Categorieën
Economie Politiek

Giorgia Meloni is geen radicaal

Oorspronkelijke tekst (Engels): Unherd, 27 september 2022

fotografie: UnHerd

door Thomas Fazi

Thomas Fazi is schrijver, journalist en vertaler. Zijn jongste boek Reclaiming the State verscheen bij Pluto Press.

De Italiaanse kiezers weten dat er niets zal veranderen

De internationale reactie op de (alom voorspelde) overwinning van Giorgia Meloni bij de Italiaanse verkiezingen van afgelopen zondag kan in twee kampen worden verdeeld: de linkse liberalen vrezen dat een centrumrechtse regering onder leiding van Meloni Italië in een ʻilliberale democratieʼ à la Hongarije zal storten, terwijl de rechtse partijen haar opkomst als een dodelijke bedreiging voor het ʻglobalistischeʼ regime van de EU beschouwen. Beide kampen zitten er even ver naast.

Misschien wel de meest veelzeggende reactie op de verkiezingen is die van de financiële markten: onverschilligheid. De beurs van Milaan steeg de maandagochtend na de verkiezingen zelfs, terwijl de spread tussen Italiaanse en Duitse staatsobligaties met een looptijd van tien jaar een kleine opleving kende, maar niet groter is geworden dan een maand geleden. De markten verwachten duidelijk niet dat Meloni veel zal afwijken van het macro-economische pad dat de technocraten in Brussel en Frankfurt voor het land hebben uitgestippeld en dat door Mario Draghi is verankerd – laat staan dat zij de EU de voet zal dwarszetten.

En terecht. Meloni heeft zich met volle overtuiging uitgesproken vóór de Europese Unie, het Euro-Atlantisch partnerschap en de NAVO, en heeft zelfs voor het sturen van wapens naar Oekraïne gestemd. Wat alle belangrijke kwesties van dit moment betreft, denken de markten terecht dat zij de lijn van het establishment zal volgen. Vandaar hun relatieve rust – in schril contrast met de turbulentie na de verkiezingen van 2018, toen de Vijfsterrenbeweging en de Lega aan de macht kwamen, die destijds nog vrij eurosceptisch waren (voordat ze door het establishment van de EU tot overgave werden gedwongen).

Meloni’s pro-establishment benadering van het economisch beleid is niet alleen te wijten aan een gebrek aan verbeeldingskracht van haar kant, hoewel ze altijd vrij gangbare opvattingen over deze materie heeft gehad. Het is in de eerste plaats te wijten aan het feit dat ze zich er ten volle van bewust is dat Italië, door zijn toetreding tot de eenheidsmunt, niet langer een soeverein land is, en dat ze daarom de steun van het EU-establishment nodig heeft om aan de macht te blijven. Ze heeft in feite de les geleerd van de ʻpopulistischeʼ Vijfsterren-Lega-regering van 2018, toen de Europese autoriteiten hun toevlucht namen tot een breed scala aan instrumenten – waaronder financiële en politieke druk – om iedere potentiële afwijking van de status quo de kop in te drukken.

Tijdens een recente toespraak aan de Princeton-universiteit heeft de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, dit concept nader toegelicht. Op de vraag of zij zich zorgen maakte over de komende verkiezingen in Italië, antwoordde ze: ʻAls de dingen zich in “een moeilijke richting” bewegen, hebben we instrumenten [om met de situatie om te gaan].ʼ Daarmee liet ze zien hoe de heersende elites van de EU de lidstaten zien: niet als soevereine landen maar als protectoraten.

Meloni begrijpt dit. Een groot aantal Italianen begrijpt dit echter ook en deelt het oordeel van de financiële markten: de Italiaanse democratie is zó ingeperkt dat het niet meer uitmaakt wie de verkiezingen wint. Want ver weg van de gierende krantenkoppen was het meest opvallende aspect van de verkiezingen in feite de lage opkomst – 64 procent, de laagste in de geschiedenis van Italië. Dit betekent dat een derde van de Italianen niet heeft gestemd; deze mensen hebben de democratie opgegeven. Dit aantal zal alleen maar toenemen – een vernietigende aanklacht tegen de manier waarop de EU de Italiaanse democratie heeft uitgehold.

In die zin moet de overwinning van Meloni niet worden overdreven. Weliswaar is Broeders van Italië met 26 procent van de stemmen (tegen 4,4 procent in 2018) veruit de grootste partij van het land geworden – gevolgd door de Partito Democratico (19 procent) en de Vijfsterrenbeweging (15,6 procent) – maar dat is niets vergeleken met de 32,6 procent die de Vijfsterrenbeweging bij de verkiezingen van 2018 behaalde. Bovendien, als we kijken naar de totale aantallen, kregen de drie partijen van de centrum-rechtse coalitie – Broeders van Italië, Lega en Berlusconiʼs Forza Italia – gezamenlijk vrijwel hetzelfde aantal stemmen als in 2018: iets meer dan twaalf miljoen. Er is dus geen sprake van een massale ʻruk naar rechtsʼ onder het Italiaanse electoraat, zoals verschillende analisten hebben gesuggereerd; in feite zijn we vooral getuige geweest van een herschikking van de stemmen tussen de centrum-rechtse partijen.

Hetzelfde geldt voor de centrum-linkse coalitie – de Partito Democratico plus een stel kleinere partijen – die in totaal 7,2 miljoen stemmen haalde, slechts iets minder dan de 7,5 miljoen stemmen die zij in 2018 kreeg. Over het geheel genomen lijken de twee coalities dus een redelijk geconsolideerde basis te hebben die de afgelopen vier jaar grotendeels ongewijzigd is gebleven.

De echte uitschieter is de Vijfsterrenbeweging, die verbazingwekkend genoeg van 10,7 miljoen stemmen in 2018 naar 4,2 miljoen stemmen nu is gegaan – een verbijsterende daling van 6,5 miljoen. Interessant genoeg is zes miljoen ook het aantal mensen dat bij deze ronde niet is komen opdagen om te stemmen, in vergelijking met 2018. De implicaties zijn nogal duidelijk: voor miljoenen gemarginaliseerde, werkloze, precaire en lage-inkomensstemmers die hun hoop op een radicale breuk met de status quo hadden gevestigd op de Vijfsterrenbeweging – om vervolgens met lede ogen te moeten aanzien hoe die partij al haar beloften in de wind sloeg en zich in de loop van slechts een jaar aan het establishment verbond – heeft geen van de bestaande partijen iets te bieden, zelfs Broeders van Italië niet.

Hoewel Vijfsterrenleider Giuseppe Conte er de afgelopen weken in is geslaagd een klein deel van zijn achterban terug te winnen, vooral door de inkomenssteunregeling van de Vijfsterrenbeweging harder te verdedigen en kritiek te leveren op de militaire steun van Italië aan Oekraïne, was het voor de meeste kiezers een geval van te weinig en te laat. Veel van het anti-establishmentsentiment in de Italiaanse samenleving blijft dus springlevend; het heeft alleen geen politiek kanaal om zich te uiten.

Het zoeken naar diepgaande sociologische implicaties die de overwinning van Meloni zouden kunnen verklaren, is dan ook tijdverspilling. De meeste mensen die op haar gestemd hebben, hebben niet echt op haar gestemd; ze verwachten althans niet dat ze het land op een betekenisvolle manier zal veranderen. Er is geen echte volksbeweging of sociale basis die Meloni steunt. Simpel gezegd was het voor de meeste centrumrechtse kiezers eenvoudigweg ʻhaar beurt.ʼ

Wat zal ze kunnen laten zien? Niet veel, aangezien het onwaarschijnlijk is dat Meloni het economische kader van de EU ter discussie zal stellen en omdat Brussel, samen met haar handlanger, de Italiaanse president, de ʻrechtsstaatʼ-kwesties nauwlettend in de gaten zal houden. Sommigen vinden dit misschien geruststellend. Maar nu Italië (en Europa als geheel) een zeer turbulente winter tegemoet gaat – die instrumenten voor economisch ingrijpen zal vereisen die Meloni niet heeft – zullen velen misschien de deugden van de Europese ʻbeperkte democratieʼ willen heroverwegen. En laten we niet vergeten: in Italië kan zó weer een nieuwe technocratische regering aantreden…

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Een regering-Truss betekent de terugkeer van radicaal rechts

Oorspronkelijke tekst (Engels): New Statesman, 31 augustus 2022

fotografie: Daily Record

door Andrew Marr

Andrew Marr is politiek redacteur van de New Statesman. Hij is een voormalig politiek redacteur van BBC News, en momenteel presentator van Tonight with Andrew Marr op LBC radio.

Terwijl een zware winter voor de deur staat, dreigen de vermoedelijke nieuwe premier en haar bende vrijemarktideologen Groot-Brittannië verder mee te sleuren in een economische catastrofe

De winter komt eraan. Er is deze zomer niets gebeurd, en dat is heel belangrijk. Met ʻnietsʼ bedoel ik de strijd om het leiderschap van de Britse Conservatieven, ondanks alle respect voor de verschillende organisaties en individuen die bijeenkomsten hebben georganiseerd. Aan het begin van het zomerreces van het Britse Lagerhuis in juli was het immers al overduidelijk dat Liz Truss Rishi Sunak zou verslaan.

Sindsdien zijn er veel grote woorden gevallen over gewonde hermelijnen, fantasie-economieën en nog veel meer. Intussen hebben we een verlamde regering zonder duidelijke nieuwe ideeën of beleid – en een voorsprong van Truss in de peilingen waar niets aan is veranderd. (Ik schrijf dit voordat de uitslag van de leiderschapsverkiezingen bekend is. Mocht Sunak tóch winnen, dan zal ik, net als alle andere commentatoren, volgende week misschien niet beschikbaar zijn om mijn excuses aan te bieden: ik zal dan plat op mijn rug liggen en te hard lachen om nog iets te kunnen doen).

Het ʻnietsʼ van deze strijd was van belang door wat er in de echte wereld daarbuiten gebeurde – het duizelingwekkende nieuws over torenhoge energierekeningen en de inflatie. Truss en Sunak spraken met een kleine, buitengewoon niet-representatieve groep mensen over belastingverlagingen en de beestachtigheid van buitenlanders. De meesten van ons maakten zich echter grote zorgen over de toestand van deze uitgedroogde en afbrokkelende archipel.

Geen wonder dat iets meer dan de helft van de kiezers volgens opiniepeiler Ipsos dit jaar nieuwe algemene verkiezingen wil, zodra de nieuwe premier is geïnstalleerd. Er moeten grote keuzes worden gemaakt, en dat moet op democratische wijze gebeuren. Helaas is daar weinig kans op.

Het resultaat is dat we nu een politieke paradox hebben die de komende twee jaar zal bepalen: één van de meest rechtse regeringen in honderd jaar – naar verwachting bestaand uit vrijemarktideologen en overtuigde Brexiteers – op een moment dat de stemming in het land sterk naar links is opgeschoven.

Waarom noem ik het de ʻmeest rechtseʼ? De belofte van Truss dat ze prioriteit zal geven aan belastingverlagingen boven ʻaalmoezenʼ is een wrede en naar ik denk onhoudbare keuze. Sunaks team noemt het regressief en gebrekkig, met weinig of geen hulp voor gezinnen met lagere inkomens.

Tenzij Truss de achterban van de Conservatieven opzettelijk misleidt, is dit wel waar we op af stevenen. Het geeft blijk van een soort rauwe eerlijkheid. Truss zegt dat haar beleid van belastingverlagingen niet inflatoir zal zijn, noch de voorzieningen zal schaden. Nou, dat zullen we snel genoeg zien. Ze denkt dat haar beleid tot een groeispurt zal leiden, die de crisis snel zal verlichten – zelfs als tienduizenden kleine bedrijven failliet dreigen te gaan door de hoge energierekeningen. Nou, nogmaals: laten we maar eens kijken.

Maar dit beleid is, tenzij er een ommekeer komt, zeer gevaarlijk. Of het nu gaat om de verlaging van de ziektekostenpremies of om het basistarief van de inkomstenbelasting, de geplande noodbegroting lijkt tot nu toe de mensen die het het hardst te verduren hebben buiten beschouwing te laten, en te weinig te bieden voor de rest. Paul Johnson, die aan het hoofd staat van het Institute for Fiscal Studies, heeft gezegd dat de plannen van Truss ʻde overheidsfinanciën volledig zullen ruïneren.ʼ Anderen zijn het daar niet mee eens. Natuurlijk zijn we er allemaal op tegen dat politici liegen, maar in dit geval hoop ik dat Truss haar woord niet zal houden.

Het is duidelijk dat zij volkomen gelijk heeft als ze zegt dat we meer groei nodig hebben. Op de middellange termijn is het begrotingsbeleid een volkomen redelijk instrument om dat te bereiken – al is het slechts een van de vele. Maar Groot-Brittannië staat voor een noodsituatie – een sociale en politieke noodsituatie, en een economische. En tenzij je accepteert dat het weigeren van iedereen om zijn rekeningen te betalen een vorm van ʻdereguleringʼ is (ik veronderstel dat dat letterlijk zo is), wat is dan het deregulerende vrije-markt antwoord op een noodsituatie die de armen het eerst en het hardst treft? Dat antwoord is er niet.

Maar deze keer zijn het natuurlijk niet alleen de armen. Relatief welvarende kiezers zullen eveneens drastisch moeten bezuinigen op hun uitgaven om hun energierekeningen te kunnen betalen. Nadhim Zahawi, de huidige minister van Financiën, heeft gezegd dat mensen met een middeninkomen, zoals hogere verpleegkundigen of leraren met een inkomen van 45.000 pond per jaar, het moeilijk zullen gaan krijgen. Alle lokale bedrijven zullen ten onder gaan. Café-eigenaren hebben op bijzonder luidruchtige wijze uiting gegeven aan hun ongenoegen, omdat van hen wordt verlangd dat zij enorme voorschotten betalen. Er wordt veel gesproken over ʻenergie-intensieveʼ bedrijven, maar in de moderne economie is het moeilijk bedrijven te bedenken die dat niet zijn. Tomatenkwekers, pluimveehouders, brouwerijen, zwembaden, staalfabrikanten, producenten van elektrische batterijen, cementfabrikanten, ingenieursbureaus… Dit is helaas een moment waarop alle crisissen zich tegelijkertijd voordoen.

Zal de stemming echter in die mate veranderen dat het land naar links opschuift? Dat is uiteraard een subjectief oordeel. Maar er zijn behoorlijk veel aanwijzingen die deze stelling ondersteunen: peilingen tonen aan dat de helft van de Tory-stemmers (en driekwart van de Labour-stemmers) vóór de nationalisatie van de energiebedrijven is; bijna de helft van het land steunt de stakende spoorwegwerknemers; en Labour gaat aan kop in de peilingen, met wel vijftien procent. Politiek gezien is het weer omgeslagen.

Er zijn ook nog andere krachten in het spel. De pandemie heeft ons herinnerd aan de waarde van een sterke staat. De oorlog in Europa maakt dit eveneens duidelijk. Dat geldt ook voor de mislukkingen van geprivatiseerde natuurlijke monopolies zoals het waterbedrijf. Maar de ideologische strijd die voor ons ligt zal hevig zijn. De echte strijd, en de enige strijd waarvan we iets zullen merken, vindt nu plaats op het ministerie van Financiën. Zowel Iain Duncan Smith, de voormalige Tory-leider, als John Redwood is getipt als kandidaat-minister. Beiden zijn hardcore: beiden hebben in het verleden gepleit voor inkrimping van de staat. Beiden zijn hartstochtelijke critici van de Bank of England en van haar falen om de inflatie eerder onder controle te krijgen. (Hoewel het interessant zal zijn te vernemen hoeveel Conservatieven de stijgende rentetarieven zullen toejuichen die daarvoor nodig zijn).

Laat ik het allemaal eens samenvatten. Tenzij Liz Truss haar kernbeloften niet nakomt, moeten we ons voorbereiden op een sensationele politieke confrontatie met een belastingverlagende, op een kleine overheid gerichte vrije-marktregering, in een tijd van economische ineenstorting.

Met het oog op de komende prijsstijgingen – en de gevolgen daarvan voor miljoenen Britten en een groot deel van de economische activiteit – is het duidelijk geworden dat een radicale noodaanpak de enige is die kan slagen. Dat betekent, zoals Labour eist, een maximering van de energieprijzen. Nog beter is dit te baseren op een sociaal tarief om de mensen met een laag inkomen te helpen, zoals de Resolution Foundation heeft voorgesteld.

Verder betekent dit dat het huidige systeem van toezicht moet worden afgeschaft, dat de torenhoge gasprijzen tot maatstaf maakt voor de elektriciteitsprijzen in het algemeen, ook al zijn kernenergie, windenergie en waterkracht veel goedkoper geworden. Deze radicale ingreep in de markt wordt aanbevolen door linkse economen zoals Richard Murphy, die het Tax Justice Network heeft opgericht. Het wordt verafschuwd door de energiebedrijven, die een systeem aanprijzen waarbij de belastingbetaler hun winsten op de langere termijn subsidieert, ook al is hun bedrijfsmodel in feite kapot. Een soortgelijke radicale marktinterventie wordt actief besproken in de Europese Unie – waardoor iets dergelijks vermoedelijk kan worden uitgesloten onder een regering-Truss.

De noodhulpaanpak betekent een confrontatie met de grote bedrijven en een nieuwe, enorme ronde van staatsleningen. Op dit punt zou het ministerie van Financiën kunnen aankloppen bij de Bank of England voor steun – ook al hebben de nieuwe premier en haar bondgenoten hun uiterste best gedaan om de BoE tot vijand te maken, naast de BBC, de Franse president en vele anderen.

Maar wat is er zo gevaarlijk dat het de moeite waard is om zó ver te gaan op de weg van een noodbeleid? Kortweg geformuleerd: sociale ineenstorting. De Britten staan te boek als een flegmatiek volk. Ze klagen, maar ze rellen niet. Ze betalen hun rekeningen, staan vrolijk in de rij, maken graag lange dagen en lossen de ergste problemen liever op met een kopje thee in plaats van met een molotovcocktail. Maar we staan misschien op het punt om te ontdekken dat het zelfs de Britten allemaal te veel kan worden.

Veel mensen voelen zich op dit moment hetzelfde. Een columnist maakt zich niet bijster populair als hij steevast een schril beeld van de situatie schetst. En als iemand die de zomer heeft doorgebracht met het observeren van vriendelijke, vreedzame mensen die zich vermaken in parken en pubs, en die zelfs herhaaldelijk in de zee van Devon heeft gezwommen, zonder ook maar een glimp van een drol te ontwaren, ben ik er huiverig voor om als zuurpruim te worden gezien.

Niettemin zijn de cijfers verschrikkelijk. Mensen die niet fatsoenlijk kunnen eten en zichzelf niet warm kunnen houden, kunnen zich onvoorspelbaar gedragen. Paul Goodman, voormalig parlementslid voor de Conservatieven en redacteur van ConservativeHome, zegt dat Liz Truss ʻop het punt staat te verdwijnen in een economische sneeuwstorm.ʼ De financieel journalist Martin Lewis voorspelt een ʻnationaal cataclysme.ʼ Stephen Crabb, het Welshe parlementslid voor de Conservatieven en een voormalig minister, vreest dat er de komende maanden een ʻsociale en economische catastrofeʼ zal plaatsvinden.

En dus liggen eindelijk de kaarten op tafel. Ik verwacht dat premier Truss – die aan het hoofd staat van een verdeelde partij, geen eigen nationaal mandaat heeft en omringd is met bewijzen van een ineenstorting die veelzijdiger en moeilijker op te lossen is dan die van na de financiële crisis van 2008 – haar beloofde belastingverlagingsagenda drastisch zal inperken, en zal kiezen voor een breed en genereus programma van noodsteun voor gezinnen en bedrijven.

Het zou belachelijk zijn om te denken dat een rechts-conservatieve regering deze adviezen van de New Statesman zou opvolgen. Maar als ze dat wel zou doen, zou Truss haar regering in ieder geval een kans geven. Doet ze dat niet, dan stevent ze af op een politieke ramp (wat prima zou zijn), terwijl ze de rest van ons zal meesleuren de afgrond in (wat absoluut niet prima is). Ben je nu echt een zuurpruim als je nog één keer, heel voorzichtig, zegt dat de winter eraan komt?

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Hoe Mario Draghi Italië kapot heeft gemaakt

Oorspronkelijke tekst (Engels): Unherd, 25 juli 2022

fotografie: UnHerd

door Thomas Fazi

Thomas Fazi is schrijver, journalist en vertaler. Zijn laatste boek Reclaiming the State verscheen bij Pluto Press.

Er broeit een crisis in de straten van Europa

Het aftreden van Mario Draghi heeft het Italiaanse – en zelfs het internationale – establishment met afgrijzen vervuld. Dat is geen verrassing. Toen hij begin vorig jaar werd voorgedragen als premier van Italië, verwelkomden de politieke en economische elites van Europa zijn komst als een wonder. Vrijwel alle partijen in het Italiaanse parlement – inclusief de twee voorheen ʻpopulistischeʼ partijen die in 2018 de verkiezingen wonnen, de Vijfsterrenbeweging en de Liga – boden hun steun aan. De toon van de discussie werd goed getroffen door de machtige gouverneur van de regio Campanië, Vincenzo De Luca (PD), die Draghi vergeleek met ʻChristusʼ zelf.

Iedereen was het erover eens: een regering-Draghi zou een zegen zijn voor het land, een laatste kans om zijn zonden goed te maken en ʻItalië weer groot te maken.ʼ Draghi, zo zeiden zij, zou alleen al door zijn ʻcharisma,ʼ ʻcompetentie,ʼ ʻintelligentieʼ en ʻinternationale slagkrachtʼ de obligatiemarkten koest kunnen houden, de broodnodige hervormingen kunnen doorvoeren en de stagnerende Italiaanse economie weer op gang kunnen brengen.

Helaas heeft de realiteit niet helemaal aan de verwachtingen voldaan: Draghi laat een land achter dat aan flarden ligt. De jongste macro-economische prognose van de Europese Commissie voorspelt dat Italië volgend jaar de traagste economische groei in het blok zal kennen, namelijk slechts 0,9 procent, door toedoen van een daling van de consumentenbestedingen door stijgende prijzen en lagere bedrijfsinvesteringen – een gevolg van stijgende leen- en energiekosten, alsook van ontwrichtingen in de levering van Russisch gas.

Italië heeft ook te maken met een van de snelst stijgende inflatiepercentages van Europa, momenteel 8,6 procent, het hoogste niveau in ruim drie decennia. De rente op Italiaanse staatsobligaties is ook gestaag gestegen sinds Draghi aan de macht kwam, en is onder zijn toezicht verviervoudigd; vandaag staat de rente op het hoogste niveau in bijna tien jaar.

En deze ʻpolycrisisʼ heeft zijn tol geëist in de Italiaanse samenleving: 5,6 miljoen Italianen – bijna tien procent van de bevolking, waaronder 1,4 miljoen minderjarigen – leven momenteel in absolute armoede, het hoogste niveau ooit. Velen van hen hebben werk, en dat aantal zal nog toenemen aangezien de reële lonen in Italië blijven dalen in het hoogste tempo binnen het blok. Ondertussen dreigen bijna honderdduizend kleine en middelgrote ondernemingen insolvent te worden – een stijging met twee procent ten opzichte van vorig jaar.

Tot zover dus ʻSuper Mario.ʼ Natuurlijk kan men aanvoeren dat andere landen met soortgelijke problemen kampen, maar het zou een vergissing zijn om Draghi vrijuit te laten gaan. Hij was een van de grootste voorstanders van de maatregelen die tot deze situatie hebben geleid en een drijvende kracht achter de strenge EU-sancties tegen Moskou – sancties die de Europese economieën lamleggen, terwijl ze Rusland grotendeels ongedeerd laten.

Draghi pochte zelfs over de doortastende maatregelen die Italië had genomen om het land van het Russische gas af te helpen – het resultaat is dat Italië nu de hoogste groothandelsprijzen voor elektriciteit in de hele EU betaalt. De absurditeit van dit beleid wordt duidelijk als we kijken naar zijn poging om de afhankelijkheid van Italië van Russisch gas te verminderen door een paar kolengestookte elektriciteitscentrales nieuw leven in te blazen – kolen die Italië grotendeels uit Rusland importeert.

Erger nog, Draghi heeft weinig of niets gedaan om loontrekkers, huishoudens en kleine bedrijven te beschermen tegen de gevolgen van dit beleid. De weinige ʻstructureleʼ maatregelen die zijn regering heeft genomen, waren allemaal gericht op privatisering, liberalisering, deregulering en begrotingsconsolidatie – zoals het openstellen voor privatisering van de weinige openbare diensten die buiten het bereik van de markt waren gebleven, het verder ʻflexibiliserenʼ van de arbeidsmarkt, het voor het eerst in decennia openbaar aanbesteden van privéstranden, of pogingen om taxidiensten uit te breiden met ridesharing-operators zoals Uber, wat tot massale protesten heeft geleid.

Voor iedereen die ook maar enig idee heeft van Draghiʼs ideologie is dit nauwelijks verrassend. Zoals ik al eerder heb betoogd, is Mario Draghi de lijfelijke incarnatie van het ʻneoliberalisme.ʼ Het is ook niet verrassend dat dit beleid niets heeft opgeleverd, gezien het feit dat de neoliberale logica van de EU, gebaseerd op privatisering, fiscale soberheid en druk op de lonen – bij de implementatie waarvan Draghi een cruciale rol heeft gespeeld sinds het begin van de jaren negentig – de belangrijkste reden is dat Italië zoʼn puinhoop is. Draghi heeft ook de wurggreep van de EU op de Italiaanse economie verder versterkt door onophoudelijk het verhaal te verspreiden dat Italië de Europese Covid-herstelfondsen hard nodig had om zijn economie weer op gang te brengen, en dat het land, om toegang tot die fondsen te verkrijgen, ijverig de door Brussel geëiste hervormingen moest doorvoeren.

Macro-economisch gezien zijn de fondsen in kwestie echter een schijntje, en komen ze niet in de buurt van wat nodig zou zijn om een effect van betekenis te hebben op de Italiaanse economie. Maar er zijn wel zeer strikte voorwaarden aan verbonden. Dat is uiteindelijk waar het bij het Next Generation EU-ʻherstelfondsʼ om draait: meer controle van Brussel over het begrotingsbeleid van de lidstaten, en een versterking van het EU-stelsel van technocratische en autoritaire controle. En wie beter dan Draghi kon het verankeren van dergelijke maatregelen worden toevertrouwd? Zoals hij zelf opmerkte, betekende het ʻhervormingspadʼ dat zijn regering had uitgestippeld dat ʻwij de voorwaarden hebben geschapen om het [herstel van de EU] voort te zetten, ongeacht wie er [in de regering] zitʼ – en er zo voor te zorgen dat toekomstige regeringen niet van het rechte pad zouden afdwalen.

Draghi laat echter niet alleen een verschroeide economie achter zich, maar ook een diepgaand gebroken en verdeelde samenleving. Hij is de man die verantwoordelijk is voor het bedenken van het meest repressieve, discriminerende en segregerende massa-vaccinatiebeleid in het Westen, dat niet alleen miljoenen niet-gevaccineerden – waaronder kinderen – uit het sociale leven heeft geweerd, door de vaccinatiepaspoorten uit te breiden tot praktisch alle openbare ruimten, maar ook veel mensen heeft beperkt in hun mogelijkheden om te werken. Hij heeft er ook toe bijgedragen dat ongevaccineerden het mikpunt werden van institutioneel gesanctioneerde haatzaaierij, zoals toen hij de beruchte uitspraak deed: ʻAls je je niet laat vaccineren, word je ziek en ga je dood. Of je doodt anderen.ʼ

Dit alles zou een aanwijzing kunnen zijn waarom uit een recente opiniepeiling bleek dat vijftig procent van de Italianen niet gelukkig was met het werk van de regering. Ondanks deze weinig indrukwekkende resultaten werd het Italiaanse establishment, toen Draghi zijn voornemen bekendmaakte om af te treden, getroffen door een beroerte. In wat de geschiedenis zal ingaan als een van de meest pathetische demonstraties van het pluimstrijkerige conformisme van de Italiaanse samenleving, haastte bijna elke denkbare beroepsgroep zich om zijn eigen oproep te lanceren en Draghi te smeken aan te blijven – niet alleen rijke zakenlieden, zoals te verwachten was, maar ook artsen, apothekers, verpleegkundigen, burgemeesters, universiteitsdecanen, ngoʼs, progressieve intellectuelen en zelfs de CGIL, de grootste vakbond van het land.

Nog betreurenswaardiger is dat de Italiaanse media massaal aandacht hebben besteed aan diverse ʻpro-Draghi demonstratiesʼ – waarbij niet meer dan enkele tienduizenden mensen kwamen opdagen. Misschien wel het meest komisch is dat een van de grootste nieuwsagentschappen van het land, Adnkronos, zelfs meldde dat diverse daklozen naar voren waren gekomen om hun steun aan Draghi te betuigen. Een van hen werd geciteerd en zei: ʻDraghi maakt het verschil. Dankzij hem heeft Italië zijn prestige en geloofwaardigheid herwonnen. Als dakloze kan ik getuigen dat er nu meer aandacht voor ons is en dat is te danken aan Draghi.ʼ

Ook het westerse internationale establishment heeft zich volledig achter Draghi geschaard. Iedereen, van de Financial Times tot de Guardian en de EU-commissaris voor economie Paolo Gentiloni, kwam uitleggen wat een tragedie het zou zijn voor Italië – en zelfs voor Europa als geheel – als Draghi zou wegvallen. Gentiloni zei zelfs dat ʻeen perfecte stormʼ over het land zou razen als Draghi zou vertrekken, terwijl de Guardian zich beperkte tot het instrueren van de Italiaanse parlementsleden dat Draghi ʻvoor nu moet blijven.ʼ De New York Times beweerde zonder enige ironie dat het vertrek van Draghi een einde zou maken aan de ʻkorte gouden periodeʼ die hij voor Italië had ingeluid. Over buitenlandse actoren gesproken die zich met Italiaanse zaken bemoeien!

Waarom trokken drie partijen vorige week dan toch de stekker uit zijn regering, ondanks de enorme druk die er op hen werd uitgeoefend? Een deel van de verklaring ligt in de mate waarin Draghi erin geslaagd was partijen als de Vijfsterrenbeweging en de Liga van zich te vervreemden – hij weigerde met hen in discussie te gaan over welk beleid van zijn regering dan ook, of zelfs maar de meest schuchtere kritiek te onderkennen. Bij meer dan één gelegenheid heeft Draghi duidelijk gemaakt wat hij als de rol van het parlement beschouwde: de besluiten van de regering goedkeuren. Dit blijkt ook uit het misbruik dat Draghi maakte van het instrument van de vertrouwensstemming.

In zijn toespraak in de Senaat een paar weken geleden was Draghi nog explicieter: nadat hij had gezegd dat hij had besloten zijn aftreden te heroverwegen omdat ʻdat is wat het volk wil,ʼ vertelde hij het Parlement in feite dat hij alleen bereid was als premier aan te blijven als de partijen ermee zouden instemmen zich niet te bemoeien met toekomstige besluiten van zijn regering. Voor veel aanwezigen in het parlement gingen de arrogantie en megalomanie van Draghiʼs toespraak een stap te ver – en bovendien zeggen sommigen dat Berlusconi op het juiste moment wachtte om zich te wreken voor de keer dat hij door Draghi uit zijn ambt werd gezet, in 2011, toen Draghi president van de ECB was.

Het belang van de anti-Draghi-opstand in het parlement moet echter niet worden overschat. Uiteindelijk deed Draghi niet veel meer dan de partijen een ongemakkelijke waarheid voorhouden: ʻJullie hebben geen echte macht, accepteer dat gewoon.ʼ Maar dat is een waarheid die de politieke partijen niet willen accepteren. Uiteindelijk zijn ze niet bereid om de fundamentele tegenstelling onder ogen te zien tussen de formele institutionele architectuur van het land – die van een parlementaire democratie – en wat we de ʻfeitelijk bestaandeʼ institutionele architectuur zouden kunnen noemen, waarin het parlement en per definitie de politieke partijen bijna geen enkele macht hebben, omdat de regering zelf, in de context van de eurozone, weinig of geen economische autonomie heeft. De partijen weten dit, maar zijn niet bereid dit toe te geven (niet aan zichzelf, maar vooral niet tegenover hun kiezers).

Daardoor verkeren zij in een toestand van permanente cognitieve dissonantie, die leidt tot wat wij ʻde politieke cyclus van de externe dwangʼ zouden kunnen noemen. Net als in ʻnormaleʼ landen strijden partijen om consensus op basis van verschillende verkiezingsprogrammaʼs – en zoals zo vaak gebeurt, winnen de partijen die ʻveranderingʼ beloven. Maar anders dan in ʻnormaleʼ landen komen de partijen die in de regering komen er al snel achter dat zij niet beschikken over de ʻnormaleʼ instrumenten van economisch beleid, die nodig zijn om op sociaal-economisch gebied werkelijk iets te veranderen. In feite hebben ze weinig andere keus dan mee te gaan met wat Brussel en Frankfurt zeggen, en als ze niet meespelen staat de ECB altijd klaar om de druk op te voeren. Als de regering op dat moment niet terugkrabbelt, zal de ECB een regelrechte financiële crisis veroorzaken (denk aan Italië in 2011 of aan Griekenland in 2015) – wat er meestal toe leidt dat de politieke partijen zich tot door de EU gesteunde technocraten wenden om een probleem op te lossen dat de EU in de eerste plaats heeft gecreëerd.

Maar zelfs als de regering toegeeft, leidt de toenemende spanning tussen de eisen van de externe dwang en de eisen van de burgers, waartegen de partijen niet opgewassen zijn, ertoe dat zij zich tot technocraten wenden om de impasse op te lossen, door hen de maatregelen te laten uitvoeren waarvoor de partijen geen verantwoordelijkheid willen nemen. Vervolgens voelen de politieke partijen op een bepaald moment, meestal wanneer nieuwe verkiezingen naderen, de behoefte om zichzelf opnieuw te legitimeren in de ogen van de kiezers en dus de technocratische geest weer in de fles te stoppen – tot de volgende crisis, die een nieuwe cyclus in gang zet.

Dit is grotendeels het verhaal van wat er is gebeurd tussen 2018 en het vertrek van Draghi, toen de Vijfsterrenbeweging en de Liga zich in de loop van slechts een paar jaar van anti-EU-populisme naar Draghi bewogen. En de volgende verkiezingen zullen een nieuwe cyclus in gang zetten, die mogelijk zal worden bekroond door een centrumrechtse regering onder leiding van Giorgia Meloni. Maar naarmate de sociaal-economische situatie verder verslechtert, zullen ook deze cycli steeds korter worden. Een toekomstige centrumrechtse regering – ʻpopulistischʼ of niet – zou weinig of geen mogelijkheden hebben om de crises op te lossen die Draghi heeft achtergelaten. Zoals altijd zullen Brussel en Frankfurt de lakens uitdelen.

Met de lancering van haar recente Transmission Protection Instrument (TPI) heeft de ECB zichzelf een instrument verschaft dat haar technisch in staat stelt om ʻalles te doen wat nodig isʼ om de eurospreads te dichten en zo mogelijke toekomstige financiële crises af te wenden. Een dergelijke interventie is echter afhankelijk van de naleving van het begrotingskader van de EU en van de ʻhervormingenʼ die zijn uiteengezet in de ʻherstelfondsʼ-plannen van elk land – die al door Draghi zijn vergrendeld. Maar deze hervormingen zullen niets doen om de sociaal-economische crisis te beëindigen; integendeel, ze zullen de crisis alleen maar verergeren. Met andere woorden, de volgende Italiaanse regering zal, als ze financieel overeind wil blijven, weinig anders kunnen doen dan de economische dictaten van de EU op te volgen. Hoe lang zal het in een dergelijke context duren voordat de laatste restjes democratische legitimiteit in landen als Italië uiteenvallen? En wat dan? Uiteindelijk is het veel waarschijnlijker dat de volgende eurocrisis in de straten van Europa zal uitbreken dan op de financiële markten.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Krijgt Duitsland nu de genadeklap?

Oorspronkelijke tekst (Engels): Sidecar, 22 juli 2022

fotografie: Neue Zürcher Zeitung

door Marco d’Eramo

Marco d’Eramo is een Italiaans journalist. Hij was student van de Franse socioloog Pierre Bourdieu en een van de oprichters van het Italiaanse dagblad Il Manifesto, dat hij in 2012 verliet. Tegenwoordig schrijft hij voor de taz, New Left Review en MicroMega.

Wie de overwinnaar ook zal zijn, het wordt steeds minder duidelijk wat het zal betekenen om de oorlog in Oekraïne te winnen. Hoe groter de verwoestingen, des te hardnekkiger het conflict lijkt. Met een stijgend dodental en escalerende sancties lijken de doelstellingen van de strijdende partijen steeds ondoorgrondelijker. Wat zou Rusland winnen met de annexatie van een weggevaagde uithoek van Oekraïne, vergeleken met alles wat het zou verliezen? Waarom zou Oekraïne zichzelf de grond in boren om een regio te behouden die niet van Rusland wil worden losgemaakt? En met welk doel zou de NAVO een nieuw IJzeren Gordijn willen laten neerdalen en zo een Russisch-Chinees blok consolideren, dat zowel over grondstoffen als over geavanceerde technologie beschikt?

Toegegeven, de Verenigde Staten en hun bondgenoten voeren nu al geruime tijd oorlogen waarin een overwinning niet binnen handbereik ligt. Hoe had een overwinning in Irak eruit moeten zien? Als die had betekend dat het land in een islamitische kopie van Israël had moeten veranderen, was dit nooit een realistische uitkomst. Uiteindelijk werd Irak praktisch overgeleverd aan de Iraanse invloedssfeer, terwijl Afghanistan werd overgelaten aan Pakistan en China. (En dan hebben we het nog niet eens over de Syrische burgeroorlog.) Maar als het moeilijk is om een potentiële overwinnaar in Oekraïne te identificeren, is het veel makkelijker om de potentiële verliezers aan te wijzen. Zoals we zullen zien, zal een van die verliezers waarschijnlijk bestaan uit wat de Australische econoom Joseph Halevi het ʻDuitse blokʼ heeft genoemd: een reeks economisch met elkaar verbonden naties die zich uitstrekt van Zwitserland tot Hongarije.

Natuurlijk zijn we in de huidige omstandigheden allemaal min of meer verliezers. Toen de invasie begon, maakte iedereen zich in de eerste plaats zorgen over het aanbod van gas en benzine. Pas later kwam onder de aandacht van het publiek dat Rusland en Oekraïne veertien procent van de graanproductie in de wereld voor hun rekening nemen en tot 29 procent van de mondiale graanexport. Vervolgens werd onthuld dat zij verantwoordelijk zijn voor zeventien procent van de maïsexport en voor veertien procent van de gerstexport. Toen de speurtocht werd voortgezet, realiseerden analisten zich dat 76 procent van de zonnebloemproducten van de wereld uit deze twee staten afkomstig is. Rusland domineert ook de kunstmestmarkt, met een wereldwijd aandeel van ruim vijftig procent, wat verklaart waarom de blokkade landbouwproblemen heeft veroorzaakt tot in Brazilië toe.

Er lagen nog meer verrassingen in het verschiet. De oorlog trof niet alleen de olie- en gassector, maar ook nikkel. Rusland – de thuisbasis van Nornickel, een reus in deze sector – produceerde in 2021 195.000 ton nikkel, ofwel 7,2 procent van de wereldproductie. De invasie, in combinatie met de toegenomen vraag naar nikkel dat wordt gebruikt in elektriciteitsleidingen en elektrische voertuigen, deed de prijzen de hoogte inschieten. Ondertussen werd de mondiale supergeleiderindustrie, die rekenmachines en computerchips produceert, eveneens zwaar getroffen. De Russische staalindustrie stuurt neongas naar Oekraïne, waar het wordt gezuiverd voor gebruik in lithografische processen, zoals het aanbrengen van microschakelingen op siliciumchips. De belangrijkste productiecentra zijn Odessa en Mariupol (vandaar de niet aflatende strijd om deze gebieden). Oekraïne levert zeventig procent van al het neongas ter wereld, alsmede veertig procent van het krypton en dertig procent van het xenon; tot de belangrijkste afnemers behoren Zuid-Korea, China, de VS en Duitsland. Ook het aanbod van diverse andere ʻcrucialeʼ metalen is in gevaar, zoals het Columbia Center for Global Energy Policy in april meldde:

Andere metalen die van belang zijn in de Rusland-crisis zijn titanium, scandium en palladium. Titanium is van strategisch belang voor de ruimtevaart en defensietoepassingen, en Rusland is ʼs werelds op twee na grootste producent van titaniumspons, de specifieke toepassing die van cruciaal belang is voor titaniummetaal. Scandium wordt op grote schaal gebruikt in de lucht- en ruimtevaart- en defensiesector, en is een ander belangrijk metaal waarvan Rusland een van de drie grootste producenten ter wereld is. Palladium is een van de meest in het oog springende cruciale mineralen die door de Oekraïnecrisis zijn getroffen, omdat het een essentiële grondstof is voor de auto- en halfgeleiderindustrie, en Rusland bijna 37 procent van de wereldproductie levert. Russisch palladium illustreert een van de belangrijkste geopolitieke kenmerken van cruciale mineralen: alternatieve voorraden bevinden zich vaak op markten die even uitdagend zijn. De op één na grootste palladiumproducent is Zuid-Afrika, waar de mijnbouwsector het voorbije decennium geteisterd werd door stakingen.

Elke dag ontdekken we dus nieuwe problemen bij het loskoppelen van Rusland van de wereldeconomie. Dit komt deels doordat de sancties minder doeltreffend zijn gebleken dan voorspeld, ondanks de volhardende inspanningen van de VS en Europa. Tot dusver zijn er ten minste zes reeksen sancties geweest, de ene nog drastischer dan de andere: de verwijdering van Rusland uit het internationale financiële systeem, dat door SWIFT wordt beheerd; de bevriezing van de buitenlandse reserves van de Russische centrale bank, die ongeveer 630 miljard dollar bedroegen; de bevriezing van 600 miljoen dollar die Rusland bij Amerikaanse banken heeft gedeponeerd en de weigering om deze fondsen te aanvaarden als betaling voor de buitenlandse schuld van Rusland; de uitsluiting van de belangrijkste Russische banken uit de City van Londen; en de beperking van Russische depositoʼs bij Britse banken.

Westerse luchthavens (en het westerse luchtruim) zijn nu gesloten voor Russische vliegtuigen, en het is de Russische koopvaardijvloot verboden havens in het Westen aan te doen (Japan en Australië inbegrepen). De uitvoer van technologie naar Rusland is in de ban gedaan, evenals veel import uit Rusland. De Europese Unie heeft sancties ingesteld tegen 98 entiteiten en 1.158 personen, waaronder president Poetin en minister van Buitenlandse Zaken Lavrov; oligarchen met banden met het Kremlin, zoals Roman Abramovitsj; 351 afgevaardigden in de Doema; leden van de Nationale Veiligheidsraad van Rusland; hoge officieren van de strijdkrachten; ondernemers en financiers; propagandisten en acteurs. Alle westerse banken en de meeste westerse bedrijven hebben hun deuren in Rusland gesloten en hun filialen verkocht. Rusland heeft gereageerd door de uitvoer van ruim tweehonderd producten te verbieden, betaling in roebel te eisen voor de uitvoer van olie en gas, en de leveranties aan Polen, Bulgarije en Finland te blokkeren toen deze weigerden deze bepaling te aanvaarden.

Paradoxaal genoeg hebben bepaalde sancties Moskou echter in de kaart gespeeld. Het embargo op olie en gas heeft de Russische inkomsten doen stijgen door de prijsstijgingen die het heeft veroorzaakt, terwijl buitenlandse waarnemers opmerken dat de Russische supermarkschappen nog steeds goed gevuld lijken te zijn. In de eerste vier maanden van het jaar had de Russische handelsbalans met 96 miljard dollar het grootste overschot sinds 1994. Toch heeft de roebel zich, na de aanvankelijke ineenstorting tijdens de eerste oorlogsdagen, geleidelijk hersteld, zodat hij nu meer waard is dan vorig jaar. In 2021 waren er zeventig roebels nodig om een dollar te kopen. Op 7 maart dit jaar – de slechtste dag – was de prijs bijna verdubbeld; maar op 18 juli was hij weer gedaald naar 57 roebels.

De relatieve ondoeltreffendheid van de sancties was voorspelbaar. Als decennia van economische oorlogsvoering al niet in staat zijn gebleken om feitelijk weerloze regimes zoals Castroʼs Cuba (nu al ruim zeventig jaar het doelwit), het Bolivariaanse Venezuela (dertig jaar) of het Khomeinistische Iran (42 jaar Amerikaanse sancties, plus ongeveer tien jaar internationale maatregelen) ten val te brengen, dan is het moeilijk voorstelbaar dat zij een regimewisseling teweeg zullen brengen in een land als Rusland, dat zich daarop heeft voorbereid door zijn industriële basis te vernieuwen. Maar hoe ondoeltreffender de sancties, des te langer de oorlog zich voortsleept, van de ene escalatie in de andere, en des te meer de verdeeldheid zich verdiept die steeds onoplosbaarder lijkt. Inmiddels kunnen we ervan uitgaan dat de betrekkingen met Rusland voor ten minste enkele decennia verstoord zullen blijven (een betreurenswaardige situatie voor elke westerling die niet het geluk heeft gehad Moskou en Sint-Petersburg te bezoeken). Het nieuwe IJzeren Gordijn is neergedaald, en zal de komende jaren niet meer worden opgetrokken.

Dit zal de strategische plannen die het Duitse blok de afgelopen dertig jaar heeft nagestreefd, dwarsbomen. Haleviʼs stelling is dat Duitsland sinds de val van de Berlijnse Muur en de ineenstorting van de USSR heeft getracht een reeks onderling afhankelijke economieën op te bouwen, die nu in wezen neerkomen op één enkel economisch systeem. Deze groepering heeft een westelijke flank (Oostenrijk, Zwitserland, België en Nederland) en een oostelijke (de Tsjechische Republiek, Slowakije, Hongarije, Polen en Slovenië), met verschillende rollen en sectoren die over deze landen verdeeld zijn. Nederland fungeert als mondiaal platform en vervoersknooppunt; Tsjechië en Slowakije als zetels van de automobielindustrie; Oostenrijk en Zwitserland als producenten van geavanceerde technologie, enzovoort. Als Duitsland het hegemoniale centrum van dit blok is, moeten wij onze visie op zijn geopolitieke rol en mondiale betekenis herzien. In zijn geheel heeft het blok 196 miljoen inwoners tegen 83 miljoen in Duitsland zelf, en een bbp van 7,7 biljoen dollar tegen 3,8 biljoen voor Duitsland alleen. Daarmee is het de derde economische macht ter wereld – kleiner dan de VS en China, maar groter dan Japan.

Dit netwerk van betrekkingen is vooral zichtbaar wanneer we naar de handel kijken. De Duitse uitvoer naar Oostenrijk en Zwitserland – die samen 17 miljoen inwoners tellen – bedraagt 132 miljard euro, tegen 122 miljard euro naar de VS en 102 miljard euro naar Frankrijk. Wat de totale handel met Duitsland betreft, blijft Frankrijk (met zijn 67 miljoen inwoners) achter bij Nederland (met slechts 17 miljoen inwoners): 164 miljard euro om 206 miljard euro. Italië ontvangt ondertussen minder dan Polen, ondanks het feit dat het een grotere bevolking heeft (60 miljoen tegen 38 miljoen) en een inkomen per hoofd van de bevolking dat bijna twee keer zo hoog is. Dit is een spectaculaire ommekeer, aangezien in 2005, het jaar na de toetreding van Polen tot de EU, de handel van Duitsland met Polen slechts de helft bedroeg van die met Italië.

Het industriële apparaat van Duitsland is dus niet langer gericht op andere Europese partners, maar op het eigen economische blok enerzijds en de handel met China anderzijds. Beijing is nu Duitslands voornaamste handelspartner geworden, met een relatie ter waarde van 246 miljard euro. Ook de andere leden van het Duitse blok hebben de handel met China sterk zien toenemen. ʻAls we 2005 als referentie nemen,ʼ schrijft Halevi,

dat wil zeggen, het jaar onmiddellijk na de toetreding van de Oost-Europese landen tot de EU, is de waarde in dollars van Duitslands wereldwijde export van goederen tot 2021 met 67 procent gestegen, terwijl zijn handel met China meer dan verviervoudigd is. In dezelfde periode is de Franse en Italiaanse export naar China, ondanks een bijna verdrievoudiging, veel minder snel gegroeid dan die van de Duitse handel. Voor de landen van het Duitse blok heeft de integratie met Duitsland een ware explosie van de uitvoer naar China teweeggebracht, waarbij Duitsland niet alleen de weg voor deze landen heeft geëffend, maar ook banden tussen sectoren en individuele ondernemingen heeft gesmeed die op hun beurt hun lokale uitvoer stimuleren. Ten westen van Duitsland is de directe export van Nederland naar China sinds 2005 met minstens een factor vijf toegenomen, terwijl die van Zwitserland is vertwaalfvoudigd, waardoor dit land de op een na grootste Europese exporteur naar China is geworden. In België en Oostenrijk zijn deze tendensen veel minder uitgesproken. In het oosten is de uitvoer van Polen naar China met een factor 5,5 vermenigvuldigd, die van Hongarije met een factor 6, die van Tsjechië met een factor van ongeveer 10 en die van Slowakije met een factor van bijna 21. Het natuurlijke gevolg van dit proces is de vorming van een Euraziatische economische zone, een reële noodzaak voor China, zowel wegens zijn behoefte aan Russische grondstoffen, als wegens de groeiende knooppunten van de spoorwegen die Rusland, Kazachstan en Oekraïne doorkruisen. In het afgelopen decennium vertrokken de eerste konvooien goederentreinen vanuit China naar Dortmund en Nederland, nieuws dat zelfs door de Financial Times werd gemeld. De Duitsers hadden, althans in industriële kringen, de bedoeling synergieën tot stand te brengen tussen China, Rusland, Kazachstan, Oekraïne, en daarmee Europa en Duitsland. Met andere woorden, het was de bedoeling staten te integreren, waarbij logistieke, productieve en energie-exporterende zones (Rusland, Oekraïne, Kazachstan) en de invoer van industriële goederen, zowel uit China als uit Duitsland, werden samengebracht.

Hier kunnen we een glimp opvangen van het Teutoonse equivalent van de nieuwe Zijderoute – ook wel het Belt and Road Initiative genoemd – dat in 2013 door Xi Jinping werd gelanceerd. Volgens Halevi is het uiteindelijke doel van het Duitse blok de vorming van een Euraziatisch continentaal front met Duitsland en China als zijn twee uitersten, en Rusland als onmisbare verbindingsschakel. Dit verklaart de hardnekkigheid waarmee de Duitsers, tegen de belangen van Washington en de NAVO in, hebben aangedrongen op de gaspijpleiding Nordstream 2. Het eerste tastbare geopolitieke effect van de Oekraïne-oorlog was de ondergang van dit project.

De oorlog heeft effectief een einde gemaakt aan de droom van een gemeenschappelijke Euraziatische ruimte, omdat hij Duitsland dwingt zijn banden met China te verzwakken en het Russische communicatiekanaal tussen beide machten af te sluiten. Ook heeft de oorlog een einde gemaakt aan Duitslands gebruik van Rusland als achterland dat rijk is aan hulpbronnen en Lebensraum – of beter gezegd Großraum, in Carl Schmitts zin van de term. In plaats van een Grote Ruimte is Rusland nu een onoverkomelijk geopolitiek obstakel geworden. Dit zal de strategen van het Duitse blok dwingen hun hele plan te herzien, de verhouding tussen hun eigen sub-imperiale macht en het Amerikaanse imperium te heroverwegen, en tevens hun betrekkingen met andere Europese staten te herdefiniëren. Tegelijkertijd is het Duitse blok onder druk komen te staan door de tegenstrijdige belangen van zijn individuele leden. Een klein, maar veelzeggend feit geeft aan hoezeer de spelregels zijn veranderd: in mei van dit jaar kwam de Duitse maandelijkse handelsbalans voor het eerst sinds 1991 in het rood te staan. Het was niet veel (slechts ongeveer 1 miljard dollar), maar het was niettemin een handelstekort. Uit het Oekraïne-conflict tekent zich dus een situatie af die niet zonder historisch precedent is: de nederlaag van de Duitse strategie. Ook in de Derde Wereldoorlog lijken de Duitsers opnieuw de verliezers te zijn.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

De naderende stagflatiestorm

Oorspronkelijke tekst (Engels): Project Syndicate, 25 april 2022

fotografie: Concordia

door Nouriel Roubini

Nouriel Roubini was hoogleraar economie aan de Stern School of Business van de New York University. Hij heeft gewerkt voor het IMF, de US Federal Reserve en de Wereldbank.

Hoewel recente schokken de huidige inflatiegolf en de groeivertraging nog acuter hebben gemaakt, zijn zij niet bepaald de enige problemen van de wereldeconomie. Zelfs zonder die schokken zouden de vooruitzichten op de middellange termijn somberder worden als gevolg van een breed scala van economische, politieke, ecologische en demografische trends.

De nieuwe realiteit waarmee veel geavanceerde economieën en opkomende markten rekening moeten houden, is een hogere inflatie en een vertragende economische groei. En een belangrijke reden voor de huidige stagflatie is een reeks negatieve aanbodschokken die de productie hebben beperkt en de kosten hebben doen stijgen.

Dit hoeft niet te verbazen. De COVID-19-pandemie dwong veel sectoren tot sluiting, ontwrichtte de mondiale aanbodketens en leidde tot een kennelijk aanhoudende daling van het arbeidsaanbod, vooral in de Verenigde Staten. Daarna kwam de Russische invasie in Oekraïne, die de prijzen van energie, industriële metalen, voedsel en meststoffen heeft opgedreven. En vervolgens heeft China draconische COVID-19-lockdowns bevolen in belangrijke economische centra zoals Sjanghai, wat tot bijkomende ontwrichtingen van de aanbodketen en tot transportknelpunten heeft geleid. Maar zelfs zonder deze belangrijke kortetermijnfactoren zouden de vooruitzichten op de middellange termijn somberder worden. Er zijn tal van redenen om te vrezen dat de huidige stagflatoire omstandigheden de wereldeconomie zullen blijven kenmerken, met hogere inflatie, lagere groei en mogelijk recessies in tal van economieën tot gevolg.

Om te beginnen is er sinds de wereldwijde financiële crisis sprake van een demondialisering en een terugkeer naar verschillende vormen van protectionisme. Dit is het gevolg van geopolitieke factoren en binnenlands-politieke beweegredenen in landen waar grote bevolkingsgroepen zich ʻachtergelatenʼ voelen. De toenemende geopolitieke spanningen en het trauma in de aanbodketen als gevolg van de pandemie zullen waarschijnlijk leiden tot meer verplaatsing van de productie uit China en de opkomende markten, terug naar de geavanceerde economieën – of op zijn minst tot de verplaatsing (ʻnear-shoringʼ of ʻfriend-shoringʼ) naar clusters van politiek geallieerde landen. In beide gevallen zal de productie worden overgeheveld naar regioʼs en landen met hogere kosten. Bovendien zal de demografische vergrijzing in de geavanceerde economieën en in sommige belangrijke opkomende markten (zoals China, Rusland en Zuid-Korea) het aanbod van arbeidskrachten blijvend doen afnemen, wat tot looninflatie zal leiden. En omdat ouderen de neiging hebben hun spaargeld uit te geven zonder te werken, zal de groei van dit cohort de inflatiedruk doen toenemen en het groeipotentieel van de economie doen afnemen. Het aanhoudende politieke en economische verzet tegen immigratie in de ontwikkelde economieën zal eveneens het arbeidsaanbod verminderen en een opwaartse druk uitoefenen op de lonen. Decennialang heeft grootschalige immigratie de loonstijging in de geavanceerde economieën afgeremd. Maar die tijd lijkt voorbij te zijn.

Ook de nieuwe koude oorlog tussen de VS en China zal op grote schaal stagflatoire gevolgen hebben. De Chinees-Amerikaanse ontkoppeling impliceert fragmentatie van de wereldeconomie, balkanisering van de aanbodketens en striktere beperkingen op de handel in technologie, gegevens en informatie – sleutelelementen van toekomstige handelspatronen.

Ook de klimaatverandering zal tot stagflatie leiden. Droogtes beschadigen immers gewassen, ruïneren oogsten en drijven de voedselprijzen op, net zoals orkanen, overstromingen en de stijgende zeespiegel kapitaalvoorraden zullen vernietigen en de economische activiteit zullen ontwrichten. De agressieve decarbonisatie heeft geleid tot onderinvestering in koolstofgebaseerde capaciteit vóórdat hernieuwbare energiebronnen een schaal hebben bereikt die voldoende is om een verminderd aanbod van koolwaterstoffen te compenseren. Onder deze omstandigheden zijn scherpe pieken in de energieprijzen onvermijdelijk. En naarmate de energieprijs stijgt, zal ʻgroene inflatieʼ de prijzen treffen van de grondstoffen die worden gebruikt in zonnepanelen, batterijen, elektrische voertuigen en andere schone technologieën.

De volksgezondheid zal waarschijnlijk een andere factor zijn. Er is weinig gedaan om de volgende uitbraak van een besmettelijke ziekte te voorkomen, en we weten al dat pandemieën de mondiale aanbodketens verstoren en aanzetten tot protectionistisch beleid, omdat landen zich haasten om essentiële voorraden zoals voedsel, farmaceutische producten en persoonlijke beschermingsmiddelen te hamsteren. We moeten ons ook zorgen maken over cyberoorlogsvoering, die de productie ernstig kan verstoren, zoals recente aanvallen op pijpleidingen en vleesverwerkende bedrijven hebben aangetoond. Verwacht wordt dat dergelijke incidenten in de loop van de tijd vaker zullen voorkomen en ernstiger zullen worden. Als bedrijven en overheden zich hiertegen willen beschermen, zullen ze honderden miljarden dollars moeten uitgeven aan cyberbeveiliging, waardoor de kosten die aan de consument zullen worden doorberekend nog verder zullen oplopen. Deze factoren zullen het politieke verzet tegen de grote inkomens- en vermogensongelijkheid aanwakkeren, wat zal leiden tot meer overheidsuitgaven ter ondersteuning van werknemers, werklozen, kwetsbare minderheden en ʻachterblijvers.ʼ Pogingen om het inkomensaandeel van arbeid ten opzichte van kapitaal te verhogen, hoe goed bedoeld ook, impliceren meer arbeidsstrijd en een spiraal van loonprijsinflatie. Dan is er de oorlog van Rusland tegen Oekraïne, die de terugkeer inluidt van de nulsom-politiek van de grootmachten. Voor het eerst in vele decennia moeten we rekening houden met het risico van grootschalige militaire conflicten die de wereldhandel en -productie zullen verstoren. Bovendien zijn de sancties die worden gebruikt om staatsagressie af te schrikken en te bestraffen, op zichzelf óók stagflatoir. Vandaag is het Rusland tegen Oekraïne en het Westen. Morgen kan het Iran zijn dat overgaat tot kernwapens, Noord-Korea dat zich inlaat met nog meer nucleair gestunt, of China dat Taiwan probeert in te nemen. Elk van deze scenarioʼs kan leiden tot een hete oorlog met de VS. Tenslotte is het tot wapen maken van de Amerikaanse dollar – een centraal instrument bij de handhaving van sancties – eveneens stagflatoir. Niet alleen veroorzaakt dit beleid ernstige fricties in de internationale handel in goederen, diensten, grondstoffen en kapitaal; het moedigt de Amerikaanse rivalen tevens aan hun deviezenreserves te diversifiëren en niet langer uitsluitend in dollars gedenomineerde activa te gebruiken. Op den duur zou dit proces de dollar sterk kunnen verzwakken (waardoor de Amerikaanse invoer duurder zou worden en de inflatie zou worden aangewakkerd) en kunnen leiden tot het ontstaan van regionale monetaire stelsels, waardoor de wereldhandel en de financiële wereld nog verder zouden worden gebalkaniseerd.

Optimisten kunnen aanvoeren dat we er nog steeds op kunnen rekenen dat de technologische innovatie op den duur een desinflatoire druk zal uitoefenen. Dat mag waar zijn, maar de technologiefactor is ver in de minderheid vergeleken met de elf hierboven genoemde stagflatoire factoren. Bovendien blijft het effect van technologische veranderingen op de totale productiviteitsgroei onduidelijk in de gegevens, en zal de ontkoppeling tussen China en het Westen de invoering van betere of goedkopere technologieën wereldwijd beperken, waardoor de kosten zullen stijgen. (Een Westers 5G-systeem is momenteel bijvoorbeeld veel duurder dan een systeem van Huawei). In ieder geval zijn kunstmatige intelligentie, automatisering en robotica niet per se positief. Als ze zó ver verbeteren dat ze voor een betekenisvolle desinflatie kunnen zorgen, zullen ze waarschijnlijk ook hele beroepen en industrieën ontwrichten, waardoor de toch al grote verschillen in rijkdom en inkomen nog groter zullen worden. Dat zou een nog krachtiger politiek verzet uitlokken dan het verzet dat we al hebben gezien – met alle stagflatoire beleidsgevolgen die daar waarschijnlijk weer uit zullen voortvloeien.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Demondialisering

Oorspronkelijke tekst (Engels): Sidecar, 29 maart 2022

fotografie: Neue Zürcher Zeitung

door Marco dʼEramo

Marco d’Eramo is een Italiaans journalist. Hij was student van de Franse socioloog Pierre Bourdieu en een van de oprichters van het Italiaanse dagblad Il Manifesto, dat hij in 2012 verliet. Tegenwoordig schrijft hij voor de taz, New Left Review en MicroMega.

‘De Russische invasie van Oekraïne heeft een einde gemaakt aan de mondialisering die we de afgelopen drie decennia hebben meegemaakt,’ aldus Larry Fink, CEO van BlackRock, ’s werelds grootste beleggingsfirma, die tien biljoen dollar aan activa beheert. Ervan uitgaande dat de situatie niet verder uit de hand loopt – ‘duimen’ maar – is dit waarschijnlijk een van de langer durende uitkomsten van de oorlog (ook al ziet het plaatje er op dit moment nogal anders uit vanaf de puinhopen van het Europese slagveld).

Dat betekent niet dat de wereld onmiddellijk zal terugvallen op regionale economieën, douanegrenzen en beperkingen van de vrijheid van kapitaal. De mondialisering impliceert een materiële infrastructuur die veel te omvangrijk – Cyclopisch zelfs – is om met speels gemak te kunnen worden ontmanteld. Een blik op containerhavens als Busan of Rotterdam is genoeg om dit te bevestigen. Beter nog: kijk maar eens naar MarineTraffic, een site die alle schepen in beeld brengt die waar dan ook, wanneer dan ook ergens ter wereld op zee zijn. Het aantal is waarlijk verbijsterend.

Maar we mogen niet onderschatten wat er met de mondiale economie gebeurt, en met name met de financiële wereld. Want de huidige oorlog is niet alleen asymmetrisch; hij is ook hybride, in de zin dat hij op diverse schaakborden met verschillende arsenalen wordt uitgevochten. Aan de ene kant heb je Rusland, dat een conventionele oorlog voert tegen Oekraïne met tanks, raketten en bommen; maar de werkelijke tegenstander is de NAVO, en uiteindelijk de Verenigde Staten. Aan de andere kant heb je de VS, die een proxy-oorlog tegen Rusland voeren, en zich voorbereiden op een guerrilla-oorlog voor het geval dat Oekraïne gedeeltelijk of geheel wordt geannexeerd, terwijl ze tegelijkertijd een totale en rechtstreekse financieel-economische blokkade lanceren. Het is geen toeval dat de Franse minister van Financiën Bruno Le Maire het buitensluiten van Rusland van SWIFT een ‘financieel kernwapen’ heeft genoemd.

Het probleem met kernwapens – of ze nu echt of financieel zijn – is echter dat ze radioactieve fall-out creëren (ik heb recent geschreven over het gebruik en misbruik van sancties als imperiaal instrument). Waaraan in dit geval vooral schade is toegebracht is aan het geloof in de mondialisering zelf, en dus aan het fundament waarop die is gebouwd. Een gemondialiseerde economie berust op de veronderstelling dat de algehele orde belangrijker is dan de wederwaardigheden van individuele staten. Kapitaal kan zich alleen vrijelijk tussen banken in verschillende landen bewegen als het bij iedere willekeurige instelling even veilig is. Als zodanig is de mondialisering gebaseerd op de overtuiging dat er geen nationale elites zijn, maar slechts één enkele, mondiale elite, die onkwetsbaar is voor de wisselvalligheden van de staatspolitiek. Dit is een belofte waarmee de rijken zijn verleid in onderworpen landen, die zich tot dusver ondergeschikt hadden gevoeld aan de imperiale kern. Zij bood de provinciale elites een luchtspiegeling: het einde van hun onderworpenheid, en hun opname in de enige dominante macht op de planeet. Onder het regime van de mondialisering mag een magnaat uit welk land dan ook die een huis koopt in Londen of een bankrekening opent in New York verwachten dat zijn bezittingen veilig zijn, ongeacht de fluctuaties van de wereldwijde diplomatie. De slogan was ‘miljardairs van de wereld verenigt u’ (in één enkel transnationaal thuisland): een illusie die sindsdien door de Oekraïne-crisis aan flarden is geschoten.

Als het Verenigd Koninkrijk de bezittingen van Russische miljardairs in beslag neemt, waarom zouden andere buitenlandse magnaten dan hun kapitaal in Belgravia beleggen, wetende dat het een doelwit kan zijn als hun land uit de gratie raakt bij de Verenigde Staten? De miljardairs van de wereld beseffen dat hun veronderstelling dat geld niet stinkt, vals is; onder bepaalde omstandigheden stinkt het geld van bepaalde mensen wel degelijk, en behoorlijk ook. De inbeslagname van de buitenlandse reserves van Rusland is nog schokkender geweest. Zoals Adam Tooze in de New Statesman schrijft: ʻHet bevriezen van de Russische centrale bankreserves betekent het oversteken van de Rubicon. Het brengt conflict in het hart van het internationale monetaire systeem. Als de centrale bankreserves van een G20-lid die zijn toevertrouwd aan de rekeningen van een andere centrale bank van de G20 niet onaantastbaar zijn, dan is niets in de financiële wereld dat wél.ʼ Kortom, de oorlog heeft de mondialisering verwond door een verlies van vertrouwen in het primaat van financiën boven politiek teweeg te brengen – naast de materiële problemen van bevoorrading, aanbodketens en grondstoffen.

Het is geen toeval dat de heersende klasse in China het meest nerveus is over dergelijke zaken. De interventie van de Chinese onderminister van Buitenlandse Zaken Le Yucheng op een forum aan de Tsinghua Universiteit, een maand na de Russische invasie, was in dit verband verhelderend. Zijn krachtigste waarschuwing was dat

van de mondialisering geen ʻwapenʼ mag worden gemaakt … China heeft zich altijd verzet tegen unilaterale sancties die noch op het internationaal recht, noch op het mandaat van de Veiligheidsraad gebaseerd zijn. De geschiedenis heeft keer op keer aangetoond dat het opleggen van sancties in plaats van problemen op te lossen, hetzelfde is als ʻbrand blussen met brandhoutʼ en de zaken alleen maar erger zal maken. De mondialisering wordt als wapen gebruikt, en zelfs mensen uit de sport-, cultuur-, kunst- en amusementsgemeenschap worden niet gespaard. Het misbruik van sancties zal catastrofale gevolgen hebben voor de hele wereld.

Het is geen wonder dat China zich opwerpt als paladijn van de mondialisering. Het was de mondialisering die China in dertig jaar tijd tot de op één na grootste economische en militaire macht ter wereld heeft gemaakt. Iedere poging om China in te dammen impliceert een omkering van deze tendens, of op zijn minst een wijziging ervan. (In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, is er niet slechts één mogelijke vorm van mondialisering, maar zijn er vele; de mondialisering kan op verschillende manieren worden gestructureerd, volgens verschillende machtsconfiguraties).

De verkiezing van Donald Trump vormde een keerpunt in deze poging om China te verstikken en tegelijkertijd de mondialisering te vertragen. Die verkiezing moet echter worden gezien als onderdeel van een breder proces, waarin het cumulatieve effect van verschillende gebeurtenissen op een verschuiving in de mondiale evenwichten heeft geduid. De afgelopen zes jaar zijn we getuige geweest van een reeks ʻontkoppelingenʼ van mondiale interfaces en van een uiteenrafeling van transnationale knooppunten. Het presidentschap van Trump, voorafgegaan door de Brexit, werd gevolgd door de Covid-19-pandemie en de oorlog in Oekraïne. In al deze gevallen werd een bepaald aspect van de mondialisering ter discussie gesteld. De Brexit maakte een einde aan de integratie van Europa in de mondiale financiële markten die in Londen zijn gevestigd. Met Trump werden handelsoorlogen – die vroeger als een relikwie uit het verleden werden beschouwd – nieuw leven ingeblazen. Vervolgens ontwrichtte Covid cruciale aanbodketens; en nu heeft het Oekraïense conflict de geografie van de grondstoffenvoorziening op zijn kop gezet, terwijl de impact van het financiële kernwapen nog moet worden beoordeeld.

Het strategische debat in de VS over de manier waarop China moet worden aangepakt werd al aangezwengeld in de nasleep van de crisis van 2008, en ging door tijdens de ambtstermijn van Obama. Onder Amerikaanse beleidsmakers was er geen eenduidig antwoord op de opkomst van China, geen ʻmasterplan van het kapitaalʼ dat de orthodoxe marxisten van weleer zou hebben behaagd. In feite zijn er sinds het opduiken van deze kwestie pro- en anti-mondialistische facties geweest, die beide erkennen dat demondialisering de belangen van veel machtige economische actoren kan schaden en processen op gang kan brengen waarvan de gevolgen moeilijk in te schatten zijn.

Maar als de verkiezing van Trump de Amerikaanse elites ertoe heeft aangezet de wereldorde te heroverwegen, dan was het de pandemie die het gecompromitteerde karakter van de Chinese mondialisering aan het licht heeft gebracht. Het wordt niet vaak opgemerkt dat Covid-19 ruim twee jaar lang is gebruikt om de volledige afsluiting van China van de buitenwereld te rechtvaardigen: een afsluiting die niet meer had plaatsgevonden sinds de Qing-dynastie in de jaren dertig van de negentiende eeuw de invoer van opium trachtte te blokkeren. Het volledige verdwijnen van Chinese toeristen uit andere landen was slechts de meest zichtbare uiting daarvan. Vanuit een bepaald perspectief was Covid het vehikel voor de (althans gedeeltelijke) heroriëntering van Chinaʼs economie naar binnenlandse consumptie; hoewel ook hier slechts een tendens werd benadrukt die al vóór de verkiezing van Trump was begonnen.

De mondialisering, het Chinese handelsoverschot en het Amerikaanse handelstekort worden vaak samengevoegd tot een semi-mythisch verhaal. Dat verhaal houdt in dat China een deel van zijn overschot gebruikt om Amerikaanse staatsobligaties te kopen en zo het handelstekort van de VS – dat wil zeggen de Amerikaanse aankopen in China – rechtstreeks te financieren. Het is een feit dat dit tot 2011 waar was (we zien inderdaad een exponentiële toename van de aankoop van Amerikaanse staatsobligaties door de Chinese centrale bank aan het begin van deze eeuw). Maar het verhaal wordt onderbroken in 2012. Vanaf dat moment is het bedrag aan Amerikaanse staatsobligaties in Beijing niet toegenomen, maar juist langzaam geslonken. Hoewel het land jaarlijks een enorm handelsoverschot blijft opbouwen, is China gestopt met het kopen van nieuwe Amerikaanse obligaties en heeft het de obligaties die het al in bezit heeft slechts gedeeltelijk vernieuwd.

Bijna een kwart (7,6 biljoen dollar) van de Amerikaanse staatsschuld is in handen van derde landen, maar in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is de grootste bezitter van Amerikaanse schulden niet China (1,095 biljoen dollar in januari 2022), maar Japan (1,3 biljoen dollar). Olieproducerende landen als Saoedi-Arabië en de VAE zijn evenmin grote kopers van Amerikaanse staatsobligaties; integendeel. Nog significanter zijn de onevenredig grote bedragen die Luxemburg (311 miljard dollar), Zwitserland (299 miljard dollar) en de Kaaimaneilanden (271 miljard dollar) bezitten. Dit duidt erop dat supranationale entiteiten Amerikaanse schulden opkopen met behulp van hun eigen rekeningen in belastingparadijzen. Ter vergelijking: in januari bezaten buitenlanders ongeveer elf procent van de Chinese staatsobligaties, waarvan een kwart in handen was van Rusland. De bezorgdheid over de bevriezing van de Russische reserves door Washington kwam onmiddellijk tot uiting in de waarde van de Amerikaanse staatsobligaties, die in februari hun slechtste maand beleefden door de verhoging van de rentevoeten gekoppeld aan de verkoop (of niet-verlenging). Chinese commentatoren maakten zich onmiddellijk zorgen over de Amerikaanse reserves van het land, omdat zij vreesden dat deze op de lange termijn – indien het conflict met de Amerikanen zou escaleren – hetzelfde lot zouden ondergaan als die van Rusland.

Een monetaire storm is onwaarschijnlijk. Vermoedelijk zal de broekriem geleidelijk worden aangehaald, met weinig plotselinge schokken, om geen ineenstorting van de dollar (of revaluatie van de renminbi) uit te lokken. Toch blijven er breuken in de mondiale financiële betrekkingen bestaan, alsof het weefsel van de mondialisering is gescheurd. Het beste symbool hiervan is het uitgebreide ritueel dat zich ontwikkelt rond de G20-top, die in de herfst op het eiland Bali zal plaatsvinden. Om zout in de wonde te strooien heeft Poetin het idee geopperd om aanwezig te zijn, wat paniek zaait onder de G20-leden van de NAVO, die zijn aanwezigheid zouden moeten tolereren of hem uit de G20 zouden moeten zetten, met het risico dat andere landen, zoals India en Saoedi-Arabië, zich daartegen zouden keren en zich mogelijk ook zouden terugtrekken (vergeet niet dat China, India, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Pakistan en veertien Afrikaanse landen, waaronder Zuid-Afrika, zich hebben onthouden van stemming over de VN-motie om Rusland te veroordelen). ‘Geen enkel lid heeft het recht een ander land als lid te verwijderen,’ aldus het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken, ‘de G20 moet echt multilateralisme toepassen, en de eenheid en samenwerking versterken.’

De uitsluiting van Rusland uit de G20 zou alleen mogelijk zijn als die gepaard zou gaan met uitzetting uit de Wereldhandelsorganisatie. Maar dat zou de dood betekenen voor de mondialisering zoals we die hebben leren kennen. Het is duidelijk dat geen van de grootmachten klaar is voor een dergelijke ontkoppeling. De VS lijken steeds onzekerder te worden over de demondialisering, zoals een nostalgisch artikel in Foreign Affairs, ‘The End of Globalization?’, onlangs suggereerde. Laten we niet vergeten dat Biden in november voor tussentijdse Congresverkiezingen staat en een ongekend debacle riskeert (en een opstand binnen zijn eigen partij) als hij die verkiezingen ingaat met een op hol geslagen inflatie en torenhoge brandstofprijzen.

Het probleem dat niemand lijkt te kunnen oplossen, is de overlapping van verschillende tijdshorizonten: maanden van gevechten in Oekraïne; jaren van fallout als gevolg van de sancties; en decennia van een nieuwe wereldorde (waarin de uiteindelijke rol van Rusland een mysterie blijft, met of zonder Poetin). Zeker is dat de Chinese regering alles in het werk stelt om niet getroffen te worden door de ontrafeling van de mondialisering, goed wetende dat zij – veel meer dan Rusland – het echte doelwit van de VS is. Na het telefoongesprek tussen Biden en Xi op 18 maart parafraseerde een presentator op de Chinese staatstelevisie spottend het verzoek van eerstgenoemde aan China: ʻKun je me helpen je vriend te bestrijden, zodat ik me later kan concentreren op het bestrijden van jou?’

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

De Koude Vrede

Oorspronkelijke tekst (Engels): Sidecar, 16 maart 2022

door Cédric Durand

Cédric Durand doceert Economie en Ontwikkelingstheorieën aan de universiteit van Parijs 13 en de EHESS. Hij werkt binnen de traditie van de marxistische en de Franse regulationistische politieke economie en is auteur van verschillende artikelen over de eurocrisis, de verwevenheid financialisering-mondialisering en de post-Sovjet-transformatie. Hij is lid van de redactieraad van het radicale online tijdschrift ContreTemps.

Petrovʼs Flu (2021), de nieuwste film van Kirill Serebrennikov, opent met een beeld van een overvolle forensenbus in Rusland. De sfeer is koortsig, bijna gewelddadig. De hoofdpersoon, in de greep van de koorts, krijgt een hoestbui en begeeft zich naar de achterkant van de bus. Vlak achter hem roept een andere passagier: ʻVroeger kregen we elk jaar gratis bonnen voor het sanatorium. Dat was goed voor de mensen. Maar Gorby heeft ons verraden, Jeltsin heeft alles verkwanseld, en vervolgens heeft Berezovski zich van hem ontdaan en deze kerels aangesteld. En wat nu?ʼ Hij concludeert dat ʻiedereen die momenteel aan de macht is, moet worden doodgeschoten.ʼ Op dat moment stapt de hoofdpersoon uit de bus en komt hij in een dagdroom terecht waarin hij zich bij een vuurpeloton voegt dat een groep oligarchen executeert.

Met ʻdeze kerelsʼ worden Poetin en zijn kliek bedoeld, terwijl ʻwat nu?ʼ een vraag is die zwaar weegt op het land dat zij hebben gecreëerd. Wat voor soort samenleving is het hedendaagse Rusland, en waar gaat die naartoe? Wat is de dynamiek van haar politieke economie? Waarom hebben Poetin en zijn trawanten een verwoestend conflict met een nauw verweven buurland ontketend? Drie decennia lang heerste er een koude vrede in de regio, waarbij Rusland en de rest van Europa samen zwommen in de ijzige wateren van de neoliberale mondialisering. In 2022 zijn we, na de inval in Oekraïne en de economische en financiële sancties van het Westen, een nieuw tijdperk binnengetreden, waarin de waanideeën die de transitie van Rusland naar een markteconomie bezielden, onmogelijk nog langer overeind gehouden kunnen worden.

Natuurlijk is de fantasie van de post-sovjetontwikkeling nooit in overeenstemming geweest met de realiteit. In 2014 stelde Branko Milanović een balans op van de transities naar het kapitalisme, met als conclusie: ʻVan slechts drie of hooguit vijf of zes landen kan worden gezegd dat ze op weg zijn om deel te gaan uitmaken van de rijke en (relatief) stabiele kapitalistische wereld. Veel landen raken achterop, en sommige raken zo ver achterop dat zij er gedurende verscheidene decennia niet in zullen slagen terug te keren naar het punt waarop zij zich bevonden toen de muur viel.ʼ Ondanks beloften van democratie en welvaart hebben de meeste mensen in de voormalige Sovjet-Unie geen van beide gekregen. Door zijn geografische omvang en zijn politiek-culturele centraliteit was Rusland de gordiaanse knoop van dit historische proces, dat de cruciale achtergrond vormt van de Oekraïne-crisis. Want naast het militaire tropisme van de ʻgrootmachtʼ-benadering zijn binnenlandse economische factoren minstens even essentieel als we de coördinaten van de huidige situatie in kaart willen brengen en de haastige oorlogszucht van het Russische leiderschap willen verklaren.

Periode I: 1991–1998

De Russische agressie maakt deel uit van een wanhopige en tragisch verkeerd berekende poging om het hoofd te bieden aan wat Trotski ʻde zweep van de externe noodzaakʼ heeft genoemd, dat wil zeggen: de verplichting om met andere staten te concurreren om een zekere mate van politieke autonomie te behouden. Het was diezelfde zweep die het Chinese leiderschap ertoe heeft gebracht begin jaren tachtig een gecontroleerde economische liberalisering door te voeren, die veertig jaar van een grotendeels succesvolle integratie in de wereldeconomie heeft bevorderd, en het regime in staat heeft gesteld zijn legitimiteit opnieuw op te bouwen en te consolideren. In Rusland heeft de zweep na het einde van de Koude Oorlog echter de staat zelf gebroken.

Zoals Janine Wedel documenteert in haar onmisbare Collision and Collusion: The Strange Case of Western Aid to Eastern Europe (2000), resulteerde de ondergang van de Sovjet-Unie in een diepgaande verzwakking van de binnenlandse elite van het land. Tijdens de eerste jaren van de transitie werd de autonomie van de staat zodanig geminimaliseerd dat de beleidsvorming feitelijk werd gedelegeerd aan Amerikaanse adviseurs onder leiding van Jeffrey Sachs, die toezicht hield op een kleine groep Russische hervormers, zoals Jegor Gaidar – de premier die de beslissende prijsliberalisering van het land lanceerde – en Anatoli Tsjoebais, de privatiseringstsaar en voormalige bondgenoot van Poetin. Hun shocktherapiehervormingen veroorzaakten industriële involutie en stijgende armoedecijfers, waardoor ze een nationale vernedering teweegbrachten en een diep wantrouwen jegens het Westen in de Russische culturele psyche prentten. Gezien deze traumatische ervaring is het populairste motto in Rusland nog steeds: ʻDe jaren negentig – nooit meer.ʼ

Vladimir Poetin heeft zijn regime op dit motto gebouwd. Een eenvoudige blik op de ontwikkeling van het bbp per hoofd van de bevolking leert ons waarom. De eerste jaren van de transitie werden gekenmerkt door een zware depressie die culmineerde in de financiële krach van augustus 1998. In plaats van de totale ineenstorting die Anders Åslund in Foreign Affairs beschreef, bevatte dit moment echter reeds de kiemen van een opleving. De roebel verloor vier vijfde van zijn nominale dollarwaarde; maar al in 1999, toen Poetin aan de macht kwam als gevolg van een nieuwe oorlog in Tsjetsjenië, begon de economie zich te herstellen.

Vóór de crash hadden de macro-economische voorschriften van de Washington-consensus een hardnekkige depressie teweeggebracht, aangezien het anti-inflatiebeleid en een stompzinnige verdediging van de wisselkoers de economie beroofden van de nodige monetaire circulatiemiddelen. De torenhoge rentetarieven en het feit dat de staat geen betrouwbare loonbetalingen meer verrichtte, leidden tot een veralgemening van de ruilhandel (die in 1998 ruim vijftig procent van de handel tussen ondernemingen vertegenwoordigde), endemische loonachterstanden en de uittocht van industriële ondernemingen uit de binnenlandse markt. Op afgelegen plaatsen was het gebruik van geld bijna volledig uit het dagelijks leven verdwenen. In de zomer van 1997 bracht ik een paar dagen door in het kleine dorpje Tsjernoroed, aan de westelijke oever van het Baikalmeer. De dorpelingen oogstten pijnboompitten en gebruikten die om de busreis naar het nabijgelegen eiland Olkhon te betalen, evenals onderdak en gedroogde vis, waarbij één vol glas noten een rekeneenheid vormde. De sociale, gezondheids- en misdaadsituatie was erbarmelijk. Een wijdverbreid gevoel van wanhoop kwam tot uiting in het hoge sterftecijfer.

Periode II: 1999–2008

Vergeleken met deze economische catastrofe was het begin van het Poetin-tijdperk een feest. Van 1999 tot 2008 waren de belangrijkste macro-economische indicatoren indrukwekkend. De ruilhandel liep snel terug en het bbp groeide met gemiddeld zeven procent per jaar. Nadat het tussen 1991 en 1998 bijna was gehalveerd, was het in 2007 weer volledig terug op het niveau van 1991 – iets wat Oekraïne nooit voor elkaar heeft gekregen. De investeringen veerden weer op, net als de reële lonen, met jaarlijkse stijgingen van tien procent of meer. Op het eerste gezicht leek een Russisch economisch wonder aannemelijk.

Deze benijdenswaardige economische prestatie werd mogelijk gemaakt door de stijgende grondstoffenprijzen, maar dat was niet de enige factor. Daarnaast profiteerde de Russische industrie van de stimulerende effecten van de devaluatie van de roebel in 2008. Het waardeverlies maakte lokaal geproduceerde goederen concurrerender, wat de invoersubstitutie vergemakkelijkte. Aangezien industriële ondernemingen volledig los stonden van de financiële sector, hadden zij geen last van de crash van 1998. Bovendien gaven grote bedrijven er, dankzij de erfenis van de corporatistische integratie in de Sovjet-Unie, in de jaren negentig de voorkeur aan om de loonbetalingen uit te stellen in plaats van hun personeel te ontslaan. Daardoor konden zij hun productie snel opvoeren toen de economie weer aantrok. De bezettingsgraad steeg van ongeveer vijftig procent vóór 1998 naar bijna zeventig procent twee jaar later. Dit droeg op zijn beurt bij tot productiviteitsgroei, waardoor een opwaartse spiraal ontstond.

Een andere factor was de bereidheid van de regering om exportmeevallers aan te grijpen om het overheidsingrijpen in de economie een nieuwe impuls te geven. De jaren 2004 en 2005 markeerden een duidelijke verschuiving in dit opzicht. Privatisering stond nog steeds op de agenda, maar ging in een veel trager tempo door. Ideologisch gezien ging de stroom in tegengestelde richting, met een grotere nadruk op staatseigendom. Bij presidentieel decreet van 4 augustus 2004 werd een lijst opgesteld van 1.064 ondernemingen die niet mochten worden geprivatiseerd en werd een aantal naamloze vennootschappen waarin het aandeel van de staat niet mocht worden verminderd, genoemd. De staatsactiviteiten werden uitgebreid door een pragmatische combinatie van administratieve hervormingen en marktmechanismen. Poetins belangrijkste doelwit was de energiesector, waar hij de staatscontrole over de prijzen wilde herstellen en potentiële rivalen, zoals de liberale oliemagnaat Michail Chodorkovski, uit de weg wilde ruimen. Ondertussen werden door een combinatie van nieuwe beleidsinstrumenten en prikkels voor Russische buitenlandse investeringen ondernemingen opgericht die konden concurreren op gebieden als metallurgie, luchtvaart, autoʼs, nanotechnologie, kernenergie en natuurlijk militaire uitrusting. Het was de bedoeling de middelen die door de uitvoer van natuurlijke hulpbronnen werden gegenereerd, te gebruiken om een grotendeels verouderde industriële basis te moderniseren en te diversifiëren, en zo de autonomie van de Russische economie in stand te houden.

Periode III: 2008–2022

In deze poging om de Russische productiemiddelen te herstructureren kon een ontwikkelingsvisie worden ontwaard. Strategische fouten bij het beheer van de intrede van het land op de wereldmarkten, samen met gespannen relaties tussen de politieke leiding en de kapitalistische klasse, verhinderden echter een goede uitvoering van dit sociale arrangement. De symptomen van dit falen werden duidelijk tijdens de financiële crisis van 2008 en in de moeizame groei in het daaropvolgende decennium. Zij traden voor het eerst aan de dag in de voortdurende afhankelijkheid van de uitvoer van grondstoffen – meestal koolwaterstoffen, maar ook basismetaalproducten en meer recentelijk granen. Extern maakte deze toenemende specialisatie de economie gevoelig voor schommelingen op de wereldmarkten. Intern betekende dit dat de beleidsvorming ging draaien rond de verdeling van een (vaak uitgemolken) overschot van deze industrieën.

Het falen van de Russische ontwikkeling blijkt ook uit de hoge mate van financialisering. Al in 2006 werd de kapitaalrekening van Rusland volledig geliberaliseerd. Die maatregel, samen met de toetreding tot de WTO in 2012, duidde op een dubbele loyaliteit: enerzijds aan het door de VS geleide mondialiseringsproces, waarvan de hoeksteen het vrije verkeer van kapitaal was, en anderzijds aan de binnenlandse economische elite, die door haar weelderige levensstijl en frequente conflicten met het regime haar fortuin en bedrijven in het buitenland moest stallen. Poetin moedigde deze uitstroom van binnenlands kapitaal aan, ook al voerde hij tegelijkertijd een macro-economisch beleid dat erop gericht was buitenlandse investeringen naar Rusland te halen. De daaruit voortvloeiende internationalisering van de economie, in combinatie met de afhankelijkheid van de export van grondstoffen, verklaart waarom de economie zwaar getroffen werd door de wereldwijde financiële crisis, met een krimp van 7,8 procent in 2009. Om aan deze instabiliteit het hoofd te bieden, kozen de autoriteiten voor een dure accumulatie van laagrenderende reserves, waardoor Rusland, ondanks zijn positieve netto internationale investeringspositie, het afgelopen decennium tussen de drie en vier procent van zijn bbp verloor via financiële betalingen aan de rest van de wereld.

In het decennium vóór de invasie van Oekraïne werd de Russische economie dus gekenmerkt door chronische stagnatie, een extreem ongelijke verdeling van de welvaart en een relatieve economische achteruitgang ten opzichte van China en de kapitalistische kern. Toegegeven, er zijn ook andere, positievere ontwikkelingen geweest. Als gevolg van de sancties en tegensancties na de annexatie van de Krim hebben sommige sectoren, zoals de landbouw en de voedselverwerking, geprofiteerd van een invoersubstitutiedynamiek. Daarnaast heeft een krachtige technologiesector de ontwikkeling van een digitaal ecosysteem met een indrukwekkend internationaal bereik mogelijk gemaakt. Maar dit was niet genoeg om tegenwicht te bieden aan de structurele zwakte van de economie. In 2018 dwongen massademonstraties tegen neoliberale pensioenhervormingen de regering tot een gedeeltelijke terugtocht. Zij brachten ook de toenemende kwetsbaarheid aan het licht van Poetins regime, dat niet in staat is zijn beloften van economische modernisering en een adequaat welzijnsbeleid na te komen. Zolang deze trend zijn legitimiteit blijft ondermijnen, zal het vertrouwen van de president in nationalistisch revanchisme – en de militaire uitingen daarvan – alleen maar toenemen.

Geconfronteerd met economische tegenspoed en politieke isolatie na zijn avontuur in Oekraïne, zijn de vooruitzichten voor Rusland somber. Tenzij het land alsnog een overwinning behaalt, zal de regering steeds meer gaan wankelen naarmate de gewone Rus de economische kosten van de oorlog gaat voelen. De regering zal waarschijnlijk reageren door de repressie op te voeren. Voorlopig is de oppositie gefragmenteerd, en delen van links, waaronder de Communistische Partij, hebben zich achter de vlag geschaard – wat betekent dat Poetin op de korte termijn geen moeite zal hebben om afwijkende meningen de kop in te drukken. Maar afgezien daarvan wordt het regime op meerdere fronten bedreigd.

Het bedrijfsleven is doodsbang voor de verliezen die het zal lijden, en Russische financiële journalisten luiden openlijk de noodklok. Natuurlijk is het niet makkelijk om de gevolgen te voorspellen van de sancties – die nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd – voor het vermogen van individuele oligarchen. Er zij op gewezen dat de Russische Centrale Bank de roebel behendig heeft gestabiliseerd nadat deze onmiddellijk na het begin van de invasie een derde van zijn waarde had verloren. Maar voor Russische kapitalisten is het gevaar reëel. Twee voorbeelden illustreren de uitdagingen waarmee zij zullen worden geconfronteerd. Het eerste voorbeeld is Alexei Mordashov – volgens Forbes de rijkste man van Rusland – die onlangs op de zwarte sanctielijst van de EU werd geplaatst wegens zijn vermeende banden met het Kremlin. Als gevolg van dit besluit heeft Severstal, de staalgigant waarvan hij de eigenaar is, alle leveringen aan Europa stopgezet, die vroeger ongeveer een derde van de totale omzet van het bedrijf uitmaakten: ruwweg 2,5 miljoen ton staal per jaar. Het bedrijf moet nu op zoek naar andere markten in Azië, maar tegen minder gunstige voorwaarden, die zijn winstgevendheid zullen schaden. Dergelijke cascade-effecten op de bedrijven van de oligarchen zullen gevolgen hebben voor de economie als geheel.

In de tweede plaats brengen de invoerbeperkingen ernstige moeilijkheden met zich mee voor sectoren als de autoproductie en het luchtvervoer. Er zou een ‘technologisch vacuüm’ kunnen ontstaan, gezien de terugtrekking van bedrijfssoftwarebedrijven als SAP en Oracle uit de Russische markt. Hun producten worden gebruikt door de grootste Russische ondernemingen – Gazprom, Lukoil, het Staatsbedrijf voor Atoomenergie, de Russische Spoorwegen – en het zal duur zijn om ze te vervangen door substituten van eigen bodem. In een poging om de gevolgen hiervan in te dammen, hebben de autoriteiten het gebruik van illegale software gelegaliseerd, de belastingvrijstellingen voor technologiebedrijven verlengd en aangekondigd dat technologiewerknemers zullen worden vrijgesteld van militaire verplichtingen; maar deze maatregelen zijn niet meer dan een tijdelijke noodoplossing. Het cruciale belang van software en data-infrastructuur voor de Russische economie benadrukt het gevaar van gemonopoliseerde informatiesystemen die worden gedomineerd door een handvol westerse bedrijven, waarvan de terugtrekking catastrofaal kan blijken.

Kortom, het lijdt geen twijfel dat de oorlog in Oekraïne schadelijk zal zijn voor veel Russische bedrijven en de loyaliteit van de heersende klasse aan het regime op de proef zal stellen. Maar ook de instemming van de bredere bevolking is in gevaar. Naarmate de sociaal-economische omstandigheden voor de bevolking verder verslechteren, kan het motto dat Poetin zo goed van pas kwam tegen zijn liberale oppositie (‘de jaren negentig: nooit meer’) weldra een averechtse uitwerking hebben op het Kremlin. Het mengsel van wijdverspreide misère en nationalistische frustratie is politieke nitroglycerine. De explosie ervan zal noch Poetins oligarchische regime, noch het economische model waarop het berust, sparen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Links mag niet op Macron stemmen

Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 22 april 2022

fotografie: UnHerd

door Thomas Fazi

Thomas Fazi is schrijver, journalist en vertaler. Zijn laatste boek, Reclaiming the State, verscheen bij Pluto Press.

Macrons aggresieve agenda heeft de werkende klasse verlamd

Op 6 mei 2017, de dag dat Emmanuel Macron werd verkozen tot president van Frankrijk nadat hij Marine Le Pen met groot verschil had verslagen, deed hij een belofte aan het Franse volk: dat het land nooit meer een ʻextreem-rechtseʼ kandidaat de tweede ronde van de presidentsverkiezingen zou zien bereiken. Maar nu, vijf jaar later, moet Macron het opnieuw opnemen tegen Le Pen. En deze keer zal het zeker veel dichter bij elkaar liggen, met een peiling van 55 procent voor de zittende president en 45 procent voor Le Pen.

Om dat verschil te verkleinen, moet Le Pen ten minste een deel van de 22 procent van de kiezers overhalen die in de eerste ronde van de verkiezingen voor de ʻlinks-populistischeʼ Jean-Luc Mélenchon hebben gekozen. Het standpunt van Mélenchon in dezen is echter duidelijk: ʻWij mogen geen enkele stem aan Le Pen geven,ʼ verklaarde hij op de avond van de eerste ronde, in wat neerkwam op een de facto steunbetuiging aan Macron. In een brief aan zijn achterban liet hij duidelijk weten dat hij de aftredende president de minst slechte optie vindt die op tafel ligt.

Maar niet al zijn kiezers zijn dezelfde mening toegedaan. Zoals Alexandre, een 36-jarige man die in de eerste ronde op Mélenchon stemde, aan BFMTV vertelde: ʻIk ben fundamenteel, ideologisch links en ik ben diep humanistisch, maar ik zal toch op Marine Le Pen stemmen.ʼ Hij is niet de enige die er zo over denkt: volgens opiniepeilingbureau Elabe zal een derde van de kiezers van Mélenchon in de tweede ronde waarschijnlijk op Le Pen stemmen.

Het hoeft ons niet te verbazen dat een groot deel van de aanhangers van Mélenchon het niet met hun leider eens is dat Macron het minste kwaad is. Gedurende zijn hele presidentschap heeft Macron onophoudelijk een aggressieve neoliberale agenda nagestreefd die de omstandigheden van de Franse arbeidersklasse dramatisch heeft verslechterd, terwijl hij de rijke elites en bedrijfsgiganten van het land enorm heeft bevoordeeld – verlaging van de belastingen voor de rijken en de grote bedrijven, hervorming van de arbeidswetgeving ten gunste van de werkgevers, bezuinigingen op de sociale voorzieningen en voortzetting van de ʻvermarktingʼ van elk gebied van de Franse samenleving.

Zoals een Franse econoom het formuleerde: ʻMacron is de kandidaat van de rijkste 1 procent of zelfs 0,1 procent.ʼ Dit is meer dan alleen een stijlfiguur: in zijn opzienbarende boek Crépuscule beschrijft de Franse schrijver en activist Juan Branco hoe Frankrijks machtigste oligarchen en mediamagnaten Macron vrij letterlijk van jongs af aan hebben ʻklaargestoomd,ʼ waarna ze al het geld en alle invloed waarover ze beschikten hebben gebruikt om hem te helpen de jongste president ooit van het land te worden. Het bleek een lonende investering: de laatste jaren is het aantal miljonairs in Frankrijk, na de Verenigde Staten, het sterkst toegenomen: een derde van de Franse rijkdom is nu in handen van slechts acht miljardairs. Intussen zijn de levensomstandigheden van de minstbedeelden verslechterd en is het aantal Fransen dat in armoede leeft toegenomen.

Alsof dit nog niet erg genoeg was, heeft Macron, toen de Franse onderklasse de straat opging om te protesteren tegen het top-down klassenoorlogsbeleid van de president en de Gilets Jaunes-beweging ontstond, daarop gereageerd met angstaanjagend politiegeweld dat niet onderdoet voor ʼs werelds meest repressieve regimes, waardoor betogers ten minste 24 ogen en vijf handen verloren.

De protesten kwamen alleen tot een einde omdat het uitbreken van de Covid-pandemie Macron, net als andere leiders over de hele wereld, het perfecte excuus bood om een draconisch en autoritair beleid van sociale controle uit te rollen, dat, zoals Toby Green en ik hebben gedocumenteerd, de arbeidersklasse het zwaarst heeft getroffen. Zoals Serge Halimi, directeur van Le Monde diplomatique, onlangs verklaarde, is het presidentschap van Macron ʻFrankrijks meest “illiberale” presidentschap van de moderne tijd.ʼ Hij heeft de angst voor onveiligheid, terrorisme, Covid-19 en nu de oorlog in Oekraïne uitgebuit om ʻeen antidemocratische “shockstrategie” te bevorderenʼ die erop gericht is ʻdoor angst te regeren.ʼ

En de toekomst voor de gewone Fransen ziet er niet rooskleuriger uit, als we het verkiezingsprogramma van Macron mogen geloven: meer belastingverlagingen voor grote bedrijven, de pensioengerechtigde leeftijd verhogen tot 65 jaar, uitkeringsgerechtigden dwingen om meer dan vijftien uur per week te werken, en terugkeren naar de strenge begrotingsregels van Maastricht (d.w.z. meer bezuinigingen). Zoals Halimi opmerkt: ʻEen tweede termijn voor Macron zou vooral gevaarlijk zijn voor de arbeidersklasse, omdat hij zich niet kandidaat kan stellen voor een derde termijn. Zonder de remmende invloed van een toekomstige verkiezingʼ staat er weinig meer in de weg van Macrons autoritaire neoliberale project.

Dit alles roept de vraag op waarom een socialist als Mélenchon zou moeten willen dat Macron aan de macht blijft. Op de meeste linkse mensen, niet alleen die in Frankrijk, zal deze vraag waarschijnlijk provocerend retorisch overkomen: wel, omdat het alternatief – Le Pen – duidelijk slechter is. Maar is dat ook zo? Of is het slechts een linkse Pavlov-reactie op de klank van haar naam? De argumenten van Mélenchon weerspiegelen de conventionele wijsheid onder Franse linksen en socialisten: de economische agenda van Le Pen is net zo slecht – dat wil zeggen: neoliberaal – als die van Macron, terwijl haar ʻculturele agendaʼ (over kwesties als immigratie) veel slechter is.

Dit zou een redelijk argument zijn als het waar was. Maar het idee dat de programmaʼs van Le Pen en Macron even slecht zijn vanuit een links-socialistisch perspectief is gewoon onjuist.

Le Pen heeft de ʻneoliberaleʼ logica van veel van de voorstellen van haar concurrent gehekeld – met name de aanscherping van de voorwaarden voor de ontvangers van sociale uitkeringen voor werkenden en de verhoging van de pensioenleeftijd, waar Le Pen zich in beide gevallen consequent tegen heeft verzet. Het is eerlijk gezegd moeilijk in te zien hoe iemand te goeder trouw het verkiezingsprogramma van Le Pen als neoliberaal zou kunnen omschrijven. Het is eerder een gematigd herverdelingsprogramma op keynesiaanse leest, gebaseerd op staatsinterventionisme, sociale bescherming en verdediging van de publieke diensten. De maatregelen omvatten de versterking van publieke diensten zoals ziekenhuizen, algemene BTW-verlagingen, loonsverhogingen voor werknemers in de gezondheidszorg en andere sectoren, belastingvrijstellingen of gratis vervoer voor jonge werkenden, de bouw van honderdduizend sociale huurwoningen per jaar, de renationalisatie van de autowegen en een belasting op financieel vermogen. Niets dat bijzonder radicaal is – maar neoliberaal is het zeker niet.

Het is dan ook geen verrassing dat een diepgaand onderzoek van het manifest van Le Pen door het Centre de Recherche Politique van Sciences Po, een van de grootste en invloedrijkste centra voor politiek-wetenschappelijk onderzoek in Frankrijk en zeker geen lepénistisch bolwerk, tot de conclusie kwam dat haar politieke programma stevig ʻlinks van het economische middenʼ ligt – veel meer dan de agenda van Macron. Interessant genoeg bleek uit het onderzoek ook dat de kiezers van Le Pen haar linkse economische visie delen: groot vertrouwen in de vakbonden, wantrouwen jegens grote particuliere ondernemingen, weigering om het aantal ambtenaren te verminderen. Over het geheel genomen is een overweldigende meerderheid van de aanhangers van Le Pen het eens met het idee dat ʻmen van de rijken moet nemen om aan de armen te geven.ʼ

Het is inderdaad pijnlijk duidelijk dat Mélenchons eigen economische manifest veel meer overeenkomsten vertoont met dat van Le Pen dan met dat van Macron. Ja, het programma van Mélenchon legt meer nadruk op lonen en werknemersrechten, zoals te verwachten valt, maar de algemene oriëntatie is vergelijkbaar. Mélenchon en Le Pen hebben zich ook allebei zeer kritisch uitgelaten over Macrons ʻvaccinpaspoorten,ʼ en hebben beloofd die in te zullen trekken als zij verkozen zouden worden. En de twee leiders hebben een vergelijkbare afkeer van de mondialisering en van de Europese Unie in het bijzonder – waarvan Macron een fervent pleitbezorger is. Ze zijn ook allebei voorstander van de terugtrekking van Frankrijk uit de NAVO.

Het grootste verschil tussen de twee betreft de immigratie. Terwijl Mélenchon in zijn manifest oproept om ʻimmigranten op een waardige manier te verwelkomen,ʼ wil Le Pen ʻde immigratie weer volledig onder controle krijgenʼ – door de regels voor het verkrijgen van de Franse nationaliteit aan te scherpen, nationale onderdanen voorrang te geven bij de toegang tot bepaalde sociale voorzieningen, en delinquente en stelselmatig werkloze buitenlanders het land uit te zetten. Zij heeft ook een hard standpunt ingenomen tegen het islamitisch radicalisme.

Nu kan het heel goed zijn dat men het niet eens is met dit beleid, maar het demoniseren ervan als ʻfascistischʼ – zoals velen ter linkerzijde doen – is gewoon belachelijk. Immers, het idee dat een staat voorrang moet geven aan het welzijn van de eigen burgers werd tot niet al te lang geleden als vanzelfsprekend beschouwd – zelfs onder linkse partijen en kiezers, zoals Sahra Wagenknecht, voormalig leider van de radicaal-linkse Duitse partij Die Linke, opmerkt in haar jongste boek Die Selbstgerechten(ʻDe zelfingenomenenʼ).

Maar wat belangrijker is, is de vraag of Macron in dit opzicht echt zo veel beter is dan Le Pen. Zoals Pauline Bock in The Guardian schreef, heeft Macron zelf een zeer ʻharde houding op het gebied van de immigratie aangenomen, waarbij politieagenten tenten van vluchtelingen in Calais vernielden … hij een eerbetoon bracht aan de ʻgrote soldaatʼ maarschalk Pétain … en interviews gaf aan extreem-rechtse tijdschriften.ʼ Toen Macrons minister van Binnenlandse Zaken, Gérald Darmanin, in februari 2021 in een tv-programma tegenover Le Pen stond, beschuldigde hij haar er zelfs van ʻte mild te zijn op het gebied van de immigratie.ʼ

Het lijkt er dus op dat de meeste argumenten van Mélenchon (en Frans links) om Macron boven Le Pen te verkiezen geen stand houden: de eerste is onvergelijkbaar veel slechter – d.w.z. ʻrechtserʼ – dan Le Pen op economisch gebied, en aantoonbaar bijna even slecht als zijn rivaal, vanuit een standaard ʻprogressiefʼ gezichtspunt, als het op de behandeling van immigranten aankomt. Ongeacht wat men van Le Pen mag denken – ik ben geen fan en als ik in Frankrijk had gewoond, zou mijn stem naar Mélenchon zijn gegaan – lijkt het vrij duidelijk dat de Franse arbeidersklasse veel slechter af zou zijn met een tweede ambtstermijn van Macron.

Uiteindelijk laat deze hele affaire echt zien waarom de historische kloof tussen links en rechts nergens meer op slaat. Geen enkel land illustreert dit beter dan Frankrijk – het land dat als eerste de concepten links en rechts in de politiek uitvond. Want niet alleen zijn nominaal linkse en progressieve partijen radicaal naar rechts opgeschoven in economische termen, en hebben zij klassenpolitiek opgegeven ten gunste van identiteitspolitiek, maar nominaal rechtse partijen zijn tegelijkertijd naar links opgeschoven als het om de economie gaat. Ook al hebben politieke partijen de traditionele links-rechts dichotomie uitgedaagd, en hebben Macron, Le Pen en Mélenchon er allemaal op hun eigen manier op gewezen dat de links-rechtspolitiek voorbij is, waarbij de laatste zich veel moeite heeft getroost om de linkse politiek te ʻont-neoliberaliseren,ʼ deze labels blijken zeer moeilijk verwijderbaar.

Dat is uiteindelijk de reden waarom een socialist als Mélenchon het nog steeds niet kan opbrengen om de ʻrechtseʼ Le Pen te verkiezen boven de nominaal ʻprogressieveʼ Macron, ook al is de economische agenda van eerstgenoemde veel linkser. Het verklaart ook waarom Macron waarschijnlijk voor een tweede termijn zal worden verkozen, met nefaste gevolgen voor de Franse arbeiders- en middenklasse.

Natuurlijk zouden de kiezers van Le Pen waarschijnlijk voor hetzelfde dilemma staan als Mélenchon het tegen Macron zou moeten opnemen. Maar dit bewijst alleen maar dat de kloof tussen links en rechts een rookgordijn is geworden dat het vrijwel onmogelijk maakt om de status quo serieus aan te vechten. Zolang politieke partijen en kiezers meer belang blijven hechten aan de steeds betekenislozere labels die zij zichzelf geven, in plaats van aan het beleid dat andere partijen en kiezers daadwerkelijk steunen, zal elk vooruitzicht om iemand als Macron ten val te brengen waarschijnlijk worden gedwarsboomd – tot grote vreugde van de heersende klassen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Gezondheid Politiek

Afwezig zonder verlof: de Europese Unie tijdens de coronapandemie

Oorspronkelijke tekst (Engels): wolfgangstreeck.com

fotografie: Manolo Finish

door Wolfgang Streeck

Wolfgang Streeck is een Duitse socioloog, gespecialiseerd in economische sociologie. Hij is directeur emeritus van het Max Planck Instituut voor Sociale Wetenschappen in Keulen. Sinds ca. 2013 doet hij ook opgeld als publieksintellectueel, met een boek en een serie artikelen over de gevolgen van de kredietcrisis, de eurocrisis en het fundamentele conflict tussen kapitalisme en democratie.

Hoe heeft de Europese Unie gereageerd op de Covid-19-pandemie? Het eerste deel van dit artikel analyseert de logica van de EU-politiek op verschillende niveaus met betrekking tot de relatie tussen de nationale en supranationale besluitvorming in een internationale noodsituatie. Pogingen van de kant van de EU om haar bevoegdheden uit te breiden mislukten grotendeels, terwijl de lidstaten in wezen aan hun lot werden overgelaten, mede vanwege de onzekerheid van de situatie en de verscheidenheid van plaatselijke omstandigheden en voorkeuren. Het tweede deel gaat over de duidelijke afwezigheid van de EU in de wereldpolitiek van de ʻbioveiligheid,ʼ die grotendeels wordt gedomineerd door de Verenigde Staten, hun wereldwijde farmaceutische industrie en – in indrukwekkende mate – door het militaire establishment van de VS. In deze context geeft het artikel een samenvatting van de huidige stand van de internationale discussie over de oorsprong van het nieuwe coronavirus en over het virologisch onderzoek dat onder meer wordt verricht in het virologisch laboratorium van Wuhan.

De Europese Unie was niet klaar voor SARS-CoV-2, ook wel bekend als het corona-virus, evenmin als haar centrale instellingen en lidstaten. Hoe verbazingwekkend het ook moge lijken, deze beide entiteiten beschouwden de pandemie als Europese business as usual, die door de Europese politiek als gebruikelijk moest worden afgehandeld. Bijna instinctief zagen de Europese Commissie en het Europees Parlement de pandemie als een kans om de macht te grijpen, d.w.z. om hun jurisdictie over de lidstaten uit te breiden. Die bleven op hun beurt het oude spel van probleemverplaatsing en schuldvermijding spelen: verantwoordelijkheden van zich afschuiven die zij moeilijk aankonden, of op Europees niveau mandaten voor zichzelf creëren die zij van hun nationale electoraat nooit zouden hebben gekregen. Geen van de spelers maakte zich zorgen over de grote vragen, en in ieder geval vermeden ze strikt er in het openbaar over te spreken: waar het virus zijn oorsprong vond – in de natuur of in een of andere menselijke activiteit; of het een eenmalige gebeurtenis was, of dat er nog andere virussen in de coulissen lagen te wachten; hoe we een herhaling zouden kunnen voorkomen, door de ʻveerkrachtʼ van de Europese samenlevingen te versterken of door toekomstige virussen bij de bron te bestrijden, waar die zich ook mocht bevinden.

Als het gaat om de georganiseerde – of ongeorganiseerde – onmiddellijke reactie van Europa op de pandemie is het allesbehalve verrassend dat deze verre van toereikend was. In operationeel opzicht, d.w.z. wat de beleidsvorming en de beleidsuitvoering betreft, was en bleef de EU disfunctioneel, terwijl zij op stereotiepe wijze bleef hameren op ʻEuropese oplossingen.ʼ Maar hoe graag de nationale regeringen het virus ook hadden willen europeaniseren door het aan Brussel over te dragen, uiteindelijk zouden hun kiezers niet toestaan dat zij zich ontdeden van de hete aardappel van een potentieel hardnekkige en politiek explosieve crisis. Zelfs zonder een publiek debat over de bedroevende rol van de EU op het gebied van de Europese volksgezondheid, eisten de burgers dat hun gekozen regeringen de verantwoordelijkheid namen voor wat hun was voorgespiegeld als een zaak van leven en dood. Gezien de grote verscheidenheid van zowel de nationale verschijningsvormen van Covid-19 als de werking van de nationale gezondheidszorgstelsels, lijkt het meer dan redelijk dat de nationale publieke opinie een nationaal in plaats van een supranationaal beleid verlangde – een beleid waarover publiekelijk en in de eigen taal gedebatteerd kon worden, in de hoop het te kunnen beïnvloeden. Het zou inderdaad vreemd zijn geweest als het anders was gegaan en de Europese burgers hadden toegestaan dat Covid-19 zou zijn aangepakt door een verafgelegen centrale techno-bureaucratie, waarvan de vertegenwoordigers enthousiaster lijken over het ʻsteeds hechter verbond van de Europese volkerenʼ dan over de gezondheid van die volkeren; in ieder geval gaven deze vertegenwoordigers er blijk van vooral belangstelling hebben voor het laatste, voor zover dit het eerste zou kunnen bevorderen.

Zoals zo vaak bleken de voorkeuren van de bevolking realistisch te zijn. Zelfs achteraf, na bijna twee jaar, is er geen uniform patroon van besmetting in de Europese landen te ontdekken. Infectiegolven variëren qua intensiteit en duur, van land tot land en van regio tot regio, zonder dat volledig wordt begrepen waarom, hetgeen in ieder geval geïmproviseerde en uiteenlopende lokale in plaats van vooraf bepaalde en uniforme centrale reacties vereist. De Europese samenlevingen zijn blijkbaar te verschillend voor een uniforme aanpak. De klimatologische omstandigheden lopen uiteen, evenals de demografische structuren, de algemene gezondheidstoestand van de bevolking, de plaatselijke luchtkwaliteit, de wijze van gezinsleven en het leven in het algemeen, in het bijzonder van de zogenaamde ʻrisicogroepen,ʼ alsook de religieuze en culturele tradities met betrekking tot gezondheid en het menselijk lichaam. Ook de mate waarin de mensen vertrouwen hebben in hun regering lijkt van belang te zijn, hetgeen een verklaring zou kunnen zijn voor de aanzienlijke verschillen tussen de nationale vaccinatiepercentages, bijvoorbeeld tussen die van Duitsland en Denemarken. Bovendien hebben nationale samenlevingen verschillende ʻwaardenʼ die aanleiding geven tot verschillende politieke prioriteiten – zie Zweden, dat gedurende de gehele pandemie zijn scholen openhield, tegenover Duitsland, waar het onderwijsbeleid werd bepaald door docenten die eerst bang waren om besmet te raken, en vervolgens om gevaccineerd te worden. Niet in de laatste plaats verschillen ook de nationale economieën, bijvoorbeeld in de mate waarin hun welvaart afhankelijk is van het internationale toerisme; sommige landen wilden derhalve hun grenzen zo open mogelijk houden, terwijl sommige landen van herkomst van die toeristen hun burgers wellicht juist wilden beletten om te reizen, teneinde te voorkomen dat zij infecties zouden importeren.

Toen de pandemie uitbrak, beschikte de EU al enige tijd over een instelling met de naam Europees Centrum voor Ziektepreventie en -Bestrijding (ECDC), gevestigd in Stockholm, met 280 voltijdse personeelsleden in dienst en een jaarlijks budget van 57 miljoen euro. Bijna niemand had er ooit van gehoord, behalve virologen en epidemiologen uit de hele wereld die er steevast bijeenkwamen voor internationale conferenties. Hoe weinig we ook van het Centrum afweten, het heeft de EU en haar lidstaten zeker niet geholpen zich goed voor te bereiden op zoiets als Covid-19. Het Centrum had er bijvoorbeeld bij landen op aan kunnen dringen voldoende gezichtsmaskers, andere beschermingsmiddelen en beademingsapparatuur in te slaan; hen kunnen vertellen dat ze voldoende opgeleid personeel achter de hand moesten hebben; cursussen kunnen aanbieden voor nationale volksgezondheidsdeskundigen en toezichthouders met betrekking tot ziekenhuishygiëne en ziektepreventie in verpleeghuizen; oefeningen kunnen organiseren voor besluitvormers in de lidstaten over wat te doen en hoe samen te werken bij een pandemie in heel Europa; en het Europese publiek kunnen waarschuwen dat het mondiale leven dodelijk kan zijn, als zij en hun nationale gezondheidszorgstelsels er niet goed op voorbereid zijn.

Een van de redenen dat al deze dingen niet zijn gebeurd was waarschijnlijk dat dergelijke waarschuwingen in strijd zouden zijn geweest met de strenge aanbevelingen die jaarlijks worden gedaan in het kader van de verschillende bezuinigings- en begrotingscoördinatie-exercities van de EU. Deze vloeien voort uit het EMU-stelsel van harde valuta, dat de lidstaten verplicht om te snijden in de overheidsuitgaven, teneinde de begrotingstekorten en de staatsschulden terug te dringen, inclusief de uitgaven aan de gezondheidszorg. Tussen 2011 en 2018 heeft de Europese Commissie 63 formele verzoeken aan de lidstaten gericht om te bezuinigen op hun overheidsuitgaven aan de gezondheidszorg en om hun gezondheidszorgstelsels te privatiseren. Toen Covid-19 toesloeg, hadden de bezuinigingen in de economisch zwakkere landen van de Unie de uitgaven aan de gezondheidszorg teruggebracht tot 8,8 procent van het bbp in Italië en 8,9 procent in Spanje. Daarvan bestond respectievelijk slechts 6,5 en 6,3 procent uit overheidsuitgaven, terwijl de rest door de burgers uit eigen zak werd betaald, of via vrijwillige ziektekostenverzekeringsstelsels. Ter vergelijking: de Duitse uitgaven aan de gezondheidszorg bedroegen 11,2 procent, waarvan 9,5 procent bestond uit overheidsuitgaven. (Drie procent van het bbp – het verschil tussen de overheidsuitgaven aan de gezondheidszorg in Italië en Duitsland – komt overeen met ruim 2,3 maal het Duitse defensiebudget, dat nu 1,35 procent van het bbp bedraagt). Het is duidelijk dat de Commissie het buitensporig vond om 9,5 procent van het bbp aan de gezondheidszorg uit te geven, zodat er bij de Duitse regering op werd aangedrongen dit percentage naar beneden bij te stellen. In 2019 begon de Duitse regering inderdaad met een campagne om ziekenhuizen te sluiten. Toen de pandemie arriveerde, kwam daar abrupt een einde aan, en het memoreren ervan wordt door alle ʻpro-Europeseʼ politieke krachten zorgvuldig vermeden.

Voor het overige ging het typische pingpongspel tussen ʻEuropaʼ en zijn lidstaten, mogelijk gemaakt en in feite aangemoedigd door de institutionele opzet van de EU, gewoon door, waarbij Brussel deed alsof het een continentale hoofdstad was en de staten ofwel het spel meespeelden ofwel hun eigen ding deden, afhankelijk van hoe hun regeringen hun belang of dat van hun natie interpreteerden.1 Een belangrijk voorbeeld betreft de aanschaf van vaccins, die in het voorjaar van 2020 begon toen het waarschijnlijk was geworden dat verschillende vaccins van verschillende producenten in het najaar en aan het begin van de winter beschikbaar zouden komen. Op nationaal niveau hadden diverse ministers, belast met de gezondheidszorg, een consortium gevormd voor gezamenlijke onderhandelingen met potentiële leveranciers, toen Duitsland het roulerend halfjaarlijks voorzitterschap van de EU overnam. Dit zou de laatste keer zijn dat Angela Merkel het voorzitterschap bekleedde, en ter voorbereiding daarop droeg zij haar minister van Volksgezondheid op de aanschaf van vaccins over te dragen aan de Europese Commissie. Er zijn verschillende theorieën over haar beweegredenen hiervoor, aangezien de Commissie geen ervaring had met dergelijke zaken en moest onderhandelen namens 27 soevereine landen, die waarschijnlijk uiteenlopende ideeën hadden over hoeveel ze bereid waren uit te geven aan welk soort vaccin. Eén van de verklaringen is dat Merkel bang was dat Duitsland, rijk geworden dankzij de monetaire unie, eerder dan andere landen zou beginnen met vaccineren, wat tijdens Merkels voorzitterschap tot ruzies tussen de lidstaten had kunnen leiden. De onderhandelingen sleepten zich voort door onenigheid tussen de lidstaten en de Commissie over volumes, prijzen en leveringsdata, alsmede over productielocaties en de subsidiëring van productiefaciliteiten. Uiteindelijk betaalden de landen daardoor meer en moesten zij langer op hun vaccins wachten dan anders het geval zou zijn geweest. Een bijkomende factor waren blijkbaar de Franse eisen om ruimte te laten in de Europese bestelling voor een Frans vaccin, te produceren door een Frans bedrijf, Sanofi. Begin 2021 moest Sanofi op de valreep toegeven dat zijn ontwikkelingsinspanningen tot niets hadden geleid. Dat Groot-Brittannië er na de Brexit in was geslaagd zijn vaccinatiecampagne eerder te beginnen en toch minder te betalen, werd een schande voor de EU-leiders en leidde tot incidentele exportverboden voor vaccins die op het Europese vasteland voor het Verenigd Koninkrijk waren geproduceerd.

De belangrijkste reactie van de EU op de pandemie was wat in eurojargon de ʻNextGenerationEU Recovery and Resilience Facilityʼ wordt genoemd, kortweg NGEU, die in juli 2020 door de Europese Raad werd opgericht als een uiting van ʻEuropese solidariteitʼ in moeilijke tijden. In het kader van de NGEU zal de Unie 175 miljard euro (inmiddels 807 miljard) – in prijzen van 2018 – over een periode van zeven jaar, van 2021 tot 2007, verdelen onder haar lidstaten, om hen te helpen zich te herstellen van corona, en hun samenlevingen en economieën beter voor te bereiden op toekomstige virussen. Bij nader inzien heeft de nieuwe faciliteit echter weinig te maken met corona of met Europese solidariteit; meer dan wat ook wordt corona aangegrepen om een ouder, in wezen Frans project voor een ʻEuropese begrotingscapaciteitʼ te verwezenlijken, dat oorspronkelijk alleen voor de Europese Monetaire Unie was opgezet. De NGEU wordt gefinancierd door de EU schulden te laten maken, in weerwil van de Europese Verdragen. Daartoe moesten alle 27 lidstaten aan boord worden gebracht, waarbij ieder een deel van het nieuwe geld zou krijgen, ongeacht of en hoe zij door de pandemie waren getroffen. Iets meer dan de helft van de middelen zal worden uitgekeerd als subsidies, de rest als leningen. De toewijzingen per land zijn bijna tot op het laatste cijfer achter de komma gespecificeerd, volgens een ingewikkelde formule die niet makkelijk te begrijpen is. Italië zal het leeuwendeel ontvangen – 172,7 miljard, waarvan 81,8 miljard als schenking; Spanje volgt met 140,4 (77,3) miljard. Interessant is dat Polen, met een zeer laag percentage Covid-besmettingen, de derde plaats inneemt, met respectievelijk 63,8 en 37,7 miljard. Frankrijk krijgt 38,8 miljard euro, en het rijke Duitsland een symbolische 28,8 miljard, beide als subsidies. (Ter relativering: Duitsland leende alleen al in 2020 in totaal 219 miljard). De terugbetaling, vanaf nu uit de gewone EU-begroting, moet in 2028 beginnen en dertig jaar later eindigen. De hoop bestaat dat de EU tegen het einde van de jaren twintig onafhankelijke bronnen van inkomsten zal hebben gekregen of, wat waarschijnlijker is, van haar lidstaten toestemming zal krijgen om haar schulden met nieuwe schulden te (her)financieren, naar het model van de neoliberale schuldenstaat.

Het NGEU-geld moet binnen de zeven jaar van de looptijd van het programma worden uitgegeven. Landen moeten hun programmabegroting ter goedkeuring voorleggen aan de Commissie, en hun herstel- en veerkrachtfondsen aan drie hoofddoelen toewijzen: de schade van corona herstellen en hun landen ʻveerkrachtigerʼ maken; hun nationale industrieën en levenswijzen ʻvergroenen,ʼ in overeenstemming met de zogenaamde Green Deal van de EU; en de ʻdigitaliseringʼ bevorderen, wat dat ook moge inhouden (afgezien van een buitenkansje voor Silicon Valley). Daarnaast willen het Parlement en de Commissie de uitbetaling aan individuele lidstaten afhankelijk maken van de voorwaarde dat zij hun rechtssystemen de-nationaliseren en de LGBTQ+-rechten uitbreiden. In het najaar van 2021 waren de uitbetalingen aan sommige landen al begonnen, terwijl de bestedingsplannen van verschillende andere landen nog op goedkeuring door de Commissie wachtten. Over het algemeen bleek, zoals te verwachten was, dat voor de besteding van het geld voor herstel en veerkracht deskundige planning, bekwaam openbaar bestuur en industriële capaciteiten nodig zijn die niet overal op korte termijn beschikbaar waren. Bovendien konden de gezondheidszorgstelsels, net als het openbaar bestuur en de onderwijsinstellingen, om te herstellen van de schade die zij hebben opgelopen door de bezuinigingen van de EU en de pandemie, waarschijnlijk niet opnieuw opgebouwd en gemoderniseerd worden door een eenmalige injectie van middelen, en zouden zij beter gefinancierd moeten worden, op doorlopende basis. Uiteindelijk vereist dit dat de fundamentele economische verschillen tussen de lidstaten, veroorzaakt door de Monetaire Unie, worden aangepakt.

Tenslotte is de Europese Unie vrijwel geheel afwezig in de wereldpolitiek van corona, evenals de Europese natiestaten en het Europese publiek. Af en toe werd betreurd dat de Europeanen weigerden vaccins te delen met het Mondiale Zuiden, vooral toen er nog geen vaccins waren. Eind 2021 werden de Europeanen en de Noord-Amerikanen door de Wereldgezondheidsorganisatie aangespoord om restdoses vaccins niet te gebruiken voor zogenaamde boostershots voor hun reeds gevaccineerde burgers, en ze in plaats daarvan te doneren aan arme landen met een lage vaccinatiegraad. Of dit meer was dan retorische dikdoenerij kunnen we niet weten zonder bijvoorbeeld de mogelijkheden van dergelijke landen te kennen om gedoneerde vaccins aan hun burgers te leveren. Waar wel over werd gesproken waren pogingen van de EU en sommige lidstaten om Oost-Europese landen als Hongarije zover te krijgen dat zij de goedkopere Russische en Chinese vaccins níet zouden kopen. Er is geen informatie over de mate waarin dit gelukt is, of over wat het gekost heeft om de Oost-Europeanen hun vaccins in het Westen te laten betrekken.

Een kort moment waarop de wereldpolitiek van corona aan de oppervlakte kwam, betrof een publieke controverse tussen de Europese landen en de Verenigde Staten over patentrechten voor de nieuw ontwikkelde zogeheten mRNA-vaccins, die het meest geschikt zouden zijn voor de bestrijding van het coronavirus. Tot verbazing van de Europeanen drong de nieuwe, verondersteld eurofiele Amerikaanse president Biden er bij hen op aan afstand te doen van hun intellectuele eigendomsrechten en arme landen toe te staan de nieuwe SARS-2-vaccins te produceren zonder licentierechten te hoeven betalen. Dit was verrassend omdat de Verenigde Staten, met het grootste onderzoeksestablishment ter wereld, doorgaans de grootste voorstanders zijn van patentbescherming. De Europeanen, die over het algemeen als soft op het gebied van intellectuele eigendom worden beschouwd, tekenden onmiddellijk bezwaar aan en wezen er onder meer op dat het feit dat men iets mag produceren niet betekent dat men het ook daadwerkelijk kán produceren zolang er geen functionerende productiecapaciteiten zijn. De strijdbijl werd kort daarna begraven, waardoor waarnemers zich afvroegen wat er achter had gezeten. Mogelijk was de controverse het gevolg van het feit dat belangrijke patenten op dit gebied in handen zijn van Europese bedrijven, zoals het Duitse BioNTech. Hoewel Europese producenten, die de wegen van de gemondialiseerde wereld kennen, al vroeg samenwerking zochten met grote Amerikaanse farmaceutische bedrijven – zoals BioNTech met Pfizer – hebben zij hun patenten wellicht niet met hen gedeeld. Hoe dan ook geeft Duitsland nog steeds de voorkeur aan het delen van vaccins via liefdadige donaties. Intussen zijn vaccinproducenten uitgegroeid tot geldmachines: het piepkleine BioN-Tech is nu een van de best gekapitaliseerde bedrijven in Europa, met een marktwaarde van 88 miljard euro, meer dan de helft van reuzen als Mercedes en Volkswagen, terwijl hun eigenaars, die nu 14 miljard waard zijn, op de lijst van de tien rijkste Duitsers zijn gekomen.

Europa lijkt geen enkele rol te spelen in de nakende confrontatie tussen de Verenigde Staten en China over de wereldwijde veiligheid op gezondheidsgebied, vroeger ook wel ʻbioveiligheidʼ genoemd. Het topje van de ijsberg is de controverse over de oorsprong van SARS-CoV-2, en in het centrum van die controverse staat een virologisch laboratorium in de Chinese stad Wuhan.2 Het Wuhan-laboratorium schijnt een van ʼs werelds meest geavanceerde onderzoekscentra inzake coronavirussen te zijn, en het was in Wuhan dat SARS-CoV-2 voor het eerst mensen lijkt te hebben besmet, vermoedelijk eind 2019. Gezien dit toeval rees al snel de vraag of het nieuwe virus misschien uit het lab was ontsnapt, per ongeluk of met behulp van sabotage. De Chinese regering, evenals een groot deel van de internationale virologische gemeenschap, ontkende beide theorieën ten stelligste en houdt vol dat het nieuwe virus een cross-over was van een wild dier, hoogstwaarschijnlijk een vleermuis, en dat de plaats waar dit gebeurde waarschijnlijk een markt voor wilde dieren was – een ʻnatte marktʼ – die ook in Wuhan was gevestigd. Pogingen van de WHO om de kwestie op te helderen zijn verschillende malen mislukt, naar verluidt door een gebrek aan medewerking van de Chinese regering.

Waarom is dit belangrijk? Komt dit niet gewoon neer op het uit de sloot halen van oude koeien? Afgezien van een mogelijke noodzaak om de veiligheidsprocedures in virologische laboratoria te verbeteren of, in voorkomende gevallen, de handel in bepaalde dieren te reguleren of te verbieden, werd de kwestie onmiddellijk gepolitiseerd; naarmate het verhaal zich ontvouwde, nam het een aantal wendingen die niet minder dan verbazingwekkend zijn. De toenmalige president van de Verenigde Staten, Donald Trump, gooide olie op het vuur door SARS-CoV-2 ʻhet Chinese virusʼ te noemen, waarop China terugsloeg door te suggereren dat het virus mogelijk was ontsnapt uit een Amerikaanse militaire faciliteit, Fort Detrick, in het kader van onderzoek voor of naar biologische oorlogsvoering.3 Twee onderzoeksexpedities van vooraanstaande virologen naar Wuhan, onder auspiciën van de WHO, vonden de hypothese van de natuurlijke oorsprong aannemelijker, maar wilden evenmin een ongeluk in het laboratorium van Wuhan uitsluiten, mede op grond van het feit dat zij niet voldoende toegang tot het laboratorium hadden gekregen. Momenteel eisen de deelnemers aan de tweede expeditie een nieuw onderzoek, met weinig hoop, omdat het bewijsmateriaal in de loop der tijd is verslechterd. De opvolger van Trump, Biden, leek aanvankelijk te proberen de kwestie te laten overwaaien, maar maakte vervolgens een u-bocht en vroeg de Amerikaanse geheime diensten om een oordeel. Klaarblijkelijk stemde een meerderheid van de agentschappen voor een natuurlijke oorsprong, maar ten minste één agentschap vond de theorie van het labongeluk overtuigender.

In de periferie doken enkele vreemde verbanden op. Zoals gedeeltelijk gerapporteerd door journalistieke bloggers, bleek het Wuhan-lab een hotspot te zijn voor internationaal virologisch onderzoek, gerund door in de VS opgeleide Chinese wetenschappers en deels indirect gefinancierd via subsidies van de National Institutes of Health, een Amerikaanse overheidsinstelling, en direct door particuliere Amerikaanse bedrijven en stichtingen. Een deel van die financiering werd blijkbaar gekanaliseerd via een in New York gevestigd onderzoekscentrum waarvan de directeur, ene Peter Daszak, nauwe banden onderhield met het Wuhan-laboratorium; hij maakte later deel uit van de twee onderzoeksteams van de WHO in Wuhan. Hij was ook een van de medeondertekenaars, waarschijnlijk zelfs de initiatiefnemer, van een open brief, gepubliceerd in The Lancet, een toonaangevend tijdschrift voor medisch onderzoek, een paar dagen nadat CoVid-19 op het toneel was verschenen, waarin een groep wereldberoemde virologen categorisch ontkende dat het virus uit het Wuhan-lab kon zijn ontsnapt, en deze hypothese een ʻcomplottheorieʼ noemde.4

Het gebruik van die term in deze context had van belang moeten zijn voor onderzoeksjournalisten. Waarom zou je immers niet kunnen spreken van een ʻtheorie van het lab-ongeluk,ʼ als het ging om een ontkenning van wat toen door sommigen als een ongeluk werd beschouwd, terwijl niemand het over een complot had? In dit verband kan het relevant zijn dat de term ʻcomplottheorieʼ lange tijd een prominente rol heeft gespeeld in een reeks internationale oefeningen, die kennelijk in de jaren tachtig zijn begonnen, ter voorbereiding op het uitbreken van een pandemie tijdens een internationale oorlog of, later, een terroristische aanslag.5 Bij deze oefeningen, die werden georganiseerd door de Verenigde Staten, waren regeringen, internationale organisaties als de WHO – maar niet de EU, zo lijkt het –, multinationale farmaceutische bedrijven, stichtingen, militaire en inlichtingendiensten, public relations firmaʼs en de massamedia betrokken. Een van de vragen was hoe tijdens een pandemie met het publiek moest worden gecommuniceerd om de mensen te laten doen wat men meende dat gedaan moest worden om de besmettingen een halt toe te roepen, door bijvoorbeeld quarantaineregels in acht nemen, zich te laten vaccineren, vertrouwen te hebben in de leiders, en te geloven in hun bekwaamheid en hun mededelingen. In dit verband werd ook besproken hoe moest worden omgegaan met ʻcomplottheorieënʼ die haaks staan op waarheidsgetrouwe of strategische informatie die door regeringen wordt verstrekt.

Het is heel goed mogelijk dat journalisten uit angst om als complotdenker te worden gebrandmerkt – met alle gevolgen van dien, zoals uitsluiting van officiële overheidsinformatie – zich hebben onthouden van onafhankelijke verslaggeving, of zelfs van álle verslaggeving, over de wereldwijde achtergrond van de politiek van de huidige pandemie. Die achtergrond bestaat uit een uitgebreid web van internationale en nationale, publieke en particuliere organisaties die zich bezighouden met de dreiging van en de voorbereiding op biologische oorlogsvoering – een wetenschappelijk-militair-industrieel complex rond bioveiligheid, verweven met het medisch-industrieel complex (een relatie die onlangs heeft geleid tot de vervanging van de term bioveiligheid door een minder verdacht begrip: veiligheid op het gebied van de gezondheid). Er is zeer weinig bekend over dit complex, behalve dat het door de VS wordt geleid, met zware betrokkenheid van de Amerikaanse inlichtingendiensten, en dat het onder meer de armlastige WHO en de geldverslindende Big Pharma omvat. Wat wel bekend is, is dat het netwerk de afgelopen twee decennia diverse bijeenkomsten heeft gehouden waar internationale en publiek-private samenwerking werd geoefend voor toekomstige noodsituaties. Achteraf gezien was het meest opmerkelijke evenement van deze aard er een in Hotel Pierre in New York op 18 oktober 2019, genaamd ʻEvent 201,ʼ waarbij werd doorgenomen hoe moest worden gereageerd op een wereldwijde pandemie veroorzaakt door een SARS-achtig coronavirus, nadat eerdere oefeningen betrekking hadden gehad op pokken, pest, miltvuur, en SARS-CoV-1. Slechts een paar weken later zag SARS-CoV-2 het licht.

Niemand die bij zijn volle verstand heeft geopperd dat de verschijning van het nieuwe virus eind 2019 – als dat al op dat moment was, en niet een paar weken eerder; ook dat wordt namelijk betwist – zoiets was als een levend experiment dat door het wereldwijde establishment in de nasleep van de Pierre-conferentie op de volkeren van de wereld is uitgevoerd. Uit de opeenvolging der gebeurtenissen blijkt echter wel dat SARS-CoV-2 niet onverwacht kwam. De basisstructuren ervan waren al bekend toen het virus opdook, omdat er uitgebreid wetenschappelijk onderzoek op hoog niveau aan vooraf was gegaan. (Dit kan overigens ook verklaren waarom het nieuwe type vaccin, mRNA, dat blijkbaar bijna op maat voor het nieuwe virustype is gemaakt, in recordtijd beschikbaar kwam toen het eenmaal nodig was). Nog interessanter is echter de manier waarop het virologisch onderzoek, dat ook in het laboratorium van Wuhan wordt verricht, onder meer onder leiding van een voormalig doctoraalstudent van genoemde Peter Daszak, gekoppeld lijkt te zijn aan internationale voorbereidingen, zowel tegen als in specifieke zin voor biologische oorlogsvoering – een koppeling die nogal vergelijkbaar lijkt met de koppeling van de kernfysica tijdens de Koude Oorlog aan de voorbereidingen zowel voor als tegen een atoomoorlog. Gezien de risicoʼs van het bioveiligheidsonderzoek – die zeker niet geringer zijn dan de risicoʼs van kernwapens – lijkt het van essentieel belang dat het publiek een beter inzicht krijgt in de mondiale politieke dimensie van SARS-CoV-2, iets waarover in Europa bijna nooit wordt gesproken.

Kortom: het wereldwijde bioveiligheidsnetwerk dat een groot deel van het huidige geavanceerde virologisch onderzoek blijkt te sponsoren, lijkt zijn oorsprong te vinden in een internationaal verdrag inzake biologische wapens, dat in 1971 door de Algemene Vergadering van de VN werd goedgekeurd en dat niet alleen biologische oorlogsvoering verbiedt, maar ook al het onderzoek ter voorbereiding daarvan.6 Onderzoek naar de manier waarop men zich tegen biologische wapens kan verdedigen, is echter wel toegestaan – en dat vereist, zo lijkt men te begrijpen, kennis over de eigenschappen van dergelijke wapens. Alleen specialisten kunnen weten welke mogelijkheden dit opent voor onderzoek naar biowapens, en hoe dit zich op zijn beurt weer verhoudt tot virologisch onderzoek voor medische doeleinden – meer dan één ʻdual useʼ-probleem, zo lijkt het. Het lijdt geen twijfel dat met name de Verenigde Staten enorme centra voor bioveiligheidsonderzoek onder militair toezicht hebben, bijvoorbeeld in het bovengenoemde Fort Detrick, waar sinds SARS-CoV-1, dat de zogenaamde vogelgriep veroorzaakte, coronavirussen bovenaan de onderzoeksagenda lijken te staan. Hoe belangrijk de Verenigde Staten een verdediging tegen dit soort virussen – of ze nu uit de natuur of uit een laboratorium voortkomen – achten, moge blijken uit het feit dat de wargame-oefening van oktober 2019 in Hotel Pierre (het duurste onder de dure hotels in de stad New York), waarbij de veronderstelde vijand een nieuw soort virus van onbekende oorsprong was, werd geleid door de voormalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright, die zich gedroeg als niemand minder dan POTUS zelf. Ook aanwezig was, naast vele anderen, ene Avril Haynes, die adjunct-directeur van de CIA en plaatsvervangend nationaal veiligheidsadviseur onder Obama was geweest. Ten tijde van de Pierre-oefeningen werkte zij voor een lobbyfirma in Washington die contacten met het Pentagon en de geheime diensten verkoopt. Kort na Event 201 benoemde president Biden haar tot directeur van de nationale inlichtingendienst, de hoogste post in het Amerikaanse inlichtingenbestel, belast met het toezicht op en de coördinatie van het grote aantal inlichtingendiensten van de Verenigde Staten.

De politiek rond internationale verdragen inzake wapenbeheersing kan vreemde bedgenoten voortbrengen, en dit lijkt ook het geval te zijn met betrekking tot biologische oorlogsvoering. Wetende wat men weet over de paradoxale wereld van de wederzijdse afschrikking, waarin je je tegenstander een deel van je kennis laat kennen terwijl je het beslissende restant verbergt, en waarin het internationaal recht bestaat naast uiteenlopende nationale wetgevingen, waardoor iets in het ene land wel en in het andere land niet verboden kan zijn, lijkt het helemaal niet ondenkbaar dat potentieel vijandige mogendheden samenwerken bij wetenschappelijk onderzoek, waarbij zij elkaar tegelijkertijd observeren en bedriegen. Een gebied dat zich hiervoor zou kunnen lenen in de virologie zou het zogenaamde ʻgain of functionʼ-onderzoek kunnen zijn, dat wordt gebruikt om te leren hoe een virus genetisch kan worden gewijzigd teneinde het besmettelijker en dodelijker te maken. Om zich tegen biologische aanvallen te verdedigen, zou het legitiem kunnen zijn te willen weten hoe deze ʻgain-of-functionʼ-technologie een virus als het ware kan opwaarderen. Als ʻgain of functionʼ-onderzoek op virussen in het ene land illegaal is, maar in het andere land niet, zou je het onderzoek misschien daar kunnen laten uitvoeren, op voorwaarde dat de resultaten worden gedeeld. Het is duidelijk dat hier een kans ligt voor allerlei James Bond-achtige fratsen, en wie zou durven uitsluiten dat er zowel in de Verenigde Staten als in China krachten zijn, zowel op wetenschappelijk als op defensiegebied, die graag op deze manier willen samenwerken?

In dit verband is het interessant dat onmiddellijk na de publicatie van de resultaten van de genetische sequencing van SARS-CoV-2 een aantal prominente virologen, de meesten gepensioneerd, lieten weten dat het nieuwe coronavirus volgens hen onmogelijk uit zichzelf kon zijn ontstaan en niets anders kon zijn dan een product van biotechnologische engineering. Nog interessanter is misschien de nerveuze reactie hierop van de kant van het virologisch establishment, met zijn rijkelijk gebruik van het begrip ʻcomplottheorie.ʼ Keer op keer werd het publiek verteld dat SARS-CoV-2 ontegenzeggelijk het resultaat was van natuurlijke evolutie, wat impliceerde dat noch de Chinese wetenschappers, noch hun Amerikaanse collegaʼs en sponsors het verdrag inzake biologische wapens hadden geschonden. Een van de meest uitgesproken pleitbezorgers van dit standpunt was de hoofdviroloog van de Duitse regering, Christian Drosten, een zelfverklaard frequent bezoeker van Wuhan, zowel van het laboratorium als van de ʻnatte markt.ʼ Om het vermoeden van ʻgain of functionʼ-onderzoek te weerleggen, voerde Drosten aan dat het nieuwe virus complexer was dan nodig zou zijn geweest om het gevaarlijk te maken voor de mens, hetgeen volgens hem bewees dat de modificatie in kwestie het resultaat moest zijn van natuurlijke evolutie en niet van menselijke manipulatie. Niet zonder beroepsmatige trots suggereerde Drosten zelfs aan een interviewer dat als hij het virus had moeten modificeren, hij wel een veel eenvoudiger en eleganter manier had geweten.7

Van hieruit bezien lijkt het begrijpelijk dat de op het eerste gezicht ietwat perifere vraag naar de oorsprong van het virus en de rol van het Wuhan-laboratorium zo hardnekkig in leven blijft. Parallel met de pogingen om het debat het zwijgen op te leggen, is de vraag waar SARS-CoV-2 vandaan kwam, uit een vleermuizengrot of uit een petrischaal, het voorwerp geworden van diverse, regelmatig gefrustreerde, internationale onderzoeken die gezien het explosieve karakter van de kwestie wellicht zó zijn opgezet dat ze geen uitsluitsel zullen geven. (Of waarom zou uitgerekend de genoemde Peter Daszak anders zijn uitgenodigd om zitting te nemen in de onderzoekscommissies van de WHO?). In ieder geval vraagt dit om een krachtig openbaar debat over de manier waarop de grote mogendheden van de wereld, en vooral de allergrootste, de Verenigde Staten, zich met of zonder Europese deelname voorbereiden op zowel biologische oorlogsvoering als de verdediging daartegen, waarbij die twee potentieel even gevaarlijk zijn en moeilijk uit elkaar te houden; en over de manier waarop medisch en militair biologisch onderzoek met elkaar in verband lijken te staan in de eerstelijns virologie. Het publiek moet weten wat voor bescherming de machthebbers voor ogen hebben, en hoe destructief een dergelijke bescherming kan zijn. ʻBioveiligheidʼ mag niet langer een geheime aangelegenheid zijn, en als de Europese landen in feite ʻweerbaarderʼ willen worden tegen nieuwe coronavirussen, moeten de voorbereidingen voor en tegen biologische oorlogsvoering een belangrijk punt op hun agenda zijn.

Vertaling: Menno Grootveld

1Een waardevol verslag is nu beschikbaar in de vorm van een boek van Luc van Middelaar, Pan-demonium: Saving Europe, Agenda Publishing, Newcastle upon Tyne 2021. Van Middelaars relaas verschilt op sommige punten van het hier gepresenteerde, en het volgt het traditionele verhaal over ʻEuropaʼ als een Phoenix die uit de as van een eindeloze keten van opeenvolgende crises oprijst. Het belangrijkste is dat het boek volledig voorbijgaat aan het verband tussen ʻEuropeseʼ politiek en beleid, en de kapitalistische ontwikkeling van Europa tijdens en na het neoliberalisme.

2Zie over het volgende onder meer N.WADE, The Origin of COVID? Did People or Nature Open Pandora’s Box at Wuhan?, Bulletin of the Atomic Scientists, 5 mei 2021, https://thebulletin.org/2021/05/the-origin-of-covid-did-people-or-nature-open-pandoras-box-at-wuhan/, voor het laatst bezocht op 21 september 2021. En recenter, met een actuelere inhoud, K.STACEY en I.KAMINSKA, Genetic engineering: why some fear the next pandemic could be lab-made, in de Financial Times van 17 november 2021.

3Vergeet niet het lemma over Fort Detrick op de Engelstalige Wikipedia-site te bekijken: https://en.wikipedia.org/wiki/Fort_Detrick.

4The Lancet, Vol. 395, 7 maart 2020.

5De beste bron die ik kon vinden is helaas alleen in het Duits beschikbaar: P.SCHREYER, Chronik einer angekündigten Krise: Wie ein Virus die Welt verändern konnte, Westend, Frankfurt am Main 2020.

6De volledige naam luidt ʻConventie inzake het Verbod op de Ontwikkeling, Productie en Opslag van Bacteriologische (Biologische) en Toxische Wapens en hun Vernietiging.ʼ De Verenigde Staten hadden in 1969, na een aantal incidenten die in de openbaarheid kwamen, het onderzoek naar biologische wapens verboden, voorzover dergelijk onderzoek burgers schade zou kunnen berokkenen.

7Herr Drosten, woher kam dieses Virus?, in Republik, 5 juni 2021, https://www.repub-lik.ch/2021/06/05/herr-drosten-woher-kam-dieses-virus, voor het laatst bezocht op 21 september 2021.

Categorieën
Economie Politiek

Lessen voor links

Oorspronkelijke tekst (Frans): Le Monde Diplomatique, januari 2022

fotografie: Linkedin

door Serge Halimi en Benoît Bréville

Serge Halimi is hoofdredacteur van Le Monde Diplomatique en Benoît Bréville is eindredacteur van Le Monde Diplomatique

In het Westen is links verdeeld en zwak, en de kiezers uit de arbeidersklasse hebben het vertrouwen verloren in het vermogen van links om hun leven te verbeteren. Zolang dat niet verandert, zal populistisch rechts er de vruchten van plukken.

Met de Franse presidentsverkiezingen in het vooruitzicht is de algemene opvatting dat links opnieuw op een nederlaag afstevent. Dit gevoel wordt nog versterkt door het feit dat, zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat de verschillende linkse stromingen zich tijdens de campagne nog zouden verenigen, zij niet veel meer gemeen hebben. Hoe zouden zij samen kunnen regeren als ze het oneens zijn over zulke fundamentele zaken als belastingen, pensioenleeftijd, kernenergie, de EU, het defensiebeleid en de betrekkingen met de VS, Rusland en China?

Het enige dat hen nog bindt, is hun angst voor extreem-rechts. Maar in de afgelopen vier decennia is extreem-rechts blijven groeien, zelfs toen links aan de macht was (1981-ʼ86, 1988-ʼ93, 1997-2002, 2012-ʼ17). Met andere woorden: hun strategieën om dit gevaar in te dammen zijn een spectaculaire mislukking geweest.

Buiten Frankrijk is het beeld niet veel rooskleuriger. ‘Het heeft geen zin er omheen te draaien. We zijn overrompeld! Links is in een hele reeks landen weggevaagd,’ zegt Jean-Luc Mélenchon,1 die de voornaamste presidentskandidaat van Frans links lijkt te zijn, hoewel hij verschillende kandidaten van rechts en uiterst rechts vóór zich moet dulden. In 2002 leidden sociaaldemocraten dertien van de vijftien regeringen van de EU; twintig jaar later zijn dat er nog maar zeven van de zevenentwintig (Duitsland, Finland, Zweden, Denemarken, Spanje, Portugal en Malta).

Deze ineenstorting kan niet los gezien worden van een wrede paradox die wordt benadrukt door Jean-Pierre Chevènement, zelf een voormalig linkse kandidaat voor het presidentschap: ‘De neoliberale mondialisering, in de vorm van het vrije verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen, wordt niet aangevochten door links, dat zich grotendeels heeft geschaard achter het sociaal-liberalisme, maar door zogenaamd “populistisch” rechts.’2

Een dergelijke situatie zou in het voordeel van uiterst links moeten zijn. Maar ook hier is het beeld niet veel rooskleuriger. In Griekenland werd Syriza door de schuldeisers van het land verplicht om het economische en financiële beleid dat het beloofd had te zullen bestrijden, aan te scherpen; toen Syriza dit met tegenzin deed, verloor het de macht. Podemos in Spanje en Die Linke in Duitsland zijn verzwakt; de Franse communisten hebben geen zetels meer in het Europees Parlement. Jeremy Corbyn, die de Britse Labourpartij had geleid en geprobeerd had haar uit de door Tony Blair veroorzaakte sleur te halen, werd uit zijn partij gezet, en in de VS zag Bernie Sanders, die ook hoopte een nieuwe identiteit te kunnen geven aan een partij die de neoliberale mondialisering had vormgegeven, zijn presidentiële campagne in minder dan een week tijd ineenstorten. Alleen Latijns-Amerika biedt links nog enige reden tot troost.

Een sociale transformatie kan alleen tot stand worden gebracht als zij berust op een krachtige arbeidersbeweging. Weten dat een beleid gefaald heeft, of zelfs dat een systeem onwettig is, genereert niet automatisch de wil om het ten val te brengen. Wanneer de middelen daartoe ontbreken, maken opstand en woede vaak plaats voor gewoon doorzetten en voor jezelf zorgen, of voor de overtuiging dat de sociale rechten van je buurman in feite privileges zijn: houdingen die in het voordeel werken van conservatieven en extreem-rechts.

In Frankrijk en elders is het mislukken van de meeste grote sociale mobilisaties van de afgelopen twintig jaar, hoewel deels te wijten aan ineffectieve vakbondsstrategieën (zoals periodieke acties in plaats van algehele stakingen bij de SNCF, de nationale spoorwegen, en de RATP, het Parijse transportsysteem), ook voor een groot deel te danken aan het regeringsbeleid, dat de organisatie van (verlammende) stakingen verhinderde door bijvoorbeeld een minimale dienstverplichting voor het openbaar vervoer op te leggen. De bourgeoisie weet hoe ze van haar nederlagen moet leren en hoe ze de instrumenten die daar verantwoordelijk voor waren moet vernietigen. Zij zal niet aarzelen om de regels van het spel te veranderen of te breken. Als het moet, kán zij het, en doet zij het ook. Zoals de filosoof Lucien Sève opmerkte: ‘Het kapitalisme zal niet vanzelf instorten, het heeft nog steeds de kracht om ons allemaal naar de dood te leiden, zoals sommige piloten van luchtvaartmaatschappijen die zelfmoord plegen met hun passagiers. We moeten dringend de cockpit binnengaan en samen de besturing overnemen.’3

Maar links heeft al vaak in de cockpit gezeten. Dit maakt juist deel uit van haar huidige probleem, aangezien de herinneringen aan links aan de macht de bereidheid hebben vernietigd om haar opnieuw het stuur in handen te geven. Namen als Blair, Clinton, Mitterrand, Craxi, Gonzáles, Schröder en Hollande roepen dikwijls een sterk negatieve reactie op. Zozeer zelfs dat je ver terug moet gaan voordat het woord ‘links’ enige nostalgie wekt: de New Deal in de VS en het Franse Volksfront in de jaren dertig; de ‘geest van 1945,’ waaraan de Britten hun National Health Service te danken hebben; ‘het communisme dat er al is,’ zoals de socioloog Bernard Friot het Franse socialezekerheidsstelsel omschrijft.

De geschiedenis van de teleurstellingen die daarop volgden, met name de afgelopen jaren, is welbekend. Twee aspecten zijn echter de moeite waard om in herinnering te brengen. Het eerste is dat het links niet alleen niet is gelukt zijn eigen programma uit te voeren, maar dat het in plaats daarvan juist het programma van zijn tegenstanders uitvoerde. Het tweede is dat wanneer links niet snel toegaf – in het geval van president Hollande al op de eerste dag van zijn ambtstermijn – het niet een staatsgreep of een buitenlands leger was dat haar ondergang teweegbracht, maar financiële wurging. ‘De Atheense Lente,’ zo zei de voormalige Griekse minister van Financiën Yanis Varoufakis in 2015, ‘werd verpletterd, net als de Praagse Lente eerder. Maar dit gebeurde natuurlijk niet [met] tanks, maar [met behulp van] de banken.’

En de vijand zat vaak in eigen gelederen… Wie had zich tot voor kort kunnen voorstellen dat een voormalige Labour-premier in de particuliere sector zou gaan werken en een fortuin zou verdienen bij Barclay’s Bank en JPMorgan (Tony Blair), of dat een voormalige socialistische minister van Financiën hoofd van het IMF zou worden (Dominique Strauss-Kahn)? Drie Franse socialisten of met Mitterrand geassocieerde politici waren de architecten van de deregulering van het kapitaal, die de financiële mondialisering heeft aangejaagd: Jacques Delors als voorzitter van de Europese Commissie, Henri Chavranski bij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), en Michel Camdessus als hoofd van het IMF.

De Europese Akte, de publiek-private partnerschappen en de privatiseringen, met inbegrip van de privatisering van de media, waren dus vaak het werk van links. Toen hij zich kandidaat stelde voor de Franse presidentsverkiezingen van 2002, opperde de socialistische premier Lionel Jospin zelfs dat zijn regering France Télécom en Air France had geprivatiseerd in het belang van de werknemers. Hoe kun je nu een links electoraat politiek mobiliseren met zo’n staat van dienst?

Maar het wordt er niet makkelijker op wanneer links, als het aan de macht is, weigert rechts beleid uit te voeren. Een kleine eeuw geleden gaf de Franse socialistische leider Léon Blum aan de vooravond van de parlementsverkiezingen uiting aan zijn bezorgdheid over de mogelijke overwinning van het linkse kartel: ‘Wij zijn er niet van overtuigd dat de vertegenwoordigers en leiders van de huidige maatschappij, op het moment dat haar essentiële beginselen in hun ogen te ernstig bedreigd lijken, niet zélf buiten de wet zullen treden.’4 Blum was bang voor een plotseling gewelddadig ingrijpen. Vandaag zou dat niet nodig zijn, en is het zelfs niet nodig om buiten de wet te treden teneinde de ‘essentiële beginselen’ van een kapitalistische samenleving overeind te houden, wat de betrokkenen ook beslissen.

‘Geen keuze tegen EU-verdragen’

Slechts vier dagen na de verkiezingsoverwinning van Grieks links waarschuwde Jean-Claude Juncker, de voorzitter van de Europese Commissie: ‘Er kan geen sprake zijn van een democratische keuze tegen de Europese verdragen.’ Dit structurele slot op de deur, het gevoel dat bijna alles onmogelijk is geworden, is nu zó diep geworteld in de wetten – en gedachten – van regeringen dat toen de Franse minister van Financiën afgelopen november te horen kreeg dat 90 procent van de Fransen de btw op vijftig essentiële producten wilde afschaffen, hij antwoordde: ‘Dat zou jaren van discussie met de Europese Commissie vergen, want het invoeren van een btw van 0 procent is onder de huidige regels niet mogelijk.’5 Met andere woorden: we zouden het graag doen, maar we zijn er niet meer toe in staat…

Dergelijke herhaalde betuigingen van onmacht hebben er uiteindelijk toe geleid dat het politieke debat aan geloofwaardigheid heeft ingeboet. Partijen die steeds meer leden verliezen (de Socialistische Partij van Frankrijk telde er vorig jaar nog maar tweeëntwintigduizend, tegen bijna tweehonderdduizend veertig jaar geleden) zien er niet langer uit als aandrijvers van potentiële verandering, maar als electorale machines die aanzetten tot navelstaren, leiderschapsoorlogen en persoonlijkheidsconflicten. Veel activisten willen zich distantiëren van deze wereld, die zij als corrupt beschouwen, en wenden zich tot andere vormen van horizontale, inclusieve en participatieve actie. De betogers die deelnamen aan de Arabische Lente, Occupy Wall Street, Nuit Debout en de Gilets Jaunes verwierpen allen leiders (om persoonsverheerlijking te voorkomen), hiërarchische organisaties (om autoritarisme te voorkomen), allianties met partijen of vakbonden (uit angst voor coöptatie) en het zich verkiesbaar stellen (wat hen te dicht bij een wereld van gekonkel en compromissen zou brengen).

Maar dit streven naar zuiverheid kan ten koste gaan van de doeltreffendheid. Op 15 oktober 2011 bracht de Occupy-beweging miljoenen mensen bijeen in 952 steden in 82 landen, de grootste wereldwijde mobilisatie in de geschiedenis. Zij bereikte echter helemaal niets. De Gilets Jaunes, de langstlevende sociale beweging in Frankrijk, hield tientallen marsen op de zaterdagen. Ook zij kwam echter niet ver. En de Arabische lente? Tien jaar na de betogingen op het Tahrirplein in Caïro leeft Egypte onder de dictatuur van Abdel Fattah al-Sissi, die nog erger is dan die van Hosni Mubarak, die in 2011 werd verdreven.

‘De jongeren, die aan het hoofd van die bewegingen stonden … verwierpen ieder concept van verticale, top-down organisatie,’ zei Midden-Oostenanalist Hicham Alaoui over de Arabische lente. ‘Waarom? Na decennia van corruptie te hebben gezien, hadden ze inherente twijfels over de politiek. Politiek was smerig, het was corrupt. Voor hen betekende het behoud van hun idealisme in wezen ongerept blijven … Je kunt druk opbouwen door mensen de straat op te krijgen, maar als die druk uiteindelijk niet de weg naar het politieke systeem vindt, word je volledig gemarginaliseerd.’6 In een dergelijke situatie is de uitkomst simpel: zonder organisatie is er geen invloed; en zonder invloed kunnen er geen resultaten worden geboekt.

Lokale, concrete initiatieven

Vandaar het gevoel van berusting, zelfs fatalisme, en het zoeken naar andere strijdtonelen. Aangezien miljoenen mensen die de straat op zijn gegaan er niet in zijn geslaagd de wereld te veranderen, geven veel activisten nu de voorkeur aan lokale, concrete initiatieven die hen in staat stellen een sociale structuur die hen niet aanstaat omver te werpen. Daarom floreren de ʻZones to Defendʼ (ZAD), die ongewenste ontwikkelingsprojecten tegenhouden, net als zelfbesturende gemeenschappen en koop-lokaal initiatieven. Buiten het systeem leven komt echter neer op accepteren dat je acties marginaal zijn, omdat je de grondslagen van het systeem niet kunt veranderen.

‘Je kunt sociale relaties niet transformeren door je van sommige ervan af te keren,ʼ zegt Frédéric Lordon. ‘Een antikapitalistisch eilandje elimineert het kapitalisme niet: het laat alle “continenten” op hun plaats. Het demonstreert echter “de beweging in beweging,” en dat is van onschatbare waarde. Op voorwaarde natuurlijk dat we ons voorbereiden op een terugkeer naar het continent: de veralgemening.ʼ7 Ja, maar zijn deze lokale bewegingen, die vaak worden geleid door jonge afgestudeerden uit de middenklasse, ook in dezelfde mate betrokken op de volkswijken?

Als we nadenken over de mislukkingen van links, mogen we niet voorbijgaan aan het klassenverbond dat links gedurende de hele twintigste eeuw in staat heeft gesteld de maatschappij te winnen en te veranderen. Dat verbond was altijd al fragiel, en nu ligt het in duigen. Kan het opnieuw worden opgebouwd, of moet het worden vervangen door iets nieuws? Want het verenigd front van de progressieve middenklasse en de arbeidersklasse is uiteengevallen. Deze twee groepen ontmoeten elkaar niet meer, omdat ze steeds meer op verschillende plaatsen wonen, werken en studeren; ze voeren niet langer samen campagne in politieke partijen, die nu meestal bestaan uit afgestudeerden en gepensioneerden uit de middenklasse; ze worden niet langer gemobiliseerd door dezelfde doelen of prioriteiten.

De afgelopen dertig jaar is de vervreemding tussen links en het electoraat van de arbeidersklasse toegeschreven aan een reeks factoren: politieke (verwaarloosde beloften), economische (uitbreiding van de dienstensector, financialisering, mondialisering), ideologische (neoliberale dominantie), sociologische (het pleidooi van de geschoolde klasse voor meritocratie), antropologische (de ontbinding van verschillende aspecten van het leven in een gekwantificeerde, commerciële rationaliteit), geografische (metropolen versus buitenwijken) en culturele (maatschappelijke versus sociale strijd). Dergelijke klassieke verklaringen vormen alleen een samenhangend beeld als we rekening houden met twee andere, niet vaak genoemde oorzaken: het matigende effect van de ʻSovjetdreigingʼ op de leiders van de kapitalistische ʻvrije wereldʼ enerzijds, en de verslechtering van de verhouding van de arbeidersklasse tot de institutionele politiek anderzijds.

ʻCommunistisch tegenmodelʼ

Thomas Piketty, een fervent tegenstander van het revolutionaire marxisme, erkent niettemin dat ‘de vermindering van de ongelijkheid in de twintigste eeuw nauw samenhing met het bestaan van een communistisch tegenmodel […] Door de kracht van die druk en de dreiging die deze inhield voor de elites van de bezittende klasse in de kapitalistische landen, heeft zij in zeer belangrijke mate bijgedragen tot de omvorming van de machtsverhoudingen en in de kapitalistische landen het ontstaan mogelijk gemaakt van een belastingstelsel, een sociaal stelsel en een stelsel van sociale zekerheid die zonder dit tegenmodel zeer moeilijk op te leggen zouden zijn geweest.ʼ8

Want, hoe vreemd dit vandaag de dag ook moge klinken, decennialang vertegenwoordigde de Sovjet-Unie, vooral onder de meest militante sector van de westerse arbeidersklasse, de concrete mogelijkheid van een ander heden en dus van een andere toekomst – een hoop. Er is geen politiek mogelijk zonder geloof in de toekomst en het was precies deze mengeling van verlangen, illusie en hoop die in de jaren tachtig is verdwenen, toen links aan de macht zich bekeerde tot het neoliberalisme en industriële bolwerken vernietigde, wat tot gevolg had dat de sociale groep die zich sinds de jaren dertig in een sterke positie had bevonden, uit het spel werd gehaald.9 Wat commentatoren en opiniepeilers de depolitisering van de arbeidersklasse noemen, is gewoon een manier om te verwijzen naar hun weigering om een spel mee te spelen dat zij naar hun gevoel niet kunnen winnen.

En de terugtrekking van sommigen heeft het monopolie van anderen geconsolideerd. Naarmate het percentage afgestudeerden is toegenomen (na de oorlog nog geen vijf procent van de bevolking, nu ruim een derde in Europa en de VS), zijn zij cultureel dominant geworden en electoraal van doorslaggevend belang. Bijgevolg vinden zij dat hun politieke overwicht minder afhankelijk is van het smeden van allianties met anderen, hetgeen zou vereisen dat ook rekening wordt gehouden met hún prioriteiten.

In de jaren vijftig en zestig stemden de rijken en hoogopgeleiden op rechts, terwijl de armen en degenen met alleen een middelbare schoolopleiding op links stemden. Dat is nu niet langer het geval: een universitair diploma – de positie van deskundige, leidinggevende, specialist – betekent dat je waarschijnlijk links zult stemmen en dat brengt soms, als reactie, degenen die noch deskundigen, noch afgestudeerden zijn, en die zich door hen veracht voelen, ertoe om de tegenovergestelde richting in te gaan. Dit ‘Amerikaanse model’ is bijna overal in Europa terug te vinden: rijke, intellectuele steden als New York en San Francisco stemmen Democratisch. Een arme, landelijke staat als West Virginia of Mississippi stemt Republikeins.

Maar in tegenstelling tot dertig of veertig jaar geleden kunnen gematigd linkse partijen – socialisten, Labour, Democraten of groenen – nu op winst rekenen, zelfs als zij de eisen van de kiezers uit de arbeidersklasse veronachtzamen, vooral bij verkiezingen waar de opkomst van de arbeidersklasse laag is. Ze kunnen dan prioriteit geven aan een sociaal en cultureel liberalisme dat in de eerste plaats is afgestemd op de hoogopgeleide middenklasse. ‘Het verliezen van de arbeiders is niet erg,’ concludeerde François Hollande. De New Yorkse senator Chuck Schumer zei in juli 2016 iets soortgelijks: ‘Voor elke blue-collar Democraat die we verliezen in het westen van Pennsylvania, halen we twee gematigde Republikeinen binnen in de buitenwijken van Philadelphia, en dat kun je herhalen in Ohio en Illinois en Wisconsin.’ Een paar maanden later won Donald Trump Pennsylvania, en het presidentschap…

Ook Dominique Strauss-Kahn raadde de Franse socialisten aan het electoraat van de arbeidersklasse achter zich te laten en ‘wat in de middenklasse van ons land gebeurt tot topprioriteit te maken.’ Hij had deze keuze kort voor de presidentsverkiezingen van 2002, waarbij de socialistische kandidaat werd uitgeschakeld, toegelicht: ‘De leden van de middenklasse, voor het overgrote deel bestaand uit loontrekkenden die scherpzinnig, geïnformeerd en hoogopgeleid zijn, vormen de ruggengraat van onze samenleving en staan garant voor haar stabiliteit.’ Dit gold volgens hem niet voor ‘de meest achtergestelde groep,’ die ‘meestal helemaal niet gaat stemmen’ en wier ‘oprispingen zich soms door geweld manifesteren.’10

Twintig jaar geleden versloegen de socialisten rechts bij de gemeenteraadsverkiezingen in Parijs, maar verloren de controle over ruim twintig steden in het hele land. Een van hun leiders, Henri Emmanuelli, publiceerde een artikel (‘Links, tegen welke prijs per vierkante meter?’) waarin hij schreef: ‘Voortaan kan de invloed van pluralistisch links [een linkse coalitie] de neiging hebben om de prijs [van onroerend goed] per vierkante meter te volgen, terwijl die er van oudsher omgekeerd evenredig aan was.’11

In 1983 en 1989 had Jacques Chirac elk van de twintig arrondissementen van Parijs voor rechts gewonnen. Sinds 2001 heeft Parijs socialistische burgemeesters gehad (Bernard Delanoë, gevolgd door Anne Hidalgo) en zijn de vastgoedprijzen per vierkante meter verdrievoudigd. Tegelijkertijd kreeg extreem-rechts, dat bij de presidentsverkiezingen van 1988 13,38 procent van de stemmen in Parijs won – een vergelijkbaar resultaat als in de rest van het land – in 2017 slechts 4,99 procent in de hoofdstad, hoewel Marine Le Pen dat jaar 21,3 procent van de nationale stemmen won, met name dankzij de arbeidersklasse. Gezien een dergelijke demografische omslag is het niet verwonderlijk dat de hogere middenklasse en afgestudeerden de toon zetten voor links en haar strategische prioriteiten bepalen.

Maar wat voor sommigen het belangrijkst is, is dat niet voor anderen, zelfs niet wanneer zij dezelfde partij steunen. Toen Amerikaanse arbeiders die in 2017 Democratisch stemden, hun topprioriteiten opsomden, kozen ze voor de kosten van de gezondheidszorg, de toestand van de economie, banen en pensioenen. De topprioriteiten voor progressieve afgestudeerden – de ʻcreatieve klassenʼ van journalisten, kunstenaars, leraren, opiniepeilers, gekozen functionarissen, hoogleraren, New York Times-lezers, bloggers en publieke radioluisteraars – waren, in volgorde: het milieu, klimaatverandering, de kosten van de gezondheidszorg en onderwijs.12

Corbyn gaf toe aan de druk

Dergelijke discrepanties zijn niet per se netjes in kaart te brengen op de scheidslijn tussen gematigden en radicalen. De Britse Labourpartij kreeg in 2019 bijvoorbeeld een grote tegenslag te verwerken toen haar leider Jeremy Corbyn zwichtte voor de druk van zowel Blair-getrouwe parlementsleden, die Corbyn verafschuwden, als van radicale studenten, die van hem hielden; hij kondigde aan dat als hij de verkiezingen zou winnen, hij een tweede Brexit-referendum zou houden. De meeste Labour-kiesdistricten in het noorden van Engeland hadden vóór Brexit gestemd, terwijl Brexit juist gehaat werd door de goed-opgeleide middenklasse, zowel radicaal als gematigd. Corbyns besluit betekende dat tientallen van dergelijke zetels naar de Conservatieven gingen. De les is duidelijk: als links het electoraat wil terugwinnen, kan het zich maar beter niet richten op de kwesties die het meest kans maken het electoraat tegen zich in het harnas te jagen. Rechts, Twitter en de media doen dat toch al.

In moeilijke tijden neemt de vraag naar goed nieuws toe. Maar met de pandemie worden mobilisaties die suggereren dat links in het offensief is, zeldzamer; dit vergroot de individuele terugtrekking, de melancholie over de ‘voorbije tijden’ en het publieke debat dat zich concentreert op de identiteitsgebonden obsessies van extreem-rechts. Dit zijn allemaal elementen van een politiek van angst die, als links eraan zou toegeven, ertoe zou leiden dat het zich zou beperken tot het verdedigen van verworvenheden uit het verleden of het sluiten van overhaaste verkiezingspacten om het ergste te voorkomen. In een dergelijk scenario wordt vaak achter het meest gematigde, meest timide voorstel, het voorstel dat de bestaande orde het minst dreigt te verstoren, een defensieve coalitie georganiseerd: Hollande en Macron in plaats van Mélenchon in 2012 en in 2017, Clinton en Biden in plaats van Sanders in 2016 en in 2020. Met het risico dat het water de volgende keer weer verder zal zijn gestegen.

De architecten van het neoliberalisme, zoals Friedrich Hayek, die het beu waren altijd in de verdediging te moeten gaan tegen het naoorlogse socialisme, kozen voor een andere weg. Zij daagden hun volgelingen uit om te kiezen voor ‘een intellectueel avontuur,’ ‘een gebaar van moed,’ ‘een waarlijk radicalisme.’ Vandaag geldt hetzelfde advies voor links: het scrupuleus respecteren van de economische en politieke spelregels die de tegenstanders dertig jaar geleden hebben opgesteld, kan alleen maar opnieuw tot een zekere mislukking leiden. De drievoudige ecologische, sociale en democratische noodsituatie vereist daarentegen dat het echte ‘neoliberale radicalisme,’ dat nu triomfeert en waarvan de voortzetting uiteindelijk de vernietiging van de samenleving en het einde van de mensheid zou betekenen, wordt bestreden door een tegengesteld radicalisme. Deze keer in de zekerheid dat een bijna uniform intellectueel en meritocratisch links noch egalitair, noch populair, noch zegevierend zal zijn.

De zojuist gekozen Chileense president Gabriel Boric heeft, ervan uitgaande dat hij handelt naar zijn claim dat hij van zijn land het ʻgrafʼ van het neoliberalisme zal maken, het doel uiteengezet. Zeggen dat de weg hobbelig zal zijn, is een understatement. Maar toen hem gevraagd werd naar zijn onwrikbare optimisme, antwoordde Noam Chomsky ooit: ʻKijk, je hebt twee keuzes. Je kunt zeggen: ik ben een pessimist, niets zal werken. Ik geef het op, ik zorg ervoor dat het ergste zal gebeuren. Of je kunt je vastgrijpen aan de kansen die er wel zijn, de sprankjes hoop die er zijn en zeggen: misschien maken we er een betere wereld van. Dat is niet echt een moeilijke keuze.’

Vertaling: Menno Grootveld

1Questions politiques,’ France Inter, 21 maart 2021.

2 Jean-Pierre Chevènement, Qui veut risquer sa vie la sauvera, Robert Laffont, Parijs 2020.

3 Interview in L’Humanité, 8 november 2019, opnieuw verschenen op 24 maart 2020, kort na zijn dood.

4 Léon Blum, ‘L’idéal socialiste’, La Revue de Paris, mei 1924. Geciteerd in Jean Lacouture, Léon Blum, Seuil, Parijs, 1977.

5 Gerald Darmanin, Le Journal du dimanche, 7 april 2019.

6A dissenter’s view of the Arab Spring’, interview met Hicham Alaoui, Harvard Gazette, 23 december 2019.

7Frédéric Lordon: rouler sur le capital,’ Ballast, 21 november 2018.

8 Lezing bij ‘Amis de l’Huma’, 31 januari 2020.

9 Stéphane Beaud en Michel Pialoux, ‘Pourquoi la gauche a-t-elle perdu les classes populaires?’ (Waarom is links de arbeidersklasse kwijtgeraakt?), Savoir/Agir, Vulaines-sur-Seine, no 34, december 2015.

10 Dominique Strauss-Kahn, La Flamme et la Cendre (De vlam en de as), Grasset, Parijs, 2002.

11 Libération, Parijs, 27 maart 2001.

12 ‘Placing priority: How Issues Mattered More than Demographics in the 2016 Election,’ Democracy Fund Voter Study Group, Washington DC, december 2017.