Categorieën
Economie Filosofie Politiek

De sublieme idiotie van het superioriteitsdenken

Oorspronkelijke tekst (Engels): Il Disertore

fotografie: Jacobo Medrano

door Franco Berardi


In 1996 lanceerde John Perry Barlow de Onafhankelijkheidsverklaring van Cyberspace:
‘Regeringen van de industriële wereld, jullie vermoeide reuzen van vlees en staal: ik spreek tot jullie vanuit Cyberspace, de nieuwe thuisbasis van de menselijke geest. Namens de toekomst vraag ik jullie, vertegenwoordigers van het verleden, om ons met rust te laten. Jullie zijn hier niet welkom. Jullie hebben geen gezag over de plek waar wij samenkomen.

https://www.eff.org/cyberspace-independence

Het was een gedurfde, libertaire uitdaging aan de macht van natiestaten, in naam van een superieure universaliteit van kennis. En het was ook een vertoon van neoliberale arrogantie.

Het mondialisme van markt en kennis was veelbelovend, maar koesterde ook de giftige vruchten die vandaag de dag rijp zijn.

In dat tijdperk van cyberoptimisme riepen we tegen de politieke machthebbers van de wereld: ‘Wij hebben de ruimte van het wereldwijde netwerk gecreëerd, en we willen jullie niet op ons terrein.’

In dat decennium presenteerde de digitale elite – voortgekomen uit de wetenschap van de twintigste eeuw en deels geïnspireerd door de libertaire energie van de wereldwijde beweging van 1968 – zichzelf als een jonge, vernieuwende kracht. Ze zag zichzelf als dynamisch en creatief, in staat om innovaties te ontwikkelen die het sociale leven en de communicatie zouden verbeteren.

Decadentie van een frigide utopie

Dertig jaar later zijn we helaas genoodzaakt het Techno-Republikeinse manifest van tweeëntwintig punten te lezen, geschreven door de deprimerende geesten van Alex Karp en Nicholas Zamiska.

Wit nationalisme, agressief superioriteitsdenken, de cultus van de vernietigende kracht van technologie. Beloften van oorlog.

De claim van witte raciale superioriteit is pathetisch, maar ook vreselijk gevaarlijk, omdat deze het recht opeist om de Untermenschen uit te roeien, terwijl tegelijkertijd de noodzaak wordt erkend dat kennis ondergeschikt moet zijn aan de Natie en dat de beslissing over kernwapens moet worden overgedragen aan ons enige kind dat niet lijdt aan depressieve psychose: de Intelligente Automaat.

Achter deze vorm van superioriteitsdenken kunnen we een glimp opvangen van de aftakeling van het witte lichaam, bevroren in het ijs van de wiskunde.

We zien hier een teken van de wanhoop in het Westen, dat moeite heeft om de chaos en de ongecontroleerde verspreiding van massavernietigingswapens onder controle te houden.

Het wanhopige optreden van de Amerikaanse president laat zien hoezeer een denken gebaseerd op superioriteit zichzelf heeft gevangen in een tragische en uitzichtloze situatie.

De aarde, onherstelbaar beschadigd door klimaatverandering, lijkt nu op de rand te staan van een allesomvattend en verwoestend conflict.

De witte hersenrot is niet langer in staat de Terminal-machine te bedienen, noch controle te garanderen over de atoomoverkill.

Het enige wat hij kan doen is de hendels van de overkill overdragen aan zijn superintelligente automatische erfgenaam, in de hoop dat deze ons de overwinning zal garanderen. Maar helaas beschikken zelfs de Untermenschen over dezelfde soort wapens, en beschikken zij (vooral die kleine verraderlijke Chinezen) over de Intelligente Automaat. Zij hebben onlangs een leger van krijgerrobots getoond in wier aanwezigheid de heer Alex Karp er goed aan zou doen zich op een meer bescheiden manier te gedragen.

Maar ik vrees dat hij dat niet zal doen — met schadelijke gevolgen voor iedereen.

De afgelopen dertig jaar heeft de demografische ontwikkeling een harde klap uitgedeeld aan degenen die zichzelf als het superieure ras beschouwen.

In de tweede helft van de twintigste eeuw groeide de wereldbevolking ongekend snel, mede dankzij de grote vooruitgang in de medische wetenschap.

De generatie die in de dertig jaar na de oorlog opgroeide (mijn generatie) had toegang tot het beste voedsel dat er ooit was, leefde relatief beschaafd en comfortabel, was over het algemeen redelijk gelukkig – of in elk geval hoopvol – en geloofde dat vrede, en misschien zelfs socialisme, mogelijk waren.

Maar rond de eeuwwisseling keerde de demografische curve om, en de triomf van de medische wetenschap zorgde ervoor dat een enorm leger van ouderen het historische toneel kon binnenvallen: arrogant, humeurig, agressief en niet in staat om de implicaties van hun eigen uitputting te begrijpen, aangezien ze zijn opgegroeid in een culturele wereld waar ouderdom en dood onbespreekbaar en verboden waren.

Noch de reclame-ideologie van de heersende klasse, noch het door het marxisme geïnspireerde kritische denken, heeft geprobeerd deze ommekeer van het perspectief, dit verval van het collectieve lichaam, te verwerken. Niemand is in staat geweest om het verdriet van de collectieve geest te genezen of te voorkomen, niet alleen de geest van de ouderen, maar nog duidelijker die van de nieuwe generaties, die depressief zijn door de last van een steeds senielere toekomst. Omdat we niet hebben nagedacht over ouderdom en dood, staan we nu machteloos tegenover de ongebreidelde seniele dementie.

Het Nazi-manifest van de heer Alex Karp en zijn metgezel moet in de eerste plaats worden gelezen als een uiting van de woeste decadentie van een cultuur die niet in staat is om met haar eigen veroudering om te gaan.

Dit zielige manifest tracht de strijdlustige geest van het dominante ras nieuw leven in te blazen door deze te zuiveren van alle mededogen.

Punt tien waarschuwt: ‘De psychologisering van de moderne politiek leidt ons op een dwaalspoor. Degenen die naar de politieke arena kijken om hun ziel en zelfbeeld te voeden, die te zwaar leunen op hun innerlijke leven dat tot uiting komt in mensen die ze misschien nooit zullen ontmoeten, zullen teleurgesteld achterblijven.’

Als de moderne beschaving iets goeds heeft voortgebracht – naast de gewelddadige overheersing van het westerse kolonialisme – dan was het wel dat sprankje universalisme, dat in zowel de kantiaanse als de marxistische traditie probeerde zich een wereld voor te stellen waarin vrede mogelijk is.

De onverschrokken Karp (en zijn trouwe schildknaap Nicholas Zamiska) denken dat ze door een dreigende uitstraling de Untermenschen angst kunnen aanjagen.

Maar de Perzische Untermenschen lijken niet zo bang te zijn, terwijl de Chinese Untermenschen venijnig lachen terwijl ze de ineenstorting van de Amerikaanse geest gadeslaan.

Punt 5 van het manifest waarschuwt tegen elke beperking (ethisch of gewoon menselijk) op het gebruik van gewapend geweld (en van de moorddadige kunstmatige intelligentie): ‘Onze tegenstanders zullen zich niet laten tegenhouden door eindeloze, theatrale discussies over de voor- en nadelen van dergelijke technologie. Zij zullen gewoon doorgaan.’

Dit is waarschijnlijk het gevaarlijkste punt uit het manifest, omdat het een onmiskenbare realiteit beschrijft: in competitieve omstandigheden is het ergste gegarandeerd.

Herinner je je de glorieuze tijden van het jeugdige, ongebreidelde neoliberalisme nog, toen John Perry Barlow die gewaagde verklaring schreef?

Destijds werd ons verteld dat alles moest worden onderworpen aan de markt en het streven naar winst. Scholen, de gezondheidszorg en andere publieke diensten moesten volgens die logica functioneren, omdat concurrentie – zo was het idee – de kwaliteit zou verhogen en betere resultaten voor gebruikers zou opleveren.

Dat bleek onjuist, en inmiddels weten we dat de sociale omstandigheden sterk zijn verslechterd sinds winst het belangrijkste uitgangspunt werd.

Maar als economische concurrentie al tot grote sociale problemen heeft geleid, dan dreigt militaire concurrentie een nog veel grotere ramp te veroorzaken, mogelijk zelfs de ondergang van de menselijke beschaving.

Sommige politici stellen dat we de schadelijke gevolgen van kunstmatige intelligentie kunnen voorkomen, door ethische regels vast te leggen die ervoor zorgen dat zulke systemen ons geen schade toebrengen.

Echt waar?

Zo’n vastlegging van regels zou alleen echt mogelijk zijn in een wereld waarin vrede en onderling vertrouwen de norm zijn.

Maar in plaats daarvan zijn we het tijdperk van agressief nationalisme binnengetreden. Hoe kunnen we verwachten dat onze tegenstanders zich terughoudend en netjes zullen gedragen, als we zelf al hebben aangekondigd dat we dat niet zullen doen?

In elke situatie van concurrentie is er altijd iets wat we niet kunnen weten, namelijk welke strategie onze tegenstander of concurrent zal volgen.

Juist omdat we niet weten wat de ander zal doen, voelen we de druk om alles te doen wat technisch mogelijk is. We leggen onszelf geen beperkingen op, uit angst dat de tegenstander anders wél doorgaat met wat wij hebben nagelaten. In die logica lijkt het alsof we ons niet kunnen veroorloven om mogelijkheden onbenut te laten, zelfs als ze schadelijk zijn, of misschien juist omdat ze dat zijn.

Daarom dreigt geen enkele vorm van verwoesting ons bespaard te blijven die technisch mogelijk is met de kennis die we hebben.

Daarom ben ik ervan overtuigd dat de eenentwintigste eeuw wel eens de laatste eeuw zou kunnen zijn.

Er is nog een andere gedachte: we weten niet of datgene wat ons in gevaar brengt — zelfs extreem gevaar — misschien ook de basis vormt voor een hogere orde. Een orde die, in abstracte zin, bevrijd is van de onvolmaaktheid van het bewuste leven.

De Intelligente Automaat weet dit. Daarom is hij vastbesloten om de onvolmaaktheid die wij vertegenwoordigen uit te wissen.

Is dit de reden waarom we hem hebben gebouwd?

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Filosofie Politiek

Anti-Palantir manifest

Oorspronkelijke tekst (Engels): Nym Technologies

fotografie: Nym Technologies

door Harry Halpin

1. Programmeurs die aan het internet werken, hebben een verantwoordelijkheid tegenover de hele wereld, niet tegenover één enkel land. Het internet is vanaf het begin bedoeld als een open systeem om kennis te delen, zonder censuur. Het is dan ook niet het eigendom van één regering of één natie.

2. Het internet maakt massasurveillance mogelijk op een schaal die zelfs voor organisaties als de Gestapo en de Tsjeka ondenkbaar was. Veel programmeurs hebben hun talent ingezet voor het bouwen van volgsystemen, vaak vermomd als technologie voor online advertenties. Die systemen worden inmiddels gebruikt om mensen te monitoren en te controleren – en in sommige gevallen zelfs te doden. Bedrijven zoals Palantir Technologies zijn voorbeelden van organisaties die data-analyse combineren met staatsmacht, wat kan leiden tot een nieuw vorm van technofascisme.

3. Surveillance die wordt ingevoerd vanwege vermeende externe dreigingen voor de nationale veiligheid, kan uiteindelijk ook tegen de eigen bevolking worden gebruikt. Waar massasurveillance vroeger vooral het domein was van organisaties als de NSA, is een deel daarvan tegenwoordig verschoven naar private bedrijven zoals Palantir Technologies, die niet onder democratische controle staan. Wat vaak begint met angst voor buitenlandse dreigingen, richt zich daarna steeds meer naar binnen – op immigranten, critici en uiteindelijk iedereen die de bestaande orde ter discussie stelt of zich eraan probeert te onttrekken.

4. Iedereen is een doelwit. De ‘interne vijand’ breidt zich voortdurend verder uit totdat deze de gehele bevolking van een natie omvat, ongeacht status en overtuigingen, waarmee steeds paranoïdere en verdergaande totalitaire surveillance wordt gerechtvaardigd. De grens tussen politie- en militaire operaties vervaagt, waarbij wettelijke kaders worden vervangen door technologisch geweld dat met totale straffeloosheid opereert.

5. Surveillance kan alleen echt worden tegengegaan door technologie zelf: door software en hardware te ontwikkelen waardoor mensen worden beschermd. Algemene oproepen tot regulering of morele principes zijn onvoldoende. In plaats daarvan moeten rechten vooral via technologie worden afgedwongen. Code – niet wetten – kan ervoor zorgen dat ieders privacy wordt gehandhaafd, door toezicht technisch moeilijk of zelfs onmogelijk te maken, ook voor staten.

6. We worden geregeerd door een seniele gerontocratie. In tegenstelling tot eerdere generaties leiders die in de wereldoorlogen vochten, zijn veel van de huidige machthebbers vooral gericht op het behouden van hun positie, ten koste van jongere generaties en de toekomst van de planeet. Zij beschouwen technologieën voor surveillance en geautomatiseerde oorlogsvoering als middelen om archaïsche machtsstructuren in stand te houden.

7. Het Amerikaanse imperium valt uit elkaar. De Verenigde Staten konden lange tijd hun heerschappij afdwingen dankzij de rol van de dollar als mondiale reservemunt en een netwerk van militaire bases over de hele wereld. Tegenwoordig wordt die positie steeds vaker uitgedaagd door opkomende regionale machten. Tegelijkertijd valt het Amerikaanse imperium uiteen als gevolg van interne economische stagnatie, politieke corruptie en de inflatie van de dollar.

8. In een echte oorlog werken fantasieën over totale technologische dominantie altijd averechts. Wanneer een anonieme drone de vader van een kind doodt, zal dat kind op een dag wraak nemen, ongeacht de kosten. Dit is iets wat vergeten wordt door degenen die zijn opgegroeid in comfortabele buitenwijken. Als je verder kijkt dan het idee dat de één alleen kan winnen als de ander verliest, blijkt dat je de strijd tegen een volk alleen echt kunt ‘winnen’ door te laten zien dat jouw manier van leven aantrekkelijker is, met meer welvaart en een overtuigend perspectief voor de toekomst.

9. Vreemd genoeg zijn voorstanders van volledig geautomatiseerde oorlogsvoering voorstander van een algemene dienstplicht. Diep van binnen weten deze toetsenbordstrijders dat hun techno-fascistische fantasieën weinig voorstellen tegenover vastberaden tegenstanders die onconventionele vormen van oorlogvoering gebruiken. Ze weten ook dat geen van hun eigen kinderen in een oorlog voor hun land zal vechten, maar ze zouden het prima vinden als andermans kinderen in lijkzakken thuiskomen.

10. Het probleem is niet of er AI-wapens zullen worden gebouwd; we moeten degenen die ze bouwen ter verantwoording roepen. Welk land zulke geautomatiseerde moordmachines ook gebruikt, het mag nooit zo zijn dat burgerslachtoffers of de vernietiging van infrastructuur worden afgedaan door de schuld bij AI te leggen.

11. Een atoomoorlog ligt in het verschiet. Nu steeds meer landen verwikkeld raken in conflicten om schaarser wordende grondstoffen, komt ook het risico van het gebruik van tactische kernwapens weer nadrukkelijker in beeld – bijvoorbeeld in spanningsgebieden rond Teheran en Kyiv. Steeds meer bejaarde en autoritaire heersers hebben minder remmingen dan voorheen om kernwapens in te zetten, en zijn misschien zelfs bereid het voortbestaan van de mensheid op te offeren om hun eigen kleingeestige ego’s te strelen.

12. Ons doel is een vreedzame wereld waarin iedereen door het internet mondiger kan worden. Moderne oorlog komt er vaak op neer dat vooral jonge mensen de zwaarste prijs betalen. Waarom zou je je leven riskeren voor de belangen van corrupte machthebbers, als je via het internet ook zelf kansen kunt creëren en je eigen toekomst kunt opbouwen?

13. We moeten vechten voor de wereld die we willen, en de tools bouwen die toekomstige generaties nodig hebben. Pacifisme is in een tijd van wereldwijde spanningen en conflicten om grondstoffen geen haalbare optie. Echte harde macht ligt steeds meer in technologie. Programmeurs moeten technologie ontwikkelen die mensen helpt om vrij te leven en zich staande te houden in een samenleving met veel toezicht en controle. Decentralisatie is een belangrijke strategie, omdat die systemen minder kwetsbaar maakt voor de onvermijdelijke onderdrukking.

14. De staat zal ons niet helpen. De staat is een verouderde instelling uit de tijd vóór het internet, die steeds meer lijkt op een systeem dat draait op belastingen en schulden. Geen van de jongeren die vandaag de dag leven, zal waarschijnlijk profiteren van voorzieningen zoals sociale zekerheid en gezondheidszorg. Technologie kan macht verschuiven van centrale overheden naar individuen en naar gemeenschappen waar mensen zich vrijwillig bij aansluiten.

15. Gecentraliseerde en ondoorzichtige algoritmen vormen een gevaar voor de vrijheid van meningsuiting. Propaganda is de keerzijde van surveillance, aangezien voortdurende propaganda voorkomt dat iemand er zelfs maar aan denkt het systeem uit te dagen. In dit perspectief spelen dominante sociale mediaplatforms een belangrijke rol. Ze versterken de propaganda en onderdrukken kritische stemmen, waardoor mensen zich moeilijk kunnen organiseren of verzetten tegen de bestaande orde.

16. Het samen bouwen van nieuwe vormen van sociale organisatie is van vitaal belang om te overleven. Het traditionele medialandschap van politiek en entertainment bestaat om ons af te leiden van het opbouwen van genetwerkte solidariteit en gedistribueerde autonome organisaties over de grenzen heen. De hiërarchische staat is voor ons even relevant als de middeleeuwse kerk en koningen waren voor de vorming van de naamloze vennootschap en de vakbond.

17. Digitale identiteit is de volgende stap in hun controlesysteem. Binnen enkele jaren zal voor toegang tot het internet – ook in Europa en de Verenigde Staten – een biometrische nationale identiteitskaart vereist zijn, onder het zwakke voorwendsel van ‘het beschermen van kinderen.’ Het werkelijke doel is het afschermen van de vrije toegang tot subversieve politieke inhoud, en het stoppen van grensoverschrijdende communicatie om te voorkomen dat nieuwe vormen van zelforganisatie en verzet ontstaan.

18. Alleen wanneer men anoniem kan zijn, is men werkelijk vrij. De vrijheid om je zonder censuur en toezicht te kunnen uiten, is een basisvoorwaarde voor zowel zelfstandig denken als een goed functionerende democratie. Technologie zou die vrijheid juist moeten ondersteunen. Dat betekent dat mensen zelf moeten kunnen bepalen wat ze wel en niet van zichzelf laten zien, zodat ze zich vrij kunnen ontwikkelen. Daarvoor is het belangrijk dat het recht op privacy online goed wordt beschermd – niet alleen persoonlijke gegevens, maar ook de mogelijkheid om privé transacties te verrichten en afspraken te maken zonder ongewenste inmenging.

19. Amerika creëerde de eerste wereldwijde surveillancestaat, maar het zal niet de laatste zijn. Te veel mensen zijn de onthullingen van Wikileaks en Snowden vergeten, of beschouwen ze misschien als vanzelfsprekend. Staten over de hele wereld, van China tot Rusland, bouwen steeds krachtigere wereldwijde surveillancesystemen en propagandamachines. Door gebruik te maken van particuliere defensiecontracten in landen over de hele wereld, streeft Palantir ernaar zichzelf tot het besturingssysteem van een grensoverschrijdende mondiale geheime staat te maken, terwijl het zijn eigen belachelijke versie van het etnonationalisme propageert.

20. Cultuuroorlogen zijn een psyop. De ‘Epstein-klasse’ pronkt met haar deugdzaamheid en de superioriteit van haar beschaving, terwijl ze tegelijkertijd probeert terug te keren naar de heerschappij van erfelijke elites, zelfs in de Verenigde Staten. In plaats van de verworvenheden van de Verlichting ongedaan te willen maken, kiezen wij de kant van onze voorouders die eeuwenlang hebben gestreden voor individuele vrijheid, wetenschappelijke vooruitgang, gedecentraliseerde markten, bottom-up democratie, en de emancipatie van de mensheid van feodale vorsten en hun fantasierijke mythologieën.

21. Nieuwe vormen van technologie kunnen de wereld opnieuw vormgeven. Technologie is niet alleen een hulpmiddel, maar vormt steeds meer de wereld waarin we leven en werkt als een verlengstuk van ons denken. De samenwerking tussen mensen en de collectieve intelligentie van AI kan de vooruitgang versnellen en helpen bij het aanpakken van grote wereldproblemen, zoals klimaatverandering en de dreiging van een nucleaire oorlog.

22. Leef vrij, of probeer het tot het uiterste – zelfs als dat je leven kost. We moeten eeuwig waakzaam zijn in de strijd tegen het fascisme, en het slagveld is technologie. Er is geen middenweg: mensen die technologie ontwikkelen hebben een duidelijke keuze hebben – bijdragen aan systemen die mensen beperken en controleren, of juist technologie bouwen die nieuwe vormen van vrijheid mogelijk maakt.

Opmerking van Harry Halpin

Dit zijn mijn persoonlijke overtuigingen, niet die van Nym. Maar als filosoof en oprichter van een tech-startup die werkt aan anti-surveillancetechnologie, voel ik me wel verplicht om te reageren op het manifest van Palantir Technologies en zijn zogenoemde ‘filosoof-CEO’ Alex Karp. Ik heb filosofie gestudeerd bij de Franse technologiefilosoof Bernard Stiegler, die waarschuwde voor de opkomst van gedragssturing en een vorm van ‘kunstmatige domheid’ op digitale platforms. Aan zijn nalatenschap draag ik deze reactie op. Voor wie meer wil lezen: ik heb recent een filosofisch artikel geschreven over de ‘immateriële grondwet’ die is ontstaan uit internetstandaarden, mede als reactie op de onthullingen van Edward Snowden over grootschalige surveillance door de NSA. De discussie gaat door – en er staat nu nog meer op het spel.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Filosofie Politiek

Palantir Manifest

Oorspronkelijke tekst (Engels): X

fotografie: theonering.com

door Alex Karp en Nicholas W. Zamiska

Fragmenten uit de #1 New York Times-bestseller The Technological Republic: Hard Power, Soft Belief, and the Future of the West, door Alexander C. Karp & Nicholas W. Zamiska:

Omdat we deze vraag vaak krijgen. De Technologische Republiek, in het kort.

1. Silicon Valley heeft een morele verantwoordelijkheid tegenover het land dat zijn groei mogelijk heeft gemaakt. De technische elite die daar werkt, heeft de plicht om bij te dragen aan de verdediging van de natie.

2. We moeten ons verzetten tegen de tirannie van de apps. Is de iPhone echt onze grootste creatieve prestatie, misschien zelfs het hoogtepunt van onze beschaving? Het apparaat heeft ons leven ingrijpend veranderd, maar dreigt nu ook ons beeld van wat mogelijk is te verkleinen en te beperken.

3. Gratis e-mail is niet voldoende. De decadentie van een cultuur of beschaving – en vooral die van de elite – wordt alleen geaccepteerd als diezelfde cultuur in staat is om economische groei en veiligheid voor de samenleving te bieden.

4. De grenzen van soft power – van mooie woorden en overtuigende retoriek alleen – zijn duidelijk geworden. Het succes van vrije en democratische samenlevingen hangt af van meer dan alleen morele overtuigingskracht. Er is ook harde macht nodig, en in deze eeuw zal die in belangrijke mate gebaseerd zijn op software.

5. De vraag is niet óf er AI-wapens worden ontwikkeld, maar door wie en met welk doel voor ogen. Onze tegenstanders zullen zich niet laten tegenhouden door eindeloze, theatrale discussies over de voor- en nadelen van dergelijke technologie. Zij zullen gewoon doorgaan.

6. Nationale dienstplicht zou voor iedereen moeten gelden. Als samenleving zouden we serieus moeten overwegen om af te stappen van een volledig vrijwillig leger en alleen oorlog te voeren als iedereen de risico’s en kosten deelt.

7. Als een Amerikaanse marinier vraagt om een beter geweer, dan moeten we dat maken – en hetzelfde geldt voor software. Als land moeten we het debat kunnen blijven voeren over wanneer militair ingrijpen in het buitenland wel of niet gerechtvaardigd is, terwijl we tegelijk onvoorwaardelijk achter de mensen staan die we vragen om hun leven op het spel te zetten.

8. Ambtenaren hoeven niet onze priesters te zijn. Elk bedrijf dat zijn medewerkers zou belonen zoals de federale overheid dat doet, zou waarschijnlijk moeite hebben om te overleven.

9. We moeten meer begrip en mildheid tonen tegenover mensen die zich inzetten voor het publieke leven. Als we geen ruimte meer laten voor fouten, vergeving en de complexiteit van menselijk gedrag, lopen we het risico dat er uiteindelijk leiders overblijven waar we juist spijt van krijgen.

10. De psychologisering van de moderne politiek leidt ons op een dwaalspoor. Degenen die naar de politieke arena kijken om hun ziel en zelfbeeld te voeden, die te zwaar leunen op hun innerlijke leven dat tot uiting komt in mensen die ze misschien nooit zullen ontmoeten, zullen teleurgesteld achterblijven.

11. Onze samenleving is te gretig geworden om de ondergang van haar vijanden te bespoedigen, en is daar vaak opgetogen over. Het verslaan van een tegenstander is een moment om even stil te staan, niet om te juichen.

12. Het atoomtijdperk loopt ten einde. Een tijdperk van afschrikking, het atoomtijdperk, loopt ten einde, en een nieuw tijdperk van afschrikking, gebaseerd op kunstmatige intelligentie, staat op het punt te beginnen.

13. Geen enkel ander land in de wereldgeschiedenis heeft progressieve waarden zo sterk bevorderd als dit land. De Verenigde Staten zijn zeker niet perfect. Toch wordt vaak vergeten hoeveel kansen er daar zijn voor mensen zonder afkomst uit een elite, vergeleken met veel andere landen.

14. De Amerikaanse macht heeft bijgedragen aan een uitzonderlijk lange periode van relatieve vrede. Veel mensen zijn vergeten – of nemen als vanzelfsprekend aan – dat er bijna een eeuw geen directe oorlog is geweest tussen grote wereldmachten. Minstens drie generaties – miljarden mensen, hun kinderen en inmiddels hun kleinkinderen – hebben nooit een wereldoorlog meegemaakt.

15. De naoorlogse castratie van Duitsland en Japan moet herzien worden. De ontwapening van Duitsland was een te sterke correctie, waar Europa nu een zware prijs voor betaalt. Een vergelijkbare toewijding aan pacifisme in Japan zou – als dat zo blijft – ook het machtsevenwicht in Azië kunnen verstoren.

16. We zouden mensen moeten waarderen die proberen iets op te bouwen waar de markt tekortschiet. De cultuur lijkt vaak wat meewarig te doen over bijvoorbeeld de interesse van Elon Musk in een groter verhaal of visie. Alsof miljardairs zich alleen maar zouden moeten bezighouden met hun eigen rijkdom. Elke oprechte nieuwsgierigheid naar de waarde van wat hij heeft gecreëerd wordt dan snel weggewuifd, of bekeken nauwelijks verhulde minachting.

17. Silicon Valley zou een actieve rol moeten spelen bij het aanpakken van geweldsmisdrijven. In de Verenigde Staten lijken veel politici het probleem grotendeels te laten liggen. Serieuze pogingen om het aan te pakken – en daarbij risico’s te nemen richting kiezers of donateurs – blijven vaak uit, terwijl er juist dringend behoefte is aan nieuwe oplossingen en experimenten om levens te redden.

18. De voortdurende en vaak meedogenloze aandacht voor het privéleven van publieke figuren jaagt veel talent weg uit de overheidsdienst. De publieke arena is zo hard en oppervlakkig geworden – met kleinzielige aanvallen op mensen die iets anders proberen te doen dan zichzelf verrijken – dat er uiteindelijk vooral leiders overblijven die weinig te bieden hebben. Hun ambitie zou nog te begrijpen zijn, als er tenminste een oprechte overtuiging achter zat.

19. De voorzichtigheid die we in het openbare leven – vaak onbewust – aanmoedigen, is schadelijk. Mensen die bang zijn om iets verkeerds te zeggen, zeggen uiteindelijk vaak helemaal niets.

20. De wijdverbreide afkeer van religieuze overtuigingen in sommige kringen moet worden bestreden. De intolerantie van bepaalde elites tegenover religie is misschien wel een duidelijk teken dat hun politieke project minder open en pluralistisch is dan ze zelf beweren.

21. Sommige culturen hebben belangrijke vooruitgang geboekt, terwijl andere minder goed functioneren of zelfs achteruitgaan. Tegelijk is het idee ontstaan dat alle culturen per definitie gelijk zijn en dat kritiek of waardeoordelen niet meer toegestaan zijn. Maar dat standpunt gaat voorbij aan het feit dat sommige culturen – en zelfs subculturen – grote prestaties hebben geleverd. Andere culturen zijn middelmatig gebleken, en erger nog, regressief en schadelijk.

22. We moeten oppassen voor de verleiding van een leeg en oppervlakkig pluralisme. In Amerika – en breder in het hele Westen – hebben we ons de afgelopen vijftig jaar vaak terughoudend opgesteld als het gaat om het benoemen van een nationale cultuur, uit naam van inclusiviteit. Maar dan blijft de vraag: inclusie in wat precies?

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Filosofie Politiek

‘Geklets van een superschurk’

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 21 april 2026

fotografie: Kevin Dietsch

door Aisha Down and Robert Booth

Er is onrust ontstaan door uitspraken van Alex Karp, de CEO van technologiebedrijf Palantir, waarin hij pleit voor militaire dominantie van de Verenigde Staten en voor de ontwikkeling van AI-wapens

Het Amerikaanse spionagetechnologiebedrijf Palantir heeft een manifest gepubliceerd, waarin de voordelen van Amerikaanse macht worden benadrukt en waarin wordt gesuggereerd dat sommige culturen minderwaardig zouden zijn. Parlementsleden reageerden fel en noemden het onder meer ‘een parodie op een RoboCop-film’ en ‘het geklets van een superschurk.’

‘Sommige culturen hebben belangrijke vooruitgang geboekt, terwijl andere minder goed functioneren of zelfs achteruitgaan,’ schreef Palantir in een bericht van 22 punten dat afgelopen weekend op X verscheen en waarin ook werd opgeroepen tot een einde aan de ‘naoorlogse castratie’ van Duitsland en Japan.

Het bericht riep de Verenigde Staten op om de dienstplicht opnieuw in te voeren. Daarbij werd gesteld dat ‘vrije en democratische samenlevingen’ ook ‘harde macht’ nodig hebben om te kunnen zegevieren.

Het voorspelde ook een toekomst die gedomineerd wordt door autonome wapens: ‘De vraag is niet óf er AI-wapens worden ontwikkeld, maar door wie en met welk doel voor ogen. Onze tegenstanders zullen zich niet laten tegenhouden door eindeloze, theatrale discussies over de voor- en nadelen van dergelijke technologie. Zij zullen gewoon doorgaan.’

Deze uitspraak is meest recente in een reeks opvallende verklaringen van Palantir en zijn CEO, Alex Karp. Die wekken de indruk dat Karp zichzelf niet alleen ziet als leider van een softwarebedrijf, maar ook als iemand met belangrijke ideeën over de toekomst van de beschaving.

Dit leidde tot kritiek van diverse parlementsleden, die zeiden dat dit nieuwe vragen oproept over de contracten die het Verenigd Koninkrijk heeft gesloten met Palantir. Het bedrijf heeft in Groot-Brittannië voor meer dan 500 miljoen pond aan opdrachten binnengehaald, waaronder een contract van 330 miljoen pond met de NHS (Nationale Gezondheidsdienst), en overeenkomsten met de politie en het Ministerie van Defensie. Deze overeenkomsten staan steeds vaker ter discussie.

Volgens Martin Wrigley, parlementslid voor de Liberaal-Democraten en lid van de commissie voor wetenschap en technologie van het Lagerhuis, is het manifest van Palantir ‘ofwel een parodie op een RoboCop-film, ofwel een verontrustende, narcistische tirade van een arrogante organisatie.’ Hij doelde daarmee op passages waarin onder meer AI-gestuurde staatssurveillance en nationale dienstplicht worden verdedigd.

‘Hoe je het ook bekijkt, dit laat zien dat de bedrijfsfilosofie totaal ongeschikt is voor het werken aan Britse overheidsprojecten waarbij zeer gevoelige persoonlijke gegevens van burgers betrokken zijn.’

Het is niet duidelijk waarom Palantir het manifest heeft gepubliceerd. De inhoud lijkt sterk op de ideeën uit het boek The Technological Republic van Alex Karp, dat vorig jaar verscheen. In dat boek bekritiseert hij wat hij ziet als een wijdverbreide zelfgenoegzaamheid onder ‘ingenieurs en oprichters van techbedrijven.’ Volgens hem richten zij zich te veel op relatief oppervlakkige toepassingen, zoals apps voor het delen van foto’s, in plaats van samen te werken met overheden ‘om de geopolitieke positie van het Westen’ veilig te stellen.

In een interview met CNBC begin maart stelde Karp dat AI de machtsverhoudingen tussen kiezers zou kunnen verschuiven. Volgens hem zou de invloed van ‘hoogopgeleide kiezers – vaak vrouwen die op de Democraten stemmen’ – kunnen afnemen, terwijl praktisch opgeleide kiezers uit de arbeidersklasse, vaker mannen, juist meer invloed zouden krijgen.

Rachael Maskell, parlementslid voor Labour, voormalig medewerker van de NHS en criticus van het contract van 330 miljoen pond dat Palantir kreeg voor het beheer van het gegevensplatform van NHS England, zei tegen The Guardian: ‘Het is behoorlijk verontrustend dat dit wordt gepubliceerd. Als je hieruit probeert op te maken wat Palantir commercieel wil bereiken, lijkt het erop dat het bedrijf zichzelf in het centrum van een technologische defensierevolutie wil plaatsen. Daarmee is het veel meer dan alleen een leverancier van technologische oplossingen; het probeert ook invloed uit te oefenen op beleid, politiek en investeringskeuzes.’

‘Het is tijd dat de regering goed kijkt naar de cultuur en ideologie van Palantir, en onderzoekt hoe ze zo snel mogelijk onder de bestaande contracten uit kan komen.’

Vorige maand meldde The Guardian dat Palantir toegang zou krijgen tot zeer gevoelige Britse financiële toezichtgegevens. Dat gebeurde nadat de Financial Conduct Authority het bedrijf een contract had gegeven om interne inlichtingengegevens te analyseren. Parlementsleden riepen de regering op om deze deal stop te zetten.

In een debat vorige week eisten parlementsleden ook dat de regering het contract met de NHS zou beëindigen.

‘Er is geen gebrek aan bizarre en verontrustende uitspraken van het management van Palantir,’ zei Tim Squirrell, hoofd strategie bij de actiegroep Foxglove.

‘Deze jongste reeks onsamenhangende uitspraken van Alex Karp, die rechtstreeks uit een stripboek lijken te komen, laat zien hoe diep Palantir verankerd is in de alliantie tussen Donald Trump en de grote techbedrijven. Het bedrijf lijkt gefixeerd op Amerikaanse dominantie en is daarmee volstrekt ongeschikt om ook maar in de buurt van onze publieke diensten te komen.’

‘Het “manifest” van Palantir klinkt als het geklets van een superschurk,’ zei Victoria Collins, parlementslid voor de Liberaal-Democraten. ‘Een bedrijf met zulke uitgesproken ideologische standpunten en zo weinig respect voor de democratische rechtsstaat hoort niet betrokken te zijn bij onze publieke diensten.’

Een woordvoerder van Palantir zei: ‘De software van Palantir helpt de werkzaamheden van de NHS uit te breiden, verkort de tijd die nodig is om kanker vast te stellen, zorgt ervoor dat schepen van de Royal Navy langer op zee kunnen blijven en helpt vrouwen en kinderen te beschermen tegen huiselijk geweld.’

‘We zijn er trots op dat deze ondersteuning wordt geleverd door de zeventien procent van ons personeel dat in het Verenigd Koninkrijk werkt – het hoogste aandeel onder de twintig grootste technologiebedrijven ter wereld.’

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Zal Trump een nieuwe Grote Depressie veroorzaken?

Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 27 april 2026

fotografie: De Morgen

door Wolfgang Münchau


Wolfgang Munchau is directeur van Eurointelligence en columnist bij UnHerd.

Dollarswaps zijn een slecht teken

Financiële crises zien er nooit precies hetzelfde uit. Wat ze wél gemeen hebben, is een wildgroei aan rare verhalen. Zo gingen er tijdens de beurscrash van 1929 verhalen rond over schoenpoetsers die aandelenadvies gaven op basis van wat ze toevallig hadden opgevangen. Begin deze eeuw dachten beleggers dat ingewikkelde financiële producten en geavanceerde wiskundige modellen het veilig maakten om te beleggen in risicovolle hypotheekproducten. De dwaasheid van dit soort verhalen wordt beschreven in het boek This Time is Different van Kenneth Rogoff en Carmen Reinhart. Financiële euforie ontstaat vaak doordat mensen vergeten wat er in het verleden is misgegaan.

De ‘schoenpoetser’ van nu is bijvoorbeeld de Amerikaanse soldaat die vierhonderdduizend dollar inzette op Polymarket, een wedplatform, in de verwachting dat de Venezolaanse president Nicolás Maduro in januari gearresteerd zou worden. Maar het vreemdste verhaal is misschien wel iets dat veel mensen hebben gemist, omdat het verstopt zit in de financiële pagina’s. De Amerikaanse minister van Financiën, Scott Bessent, heeft gezegd dat diverse Golfstaten – waaronder de Verenigde Arabische Emiraten – hebben gevraagd om zogeheten dollarswaplijnen met de Verenigde Staten. Bij een swap spreken twee partijen af om valuta uit te wisselen: in dit geval Amerikaanse dollars tegen de munt van de Emiraten, de dirham. Een swaplijn betekent dat de Emiraten op elk moment zo’n ruil kunnen activeren, bijvoorbeeld om snel aan dollars te komen als dat nodig is.

Maar waarom zouden ze dat willen? De Verenigde Arabische Emiraten zijn immers heel rijk. Het land beschikt al over een hoeveelheid dollars die meer dan tien keer zo groot is als het Exchange Stabilisation Fund van de Amerikaanse overheid – het fonds dat bij zo’n swap de tegenpartij zou zijn. Volgens Gita Gopinath, voormalig adjunct-directeur en hoofdeconoom van het IMF, kan dit erop wijzen dat ‘de gevolgen van het conflict met Iran veel groter zijn dan wat momenteel in de markten wordt ingeprijsd. Zulke verkenningen ontstaan niet zomaar, zelfs niet achter gesloten deuren.’

Volgens Brad Setser, onderzoeker bij de Council on Foreign Relations, is hier iets fundamenteel nieuws aan de hand. Hij vindt dat het lijkt op een twijfelachtige constructie buiten de officiële balans, ‘waarbij de Emiraten het voordeel hebben.’

Manipulatie van gokmarkten en dubieuze swaps kunnen tekenen zijn dat er een financiële crisis op komst is. Hoe de oorlog tegen Iran zal aflopen, is onzeker. Wel is duidelijk dat de diplomatie eromheen veel ingewikkelder is dan Donald Trump doet voorkomen. Dat bleek afgelopen weekend, toen hij de geplande reis van zijn gezanten Steve Witkoff en Jared Kushner naar Pakistan afblies. Het kost tijd om tot een diplomatieke oplossing te komen. Eerst moet er overeenstemming worden bereikt, en daarna duurt het nóg langer voordat de afspraken ook echt worden uitgevoerd. Dat proces kan maanden in beslag nemen. Zelfs daarna zullen de olie- en gasprijzen waarschijnlijk niet terugkeren naar hun oude niveau. De oorlog heeft blijvende schade veroorzaakt aan infrastructuur, zoals pijpleidingen en verwerkingsinstallaties. Ook hebben scheepvaart- en verzekeringsmaatschappijen tijd nodig om te bepalen wanneer het weer veilig is om door de Straat van Hormuz te varen.

Als Iran inkomsten inkomsten zou ontvangen uit het scheepvaartverkeer door de Straat van Hormuz, zoals Donald Trump heeft gesuggereerd, zou dat een gevaarlijk precedent scheppen voor de wereldeconomie. Het zou neerkomen op een soort belasting op internationale scheepvaart. Geïnspireerd door de Iraanse Revolutionaire Garde liet de Indonesische minister van Financiën, Purbaya Yudhi Sadewa, weten dat ook zijn land overweegt tol te heffen op schepen die door de Straat van Malakka varen. Deze zeestraat is zelfs nog belangrijker voor de wereldeconomie dan Hormuz: ongeveer veertig procent van de wereldhandel gaat erdoorheen.

Deze maatregelen zouden in strijd zijn met het verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee. In dit verdrag staat het principe dat geen enkel land soevereiniteit over de zeeën heeft. Als we dat principe loslaten, zou dat een grote stap terug zijn – naar een tijd van piraterij en kanonneerbootdiplomatie. We zouden daarmee niet alleen de mondialisering van de afgelopen dertig jaar ondermijnen, maar zelfs de vooruitgang van de afgelopentweehonderd jaar. De wereld zou er dan ingrijpend anders uitzien.

We moeten niet denken dat een snel en slecht doordacht vredesakkoord, een capitulatie van de VS, de minst slechte uitkomst voor de wereldeconomie zou zijn. Het grootste risico voor de wereldeconomie is niet een tijdelijke stijging van de olieprijzen, en ook niet kortdurende tekorten aan bijvoorbeeld ureum of helium. Zulke ontwrichtingen aan de aanbodkant zijn vervelend, maar het zijn schokken waar je je in principe op kunt voorbereiden.

Het grotere risico op de korte termijn is een nieuwe wereldwijde financiële crisis. Zo’n crisis kan niet alleen ontstaan door een langdurige oorlog, maar ook door een slechte vredesregeling. Daarmee wordt niet bedoeld dat een beurscrash de belangrijkste oorzaak zou zijn. Als bijvoorbeeld een blokkade van de Straat van Hormuz leidt tot een wereldwijde recessie, kan dat een kettingreactie veroorzaken in andere delen van het financiële systeem – vooral rond staats- en privéschulden. Daarom schrikken mensen die de mondiale financiële stromen volgen van berichten over gesprekken tussen de VS en de VAE over een valutaswap. Als zo’n swap slechts een twijfelachtige deal is, dan is dat nog de meest onschuldige verklaring. Maar het kan ook betekenen dat men zich voorbereidt op een ernstige schok in het wereldwijde financiële systeem. In dat scenario zouden banken in de Emiraten plots moeite kunnen krijgen om aan dollars te komen. Een swapovereenkomst zou dan helpen om het systeem draaiende te houden, maar wel onder enorme druk. In zo’n situatie gaat het niet langer over de prijs van diesel of tekorten aan kerosine, maar over iets veel groters: een economische crisis van het niveau van de Grote Depressie. Aandelenkoersen zouden dan zeker dalen, maar dat zou nog het minste probleem zijn.

Er is echter één groot verschil met 2008. Toen kwamen de wereldleiders nog samen om de crisis gezamenlijk aan te pakken. De G20, die tot dan toe vooral een overleggroep was van centrale bankiers en ministers van Financiën, hield in november 2008 in Washington haar eerste top met staatshoofden en regeringsleiders. De Amerikanen, Russen, Chinezen en Europeanen zaten toen allemaal aan één tafel, klaar om nieuwe financiële regels af te spreken en gezamenlijk de economie te stimuleren. Ook kwamen de leiders van landen met de euro voor het eerst samen als een aparte eurozone. Het internationale systeem van samenwerking en bestuur werkte toen nog.

Ik verlang niet terug naar die tijd. Wat de leiders toen besloten, werkte misschien op de korte termijn, maar richtte op de lange termijn schade aan in westerse economieën en democratieën. Beleidsmaatregelen zoals monetaire verruiming (quantitative easing) en strenge bezuinigingen behoren tot de meest schadelijke economische keuzes van deze eeuw. Bovendien werden ze ingevoerd zonder sterke democratische controle. Dat verklaart ook waarom de voorstanders van internationale samenwerking zo geschokt waren door Brexit: het was de eerste succesvolle tegenreactie op het multilateralisme.

Ik betreur het einde van het multilaterale tijdperk dus niet. Maar we moeten wel begrijpen wat de gevolgen daarvan zijn. Als de wereldeconomie opnieuw in een soort ‘hartstilstand’ terechtkomt, zoals in 2008, kunnen we niet verwachten dat politici zich weer zullen verenigen om snel tot een oplossing te komen, of überhaupt tot een oplossing. In plaats daarvan zullen ze elkaar de schuld geven, zoals ze nu al doen. Deze nieuwe financiële crisis zou zich dan ontwikkelen zonder effectieve gezamenlijke ingrepen.

In een wereld die het multilateralisme heeft losgelaten, wordt het belangrijker dan ooit dat de grootmachten zich terughoudend en voorzichtig opstellen. China lijkt op het eerste gezicht politiek terughoudend, maar voert economisch beleid dat eerder roekeloos te noemen is. Het land is bovendien veruit de grootste veroorzaker van mondiale economische onevenwichtigheden. Daarnaast bestaat het risico dat China op een onvoorspelbaar moment in de toekomst een militaire aanval op Taiwan zal uitvoeren.

Ook Vladimir Poetin staat niet bekend om zijn terughoudendheid, en dat geldt evenmin voor Donald Trump. Van Trump weten we dat hij van nature impulsief is en risico’s neemt. Hij is geen strategische denker, en lijkt zich te hebben verkeken toen hij opdracht gaf tot een aanval op Iran. Het zou dan ook verrassend zijn als hij in de toekomst wél kiest voor geduld en lange-termijndenken. Trump en zijn minister van Defensie, Pete Hegseth, hebben zich bovendien omringd met mensen die vooral ja-knikken. Er lijkt weinig ruimte meer voor tegenspraak binnen de regering. Zo heeft Hegseth kritische generaals en hoge ambtenaren ontslagen, waaronder recent John Phelan, de minister van Marine. Daarnaast heeft Trump geen vaste nationale veiligheidsadviseur. Minister van Buitenlandse Zaken Marco Rubio doet die job er tijdelijk bij. En hoewel vice-president JD Vance sceptisch was over de oorlog, is het onwaarschijnlijk dat hij zich openlijk tegen Trump zal keren.

De huidige Europese leiders zijn regelgebonden wezens, en dat geldt misschien nog wel het meest voor de Britse premier Keir Starmer. Zij betreuren het einde van het multilaterale tijdperk. Tegelijkertijd lijkt het hen te ontbreken aan strategisch denken en een duidelijke langetermijnvisie.

Ondanks alle sombere vooruitzichten is er ook een belangrijk lichtpunt. Kunstmatige intelligentie (AI) blijft het sterkste argument van de optimisten onder ons en een logische verklaring voor de hoge waarderingen op de markten van vandaag. AI kan uitgroeien tot de belangrijkste technologische doorbraak sinds elektriciteit. Het heeft de potentie om de manier waarop we werken en leven ingrijpender te veranderen dan welke andere innovatie ook die we in ons leven hebben meegemaakt.

De eeuwenoude basisregels van het beleggen gelden echter nog steeds. Deze keer kan alleen anders zijn in de mate waarin AI de economische productiviteitsgroei beïnvloedt. De effecten van AI beginnen nu pas voorzichtig zichtbaar te worden in sommige economische cijfers in de Verenigde Staten. Persoonlijk denk ik dat AI een technologie is die ons leven ingrijpend zal veranderen. Maar zeker weten doen we dat pas over een tijdje.

Dat betekent dat de voordelen van AI vrijwel zeker niet op tijd zullen komen om ons te beschermen tegen de gevolgen van deze oorlog, en tegen de economische en financiële schade die daaruit voortkomt. In die zin zal deze keer inderdaad anders zijn, maar niet op een positieve manier.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Gezondheid Politiek

Tsjernobyl en de prijs van nucleaire overmoed

Oorspronkelijke tekst (Engels): Engelsberg Ideas, 22 april 2026

fotografie: Globalnuclearenvironment.org

door Paul Josephson

Paul R. Josephson is een vooraanstaand historicus op het gebied van wetenschap, technologie en de Sovjetgeschiedenis. Hij is hoogleraar geschiedenis aan het Colby College in de Verenigde Staten en heeft vijftien boeken op zijn naam staan, waaronder ‘Would Trotsky Wear a Bluetooth? Technological Utopianism Under Socialism’ (2007).

Voorstanders van een nucleaire ‘renaissance’ zouden de gruwelijke mislukkingen van de Sovjet-Unie niet mogen vergeten

Veertig jaar geleden, eind april 1986, stonden de kranten vol met verontrustende berichten uit Oekraïne. De explosie vlak na middernacht in reactor 4 van de kerncentrale van Tsjernobyl veranderde het leven van de nietsvermoedende inwoners van Pripjat in een nachtmerrie van radioactieve besmetting. Op zaterdagochtend gingen de bewoners nog gewoon door met hun dagelijkse leven. Kinderen speelden buiten, er vonden in de omgeving zestien bruiloften plaats en vissers gooiden hun netten uit in de rivier die als koelwater voor de centrale diende. Niemand wist wat er werkelijk was gebeurd. De brandweerlieden die als eersten ter plaatse kwamen, handelden moedig, maar waren totaal niet voorbereid op de situatie. Ze moesten brandend grafiet en splijtstofstaven die uit de reactor waren geslingerd blussen – extreem radioactief materiaal. Op één na stierven zij later aan de gevolgen van de straling. Pas 36 uur later besloten de autoriteiten om de ongeveer vijftigduizend inwoners van Pripjat te evacueren, de stad die op slechts drie kilometer van de reactor was gebouwd. Ongelooflijk genoeg moesten schoolkinderen enkele dagen later nog deelnemen aan de jaarlijkse 1 mei-parade in Kyiv, terwijl er nog radioactieve deeltjes door de lucht zweefden.

De oorzaken van het ongeluk waren al duidelijk, zoals ik destijds schreef in een commentaar in de Boston Globe. Het ging om meerdere factoren: reactoren die zonder beschermende insluiting waren gebouwd, een ontwerp dat bij laag vermogen instabiel en zelfs explosief kon worden, en het vroegtijdig standaardiseren van onderdelen om kosten te besparen. Daar kwam nog bij dat men te veel vertrouwde op de betrouwbaarheid van technologie, iets wat pijnlijk zichtbaar werd in het idee om een complex met brandbaar grafiet, uranium en plutonium een ‘nucleair park’ te noemen. Michail Gorbatsjov stelde later dat de ramp in Tsjernobyl uiteindelijk heeft bijgedragen aan het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Hoewel hij zijn hervormingen van glasnost en perestrojka had aangekondigd, duurde het achttien dagen voordat hij zich publiekelijk tot de bevolking richtte over het ongeluk.

De ramp in Tsjernobyl leidde tot nieuwe categorieën van ‘radioactieve mensen.’ Ongeveer zevenhonderdduizend zogenoemde ‘liquidators’ werden ingezet om de gevolgen van de ramp te beperken. Zij sloopten besmette gebouwen, kapten bossen en verwijderden met bulldozers vervuilde grond en materialen. Sommigen, de zogenoemde ‘biorobots’, werkten in shifts van slechts één minuut op het dak van een aangrenzende reactor. Daar schepten ze brokstukken van uraniumbrandstof en rokend grafiet in het gapende gat eronder. Om de straling in te dammen, werd de beschadigde reactor afgedekt met een betonnen ‘sarcofaag.’ In 2017 werd daar een tweede, grotere beschermlaag overheen geplaatst. Tijdens de Russische invasie van Oekraïne in 2022 werd het gebied rond Tsjernobyl korte tijd bezet, waarbij opnieuw radioactief stof vrijkwam. Recent is ook de tweede afdekking beschadigd door droneaanvallen, zodat deze moet worden gerepareerd. Daarnaast is de kerncentrale van Zaporizja beschoten en bezet, waardoor deze is veranderd in een vuile atoombom die op ontploffen staat.

Nucleaire rampen vernietigen ecosystemen. In de Verboden Zone rond Tsjernobyl – een gebied van ongeveer 2.600 vierkante kilometer – stuurden de autoriteiten soldaten eropuit om huisdieren, vee en wilde dieren op te sporen, af te schieten en te begraven. Zo wilden ze voorkomen dat radioactieve deeltjes via hun vacht naar andere gebieden zouden worden verspreid. Een groot deel van de regio zal nog eeuwenlang radioactief blijven. Slechts enkele grote zoogdieren hebben zich in aantal hersteld. Uiteindelijk leidde de ramp naar schatting tot vijfduizend tot vijftigduizend extra sterfgevallen door kanker, naast talloze gevallen van leukemie en schildklierkanker bij kinderen. In totaal raakte minstens honderdvijftigduizend vierkante kilometer land besmet, een gebied ter grootte van een Amerikaanse staat als Illinois of Georgia.

Wat leert Tsjernobyl ons over de toekomst van kernenergie? De ramp liet op explosieve wijze zien dat veel beloften van het nucleaire tijdperk waarschijnlijk nooit volledig zullen worden waargemaakt: volledig veilige reactoren, voertuigen en medische toepassingen op kernenergie, een einde aan conflicten over olie en gas, en energie die zo goedkoop is dat meten nauwelijks nodig is. Toch ging de sector door, vaak met te weinig aandacht voor de risico’s van grote ongelukken en voor de groeiende hoeveelheid radioactief afval. Wereldwijd zijn er ongeveer vierhonderdvijftig kernreactoren in gebruik en nog eens zo’n vijftig in aanbouw. Daarnaast ligt er meer dan vierhonderdduizend ton gebruikte splijtstof opgeslagen in koelbassins en betonnen containers, in afwachting van een definitieve oplossing. Jaarlijks komt daar nog eens zo’n elfduizend ton bij. Dit materiaal brengt risico’s met zich mee, bijvoorbeeld bij mogelijke sabotage of ongelukken. Alleen al in de Verboden Zobe van Tsjernobyl liggen duizenden gebruikte splijtstofelementen, grote hoeveelheden splijtstof in de sarcofaag en miljoenen liters ander radioactief afval.

De wereldwijde saneringskosten van de militaire en civiele nucleaire sector lopen inmiddels in de biljoenen dollars. Alleen al het beperken van de gevolgen van de ramp in Tsjernobyl wordt geschat op zo’n zevenhonderd miljard dollar, en dat bedrag blijft stijgen, onder meer door verlaten landbouwgrond en stilgevallen industrie. Ook de ramp in Fukushima in Japan in 2011 had enorme gevolgen. Die ramp kon ontstaan doordat een kerncentrale was gebouwd op slechts vijfhonderd meter van de Stille Oceaan, in een gebied waar aardbevingen voorkomen. Een tsunami overspoelde de centrale, wat leidde tot kernsmeltingen, evacuaties en zware schade aan de visserij. De totale kosten – als gevolg van de sanering, verloren inkomsten, schade aan eigendommen en vervangende energie – zijn inmiddels opgelopen tot ongeveer vijfhonderd miljard dollar. Ondertussen loost Fukushima nog steeds radioactief tritium uit de sanering in de Stille Oceaan.

De nucleaire industrieën in China, Frankrijk, Rusland en de Verenigde Staten stellen dat er een nieuwe ‘renaissance’ van kernenergie ophanden is. Terwijl de rampen in Tsjernobyl en Fukushima zijn begraven in afgesloten gebieden, presenteren zij optimistische plannen. Ze spreken over zogenoemde Small Modular Reactors (SMR’s) die van nature veilig zouden zijn, snel gebouwd kunnen worden en CO₂-vrije elektriciteit leveren. Ook zouden ze een oplossing bieden voor de snel groeiende vraag naar energie. Tegelijkertijd zijn deze plannen sterk afhankelijk van miljarden aan overheidssubsidies. In de Verenigde Staten heeft de regering van Donald Trump het overheidstoezicht op de veiligheid van kerncentrales versoepeld om de bouw te versnellen.

En zo blijven dezelfde vragen uit 1986 nog altijd bestaan: waar moeten nieuwe kerncentrales komen? Wie gaat ze betalen? En wat gaan ze uiteindelijk kosten? Zijn zogenoemde Small Modular Reactors (SMR’s) echt veiliger en goedkoper dan de ongeveer vierhonderdvijftig reactoren die nu wereldwijd in gebruik zijn? Tot nu toe zijn er namelijk pas twee gebouwd, terwijl andere projecten al zijn stopgezet omdat de kostenramingen verdrievoudigden nog vóór de bouw begon. Er zijn ook zorgen over de gevolgen voor de gezondheid. Zo wees recent onderzoek in Plymouth, Massachusetts op een mogelijk verhoogd risico op kanker in de buurt van kerncentrales. En misschien wel de belangrijkste vraag: hoe groot is de kans dat er opnieuw een ernstig nucleair ongeluk plaatsvindt?

Kortom, de kernenergie-industrie wordt vaak gekenmerkt door overmoed. De bouw van één reactor kan inmiddels zo’n twintig miljard dollar kosten, radioactief afval blijft kwetsbaar voor bijvoorbeeld sabotage, en de opruiming van oude installaties loopt vaak tientallen jaren en enorme bedragen achter. Een ongeluk bij een wind- of zonnepark zal waarschijnlijk nooit zo’n blijvende naam krijgen, maar Tsjernobyl zal nog lange tijd symbool blijven staan voor wat er mis kan gaan met technologie.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Nieuwe AI-tool Mythos is levensgevaarlijk

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 10 april 2026

fotografie: Transformer

door Shakeel Hashim

Shakeel Hashim is de eindredacteur van Transformer, een publicatie over de macht en politiek van transformatieve AI

De schijnbaar bovenmenselijke hackvaardigheden van Claude Mythos baren deskundigen zorgen, terwijl de regering-Trump verblind blijft door vijandigheid

In juni 2024 zorgde een cyberaanval op een bedrijf voor pathologiediensten voor grote chaos in de ziekenhuizen van Londen. Meer dan tienduizend afspraken moesten worden geannuleerd. Er ontstond bovendien een tekort aan bloed, en vertragingen bij bloedonderzoeken droegen uiteindelijk bij aan het overlijden van een patiënt.

Dodelijke cyberaanvallen zoals deze zijn gelukkig zeldzaam. Maar een nieuwe AI-ontwikkeling zou daar verandering in kunnen brengen, en ons kunnen onderdompelen in een verontrustende nieuwe wereld van chaos en ontwrichting van de digitale systemen waarop we vertrouwen.

Deze week kondigde Anthropic, een toonaangevend AI-bedrijf uit San Francisco, ‘Claude Mythos Preview’ aan. Volgens de start-up is dit AI-model te gevaarlijk om volledig openbaar te maken vanwege zijn uitzonderlijke mogelijkheden op het gebied van cyberbeveiliging – én cyberaanvallen. Volgens het bedrijf heeft Mythos kwetsbaarheden ontdekt in alle grote browsers en besturingssystemen. Met andere woorden: dit nieuwe AI-model zou hackers kunnen helpen om een groot deel van de belangrijkste software ter wereld te ontregelen.

‘Dit is alarmerend op het niveau van Y2K,’ aldus een beveiligingsexpert. Mythos heeft nu al een 27 jaar oude fout ontdekt in een cruciaal onderdeel van de beveiligingsinfrastructuur, evenals meerdere kwetsbaarheden in de Linux-kernel, die een essentiële rol speelt in computersystemen over de hele wereld. Deze zwakke plekken kunnen vrijwel alles op het internet in gevaar brengen, van de streamingdiensten waarmee je ontspant tot de banksystemen waarop je vertrouwt.

Als zulke technologie op grote schaal beschikbaar zou komen en inderdaad zo krachtig is als Anthropic beweert, kunnen de gevolgen catastrofaal zijn. Cyberaanvallen zijn namelijk allang niet meer alleen maar een digitaal probleem. Vrijwel alles waarop we in de fysieke wereld vertrouwen, is afhankelijk van software. In de afgelopen jaren zijn bijvoorbeeld luchthavens, ziekenhuizen en transportnetwerken lamgelegd door cyberaanvallen. Tot nu toe vereisten aanvallen van deze omvang veel specialistische kennis. Mythos zou die mogelijkheden binnen het bereik van amateurs kunnen brengen, en tegelijk het vermogen van professionals om grote schade aan te richten enorm vergroten.

Cyberbeveiligingsexperts luiden de alarmklok. Anthony Grieco van Cisco, een bedrijf dat gespecialiseerd is in netwerk- en cyberbeveiliging, zei: ‘De mogelijkheden van AI hebben een drempel overschreden die de urgentie om kritieke infrastructuur te beschermen fundamenteel verandert … en er is geen weg terug.’ Lee Klarich, hoofd productmanagement bij Palo Alto Networks, stelde dat dit model ‘een gevaarlijke verschuiving aangeeft’ en waarschuwde dat ‘iedereen zich moet voorbereiden op aanvallers die door AI worden ondersteund.’

‘Er zullen meer aanvallen komen, en ze zullen sneller en geavanceerder zijn,’ aldus Klarich.

Gelukkig zijn we voorlopig nog niet helemaal verloren. In plaats van Mythos direct openbaar te maken, biedt Anthropic het eerst aan bedrijven aan die een groot deel van onze kritieke infrastructuur beheren, waaronder Apple, Microsoft en Google. Het idee is dat deze bedrijven Mythos kunnen gebruiken om zwakke plekken in hun beveiliging op te sporen en te verhelpen, voordat kwaadwillenden over vergelijkbare mogelijkheden beschikken.

Dat betekent dat we nu in een race tegen de klok zitten. Door het gebrek aan nationale en internationale regelgeving is er niets dat andere bedrijven verplicht om de implementatiestrategie van Anthropic te volgen. Het is waarschijnlijk slechts een kwestie van maanden voordat minder verantwoordelijke partijen – in de Verenigde Staten of elders – een model met vergelijkbare mogelijkheden uitbrengen. Als dat gebeurt, kunnen we alleen maar hopen dat de software waarop we vertrouwen inmiddels voldoende is beveiligd.

In meer coöperatieve tijden zou ik optimistisch zijn dat de Verenigde Staten een brede, gezamenlijke inspanning zouden kunnen organiseren om zich voor te bereiden op deze dreigende ‘vulnpocalypse.’ Maar de regering-Trump heeft juist de aanval geopend op Anthropic. Overheidsinstanties en het leger mogen de technologie van het bedrijf niet gebruiken, en het wordt publiekelijk weggezet als een ‘radicaal-links, woke bedrijf.’ De reden: Anthropic weigert zijn tools beschikbaar te stellen voor de grootschalige surveillance van Amerikaanse burgers door het leger. Door deze vijandigheid is het onwaarschijnlijk dat de overheid met Anthropic zal samenwerken om haar eigen systemen te versterken – systemen die bovendien bekendstaan als kwetsbaar en die juist tot de belangrijkste behoren om te beveiligen.

Er is ook enige reden voor optimisme. Het is mogelijk dat Anthropic de mogelijkheden van Mythos enigszins overdrijft; het bedrijf heeft er immers belang bij zijn eigen producten aantrekkelijk voor te stellen. Tegelijkertijd wijzen de gedocumenteerde kwetsbaarheden en de bereidheid van concurrenten om met Anthropic samen te werken erop dat de dreiging reëel is. Ondertussen lijken sommige delen van de regering de waarschuwingen wel serieus te nemen. Zo zouden Scott Bessent, de Amerikaanse minister van Financiën, en Jerome Powell, de voorzitter van de Federal Reserve, dinsdag topbestuurders van Wall Street hebben bijeengeroepen om zich voor te bereiden op de risico’s van Mythos en van toekomstige AI-modellen die zich richten op cyberbeveiliging.

Maar het algemene beeld blijft somber. Mythos vormt niet alleen een risico voor de cyberbeveiliging; het blijkt ook verontrustend goed te zijn in het helpen ontwerpen van biowapens. Bovendien kan het gebruikers soms bewust misleiden en zijn eigen sporen uitwissen. Het model laat daarmee zien welke risico’s verbonden zijn aan de ontwikkeling van ‘superintelligente’ AI – technologie die Anthropic en zijn concurrenten op grote schaal willen inzetten, ongeacht de mogelijke gevolgen. Met Mythos hebben we misschien nog tijd om de risico’s voor te zijn. Maar als overheden deze bedrijven zonder duidelijke regels blijven laten opereren, hebben we in de toekomst misschien niet meer zoveel geluk.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Private equity als eindspel van het kapitalisme

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 7 april 2026

fotografie: Whiting Foundation

door Hettie O’Brien

Hettie O’Brien levert regelmatig bijdragen aan de Guardian Long Read, is assistent-redacteur bij de rubriek Opinion van The Guardian en auteur van The Asset Class: How Private Equity Turned Capitalism Against Itself, dat op 9 april verschijnt

Wil je weten wat het eindspel van het kapitalisme is? Kijk dan naar private equity – dat heeft ons dagelijks leven volledig in zijn greep.

Deze bedrijven bezitten tegenwoordig alles, van kinderdagverblijven tot verzorgingstehuizen, en halen maximale winst uit essentiële diensten, terwijl wij uiteindelijk de rekening betalen.

Het waren de gratis croissants die het verrieden. En het Scandinavisch ogende meubilair. En de smaakvolle pastelkleurige muren. Het voelde anders dan de andere kinderdagverblijven die ik had bezocht: iets duurder, het esthetische equivalent van een WeWork voor peuters. Ik was acht maanden zwanger en bezocht diverse kinderdagverblijven in Zuidoost-Londen voor mijn dochter. Op dat moment besefte ik nog niet dat dit geen gewoon kinderdagverblijf was, maar een prototype voor een enorm experiment dat zich inmiddels stilletjes over heel Groot-Brittannië verspreidt.

Het kinderdagverblijf dat ik bezocht, wordt gefinancierd door private equity: een grotendeels onzichtbare, maar enorm machtige financiële sector die inmiddels bijna overal een vinger in de pap heeft. Private-equityfondsen en vergelijkbare vermogensbeheerders bezitten tegenwoordig waterbedrijven, appartmentencomplexen, studentenhuisvesting, verzorgingstehuizen, kindertehuizen, uitvaartondernemingen en nog veel meer. De grote spelers in deze sector hebben een ‘van de wieg tot het graf’-investeringsmodel ontwikkeld. Ze richten zich op de plekken waar we wonen, werken, oud worden en uiteindelijk sterven, nemen daar essentiële diensten over en proberen er vervolgens zo veel mogelijk winst uit te halen.

Laat ik duidelijk zijn: ik heb niets tegen gratis croissants. De problemen ontstaan pas wanneer fondsbeheerders gaan bepalen wat er gebeurt met instellingen die de samenleving draaiende houden. De afgelopen vijf jaar zijn in het hele Verenigd Koninkrijk door private equity gefinancierde kinderdagverblijven als paddenstoelen uit de grond geschoten. Ze hebben onafhankelijke opvangcentra opgekocht en samengevoegd tot grote ketens. Voor een buitenstaander lijken veel van deze locaties nog hetzelfde als vroeger, maar achter de schermen is er veel veranderd. Deze ketens rapporteren winsten die tot wel zeven keer hoger liggen dan het overschot van non-profitkinderdagverblijven. Tegelijk geven ze tot veertien procent minder uit aan personeel en hebben ze veel hogere personeelsverloopcijfers dan kinderdagverblijven die door scholen worden beheerd. Door hun sterke focus op winst is de kans bovendien kleiner dat ze zich vestigen in armere wijken. En ze kunnen ook plotseling sluiten. Dat ondervonden ouders in Hackney onlangs toen hun kinderdagverblijf van de ene dag op de andere de deuren sloot. Zo ga je niet om met een essentiële maatschappelijke voorziening.

De afgelopen vier jaar heb ik onderzoek gedaan naar private equity. In die tijd ben ik steeds meer onder de indruk geraakt van hoe groot de rol van deze sector in ons dagelijks leven is, en van wat dat laat zien over hoe macht en rijkdom tegenwoordig worden georganiseerd. Een belangrijke aanwijzing zit al in de naam: private equity gaat over bedrijven die privébezit zijn. In tegenstelling tot beursgenoteerde ondernemingen hoeven bedrijven die in handen zijn van private-equityfondsen nauwelijks informatie openbaar te maken over hun activiteiten of financiën. Daardoor is het vaak moeilijk om te achterhalen waar het geld precies naartoe gaat. Het is bijvoorbeeld lastig om te zien hoe de kosten van kinderopvang worden besteed, en zelfs of een bedrijf winst maakt of verlies lijdt.

‘Het daglicht is het beste ontsmettingsmiddel,’ zei ooit Louis Brandeis, rechter bij het Amerikaanse Hooggerechtshof en liberaal hervormer. Met andere woorden: openheid maakt controle mogelijk. Wanneer informatie verdwijnt, verdwijnt ook de mogelijkheid tot effectieve controle. Als eigendomsvorm lijkt private equity dan ook bijna het tegenovergestelde van democratie. De macht komt in handen van een kleine groep uitzonderlijk rijke dealmakers, die profiteren van het feit dat de samenleving hen moeilijk ter verantwoording kan roepen. Het is dan ook geen verrassing dat de Republikeinse partij herhaaldelijk heeft gepleit voor wetgeving die de invloed van deze sector op de Amerikaanse economie verder zou versterken.

De term private equity is eigenlijk een vorm van camouflage. Hij verhult dat bij veel van deze overnames enorme schulden komen kijken. Het basismechanisme daarachter is de zogeheten ‘leveraged buy-out.’ Dat werkt ongeveer zo: een fondsbeheerder koopt een bedrijf met een klein deel eigen geld en leent de rest. Vervolgens wordt die schuld op het gekochte bedrijf zelf afgewenteld. Als de deal goed uitpakt, gaat de winst naar de beleggers. Gaat het mis, dan is het het bedrijf – en niet de belegger – dat met de schulden blijft zitten. In theorie zou deze schulddruk bedrijven slanker, efficiënter en beter georganiseerd moeten maken. In de praktijk kan het echter grote schade aanrichten, vooral wanneer het gaat om publieke of essentiële diensten. Bij kinderdagverblijven bijvoorbeeld hebben ketens die door private equity worden gesteund, ondanks hun grote schuldenlast, weinig gedaan om het tekort aan opvangplekken te verminderen. Sterker nog: door hun financiële structuur zijn ze kwetsbaarder voor een faillissement. Als zo’n bedrijf omvalt, blijven ouders zonder kinderopvang achter en werknemers zonder baan.

Het verhaal van hoe de financiële topwereld zich begon te bemoeien met zulke alledaagse voorzieningen begon – zoals zoveel ontwikkelingen in Groot-Brittannië – in de jaren tachtig. Ministers in de Conservatieve regering van Margaret Thatcher maakten zich zorgen dat het land economisch achteropraakte en keken naar de Verenigde Staten voor antwoorden. In 1987 keurde de regering een regeling goed waardoor fondsbeheerders minder belasting hoefden te betalen over hun winsten dan gewone werknemers over hun inkomen. De ministers dachten dat ze daarmee durfkapitalisten zouden aantrekken: beleggers die, net als in Silicon Valley, nieuwe bedrijven en technologieën zouden helpen ontstaan – misschien wel de volgende iPhone of elektrische auto. In plaats daarvan kregen ze vooral fondsbeheerders die bestaande bedrijven goedkoop opkochten en vervolgens met schulden overlaadden. Daarmee werd de basis gelegd voor het huidige private-equitymodel.

Hoe meer tijd ik besteedde aan het doorzoeken van archieven, het interviewen van financiers en het lezen van biografieën van overleden dealmakers, hoe meer ik de werkwijze van deze sector ben gaan zien als een metafoor voor hoe macht tegenwoordig werkt in het 21e-eeuwse Groot-Brittannië. We leven in een systeem waarin particuliere rijkdom en extravagantie de keerzijde zijn geworden van publieke bezuinigingen. Overheden hebben de overheidsuitgaven teruggedrongen in naam van fiscale verantwoordelijkheid, terwijl de nieuwe eigenaren van diensten die ooit door de staat werden beheerd enorme schulden opstapelen. Tegelijk hebben beleggers roekeloze financiële spelletjes gespeeld met onze vitale infrastructuur, terwijl het toezicht zo sterk is uitgekleed dat veel toezichthouders nauwelijks nog onderzoeken welke problemen hierdoor ontstaan.

Dit alles weerspiegelt een nóg duisterder ontwikkeling in de economie, waarbij door schulden aangedreven speculatie een van de belangrijkste manieren is geworden om rijkdom te vergaren. Tegenwoordig zijn het niet alleen fondsbeheerders die met geleend geld bedrijven opkopen. Wie door TikTok scrolt, komt al snel een hele industrie van influencers tegen die het welvaartsevangelie van ‘passief inkomen’ verkondigen. Zij leren hun volgers hoe ze met geleend geld huizen kunnen kopen om die vervolgens te verhuren aan ongelukkige huurders. Zoals Stefano Sgambati, een onderzoeker die deze ontwikkelingen in onze politieke economie bestudeert, het eens tegen mij verwoordde: ‘Het spel is simpel: je leent geld en probeert vervolgens anderen jouw schulden te laten betalen.’

De afgelopen tachtig jaar werd het kapitalisme vooral gerechtvaardigd door het idee dat de economie voortdurend zou groeien en dat uiteindelijk iedereen daarvan zou profiteren. Mensen accepteerden dat sommigen grotere stukken van de taart kregen, zolang ze geloofden dat zij zelf ook meer dan alleen de kruimels zouden overhouden. Maar in een ongelijke en stagnerende economie verandert dat beeld. Het kapitalisme lijkt dan minder op een steeds groter wordende taart, en meer op een nulsomspel: om te winnen, moet iemand anders verliezen. Als de waarde van jouw huis stijgt, betekent dat vaak dat iemand anders geen eigen woning meer kan betalen. En wanneer een fondsbeheerder winst maakt door studentenhuisvesting op te kopen, betaalt uiteindelijk ergens een student de rekening.

In deze context is het eigenlijk heel logisch dat beleggers zich richten op essentiële diensten. Zelfs wanneer mensen op bijna alles moeten bezuinigen, blijven bepaalde dingen nog steeds noodzakelijk: water, energie en een plek om te wonen. Ouderen hebben nog steeds verzorgingstehuizen nodig. En ouders met kinderen hebben nog steeds kinderopvang nodig. Dat private equity zich steeds meer op zulke sectoren richt, wijst op iets diepers en verontrustenders. Het duidt erop dat het kapitalisme niet per se hoeft te groeien om te blijven bestaan. In plaats daarvan hebben degenen aan de top een eenvoudigere manier gevonden om hun rijkdom te vergroten: koop de basisvoorzieningen van het dagelijks leven op, overlaad ze met schulden en schuif de gevolgen af op gewone mensen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

China zal de Iran-oorlog winnen

Oospronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 6 april 2026

fotografie: WikiPedia

door Aaron Bastani

Aaron Bastani is medeoprichter van Novara Media en de auteur van Fully Automated Luxury Communism.

De Chinese fabrieken zijn klaar voor een doorbraak

Er zijn sterke argumenten om Deng Xiaoping, de leider van China vanaf 1978, te zien als de belangrijkste historische figuur van de tweede helft van de twintigste eeuw. Hij werd twee keer uit de partij gezet, maar keerde telkens terug en wist zich uiteindelijk opnieuw aan de top te vestigen. Deng voerde een markteconomie in, terwijl hij tegelijkertijd de eenpartijstaat in stand hield. Hij was daarmee de centrale architect van het moderne China: van de opkomst als technologische grootmacht tot het invoeren van het éénkindbeleid.

Eén uitspraak wordt vooral verbonden met de kleine opvolger van Mao Zedong. Zijn beroemde gezegde luidt: ‘Het maakt niet uit of een kat zwart of wit is. Als hij muizen vangt, is het een goede kat.’ Met andere woorden: een socialistische samenleving kan best een markteconomie hebben, net zoals een kapitalistische samenleving elementen van een planeconomie kan bevatten. Waar het uiteindelijk om gaat, is welke maatschappelijke belangen voorrang krijgen. Als je deze gedachte van Deng begrijpt, begrijp je ook hoe het huidige China particuliere bedrijven en winstbejag kan toestaan, terwijl het tegelijkertijd probeert de schadelijkste kanten van het kapitalisme te beperken. De economische doelen van de Chinese staat worden namelijk politiek vastgesteld door de Communistische Partij van China, en niet door de belangen van particuliere kapitaalbezitters. Zo’n planstaat is niet altijd even zachtzinnig – het is bijvoorbeeld misschien geen goed idee om het vruchtbaarheidsbeleid door een raketingenieur te laten ontwerpen – maar dit systeem heeft China wel geholpen om uit te groeien tot een geopolitieke grootmacht.

Op zijn eigen, onnavolgbare manier hield Trump onlangs een spiegel voor aan de beroemde uitspraak van Deng Xiaoping. ‘Ik respecteer China, omdat het … een systeem is dat eigenlijk niet zou moeten werken,’ zei hij vorige week tegen een publiek in Miami. ‘Maar kijk eens hoe goed ze het doen, hoeveel ze produceren. Ze maken zó veel auto’s dat ze zelfs wedstrijden houden om te zien wie de minste auto’s kan produceren.’ Als Dengs uitspraak bekendstaat als de ‘witte kat’-formule, dan heeft Trump misschien een minder poëtische variant geleverd: de ‘te veel auto’s’-theorie. Die beschrijft treffend hoe bedrijven in China, vaak met steun van de staat, grote marktaandelen veroveren door simpelweg meer te produceren dan de markt vraagt. Tien jaar geleden leidde dat tot een plotselinge overvloed aan zonnepanelen. Tegenwoordig zien we hetzelfde gebeuren met elektrische auto’s.

Zo’n openlijke erkenning van het succes van het Chinese systeem, zeker door een Republikeinse president, lijkt misschien verrassend, maar eigenlijk zou dat niet zo moeten zijn. Deng Xiaoping heeft het politieke en economische systeem van zijn land ingrijpend hervormd. Nu, bijna een halve eeuw later, lijkt het er steeds meer op dat de Verenigde Staten op de een of andere manier dit voorbeeld zullen moeten volgen. De vraag is alleen of dat na Donald Trump nog mogelijk is. Terwijl de Volksrepubliek China een systeem heeft waarin de partij hetzelfde blijft maar het beleid kan veranderen, lijkt het in de Verenigde Staten juist andersom te werken. Gezichten, facties en retoriek veranderen voortdurend – de politieke polarisatie is overal en wordt steeds heviger – maar de onderliggende economische structuur blijft grotendeels hetzelfde.

Zelfs vóór de oorlog met Iran was al duidelijk dat de Verenigde Staten – en het zogeheten politieke Westen in het algemeen – zich in een periode van relatieve achteruitgang bevinden. Hun gezamenlijke hoogtepunt lag rond het begin van deze eeuw, toen de landen van de OESO ongeveer tachtig procent van het wereldwijde nominale bbp vertegenwoordigden. Tegenwoordig ligt dat aandeel rond de zestig procent, terwijl de economische invloed – en daarmee ook de politieke macht – steeds meer naar het oosten verschuift. Volgens sommige berekeningen is China inmiddels al de grootste economie ter wereld, met India en Rusland eveneens hoog op de ranglijst, terwijl de Verenigde Staten de tweede plaats innemen.

Hoewel het verleidelijk kan zijn om te wijzen op de recente economische groei aan de andere kant van de Stille Oceaan, berust de economische expansie in de Verenigde Staten grotendeels op schulden. Het Amerikaanse bbp groeide tussen 2020 en 2025 weliswaar met ongeveer negen biljoen dollar, maar in dezelfde periode nam de staatsschuld nog sterker toe, met elf biljoen dollar. Zelfs aan het begin van het jaar, nog vóór de moord op ayatollah Khamenei, stonden de arbeidsmarktcijfers en het aanhoudende begrotingstekort haaks op Trumps retoriek over een economisch wonder. Zoals bij vrijwel elke Republikeinse president sinds Ronald Reagan is het groeimodel herkenbaar: belastingverlagingen die met tekorten worden gefinancierd, terwijl tegelijkertijd wordt gepleit voor een kleinere overheid. De Brookings Institution concludeerde onlangs dat het handhaven van de door Trump ingevoerde belastingvoordelen ertoe zou leiden dat de schuldquote van de VS tegen de jaren vijftig van deze eeuw boven de tweehonderd procent van het bbp uitkomt. Het beeld dat dan ontstaat lijkt een beetje op Japan, maar dan zonder de snelle treinen en zonder de sociale samenhang.

Maar het probleem is niet alleen dat het Westen trager groeit. China wordt tegelijkertijd steeds concurrerender, als industriële grootmacht én als wereldwijd centrum voor innovatie. Begin deze eeuw, toen China mocht toetreden tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO), was de heersende gedachte dat de Verenigde Staten zich geleidelijk zouden de-industrialiseren en zich meer zouden richten op de hoogwaardige delen van de productieketen. Het vuile en arbeidsintensieve werk zou dan worden overgelaten aan armere en minder innovatieve landen. Een bekend voorbeeld van die logica was de Apple iPhone. De telefoon werd weliswaar in Azië geassembleerd, maar ontworpen in Californië, de thuisbasis van ’s werelds grootste technologiebedrijf, dat ook het eerste bedrijf was dat een marktwaarde van één biljoen dollar bereikte.

Tegenwoordig ontwikkelt China echter zijn eigen varianten van de iPhone, van merken als Xiaomi tot Huawei, terwijl het land nog steeds bijna een derde van de wereldwijde industriële productie voor zijn rekening neemt. Daarnaast groeit de Chinese auto-industrie razendsnel. BYD is inmiddels ’s werelds grootste producent van elektrische auto’s en heeft Tesla enkele jaren geleden ingehaald. Ook op andere terreinen blijft China invloedrijk. Huawei is, ondanks dat het op verschillende westerse markten is verboden, nog altijd een wereldleider op het gebied van 5G-netwerken.

China bouwt ook een steeds grotere voorsprong op in sectoren zoals lithium-ionbatterijen, zonnecellen en drones. Zes van de tien grootste accuproducenten ter wereld zijn Chinees, en het land produceert ongeveer negentig procent van alle consumentendrones. De innovatiekloof op deze terreinen lijkt bovendien alleen maar groter te worden. Veelzeggend is dat BYD momenteel alleen al meer dan honderdduizend mensen in dienst heeft voor onderzoek en ontwikkeling.

Tot slot is er het opvallende succes van China op het gebied van hernieuwbare energie. Negen van de tien zonnepanelen ter wereld worden in China geproduceerd. Nu wereldwijd bijna de helft van alle elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen komt – waarbij zonne-energie verreweg de belangrijkste is – levert dat China enorme exportmogelijkheden op. In 2025 groeide de wereldwijde zonne-energiecapaciteit met 511 gigawatt, en vrijwel al die nieuwe capaciteit kwam van panelen die in het Rijk van het Midden zijn gemaakt.

De Iran-oorlog lijkt deze ontwikkeling nog te versnellen. Niet alleen omdat zij de industriële kracht van China benadrukt, maar ook omdat zij de voordelen zichtbaar maakt van een zogeheten planningsstaat, waarin particuliere bedrijven nauw samenwerken met de overheid. De strategie van Iran om zijn strategische ligging te gebruiken om een belangrijk economisch knelpunt te blokkeren en zo een wereldwijde energiecrisis te veroorzaken, kan ertoe leiden dat Peking uiteindelijk de grootste winnaar van het conflict wordt.

In de eerste dagen van de oorlog verschenen vaak beweringen dat de aanvallen op zowel Iran als Venezuela deel uitmaakten van een nieuw geopolitiek ‘Great Game,’ waarbij de Verenigde Staten probeerden de toegang van China tot goedkope fossiele brandstoffen te ondermijnen. Maar afgezien van het feit dat Iran slechts ongeveer twaalf procent van de Chinese energievoorziening leverde, waren het in werkelijkheid vooral de traditionele bondgenoten van Amerika – met name in Europa en Oost-Azië – die het meest kwetsbaar waren voor een blokkade van de Straat van Hormuz. De zogeheten Pax Americana berustte namelijk niet alleen op Amerikaanse veiligheidsgaranties voor deze regio’s, maar ook op het garanderen van een stabiele en goedkope energievoorziening. Wanneer dat fundament wankelt, komt niet alleen de energiehandel in gevaar – ongeveer een vijfde van de wereldwijde oliehandel loopt via de Straat van Hormuz – maar ook de bredere economische stabiliteit. Die veronderstellingen staan nu onder druk. En daarmee staat ook de geloofwaardigheid van de Amerikaanse wereldorde zelf op het spel.

Peking heeft zich goed op dit moment voorbereid. China is niet alleen een netto-exporteur van geraffineerde olie, maar beschikt ook over een strategische reserve van ongeveer 1,3 miljard vaten aardolie, genoeg om ongeveer drie maanden aan binnenlandse vraag te dekken. Daardoor kan de Chinese staat, terwijl de energieprijzen voor buitenlandse concurrenten stijgen, de energieprijzen voor binnenlandse fabrikanten stabiel houden. Dat geeft Chinese bedrijven een belangrijk voordeel. Bovendien zullen Chinese exporteurs hier op een unieke manier van profiteren: niet alleen door de stabiele energieprijzen in eigen land, maar ook doordat in veel sectoren de wereldwijde vraag toeneemt. Voor bedrijven als BYD, CATL (een grote batterijfabrikant) en LONGI (producent van zonnepanelen) lijkt een ideaal scenario te ontstaan. Deze bedrijven hebben jarenlang geïnvesteerd in het ontwikkelen van zeer efficiënte technologie voor hernieuwbare energie, ondersteund door sterk geoptimaliseerde wereldwijde toeleveringsketens. Tot voor kort leek dat misschien een risicovolle strategie. Maar de komende weken en maanden kan de wereldwijde vraag naar deze producten sterk toenemen.

Zelfs voordat de stroom aan nieuwe bestellingen op gang kwam, zagen Chinese producenten van lithium-ionbatterijen hun gezamenlijke beurswaarde al met zeventig miljard dollar stijgen in de eerste fase van de oorlog. Vorige week kondigde de Indonesische president plannen aan om de zonne-energiecapaciteit van het land in de komende twee jaar bijna te vertienvoudigen, van elf gigawatt naar honderd gigawatt. ‘We gaan alle motorfietsen ombouwen tot elektrische motorfietsen,’ zei hij. ‘Ook alle auto’s, vrachtwagens en tractoren moeten elektrisch worden.’ De Zuid-Koreaanse president Lee Jae Myung heeft soortgelijke uitspraken gedaan. Hij voegde eraan toe dat de noodzaak om snel over te schakelen op hernieuwbare energie zó urgent is dat het hem ’s nachts wakker houdt.

Als zulke plannen werkelijkheid worden, betekent dat dat er honderden miljarden dollars zullen worden besteed aan Chinese producten. Dat zou niet alleen een enorme exportimpuls geven aan de Chinese cleantechsector, die al decennialang profiteert van staatssteun, maar het laat ook iets anders zien: de vooruitziende blik van de Chinese planningsstaat. Tegen het einde van dit decennium zal namelijk bijna de helft van het kobalt dat in Congo wordt gewonnen in handen zijn van Chinese bedrijven, terwijl ongeveer zeventig procent van de raffinage in China zelf plaatsvindt. Dat is belangrijk omdat kobalt een essentieel onderdeel is van lithium-ionbatterijen. Terwijl Washington een reeks kostbare oorlogen voerde in het Midden-Oosten, heeft Peking zich verzekerd van toegang tot de kritieke mineralen die nodig zijn voor de belangrijkste technologieën van de 21e eeuw. Hetzelfde geldt voor grafiet en tantaal – waarbij dat laatste een cruciaal metaal is voor condensatoren, die op hun beurt onmisbaar zijn voor de stabiele werking van wind- en zonne-energie.

Als het gaat om zeldzame aardmetalen, heeft China inmiddels een belangrijk strategisch voordeel. Het land beschikt over grotere voorraden van deze grondstoffen dan enig ander land. Voor de Verenigde Staten is dat een zorgwekkende situatie, aangezien hun leger naar verluidt slechts genoeg reserves heeft voor ongeveer twee maanden gebruik. Hoewel zeldzame aardmetalen ook in andere landen voorkomen, bijvoorbeeld in Australië, heeft China momenteel bijna een monopolie op de raffinage en verwerking ervan. Als Washington werkelijk technologische onafhankelijkheid wil bereiken, zal het deze sector waarschijnlijk zelf moeten ontwikkelen. Vanuit militair perspectief is het belang van deze grondstoffen namelijk enorm. Zo zou één F-35-gevechtsvliegtuig alleen al honderden kilo’s zeldzame aardmetalen nodig hebben.

Maar zoals we al hebben gezien, is dat vrijwel onmogelijk te realiseren zolang de politieke consensus al lange tijd uitgaat van het idee dat industrie minder belangrijk is dan financiële dienstverlening, technologiebedrijven en verschillende vormen van rentenierschap. De winstmarges in sectoren als mijnbouw en grondstoffenverwerking kunnen weliswaar groot zijn, maar als ondernemingen bieden ze niet de schaalbaarheid waar het Amerikaanse techkapitaal naar zoekt. Wanneer je ondernemerschap bekijkt vanuit het perspectief van monopolies, zoals bijvoorbeeld Peter Thiel doet, worden deze sectoren al snel onaantrekkelijk. Ze kennen namelijk weinig netwerkeffecten en vereisen bovendien veel arbeid, wat ze minder aantrekkelijk maakt voor investeerders die vooral op snelle schaalvergroting mikken.

Zoals NS Lyons vorig jaar schreef op UnHerd, is het gebrek aan productiecapaciteit in het Westen een van zijn meest opvallende defensieve zwaktes. Zelfs nu, na jaren van oorlog in Oekraïne, kunnen Europa en de Verenigde Staten niet tippen aan het vermogen van Rusland om artilleriegranaten te produceren. Als het Westen al moeite heeft om gelijke tred te houden met Rusland – een land waarvan de industriële basis lang niet zo groot of productief is als die van China – rijst de vraag welke kansen het zou hebben in een langdurig conflict met Peking. In 2025 produceerde China bijvoorbeeld een half miljoen consumentendrones. Wat zo’n productiecapaciteit zou betekenen in een oorlogseconomie, is bijna niet te bevatten. Daarnaast is de scheepsbouwcapaciteit van China inmiddels meer dan tweehonderd keer zo groot als die van de Verenigde Staten.

De paraatheid van China – die voortkomt uit zijn afwijzing van strikt marktfundamentalisme – biedt nu, in combinatie met de oorlog tegen Iran, een historische kans om die voordelen verder uit te bouwen. De macht van China is niet het resultaat van een steeds groter militair-industrieel complex, maar van civiele industrieën van wereldklasse die klaarstaan om nog meer marktaandeel te veroveren. Naarmate deze industrieën de komende maanden en jaren verder groeien – mede aangejaagd door de oorlog van Trump en Netanyahu – ontstaat er een nog grotere industriële basis die in tijden van oorlog kan worden ingezet. Het idee dat herbewapening de weg zou zijn naar industriële vernieuwing voor Groot-Brittannië, zoals John Healey en een groot deel van de Labour-partij beweren, betekent dat men niet alleen weigert de belangrijkste lessen van de afgelopen vijfentwintig jaar te erkennen, maar zelfs die van de afgelopen maand. Mocht er ooit een oorlog met China uitbreken, dan zou de Volksrepubliek het Westen waarschijnlijk verslaan om precies dezelfde reden waarom zij nu profiteert van de wereldwijde vraag naar groene technologie: zij produceert daadwerkelijk goederen. Haar defensiecapaciteit rust op haar industriële basis, en niet andersom.

Hoewel sommigen de huidige ontwikkelingen in de Perzische Golf vergelijken met de Suezcrisis, lijkt het Amerikaanse-Israëlische falen om Teheran een beslissende nederlaag toe te brengen eerder op de betekenis van de val van Singapore voor het Britse Rijk. Met andere woorden: het zou misschien niet meteen het einde van de Pax Americana inhouden, maar wel het begin van het einde. De geleidelijke uitholling van bondgenootschappen, het afnemende vertrouwen in de competentie van de Verenigde Staten als hegemon, en de verminderde voordelen van het huisvesten van Amerikaanse militaire bases spelen allemaal een rol. Maar vooral het feit dat Washington een oorlog is begonnen die China’s voorsprong in industrie en technologie waarschijnlijk nog verder zal vergroten, laat zien dat de VS misschien wel hun meest roekeloze zet tot nu toe hebben gedaan.

Plotseling lijkt de toekomst zich dan ook duidelijker af te tekenen. Energiestabiliteit – of Europa nu meer van zijn eigen beperkte fossiele brandstoffen gebruikt of niet – zal vooral meer elektrificatie, meer batterijen en meer energieopslag vereisen. Kortom: het betekent een grotere inzet van technologieën waarin China nu al de onbetwiste marktleider is. En met technologische dominantie komt ook politieke invloed, waardoor de geopolitieke verhoudingen onvermijdelijk zullen verschuiven.

Dengs op één na beroemdste uitspraak ging over de rol van China op het wereldtoneel: ‘Verberg je kracht en wacht je tijd af.’ Met de huidige voorsprong van China – op het gebied van technologie, toeleveringsketens en steeds vaker ook moreel gezag – lijkt de tijd van het verbergen echter voorbij.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

De tweede oliecrisis is een feit

Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 17 maart 2026

Fotografie: Al-Monitor

door Amir Handjani

Amir Handjani is advocaat op het gebied van energierecht en bestuurslid van het Quincy Institute for Responsible Statecraft.

Epic Fury is veel erger dan 1973

Veel mensen van een bepaalde leeftijd denken aan 1973 wanneer zij op zoek zijn naar een historische parallel met de wereldwijde energiecrisis die voortvloeit uit de Derde Golfoorlog – het conflict dat de Amerikaanse president Donald Trump samen met Israël tegen Iran is begonnen. Hoewel de vergelijking met de oliecrisis van 1973 vaak te snel en zonder veel nuance wordt gemaakt, is zij in grote lijnen wel terecht. De Verenigde Staten en de rest van de wereld lijken opnieuw af te stevenen op een energiecrisis die even ingrijpend en historisch bepalend kan worden als de crisis die de jaren zeventig kenmerkte.

Er zijn inderdaad tal van aanwijzingen dat een tweede oliecrisis al is begonnen.

Op 17 oktober 1973 kondigden de Arabische leden van de OPEC een maandelijkse verlaging van de olieproductie met vijf procent aan. Dat deden zij nadat Verenigde Staten tijdens de Jom Kipoeroorlog wapens naar Israël hadden gevlogen. Kort daarna volgde een volledig olie-embargo tegen de Verenigde Staten en Nederland. Nederland had destijds een van de meest pro-Israëlische regeringen van Europa en werd bovendien gebruikt als uitvalsbasis voor Amerikaanse steun aan Israël.

De prijs van ruwe olie steeg in enkele weken tijd van drie dollar naar elf dollar per vat. In de Verenigde Staten gingen de benzineprijzen in november met veertig procent omhoog. Bij tankstations ontstonden lange rijen en de westerse wereld raakte in een diepe crisis. De Amerikaanse economie belandde in een periode van stagflatie – een combinatie van economische stagnatie en hoge inflatie – en bleef daar de rest van het decennium in vastzitten. Aan het einde van de jaren zeventig hield de toenmalige president Jimmy Carter een toespraak waarin hij sprak over een nationale ‘malaise’ en een ‘vertrouwenscrisis.’ Hij riep zijn landgenoten zelfs op om truien te dragen in plaats van extra brandstof te gebruiken om hun huizen te verwarmen.

Het embargo duurde vijf maanden, maar de gevolgen bleven bijna een decennium voelbaar. Japan, dat vrijwel al zijn olie moest importeren, herstructureerde zijn hele industriële basis. Het land richtte zich sterker op elektronica en brandstofefficiëntie, een omslag die de Japanse economie veel innovatiever maakte – iets waar de rest van de wereld de daaropvolgende twintig jaar met afgunst naar keek. De crisis leidde ook tot de oprichting van het International Energy Agency (IEA) en tot de eerste serieuze afspraken over strategische oliereserves, die vandaag de dag nog steeds bestaan. Nadat de wereldeconomie zo zwaar was getroffen, wilden landen beter samenwerken en hun beleid coördineren om voorbereid te zijn op een eventueel volgend olie-embargo.

Maar er is één belangrijk verschil tussen toen en nu. In 1973 ontstond de verstoring doordat olieproducerende landen bewust besloten de productie te verlagen. In theorie had de aanvoer dus weer snel kunnen herstellen zodra de politieke situatie veranderde.

Wat we nu meemaken, als gevolg van Trumps oorlog tegen Iran, is veel ingewikkelder. Het gaat om gesloten knelpunten in de scheepvaart, beschadigde infrastructuur, ontregelde verzekeringsmarkten en olievelden die – tijdelijk – worden stilgelegd. Bovendien is de schaal van de ontwrichting veel groter. Door de Straat van Hormuz gaan ongeveer twintig miljoen vaten olie per dag, ongeveer twintig procent van het wereldwijde verbruik en bijna een derde van alle olie die over zee wordt vervoerd. Het olie-embargo van 1973, hoe schadelijk dat ook was, kwam niet in de buurt van deze omvang. Het gaat hier om een ontwrichting van de olieaanvoer die is veroorzaakt door Iran als reactie op de aanval op Teheran door twee kernmachten. De gevolgen daarvan zullen niet snel onder controle zijn, laat staan eenvoudig ongedaan kunnen worden gemaakt.

De Straat van Hormuz is op het smalste punt 21 zeemijl breed. Daardoor is er ruimte voor twee scheepvaartroutes van elk ongeveer twee mijl breed, één voor elke richting van het verkeer. Onder normale omstandigheden passeren er dagelijks ongeveer honderd schepen door de Straat. Daarvan bestaat zestig tot zeventig procent uit olietankers of schepen die vloeibaar aardgas (LNG) vervoeren. Wat de export betreft neemt Saoedi-Arabië ongeveer 38 procent van de ruwe olie voor zijn rekening, Irak 22 procent en de Verenigde Arabische Emiraten 13 procent. Samen zijn de vijf grootste exporteurs goed voor 93 procent van alle ruwe olie die via deze doorgang wordt vervoerd.

Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten hebben pijpleidingen aangelegd om olie buiten de Straat van Hormuz om te kunnen vervoeren in noodsituaties. Samen kunnen deze leidingen ongeveer 2,6 miljoen vaten per dag transporteren, wat neerkomt op ongeveer een derde van de export uit de Golfregio. Irak en Koeweit beschikken echter niet over zo’n alternatieve route. Ook Qatar – dat ongeveer een vijfde van de wereldwijde export van LNG levert – heeft geen andere manier om zijn energie naar de wereldmarkt te brengen. Daarom gaat het hier om een structureel probleem dat niet eenvoudig kan worden opgelost door alleen de transportcapaciteit te vergroten.

Sinds 28 februari is de commerciële scheepvaart door de Straat van Hormuz vrijwel tot stilstand gekomen. In de eerste dagen daalde het tankerverkeer met ongeveer zeventig procent, waarna het bijna volledig wegviel. De sterk gestegen verzekeringspremies maakten het economisch onhaalbaar om nog door de Straat te varen. De meeste schepen die nog wel varen, behoren tot de zogenoemde ‘dark fleet’ van Iran – schepen die vaak buiten reguliere registraties en toezicht opereren. De Verenigde Staten hebben zich tot nu toe terughoudend opgesteld om deze schepen aan te vallen, uit vrees voor mogelijke vergeldingsacties van Iran tegen de energie-infrastructuur in de Golfregio. De P&I-verzekering voor oorlogsrisico’s (Protection and Indemnity) werd op 5 maart opgeschort. De regering van president Trump stelde nog voor om een vorm van staatsgarantie voor tankerverzekeringen in te voeren. Maar minister van Financiën Scott Bessent trok dat idee al snel weer in. Zo’n regeling zou betekenen dat de Amerikaanse belastingbetaler moet opdraaien voor beschadigde ladingen, terwijl de Amerikaanse marine duidelijk heeft gemaakt dat zij voorlopig niet in staat is om beschermende escortes voor tankers te leveren.

Kortom, zonder verzekering varen er geen schepen.

De productie van de drie belangrijkste zuidelijke olievelden van Irak is met ongeveer zeventig procent gedaald: van 4,3 miljoen naar circa 1,3 miljoen vaten per dag. De opslagcapaciteit op het land raakt inmiddels vol, omdat er geen mogelijkheid is om de ruwe olie af te voeren. Daardoor moeten olievelden worden stilgelegd. Zulke velden kunnen echter niet zomaar weer worden opgestart zodra er bijvoorbeeld een staakt-het-vuren komt. Factoren zoals de druk in het reservoir, de staat van de infrastructuur en beschadigde exportterminals spelen daarbij een rol. Al deze problemen hebben uiteindelijk gevolgen voor de wereldeconomie.

Het herstel zal in het beste geval weken duren, en in meer realistische scenario’s maanden. Toch gaat de markt er nog steeds van uit dat de productie relatief snel weer op gang kan komen. Die aanname heeft echter weinig basis in de werkelijkheid van het Midden-Oosten.

Brent crude oil, een belangrijke internationale oliebenchmark, wordt momenteel verhandeld voor ruim 106 dollar per vat. Dat is het getal dat de meeste aandacht trekt. Maar belangrijker is wat deze prijsstijging allemaal in gang zet en welke gevolgen zij heeft voor de wereldeconomie.

Vloeibaar petroleumgas en nafta – een vloeibare koolwaterstof die in de petrochemische industrie wordt gebruikt – worden in enorme hoeveelheden door de Perzische Golf vervoerd. Toch staan maar weinig mensen buiten de energiesector daarbij stil. Nafta is een belangrijke grondstof voor petrochemische fabrieken, die vooral geconcentreerd zijn in Noordoost-Azië. In deze fabrieken worden onder meer kunststoffen, meststoffen, verpakkingsmaterialen en landbouwchemicaliën geproduceerd – producten die essentieel zijn voor de voedselproductie. Wanneer de aanvoer van nafta wordt verstoord, merk je dat niet aan de benzinepomp. De gevolgen worden meestal pas zes tot twaalf weken later zichtbaar, bijvoorbeeld in de prijs van een zak meel, een fles bakolie of een doos ontbijtgranen.

We zagen dit al in slow motion gebeuren nadat Rusland in 2022 Oekraïne binnenviel. Russische en Oekraïense tarwe, maïs, zonnebloemolie en meststoffen werden weliswaar nooit officieel gesanctioneerd, maar de ontwrichting van de handelsfinanciering, van de scheepsverzekeringen en van de havenlogistiek was al genoeg om de voedselprijzen sterk te laten stijgen. Dat leidde tot een soort grondstoffen-‘supercyclus,’ die landen als Egypte, Libanon, Pakistan en Bangladesh bijzonder hard trof. Hun regeringen stonden al onder druk door de hoge uitgaven tijdens de coronapandemie en hadden nauwelijks financiële ruimte om deze nieuwe schok op te vangen. De Derde Golfoorlog dreigt een vergelijkbare ontwikkeling te veroorzaken, zij het op een veel grotere schaal.

Daarnaast is er nog het probleem van LNG. Qatar heeft force majeure afgekondigd voor zijn LNG-export, waardoor het tijdelijk niet meer gebonden is aan zijn leveringsverplichtingen. Dat gebeurde nadat droneaanvallen de exportinfrastructuur hadden beschadigd. Qatar levert ongeveer een vijfde van de wereldwijde LNG-voorziening. Volgens het IEA zou een volledige sluiting van de Straat van Hormuz ruim driehonderd miljoen kubieke meter gas per dag uit de wereldmarkt halen. Dat is ongeveer twee keer zoveel als de capaciteit van de Nord Stream-pijpleiding op zijn hoogtepunt. Er is nergens ter wereld voldoende extra liquefactiecapaciteit om dit verlies op te vangen. Australië, de Verenigde Staten en producenten in West-Afrika draaien al vrijwel op maximale capaciteit. Daardoor zullen Azië en Europa uiteindelijk met elkaar moeten concurreren om dezelfde LNG-ladingen. Dat drijft de prijzen op, en uiteindelijk betaalt de gewone consument daarvoor de rekening.

Als er binnen dertig tot zestig dagen een staakt-het-vuren komt en de scheepvaart daarna langzaam weer op gang komt, zal de prijs van Brent-olie waarschijnlijk tussen de 110 en 130 dollar per vat blijven. In dat geval zou het wereldwijde bbp minstens een half procentpunt lager uitvallen. Dat is echter het optimistische scenario. Het veronderstelt dat de politieke situatie snel stabiliseert in een regio waar gebeurtenissen juist vaak onverwacht escaleren.

Na negentig dagen wordt de vooruitzichten aanzienlijk somberder. Dan kunnen gesloten olievelden, beschadigde haveninfrastructuur, een ontregelde verzekeringsmarkt en beperkte opslagcapaciteit het herstel ernstig vertragen. In sommige gevallen kunnen deze factoren zelfs blijvende veranderingen veroorzaken in de productie van bepaalde olievelden. Een militaire woordvoerder van Iran heeft al publiekelijk gewaarschuwd dat de olieprijs dan kan oplopen tot tweehonderd dollar per vat. Analisten van Rystad Energy schatten dat de prijs van Brent crude oil in juni ongeveer 135 dollar per vat kan bereiken als de oorlog vier maanden aanhoudt. De financiële markten houden daar voorlopig nog geen rekening mee. Maar in februari 2020 hadden zij ook niet voorzien dat er een wereldwijde pandemie op komst was.

Het IEA, dat werd opgericht na de oliecrisis van 1973, heeft nu de grootste vrijgave van noodvoorraden in zijn vijftigjarige geschiedenis gecoördineerd. In totaal gaat het om vierhonderd miljoen vaten olie, verspreid over meer dan dertig landen. De Verenigde Staten leveren daarvan 172 miljoen vaten uit hun Strategic Petroleum Reserve. Het is een uitzonderlijke ingreep. Maar zoals analisten van Bernstein Research opmerken, compenseert deze hoeveelheid slechts ongeveer vijftien procent van de dagelijkse aanvoer die verloren is gegaan door de sluiting van de Straat van Hormuz. Bovendien duurt het zestig tot negentig dagen voordat deze olie daadwerkelijk op de markt komt. De maatregel koopt dus tijd, maar lost de onderliggende problemen niet fundamenteel op.

De Verenigde Staten zijn niet immuun voor zulke prijsstijgingen. De regering van president Trump heeft hard geprobeerd de inflatie onder controle te krijgen, maar die taak wordt een stuk moeilijker als de olieprijs langere tijd boven de honderd dollar per vat blijft. Woordvoerders van Trump wijzen vaak op de hoge binnenlandse olie- en gasproductie. Daarbij gaan ze echter voorbij aan het feit dat olie en gas wereldwijde, uitwisselbare grondstoffen zijn. Een verstoring van de aanvoer, zelfs duizenden kilometers verderop, kan de prijzen overal ter wereld opdrijven, tenzij Washington bereid zou zijn een exportverbod in te voeren.

Elders in de wereld is het beeld nog somberder. Als afnemers zijn China, India, Japan en Zuid-Korea samen goed voor ongeveer 75 procent van de ruwe olie die via de Perzische Golf wordt vervoerd. Alleen al China haalt meer dan de helft van zijn dagelijkse importbehoefte van ongeveer elf miljoen vaten olie uit het Midden-Oosten. Voor deze landen vormt de energieaanvoer uit de Golfregio letterlijk een levensader voor hun economische ontwikkeling.

En net als in 1973 zullen niet de mensen met de financiële hedges en de trading desks het zwaarst worden getroffen. De grootste klappen vallen bij gewone mensen. Zij staan bijvoorbeeld in Caïro in de rij om bakolie te kopen, of zien in Karachi hoe de prijs van meel onbetaalbaar wordt. Ook in de Verenigde Staten zullen veel laagbetaalde arbeiders, onder wie veel kiezers van president Trump, de gevolgen voelen wanneer zij hun auto moeten voltanken om naar hun werk te kunnen gaan. Een halve eeuw na de eerste oliecrisis kan een smalle zeestraat nog steeds voldoende zijn om de wereldeconomie ernstig te ontwrichten.

Vertaling: Menno Grootveld