst van een wereldwijde antiracistische politiek, luidde het einde van de Koude Oorlog – afgezien van de symbolische triomf van de dekolonisatiepolitiek in de vorm van het einde van de apartheid – een existentiële crisis in voor de linkse politiek. De opkomst van de neoliberale economische hegemonie, de mondialisering en het transnationalisme van ondernemingen hebben alle drie de historische visie van links op de staat als motor van de herverdeling ondermijnd. Daarbij komt het besef dat, zoals de Braziliaanse theoreticus Roberto Mangabeira Unger heeft betoogd, links altijd het meest heeft geprofiteerd in tijden van grote crises – de Russische Revolutie profiteerde van de Eerste Wereldoorlog, en het welvaartskapitalisme van de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. Deze geschiedenis kan gedeeltelijk de huidige houding van links verklaren: het verergeren van de crisis en het verlengen ervan door eindeloze beperkingen kan door sommigen worden gezien als een manier om de linkse politiek nieuw leven in te blazen na decennia van existentiële crisis.

Het gebrekkige inzicht van links in de aard van het neoliberalisme kan ook van invloed zijn geweest op de reactie van links op de crisis. De meeste linkse mensen zijn van mening dat het neoliberalisme heeft geleid tot een ʻterugtrekkingʼ of ʻuithollingʼ van de staat ten gunste van de markt. Zij interpreteerden het overheidsoptreden tijdens de pandemie dan ook als een welkome ʻterugkeer van de staat,ʼ een terugkeer die het volgens hen mogelijk zou kunnen maken om het anti-étatistische project van het neoliberalisme terug te draaien. Het probleem met dit betoog, zelfs als men de dubieuze logica ervan aanvaardt, is dat het neoliberalisme niet heeft geleid tot het verdwijnen van de staat. Integendeel, de omvang van de staat als percentage van het bbp is gedurende het neoliberale tijdperk blijven toenemen.

Dit zou niet als een verrassing mogen komen. Het neoliberalisme steunt net zozeer op uitgebreide staatsinterventie als het ʻKeynesianismeʼ dat deed, behalve dat de staat nu bijna uitsluitend ingrijpt om de belangen van het grootkapitaal te dienen – teneinde toezicht te kunnen houden op de arbeidersklasse, grote banken en bedrijven te kunnen redden die anders failliet zouden gaan, enz. In veel opzichten is het kapitaal tegenwoordig zelfs afhankelijker van de staat dan ooit. Zoals Shimshon Bichler en Jonathan Nitzan opmerken: ʻ[Naarmate het kapitalisme zich ontwikkelt, raken regeringen en grote ondernemingen steeds verder met elkaar verstrengeld. … De kapitalistische wijze van machtsuitoefening en de dominante-kapitaalcoalities die deze beheersen vereisen geen kleine overheden. In feite hebben ze in veel opzichten juist grotere overheden nodig.ʼ Het neoliberalisme van vandaag lijkt meer op een vorm van staatsmonopolie-kapitalisme – of corporatocratie – dan op het soort kleine staat-vrijemarkt-kapitalisme dat het vaak beweert te zijn. Dit verklaart mede waarom het steeds machtigere, interventionistische en zelfs autoritaire staatsapparaten heeft voortgebracht.

Dit op zich maakt het gejuich van links over een niet-bestaande ʻterugkeer van de staatʼ al beschamend naïef. En het ergste is dat links deze fout al eerder heeft gemaakt. Ook in de nasleep van de financiële crisis van 2008 bejubelden velen ter linkerzijde de grote overheidstekorten als ʻde terugkeer van Keynesʼ – terwijl die maatregelen in feite heel weinig te maken hadden met Keynes, die het gebruik van overheidsuitgaven adviseerde om volledige werkgelegenheid te bereiken, en in plaats daarvan bedoeld waren om de boosdoeners van de crisis, de grote banken, te ondersteunen. Ze werden ook gevolgd door een ongekende aanval op de sociale stelsels en de rechten van werknemers in heel Europa.

Iets soortgelijks gebeurt vandaag, nu overheidscontracten voor Covid-tests, persoonlijke beschermingsmiddelen, vaccins, en nu ook technologieën voor een vaccinpaspoort worden gegund aan transnationale bedrijven (vaak via duistere deals die rieken naar vriendjespolitiek). Ondertussen worden het leven en de bestaansmiddelen van de burgers overhoop gehaald door ʻhet nieuwe normaal.ʼ Dat links zich hier helemaal niet bewust van lijkt te zijn, is bijzonder raadselachtig. Het idee dat regeringen de neiging hebben crisissen uit te buiten om de neoliberale agenda verder te bestendigen, is immers een hoofdbestanddeel van veel recente linkse literatuur. Pierre Dardot en Christian Laval hebben bijvoorbeeld betoogd dat het bevorderen en in stand houden van crises onder het neoliberalisme een ʻregeringsmethodeʼ is geworden. Bekender is Naomi Klein, die in haar boek The Shock Doctrine uit 2007 (in het Nederlands verschenen als De Shockdoctrine) het idee van ʻrampenkapitalismeʼ heeft onderzocht. Haar centrale stelling is dat het op momenten van publieke angst en desoriëntatie makkelijker is om samenlevingen een nieuwe inrichting te geven: dramatische veranderingen in de bestaande economische orde, die normaal gesproken politiek onmogelijk zouden zijn, worden in hoog tempo doorgevoerd voordat het publiek de tijd heeft gehad om goed en wel te begrijpen wat er gebeurt.

Vandaag de dag is er sprake van een soortgelijke dynamiek. Neem bijvoorbeeld de hightech surveillancemaatregelen, de digitale IDʼs, het harde politieoptreden bij demonstraties en de versnelde invoering van wetten door regeringen om de uitbraak van het coronavirus tegen te gaan. Als we mogen afgaan op de recente geschiedenis, zullen overheden zeker een manier vinden om veel van deze noodmaatregelen permanent te maken – net zoals ze hebben gedaan met veel antiterrorismewetgeving na 9/11. Zoals Edward Snowden opmerkte: ʻAls we noodmaatregelen aangenomen zien, vooral vandaag, hebben ze de neiging om te blijven hangen. De noodtoestand heeft de neiging te worden uitgebreid.ʼ Dit bevestigt ook de ideeën over de ʻuitzonderingstoestandʼ van de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben, die niettemin door mainstream links is verguisd vanwege zijn anti-lockdownstandpunt.

Uiteindelijk moet iedere vorm van overheidsingrijpen worden beoordeeld op waar dit werkelijk voor staat. Wij steunen overheidsingrijpen als het dient om de rechten van arbeiders en minderheden te bevorderen, om volledige werkgelegenheid te scheppen, om cruciale publieke diensten te garanderen, om de macht van het bedrijfsleven te beteugelen, om de disfunctionaliteit van de markten te corrigeren, en om de controle over cruciale industrieën over te nemen in het algemeen belang. Maar de afgelopen achttien maanden zijn we getuige geweest van precies het tegenovergestelde: een ongeëvenaarde versterking van transnationale bedrijfskolossen en hun oligarchen ten koste van werknemers en lokale bedrijven. Uit een vorige maand verschenen rapport op basis van gegevens van Forbes bleek dat alleen al de miljardairs in de VS hun rijkdom tijdens de pandemie met 2 biljoen dollar hebben zien toenemen.

Een andere linkse fantasie die door de realiteit aan het wankelen is gebracht, is het idee dat de pandemie een nieuwe collectieve geest zou inluiden, die in staat zou zijn decennia van neoliberaal individualisme te boven te komen. Integendeel: de pandemie heeft samenlevingen nóg meer verdeeld – tussen gevaccineerden en ongevaccineerden, en tussen degenen die de vruchten kunnen plukken van nieuwe vormen van werken en degenen die dat niet kunnen. Bovendien is een demos bestaande uit getraumatiseerde individuen – gescheiden van hun dierbaren, bang gemaakt voor elkaar als potentiële vectoren van ziekten, en doodsbang voor fysiek contact – niet bepaald een goede voedingsbodem voor collectieve solidariteit.

Maar misschien kan de reactie van links beter worden begrepen in individuele dan in collectieve termen. De klassieke psychoanalytische theorie heeft een duidelijk verband gelegd tussen genot en autoriteit: de ervaring van groot genot (verzadiging van het genotsprincipe) kan vaak gevolgd worden door een verlangen naar hernieuwde autoriteit en controle, gemanifesteerd door het ego of het ʻrealiteitsprincipe.ʼ Dit kan inderdaad een verstoorde vorm van genot opleveren. De laatste twee decennia van mondialisering hebben een enorme expansie te zien gegeven van het ʻervaringsgenot,ʼ zoals dat wordt gedeeld door de in toenemende mate transnationale mondiale progressieve klasse – waarvan velen zich, enigszins merkwaardig in historische termen, als links identificeerden (en inderdaad deze positie in toenemende mate overnamen van de traditionele arbeidersklasse-kiezers van links). Deze enorme toename van het genot en de ervaring daarvan door de progressieve klasse ging gepaard met een groeiend secularisme en het ontbreken van iedere erkende morele dwang of autoriteit. Vanuit het perspectief van de psychoanalyse is de steun van deze klasse voor de ʻCovid-maatregelenʼ in deze termen vrij makkelijk te verklaren, d.w.z. als de gewenste verschijning van een coterie van beperkende en autoritaire maatregelen die kunnen worden opgelegd om het genot te beknotten, binnen de strikte grenzen van een morele code waar er eerder een ontbrak.

Een andere factor die de omarming door links van de ʻCovid-maatregelenʼ verklaart, is haar blinde geloof in de ʻwetenschap.ʼ Dit heeft zijn wortels in het traditionele geloof van links in het rationalisme. Geloven in de onbetwistbare deugden van de wetenschappelijke methode is echter één ding – volledig onwetend zijn van de manier waarop de machthebbers de ʻwetenschapʼ exploiteren om hun agenda te bevorderen is iets heel anders. Een beroep kunnen doen op ʻharde wetenschappelijke gegevensʼ om je beleidskeuzen te rechtvaardigen is een ongelooflijk krachtig instrument in de handen van overheden – het is in feite de essentie van technocratie. Dit betekent echter dat de ʻwetenschapʼ zorgvuldig moet worden geselecteerd die je agenda ondersteunt – en dat alternatieve standpunten agressief moeten worden gemarginaliseerd, ongeacht hun wetenschappelijke waarde.

Dit gebeurt al jaren op het gebied van de economie. Is het echt zo moeilijk te geloven dat een dergelijke operatie vandaag de dag ook plaatsvindt als het gaat om de medische wetenschap? Niet volgens John P. Ioannidis, hoogleraar in de geneeskunde en epidemiologie aan de Stanford Universiteit. Ioannidis haalde begin 2021 de voorpaginaʼs toen hij, samen met enkele collegaʼs, een artikel publiceerde waarin hij beweerde dat er in epidemiologisch opzicht geen praktisch verschil bestond tussen landen die wel en landen die geen lockdown kenden. De reacties op dat artikel – en tegen Ioannidis in het bijzonder – waren hevig, vooral onder zijn collega-wetenschappers.

Dit verklaart zijn recente vernietigende kritiek op zijn eigen beroepsgroep. In een artikel getiteld ʻHow the Pandemic Is Changing the Norms of Scienceʼ merkt Ioannidis op dat de meeste mensen – vooral ter linkerzijde – schijnen te denken dat wetenschap werkt op basis van ʻde Mertoniaanse normen van communalisme, universalisme, belangeloosheid, en georganiseerd scepticisme.ʼ Maar helaas is dat niet hoe de wetenschappelijke gemeenschap in werkelijkheid te werk gaat, zo legt Ioannidis uit. Met de pandemie explodeerden de belangenconflicten tussen bedrijven – en toch werd erover praten anathema. Hij vervolgt: ʻConsultants die miljoenen dollars verdienden aan het adviseren van bedrijven en overheden kregen prestigieuze posities, macht en publieke lof, terwijl wetenschappers die pro bono werkten maar het waagden om dominante verhalen in twijfel te trekken, werden besmeurd als conflictzoekend. Georganiseerde scepsis werd gezien als een bedreiging voor de volksgezondheid. Er was een botsing tussen twee denkrichtingen, autoritaire volksgezondheid versus wetenschap – en de wetenschap verloor.ʼ

Uiteindelijk is de flagrante veronachtzaming en bespotting door links van de legitieme zorgen van mensen (over lockdowns, vaccins of Covid-paspoorten) beschamend. Niet alleen zijn deze zorgen geworteld in daadwerkelijke ontberingen, maar ze komen ook voort uit een begrijpelijk wantrouwen jegens overheden en instellingen die ontegenzeggelijk in de greep zijn van bedrijfsbelangen. Iedereen die voorstander is van een werkelijk progressief-interventionistische staat, zoals wij, moet zich deze zorgen serieus nemen – en ze niet verwerpen.

Maar waar het antwoord van links het meest tekortschiet, is op het wereldtoneel, waar het gaat om de relatie tussen de Covid-beperkingen en de toenemende armoede in het Mondiale Zuiden. Heeft links werkelijk niets te zeggen over de enorme toename van het aantal kinderhuwelijken, de ineenstorting van het onderwijs en de vernietiging van de formele werkgelegenheid in Nigeria, waar volgens het Staatsbureau voor de Statistiek 20 procent van de mensen hun baan is kwijtgeraakt tijdend de lockdowns? Hoe zit het met de realiteit dat Peru – dat een van de strengste lockdowns ter wereld kende – het land was met de hoogste Covid-sterftecijfers en het hoogste oversterftecijfer voor 2020? Over dit alles heeft links vrijwel niets gezegd. Dit moet worden gezien in relatie tot het overwicht van de nationalistische politiek op het wereldtoneel: het electorale falen van linkse internationalisten zoals Jeremy Corbyn betekende dat bredere mondiale kwesties weinig tractie hadden bij het overwegen van een breder links antwoord in het Westen op Covid-19.

Het is vermeldenswaard dat er ter linkerzijde uitzonderingen zijn geweest – radicaal-linkse en socialistische bewegingen die zich hebben uitgesproken tegen het dominante beheer van de pandemie. Hiertoe behoren Black Lives Matter in New York, de Left Lockdown Sceptics in the UK, Chileens stedelijk links, Wu Ming in Italië en niet in de laatste plaats de sociaal-democratisch-groene alliantie die momenteel in Zweden regeert. Maar het volledige spectrum van de linkse opinie werd genegeerd, deels door het kleine aantal linkse mediakanalen, maar ook door de marginalisering van afwijkende meningen, in de eerste plaats door mainstream links.

Dit is echter vooral een historisch falen van links geweest, dat rampzalige gevolgen zal hebben. Iedere vorm van een afwijkende mening zal waarschijnlijk opnieuw door (extreem-)rechts worden gedomineerd, waardoor iedere kans van links om de kiezers terug te winnen die het nodig heeft om de rechtse hegemonie omver te werpen, teniet wordt gedaan. Ondertussen houdt links vast aan een technocratie van deskundigen die ernstig wordt ondermijnd door wat een catastrofale aanpak van de pandemie in termen van sociaal progressivisme blijkt te zijn. Naarmate iedere vorm van levensvatbaar verkiesbaar links tot het verleden gaat behoren, zullen de discussies en de meningsverschillen, die de kern vormen van ieder echt democratisch proces, waarschijnlijk eveneens vervagen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Het techno-feodalisme neemt het roer over

Oorspronkelijke tekst (Engels): Project Syndicate, 28 juni 2021 (betaalmuur)

fotografie: Wikipedia

door Yanis Varoufakis

Yanis Varoufakis is een Grieks econoom en politicus. Van 27 januari 2015 tot 6 juli 2015 was hij minister van Financiën in het kabinet-Tsipras I.

Na vele voorbarige voorspellingen over de ondergang van het kapitalisme, vooral van links, wordt nu opnieuw beweerd dat het kapitalisme omvergeworpen zal worden door een nieuw economisch model. Maar deze keer zou het wel eens waar kunnen zijn, en de tekenen dat dat inderdaad het geval is, zijn al een tijdje zichtbaar.

Dit is hoe het kapitalisme eindigt: niet met een revolutionaire knal, maar met een evolutionaire sisser. Net zoals het feodalisme geleidelijk en stiekem werd verdrongen, totdat op een dag het grootste deel van de menselijke relaties op de markt gebaseerd was en het feodalisme was weggevaagd, zo wordt het kapitalisme vandaag omvergeworpen door een nieuwe economische modus: die van het techno-feodalisme.

Dit is een grote bewering, die volgt op vele voorbarige voorspellingen over de ondergang van het kapitalisme, vooral van links. Maar deze keer zou het wel eens waar kunnen zijn. De aanwijzingen zijn al een tijdje zichtbaar. Obligatiekoersen en aandelenkoersen, die in sterk tegengestelde richtingen zouden moeten bewegen, zijn eenstemmig omhoog geschoten, af en toe dalend, maar steevast gelijk opgaand. Op dezelfde manier zouden de kapitaalkosten (het rendement dat wordt gevraagd om een effect te kunnen bezitten) moeten dalen naarmate de volatiliteit toeneemt; in plaats daarvan zijn ze gestegen naarmate de toekomstige rendementen onzekerder zijn geworden. Misschien wel het duidelijkste teken dat er iets ernstigs aan de hand is, kwam op 12 augustus vorig jaar naar voren. Op die dag vernamen we dat het nationaal inkomen van het Verenigd Koninkrijk in de eerste zeven maanden van 2020 met ruim 20 procent was gekelderd, veel meer dan zelfs de somberste voorspellingen voor mogelijk hadden gehouden. Een paar minuten later maakte de Londense beurs een sprongetje van meer dan 2 procent. Niets vergelijkbaars had zich ooit eerder voorgedaan. De financiële sector was volledig losgekoppeld geraakt van de reële economie.

Maar betekenen deze ongekende ontwikkelingen werkelijk dat we niet langer onder het kapitalisme leven? Het kapitalisme heeft immers al eerder fundamentele transformaties ondergaan. Moeten we ons niet gewoon voorbereiden op zijn jongste incarnatie? Nee, ik denk van niet. Wat we nu meemaken is niet zomaar een nieuwe metamorfose van het kapitalisme. Het is iets dat diepgaander en zorgwekkender is. Ja, het kapitalisme heeft sinds het einde van de negentiende eeuw minstens twee extreme metamorfoses ondergaan. De eerste grote transformatie, van concurrentie naar oligopolies, vond plaats ten tijde van de tweede industriële revolutie, toen het elektromagnetisme uitmondde in de grote netwerkondernemingen en de voor hun financiering noodzakelijke megabanken. Ford, Edison en Krupp vervingen de bakker, de brouwer en de slager van Adam Smith als de belangrijkste drijfveren van de geschiedenis. De daaruit voortvloeiende onstuimige cyclus van mega-schulden en mega-rendementen leidde uiteindelijk tot de krach van 1929, de New Deal en, na de Tweede Wereldoorlog, tot het systeem van Bretton Woods – dat, met al zijn beperkingen op financieel gebied, voor een zeldzame periode van stabiliteit zorgde.

Het einde van Bretton Woods in 1971 ontketende de tweede transformatie van het kapitalisme. Terwijl Amerikaʼs toenemende handelstekort het grootste deel van de mondiale vraag voor zijn rekening nam – en de netto-export van Duitsland, Japan en later China naar zich toe zoog – voedden de VS de meest energieke mondialiseringsfase van het kapitalisme, met een gestage toestroom van Duitse, Japanse en later Chinese winsten naar Wall Street, teneinde alles te kunnen financieren. Om hun rol te kunnen spelen eisten de Wall Street-functionarissen echter emancipatie van alle beperkingen van de New Deal en Bretton Woods. Door deze deregulering veranderde het oligopolistisch kapitalisme in het financieel kapitalisme. Net zoals Ford, Edison en Krupp de bakker, de brouwer en de slager van Smith hadden vervangen, werden Goldman Sachs, JP Morgan en Lehman Brothers de nieuwe protagonisten van het kapitalisme.

Hoewel deze radicale transformaties ingrijpende gevolgen hadden (de Grote Depressie, WOII, de Grote Recessie en de Long Stagnation van na 2009), veranderden ze niets aan het belangrijkste kenmerk van het kapitalisme: een systeem dat wordt aangedreven door particuliere winsten, die via een of andere markt worden gegenereerd.

Ja, de transitie van het Smithiaanse naar het oligopolistische kapitalisme heeft de winsten buitensporig opgedreven en conglomeraten in staat gesteld hun enorme marktmacht (dat wil zeggen: hun nieuw verworven vrijheid ten opzichte van het spel van de concurrentie) aan te wenden om de consumenten grote bedragen te ontfutselen. Ja, Wall Street onttrok veel geld aan de samenleving, via op de markt gebaseerde vormen van roof op klaarlichte dag. Niettemin werden zowel de oligopolies als het gefinancialiseerde kapitalisme gedreven door particuliere winsten die werden opgestuwd door winsten die aan een of andere markt werden onttrokken – een markt die werd beheerst door, laten we zeggen, General Electric of Coca-Cola, of tevoorschijn werd getoverd door Goldman Sachs.

Maar na 2008 veranderde alles. Sinds de centrale banken van de G7 in april 2009 de handen ineen sloegen teneinde hun vermogen om geld bij te drukken te gebruiken om de wereldwijde financiële sector weer vlot te trekken, is er een diepe discontinuïteit ontstaan. Vandaag de dag wordt de wereldeconomie aangedreven door het voortdurend genereren van centralebankgeld, en niet door particuliere winsten. Intussen is de waarde-extractie steeds meer verschoven van markten naar digitale platforms, zoals Facebook en Amazon, die niet langer opereren als oligopolistische bedrijven, maar eerder als particuliere leengoederen of landgoederen.

Dat de balansen van de centrale banken, en niet de winsten, het economische systeem van energie voorzien, verklaart wat er op 12 augustus 2020 is gebeurd. Bij het horen van het grimmige nieuws dachten financiers: ʻGeweldig! De Bank of England zal, in paniek, nog meer ponden drukken en die naar ons doorsluizen. Het is tijd om aandelen te kopen!ʼ Overal in het Westen drukken centrale banken geld dat financiers uitlenen aan bedrijven, die het vervolgens gebruiken om hun aandelen terug te kopen (waarvan de koersen zijn losgekoppeld van de winsten). Intussen hebben digitale platforms de markten vervangen als de plaats waar particuliere rijkdom wordt vergaard. Voor het eerst in de geschiedenis produceert bijna iedereen gratis de kapitaalvoorraad van grote bedrijven. Dat is wat het betekent om dingen te uploaden naar Facebook of je te verplaatsen terwijl je gebruik maakt van Google Maps.

Het is natuurlijk niet zo dat de traditionele kapitalistische sectoren zijn verdwenen. In het begin van de negentiende eeuw bleven veel feodale verhoudingen ook intact, maar waren de kapitalistische verhoudingen gaan overheersen. Vandaag de dag blijven de kapitalistische verhoudingen intact, maar beginnen de techno-feodalistische verhoudingen de overhand te krijgen.

Als ik gelijk heb, zal ieder stimuleringsprogramma tegelijk te groot en te klein zijn. Geen enkele rentevoet zal ooit in overeenstemming kunnen zijn met volledige werkgelegenheid, zonder opeenvolgende faillissementen van bedrijven te veroorzaken. En een klassenpolitiek, waarin partijen die het kapitaal bevoordelen concurreren met partijen die dichter bij de arbeid staan, is dan onmogelijk geworden.

Maar terwijl het kapitalisme misschien met een sisser afloopt, kan de knal snel volgen. Als degenen die aan het andere uiteinde van de techno-feodale uitbuiting staan een collectieve stem vinden, zal die beslist zeer luid zijn.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

De donuteconomie heeft een gat in de kern

Oorspronkelijke tekst (Engels): Jacobin, 24 september 2021

fotografie: Gotham Ghostwriters

door Jordan G. Teicher

Jordan G. Teicher is schrijver en woont in Brooklyn. Zijn werk verscheen onder meer in The New York Times, The Guardian, en The New Republic.

In de winter van 2018 sprak de Britse econome Kate Raworth een uitverkochte zaal van vijfhonderd mensen toe in de Nederlandse stad Rotterdam. ʻWie is econoom of volgt momenteel een cursus economie?ʼ vroeg ze aan het publiek. Tientallen handen gingen omhoog. ʻWauw, ze zijn hier…,ʼ zei ze – volgens De Telegraaf een opmerking die ʻhalf schertsend, half dreigendʼ werd gemaakt.

Het was een karakteristieke dubbelzinnige opmerking van Raworth, een zelfbenoemde ʻafvallige econoomʼ aan de Universiteit van Oxford, die het aan de stok heeft met haar collegaʼs in het veld. Raworth was in Rotterdam om te spreken over de recente vertaling van haar bestseller uit 2017, Donuteconomie: In zeven stappen naar een economie voor de 21e eeuw, waarin ze betoogt dat de moderne economie niet geschikt is voor de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw. In plaats daarvan hebben we een nieuw raamwerk nodig – dat, jawel, lijkt op een donut –, ontworpen om te voldoen aan ʻde behoeften van iedereen, binnen de beperkingen van de planeet.ʼ Voor Raworth moet het doel zijn de wereldeconomieën ʻin de donutʼ te krijgen – de tot nu toe ongrijpbare ruimte tussen welzijn voor iedereen en overschrijding van de ecologische grenzen. Als het om de groei gaat, zegt ze, moeten we agnostisch zijn.

Degenen die de crises die het kapitalisme heeft veroorzaakt in het vizier hebben, klinkt Raworths voorstel waarschijnlijk mild in de oren, maar ten tijde van haar optreden in Rotterdam – slechts één halte op een landelijke tournee, met uitverkochte toespraken in Amsterdam en Tilburg, en een toespraak op het Nederlandse ministerie van Economische Zaken en Klimaatbeleid – was Raworth in Nederland het onderwerp van zowel intense lof als hoon. Jan Peter Balkenende – een voormalig premier van het centrumrechtse CDA, die het Rotterdamse evenement bijwoonde – zei tegen De Telegraaf: ʻIk beveel [Raworths] boek aan in alle presentaties die ik geef over duurzaamheid.ʼ De Nederlandse econoom Bas Jacobs, een criticus van het moderne kapitalisme, noemde Donuteconomie daarentegen ʻhet intellectueel slechtste en meest irritante economieboek van 2017.ʼ

Niettemin was de donuteconomie, iets meer dan twee jaar na Raworths bezoek, officieel beleid geworden in het nabijgelegen Amsterdam, waarbij de Nederlandse hoofdstad in april 2020 aankondigde dat het de eerste stad ter wereld zou worden die het model zou overnemen. De wereldpers beschreef dat besluit al snel als wereldschokkend – het einde, misschien, van het einde van de geschiedenis. ʻAmsterdam omarmt een radicale, nieuwe economische theorie om het milieu te redden,ʼ kopte Time, en voegde er de vraag aan toe: ʻZou die theorie ook het kapitalisme kunnen vervangen?ʼ

Rode (fluwelen) schrik

Het lijkt erop dat er een spook door Europa waart – het spook van de donuteconomie. Een paar maanden na het besluit van Amsterdam stemde de gemeenteraad van Kopenhagen voor het opstellen van een plan om het model over te nemen. Barcelona, Brussel en de Canadese stad Nanaimo volgden al snel. De Ierse president Michael D. Higgins prees de donuteconomie in een toespraak in oktober 2020, terwijl Amerikaanse steden als Portland en Philadelphia het model ook hebben onderzocht.

Volgens velen ter rechterzijde heeft de donuteconomie veel gemeen met een ander, algemener bekend spook dat ooit door Europa waarde. (Een libertaire tegenstander van het model omschreef het als ʻzoʼn beetje dezelfde lijst die progressieven de afgelopen eeuw of langer hebben gewild.ʼ) Raworth van haar kant heeft echter duidelijk gesteld dat de donuteconomie niet noodzakelijk een recept is voor socialisme of voor kapitalisme – of, wat dat aangaat, voor welke bekende economische theorie dan ook:

Soms als ik de ideeën van de donuteconomie uitleg, zeggen mensen: ʻIs dit kapitalisme? Is dit communisme? Is dit socialisme?ʼ En dan denk je: ʻEcht? Zijn dit de enige keuzes die we hebben? De ismen van de vorige eeuw? Kunnen we niet met onze eigen ideeën komen?ʼ

En toch, ondanks de ambivalentie ten opzichte van de grote ʻismes,ʼ heeft de donuteconomie niet geleid tot ongerustheid onder de machthebbers in het bedrijfsleven en de overheid, maar juist hun steun gekregen. In 2018 werd Raworth uitgenodigd om te spreken op het World Economic Forum, en in 2019 sprak ze op de door de bank BNP Paribas gesponsorde High Yield and Leveraged Finance Conference. Voormalig Brexit-minister en hardrechts Tory-parlementslid David Davis is volgens Raworth donut-gek. En volgens de vroegere Nederlandse premier Balkenende weet voormalig Unilever-topman Paul Polman ʻalles van [Raworths] boek.ʼ

Dus waarom is een ogenschijnlijk postkapitalistisch economisch systeem aantrekkelijk voor zo veel van Europaʼs machtigste personen en instellingen? Het voorbeeld van Amsterdam biedt enkele antwoorden.

De ʻAmsterdamse aanpakʼ

De reis van deze stad naar de donuteconomie begint met een ʻcity selfieʼ – een onderzoek naar het sociale en ecologische welzijn van de stad. Volgens de eigen analyse uit 2020 van het Amsterdamse stadhuis staat de stad er niet zo goed voor: de stad overschrijdt de planetaire grenzen op het gebied van grondgebruik, afvalproductie, kunstmestgebruik, oceaanverzuring en koolstofuitstoot. Intussen hebben veel Amsterdammers het moeilijk: bijna twintig procent van de huurders in de stad kan na betaling van de maandelijkse huur niet in de basisbehoeften voorzien.

Om deze problemen aan te pakken, stelt Raworth voor dat Amsterdam ʻtwee grote, dynamische veranderingenʼ moet doorvoeren. In de eerste plaats zou de stad haar lineaire ʻtake-make-disposeʼ-economie moeten loslaten en vervangen door een circulaire economie, waarin producten en materialen langer in gebruik worden gehouden. In de tweede plaats moet de stad overgaan van gecentraliseerde naar gedistribueerde ʻkansen en waarde,ʼ zodat de rijkdom wordt gedeeld ʻmet allen in de samenleving die deze mede creëren.ʼ Beide doelstellingen klinken uiterst zinnig. Waarom, zo vraag je je af, zijn ze dan nog niet eerder werkelijkheid geworden?

Raworth en haar volgelingen willen je doen geloven dat de sociale en ecologische crises van Amsterdam te wijten zijn aan een gebrek aan goede ideeën – dat tot voor kort niemand eraan gedacht heeft een economie na te streven waarin in ieders basisbehoeften wordt voorzien, of waarin de vraag van de mensheid naar ecologische hulpbronnen niet groter is dan de regeneratieve capaciteit van de aarde. Er zijn zelfs anekdotes die dit idee ondersteunen. Raworth vertelt bijvoorbeeld dat een ambtenaar van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken en Klimaatverandering tegen haar zei dat het horen over de donuteconomie was ʻals regen die op dorre grond valt.ʼ De Amsterdamse locoburgemeester voor duurzaamheid, Marieke van Doorninck, vindt het model al even opzienbarend: ʻIk ben opgegroeid in de tijd van Thatcher en Reagan, met het idee dat er geen alternatief is voor ons economisch model. Het lezen over de donut was als: Eureka! Er is wél een alternatief!ʼ

Als de indruk is ontstaan dat het probleem van Amsterdam een tekort aan creatieve ideeën is, dan zou daaruit kunnen volgen dat een stortvloed aan input en enthousiasme van zoveel mogelijk mensen nodig is. En dat is precies waar in Amsterdam om wordt gevraagd. In het Amsterdam City Doughnut-rapport wordt bijvoorbeeld beweerd dat de stad zich in een ideale positie bevindt om ʻtransformatieve actieʼ te ondernemen vanwege de bekroonde ʻAmsterdam Approachʼ voor ʻcollaboratieve innovatie,ʼ waarbij ʻdiverse belanghebbenden in de stad,ʼ waaronder ʻbuurtinitiatieven, start-ups en het maatschappelijk middenveld,ʼ worden gekoppeld aan de ʻgevestigde instellingen van overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen.ʼ De Amsterdam Doughnut Coalition, een netwerk van individuen en organisaties dat de Amsterdamse donut-transformatie ondersteunt, stelt in haar jaarverslag 2019-20 een soortgelijke aanpak voor:

Wij richten ons op die 1%ers, de scheppers, de initiatiefnemers, degenen die eerst iets in de praktijk brengen en daar pas later over gaan theoretiseren. Het maakt niet uit of ze stagiaires zijn of CEOʼs (sic), zolang ze maar die aanstekelijke positieve energie hebben die we zo hard nodig hebben om systemische verandering teweeg te brengen.

De donuteconomie heeft een gat in de kern

Het teweegbrengen van systemische verandering gaat echter niet alleen over het aanwenden van ʻaanstekelijke positieve energie.ʼ Het gaat ook – om het taalgebruik van de Doughnut Coalitie te citeren – over het verdrijven van diepgewortelde negatieve energie. Om dit voor elkaar te krijgen is er strijd nodig die verder gaat dan de intellectuele strijd die Raworth voert tegen de mainstream-economen.

Dit is iets wat de linkse milieubeweging van de stad maar al te goed weet. Reeds decennia lang – lang voordat iemand van de donuteconomie had gehoord – dringen zij aan op een economie die iedereen een fatsoenlijk leven biedt en tegelijkertijd de gezondheid van de planeet in stand houdt. Maar hun pogingen om de economie daartoe te democratiseren, te decommodificeren en koolstofvrij te maken zijn grotendeels tenietgedaan door de heersende klasse van de stad, die in plaats daarvan een tijdperk heeft ingeluid van lagere belastingtarieven voor de rijken, financiële deregulering, krimpende sociale uitkeringen en verminderde vakbondsdeelname.

Links weet dat de crisis die Amsterdam teistert geen crisis van ideeën is, maar een crisis van de macht: Zolang de kapitalisten, en niet de werkers, overheid en industrie in handen houden, zal de economie een kapitalistische economie blijven, gehoorzaam aan dezelfde logica van privatisering, groei en ecologische uitbuiting die in de eerste plaats tot de Amsterdamse crises heeft geleid. ʻWij zien de donuteconomie niet als een levensvatbaar “alternatief voor het kapitalisme”,ʼ zegt Olaf Kemerink, voorzitter van de linkse jongerenorganisatie ROOD, voorheen verbonden aan de SP, tegen Jacobin. ʻZolang je de fundamentele productieverhoudingen niet verandert en de staat niet democratiseert, zal het kapitaal altijd proberen zijn winsten te maximaliseren en zal de staat dit in stand houden.ʼ

Wie deze dynamiek in actie wil zien, moet naar de Amsterdamse woningcrisis kijken. In 2018 had slechts twaalf procent van de bijna zestigduizend woningzoekenden die online een aanvraag indienden voor een sociale huurwoning succes; uit een recent onderzoek bleek intussen dat de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning in de stad bijna veertien jaar bedraagt. Meer woningen bouwen maakt zeker deel uit van de oplossing, maar zolang woningen koopwaar blijven, zullen veel te weinig van deze nieuwe woningen betaalbaar zijn.

Dat is het geval op Strandeiland, het nieuwste wooneiland van de stad, dat door de pleitbezorgers van de donuteconomie wordt aangeprezen als een toonbeeld van de groene, sociaal rechtvaardige bona fides van het project. (Iedere aannemer die op het eiland wil bouwen, moet bijvoorbeeld een ʻmaterialenpaspoortʼ overleggen, zodat de stad de onderdelen kan hergebruiken wanneer de gebouwen worden afgebroken). Maar van de achtduizend nieuwe woningen die op het eiland zullen worden gebouwd, is slechts 40 procent bestemd voor sociale huisvesting, terwijl 25 procent zal bestaan uit woningen met middelhoge huurprijzen en 35 procent in het hogere segment zal vallen. Deze verhouding van 40-25-35 is feitelijk een projectontwikkelaar-vriendelijke (en dus lage-huren-onvriendelijke) uitzondering op de 40-40-20-verhoudingsregel die de stad in 2017 heeft ingesteld voor nieuwe woningen.

De bestaande voorraad betaalbare woningen in de stad blijft echter een prooi voor de markt. Uit recente schattingen blijkt dat in de nabije toekomst ongeveer dertigduizend sociale huurwoningen in Amsterdam ʻgeliberaliseerdʼ zouden kunnen worden, wat betekent dat ʻde huren makkelijk boven de duizend euro per maand kunnen uitkomen, waardoor ze onmiddellijk onbetaalbaar worden voor lagere- of middeninkomensgroepen,ʼ aldus Gertjan Wijburg van de Universiteit Utrecht. De gemeente Amsterdam heeft bij de rijksoverheid gelobbyd om de geliberaliseerde huren tijdelijk of permanent op een lager niveau te mogen bevriezen – en de marktwaardedrempel op te trekken die aanleiding geeft tot huurliberalisatie. Aan deze oproepen is echter geen gehoor gegeven. In februari kondigde de stad aan te zullen onderzoeken of sociale huurwoningen van corporaties kunnen worden gekocht om te voorkomen dat ze in handen van beleggers vallen, maar ook dat idee is niet doorgezet. ʻBij gebrek aan sterkere publieke toezeggingen, heeft de stad geen andere keuze dan de marktlogica te volgen in de zoektocht naar levensvatbare huisvestingsoplossingen,ʼ stelt Wijburg.

Een sterke huurdersbeweging zou deze en andere decommodificatiestrategieën naar de top van de nationale agenda kunnen brengen. Voorstanders van de donuteconomie roepen echter niet op tot zoʼn beweging, omdat zij de weg naar een rechtvaardig en gezond Amsterdam niet zien als een conflict met kapitalistische belangen. Loco-burgemeester Van Doorninck schetste een heel andere oplossing voor de woningcrisis in de stad. ʻEr stroomt veel kapitaal de wereld rond dat op zoek is naar beleggingsmogelijkheden, en op dit moment wordt vastgoed gezien als de beste manier om te beleggen, dus dat drijft de prijzen op,ʼ zei ze tegen de Guardian. ʻDe donut brengt ons niet de antwoorden, maar een andere manier om hiernaar te kijken, zodat we niet in dezelfde structuren blijven doorgaan als vroeger.ʼ

Op weg naar het ʻbagelsocialismeʼ

Als er al een impliciete notie in de donuteconomie zit over hoe de status quo zal veranderen, dan is het dat kapitalisten, ogenschijnlijk voor het eerst geconfronteerd met het idee van een duurzamere en sociaal rechtvaardige economie, massaal tot de rationele conclusie zullen komen dat de zaken niet op de oude voet voort kunnen gaan. ʻWij proberen misschien te werken met de coalition of the willing, maar ik denk wel dat de willing een voorbeeld kunnen zijn voor anderen,ʼ zegt Van Doorninck.

Het is een dubieuze theorie, maar zij verklaart wel voor een groot deel waarom zo veel zogenaamd progressieve CEOʼs en andere liberale elites de donuteconomie wel zien zitten, omdat ze die terecht niet als een bedreiging zien. Het verklaart ook waarom Amsterdam waarschijnlijk moeite zal hebben zijn doelstellingen op het gebied van sociale en ecologische rechtvaardigheid te halen. De Nederlandse centrale bank verwacht dat het Nederlandse bbp in 2021 met 3 procent zal groeien, en in 2022 met 3,7 procent. En de plannen van het land om tegen 2050 een circulaire economie tot stand te brengen, zullen naar verwachting alleen maar bijdragen aan deze groei: het Planbureau voor de Leefomgeving, een onderzoeksinstituut dat de Nederlandse overheid adviseert, ziet in de transitie een kans van 7 miljard euro voor de Nederlandse economie.

ʻDe theorie van Kate Raworth is natuurlijk heel idealistisch, maar ook heel naïef,ʼ zegt Tiers Bakker, gemeenteraadslid in Amsterdam voor de SP. ʻWe hebben geen donuteconomie nodig. We hebben bagelsocialisme nodig.ʼ

Een door werkers geleide economie die voorziet in de behoeften van iedereen, binnen de grenzen van de planeet – noem het ʻbagelsocialismeʼ of ecosocialisme – blijft vooralsnog buiten bereik in Nederland. Links Nederland is, zoals Cas Mudde opmerkt, meer dan ooit versplinterd. En zoals Alex de Jong in Jacobin heeft betoogd, verkeert de eens zo bloeiende SP in een crisis, met een dalend ledental en een leiderschap dat heeft gehint op een coalitie met rechtse partijen. Ondanks brede steun voor links beleid onder het electoraat, neemt het aandeel van de partij in de uitslagen bij nationale verkiezingen af.

Dit is zeker een slechte timing gezien de urgentie van het huidige politieke moment. Maar het weerhoudt socialisten als Bakker er niet van om nu al te werken aan kleinschalige initiatieven die laten zien hoe een socialistisch alternatief voor de donuteconomie er in Amsterdam uit zou kunnen zien, zoals een programma van de SP waarbij het voedseloverschot van lokale bedrijven wordt ingezameld en zonder inkomenstoets onder de bewoners wordt verdeeld. ʻIn een ideale wereld zouden we de sprong wagen en resoluut actie ondernemen met de macht van het volk achter ons,ʼ zegt Bakker. ʻVoor nu moeten we een alternatief model laten zien door zoiets simpels maar fundamenteels als voedseldistributie.ʼ

Het goede voorbeeld geven is nuttig, maar tegelijkertijd onvoldoende. Als we een leefbare toekomst willen hebben, zal links in Amsterdam en daarbuiten de macht moeten grijpen, en wel snel. De feiten zijn duidelijk: we kunnen ofwel een fatsoenlijk leven voor iedereen verwezenlijken binnen de grenzen van de planeet, of we kunnen kapitalisme hebben. En we kunnen het ons niet veroorloven om agnostisch te zijn over welk lot we kiezen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie

De wurging van de Mondiale Minotaurus

Oorspronkelijke tekst (Engels): Project Syndicate, 11 november 2021

fotografie: DOC Research Institute

door James Galbraith

James K. Galbraith, trustee van Economists for Peace and Security, bekleedt de Lloyd M. Bentsen, Jr. leerstoel in de betrekkingen tussen overheid en bedrijfsleven aan de LBJ School of Public Affairs van de Universiteit van Texas in Austin. Van 1993 tot 1997 was hij technisch hoofdadviseur voor macro-economische hervormingen bij de Staatsplanningcommissie van China. Hij is de auteur van Inequality: What Everyone Needs to Know en Welcome to the Poisoned Chalice: The Destruction of Greece and the Future of Europe.

De aanbodontwrichtingen die de Amerikaanse economie parten spelen zijn niet het gevolg van een ʻbuitensporige vraag,ʼ ʻcentrale planning,ʼ of een gebrek aan efficiëntie. Het is veeleer zo dat een logistiek ecosysteem, dat was ontwikkeld om het beest van de Amerikaanse consumptie te voeden, niet ontworpen was voor een pandemie.

Een aanbodketen is als een Rorschach-test: iedere economische analist ziet er een patroon in dat zijn of haar eigen vooroordelen weerspiegelt. Dit is misschien onvermijdelijk, aangezien iedereen een product is van verschillende opleidingen, achtergronden en vooringenomenheden. Maar sommige waargenomen patronen zijn aannemelijker dan andere.

Kijk eens naar de volgende voorbeelden van perspectieven. Volgens Jason Furman, voormalig economisch adviseur van president Barack Obama, en Lawrence H. Summers, voormalig minister van Financiën van de VS, is het huidige probleem van de aanbodketen er een van buitensporige vraag. Volgens Furman is het een ʻhigh classʼ-probleem, dat een sterke economie weerspiegelt. De ʻoerzondeʼ was het American Rescue Plan van de regering-Biden, dat te veel steun zou hebben verleend via uitkeringen die rechtstreeks aan Amerikaanse huishoudens werden overgemaakt. Volgens John Tamny van RealClearMarkets is het probleem van de aanbodketen er een van ʻcentrale planning.ʼ Als de regering van president Joe Biden geen richtlijnen naar havenbeheerders had gestuurd, zouden de vrije markten alles hebben opgelost. En voor Awi Federgruen, een hoogleraar management aan de Columbia Business School, is het probleem inefficiëntie, met als remedie: harder werken en meer doen met minder.

Geen van deze interpretaties doorstaat een kritische blik. Het verhaal over de buitensporige vraag faalt op het eerste gezicht. Er is immers geen tekort aan goederen. Schepen met de voorraden – 30 miljoen ton – liggen momenteel buiten de Amerikaanse havens, en er zijn er nog meer onderweg. De productieprijzen zijn ook niet veel gestegen. Het grootste deel van de ʻinflatieʼ tot dusver is toe te schrijven aan de energieprijzen (deels als gevolg van een economische opleving na de neergang van de pandemie) en de prijzen van tweedehands autoʼs en vrachtwagens, in vroeger jaren geproduceerde goederen waarnaar vraag is vanwege het tekort aan halfgeleiders waarmee autofabrikanten momenteel te kampen hebben. En nee, dat tekort is ook niet het gevolg van een ʻbuitensporige vraag.ʼ Tijdens de pandemie voorspelden chipmakers een grotere verschuiving in de samenstelling van de vraag – in de richting van huishoudelijke hebbedingetjes en weg van autoʼs – dan zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Nu hebben ze te veel van de ene soort chip en niet genoeg van de andere. Wat het verwijt van de ʻcentrale planningʼ betreft, dat was te verwachten uit bepaalde kringen. De implicatie is dat alles goed zou zijn gegaan als de regering-Biden maar niet had opgelet. Biden heeft er echter alleen maar bij de havenbeheerders op aangedrongen ʻ24/7 te werkenʼ om de schepen te lossen – een idee waarvan je moet aannemen dat het al bij hen zelf was opgekomen.

Het punt van de ʻefficiëntieʼ komt dichter bij de werkelijkheid, behalve dat het probleem niet te weinig efficiëntie is, maar te veel. Om precies te zijn is de extreme efficiëntie van de huidige mondiale aanbodketens ook hun fatale tekortkoming. Goed geleide havens zijn modellen van hoge verwerkingscapaciteit en lage kosten. Zij beschikken over dokken, spoorwegstations, laad- en losplaatsen voor vrachtwagens, opslagterreinen en zware hefwerktuigen die zijn afgestemd op het verwachte verkeer. Het bouwen van capaciteit boven een kleine veiligheidsmarge zou een verspilling zijn. In normale tijden blijft de overtollige capaciteit onbenut en levert die geen inkomsten op, terwijl de rente op de schuld voor de bouw ervan nog moet worden betaald. Na verloop van tijd zullen efficiënte exploitanten het overschot tot een minimum beperken, en de dokken en machines die zij hebben zoemend laten draaien. Het spectaculaire succes van de wereldwijde aanbodketens – tot nu toe – weerspiegelt de niet aflatende toepassing van dit principe.

Tijdens de pandemische inzinking was veel van Amerikaʼs havencapaciteit korte tijd onbenut. Toen de productie stilviel en de containerschepen voor anker bleven liggen in Aziatische havens, lieten Amerikaanse vrachtwagens hun eigen lege containers achter in de havens, in afwachting van schepen om ze terug te brengen naar Azië. Maar toen leefde de vraag weer op en werd de productie hervat – en zelfs opgevoerd – omdat de gezinnen hun bestedingen verlegden van diensten naar goederen. De schepen met goederen kwamen weer opdagen. Maar er was een nieuw probleem: om de volle containers te lossen, moet er een plek zijn om ze neer te zetten. Volgens persberichten waren de werven en opslagplaatsen echter al volgeladen met lege containers. Bovendien konden de vrachtwagens met nieuwe lege containers deze niet lossen, en dus ook geen nieuwe volle containers meenemen. En dus blijven de ladingen maar wachten. Gedeeltelijke oplossingen – de lege containers hoger stapelen bijvoorbeeld – helpen slechts tot op zekere hoogte. Over een langere periode kunnen nieuwe dokken en spoorlijnen worden gebouwd. Maar dat kost allemaal tijd, land (dat niet makkelijk te vinden is, zo blijkt) en zwaar materieel, dat zelf ook weer ergens vandaan moet komen, eventueel per schip. Een aanbodketen is een volledige ecologie, een biofysische entiteit. Alle onderdelen ervan moeten steeds soepel functioneren. Tekortkomingen blijven niet beperkt tot één segment, noch kunnen zij worden verholpen door een eenvoudige verhoging van de prijzen of vergoedingen, of door een snelle verandering van technieken. In plaats daarvan hebben ze een domino-effect binnen een systeem dat op een specifieke manier is gebouwd; een ontwrichting in één onderdeel kan op een algemene ontwrichting uitdraaien.

In zijn opmerkelijke boek The Global Minotaur uit 2011 vergeleek de econoom (en latere minister van Financiën van Griekenland) Yanis Varoufakis de Verenigde Staten met het mythische monster dat in een labyrint leefde waaruit niets kon ontsnappen dat er binnenkwam. Veertig jaar lang heeft de Amerikaanse economie de consumptiegoederen van Japan, Zuid-Korea, China en andere landen opgenomen. Om de onverzadigbare Minotaurus in leven te houden, heeft de wereld een mondiaal labyrint gebouwd van havens, schepen, nog meer havens, pakhuizen, opslagplaatsen, wegen en spoorwegen. Op een dag werd de Minotaurus ziek en miste hij een maaltijd. De volgende dag probeerde hij zijn achterstand in te halen door vier maaltijden te eten, maar zijn slokdarm was niet breed genoeg om ze allemaal naar binnen te krijgen. Dus nu zit de Minotaurus hulpeloos te wachten tot de verstopping zal verdwijnen. Als dat niet gebeurt, kunnen de gevolgen ernstig zijn. Als Theseus het beest op deze manier had gewurgd, had hij Ariadne, haar zwaard en haar bol garen misschien niet eens nodig gehad.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Het energiedilemma

Oorspronkelijke tekst (Engels): Sidecar, 5 november 2021

fotografie: La Carmagnole

door Cédric Durand

Cédric Durand doceert Economie en Ontwikkelingstheorieën aan de universiteit van Parijs 13 en de EHESS. Hij werkt binnen de traditie van de marxistische en Franse regulationistische politieke economie en is auteur van verschillende artikelen over de euro-crisis, de verwevenheid financialisering-mondialisering en de post-Sovjet-transformatie. Hij is lid van de redactieraad van het radicale online tijdschrift ContreTemps.

De ecologische tweedeling is geen galadiner. Na een zomer van extreme klimaatgebeurtenissen en een nieuw IPCC-rapport dat de meest verontrustende voorspellingen bevestigt, worden grote delen van de wereld nu geteisterd door een energiecrisis die een voorbode is van verdere economische problemen in de toekomst. Deze samenloop van omstandigheden heeft de droom van een harmonieuze transitie naar een post-koolstofwereld ten grave gedragen en de kwestie van de ecologische crisis van het kapitalisme op de voorgrond geplaatst. Op de COP26-conferentie overheerste een toon van machteloosheid, waarbij de dreigende ellende de mensheid heeft klemgezet tussen de onmiddellijke eisen van systemische reproductie en de versnelling van de klimaatontwrichting.

Op het eerste gezicht zou je misschien denken dat er stappen worden ondernomen om dit cataclysme tegen te gaan. Ruim vijftig landen – plus de hele Europese Unie – hebben zich ertoe verbonden een netto-emissiedoelstelling van nul te halen, waardoor de wereldwijde energiegerelateerde CO2-uitstoot tussen nu en 2050 met 40 procent zou dalen. Een nuchtere lezing van de wetenschappelijke gegevens laat echter zien dat de groene transitie ver uit koers ligt. Als het wereldwijde nulpunt niet wordt gehaald, zullen de temperaturen blijven stijgen, waardoor de wereld tegen 2100 ver boven de 2°C opwarming zal uitkomen. Volgens de UNEP zouden de nationaal vastgestelde bijdragen, die de landen vóór COP26 moesten indienen, de uitstoot in 2030 met 7,5 procent verminderen. Toch is een daling met 30 procent nodig om de opwarming tot 2°C te beperken, terwijl 55 procent nodig zou zijn voor 1,5°C.

Zoals in een recent hoofdartikel van Nature werd gewaarschuwd, hebben veel van deze landen netto-nul-beloften gedaan zonder een concreet plan te hebben hoe ze dat willen bereiken. Welke gassen zullen worden aangepakt? In hoeverre is netto-nul gebaseerd op effectieve reductie in plaats van op compensatieregelingen? Die laatste zijn bijzonder aantrekkelijk geworden voor rijke landen en vervuilende bedrijven, aangezien zij de uitstoot niet rechtstreeks verminderen en de last van de koolstofbeperking afwentelen op landen met lage en middelgrote inkomens (die het zwaarst zullen worden getroffen door de klimaatafbraak). Betrouwbare informatie en transparante toezeggingen over deze cruciale kwesties zijn nergens te vinden, waardoor de mogelijkheid van een geloofwaardige internationale wetenschappelijke monitoring in gevaar komt. De bottom line is dat de wereld op basis van het huidige mondiale klimaatbeleid – het gevoerde beleid en het voorgestelde beleid – hard op weg is naar een verwoestende toename van de uitstoot in het komende decennium.

Desondanks heeft het kapitalisme al de eerste grote economische schok te verwerken gekregen die verband houdt met de transitie naar een koolstofvrije economie. De sterke stijging van de energieprijzen is te wijten aan verschillende factoren, waaronder een wanordelijke opleving van de economie na de pandemie, slecht ontworpen energiemarkten in het Verenigd Koninkrijk en de EU die de prijsvolatiliteit verergeren, en de bereidheid van Rusland om zijn energie-inkomsten op de langere termijn veilig te stellen. Op een structureler niveau kan het effect van de eerste inspanningen om het gebruik van fossiele brandstoffen te beperken echter niet over het hoofd worden gezien. Als gevolg van de door de overheid opgelegde beperkingen inzake het verbranden van steenkool, plus de groeiende terughoudendheid van aandeelhouders om zich vast te leggen op projecten die binnen dertig jaar grotendeels verouderd kunnen zijn, zijn de investeringen in fossiele brandstoffen teruggelopen. Hoewel deze inkrimping van het aanbod niet voldoende is om het klimaat te redden, blijkt zij toch te veel voor de kapitalistische groei.

De combinatie van een aantal recente gebeurtenissen geeft een voorproefje van de dingen die komen gaan. In de Punjab-regio in India hebben ernstige tekorten aan steenkool geleid tot onvoorziene stroomonderbrekingen. In China heeft meer dan de helft van de provincies strenge maatregelen voor stroomrantsoenering ingevoerd. Verscheidene bedrijven, waaronder belangrijke toeleveranciers van Apple, zijn onlangs gedwongen hun productie in fabrieken in de provincie Jiangsu stop te zetten of te verminderen, nadat lokale overheden de levering van elektriciteit hadden beperkt. Deze beperkingen waren een poging om te voldoen aan de nationale emissiedoelstellingen door de opwekking van elektriciteit met kolencentrales aan banden te leggen; deze zijn nog steeds goed voor ongeveer twee derde van Chinaʼs elektriciteitsproductie. Om de gevolgen van deze ontwrichtingen binnen de perken te houden, hebben de Chinese autoriteiten hun klimaatambities tijdelijk getemperd door 72 kolenmijnen te gelasten hun aanbod op te voeren en door de invoer van Australische steenkool, die maandenlang was stilgelegd wegens diplomatieke spanningen tussen beide landen, weer op gang te brengen.

In Europa was het de sterke stijging van de gasprijzen die heeft geleid tot de huidige crisis. Gekweld door de herinnering aan de opstand van de gilets jaunes tegen de koolstofbelasting van Macron, hebben de regeringen ingegrepen met energiesubsidies voor de lagere klassen. Maar op meer onverwachte wijze heeft de stijging van de gasprijzen ook kettingreacties teweeggebracht in de verwerkende sector. Het geval van de meststoffen is veelzeggend. Een Amerikaans bedrijf, CF Industries, besloot zijn kunstmestfabrieken in het Verenigd Koninkrijk stil te leggen, omdat die door de prijsstijgingen onrendabel waren geworden. Als nevenproduct van zijn activiteiten was het bedrijf voorheen verantwoordelijk voor 45 procent van de CO2 in de levensmiddelensector in het Verenigd Koninkrijk. Het stilleggen van de fabrieken ontketende weken van chaos, met gevolgen voor diverse sectoren, van bier en frisdranken tot voedselverpakkingen en vlees. Wereldwijd heeft de sterke stijging van de gasprijzen gevolgen voor de landbouwsector, via de stijging van de kunstmestprijzen. In Thailand zullen de kosten van kunstmest vanaf 2020 verdubbelen, waardoor de kosten voor veel rijstproducenten zullen stijgen en het plantseizoen in gevaar komt. Als dit zo doorgaat, zullen regeringen misschien moeten ingrijpen om de voedselvoorziening veilig te stellen.

De wereldwijde en wijdverspreide repercussies van energietekorten en prijsstijgingen onderstrepen de complexe neveneffecten van de structurele transformatie die nodig is om de koolstofemissies te elimineren. Terwijl het aanbod van koolwaterstoffen aan het afnemen is, volstaat de toename van duurzame energiebronnen niet om aan de groeiende vraag te voldoen. Daardoor blijft er een energieprobleem bestaan dat de transitie volledig zou kunnen doen ontsporen. In deze context kunnen landen ofwel terugkeren naar de meest overvloedig beschikbare energiebron – steenkool – ofwel een economische krimp veroorzaken, die in gang wordt gezet door de stijging van de kosten en de gevolgen daarvan voor de winstgevendheid, de consumptieprijzen en de stabiliteit van het financiële systeem. Op de korte termijn is er dus sprake van een uitruil tussen ecologische doelstellingen en de eis om de groei te bevorderen. Maar speelt dit energiedilemma ook op de middellange en de lange termijn? Zullen we uiteindelijk voor de keuze komen te staan tussen klimaat en groei?

Een succesvolle koolstoftransitie impliceert de harmonieuze ontplooiing van twee processen die op materieel, economisch en financieel niveau op complexe wijze met elkaar verbonden zijn. In de eerste plaats moet er een proces van ontmanteling plaatsvinden. De bronnen van koolstofvervuiling moeten drastisch worden verminderd: vooral de winning van koolwaterstoffen, de elektriciteitsproductie met behulp van kolen en gas, de op brandstoffen gebaseerde vervoerssystemen, de bouwsector (door de hoge uitstoot bij de productie van cement en staal) en de vleesindustrie. Het gaat hier om de-growth in de meest rechtstreekse zin van het woord: apparatuur moet worden afgedankt, fossiele brandstofreserves moeten in de bodem blijven, de intensieve veeteelt moet worden opgegeven en een hele reeks aanverwante beroepsvaardigheden moet overbodig worden gemaakt.

Alles in aanmerking genomen, impliceert de eliminatie van productiecapaciteit een inkrimping van het aanbod, hetgeen tot een algemene inflatoire druk zal leiden. Dit is des te waarschijnlijker omdat de meest getroffen sectoren zich op het hoogste niveau van de moderne economieën bevinden. Via de andere sectoren zal de druk op de kosten de winstmarges van de bedrijven, de mondiale winsten en/of de koopkracht van de consumenten aantasten, wat een wilde recessie teweeg zal brengen. Bovendien is het stopzetten van de koolstofeconomie een nettoverlies vanuit het oogpunt van de valorisatie van financieel kapitaal: enorme hoeveelheden gestrande activa zullen worden weggevaagd omdat onderliggende verwachte winsten zullen verdwijnen, wat de weg vrijmaakt voor grootschalige uitverkopen, die hun invloed zullen hebben op de massa van fictief kapitaal. Deze onderling samenhangende dynamieken zullen elkaar aanwakkeren, naarmate de recessiekrachten de wanbetalingen op schulden doen toenemen, terwijl de financiële crisis de toegang tot kredieten bevriest.

De andere kant van de transitie is een grote investeringsgolf om de aanbodschok op te vangen die wordt veroorzaakt door de ontmanteling van de koolstofsector. Hoewel veranderende consumptiegewoonten een rol kunnen spelen, vooral in rijke landen, zijn ook de creatie van nieuwe koolstofvrije productiecapaciteit, efficiëntieverbeteringen, en de elektrificatie van vervoers-, industriële en verwarmingssystemen (naast de inzet van koolstofafvang, in sommige gevallen) nodig om de geleidelijke afschaffing van broeikasgasemissies te compenseren. Vanuit kapitalistisch oogpunt kunnen deze nieuwe activiteiten winstmogelijkheden bieden, zolang de productiekosten niet te hoog zijn in verhouding tot de beschikbare vraag. Aangetrokken door deze valorisatie zou groen kapitaal kunnen instappen en de transitie kunnen versnellen, waardoor een nieuwe golf van accumulatie kan worden aangezwengeld die de werkgelegenheid en de levensstandaard in stand kan houden.

We mogen echter niet vergeten dat de timing allesbepalend is: dergelijke aanpassingen doorvoeren in vijftig jaar is iets heel anders dan drastisch moeten terugschakelen in een decennium. En vanaf het punt waarop we ons nu bevinden, zijn de vooruitzichten voor een soepele en adequate overschakeling op groene energie op zijn zachtst gezegd troebel. De ontmanteling van de koolstofsector blijft onzeker door de inherente wisselvalligheid van politieke processen en het aanhoudende gebrek aan engagement van overheidsinstanties. Het is illustratief dat één enkele senator, Joe Manchin III uit West-Virginia, het programma kan blokkeren van de Democraten in de VS om de vervanging van kolen- en gasgestookte elektriciteitscentrales te vergemakkelijken.

Zoals de huidige ontwrichtingen illustreren, kan ook het gebrek aan direct beschikbare alternatieven de geleidelijke afschaffing van fossiele brandstoffen belemmeren. Volgens het IEA: ʻDe met de transitie samenhangende uitgaven […] blijven ver achter bij wat nodig is om op een duurzame manier aan de stijgende vraag naar energiediensten te voldoen. Het tekort is zichtbaar in alle sectoren en regioʼs.ʼ In zijn jongste Energy Report schat Bloomberg dat een groeiende wereldeconomie de komende dertig jaar investeringen in energievoorziening en -infrastructuur zal vergen van tussen de 92 biljoen en de 173 biljoen dollar. De jaarlijkse investeringen moeten meer dan verdubbelen, van ongeveer 1,7 biljoen dollar per jaar nu naar gemiddeld tussen de 3,1 biljoen en 5,8 biljoen dollar per jaar. De omvang van een dergelijke macro-economische aanpassing zou ongekend zijn.

Vanuit het perspectief van de mainstream-economie is deze aanpassing nog steeds een kwestie van een juiste beprijzing. In een recent rapport dat in opdracht van de Franse president Emmanuel Macron is opgesteld, stellen twee vooraanstaande economen op dit gebied, Christian Gollier en Mar Reguant, dat ʻde waarde van koolstof moet worden gebruikt als maatstaf voor alle dimensies van de beleidsvorming van de overheid.’ Hoewel normen en regelgeving niet moeten worden uitgesloten, moet een ʻgoed ontworpen koolstofbeprijzing’ via een koolstofbelasting of een cap-and-trade-mechanisme de hoofdrol spelen. Van marktmechanismen wordt verwacht dat zij de negatieve externe effecten van broeikasgasemissies zullen internaliseren, waardoor een ordelijke transitie aan zowel de vraag- als de aanbodzijde mogelijk wordt. ‘Koolstofbeprijzing heeft het voordeel dat de nadruk ligt op efficiëntie in termen van de kosten per ton CO2, zonder dat van tevoren hoeft te worden vastgesteld welke maatregelen zullen werken.’ Als weerspiegeling van de plasticiteit van marktaanpassingen opent een koolstofprijs – ‘in tegenstelling tot meer prescriptieve maatregelen’ – ruimte voor ‘innovatieve oplossingen.’

Dit op de vrije markt geënte, techno-optimistische perspectief verzekert ons ervan dat kapitalistische groei en klimaatstabilisatie met elkaar te verzoenen zijn. Het lijdt echter aan twee belangrijke tekortkomingen. De eerste is de blindheid van deze benadering voor de macro-economische dynamiek die een rol speelt in de transitie-inspanning. In een recent rapport van Jean Pisani-Ferry, geschreven voor het Peterson Institute for International Economics, wordt de mogelijkheid van een soepele aanpassing gedreven door marktprijzen gebagatelliseerd, terwijl ook de hoop op een Green New Deal die alle schepen zou kunnen lichten de bodem wordt ingeslagen.

Het rapport constateert dat ‘uitstel de kansen op een ordelijke transitie heeft verkleind’ en merkt op dat er ‘geen garantie is dat de transitie naar koolstofneutraliteit goed zal zijn voor de groei.’ Het proces is vrij eenvoudig: 1) aangezien decarbonisatie een versnelde veroudering van een deel van de bestaande kapitaalvoorraad impliceert, zal het aanbod teruglopen; 2) in de tussentijd zullen meer investeringen nodig zijn. De prangende vraag wordt dan: zijn er voldoende middelen in de economie beschikbaar om meer investeringen mogelijk te maken, naast een verzwakt aanbod? Het antwoord hangt af van de hoeveelheid ‘speling’ in de economie – d.w.z.: onbenutte productiecapaciteit en werkloosheid. Maar gezien de omvang van de aanpassing en het korte tijdsbestek kan dit niet als vanzelfsprekend worden beschouwd. Volgens Pisani-Ferry ‘zal het effect op de groei dubbelzinnig zijn, en het effect op de consumptie negatief. Klimaatactie is als een militaire opbouw in geval van een dreiging: goed voor de welvaart op de langere termijn, maar slecht voor de tevredenheid van de consument.’ Het verschuiven van middelen van consumptie naar investeringen betekent dat de consumenten onvermijdelijk de kosten van de inspanning zullen moeten dragen.

Ondanks zijn neo-Keynesiaanse invalshoek opent Pisani-Ferry een inzichtelijke discussie over de politieke voorwaarden die een verlaging van de levensstandaard en een groene klassenoorlog langs inkomenslijnen mogelijk zouden maken. Maar in zijn gehechtheid aan het prijsmechanisme deelt zijn betoog met dat van de marktaanpassing een irrationele nadruk op de efficiëntie van de CO2-emissiereductie. De tweede tekortkoming in de bijdrage van Gollier en Reguant wordt duidelijk wanneer zij oproepen tot ‘een combinatie van klimaatmaatregelen met de laagst mogelijke kosten per ton niet-uitgestoten CO2-equivalent.’ Zoals de auteurs zelf erkennen, is de vaststelling van koolstofprijzen immers hoogst onzeker. Schattingen variëren van 45 dollar tot 14.300 dollar per ton, afhankelijk van de tijdshorizon en de beoogde reductie. Met een dergelijke variabiliteit heeft het geen zin te proberen de kosten van koolstofreductie intertemporeel te optimaliseren. Wat belangrijk is, zijn niet de kosten van de aanpassing, maar veeleer de zekerheid dat de stabilisatie van het klimaat zal plaatsvinden.

De politicoloog Chalmers Johnson, die de specifieke kenmerken van de Japanse ontwikkelingsstaat beschreef, maakte een onderscheid dat ook op het transitiedebat kan worden toegepast:

Een regulerende, of marktrationele, staat houdt zich bezig met de vorm en de procedures – de regels, zo u wilt – van de economische concurrentie, maar houdt zich niet bezig met inhoudelijke zaken […] De ontwikkelingsstaat, of planrationele staat, daarentegen, heeft als dominant kenmerk juist het stellen van zulke inhoudelijke sociale en economische doelen.

Met andere woorden: terwijl de eerste doelmatigheid nastreeft – door de middelen zo economisch mogelijk te gebruiken – is de tweede gericht op doeltreffendheid: dat wil zeggen, op het vermogen om een bepaald doel te bereiken, of dat nu oorlog is of industrialisatie. Gezien de existentiële bedreiging die van de klimaatverandering uitgaat, en het feit dat er een eenvoudige en stabiele metriek bestaat om onze blootstelling te beperken, zouden wij ons eerder zorgen moeten maken over de doeltreffendheid van de vermindering van de broeikasgassen dan over de efficiëntie van de inspanning. In plaats van het prijsmechanisme te gebruiken om de markt te laten beslissen waar de inspanning moet liggen, is het oneindig veel eenvoudiger om doelstellingen op sectoraal en geografisch niveau bij elkaar op te tellen en een consistent reductieplan op te stellen om ervoor te zorgen dat het algemene doel op tijd zal worden bereikt.

Ruchir Sharma van Morgan Stanley, die over deze kwestie schrijft in de FT, stelt een punt aan de orde dat indirect pleit voor ecologische planning. Hij merkt op dat de investeringsdrang die nodig is voor de transitie naar een koolstofvrije economie ons voor een triviaal materieel probleem stelt: aan de ene kant worden vuile activiteiten – met name in de sectoren van de mijnbouw of de metaalproductie – onrendabel door strengere regelgeving of hogere koolstofprijzen; aan de andere kant zijn voor investeringen in de vergroening van de infrastructuur dergelijke middelen nodig om de capaciteit uit te breiden. Afnemend aanbod plus stijgende vraag is daarom een recept voor wat hij ʻgroene inflatieʼ noemt. Sharma stelt dan ook dat ʻhet blokkeren van nieuwe mijnen en boorplatforms niet altijd een ecologisch en sociaal verantwoorde zet zal zijn.ʼ

Als woordvoerder van een instelling met gevestigde belangen in vervuilende grondstoffen is Sharma nauwelijks een neutrale commentator te noemen. Maar het probleem dat hij schetst – hoe kunnen we genoeg vervuilend materiaal leveren om een schone energie-economie op te bouwen – is reëel en houdt verband met een ander probleem van de voorgenomen marktgestuurde transitie: koolstofbeprijzing stelt de maatschappij niet in staat onderscheid te maken tussen oneigenlijk gebruik van koolstof – zoals het naar de ruimte sturen van miljardairs – en essentieel gebruik, zoals het bouwen van de infrastructuur voor een koolstofvrije economie. Bij een succesvolle transitie zou het eerste onmogelijk worden gemaakt, en het tweede zo goedkoop mogelijk. Als zodanig wordt een koolstofprijs een duidelijk pad naar mislukking.

Dit brengt ons terug bij een oud, maar nog steeds doorslaggevend argument: de wederopbouw van een economie – in dit geval een economie waarin geleidelijk een einde wordt gemaakt aan fossiele brandstoffen – vergt een herstructurering van de keten van betrekkingen tussen de verschillende segmenten ervan, wat erop duidt dat het lot van de economie als geheel afhangt van het punt van de minste weerstand. Zoals Alexandr Bogdanov in het kader van de opbouw van de jonge Sovjetstaat opmerkte: ‘Door deze onderlinge afhankelijkheid is het uitbreidingsproces van de economie in zijn geheel onderworpen aan de wet van het zwakste punt.’ Deze gedachtegang is later door Wassily Leontief verder uitgewerkt in zijn bijdragen aan de input-output-analyse. Volgens deze gedachtegang zijn marktaanpassingen eenvoudigweg niet opgewassen tegen structurele veranderingen. In dergelijke situaties is een zorgvuldig en adaptief planningsmechanisme vereist dat in staat is een bewegend landschap van knelpunten te identificeren en aan te pakken.

Als we kijken naar de economische uitdagingen van de herstructurering van economieën om de koolstofuitstoot in overeenstemming te houden met de stabilisering van het klimaat, komt deze discussie in een nieuw perpectief te staan. Doeltreffendheid moet voorrang krijgen op efficiëntie bij het terugdringen van de uitstoot. Dit betekent dat de fetisj van het prijsmechanisme moet worden losgelaten om te plannen hoe de resterende vervuilende hulpbronnen zullen worden gebruikt ten dienste van een schone infrastructuur. Een dergelijke planning moet een internationaal bereik hebben, aangezien de grootste kansen voor het koolstofarm maken van de energievoorziening in het Mondiale Zuiden liggen. Omdat transformatie aan de aanbodzijde niet zal volstaan, zullen ook veranderingen aan de vraagzijde cruciaal zijn om binnen de planetaire grenzen te blijven. De energiebehoeften om de wereldbevolking een fatsoenlijke levensstandaard te bieden, kunnen drastisch worden verminderd, maar naast het gebruik van de meest efficiënte beschikbare technologieën vergt dit een radicale transformatie van de consumptiepatronen, met inbegrip van politieke procedures om prioriteiten te stellen tussen concurrerende consumptie-eisen.

Het internationale socialisme, dat zich van oudsher bezighoudt met planning en gesocialiseerde consumptie, is een voor de hand liggende kandidaat om een dergelijke historische taak op zich te nemen. Hoewel de slechte staat van de socialistische politiek niet veel optimisme oproept, zou de catastrofale conjunctuur waarin we ons bevinden – samen met de volatiliteit van de prijzen en de voortdurende spasmen van kapitalistische crises – de fluïditeit van de situatie kunnen vergroten. In dergelijke omstandigheden moet links flexibel genoeg zijn om elke politieke kans aan te grijpen die de zaak van een democratische ecologische transitie vooruit kan helpen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Voor een neo-leninisme

Oorspronkelijke tekst (Frans): Acta Zone, 11 juni 2021

fotografie: Stéphane Burlot

door Frédéric Lordon

Frédéric Lordon is een Frans econoom en filosoof, en onderzoeksdirecteur aan het Centre européen de sociologie et de science politique in Parijs.

De volgende tekst is een transcriptie van de toespraak van Frédéric Lordon tijdens het openbaar debat met Andreas Malm over het thema ʻecologie en communisme,ʼ dat op zondag 6 juni voor de boekhandel Le Monte-en-l’air werd georganiseerd door ACTA, Extinction Rebellion en uitgeverij La Fabrique. Tegenover de dubbele verleiding van de ʻbeweging om de bewegingʼ en een marginalistische terugtrekking pleit Lordon voor een ʻneo-leninisme,ʼ dat als enige in staat zou zijn een strategisch en macroscopisch alternatief te schetsen voor de kapitalistische overheersing.

Aangezien ik veel minder verstand heb van ecologie dan Andreas, zal ik het over iets anders hebben, in de overtuiging dat onze twee toespraken elkaar eerder zullen aanvullen dan tegenspreken. In ieder geval is het onwaarschijnlijk dat ze elkaar zullen tegenspreken. Ik denk dat we het in feite over ten minste drie dingen – maar wel belangrijke dingen! – eens zijn. Het eerste is waar te beginnen; het tweede is waarheen te gaan; en het derde (voor zover wij daarop een antwoord kunnen geven) is hoe daar te komen.

Waar kunnen we anders beginnen dan constateren dat er een planetaire nood is, die het kapitalisme zonder meer in het beklaagdenbankje zet? De enige consequente politieke doelstelling is dat we eraan moeten ontsnappen, dat we het omver moeten werpen. Hier kunnen ʻwijʼ makkelijk overeenstemming over bereiken – ʻwijʼ van radicaal links, of van emancipatoir links, kortom: van antikapitalistisch links. Maar dan rijzen de moeilijkheden: waar gaan we heen, en hoe komen we daar? Dat is waar de verschillen beginnen. Laten ik meteen maar zeggen dat noch Andreas noch ik in een positie verkeren om op deze vragen een duidelijk en gedetailleerd antwoord te geven – en dat is waarschijnlijk maar goed ook. Het lijkt me dat we allebei in voldoende mate een idee hebben van het probleem om het eens te kunnen worden over de essentie, namelijk een bepaalde manier om ermee om te gaan, een manier die, zoals ik al zei, onenigheid veroorzaakt ter linkerzijde – een onenigheid die al oud is, maar voortdurend wordt bijgewerkt en van nieuwe inhoud wordt voorzien. Als we deze manier een naam moeten geven, zou ik het neo-leninisme willen noemen. Omdat ik het niet over ecologie kan hebben, zou ik willen proberen te verduidelijken wat wij vandaag de dag onder neo-leninisme kunnen verstaan.

Andreas heeft het in een van zijn boeken over ʻoorlogscommunisme.ʼ Men waagt te hopen dat geen enkele lezer zo dwaas zal zijn om deze uitdrukking letterlijk te nemen, met beelden van geweren met bajonetten en mutsen met een rode ster. Welke betekenis kunnen we voor onze tijd geven aan het idee van het oorlogscommunisme? Simpelweg de betekenis van de vitale noodzaak van een antikapitalistische lijn, oftewel een lijn die betekenis geeft aan de planetaire nood. Het neo-leninisme is dan de positie die is opgebouwd vanuit het idee van een oorlogscommunisme dat aldus opnieuw is gedefinieerd.

Maar hoe kunnen we de reflex overwinnen die kreten van afgrijzen teweegbrengt zodra het woord ʻleninismeʼ valt? Niet alleen bij France Inter, Arte of Télérama, maar ook ter linkerzijde. Naar aanleiding van de honderdste verjaardag van 1917 zijn er tal van boeken verschenen waarin ons wordt uitgelegd dat het leninisme verantwoordelijk was voor de Tsjeka, Kronstadt, de Moskou-processen en de Goelag. Dat dit is wat de USSR was, weet iedereen. Sinds het trotskisme van de jaren vijftig is lang en diep over al deze dingen nagedacht. Dus wat heeft het voor zin om deuren zo wijd open te duwen die al zo wijd open staan? Niemand wil dat dát nog eens gebeurt, niemand wil het nog eens proberen. Net als bij het ʻoorlogscommunismeʼ is het daarom noodzakelijk de minimale inspanning te leveren om jezelf los te maken van de gangbare beelden, en naar wegen te zoeken voor een historische actualisering voor onze tijd – er zijn nauwelijks andere wegen dan die van de definitie of conceptualisering, als we willen dat het leninisme vandaag de dag begrepen wordt als iets anders dan wat in 1917 op initiatief van Lenin en onder zijn naam in Rusland is gedaan.

Als je de verschijning Lenin loskoppelt van de historische omstandigheden, en het accent legt op zijn algemene betekenis, zou een mogelijke definitie van het neo-leninisme als volgt kunnen luiden: het leninisme bestaat uit 1) een doelstelling, die 2) macroscopisch is, en 3) een expliciet gebod is van strategische coördinatie in een adequate vorm. Ik hoef nauwelijks te benadrukken hoe groot de problemen zijn die in deze ʻadequate vormʼ-clausule besloten liggen. Waar het hier om gaat is dat het ene gebod tot het andere leidt. De noodzaak van strategische coördinatie vereist dat wordt nagedacht over de juiste vorm ervan. Ik haast me te zeggen dat ik hier nog geen flauw idee van heb. Mijn tijd is beperkt, wat perfect is: daardoor hoef ik er nu niet over te praten…

Maar we kunnen wel iets met de eerste twee punten. In de eerste plaats heeft het leninisme een oogmerk. Het is moeilijk te geloven dat we ons verplicht voelen zoiets triviaals te zeggen. En toch moeten we wel. Dat komt doordat wij ter linkerzijde in een nogal vreemd politiek tijdperk leven, waarin de bevestiging dat jou iets voor ogen staat helemaal niet meer zo vanzelfsprekend is, en zelfs wordt gezien als een beweging die alle ruimte voor wantrouwen biedt. Er is een hele intellectuele en politieke stroming in Frankrijk, die zeer dynamisch en zeer interessant is, maar die vijandig staat tegenover ieder oogmerk, en die politiek louter opvat als iets onbeweeglijks. Dat wil zeggen dat het een beweging is omwille van de beweging, en bovenal dat niemand het in zijn hoofd moet halen om er richting aan te willen geven.

Waar komt dit wantrouwen vandaan? Het vloeit voort uit het feit dat de ene richting de andere kan verbergen. Uit de opvatting van ʻrichting,ʼ hier begrepen als een indicatie van wenselijk beleid, kan altijd de opvatting van ʻrichtingʼ als een bevel voortkomen, waarbij de teugels strak in handen worden genomen – een hachelijk moment inderdaad. De aanduiding ʻleninismeʼ is blijven steken in deze tweede betekenis van ʻrichting,ʼ de richting die leiders aangeven, maar we zijn vergeten dat in het leninisme ook de eerste betekenis bestond, de richting van het gewenste, de richting die zegt wat we willen doen en waar we heen willen.

Op dit punt wil ik twee auteurs citeren. De eerste is Daniel Bensaïd, die sprak over de noodzaak van ʻeen strategische hypothese die is gebaseerd op de ervaringen uit het verleden en die dient als schietlood zonder hetwelk de actie doelloos verstrooid raakt.ʼ De tweede auteur is een zekere Andreas Malm: ʻDe oude trotskistische formule dat “de crisis van de mensheid de crisis van het revolutionaire leiderschap is” moet worden geactualiseerd. De crisis is de afwezigheid, de totale, gapende afwezigheid, van leiderschap.ʼ

Ik kan het net zo goed meteen zeggen: ik ben het hartgrondig eens met deze twee uitspraken. Ik denk dat er geen strijd tegen het kapitalisme mogelijk is zonder een krachtig politiek voorstel, dat wil zeggen: een algemeen en goed gearticuleerde propositie, die in staat is de kapitalistische propositie te weerleggen. En ik denk dat verontschuldigingen voor onbeweeglijkheid een excuus zijn voor politieke onmacht. Hier ligt dus de eerste breuklijn ter linkerzijde. Deze loopt tussen enerzijds de neo-leninistische positie die een richting eist, dat wil zeggen van een propositie, omdat alleen dit constitutief voor een anti-kapitalistische politiek kan zijn, en anderzijds een idee van onbeweeglijkheid waarvan ik vrees dat die gedoemd is te eindigen in anti-politiek.

Als wij iets anders willen dan deze breuk met een droevige blik bekijken, denk ik dat wij het gevoel voor een intellectueel gebaar, dat verloren is gegaan, moeten herwinnen – het dialectische gebaar. Hier bedoel ik niet de dialectiek in Hegeliaans-marxistische gedaante, als een grandioos proces van zelfoverstijging en synthese. Ik denk aan dialectiek als een objectieve antagonistische spanning tussen tegengestelden, een spanning die onoplosbaar is in een synthese, en die dus de noodzaak oproept haar in een bepaalde vorm onder te brengen. Een ander voorbeeld: zonder een strategische lijn, en zonder een minimale organisatie om die te dienen, zal er geen revolutionair proces zijn. Er zullen alleen opstandige uitbarstingen zijn, en deze zullen worden neergeslagen. Maar richting als strategische lijn, gecoördineerd in een minimale organisatievorm, kan altijd aanleiding geven tot richting geven in de vorm van een commando, dat wil zeggen: als afscheiding en uiteindelijk als inbeslagneming. Dat is waar. En als ik zeg ʻdatʼ bedoel ik beide. Beide zijn waar. Dus je hebt met beide te maken. Je moet ze allebei houden, en ze samenhouden in een vorm die altijd onvolmaakt is en altijd herzien moet worden.

Dit is de niet-Hegeliaans-marxistische versie van de dialectiek, een versie die ontdaan is van iedere belofte van een verzoenende synthese, en die alleen de onvolmaakte mogelijkheid overlaat van de accommodatie van tegengestelden, van het reguleren van hun gelijktijdige aanwezigheid, in institutionele constructies. Uit het feit dat de te reguleren antinomieën onherleidbaar zijn tot een of andere ʻoverwinning,ʼ volgt dat de instellingen die hen accommoderen van een wezenlijke onvolmaaktheid zijn, en dat ze daarom een onbepaald proces van herziening vereisen, dat wil zeggen: hun permanente ondervraging en herbewerking. Ik wijs hier slechts terloops op, maar dit is niet anders dan Castoriadisʼ opvatting van democratie. Democratie is niet de combinatie van ʻelectorale slaʼ en ʻvrije persʼ die doorgaans aan ons wordt verkocht. Democratie is het vermogen van een politiek lichaam om zijn eigen instellingen te vormen en deze onder controle te houden om ze permanent te kunnen herwerken. Vandaar dat we, zodra we van doen hebben met een ʻdemocratischeʼ kwibus die ons wil uitleggen dat ʻwe de instellingen moeten verdedigen,ʼ weten dat we te maken hebben met een oplichter. De ʻverdediging van de instellingenʼ is geen democratisch idee, het is een idee voor de politie, voor mensen zoals Didier Lallement, prefect van de Parijse politie, of Macron; het is het idee waarmee de hoofden van de oproerpolitie werden volgepropt toen ze erop uit werden gestuurd om de Gilets Jaunes te verpletteren: ʻJullie zijn het laatste bastion van de instellingen,ʼ ʻjullie moeten de instellingen verdedigen,ʼ – formules bij uitstek van de antidemocratie.

In de eerste plaats dus: herstel van de rechten van het oogmerk als constitutief voor de politiek. Maar het neo-leninisme gaat veel verder dan deze minimale eis. Als het een oogmerk of doel affirmeert, affirmeert het ook het macroscopische karakter ervan. Dit betekent dat het communisme alleen kan worden geconcipieerd op de schaal van een sociale formatie, dat wil zeggen: van een grote groep mensen. Het neo-leninisme is zeker niet ongeïnteresseerd in plaatselijke ervaringen, maar het verwerpt de exclusiviteit ervan als ordenend beginsel. Het is waarschijnlijk dat het voorvoegsel ʻneoʼ hier het nuttigst is. Het is moeilijk om niet toe te geven dat het oude leninisme geen moer gaf om lokale autonomie – als het die al niet probeerde te verpletteren. Een van de pijnlijke lessen van het historische leninisme is dat de vernietiging van ieder autonoom plaatselijk leven een van de rampzalige gevolgen was van de totalitaire centralisatie van de staat – een soort model van wat we niet meer moeten doen. Een neo-leninisme zal daarom de plicht hebben zich te interesseren voor plaatselijke ervaringen, niet uit beleefd respect voor curiosa, maar als bron van zijn eigen vitaliteit. Dan zal het zijn rationele plicht erkennen om deze zo veel mogelijk te laten bloeien. Toch is het van mening dat een sociale formatie iets anders is dan een archipel van communes. Waarom is dat? Omdat alleen een groep van voldoende omvang en integratie in staat is een minimaal noodzakelijke mate van arbeidsdeling in stand te houden.

Natuurlijk zal die mate aanzienlijk lager zijn dan de kapitalistische arbeidsdeling – de planetaire noodtoestand dwingt daartoe –, maar niettemin veel hoger dan wat een communalistische arbeidsdeling zou kunnen zijn. Het kapitalisme verlaten betekent niet dat de categorie van de productiewijze moet worden verworpen. Ook het communisme zal een productiewijze moeten zijn, eenvoudigweg omdat mensen altijd collectief de middelen van hun materiële bestaan zullen moeten voortbrengen, en de middelen van deze productie zullen moeten produceren. En dit is waar een productiewijze om draait. Gemeenten en lokale experimenten, passen perfect in deze productiewijze en de bijbehorende arbeidsdeling. Maar ze kunnen die niet uitputten.

En hier ligt de tweede breuklijn binnen links: na die tussen de affirmatie van een oogmerk en de anti-politiek van de onbeweeglijkheid, of, om het anders te zeggen: tussen het poneren van de noodzaak van een richting en de totale verwerping van iedere richting. Deze tweede breuklijn scheidt de alternatieve, mondiale en macroscopische propositie van de zelfgenoegzaamheid van het lokalistische principe van autonomie. En net zoals onbeweeglijkheid omslaat in onmacht, slaat de exclusiviteit van het locale om in ʻescapisme.ʼ Escapisme is een zeer sterke verleiding voor links vandaag de dag: we deserteren, we laten het kapitalisme achter ons – we trekken ons terug in onszelf. Maar afgezien van alle tautologie: als we het kapitalisme achter ons laten, blijft het kapitalisme juist bestaan, zij het achter ons …

Ik ben tot de overtuiging gekomen dat het escapisme alleen succesvol is geweest als een noodoplossing, als een soort van berusting in het aangezicht van de enorme omvang van het obstakel. Dat wil zeggen: de enige oplossing die overblijft wanneer het idee van de omverwerping van het kapitalisme in de hoofden van de mensen is ingeburgerd als een radicale onmogelijkheid – iedereen kent deze uitdrukking van Frederic Jameson – en wanneer het project in feite wordt opgegeven. Maar wij weten dat de planetaire noodtoestand van dien aard is dat het vermijden ervan door desertie niet langer een optie is. En wij weten ook dat de charme van het leven in hutten, of in bomen – want over al deze dingen horen wij veel poëzie –, deze charme niet tot een productiewijze maakt. Om het prozaïscher te zeggen: als je uit een boom valt en een been breekt, kom je er niet vanaf met een moscompres of een wortelaftreksel. Je eindigt in het plaatselijke ziekenhuis, in een MRI-scanner die waarschijnlijk van het merk General Electric zal zijn.

De vraag is of we het MRI-scannen aan General Electric willen overlaten of niet. Het escapisme laat geen keus. Het communisme van zijn kant zegt nee. En dat is de macroscopische doelstelling van een productiewijze. Maar dan wél van een productiewijze die de kwestie van de productiekrachten in een geheel nieuw historisch regime brengt. Het neo-leninisme is zeker niet ongeïnteresseerd in de kwestie van de productiekrachten. Het weet dat deze op een bepaald niveau gehandhaafd zullen moeten worden, en dat er niet alleen bomenvrienden nodig zijn, maar ook ingenieurs, technici en wetenschappers. Maar het weet ook wat de materiële productie tot dusver met de planeet heeft gedaan, en tot welke extremen zij is doorgevoerd. Het neo-leninisme kan daarom zonder meer worden opgevat als een communisme van de productiekrachten, dat radicaal vijandig staat tegenover het productivisme. Het productivisme is productie die een regime van onbeweeglijkheid is binnengetreden – productie omwille van de productie – en een regime van absolutisme – materiële productie die de totaliteit van de menselijke activiteit opslokt. Daarom verliest het neo-leninisme, als productiewijze, geenszins de nieuwe beperkingen en de nieuwe doeleinden uit het oog waaromheen het is georganiseerd: de beperkingen die voortvloeien uit de planetaire noodtoestand en de doeleinden van de ontwikkeling van de niet-materiële krachten van het menselijk leven.

Met dank aan René ten Bos

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Evergrande en het einde van China’s ‘groei, groei, groei’-model

Oorspronkelijke tekst (Engels): Financial Times, 22 september 2021

fotografie: Twitter

door James Kynge

James Kynge is de directeur van China Confidential en Renminbi Compass, eigen onderzoeksdiensten van de Financial Times.

De spectaculaire aftakeling van het vastgoedconcern Evergrande, in 2020 nog 41 miljard dollar waard, legt de grote zwakheden van de Chinese groeistrategie bloot

Een dramatische video die in augustus in de zuidwestelijke stad Kunming is gemaakt, laat zien hoe groot de vastgoedzeepbel in China is. Toeschouwers gillen van ontzag als vijftien flatgebouwen in nog geen minuut worden gesloopt door 85.000 gecontroleerde explosies. De onafgewerkte gebouwen, die een complex vormden met de naam Sunshine City II, stonden sinds 2013 leeg nadat een ontwikkelaar zonder geld kwam te zitten en een andere defecten in de constructie ontdekte. ʻDit stedelijke litteken dat bijna tien jaar oud is, heeft eindelijk een belangrijke stap ondergaan in de richting van herstel,ʼ aldus een artikel in de officiële Kunming Daily na de sloop. Dergelijke ʻstedelijke littekens ʼ komen overal in China voor, waar Evergrande – ʼs werelds zwaarst in de schulden stekende vastgoedconcern – lijdt onder een liquiditeitscrisis die wel eens fataal zou kunnen blijken te zijn. De crisis bij het bedrijf, dat twee jaar geleden nog ʼs werelds meest waardevolle vastgoedaandeel was, laat zien hoe snel het fortuin van bedrijven kan afbrokkelen en hoezeer het Chinese groeimodel tekortschiet. Evergrande is, ondanks het grote drama van zijn verval, slechts het symptoom van een veel groter probleem. Chinaʼs enorme vastgoedsector, die 29 procent van het bruto binnenlands product van het land voor zijn rekening neemt, kent zó veel overschot dat hij zijn rol als belangrijke motor van de Chinese economische groei dreigt te moeten opgeven en in plaats daarvan een rem op die groei lijkt te worden.

Er staat in China genoeg vastgoed leeg om ruim 90 miljoen mensen te kunnen huisvesten, zegt Logan Wright, een in Hongkong gevestigde directeur bij adviesbureau Rhodium Group. Om dat in perspectief te plaatsen: er zijn vijf G7-landen – Frankrijk, Duitsland, Italië, het Verenigd Koninkrijk en Canada – die elk hun volledige bevolking in die lege Chinese appartementen zouden kunnen onderbrengen, met nog ruimte over. De gemiddelde grootte van een huishouden in China is iets meer dan drie personen. ʻWij schatten de bestaande maar onverkochte woningvoorraad op ongeveer 3 miljard vierkante meter, wat genoeg is om, conservatief geschat, 30 miljoen gezinnen te huisvesten,ʼ aldus Wright, die zijn berekeningen toelicht. Het overaanbod is al enkele jaren een probleem. Wat veranderd is, is dat China vorig jaar besloot dat het probleem zó chronisch was geworden dat het resoluut moest worden aangepakt. President Xi Jinping had ook geen geduld meer met de excessen in de vastgoedsector, zeggen waarnemers, en Beijing formuleerde ʻdrie rode lijnenʼ om de schuldenniveaus in de sector terug te dringen. Evergrande blijkt het eerste bekende slachtoffer te zijn.

Nu het bedrijf wankelt, rijst er een fundamentele vraag voor ʼs werelds op een na grootste economie: is Chinaʼs op onroerend goed gebaseerde groeimodel – de krachtigste locomotief van de wereldeconomie – op hol geslagen? Ja, zegt Leland Miller, chief executive van China Beige Book, een adviesbureau dat de economie analyseert aan de hand van bedrijfseigen gegevens. ʻHet leiderschap in Beijing maakt zich meer zorgen over de Chinese groei dan wie dan ook in het westen. Er wordt erkend dat het oude “bouw, bouw, bouw”-playbook niet meer werkt en dat het eigenlijk gevaarlijk aan het worden is. Het leiderschap lijkt nu te denken dat het niet langer kan wachten om het groeimodel te veranderen,ʼ zegt Miller. Ting Lu, hoofdeconoom China bij investeringsbank Nomura, zegt dat hij niet verwacht dat de problemen van Evergrande een economische ineenstorting zullen veroorzaken. Maar hij denkt dat de pogingen van Beijing om van het ene groeimodel op het andere over te stappen de jaarlijkse groei in de komende jaren aanzienlijk kunnen drukken.

ʻHet is onwaarschijnlijk dat er een plotselinge stop komt,ʼ zegt Lu. ʻMaar ik denk dat Chinaʼs potentiële [jaarlijkse] groeipercentage tussen 2025 en 2030 zal dalen naar 4 procent of zelfs lager.ʼ Wright zegt dat de vastgoedsector een bedreiging aan het worden is voor de financiële, economische en sociale stabiliteit – het heeft al tot protesten geleid in verschillende steden. ʻHet is heel moeilijk om op overtuigende wijze vol te houden dat Chinaʼs potentiële groei in het volgende decennium boven de 4 procent zal uitkomen,ʼ voegt Wright eraan toe. Miller onderschrijft dat sentiment. ʻWe staan voor een achtbaanrit in het beleid en in de economische groei,ʼ zegt hij. ʻHet zou me niet verbazen als het bbp over tien jaar nog maar met 1 of 2 procent zou groeien.ʼ Als dergelijke voorspellingen juist blijken, is het Chinese ʻgroeiwonderʼ in gevaar. In de tien jaar van 2000 tot 2009 groeide het Chinese bbp gemiddeld met 10,4 procent per jaar. In het decennium van 2010 tot 2019 is deze geweldige prestatie afgezwakt, maar nam het jaarlijkse bbp nog steeds met gemiddeld 7,68 procent toe.

Iedere daling van de groei zou wereldwijd snel voelbaar zijn. China is al lange tijd de grootste motor van de mondiale welvaart, met een bijdrage van 28 procent aan de mondiale groei van het bbp tussen 2013 en 2018 – meer dan twee keer het aandeel van de VS – volgens een studie van het IMF. ʻZelfs als China een scherpe en plotselinge crisis weet te vermijden,ʼ zegt Jonas Goltermann van onderzoeksbureau Capital Economics, ʻzijn de vooruitzichten op de middellange termijn veel slechter dan algemeen wordt erkend.ʼ

Het overschrijden van Xiʼs ʻrode lijnenʼ

De risicoʼs die voortvloeien uit de Evergrande-saga omvatten zowel financiële besmetting – met name van de offshore-obligatiemarkt in Amerikaanse dollars – als het vooruitzicht dat een kwijnende vastgoedsector een aantal vitale organen van de Chinese economie zal aantasten, waardoor de groei van het bbp mogelijk nog jaren onder druk zal komen te staan. De gevolgen van de crisis zijn nu al aanzienlijk. Door de kelderende aandelenkoers van Evergrande is de marktwaarde van het bedrijf gedaald van 41 miljard dollar vorig jaar naar ongeveer 3,7 miljard dollar nu. En de bezorgdheid over de mogelijke ineenstorting van het bedrijf leidde onlangs tot een wereldwijde uitverkoop van aandelen. Zoʼn 80.000 mensen in China, die voor zoʼn 40 miljard renminbi aan vermogensbeheerproducten van het bedrijf bezitten, wachten gespannen af of Evergrande aan zijn betalingsverplichtingen zal kunnen voldoen.


Maar de mogelijk langduriger gevolgen vloeien voort uit de bredere daling van Chinaʼs vastgoedmarkt. Het is duidelijk dat de vastgoedsector zich in een neerwaartse spiraal bevindt: volgens officiële gegevens is de verkoop in 52 grote steden in de eerste helft van september met 16 procent gedaald ten opzichte van een jaar eerder, na een daling met 20 procent in augustus. Een nog belangrijkere trend voor de politieke economie van China is de ineenstorting van de grondverkoop door lokale overheden, die in de eerste twaalf dagen van september met 90 procent is gedaald ten opzichte van een jaar eerder, zo blijkt uit officiële cijfers. De verkoop van grond genereert ongeveer een derde van de inkomsten van de lokale overheden, die op hun beurt worden gebruikt om de hoofdsom en de rente te betalen van zoʼn 8,4 miljard dollar aan schulden die zijn uitgegeven door enkele duizenden financieringsinstellingen van lokale overheden. Deze LGFVʼs fungeren als een vaak onzichtbare dynamo voor de bredere economie; zij halen kapitaal op via de uitgifte van obligaties, dat vervolgens wordt gebruikt om grote infrastructuurprojecten te financieren.

ʻWij verwachten dat de inkomsten uit de verkoop van grond nog veel slechter zullen worden,ʼ zegt Lu van Nomura. Dit afnemend vermogen van lokale overheden om kapitaal aan te trekken voor uitgaven aan infrastructuur kan de Chinese groei aanzienlijk drukken. De investeringen in vaste activa, die vorig jaar in totaal 51,9 miljard renminbi (8 miljard dollar) bedroegen, zijn goed voor 43 procent van het bbp. De nood is al duidelijk op een offshore-obligatiemarkt in Amerikaanse dollars, waar voor zoʼn 221 miljard dollar aan schuldpapier wordt verhandeld, dat is bijeengebracht door enkele honderden Chinese projectontwikkelaars. Flinke delen van de markt gaan momenteel uit van wanbetaling. ʻ16 procent van de markt wordt verhandeld tegen rendementen van ruim 30 procent en 11 procent van de markt wordt verhandeld tegen rendementen van ruim 50 procent,ʼ aldus Wright. Rendementen van ruim 50 procent duiden erop dat wanbetalingen waarschijnlijk zijn, voegt hij eraan toe. Uiteindelijk hangt het lot van dergelijke obligaties, evenals bijna alle andere gevolgen van de malaise in het Chinese vastgoed, af van Beijing. De Chinese staat is eigenaar van bijna alle grote financiële instellingen van het land, wat betekent dat als Beijing hen opdraagt Evergrande of andere noodlijdende vastgoedbedrijven te redden, ze dat bevel zullen opvolgen. Op sommige overzeese markten heeft het idee dat de nood van Evergrande een voorbode kan zijn van een ʻLehman-momentʼ – een verwijzing naar de chaos die volgde op de ineenstorting van de Amerikaanse investeringsbank Lehman Brothers dertien jaar geleden – aan kracht gewonnen. Maar gezien de invloed en de gevestigde belangen van Beijing, past de analogie niet makkelijk.

ʻTenzij de Chinese toezichthouders de situatie ernstig mismanagen, is een systeemcrisis in de financiële sector van het land niet aan de orde,ʼ zegt He Wei, een analist bij onderzoeksbureau Gavekal. De belangrijkste oorzaak van Evergrandeʼs crisis en de neergang in de vastgoedsector in het algemeen is Beijing zelf. De ʻdrie rode lijnenʼ die de regering Xi vorig jaar aankondigde, bepalen dat ontwikkelaars hun schulden binnen redelijke grenzen moeten houden. In specifiekere zin moet de verhouding tussen schulden en activa minder dan 70 procent bedragen, de verhouding tussen nettoschuld en eigen vermogen minder dan 100 procent, en de verhouding tussen liquide middelen en kortetermijnschuld ten minste 100 procent. In juni voldeed Evergrande niet aan alle drie de criteria en mocht daarom geen extra schulden meer aangaan – wat tot de huidige crisis heeft geleid.

ʻGemeenschappelijke welvaartʼ

Als het waar is dat Beijing de hoofdoorzaak is van de benarde positie van Evergrande, dan ligt het voor de hand dat Beijing een einde kan maken aan de huidige ineenstorting van de markt door zijn voet van de keel van de vastgoedsector af te halen. Maar diepgaande structurele krachten in de economie hebben Chinaʼs beleidsmakers ervan overtuigd dat vastgoed niet langer een betrouwbare dynamo voor duurzame economische groei kan zijn, zeggen analisten. Dit is niet alleen vanwege Xiʼs beroemde uitspraak dat ʻhuizen zijn om in te wonen, niet om mee te speculeren,ʼ gedaan in een toespraak in 2017.

In de eerste plaats is het beeld van de vraag totaal veranderd sinds Beijing eind jaren negentig vrije markthervormingen doorvoerde die de grootste vastgoedhausse in de geschiedenis van de mensheid veroorzaakten. De Chinese bevolking groeit nauwelijks. In 2020 werden slechts 12 miljoen babyʼs geboren, tegen 14,65 miljoen een jaar eerder, in een land van 1,4 miljard inwoners. De trend zou het komende decennium wel eens meer uitgesproken kunnen worden, aangezien het aantal vrouwen in de piekleeftijd voor het krijgen van kinderen – tussen 22 en 35 jaar – met ruim 30 procent zal dalen. Sommige deskundigen voorspellen dat het geboortecijfer tot onder de 10 miljoen per jaar zou kunnen dalen, waardoor de Chinese bevolking in absolute termen zou krimpen en de vraag naar onroerend goed verder zou afnemen.

Volgens Houze Song, analist bij de in Chicago gevestigde denktank MacroPolo, wordt de situatie nog verergerd door het verschijnsel van de ʻkrimpende steden.ʼ Na ongeveer drie decennia waarin honderden miljoenen mensen hun plattelandsdorpen verlieten om zich in steden te vestigen, is de grootste migratie in de geschiedenis van de mensheid nu vrijwel tot stilstand gekomen. Ongeveer driekwart van de steden in China heeft te kampen met bevolkingsafname, zegt Song. ʻOver tien jaar, zelfs als we ervan uitgaan dat sommige mensen naar groeisteden zullen vertrekken, zullen nog steeds ruim 600 miljoen Chinese burgers in krimpende steden wonen.ʼ China staat voor een riskante transitie. Het begint zijn groeimodel te verschuiven van een te grote afhankelijkheid van onroerend goed naar groeimotoren die de voorkeur genieten, zoals hightechproductie en de inzet van groene technologieën, zeggen analisten.

Ook in dit opzicht is de impuls afkomstig van Xi. In een lijst van acht prioriteiten die na een economische planningsvergadering eind 2020 werd gepubliceerd, werd niet alleen de ʻwanordelijke expansie van kapitaalʼ aan de kaak gesteld – een code voor speculatie in onroerend goed – maar werd ook gepleit voor technologische innovatie en het streven naar koolstofneutraliteit. Analisten zeggen dat het enkele jaren kan duren voor zoʼn transitie een feit is. Maar uit de recente vermaningen van Xi over de noodzaak voor China om ʻgemeenschappelijke welvaartʼ na te streven, blijkt duidelijk dat het hem menens is. De neiging van onroerend goed om in gewilde gebieden een sprong in waarde te maken, terwijl die waarde in wijken met lage huren ondermaats blijft, heeft als gevolg dat de ongelijkheid tussen rijk en arm toeneemt. De slogan ʻgemeenschappelijke welvaartʼ is een narratieve verandering die de weg vrijmaakt voor een verschuiving in het groeimodel,ʼ zegt Miller. ʻHet maakt duidelijk dat een daling van de groei van het bbp geen mislukking hoeft te betekenen voor de Chinese communistische partij.ʼ Toch lijden gewone mensen in heel China onder de pijn van de ineenstorting van de Chinese vastgoedmarkt.

Xu, 36, die vroeg om niet volledig te worden geïdentificeerd, woont in de centrale stad Xinyang en werkt als secretaresse in een plaatselijke fabriek. Haar moeder kocht een hoogrentend beleggingsproduct van Evergrande om de medische rekeningen voor haar longkanker in een vergevorderd stadium te kunnen betalen. Maar het beloofde 7,5 procent rendement op de belegging, die 200.000 renminbi kostte, is er nooit gekomen. In plaats daarvan weigert Evergrande uit te betalen, omdat het bedrijf geld spaart om mogelijk enorme wanbetalingen af te wenden. ʻMijn ouders hebben alles wat ze hebben in Evergrande gestoken,ʼ zegt Xu. ʻDit is niet langer louter een economische kwestie,ʼ voegt ze eraan toe, ʻdit is absoluut een enorm sociaal probleem. Er zullen ernstige gevolgen zijn als deze kwestie niet goed wordt opgelost. Als de gezondheidssituatie van mijn moeder hierdoor verslechtert,ʼ zo zegt ze, ʻzal ik elke dag tegen Evergrande vechten.ʼ

Vertaling: Menno Grootveld