Categorieën
Economie Politiek

De donuteconomie heeft een gat in de kern

Oorspronkelijke tekst (Engels): Jacobin, 24 september 2021

fotografie: Gotham Ghostwriters

door Jordan G. Teicher

Jordan G. Teicher is schrijver en woont in Brooklyn. Zijn werk verscheen onder meer in The New York Times, The Guardian, en The New Republic.

In de winter van 2018 sprak de Britse econome Kate Raworth een uitverkochte zaal van vijfhonderd mensen toe in de Nederlandse stad Rotterdam. ʻWie is econoom of volgt momenteel een cursus economie?ʼ vroeg ze aan het publiek. Tientallen handen gingen omhoog. ʻWauw, ze zijn hier…,ʼ zei ze – volgens De Telegraaf een opmerking die ʻhalf schertsend, half dreigendʼ werd gemaakt.

Het was een karakteristieke dubbelzinnige opmerking van Raworth, een zelfbenoemde ʻafvallige econoomʼ aan de Universiteit van Oxford, die het aan de stok heeft met haar collegaʼs in het veld. Raworth was in Rotterdam om te spreken over de recente vertaling van haar bestseller uit 2017, Donuteconomie: In zeven stappen naar een economie voor de 21e eeuw, waarin ze betoogt dat de moderne economie niet geschikt is voor de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw. In plaats daarvan hebben we een nieuw raamwerk nodig – dat, jawel, lijkt op een donut –, ontworpen om te voldoen aan ʻde behoeften van iedereen, binnen de beperkingen van de planeet.ʼ Voor Raworth moet het doel zijn de wereldeconomieën ʻin de donutʼ te krijgen – de tot nu toe ongrijpbare ruimte tussen welzijn voor iedereen en overschrijding van de ecologische grenzen. Als het om de groei gaat, zegt ze, moeten we agnostisch zijn.

Degenen die de crises die het kapitalisme heeft veroorzaakt in het vizier hebben, klinkt Raworths voorstel waarschijnlijk mild in de oren, maar ten tijde van haar optreden in Rotterdam – slechts één halte op een landelijke tournee, met uitverkochte toespraken in Amsterdam en Tilburg, en een toespraak op het Nederlandse ministerie van Economische Zaken en Klimaatbeleid – was Raworth in Nederland het onderwerp van zowel intense lof als hoon. Jan Peter Balkenende – een voormalig premier van het centrumrechtse CDA, die het Rotterdamse evenement bijwoonde – zei tegen De Telegraaf: ʻIk beveel [Raworths] boek aan in alle presentaties die ik geef over duurzaamheid.ʼ De Nederlandse econoom Bas Jacobs, een criticus van het moderne kapitalisme, noemde Donuteconomie daarentegen ʻhet intellectueel slechtste en meest irritante economieboek van 2017.ʼ

Niettemin was de donuteconomie, iets meer dan twee jaar na Raworths bezoek, officieel beleid geworden in het nabijgelegen Amsterdam, waarbij de Nederlandse hoofdstad in april 2020 aankondigde dat het de eerste stad ter wereld zou worden die het model zou overnemen. De wereldpers beschreef dat besluit al snel als wereldschokkend – het einde, misschien, van het einde van de geschiedenis. ʻAmsterdam omarmt een radicale, nieuwe economische theorie om het milieu te redden,ʼ kopte Time, en voegde er de vraag aan toe: ʻZou die theorie ook het kapitalisme kunnen vervangen?ʼ

Rode (fluwelen) schrik

Het lijkt erop dat er een spook door Europa waart – het spook van de donuteconomie. Een paar maanden na het besluit van Amsterdam stemde de gemeenteraad van Kopenhagen voor het opstellen van een plan om het model over te nemen. Barcelona, Brussel en de Canadese stad Nanaimo volgden al snel. De Ierse president Michael D. Higgins prees de donuteconomie in een toespraak in oktober 2020, terwijl Amerikaanse steden als Portland en Philadelphia het model ook hebben onderzocht.

Volgens velen ter rechterzijde heeft de donuteconomie veel gemeen met een ander, algemener bekend spook dat ooit door Europa waarde. (Een libertaire tegenstander van het model omschreef het als ʻzoʼn beetje dezelfde lijst die progressieven de afgelopen eeuw of langer hebben gewild.ʼ) Raworth van haar kant heeft echter duidelijk gesteld dat de donuteconomie niet noodzakelijk een recept is voor socialisme of voor kapitalisme – of, wat dat aangaat, voor welke bekende economische theorie dan ook:

Soms als ik de ideeën van de donuteconomie uitleg, zeggen mensen: ʻIs dit kapitalisme? Is dit communisme? Is dit socialisme?ʼ En dan denk je: ʻEcht? Zijn dit de enige keuzes die we hebben? De ismen van de vorige eeuw? Kunnen we niet met onze eigen ideeën komen?ʼ

En toch, ondanks de ambivalentie ten opzichte van de grote ʻismes,ʼ heeft de donuteconomie niet geleid tot ongerustheid onder de machthebbers in het bedrijfsleven en de overheid, maar juist hun steun gekregen. In 2018 werd Raworth uitgenodigd om te spreken op het World Economic Forum, en in 2019 sprak ze op de door de bank BNP Paribas gesponsorde High Yield and Leveraged Finance Conference. Voormalig Brexit-minister en hardrechts Tory-parlementslid David Davis is volgens Raworth donut-gek. En volgens de vroegere Nederlandse premier Balkenende weet voormalig Unilever-topman Paul Polman ʻalles van [Raworths] boek.ʼ

Dus waarom is een ogenschijnlijk postkapitalistisch economisch systeem aantrekkelijk voor zo veel van Europaʼs machtigste personen en instellingen? Het voorbeeld van Amsterdam biedt enkele antwoorden.

De ʻAmsterdamse aanpakʼ

De reis van deze stad naar de donuteconomie begint met een ʻcity selfieʼ – een onderzoek naar het sociale en ecologische welzijn van de stad. Volgens de eigen analyse uit 2020 van het Amsterdamse stadhuis staat de stad er niet zo goed voor: de stad overschrijdt de planetaire grenzen op het gebied van grondgebruik, afvalproductie, kunstmestgebruik, oceaanverzuring en koolstofuitstoot. Intussen hebben veel Amsterdammers het moeilijk: bijna twintig procent van de huurders in de stad kan na betaling van de maandelijkse huur niet in de basisbehoeften voorzien.

Om deze problemen aan te pakken, stelt Raworth voor dat Amsterdam ʻtwee grote, dynamische veranderingenʼ moet doorvoeren. In de eerste plaats zou de stad haar lineaire ʻtake-make-disposeʼ-economie moeten loslaten en vervangen door een circulaire economie, waarin producten en materialen langer in gebruik worden gehouden. In de tweede plaats moet de stad overgaan van gecentraliseerde naar gedistribueerde ʻkansen en waarde,ʼ zodat de rijkdom wordt gedeeld ʻmet allen in de samenleving die deze mede creëren.ʼ Beide doelstellingen klinken uiterst zinnig. Waarom, zo vraag je je af, zijn ze dan nog niet eerder werkelijkheid geworden?

Raworth en haar volgelingen willen je doen geloven dat de sociale en ecologische crises van Amsterdam te wijten zijn aan een gebrek aan goede ideeën – dat tot voor kort niemand eraan gedacht heeft een economie na te streven waarin in ieders basisbehoeften wordt voorzien, of waarin de vraag van de mensheid naar ecologische hulpbronnen niet groter is dan de regeneratieve capaciteit van de aarde. Er zijn zelfs anekdotes die dit idee ondersteunen. Raworth vertelt bijvoorbeeld dat een ambtenaar van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken en Klimaatverandering tegen haar zei dat het horen over de donuteconomie was ʻals regen die op dorre grond valt.ʼ De Amsterdamse locoburgemeester voor duurzaamheid, Marieke van Doorninck, vindt het model al even opzienbarend: ʻIk ben opgegroeid in de tijd van Thatcher en Reagan, met het idee dat er geen alternatief is voor ons economisch model. Het lezen over de donut was als: Eureka! Er is wél een alternatief!ʼ

Als de indruk is ontstaan dat het probleem van Amsterdam een tekort aan creatieve ideeën is, dan zou daaruit kunnen volgen dat een stortvloed aan input en enthousiasme van zoveel mogelijk mensen nodig is. En dat is precies waar in Amsterdam om wordt gevraagd. In het Amsterdam City Doughnut-rapport wordt bijvoorbeeld beweerd dat de stad zich in een ideale positie bevindt om ʻtransformatieve actieʼ te ondernemen vanwege de bekroonde ʻAmsterdam Approachʼ voor ʻcollaboratieve innovatie,ʼ waarbij ʻdiverse belanghebbenden in de stad,ʼ waaronder ʻbuurtinitiatieven, start-ups en het maatschappelijk middenveld,ʼ worden gekoppeld aan de ʻgevestigde instellingen van overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen.ʼ De Amsterdam Doughnut Coalition, een netwerk van individuen en organisaties dat de Amsterdamse donut-transformatie ondersteunt, stelt in haar jaarverslag 2019-20 een soortgelijke aanpak voor:

Wij richten ons op die 1%ers, de scheppers, de initiatiefnemers, degenen die eerst iets in de praktijk brengen en daar pas later over gaan theoretiseren. Het maakt niet uit of ze stagiaires zijn of CEOʼs (sic), zolang ze maar die aanstekelijke positieve energie hebben die we zo hard nodig hebben om systemische verandering teweeg te brengen.

De donuteconomie heeft een gat in de kern

Het teweegbrengen van systemische verandering gaat echter niet alleen over het aanwenden van ʻaanstekelijke positieve energie.ʼ Het gaat ook – om het taalgebruik van de Doughnut Coalitie te citeren – over het verdrijven van diepgewortelde negatieve energie. Om dit voor elkaar te krijgen is er strijd nodig die verder gaat dan de intellectuele strijd die Raworth voert tegen de mainstream-economen.

Dit is iets wat de linkse milieubeweging van de stad maar al te goed weet. Reeds decennia lang – lang voordat iemand van de donuteconomie had gehoord – dringen zij aan op een economie die iedereen een fatsoenlijk leven biedt en tegelijkertijd de gezondheid van de planeet in stand houdt. Maar hun pogingen om de economie daartoe te democratiseren, te decommodificeren en koolstofvrij te maken zijn grotendeels tenietgedaan door de heersende klasse van de stad, die in plaats daarvan een tijdperk heeft ingeluid van lagere belastingtarieven voor de rijken, financiële deregulering, krimpende sociale uitkeringen en verminderde vakbondsdeelname.

Links weet dat de crisis die Amsterdam teistert geen crisis van ideeën is, maar een crisis van de macht: Zolang de kapitalisten, en niet de werkers, overheid en industrie in handen houden, zal de economie een kapitalistische economie blijven, gehoorzaam aan dezelfde logica van privatisering, groei en ecologische uitbuiting die in de eerste plaats tot de Amsterdamse crises heeft geleid. ʻWij zien de donuteconomie niet als een levensvatbaar “alternatief voor het kapitalisme”,ʼ zegt Olaf Kemerink, voorzitter van de linkse jongerenorganisatie ROOD, voorheen verbonden aan de SP, tegen Jacobin. ʻZolang je de fundamentele productieverhoudingen niet verandert en de staat niet democratiseert, zal het kapitaal altijd proberen zijn winsten te maximaliseren en zal de staat dit in stand houden.ʼ

Wie deze dynamiek in actie wil zien, moet naar de Amsterdamse woningcrisis kijken. In 2018 had slechts twaalf procent van de bijna zestigduizend woningzoekenden die online een aanvraag indienden voor een sociale huurwoning succes; uit een recent onderzoek bleek intussen dat de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning in de stad bijna veertien jaar bedraagt. Meer woningen bouwen maakt zeker deel uit van de oplossing, maar zolang woningen koopwaar blijven, zullen veel te weinig van deze nieuwe woningen betaalbaar zijn.

Dat is het geval op Strandeiland, het nieuwste wooneiland van de stad, dat door de pleitbezorgers van de donuteconomie wordt aangeprezen als een toonbeeld van de groene, sociaal rechtvaardige bona fides van het project. (Iedere aannemer die op het eiland wil bouwen, moet bijvoorbeeld een ʻmaterialenpaspoortʼ overleggen, zodat de stad de onderdelen kan hergebruiken wanneer de gebouwen worden afgebroken). Maar van de achtduizend nieuwe woningen die op het eiland zullen worden gebouwd, is slechts 40 procent bestemd voor sociale huisvesting, terwijl 25 procent zal bestaan uit woningen met middelhoge huurprijzen en 35 procent in het hogere segment zal vallen. Deze verhouding van 40-25-35 is feitelijk een projectontwikkelaar-vriendelijke (en dus lage-huren-onvriendelijke) uitzondering op de 40-40-20-verhoudingsregel die de stad in 2017 heeft ingesteld voor nieuwe woningen.

De bestaande voorraad betaalbare woningen in de stad blijft echter een prooi voor de markt. Uit recente schattingen blijkt dat in de nabije toekomst ongeveer dertigduizend sociale huurwoningen in Amsterdam ʻgeliberaliseerdʼ zouden kunnen worden, wat betekent dat ʻde huren makkelijk boven de duizend euro per maand kunnen uitkomen, waardoor ze onmiddellijk onbetaalbaar worden voor lagere- of middeninkomensgroepen,ʼ aldus Gertjan Wijburg van de Universiteit Utrecht. De gemeente Amsterdam heeft bij de rijksoverheid gelobbyd om de geliberaliseerde huren tijdelijk of permanent op een lager niveau te mogen bevriezen – en de marktwaardedrempel op te trekken die aanleiding geeft tot huurliberalisatie. Aan deze oproepen is echter geen gehoor gegeven. In februari kondigde de stad aan te zullen onderzoeken of sociale huurwoningen van corporaties kunnen worden gekocht om te voorkomen dat ze in handen van beleggers vallen, maar ook dat idee is niet doorgezet. ʻBij gebrek aan sterkere publieke toezeggingen, heeft de stad geen andere keuze dan de marktlogica te volgen in de zoektocht naar levensvatbare huisvestingsoplossingen,ʼ stelt Wijburg.

Een sterke huurdersbeweging zou deze en andere decommodificatiestrategieën naar de top van de nationale agenda kunnen brengen. Voorstanders van de donuteconomie roepen echter niet op tot zoʼn beweging, omdat zij de weg naar een rechtvaardig en gezond Amsterdam niet zien als een conflict met kapitalistische belangen. Loco-burgemeester Van Doorninck schetste een heel andere oplossing voor de woningcrisis in de stad. ʻEr stroomt veel kapitaal de wereld rond dat op zoek is naar beleggingsmogelijkheden, en op dit moment wordt vastgoed gezien als de beste manier om te beleggen, dus dat drijft de prijzen op,ʼ zei ze tegen de Guardian. ʻDe donut brengt ons niet de antwoorden, maar een andere manier om hiernaar te kijken, zodat we niet in dezelfde structuren blijven doorgaan als vroeger.ʼ

Op weg naar het ʻbagelsocialismeʼ

Als er al een impliciete notie in de donuteconomie zit over hoe de status quo zal veranderen, dan is het dat kapitalisten, ogenschijnlijk voor het eerst geconfronteerd met het idee van een duurzamere en sociaal rechtvaardige economie, massaal tot de rationele conclusie zullen komen dat de zaken niet op de oude voet voort kunnen gaan. ʻWij proberen misschien te werken met de coalition of the willing, maar ik denk wel dat de willing een voorbeeld kunnen zijn voor anderen,ʼ zegt Van Doorninck.

Het is een dubieuze theorie, maar zij verklaart wel voor een groot deel waarom zo veel zogenaamd progressieve CEOʼs en andere liberale elites de donuteconomie wel zien zitten, omdat ze die terecht niet als een bedreiging zien. Het verklaart ook waarom Amsterdam waarschijnlijk moeite zal hebben zijn doelstellingen op het gebied van sociale en ecologische rechtvaardigheid te halen. De Nederlandse centrale bank verwacht dat het Nederlandse bbp in 2021 met 3 procent zal groeien, en in 2022 met 3,7 procent. En de plannen van het land om tegen 2050 een circulaire economie tot stand te brengen, zullen naar verwachting alleen maar bijdragen aan deze groei: het Planbureau voor de Leefomgeving, een onderzoeksinstituut dat de Nederlandse overheid adviseert, ziet in de transitie een kans van 7 miljard euro voor de Nederlandse economie.

ʻDe theorie van Kate Raworth is natuurlijk heel idealistisch, maar ook heel naïef,ʼ zegt Tiers Bakker, gemeenteraadslid in Amsterdam voor de SP. ʻWe hebben geen donuteconomie nodig. We hebben bagelsocialisme nodig.ʼ

Een door werkers geleide economie die voorziet in de behoeften van iedereen, binnen de grenzen van de planeet – noem het ʻbagelsocialismeʼ of ecosocialisme – blijft vooralsnog buiten bereik in Nederland. Links Nederland is, zoals Cas Mudde opmerkt, meer dan ooit versplinterd. En zoals Alex de Jong in Jacobin heeft betoogd, verkeert de eens zo bloeiende SP in een crisis, met een dalend ledental en een leiderschap dat heeft gehint op een coalitie met rechtse partijen. Ondanks brede steun voor links beleid onder het electoraat, neemt het aandeel van de partij in de uitslagen bij nationale verkiezingen af.

Dit is zeker een slechte timing gezien de urgentie van het huidige politieke moment. Maar het weerhoudt socialisten als Bakker er niet van om nu al te werken aan kleinschalige initiatieven die laten zien hoe een socialistisch alternatief voor de donuteconomie er in Amsterdam uit zou kunnen zien, zoals een programma van de SP waarbij het voedseloverschot van lokale bedrijven wordt ingezameld en zonder inkomenstoets onder de bewoners wordt verdeeld. ʻIn een ideale wereld zouden we de sprong wagen en resoluut actie ondernemen met de macht van het volk achter ons,ʼ zegt Bakker. ʻVoor nu moeten we een alternatief model laten zien door zoiets simpels maar fundamenteels als voedseldistributie.ʼ

Het goede voorbeeld geven is nuttig, maar tegelijkertijd onvoldoende. Als we een leefbare toekomst willen hebben, zal links in Amsterdam en daarbuiten de macht moeten grijpen, en wel snel. De feiten zijn duidelijk: we kunnen ofwel een fatsoenlijk leven voor iedereen verwezenlijken binnen de grenzen van de planeet, of we kunnen kapitalisme hebben. En we kunnen het ons niet veroorloven om agnostisch te zijn over welk lot we kiezen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie

De wurging van de Mondiale Minotaurus

Oorspronkelijke tekst (Engels): Project Syndicate, 11 november 2021

fotografie: DOC Research Institute

door James Galbraith

James K. Galbraith, trustee van Economists for Peace and Security, bekleedt de Lloyd M. Bentsen, Jr. leerstoel in de betrekkingen tussen overheid en bedrijfsleven aan de LBJ School of Public Affairs van de Universiteit van Texas in Austin. Van 1993 tot 1997 was hij technisch hoofdadviseur voor macro-economische hervormingen bij de Staatsplanningcommissie van China. Hij is de auteur van Inequality: What Everyone Needs to Know en Welcome to the Poisoned Chalice: The Destruction of Greece and the Future of Europe.

De aanbodontwrichtingen die de Amerikaanse economie parten spelen zijn niet het gevolg van een ʻbuitensporige vraag,ʼ ʻcentrale planning,ʼ of een gebrek aan efficiëntie. Het is veeleer zo dat een logistiek ecosysteem, dat was ontwikkeld om het beest van de Amerikaanse consumptie te voeden, niet ontworpen was voor een pandemie.

Een aanbodketen is als een Rorschach-test: iedere economische analist ziet er een patroon in dat zijn of haar eigen vooroordelen weerspiegelt. Dit is misschien onvermijdelijk, aangezien iedereen een product is van verschillende opleidingen, achtergronden en vooringenomenheden. Maar sommige waargenomen patronen zijn aannemelijker dan andere.

Kijk eens naar de volgende voorbeelden van perspectieven. Volgens Jason Furman, voormalig economisch adviseur van president Barack Obama, en Lawrence H. Summers, voormalig minister van Financiën van de VS, is het huidige probleem van de aanbodketen er een van buitensporige vraag. Volgens Furman is het een ʻhigh classʼ-probleem, dat een sterke economie weerspiegelt. De ʻoerzondeʼ was het American Rescue Plan van de regering-Biden, dat te veel steun zou hebben verleend via uitkeringen die rechtstreeks aan Amerikaanse huishoudens werden overgemaakt. Volgens John Tamny van RealClearMarkets is het probleem van de aanbodketen er een van ʻcentrale planning.ʼ Als de regering van president Joe Biden geen richtlijnen naar havenbeheerders had gestuurd, zouden de vrije markten alles hebben opgelost. En voor Awi Federgruen, een hoogleraar management aan de Columbia Business School, is het probleem inefficiëntie, met als remedie: harder werken en meer doen met minder.

Geen van deze interpretaties doorstaat een kritische blik. Het verhaal over de buitensporige vraag faalt op het eerste gezicht. Er is immers geen tekort aan goederen. Schepen met de voorraden – 30 miljoen ton – liggen momenteel buiten de Amerikaanse havens, en er zijn er nog meer onderweg. De productieprijzen zijn ook niet veel gestegen. Het grootste deel van de ʻinflatieʼ tot dusver is toe te schrijven aan de energieprijzen (deels als gevolg van een economische opleving na de neergang van de pandemie) en de prijzen van tweedehands autoʼs en vrachtwagens, in vroeger jaren geproduceerde goederen waarnaar vraag is vanwege het tekort aan halfgeleiders waarmee autofabrikanten momenteel te kampen hebben. En nee, dat tekort is ook niet het gevolg van een ʻbuitensporige vraag.ʼ Tijdens de pandemie voorspelden chipmakers een grotere verschuiving in de samenstelling van de vraag – in de richting van huishoudelijke hebbedingetjes en weg van autoʼs – dan zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Nu hebben ze te veel van de ene soort chip en niet genoeg van de andere. Wat het verwijt van de ʻcentrale planningʼ betreft, dat was te verwachten uit bepaalde kringen. De implicatie is dat alles goed zou zijn gegaan als de regering-Biden maar niet had opgelet. Biden heeft er echter alleen maar bij de havenbeheerders op aangedrongen ʻ24/7 te werkenʼ om de schepen te lossen – een idee waarvan je moet aannemen dat het al bij hen zelf was opgekomen.

Het punt van de ʻefficiëntieʼ komt dichter bij de werkelijkheid, behalve dat het probleem niet te weinig efficiëntie is, maar te veel. Om precies te zijn is de extreme efficiëntie van de huidige mondiale aanbodketens ook hun fatale tekortkoming. Goed geleide havens zijn modellen van hoge verwerkingscapaciteit en lage kosten. Zij beschikken over dokken, spoorwegstations, laad- en losplaatsen voor vrachtwagens, opslagterreinen en zware hefwerktuigen die zijn afgestemd op het verwachte verkeer. Het bouwen van capaciteit boven een kleine veiligheidsmarge zou een verspilling zijn. In normale tijden blijft de overtollige capaciteit onbenut en levert die geen inkomsten op, terwijl de rente op de schuld voor de bouw ervan nog moet worden betaald. Na verloop van tijd zullen efficiënte exploitanten het overschot tot een minimum beperken, en de dokken en machines die zij hebben zoemend laten draaien. Het spectaculaire succes van de wereldwijde aanbodketens – tot nu toe – weerspiegelt de niet aflatende toepassing van dit principe.

Tijdens de pandemische inzinking was veel van Amerikaʼs havencapaciteit korte tijd onbenut. Toen de productie stilviel en de containerschepen voor anker bleven liggen in Aziatische havens, lieten Amerikaanse vrachtwagens hun eigen lege containers achter in de havens, in afwachting van schepen om ze terug te brengen naar Azië. Maar toen leefde de vraag weer op en werd de productie hervat – en zelfs opgevoerd – omdat de gezinnen hun bestedingen verlegden van diensten naar goederen. De schepen met goederen kwamen weer opdagen. Maar er was een nieuw probleem: om de volle containers te lossen, moet er een plek zijn om ze neer te zetten. Volgens persberichten waren de werven en opslagplaatsen echter al volgeladen met lege containers. Bovendien konden de vrachtwagens met nieuwe lege containers deze niet lossen, en dus ook geen nieuwe volle containers meenemen. En dus blijven de ladingen maar wachten. Gedeeltelijke oplossingen – de lege containers hoger stapelen bijvoorbeeld – helpen slechts tot op zekere hoogte. Over een langere periode kunnen nieuwe dokken en spoorlijnen worden gebouwd. Maar dat kost allemaal tijd, land (dat niet makkelijk te vinden is, zo blijkt) en zwaar materieel, dat zelf ook weer ergens vandaan moet komen, eventueel per schip. Een aanbodketen is een volledige ecologie, een biofysische entiteit. Alle onderdelen ervan moeten steeds soepel functioneren. Tekortkomingen blijven niet beperkt tot één segment, noch kunnen zij worden verholpen door een eenvoudige verhoging van de prijzen of vergoedingen, of door een snelle verandering van technieken. In plaats daarvan hebben ze een domino-effect binnen een systeem dat op een specifieke manier is gebouwd; een ontwrichting in één onderdeel kan op een algemene ontwrichting uitdraaien.

In zijn opmerkelijke boek The Global Minotaur uit 2011 vergeleek de econoom (en latere minister van Financiën van Griekenland) Yanis Varoufakis de Verenigde Staten met het mythische monster dat in een labyrint leefde waaruit niets kon ontsnappen dat er binnenkwam. Veertig jaar lang heeft de Amerikaanse economie de consumptiegoederen van Japan, Zuid-Korea, China en andere landen opgenomen. Om de onverzadigbare Minotaurus in leven te houden, heeft de wereld een mondiaal labyrint gebouwd van havens, schepen, nog meer havens, pakhuizen, opslagplaatsen, wegen en spoorwegen. Op een dag werd de Minotaurus ziek en miste hij een maaltijd. De volgende dag probeerde hij zijn achterstand in te halen door vier maaltijden te eten, maar zijn slokdarm was niet breed genoeg om ze allemaal naar binnen te krijgen. Dus nu zit de Minotaurus hulpeloos te wachten tot de verstopping zal verdwijnen. Als dat niet gebeurt, kunnen de gevolgen ernstig zijn. Als Theseus het beest op deze manier had gewurgd, had hij Ariadne, haar zwaard en haar bol garen misschien niet eens nodig gehad.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Het energiedilemma

Oorspronkelijke tekst (Engels): Sidecar, 5 november 2021

fotografie: La Carmagnole

door Cédric Durand

Cédric Durand doceert Economie en Ontwikkelingstheorieën aan de universiteit van Parijs 13 en de EHESS. Hij werkt binnen de traditie van de marxistische en Franse regulationistische politieke economie en is auteur van verschillende artikelen over de euro-crisis, de verwevenheid financialisering-mondialisering en de post-Sovjet-transformatie. Hij is lid van de redactieraad van het radicale online tijdschrift ContreTemps.

De ecologische tweedeling is geen galadiner. Na een zomer van extreme klimaatgebeurtenissen en een nieuw IPCC-rapport dat de meest verontrustende voorspellingen bevestigt, worden grote delen van de wereld nu geteisterd door een energiecrisis die een voorbode is van verdere economische problemen in de toekomst. Deze samenloop van omstandigheden heeft de droom van een harmonieuze transitie naar een post-koolstofwereld ten grave gedragen en de kwestie van de ecologische crisis van het kapitalisme op de voorgrond geplaatst. Op de COP26-conferentie overheerste een toon van machteloosheid, waarbij de dreigende ellende de mensheid heeft klemgezet tussen de onmiddellijke eisen van systemische reproductie en de versnelling van de klimaatontwrichting.

Op het eerste gezicht zou je misschien denken dat er stappen worden ondernomen om dit cataclysme tegen te gaan. Ruim vijftig landen – plus de hele Europese Unie – hebben zich ertoe verbonden een netto-emissiedoelstelling van nul te halen, waardoor de wereldwijde energiegerelateerde CO2-uitstoot tussen nu en 2050 met 40 procent zou dalen. Een nuchtere lezing van de wetenschappelijke gegevens laat echter zien dat de groene transitie ver uit koers ligt. Als het wereldwijde nulpunt niet wordt gehaald, zullen de temperaturen blijven stijgen, waardoor de wereld tegen 2100 ver boven de 2°C opwarming zal uitkomen. Volgens de UNEP zouden de nationaal vastgestelde bijdragen, die de landen vóór COP26 moesten indienen, de uitstoot in 2030 met 7,5 procent verminderen. Toch is een daling met 30 procent nodig om de opwarming tot 2°C te beperken, terwijl 55 procent nodig zou zijn voor 1,5°C.

Zoals in een recent hoofdartikel van Nature werd gewaarschuwd, hebben veel van deze landen netto-nul-beloften gedaan zonder een concreet plan te hebben hoe ze dat willen bereiken. Welke gassen zullen worden aangepakt? In hoeverre is netto-nul gebaseerd op effectieve reductie in plaats van op compensatieregelingen? Die laatste zijn bijzonder aantrekkelijk geworden voor rijke landen en vervuilende bedrijven, aangezien zij de uitstoot niet rechtstreeks verminderen en de last van de koolstofbeperking afwentelen op landen met lage en middelgrote inkomens (die het zwaarst zullen worden getroffen door de klimaatafbraak). Betrouwbare informatie en transparante toezeggingen over deze cruciale kwesties zijn nergens te vinden, waardoor de mogelijkheid van een geloofwaardige internationale wetenschappelijke monitoring in gevaar komt. De bottom line is dat de wereld op basis van het huidige mondiale klimaatbeleid – het gevoerde beleid en het voorgestelde beleid – hard op weg is naar een verwoestende toename van de uitstoot in het komende decennium.

Desondanks heeft het kapitalisme al de eerste grote economische schok te verwerken gekregen die verband houdt met de transitie naar een koolstofvrije economie. De sterke stijging van de energieprijzen is te wijten aan verschillende factoren, waaronder een wanordelijke opleving van de economie na de pandemie, slecht ontworpen energiemarkten in het Verenigd Koninkrijk en de EU die de prijsvolatiliteit verergeren, en de bereidheid van Rusland om zijn energie-inkomsten op de langere termijn veilig te stellen. Op een structureler niveau kan het effect van de eerste inspanningen om het gebruik van fossiele brandstoffen te beperken echter niet over het hoofd worden gezien. Als gevolg van de door de overheid opgelegde beperkingen inzake het verbranden van steenkool, plus de groeiende terughoudendheid van aandeelhouders om zich vast te leggen op projecten die binnen dertig jaar grotendeels verouderd kunnen zijn, zijn de investeringen in fossiele brandstoffen teruggelopen. Hoewel deze inkrimping van het aanbod niet voldoende is om het klimaat te redden, blijkt zij toch te veel voor de kapitalistische groei.

De combinatie van een aantal recente gebeurtenissen geeft een voorproefje van de dingen die komen gaan. In de Punjab-regio in India hebben ernstige tekorten aan steenkool geleid tot onvoorziene stroomonderbrekingen. In China heeft meer dan de helft van de provincies strenge maatregelen voor stroomrantsoenering ingevoerd. Verscheidene bedrijven, waaronder belangrijke toeleveranciers van Apple, zijn onlangs gedwongen hun productie in fabrieken in de provincie Jiangsu stop te zetten of te verminderen, nadat lokale overheden de levering van elektriciteit hadden beperkt. Deze beperkingen waren een poging om te voldoen aan de nationale emissiedoelstellingen door de opwekking van elektriciteit met kolencentrales aan banden te leggen; deze zijn nog steeds goed voor ongeveer twee derde van Chinaʼs elektriciteitsproductie. Om de gevolgen van deze ontwrichtingen binnen de perken te houden, hebben de Chinese autoriteiten hun klimaatambities tijdelijk getemperd door 72 kolenmijnen te gelasten hun aanbod op te voeren en door de invoer van Australische steenkool, die maandenlang was stilgelegd wegens diplomatieke spanningen tussen beide landen, weer op gang te brengen.

In Europa was het de sterke stijging van de gasprijzen die heeft geleid tot de huidige crisis. Gekweld door de herinnering aan de opstand van de gilets jaunes tegen de koolstofbelasting van Macron, hebben de regeringen ingegrepen met energiesubsidies voor de lagere klassen. Maar op meer onverwachte wijze heeft de stijging van de gasprijzen ook kettingreacties teweeggebracht in de verwerkende sector. Het geval van de meststoffen is veelzeggend. Een Amerikaans bedrijf, CF Industries, besloot zijn kunstmestfabrieken in het Verenigd Koninkrijk stil te leggen, omdat die door de prijsstijgingen onrendabel waren geworden. Als nevenproduct van zijn activiteiten was het bedrijf voorheen verantwoordelijk voor 45 procent van de CO2 in de levensmiddelensector in het Verenigd Koninkrijk. Het stilleggen van de fabrieken ontketende weken van chaos, met gevolgen voor diverse sectoren, van bier en frisdranken tot voedselverpakkingen en vlees. Wereldwijd heeft de sterke stijging van de gasprijzen gevolgen voor de landbouwsector, via de stijging van de kunstmestprijzen. In Thailand zullen de kosten van kunstmest vanaf 2020 verdubbelen, waardoor de kosten voor veel rijstproducenten zullen stijgen en het plantseizoen in gevaar komt. Als dit zo doorgaat, zullen regeringen misschien moeten ingrijpen om de voedselvoorziening veilig te stellen.

De wereldwijde en wijdverspreide repercussies van energietekorten en prijsstijgingen onderstrepen de complexe neveneffecten van de structurele transformatie die nodig is om de koolstofemissies te elimineren. Terwijl het aanbod van koolwaterstoffen aan het afnemen is, volstaat de toename van duurzame energiebronnen niet om aan de groeiende vraag te voldoen. Daardoor blijft er een energieprobleem bestaan dat de transitie volledig zou kunnen doen ontsporen. In deze context kunnen landen ofwel terugkeren naar de meest overvloedig beschikbare energiebron – steenkool – ofwel een economische krimp veroorzaken, die in gang wordt gezet door de stijging van de kosten en de gevolgen daarvan voor de winstgevendheid, de consumptieprijzen en de stabiliteit van het financiële systeem. Op de korte termijn is er dus sprake van een uitruil tussen ecologische doelstellingen en de eis om de groei te bevorderen. Maar speelt dit energiedilemma ook op de middellange en de lange termijn? Zullen we uiteindelijk voor de keuze komen te staan tussen klimaat en groei?

Een succesvolle koolstoftransitie impliceert de harmonieuze ontplooiing van twee processen die op materieel, economisch en financieel niveau op complexe wijze met elkaar verbonden zijn. In de eerste plaats moet er een proces van ontmanteling plaatsvinden. De bronnen van koolstofvervuiling moeten drastisch worden verminderd: vooral de winning van koolwaterstoffen, de elektriciteitsproductie met behulp van kolen en gas, de op brandstoffen gebaseerde vervoerssystemen, de bouwsector (door de hoge uitstoot bij de productie van cement en staal) en de vleesindustrie. Het gaat hier om de-growth in de meest rechtstreekse zin van het woord: apparatuur moet worden afgedankt, fossiele brandstofreserves moeten in de bodem blijven, de intensieve veeteelt moet worden opgegeven en een hele reeks aanverwante beroepsvaardigheden moet overbodig worden gemaakt.

Alles in aanmerking genomen, impliceert de eliminatie van productiecapaciteit een inkrimping van het aanbod, hetgeen tot een algemene inflatoire druk zal leiden. Dit is des te waarschijnlijker omdat de meest getroffen sectoren zich op het hoogste niveau van de moderne economieën bevinden. Via de andere sectoren zal de druk op de kosten de winstmarges van de bedrijven, de mondiale winsten en/of de koopkracht van de consumenten aantasten, wat een wilde recessie teweeg zal brengen. Bovendien is het stopzetten van de koolstofeconomie een nettoverlies vanuit het oogpunt van de valorisatie van financieel kapitaal: enorme hoeveelheden gestrande activa zullen worden weggevaagd omdat onderliggende verwachte winsten zullen verdwijnen, wat de weg vrijmaakt voor grootschalige uitverkopen, die hun invloed zullen hebben op de massa van fictief kapitaal. Deze onderling samenhangende dynamieken zullen elkaar aanwakkeren, naarmate de recessiekrachten de wanbetalingen op schulden doen toenemen, terwijl de financiële crisis de toegang tot kredieten bevriest.

De andere kant van de transitie is een grote investeringsgolf om de aanbodschok op te vangen die wordt veroorzaakt door de ontmanteling van de koolstofsector. Hoewel veranderende consumptiegewoonten een rol kunnen spelen, vooral in rijke landen, zijn ook de creatie van nieuwe koolstofvrije productiecapaciteit, efficiëntieverbeteringen, en de elektrificatie van vervoers-, industriële en verwarmingssystemen (naast de inzet van koolstofafvang, in sommige gevallen) nodig om de geleidelijke afschaffing van broeikasgasemissies te compenseren. Vanuit kapitalistisch oogpunt kunnen deze nieuwe activiteiten winstmogelijkheden bieden, zolang de productiekosten niet te hoog zijn in verhouding tot de beschikbare vraag. Aangetrokken door deze valorisatie zou groen kapitaal kunnen instappen en de transitie kunnen versnellen, waardoor een nieuwe golf van accumulatie kan worden aangezwengeld die de werkgelegenheid en de levensstandaard in stand kan houden.

We mogen echter niet vergeten dat de timing allesbepalend is: dergelijke aanpassingen doorvoeren in vijftig jaar is iets heel anders dan drastisch moeten terugschakelen in een decennium. En vanaf het punt waarop we ons nu bevinden, zijn de vooruitzichten voor een soepele en adequate overschakeling op groene energie op zijn zachtst gezegd troebel. De ontmanteling van de koolstofsector blijft onzeker door de inherente wisselvalligheid van politieke processen en het aanhoudende gebrek aan engagement van overheidsinstanties. Het is illustratief dat één enkele senator, Joe Manchin III uit West-Virginia, het programma kan blokkeren van de Democraten in de VS om de vervanging van kolen- en gasgestookte elektriciteitscentrales te vergemakkelijken.

Zoals de huidige ontwrichtingen illustreren, kan ook het gebrek aan direct beschikbare alternatieven de geleidelijke afschaffing van fossiele brandstoffen belemmeren. Volgens het IEA: ʻDe met de transitie samenhangende uitgaven […] blijven ver achter bij wat nodig is om op een duurzame manier aan de stijgende vraag naar energiediensten te voldoen. Het tekort is zichtbaar in alle sectoren en regioʼs.ʼ In zijn jongste Energy Report schat Bloomberg dat een groeiende wereldeconomie de komende dertig jaar investeringen in energievoorziening en -infrastructuur zal vergen van tussen de 92 biljoen en de 173 biljoen dollar. De jaarlijkse investeringen moeten meer dan verdubbelen, van ongeveer 1,7 biljoen dollar per jaar nu naar gemiddeld tussen de 3,1 biljoen en 5,8 biljoen dollar per jaar. De omvang van een dergelijke macro-economische aanpassing zou ongekend zijn.

Vanuit het perspectief van de mainstream-economie is deze aanpassing nog steeds een kwestie van een juiste beprijzing. In een recent rapport dat in opdracht van de Franse president Emmanuel Macron is opgesteld, stellen twee vooraanstaande economen op dit gebied, Christian Gollier en Mar Reguant, dat ʻde waarde van koolstof moet worden gebruikt als maatstaf voor alle dimensies van de beleidsvorming van de overheid.’ Hoewel normen en regelgeving niet moeten worden uitgesloten, moet een ʻgoed ontworpen koolstofbeprijzing’ via een koolstofbelasting of een cap-and-trade-mechanisme de hoofdrol spelen. Van marktmechanismen wordt verwacht dat zij de negatieve externe effecten van broeikasgasemissies zullen internaliseren, waardoor een ordelijke transitie aan zowel de vraag- als de aanbodzijde mogelijk wordt. ‘Koolstofbeprijzing heeft het voordeel dat de nadruk ligt op efficiëntie in termen van de kosten per ton CO2, zonder dat van tevoren hoeft te worden vastgesteld welke maatregelen zullen werken.’ Als weerspiegeling van de plasticiteit van marktaanpassingen opent een koolstofprijs – ‘in tegenstelling tot meer prescriptieve maatregelen’ – ruimte voor ‘innovatieve oplossingen.’

Dit op de vrije markt geënte, techno-optimistische perspectief verzekert ons ervan dat kapitalistische groei en klimaatstabilisatie met elkaar te verzoenen zijn. Het lijdt echter aan twee belangrijke tekortkomingen. De eerste is de blindheid van deze benadering voor de macro-economische dynamiek die een rol speelt in de transitie-inspanning. In een recent rapport van Jean Pisani-Ferry, geschreven voor het Peterson Institute for International Economics, wordt de mogelijkheid van een soepele aanpassing gedreven door marktprijzen gebagatelliseerd, terwijl ook de hoop op een Green New Deal die alle schepen zou kunnen lichten de bodem wordt ingeslagen.

Het rapport constateert dat ‘uitstel de kansen op een ordelijke transitie heeft verkleind’ en merkt op dat er ‘geen garantie is dat de transitie naar koolstofneutraliteit goed zal zijn voor de groei.’ Het proces is vrij eenvoudig: 1) aangezien decarbonisatie een versnelde veroudering van een deel van de bestaande kapitaalvoorraad impliceert, zal het aanbod teruglopen; 2) in de tussentijd zullen meer investeringen nodig zijn. De prangende vraag wordt dan: zijn er voldoende middelen in de economie beschikbaar om meer investeringen mogelijk te maken, naast een verzwakt aanbod? Het antwoord hangt af van de hoeveelheid ‘speling’ in de economie – d.w.z.: onbenutte productiecapaciteit en werkloosheid. Maar gezien de omvang van de aanpassing en het korte tijdsbestek kan dit niet als vanzelfsprekend worden beschouwd. Volgens Pisani-Ferry ‘zal het effect op de groei dubbelzinnig zijn, en het effect op de consumptie negatief. Klimaatactie is als een militaire opbouw in geval van een dreiging: goed voor de welvaart op de langere termijn, maar slecht voor de tevredenheid van de consument.’ Het verschuiven van middelen van consumptie naar investeringen betekent dat de consumenten onvermijdelijk de kosten van de inspanning zullen moeten dragen.

Ondanks zijn neo-Keynesiaanse invalshoek opent Pisani-Ferry een inzichtelijke discussie over de politieke voorwaarden die een verlaging van de levensstandaard en een groene klassenoorlog langs inkomenslijnen mogelijk zouden maken. Maar in zijn gehechtheid aan het prijsmechanisme deelt zijn betoog met dat van de marktaanpassing een irrationele nadruk op de efficiëntie van de CO2-emissiereductie. De tweede tekortkoming in de bijdrage van Gollier en Reguant wordt duidelijk wanneer zij oproepen tot ‘een combinatie van klimaatmaatregelen met de laagst mogelijke kosten per ton niet-uitgestoten CO2-equivalent.’ Zoals de auteurs zelf erkennen, is de vaststelling van koolstofprijzen immers hoogst onzeker. Schattingen variëren van 45 dollar tot 14.300 dollar per ton, afhankelijk van de tijdshorizon en de beoogde reductie. Met een dergelijke variabiliteit heeft het geen zin te proberen de kosten van koolstofreductie intertemporeel te optimaliseren. Wat belangrijk is, zijn niet de kosten van de aanpassing, maar veeleer de zekerheid dat de stabilisatie van het klimaat zal plaatsvinden.

De politicoloog Chalmers Johnson, die de specifieke kenmerken van de Japanse ontwikkelingsstaat beschreef, maakte een onderscheid dat ook op het transitiedebat kan worden toegepast:

Een regulerende, of marktrationele, staat houdt zich bezig met de vorm en de procedures – de regels, zo u wilt – van de economische concurrentie, maar houdt zich niet bezig met inhoudelijke zaken […] De ontwikkelingsstaat, of planrationele staat, daarentegen, heeft als dominant kenmerk juist het stellen van zulke inhoudelijke sociale en economische doelen.

Met andere woorden: terwijl de eerste doelmatigheid nastreeft – door de middelen zo economisch mogelijk te gebruiken – is de tweede gericht op doeltreffendheid: dat wil zeggen, op het vermogen om een bepaald doel te bereiken, of dat nu oorlog is of industrialisatie. Gezien de existentiële bedreiging die van de klimaatverandering uitgaat, en het feit dat er een eenvoudige en stabiele metriek bestaat om onze blootstelling te beperken, zouden wij ons eerder zorgen moeten maken over de doeltreffendheid van de vermindering van de broeikasgassen dan over de efficiëntie van de inspanning. In plaats van het prijsmechanisme te gebruiken om de markt te laten beslissen waar de inspanning moet liggen, is het oneindig veel eenvoudiger om doelstellingen op sectoraal en geografisch niveau bij elkaar op te tellen en een consistent reductieplan op te stellen om ervoor te zorgen dat het algemene doel op tijd zal worden bereikt.

Ruchir Sharma van Morgan Stanley, die over deze kwestie schrijft in de FT, stelt een punt aan de orde dat indirect pleit voor ecologische planning. Hij merkt op dat de investeringsdrang die nodig is voor de transitie naar een koolstofvrije economie ons voor een triviaal materieel probleem stelt: aan de ene kant worden vuile activiteiten – met name in de sectoren van de mijnbouw of de metaalproductie – onrendabel door strengere regelgeving of hogere koolstofprijzen; aan de andere kant zijn voor investeringen in de vergroening van de infrastructuur dergelijke middelen nodig om de capaciteit uit te breiden. Afnemend aanbod plus stijgende vraag is daarom een recept voor wat hij ʻgroene inflatieʼ noemt. Sharma stelt dan ook dat ʻhet blokkeren van nieuwe mijnen en boorplatforms niet altijd een ecologisch en sociaal verantwoorde zet zal zijn.ʼ

Als woordvoerder van een instelling met gevestigde belangen in vervuilende grondstoffen is Sharma nauwelijks een neutrale commentator te noemen. Maar het probleem dat hij schetst – hoe kunnen we genoeg vervuilend materiaal leveren om een schone energie-economie op te bouwen – is reëel en houdt verband met een ander probleem van de voorgenomen marktgestuurde transitie: koolstofbeprijzing stelt de maatschappij niet in staat onderscheid te maken tussen oneigenlijk gebruik van koolstof – zoals het naar de ruimte sturen van miljardairs – en essentieel gebruik, zoals het bouwen van de infrastructuur voor een koolstofvrije economie. Bij een succesvolle transitie zou het eerste onmogelijk worden gemaakt, en het tweede zo goedkoop mogelijk. Als zodanig wordt een koolstofprijs een duidelijk pad naar mislukking.

Dit brengt ons terug bij een oud, maar nog steeds doorslaggevend argument: de wederopbouw van een economie – in dit geval een economie waarin geleidelijk een einde wordt gemaakt aan fossiele brandstoffen – vergt een herstructurering van de keten van betrekkingen tussen de verschillende segmenten ervan, wat erop duidt dat het lot van de economie als geheel afhangt van het punt van de minste weerstand. Zoals Alexandr Bogdanov in het kader van de opbouw van de jonge Sovjetstaat opmerkte: ‘Door deze onderlinge afhankelijkheid is het uitbreidingsproces van de economie in zijn geheel onderworpen aan de wet van het zwakste punt.’ Deze gedachtegang is later door Wassily Leontief verder uitgewerkt in zijn bijdragen aan de input-output-analyse. Volgens deze gedachtegang zijn marktaanpassingen eenvoudigweg niet opgewassen tegen structurele veranderingen. In dergelijke situaties is een zorgvuldig en adaptief planningsmechanisme vereist dat in staat is een bewegend landschap van knelpunten te identificeren en aan te pakken.

Als we kijken naar de economische uitdagingen van de herstructurering van economieën om de koolstofuitstoot in overeenstemming te houden met de stabilisering van het klimaat, komt deze discussie in een nieuw perpectief te staan. Doeltreffendheid moet voorrang krijgen op efficiëntie bij het terugdringen van de uitstoot. Dit betekent dat de fetisj van het prijsmechanisme moet worden losgelaten om te plannen hoe de resterende vervuilende hulpbronnen zullen worden gebruikt ten dienste van een schone infrastructuur. Een dergelijke planning moet een internationaal bereik hebben, aangezien de grootste kansen voor het koolstofarm maken van de energievoorziening in het Mondiale Zuiden liggen. Omdat transformatie aan de aanbodzijde niet zal volstaan, zullen ook veranderingen aan de vraagzijde cruciaal zijn om binnen de planetaire grenzen te blijven. De energiebehoeften om de wereldbevolking een fatsoenlijke levensstandaard te bieden, kunnen drastisch worden verminderd, maar naast het gebruik van de meest efficiënte beschikbare technologieën vergt dit een radicale transformatie van de consumptiepatronen, met inbegrip van politieke procedures om prioriteiten te stellen tussen concurrerende consumptie-eisen.

Het internationale socialisme, dat zich van oudsher bezighoudt met planning en gesocialiseerde consumptie, is een voor de hand liggende kandidaat om een dergelijke historische taak op zich te nemen. Hoewel de slechte staat van de socialistische politiek niet veel optimisme oproept, zou de catastrofale conjunctuur waarin we ons bevinden – samen met de volatiliteit van de prijzen en de voortdurende spasmen van kapitalistische crises – de fluïditeit van de situatie kunnen vergroten. In dergelijke omstandigheden moet links flexibel genoeg zijn om elke politieke kans aan te grijpen die de zaak van een democratische ecologische transitie vooruit kan helpen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Voor een neo-leninisme

Oorspronkelijke tekst (Frans): Acta Zone, 11 juni 2021

fotografie: Stéphane Burlot

door Frédéric Lordon

Frédéric Lordon is een Frans econoom en filosoof, en onderzoeksdirecteur aan het Centre européen de sociologie et de science politique in Parijs.

De volgende tekst is een transcriptie van de toespraak van Frédéric Lordon tijdens het openbaar debat met Andreas Malm over het thema ʻecologie en communisme,ʼ dat op zondag 6 juni voor de boekhandel Le Monte-en-l’air werd georganiseerd door ACTA, Extinction Rebellion en uitgeverij La Fabrique. Tegenover de dubbele verleiding van de ʻbeweging om de bewegingʼ en een marginalistische terugtrekking pleit Lordon voor een ʻneo-leninisme,ʼ dat als enige in staat zou zijn een strategisch en macroscopisch alternatief te schetsen voor de kapitalistische overheersing.

Aangezien ik veel minder verstand heb van ecologie dan Andreas, zal ik het over iets anders hebben, in de overtuiging dat onze twee toespraken elkaar eerder zullen aanvullen dan tegenspreken. In ieder geval is het onwaarschijnlijk dat ze elkaar zullen tegenspreken. Ik denk dat we het in feite over ten minste drie dingen – maar wel belangrijke dingen! – eens zijn. Het eerste is waar te beginnen; het tweede is waarheen te gaan; en het derde (voor zover wij daarop een antwoord kunnen geven) is hoe daar te komen.

Waar kunnen we anders beginnen dan constateren dat er een planetaire nood is, die het kapitalisme zonder meer in het beklaagdenbankje zet? De enige consequente politieke doelstelling is dat we eraan moeten ontsnappen, dat we het omver moeten werpen. Hier kunnen ʻwijʼ makkelijk overeenstemming over bereiken – ʻwijʼ van radicaal links, of van emancipatoir links, kortom: van antikapitalistisch links. Maar dan rijzen de moeilijkheden: waar gaan we heen, en hoe komen we daar? Dat is waar de verschillen beginnen. Laten ik meteen maar zeggen dat noch Andreas noch ik in een positie verkeren om op deze vragen een duidelijk en gedetailleerd antwoord te geven – en dat is waarschijnlijk maar goed ook. Het lijkt me dat we allebei in voldoende mate een idee hebben van het probleem om het eens te kunnen worden over de essentie, namelijk een bepaalde manier om ermee om te gaan, een manier die, zoals ik al zei, onenigheid veroorzaakt ter linkerzijde – een onenigheid die al oud is, maar voortdurend wordt bijgewerkt en van nieuwe inhoud wordt voorzien. Als we deze manier een naam moeten geven, zou ik het neo-leninisme willen noemen. Omdat ik het niet over ecologie kan hebben, zou ik willen proberen te verduidelijken wat wij vandaag de dag onder neo-leninisme kunnen verstaan.

Andreas heeft het in een van zijn boeken over ʻoorlogscommunisme.ʼ Men waagt te hopen dat geen enkele lezer zo dwaas zal zijn om deze uitdrukking letterlijk te nemen, met beelden van geweren met bajonetten en mutsen met een rode ster. Welke betekenis kunnen we voor onze tijd geven aan het idee van het oorlogscommunisme? Simpelweg de betekenis van de vitale noodzaak van een antikapitalistische lijn, oftewel een lijn die betekenis geeft aan de planetaire nood. Het neo-leninisme is dan de positie die is opgebouwd vanuit het idee van een oorlogscommunisme dat aldus opnieuw is gedefinieerd.

Maar hoe kunnen we de reflex overwinnen die kreten van afgrijzen teweegbrengt zodra het woord ʻleninismeʼ valt? Niet alleen bij France Inter, Arte of Télérama, maar ook ter linkerzijde. Naar aanleiding van de honderdste verjaardag van 1917 zijn er tal van boeken verschenen waarin ons wordt uitgelegd dat het leninisme verantwoordelijk was voor de Tsjeka, Kronstadt, de Moskou-processen en de Goelag. Dat dit is wat de USSR was, weet iedereen. Sinds het trotskisme van de jaren vijftig is lang en diep over al deze dingen nagedacht. Dus wat heeft het voor zin om deuren zo wijd open te duwen die al zo wijd open staan? Niemand wil dat dát nog eens gebeurt, niemand wil het nog eens proberen. Net als bij het ʻoorlogscommunismeʼ is het daarom noodzakelijk de minimale inspanning te leveren om jezelf los te maken van de gangbare beelden, en naar wegen te zoeken voor een historische actualisering voor onze tijd – er zijn nauwelijks andere wegen dan die van de definitie of conceptualisering, als we willen dat het leninisme vandaag de dag begrepen wordt als iets anders dan wat in 1917 op initiatief van Lenin en onder zijn naam in Rusland is gedaan.

Als je de verschijning Lenin loskoppelt van de historische omstandigheden, en het accent legt op zijn algemene betekenis, zou een mogelijke definitie van het neo-leninisme als volgt kunnen luiden: het leninisme bestaat uit 1) een doelstelling, die 2) macroscopisch is, en 3) een expliciet gebod is van strategische coördinatie in een adequate vorm. Ik hoef nauwelijks te benadrukken hoe groot de problemen zijn die in deze ʻadequate vormʼ-clausule besloten liggen. Waar het hier om gaat is dat het ene gebod tot het andere leidt. De noodzaak van strategische coördinatie vereist dat wordt nagedacht over de juiste vorm ervan. Ik haast me te zeggen dat ik hier nog geen flauw idee van heb. Mijn tijd is beperkt, wat perfect is: daardoor hoef ik er nu niet over te praten…

Maar we kunnen wel iets met de eerste twee punten. In de eerste plaats heeft het leninisme een oogmerk. Het is moeilijk te geloven dat we ons verplicht voelen zoiets triviaals te zeggen. En toch moeten we wel. Dat komt doordat wij ter linkerzijde in een nogal vreemd politiek tijdperk leven, waarin de bevestiging dat jou iets voor ogen staat helemaal niet meer zo vanzelfsprekend is, en zelfs wordt gezien als een beweging die alle ruimte voor wantrouwen biedt. Er is een hele intellectuele en politieke stroming in Frankrijk, die zeer dynamisch en zeer interessant is, maar die vijandig staat tegenover ieder oogmerk, en die politiek louter opvat als iets onbeweeglijks. Dat wil zeggen dat het een beweging is omwille van de beweging, en bovenal dat niemand het in zijn hoofd moet halen om er richting aan te willen geven.

Waar komt dit wantrouwen vandaan? Het vloeit voort uit het feit dat de ene richting de andere kan verbergen. Uit de opvatting van ʻrichting,ʼ hier begrepen als een indicatie van wenselijk beleid, kan altijd de opvatting van ʻrichtingʼ als een bevel voortkomen, waarbij de teugels strak in handen worden genomen – een hachelijk moment inderdaad. De aanduiding ʻleninismeʼ is blijven steken in deze tweede betekenis van ʻrichting,ʼ de richting die leiders aangeven, maar we zijn vergeten dat in het leninisme ook de eerste betekenis bestond, de richting van het gewenste, de richting die zegt wat we willen doen en waar we heen willen.

Op dit punt wil ik twee auteurs citeren. De eerste is Daniel Bensaïd, die sprak over de noodzaak van ʻeen strategische hypothese die is gebaseerd op de ervaringen uit het verleden en die dient als schietlood zonder hetwelk de actie doelloos verstrooid raakt.ʼ De tweede auteur is een zekere Andreas Malm: ʻDe oude trotskistische formule dat “de crisis van de mensheid de crisis van het revolutionaire leiderschap is” moet worden geactualiseerd. De crisis is de afwezigheid, de totale, gapende afwezigheid, van leiderschap.ʼ

Ik kan het net zo goed meteen zeggen: ik ben het hartgrondig eens met deze twee uitspraken. Ik denk dat er geen strijd tegen het kapitalisme mogelijk is zonder een krachtig politiek voorstel, dat wil zeggen: een algemeen en goed gearticuleerde propositie, die in staat is de kapitalistische propositie te weerleggen. En ik denk dat verontschuldigingen voor onbeweeglijkheid een excuus zijn voor politieke onmacht. Hier ligt dus de eerste breuklijn ter linkerzijde. Deze loopt tussen enerzijds de neo-leninistische positie die een richting eist, dat wil zeggen van een propositie, omdat alleen dit constitutief voor een anti-kapitalistische politiek kan zijn, en anderzijds een idee van onbeweeglijkheid waarvan ik vrees dat die gedoemd is te eindigen in anti-politiek.

Als wij iets anders willen dan deze breuk met een droevige blik bekijken, denk ik dat wij het gevoel voor een intellectueel gebaar, dat verloren is gegaan, moeten herwinnen – het dialectische gebaar. Hier bedoel ik niet de dialectiek in Hegeliaans-marxistische gedaante, als een grandioos proces van zelfoverstijging en synthese. Ik denk aan dialectiek als een objectieve antagonistische spanning tussen tegengestelden, een spanning die onoplosbaar is in een synthese, en die dus de noodzaak oproept haar in een bepaalde vorm onder te brengen. Een ander voorbeeld: zonder een strategische lijn, en zonder een minimale organisatie om die te dienen, zal er geen revolutionair proces zijn. Er zullen alleen opstandige uitbarstingen zijn, en deze zullen worden neergeslagen. Maar richting als strategische lijn, gecoördineerd in een minimale organisatievorm, kan altijd aanleiding geven tot richting geven in de vorm van een commando, dat wil zeggen: als afscheiding en uiteindelijk als inbeslagneming. Dat is waar. En als ik zeg ʻdatʼ bedoel ik beide. Beide zijn waar. Dus je hebt met beide te maken. Je moet ze allebei houden, en ze samenhouden in een vorm die altijd onvolmaakt is en altijd herzien moet worden.

Dit is de niet-Hegeliaans-marxistische versie van de dialectiek, een versie die ontdaan is van iedere belofte van een verzoenende synthese, en die alleen de onvolmaakte mogelijkheid overlaat van de accommodatie van tegengestelden, van het reguleren van hun gelijktijdige aanwezigheid, in institutionele constructies. Uit het feit dat de te reguleren antinomieën onherleidbaar zijn tot een of andere ʻoverwinning,ʼ volgt dat de instellingen die hen accommoderen van een wezenlijke onvolmaaktheid zijn, en dat ze daarom een onbepaald proces van herziening vereisen, dat wil zeggen: hun permanente ondervraging en herbewerking. Ik wijs hier slechts terloops op, maar dit is niet anders dan Castoriadisʼ opvatting van democratie. Democratie is niet de combinatie van ʻelectorale slaʼ en ʻvrije persʼ die doorgaans aan ons wordt verkocht. Democratie is het vermogen van een politiek lichaam om zijn eigen instellingen te vormen en deze onder controle te houden om ze permanent te kunnen herwerken. Vandaar dat we, zodra we van doen hebben met een ʻdemocratischeʼ kwibus die ons wil uitleggen dat ʻwe de instellingen moeten verdedigen,ʼ weten dat we te maken hebben met een oplichter. De ʻverdediging van de instellingenʼ is geen democratisch idee, het is een idee voor de politie, voor mensen zoals Didier Lallement, prefect van de Parijse politie, of Macron; het is het idee waarmee de hoofden van de oproerpolitie werden volgepropt toen ze erop uit werden gestuurd om de Gilets Jaunes te verpletteren: ʻJullie zijn het laatste bastion van de instellingen,ʼ ʻjullie moeten de instellingen verdedigen,ʼ – formules bij uitstek van de antidemocratie.

In de eerste plaats dus: herstel van de rechten van het oogmerk als constitutief voor de politiek. Maar het neo-leninisme gaat veel verder dan deze minimale eis. Als het een oogmerk of doel affirmeert, affirmeert het ook het macroscopische karakter ervan. Dit betekent dat het communisme alleen kan worden geconcipieerd op de schaal van een sociale formatie, dat wil zeggen: van een grote groep mensen. Het neo-leninisme is zeker niet ongeïnteresseerd in plaatselijke ervaringen, maar het verwerpt de exclusiviteit ervan als ordenend beginsel. Het is waarschijnlijk dat het voorvoegsel ʻneoʼ hier het nuttigst is. Het is moeilijk om niet toe te geven dat het oude leninisme geen moer gaf om lokale autonomie – als het die al niet probeerde te verpletteren. Een van de pijnlijke lessen van het historische leninisme is dat de vernietiging van ieder autonoom plaatselijk leven een van de rampzalige gevolgen was van de totalitaire centralisatie van de staat – een soort model van wat we niet meer moeten doen. Een neo-leninisme zal daarom de plicht hebben zich te interesseren voor plaatselijke ervaringen, niet uit beleefd respect voor curiosa, maar als bron van zijn eigen vitaliteit. Dan zal het zijn rationele plicht erkennen om deze zo veel mogelijk te laten bloeien. Toch is het van mening dat een sociale formatie iets anders is dan een archipel van communes. Waarom is dat? Omdat alleen een groep van voldoende omvang en integratie in staat is een minimaal noodzakelijke mate van arbeidsdeling in stand te houden.

Natuurlijk zal die mate aanzienlijk lager zijn dan de kapitalistische arbeidsdeling – de planetaire noodtoestand dwingt daartoe –, maar niettemin veel hoger dan wat een communalistische arbeidsdeling zou kunnen zijn. Het kapitalisme verlaten betekent niet dat de categorie van de productiewijze moet worden verworpen. Ook het communisme zal een productiewijze moeten zijn, eenvoudigweg omdat mensen altijd collectief de middelen van hun materiële bestaan zullen moeten voortbrengen, en de middelen van deze productie zullen moeten produceren. En dit is waar een productiewijze om draait. Gemeenten en lokale experimenten, passen perfect in deze productiewijze en de bijbehorende arbeidsdeling. Maar ze kunnen die niet uitputten.

En hier ligt de tweede breuklijn binnen links: na die tussen de affirmatie van een oogmerk en de anti-politiek van de onbeweeglijkheid, of, om het anders te zeggen: tussen het poneren van de noodzaak van een richting en de totale verwerping van iedere richting. Deze tweede breuklijn scheidt de alternatieve, mondiale en macroscopische propositie van de zelfgenoegzaamheid van het lokalistische principe van autonomie. En net zoals onbeweeglijkheid omslaat in onmacht, slaat de exclusiviteit van het locale om in ʻescapisme.ʼ Escapisme is een zeer sterke verleiding voor links vandaag de dag: we deserteren, we laten het kapitalisme achter ons – we trekken ons terug in onszelf. Maar afgezien van alle tautologie: als we het kapitalisme achter ons laten, blijft het kapitalisme juist bestaan, zij het achter ons …

Ik ben tot de overtuiging gekomen dat het escapisme alleen succesvol is geweest als een noodoplossing, als een soort van berusting in het aangezicht van de enorme omvang van het obstakel. Dat wil zeggen: de enige oplossing die overblijft wanneer het idee van de omverwerping van het kapitalisme in de hoofden van de mensen is ingeburgerd als een radicale onmogelijkheid – iedereen kent deze uitdrukking van Frederic Jameson – en wanneer het project in feite wordt opgegeven. Maar wij weten dat de planetaire noodtoestand van dien aard is dat het vermijden ervan door desertie niet langer een optie is. En wij weten ook dat de charme van het leven in hutten, of in bomen – want over al deze dingen horen wij veel poëzie –, deze charme niet tot een productiewijze maakt. Om het prozaïscher te zeggen: als je uit een boom valt en een been breekt, kom je er niet vanaf met een moscompres of een wortelaftreksel. Je eindigt in het plaatselijke ziekenhuis, in een MRI-scanner die waarschijnlijk van het merk General Electric zal zijn.

De vraag is of we het MRI-scannen aan General Electric willen overlaten of niet. Het escapisme laat geen keus. Het communisme van zijn kant zegt nee. En dat is de macroscopische doelstelling van een productiewijze. Maar dan wél van een productiewijze die de kwestie van de productiekrachten in een geheel nieuw historisch regime brengt. Het neo-leninisme is zeker niet ongeïnteresseerd in de kwestie van de productiekrachten. Het weet dat deze op een bepaald niveau gehandhaafd zullen moeten worden, en dat er niet alleen bomenvrienden nodig zijn, maar ook ingenieurs, technici en wetenschappers. Maar het weet ook wat de materiële productie tot dusver met de planeet heeft gedaan, en tot welke extremen zij is doorgevoerd. Het neo-leninisme kan daarom zonder meer worden opgevat als een communisme van de productiekrachten, dat radicaal vijandig staat tegenover het productivisme. Het productivisme is productie die een regime van onbeweeglijkheid is binnengetreden – productie omwille van de productie – en een regime van absolutisme – materiële productie die de totaliteit van de menselijke activiteit opslokt. Daarom verliest het neo-leninisme, als productiewijze, geenszins de nieuwe beperkingen en de nieuwe doeleinden uit het oog waaromheen het is georganiseerd: de beperkingen die voortvloeien uit de planetaire noodtoestand en de doeleinden van de ontwikkeling van de niet-materiële krachten van het menselijk leven.

Met dank aan René ten Bos

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Evergrande en het einde van China’s ‘groei, groei, groei’-model

Oorspronkelijke tekst (Engels): Financial Times, 22 september 2021

fotografie: Twitter

door James Kynge

James Kynge is de directeur van China Confidential en Renminbi Compass, eigen onderzoeksdiensten van de Financial Times.

De spectaculaire aftakeling van het vastgoedconcern Evergrande, in 2020 nog 41 miljard dollar waard, legt de grote zwakheden van de Chinese groeistrategie bloot

Een dramatische video die in augustus in de zuidwestelijke stad Kunming is gemaakt, laat zien hoe groot de vastgoedzeepbel in China is. Toeschouwers gillen van ontzag als vijftien flatgebouwen in nog geen minuut worden gesloopt door 85.000 gecontroleerde explosies. De onafgewerkte gebouwen, die een complex vormden met de naam Sunshine City II, stonden sinds 2013 leeg nadat een ontwikkelaar zonder geld kwam te zitten en een andere defecten in de constructie ontdekte. ʻDit stedelijke litteken dat bijna tien jaar oud is, heeft eindelijk een belangrijke stap ondergaan in de richting van herstel,ʼ aldus een artikel in de officiële Kunming Daily na de sloop. Dergelijke ʻstedelijke littekens ʼ komen overal in China voor, waar Evergrande – ʼs werelds zwaarst in de schulden stekende vastgoedconcern – lijdt onder een liquiditeitscrisis die wel eens fataal zou kunnen blijken te zijn. De crisis bij het bedrijf, dat twee jaar geleden nog ʼs werelds meest waardevolle vastgoedaandeel was, laat zien hoe snel het fortuin van bedrijven kan afbrokkelen en hoezeer het Chinese groeimodel tekortschiet. Evergrande is, ondanks het grote drama van zijn verval, slechts het symptoom van een veel groter probleem. Chinaʼs enorme vastgoedsector, die 29 procent van het bruto binnenlands product van het land voor zijn rekening neemt, kent zó veel overschot dat hij zijn rol als belangrijke motor van de Chinese economische groei dreigt te moeten opgeven en in plaats daarvan een rem op die groei lijkt te worden.

Er staat in China genoeg vastgoed leeg om ruim 90 miljoen mensen te kunnen huisvesten, zegt Logan Wright, een in Hongkong gevestigde directeur bij adviesbureau Rhodium Group. Om dat in perspectief te plaatsen: er zijn vijf G7-landen – Frankrijk, Duitsland, Italië, het Verenigd Koninkrijk en Canada – die elk hun volledige bevolking in die lege Chinese appartementen zouden kunnen onderbrengen, met nog ruimte over. De gemiddelde grootte van een huishouden in China is iets meer dan drie personen. ʻWij schatten de bestaande maar onverkochte woningvoorraad op ongeveer 3 miljard vierkante meter, wat genoeg is om, conservatief geschat, 30 miljoen gezinnen te huisvesten,ʼ aldus Wright, die zijn berekeningen toelicht. Het overaanbod is al enkele jaren een probleem. Wat veranderd is, is dat China vorig jaar besloot dat het probleem zó chronisch was geworden dat het resoluut moest worden aangepakt. President Xi Jinping had ook geen geduld meer met de excessen in de vastgoedsector, zeggen waarnemers, en Beijing formuleerde ʻdrie rode lijnenʼ om de schuldenniveaus in de sector terug te dringen. Evergrande blijkt het eerste bekende slachtoffer te zijn.

Nu het bedrijf wankelt, rijst er een fundamentele vraag voor ʼs werelds op een na grootste economie: is Chinaʼs op onroerend goed gebaseerde groeimodel – de krachtigste locomotief van de wereldeconomie – op hol geslagen? Ja, zegt Leland Miller, chief executive van China Beige Book, een adviesbureau dat de economie analyseert aan de hand van bedrijfseigen gegevens. ʻHet leiderschap in Beijing maakt zich meer zorgen over de Chinese groei dan wie dan ook in het westen. Er wordt erkend dat het oude “bouw, bouw, bouw”-playbook niet meer werkt en dat het eigenlijk gevaarlijk aan het worden is. Het leiderschap lijkt nu te denken dat het niet langer kan wachten om het groeimodel te veranderen,ʼ zegt Miller. Ting Lu, hoofdeconoom China bij investeringsbank Nomura, zegt dat hij niet verwacht dat de problemen van Evergrande een economische ineenstorting zullen veroorzaken. Maar hij denkt dat de pogingen van Beijing om van het ene groeimodel op het andere over te stappen de jaarlijkse groei in de komende jaren aanzienlijk kunnen drukken.

ʻHet is onwaarschijnlijk dat er een plotselinge stop komt,ʼ zegt Lu. ʻMaar ik denk dat Chinaʼs potentiële [jaarlijkse] groeipercentage tussen 2025 en 2030 zal dalen naar 4 procent of zelfs lager.ʼ Wright zegt dat de vastgoedsector een bedreiging aan het worden is voor de financiële, economische en sociale stabiliteit – het heeft al tot protesten geleid in verschillende steden. ʻHet is heel moeilijk om op overtuigende wijze vol te houden dat Chinaʼs potentiële groei in het volgende decennium boven de 4 procent zal uitkomen,ʼ voegt Wright eraan toe. Miller onderschrijft dat sentiment. ʻWe staan voor een achtbaanrit in het beleid en in de economische groei,ʼ zegt hij. ʻHet zou me niet verbazen als het bbp over tien jaar nog maar met 1 of 2 procent zou groeien.ʼ Als dergelijke voorspellingen juist blijken, is het Chinese ʻgroeiwonderʼ in gevaar. In de tien jaar van 2000 tot 2009 groeide het Chinese bbp gemiddeld met 10,4 procent per jaar. In het decennium van 2010 tot 2019 is deze geweldige prestatie afgezwakt, maar nam het jaarlijkse bbp nog steeds met gemiddeld 7,68 procent toe.

Iedere daling van de groei zou wereldwijd snel voelbaar zijn. China is al lange tijd de grootste motor van de mondiale welvaart, met een bijdrage van 28 procent aan de mondiale groei van het bbp tussen 2013 en 2018 – meer dan twee keer het aandeel van de VS – volgens een studie van het IMF. ʻZelfs als China een scherpe en plotselinge crisis weet te vermijden,ʼ zegt Jonas Goltermann van onderzoeksbureau Capital Economics, ʻzijn de vooruitzichten op de middellange termijn veel slechter dan algemeen wordt erkend.ʼ

Het overschrijden van Xiʼs ʻrode lijnenʼ

De risicoʼs die voortvloeien uit de Evergrande-saga omvatten zowel financiële besmetting – met name van de offshore-obligatiemarkt in Amerikaanse dollars – als het vooruitzicht dat een kwijnende vastgoedsector een aantal vitale organen van de Chinese economie zal aantasten, waardoor de groei van het bbp mogelijk nog jaren onder druk zal komen te staan. De gevolgen van de crisis zijn nu al aanzienlijk. Door de kelderende aandelenkoers van Evergrande is de marktwaarde van het bedrijf gedaald van 41 miljard dollar vorig jaar naar ongeveer 3,7 miljard dollar nu. En de bezorgdheid over de mogelijke ineenstorting van het bedrijf leidde onlangs tot een wereldwijde uitverkoop van aandelen. Zoʼn 80.000 mensen in China, die voor zoʼn 40 miljard renminbi aan vermogensbeheerproducten van het bedrijf bezitten, wachten gespannen af of Evergrande aan zijn betalingsverplichtingen zal kunnen voldoen.


Maar de mogelijk langduriger gevolgen vloeien voort uit de bredere daling van Chinaʼs vastgoedmarkt. Het is duidelijk dat de vastgoedsector zich in een neerwaartse spiraal bevindt: volgens officiële gegevens is de verkoop in 52 grote steden in de eerste helft van september met 16 procent gedaald ten opzichte van een jaar eerder, na een daling met 20 procent in augustus. Een nog belangrijkere trend voor de politieke economie van China is de ineenstorting van de grondverkoop door lokale overheden, die in de eerste twaalf dagen van september met 90 procent is gedaald ten opzichte van een jaar eerder, zo blijkt uit officiële cijfers. De verkoop van grond genereert ongeveer een derde van de inkomsten van de lokale overheden, die op hun beurt worden gebruikt om de hoofdsom en de rente te betalen van zoʼn 8,4 miljard dollar aan schulden die zijn uitgegeven door enkele duizenden financieringsinstellingen van lokale overheden. Deze LGFVʼs fungeren als een vaak onzichtbare dynamo voor de bredere economie; zij halen kapitaal op via de uitgifte van obligaties, dat vervolgens wordt gebruikt om grote infrastructuurprojecten te financieren.

ʻWij verwachten dat de inkomsten uit de verkoop van grond nog veel slechter zullen worden,ʼ zegt Lu van Nomura. Dit afnemend vermogen van lokale overheden om kapitaal aan te trekken voor uitgaven aan infrastructuur kan de Chinese groei aanzienlijk drukken. De investeringen in vaste activa, die vorig jaar in totaal 51,9 miljard renminbi (8 miljard dollar) bedroegen, zijn goed voor 43 procent van het bbp. De nood is al duidelijk op een offshore-obligatiemarkt in Amerikaanse dollars, waar voor zoʼn 221 miljard dollar aan schuldpapier wordt verhandeld, dat is bijeengebracht door enkele honderden Chinese projectontwikkelaars. Flinke delen van de markt gaan momenteel uit van wanbetaling. ʻ16 procent van de markt wordt verhandeld tegen rendementen van ruim 30 procent en 11 procent van de markt wordt verhandeld tegen rendementen van ruim 50 procent,ʼ aldus Wright. Rendementen van ruim 50 procent duiden erop dat wanbetalingen waarschijnlijk zijn, voegt hij eraan toe. Uiteindelijk hangt het lot van dergelijke obligaties, evenals bijna alle andere gevolgen van de malaise in het Chinese vastgoed, af van Beijing. De Chinese staat is eigenaar van bijna alle grote financiële instellingen van het land, wat betekent dat als Beijing hen opdraagt Evergrande of andere noodlijdende vastgoedbedrijven te redden, ze dat bevel zullen opvolgen. Op sommige overzeese markten heeft het idee dat de nood van Evergrande een voorbode kan zijn van een ʻLehman-momentʼ – een verwijzing naar de chaos die volgde op de ineenstorting van de Amerikaanse investeringsbank Lehman Brothers dertien jaar geleden – aan kracht gewonnen. Maar gezien de invloed en de gevestigde belangen van Beijing, past de analogie niet makkelijk.

ʻTenzij de Chinese toezichthouders de situatie ernstig mismanagen, is een systeemcrisis in de financiële sector van het land niet aan de orde,ʼ zegt He Wei, een analist bij onderzoeksbureau Gavekal. De belangrijkste oorzaak van Evergrandeʼs crisis en de neergang in de vastgoedsector in het algemeen is Beijing zelf. De ʻdrie rode lijnenʼ die de regering Xi vorig jaar aankondigde, bepalen dat ontwikkelaars hun schulden binnen redelijke grenzen moeten houden. In specifiekere zin moet de verhouding tussen schulden en activa minder dan 70 procent bedragen, de verhouding tussen nettoschuld en eigen vermogen minder dan 100 procent, en de verhouding tussen liquide middelen en kortetermijnschuld ten minste 100 procent. In juni voldeed Evergrande niet aan alle drie de criteria en mocht daarom geen extra schulden meer aangaan – wat tot de huidige crisis heeft geleid.

ʻGemeenschappelijke welvaartʼ

Als het waar is dat Beijing de hoofdoorzaak is van de benarde positie van Evergrande, dan ligt het voor de hand dat Beijing een einde kan maken aan de huidige ineenstorting van de markt door zijn voet van de keel van de vastgoedsector af te halen. Maar diepgaande structurele krachten in de economie hebben Chinaʼs beleidsmakers ervan overtuigd dat vastgoed niet langer een betrouwbare dynamo voor duurzame economische groei kan zijn, zeggen analisten. Dit is niet alleen vanwege Xiʼs beroemde uitspraak dat ʻhuizen zijn om in te wonen, niet om mee te speculeren,ʼ gedaan in een toespraak in 2017.

In de eerste plaats is het beeld van de vraag totaal veranderd sinds Beijing eind jaren negentig vrije markthervormingen doorvoerde die de grootste vastgoedhausse in de geschiedenis van de mensheid veroorzaakten. De Chinese bevolking groeit nauwelijks. In 2020 werden slechts 12 miljoen babyʼs geboren, tegen 14,65 miljoen een jaar eerder, in een land van 1,4 miljard inwoners. De trend zou het komende decennium wel eens meer uitgesproken kunnen worden, aangezien het aantal vrouwen in de piekleeftijd voor het krijgen van kinderen – tussen 22 en 35 jaar – met ruim 30 procent zal dalen. Sommige deskundigen voorspellen dat het geboortecijfer tot onder de 10 miljoen per jaar zou kunnen dalen, waardoor de Chinese bevolking in absolute termen zou krimpen en de vraag naar onroerend goed verder zou afnemen.

Volgens Houze Song, analist bij de in Chicago gevestigde denktank MacroPolo, wordt de situatie nog verergerd door het verschijnsel van de ʻkrimpende steden.ʼ Na ongeveer drie decennia waarin honderden miljoenen mensen hun plattelandsdorpen verlieten om zich in steden te vestigen, is de grootste migratie in de geschiedenis van de mensheid nu vrijwel tot stilstand gekomen. Ongeveer driekwart van de steden in China heeft te kampen met bevolkingsafname, zegt Song. ʻOver tien jaar, zelfs als we ervan uitgaan dat sommige mensen naar groeisteden zullen vertrekken, zullen nog steeds ruim 600 miljoen Chinese burgers in krimpende steden wonen.ʼ China staat voor een riskante transitie. Het begint zijn groeimodel te verschuiven van een te grote afhankelijkheid van onroerend goed naar groeimotoren die de voorkeur genieten, zoals hightechproductie en de inzet van groene technologieën, zeggen analisten.

Ook in dit opzicht is de impuls afkomstig van Xi. In een lijst van acht prioriteiten die na een economische planningsvergadering eind 2020 werd gepubliceerd, werd niet alleen de ʻwanordelijke expansie van kapitaalʼ aan de kaak gesteld – een code voor speculatie in onroerend goed – maar werd ook gepleit voor technologische innovatie en het streven naar koolstofneutraliteit. Analisten zeggen dat het enkele jaren kan duren voor zoʼn transitie een feit is. Maar uit de recente vermaningen van Xi over de noodzaak voor China om ʻgemeenschappelijke welvaartʼ na te streven, blijkt duidelijk dat het hem menens is. De neiging van onroerend goed om in gewilde gebieden een sprong in waarde te maken, terwijl die waarde in wijken met lage huren ondermaats blijft, heeft als gevolg dat de ongelijkheid tussen rijk en arm toeneemt. De slogan ʻgemeenschappelijke welvaartʼ is een narratieve verandering die de weg vrijmaakt voor een verschuiving in het groeimodel,ʼ zegt Miller. ʻHet maakt duidelijk dat een daling van de groei van het bbp geen mislukking hoeft te betekenen voor de Chinese communistische partij.ʼ Toch lijden gewone mensen in heel China onder de pijn van de ineenstorting van de Chinese vastgoedmarkt.

Xu, 36, die vroeg om niet volledig te worden geïdentificeerd, woont in de centrale stad Xinyang en werkt als secretaresse in een plaatselijke fabriek. Haar moeder kocht een hoogrentend beleggingsproduct van Evergrande om de medische rekeningen voor haar longkanker in een vergevorderd stadium te kunnen betalen. Maar het beloofde 7,5 procent rendement op de belegging, die 200.000 renminbi kostte, is er nooit gekomen. In plaats daarvan weigert Evergrande uit te betalen, omdat het bedrijf geld spaart om mogelijk enorme wanbetalingen af te wenden. ʻMijn ouders hebben alles wat ze hebben in Evergrande gestoken,ʼ zegt Xu. ʻDit is niet langer louter een economische kwestie,ʼ voegt ze eraan toe, ʻdit is absoluut een enorm sociaal probleem. Er zullen ernstige gevolgen zijn als deze kwestie niet goed wordt opgelost. Als de gezondheidssituatie van mijn moeder hierdoor verslechtert,ʼ zo zegt ze, ʻzal ik elke dag tegen Evergrande vechten.ʼ

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Een nieuwe megacrisis dreigt

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 2 juli 2021

fotografie: Concordia

door Nouriel Roubini

Nouriel Roubini was hoogleraar economie aan de Stern School of Business van de New York University. Hij heeft gewerkt voor het IMF, de US Federal Reserve en de Wereldbank.

De waarschuwingssignalen voor de wereldeconomie staan op rood, en de centrale banken zullen in een onmogelijke positie komen te verkeren

In april waarschuwde ik dat het huidige extreem soepele monetaire en begrotingsbeleid, in combinatie met een aantal negatieve aanbodschokken, zou kunnen leiden tot stagflatie zoals in de jaren zeventig (hoge inflatie naast een recessie). In feite is het risico vandaag zelfs nog groter dan dat het toen was.

In de jaren zeventig waren de schuldratioʼs in de ontwikkelde economieën en op de meeste opkomende markten immers veel lager, waardoor stagflatie historisch gezien niet met schuldencrises in verband is gebracht. Integendeel, de onverwachte inflatie van de jaren zeventig heeft de reële waarde van de nominale vastrentende schulden uitgewist, waardoor de schuldenlast van veel geavanceerde economieën is verminderd.

Tijdens de financiële crisis van 2007-2008 daarentegen veroorzaakten de hoge schuldratioʼs (zowel particuliere als publieke) een ernstige schuldencrisis, doordat huizenbubbels uiteenspatten, maar de daaropvolgende recessie leidde tot lage inflatie, zo niet regelrechte deflatie. Als gevolg van de kredietschaarste onderging de totale vraag een enorme schok, terwijl de risicoʼs nu aan de aanbodzijde liggen.

We zitten dus met het ergste uit zowel de stagflatoire jaren zeventig als de periode 2007-2010. De schuldratioʼs zijn nu veel hoger dan in de jaren zeventig, en een mix van soepel economisch beleid en negatieve aanbodschokken dreigt eerder inflatie dan deflatie te veroorzaken, waardoor de komende paar jaar de weg wordt vrijgemaakt voor de moeder van alle stagflatoire schuldencrises.

Voorlopig zullen het soepele monetaire en begrotingsbeleid de activaprijzen en de kredietzeepbellen blijven voeden, en een treinramp in slow motion blijven aanjagen. De waarschuwingssignalen zijn al zichtbaar in de huidige hoge koers-winstverhoudingen, de lage risicopremies voor aandelen, de opgeblazen koersen van de technologieaandelen en de huizenprijzen, en de irrationele uitbundigheid rond ʻspecial purposeʼ overnamebedrijven, de cryptosector, hoogrentende bedrijfsschulden, zogenoemde ʻcollateralised loan obligations,ʼ private equity, meme-aandelen, en de op hol geslagen retaildaghandel. Op een gegeven moment zal deze hausse uitmonden in een ʻMinsky-momentʼ (een plotseling verlies van vertrouwen), en een strakker monetair beleid zal dan een baisse en een crash veroorzaken.

Maar intussen zal hetzelfde soepele beleid dat de activabubbels voedt de inflatie van de consumptieprijzen blijven aanwakkeren en de voorwaarden scheppen voor stagflatie als de volgende negatieve aanbodschokken zich voordoen. Dergelijke schokken kunnen het gevolg zijn van hernieuwd protectionisme, de vergrijzing van de bevolking in de geavanceerde en opkomende economieën, immigratiebeperkingen in de geavanceerde economieën, de verplaatsing van de productie naar regioʼs met hoge kosten, of de balkanisering van de mondiale aanbodketens.

Meer in het algemeen dreigt de Chinees-Amerikaanse ontkoppeling de wereldeconomie te fragmenteren, op een moment dat de klimaatverandering en de Covid-19-pandemie de nationale overheden in de richting van een grotere zelfredzaamheid duwen. Voeg daarbij het effect op de productie van de steeds frequentere cyberaanvallen op cruciale infrastructuur, en het sociale en politieke verzet tegen de ongelijkheid, en het recept voor macro-economische ontwrichting is compleet.

Tot overmaat van ramp hebben de centrale banken in feite hun onafhankelijkheid verloren, omdat hen geen andere keuze wordt gelaten dan de enorme begrotingstekorten te monetariseren om een schuldencrisis te voorkomen. Nu zowel de publieke als de particuliere schulden sterk zijn gestegen, zitten zij in een schuldenval. Naarmate de inflatie de komende jaren oploopt, zullen de centrale banken voor een dilemma komen te staan. Als zij beginnen met het afbouwen van de onconventionele beleidsmaatregelen en met het verhogen van de rente om de inflatie te bestrijden, lopen zij het risico een enorme schuldencrisis en een ernstige recessie te veroorzaken; maar als zij een soepel monetair beleid blijven voeren, lopen zij het risico van een inflatie met dubbele cijfers – en een diepe stagflatie wanneer de volgende negatieve aanbodschokken zich aandienen.

Maar zelfs in het tweede scenario zouden de beleidsmakers niet in staat zijn een schuldencrisis te voorkomen. Hoewel de nominale vastrentende staatsschuld in de ontwikkelde economieën gedeeltelijk kan worden weggevaagd door onverwachte inflatie (zoals in de jaren zeventig is gebeurd), zou dat niet het geval zijn voor de in buitenlandse valuta gedenomineerde schulden van de opkomende markten. Veel van deze landen zouden in gebreke moeten blijven en hun schulden moeten herstructureren.

Tegelijkertijd zouden de particuliere schulden in de geavanceerde economieën onhoudbaar worden (zoals na de wereldwijde financiële crisis van 2007-2008), en hun spreads ten opzichte van veiliger staatsobligaties zouden pieken, waardoor een kettingreactie van wanbetalingen op gang zou komen. Ondernemingen met een hoge schuldenlast en hun roekeloze schaduwbankcrediteuren zouden als eersten ten onder gaan, al snel gevolgd door huishoudens met schulden en de banken die hen financierden.

Zeker, de reële langetermijnkosten voor leningen kunnen aanvankelijk dalen als de inflatie onverwacht stijgt en de centrale banken nog steeds achter de feiten aanlopen. Maar na verloop van tijd zullen deze kosten door drie factoren worden opgedreven. In de eerste plaats zullen de hogere publieke en particuliere schulden de renteverschillen tussen overheden en particulieren doen toenemen. In de tweede plaats zullen de stijgende inflatie en de toenemende onzekerheid de inflatierisicopremies opdrijven. En in de derde plaats zal een stijgende misère-index – de som van het inflatie- en het werkloosheidscijfer – uiteindelijk tot een ʻVolcker-momentʼ leiden.

Toen de voormalige voorzitter van de Federal Reserve (het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken), Paul Volcker, in 1980-ʼ82 de rente verhoogde om de inflatie aan te pakken, resulteerde dit in een zware dubbele-dip-recessie in de VS, en een schuldencrisis en een verloren decennium in Latijns-Amerika. Maar nu de schuldratioʼs wereldwijd bijna drie keer zo hoog zijn als begin jaren zeventig, zou elk anti-inflatoir beleid eerder tot een depressie dan tot een zware recessie leiden.

Onder deze omstandigheden zijn de handen van de centrale banken aan alle kanten gebonden, en zullen veel regeringen semi-insolvabel zijn en dus niet in staat zijn banken, bedrijven en huishoudens te redden. De doemcyclus van overheden en banken in de eurozone na de wereldwijde financiële crisis zal zich wereldwijd herhalen, waarbij ook huishoudens, bedrijven en schaduwbanken kopje onder zullen gaan.

Zoals de zaken er nu voor staan, lijkt deze treinramp in slowmotion onvermijdelijk. De recente ommezwaai van de Fed van een ultra-soepel naar een overwegend soepel monetair beleid verandert daar niets aan. De Fed zit al op zijn minst sinds december 2018 in een schuldenval, toen een crash van de aandelen- en kredietmarkten de Fed dwong om zijn beleidsverkrapping terug te draaien, een vol jaar vóórdat Covid-19 toesloeg. Nu de inflatie stijgt en stagflatoire schokken dreigen, zit de Fed nog meer in de val.

Dat geldt ook voor de Europese Centrale Bank, de Bank of Japan en de Bank of England. De stagflatie van de jaren zeventig zal spoedig de schuldencrises van na 2008 ontmoeten. De vraag is niet óf, maar wanneer.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Biden kan meer investeren zonder daar op de oude manier voor te hoeven ʻbetalenʼ

Oorspronkelijke tekst (Engels): The New York Times, 7 april 2021

fotografie: stephaniekelton.com

door Stephanie Kelton

Stephanie Kelton is hoogleraar economie en overheidsbeleid aan de universiteit van Stony Brook en de auteur van ʻThe Deficit Myth,ʼ in het Nederlands als ʻDe mythe van de staatsschuldʼ bij Ambo Anthos.

Door zich te concentreren op de hoeveelheid inkomsten die ze kunnen binnenhalen uit belastingverhogingen voor de rijken, lopen de Democraten het risico de reikwijdte van hun ambities te moeten beperken

Twee weken geleden introduceerde president Biden in een toespraak een infrastructuurplan van 2,2 biljoen dollar, dat hij ʻeen investering in Amerika die maar één keer in een generatie plaatsvindtʼ noemde. En op woensdag 7 april schetsten hij en het ministerie van Financiën veel van de details van het pakket, onder meer hoe ervoor ʻbetaaldʼ zou moeten worden. Als we die zogenaamde ʻpay-forsʼ eens wat nauwkeuriger bekijken, zien we echter dat de Democraten op de verkeerde manier over budgettaire verantwoordelijkheid nadenken. Ze zouden wel eens aanstalten kunnen maken een onaangename oververhitting van de economie op de korte termijn te veroorzaken, waarbij de prijzen sneller stijgen en de koopkracht van de dollar enigszins daalt. Als het uiteindelijke pakket veel groter uitvalt – en in de buurt komt van de 10 biljoen dollar die veel progressieven in het Congres nastreven – zou dat de inflatie de hoogte in kunnen jagen.

In een interview op MSNBC twee weken terug gaf afgevaardigde Alexandria Ocasio-Cortez uiting aan haar gemengde gevoelens over het voorstel van de president, door te zeggen dat ze ʻernstige zorgen heeft dat het volstaat om de zeer inspirerende visie te realiseren die de heer Biden naar voren heeft gebracht.ʼ In plaats van in acht jaar ruwweg 2 biljoen dollar uit te geven, zouden mevrouw Ocasio-Cortez en veel van haar collegaʼs van de Progressieve Caucus in het Huis van Afgevaardigden liever ʻveel verder gaanʼ en een kortere termijn hanteren.

Ze heeft gelijk als ze zegt dat het mogelijk is voor het Congres en de regering-Biden om verder te gaan en dat ook sneller te doen – maar alleen als er wordt overgeschakeld op een volledig ander begrotingskader: in plaats van wetgeving aan te nemen die leunt op het belasten van bedrijven en de rijken, met het doel te voorkomen dat de uitgaven het tekort laten oplopen, zouden ze een robuust plan moeten ontwikkelen met de nadruk op het beteugelen van de inflatiedruk als die hogere overheidsuitgaven de reële economie raken.

De president noemde zijn plan tijdens zijn toespraak ʻfiscaal verantwoord,ʼ simpelweg omdat het meer inkomsten zal opleveren dan wat hij voorstelt uit te gaan geven. Op papier, en volgens de conventionele wijsheid, is dit evenwichtig beleid. Het zou de beoordelaars van het Congressional Budget Office tevreden stellen of zelfs hoge cijfers krijgen van de deficit hawks. Maar omdat de voorgestelde belastingverhogingen uitsluitend ten laste komen van bedrijven en meer welvarende Amerikanen – die een relatief grotere neiging hebben om te sparen dan om geld uit te geven – zullen de belastingen de uitgaven van de particuliere sector wellicht niet genoeg doen dalen om te voorkomen dat de verhoogde uitgaven van de overheid zelf tot inflatoire oververhitting leiden, vooral als het Congres ʻnog veel verderʼ wil gaan.

De sleutel tot het verantwoord uitgeven van grote sommen geld ligt in het zorgvuldig beheren van de reële productieve beperkingen van de economie. Net zoals de legoprojecten van mijn zoon beperkt worden door de hoeveelheid blokjes die we voor hem hebben gekocht, kunnen we niet méér goederen en diensten uit onze economie persen als we alle beschikbare middelen hebben gebruikt.

Het is makkelijk om de uitgaven op te voeren als er miljoenen werklozen zijn die kunnen worden aangenomen en tal van binnenlandse bedrijven staan te popelen om de overheid zonnepanelen en elektrische voertuigen te leveren. Maar wat gebeurt er als het moeilijker wordt om de werkloze dingen en mensen te vinden – bouwvakkers, architecten, machines, grondstoffen enzovoort – die nodig zijn om gelijke tred te houden met een enorme opknapbeurt van de infrastructuur van de VS? Nu de Amerikaanse economie aantrekt, zou het onverantwoord zijn om geen uitrolplan te ontwikkelen voor dergelijke onvoorziene omstandigheden.

Veel van de door president Biden voorgestelde belastingverhogingen moeten worden verdedigd en zelfs geprezen, omdat ze tot meer rechtvaardigheid zullen leiden en de ongelijkheid enigszins zullen terugdringen, maar men zal moeten erkennen dat ze relatief weinig doen om de druk op de uitgaven te compenseren.

Afhankelijk van de omvang van de infrastructuurinvesteringen die het Congres uiteindelijk wil plegen, en van de snelheid waarmee dat zal gebeuren, kan het nodig zijn een hele reeks inflatiebeperkende maatregelen te nemen, die allemaal niets te maken zullen hebben met het terugdringen van het begrotingstekort.

Deze grotendeels niet-fiscale inflatiecompensaties kunnen onder meer bestaan uit industriebeleid, zoals een veel agressievere uitbreiding van onze binnenlandse productiecapaciteit door investeringen terug te leiden naar de VS, met gebruikmaking van als ʻwortelʼ fungerende prikkels zoals rechtstreekse federale aanbestedingen, subsidies en leningen, alsmede van meer als ʻstokʼ dienende maatregelen zoals het heffen van nieuwe belastingen, teneinde het verplaatsen van fabrieken naar elders te ontmoedigen. Hervorming van het handelsbeleid is een andere optie: het intrekken van handelstarieven zou het voor Amerikaanse bedrijven makkelijker en goedkoper maken om in het buitenland geproduceerde goederen te kopen, en voor consumenten om een groter deel van hun inkomen te besteden aan producten die buiten onze grenzen zijn gemaakt, waardoor de druk op de binnenlandse vraag enigszins zou worden weggenomen.

Het team van Biden zou ook kunnen overwegen het beleid inzake legale immigratie te versoepelen, zodat er zelfs wanneer Amerika de volledige werkgelegenheid nadert, nog voldoende aanbod zal zijn om aan de toegenomen vraag naar arbeidskrachten te voldoen. Afgezien van de voor de hand liggende klimaatvoordelen van strengere milieuvoorschriften, zou een verbod van fracking op federaal grondgebied en van offshore-boringen in federale wateren mensen en materiaal kunnen vrijmaken voor andere activiteiten. De hervorming van de gezondheidszorg zou ook een rol kunnen spelen. (Een aanzienlijke verlaging van de leeftijd waarop mensen voor Medicare in aanmerking komen zou de totale uitgaven aan gezondheidszorg, een belangrijke bron van de prijsdruk in de economie, sterk doen dalen).

Na verloop van tijd zullen de investeringen van het plan-Biden in onze fysieke en menselijke infrastructuur de productiecapaciteit van onze economie verhogen, waardoor wij beter opgeleide en productievere arbeidskrachten, efficiëntere spoorwegen, minder verstopte wegen, verbeterde technologieën en nog veel meer zullen hebben. Maar dit kan niet van de ene op de andere dag gebeuren. Het zou jaren duren en kunnen betekenen dat we gaandeweg door onze beschikbare capaciteit heen raken – vooral als de House Progressive Caucus de besteding van biljoenen dollars extra binnenhaalt. Niemand kan precies voorspellen wanneer, of in welke sectoren, ernstige knelpunten en andere tekorten kunnen ontstaan.

Daarom zou de Amerikaanse regering, om kortetermijnbeperkingen zoals bottlenecks in de bevoorrading te voorkomen, elders capaciteit kunnen zoeken. Amerikaanse bedrijven kunnen gebruik maken van de ongunstige omstandigheden in het buitenland en inkopen doen in landen met economieën die misschien nog worstelen met een volledig herstel van de economische neergang, en meer dan blij zullen zijn om wederzijds te profiteren van de Amerikaanse bloei.

Het was dan ook jammer dat president Biden in zijn langverwachte toespraak over infrastructuur beloofde dat ʻonder mijn bewind geen enkel contractʼ zal worden gegund aan een bedrijf dat ʻgeen Amerikaans bedrijf is, met Amerikaanse producten en Amerikaanse werknemers.ʼ

Deze ʻkoop Amerikaansʼ-filosofie is goed bedoeld, maar kan tot contraproductieve problemen leiden, vooral omdat de president heeft beloofd dat ʻniemand die minder dan 400.000 dollar verdient zijn federale belastingen zal zien stijgenʼ – een belofte die het verhogen van de belastingen voor de middenklasse, die relatief meer geneigd is om geld uit te geven, van de tafel haalt als mogelijke inflatiecompensatie.

Een Biden-plan dat al te protectionistisch zou zijn vormt een veel grotere inflatiedreiging dan een plan dat niet wordt betaald op de traditionele, budgetneutrale manier. Zoʼn raamwerk – gebaseerd op de principes van de Moderne Monetaire Theorie – herdefinieert begrotingsverantwoordelijkheid door de eeuwenoude vraag ʻHoe ga je dat betalen?ʼ om te draaien. De echte uitdaging is: ʻHoe ga je dat financieren?ʼ

Senator Bernie Sanders van Vermont zinspeelde onlangs op deze aanpak toen hij tegen Politico zei: ʻJe moet niet beginnen met een bedrag, om dat vervolgens weer naar beneden te brengen. Je moet beginnen met te kijken naar de behoeften die moeten worden aangepakt, en die optellen.ʼ De volgende stap is uitzoeken hoe je de beschikbare reële middelen kunt budgetteren om die prioriteiten te verwezenlijken.

De moderne monetaire theorie staat hier niet alleen in. Voor een historische visie kunnen we kijken naar wat John Maynard Keynes voorstelde in ʻHow to Pay for the War: A Radical Plan for the Chancellor of the Exchequer,ʼ een minder bekend werk van hem. Voor een hedendaags gehoor suggereert de titel dat Keynes probeerde aan te geven hoe we aan geld konden komen om de uitgaven voor de Tweede Wereldoorlog te dekken. Dat deed hij echter niet.

Keynes begreep dat de Britse regering, die de nationale munt controleerde, al het benodigde geld kon creëren. Het doel van het boek was de regering te laten zien hoe zij hogere uitgavenniveaus kon bereiken en handhaven, en hoe zij tegelijkertijd de inflatiedruk in de hand kon houden. Het boek vermeldde de soldaten, bommenwerpers, tanks, gevechtsuitrusting enzovoorts die nodig zouden zijn om de oorlog voort te zetten, en hoe de hele economie snel opnieuw zou moeten worden ingericht om al die dingen te kunnen leveren.

We zijn er allemaal aan gewend geraakt om belastingen te zien als een belangrijke bron van inkomsten voor de federale regering. Dit komt deels doordat het makkelijk is om de federale overheid te zien als een staat of een lokale overheid, die zonder voldoende inkomsten – uit inkomstenbelastingen, vastgoedbelastingen, omzetbelastingen en zo meer – haar activiteiten niet zou kunnen financieren. Deze entiteiten hebben echter niet de bevoegdheden die de federale overheid heeft om valuta uit te geven, waardoor de uitgavencapaciteit van de regering sterk verandert.

In 1945 hield een man genaamd Beardsley Ruml een vurige toespraak voor de American Bar Association met als titel: ʻTaxes for Revenue Are Obsoleteʼ (ʻBelastingen voor inkomsten zijn achterhaald.ʼ Hij was niet gek. Hij was voorzitter van de New York Federal Reserve Bank. Zoals Ruml in die toespraak uitlegde, helpen belastingen in de eerste plaats een situatie te voorkomen waarin te veel geld achter te weinig goederen aanjaagt: ʻDe dollars die de regering uitgeeft worden koopkracht in de handen van de mensen die ze hebben ontvangen,ʼ zei hij, terwijl ʻde dollars die de regering via belastingen afneemt niet door de mensen kunnen worden uitgegeven.ʼ

Meer recent zijn economen als L. Randall Wray en Yeva Nersisyan gaan nadenken over hoe een Green New Deal kan worden betaald met gebruikmaking van het eerdere ʻradicaleʼ raamwerk van Keynes. En zelfs als je de voorwaarden zou aanvaarden van de oude, op het voorkomen van tekorten gerichte budgettering die momenteel in Washington de voorkeur geniet, is een grotere inspanning voor infrastructuur, mits zorgvuldig uitgevoerd, haalbaar: Larry Summers, de voormalige topeconoom van het Witte Huis onder Obama, erkende in 2014 dat ʻinvesteringen in publieke infrastructuur zichzelf kunnen terugbetalenʼ en dat ʻdoor de capaciteit van de economie te vergroten, infrastructuurinvesteringen het vermogen vergroten om elk gegeven schuldenniveau aan te kunnen.ʼ

We staan voor enorme, elkaar kruisende en versterkende crises: onder meer een klimaatcrisis, een banencrisis, een gezondheidscrisis en een huisvestingscrisis. Er zal veel geld nodig zijn om te doen wat nodig is. Zoals Kate Aronoff onlangs in de New Republic schreef: ʻOm de emissiedoelstellingen van het verdrag van Parijs te halen, zal de regering van de Verenigde Staten naar schatting van deskundigen jaarlijks minstens 1 biljoen dollar moeten uitgeven.ʼ En ook al is het infrastructuurplan van het Witte Huis het historisch gezien ambitieus, het is nog steeds niet omvangrijk genoeg om het probleem te kunnen oplossen. Mevrouw Ocasio-Cortez wees er bijvoorbeeld op dat het plan van de president Biden een investering van 40 miljard dollar in publieke huisvesting voor de hele natie behelst, maar dat alleen al de stad New York wellicht een dergelijke investering behoeft.

Door zich te concentreren op de hoeveelheid inkomsten zij denken te kunnen halen uit een breed scala van belastingverhogingen voor de welgestelden, lopen de Democraten het risico dat de reikwijdte van hun ambities wordt bepaald door het gedateerde raamwerk van budgettaire verantwoordelijkheid en de politieke steun voor belastingverhogingen in Washington, in plaats van door wat werkelijk mogelijk is op basis van de logistiek van de reële economie.

Het Bureau of Labor Statistics, de Federal Reserve, het ministerie van Financiën en andere diensten en ministeries die de arbeidsparticipatie, de prijsstijgingen en de aanbodtekorten bijhouden, kunnen worden belast met de ontwikkeling van een specifiek dashboard om problemen tijdig te kunnen signaleren.

Als het Congres en het Witte Huis verantwoordelijke rentmeesters willen zijn van zowel de samenleving als de waarde van de Amerikaanse dollar, moeten ze, in plaats van zich te richten op belastingheffing op de rijken, prioriteiten stellen en precies aangeven wat er, in termen van reële middelen, nodig is om het elektriciteitsnet van het land te verbeteren, iedere krakkemikkige brug te repareren, conciërges een loon te geven waarvan ze kunnen rondkomen, onze spoorwegen te verbeteren en schoon drinkwater en hogesnelheidsbreedbandinternet aan ieder huis te leveren. Hoeveel mensen zijn er nodig om al dat werk te doen? Hoeveel staal, beton en glasvezelkabels? Hoeveel torenkranen en ander bouwmaterieel zal er nodig zijn? De lijst gaat maar door.

Dit zijn de vragen die we onze leiders moeten stellen, en de vragen die zij zichzelf moeten stellen – en niet: ʻHoe gaan we dat betalen?ʼ

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie

De status van Londen als financieel centrum is lang niet zo zeker als sommigen denken

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 13 februari 2021

fotografie: allthingsrisk

door Dan Davies

Dan Davies is een voormalig toezichthoudend econoom bij de Bank of England en de auteur van Lying For Money: How Legendary Frauds Reveal The Workings Of Our World

Het centrum van de Europese aandelenhandel is verschoven naar Amsterdam – dit is een probleem voor Londen dat alleen maar groter zal worden

Het afgelopen jaar is bepaald door mensen die exponentiële processen niet begrijpen. Het is dan ook enigszins verontrustend om financiële professionals in Londen te horen zeggen dat de bedrijvigheid die sinds de Brexit naar Europese financiële centra is uitgeweken niet zo veel om het lijf heeft. Bijna alles begint aanvankelijk klein. Het probleem is dat dingen groeien.

Op zichzelf zal, zoals William Wright van de denktank New Financial zegt, het feit dat Amsterdam Londen heeft ingehaald in termen van het volume van de aandelenhandel waarschijnlijk niet veel verschil uitmaken voor je winst- en verliesrekening (of voor de belastinginkomsten van een land). Het meten van het handelsvolume is hoe dan ook een abstract begrip, dat tegenwoordig meer afhangt van de manier waarop computeralgoritmen orders opsplitsen om de beste prijs te verkrijgen, dan van het werkelijke aantal transacties. De commissies op de aandelenhandel zijn ongelooflijk laag en de beurskosten nog lager.

Maar er is een reden waarom de beurzen zo agressief concurreren om nummer één te worden qua marktaandeel. De handel op de financiële markten is het ultieme voorbeeld van toenemende schaalopbrengsten – hoe meer spoeling er is, des te makkelijker het voor iemand is om een koper of verkoper te vinden, en des te aantrekkelijker je bent als plek om zaken te doen. En dezelfde dynamiek werkt ook omgekeerd. Wanneer je marktaandeel een negatieve schok te verwerken krijgt, is dat vaak ook iets dat zichzelf versterkt. Londen heeft in januari eveneens een enorm marktaandeel verloren in de handel in euro-swaps.

De directe oorzaak van dit alles is dat het Verenigd Koninkrijk er niet in is geslaagd om na de Brexit een ʻgelijkwaardigheidsʼ-overeenkomst met Europa te sluiten voor zijn handelsplatforms. Voor wat het EU-toezicht betreft, is een aantal Britse handelsplatforms eind 2020 opgehouden te bestaan. Zoals de gouverneur van de Bank of England, Andrew Bailey, zegt, is dit in zekere zin oneerlijk – Europa deed zes maanden geleden nog graag zaken op deze platforms, en zal dat ook in de toekomst weer graag doen, en heeft zelfs tijdelijke verlengingen gegund aan sommige platforms die nu nog onvervangbaar worden geacht. De Europeanen hebben een legitiem belang om controle te willen over hun eigen financiële systeem, maar als je de Britse autoriteiten, onvolmaakt als ze zijn, vergelijkt met de mensen die jarenlang de klokkenluiders over de fraude bij de Duitse betaalkaartengigant Wirecard negeerden, is het moeilijk te geloven dat hier niet een klein beetje mercantilisme in het spel is. Een onaangenaam feit is dat zowel het Verenigd Koninkrijk als Europa technologisch gezien achterlopen op de VS en Azië, wat de strijd om het marktaandeel in de centrale tijdzone nog venijniger maakt.

Het was te verwachten dat verlies van marktaandeel zich in de eerste plaats zou voordoen in de elektronische handel, waar je op een statuswijziging kunt reageren door betalingsopdrachten eenvoudigweg om te leiden – in dit geval voornamelijk naar Amsterdam. De adviesactiviteiten met een hogere toegevoegde waarde, waarbij echte mensen betrokken zijn, zijn aanzienlijk minder flexibel, maar hebben uiteindelijk de neiging de handel te volgen. Het is opmerkelijk dat Numis, een van de meest succesvolle Britse binnenlandse effectenmakelaars, een kantoor in de EU heeft geopend. Dit soort dingen begint vaak als een omweg om aan de wettelijke verplichtingen te voldoen, maar hebben de neiging te groeien omdat mensen nu eenmaal het geld volgen.

Het probleem met dit soort ontwikkelingen is dat zij, net als ieder ander exponentieel proces, langzaam op je afkomen en dan plotseling te groot zijn om er nog iets aan te doen. Voorlopig is de economische impact klein; de computerservers staan misschien in Europa, maar de mensen die de orders plaatsen bevinden zich nog steeds in Londen. Het probleem is dat de financiële markten elk jaar minder mensen en meer computerservers in dienst hebben. Historisch gezien is dit voor de werkgelegenheid nooit een groot probleem geweest; als een financiële markt wordt geautomatiseerd, verhuizen de mensen naar een ander terrein waar de producten ingewikkelder zijn en de marges hoger.

Maar hier duiken de problemen op: waar zullen die nieuwe markten zijn? Ook de internationale handel in koolstofemissierechten lijkt zich in de EU te concentreren. Het gevaar voor Londen als financieel centrum is niet dat bestaande bedrijven zullen verhuizen, maar dat nieuwe dingen in de toekomst ergens anders zullen gebeuren. Zoals het spreekwoord luidt: het stenen tijdperk eindigde niet omdat er geen stenen meer waren.

Toen ik opgroeide in Noord-Wales school er een soort onuitsprekelijke droefheid in het feit dat zoveel van de leisteenmijnen en spoorwegwerkplaatsen en zelfs boerderijen waren omgebouwd tot industriële musea, waar voormalige arbeiders de hele dag deden alsof ze hun oude werk uitvoerden, tot vermaak van de vakantiegangers. Er is geen reden waarom dit niet zou kunnen gebeuren in de financiële wereld; al vóór de pandemie was de beursvloer van New York nog bijna uitsluitend een decor voor nieuwsuitzendingen. Als genoeg elektronische handel zich buiten Londen vestigt, zullen we straks misschien getuige zijn van Britse bankiers die theatraal naar Bloomberg-monitoren wijzen en gescripte opmerkingen in namaak-telefoons schreeuwen, terwijl een konvooi toeristen langsloopt, onder leiding van een gids die vroeger co-chef van de wereldwijde derivatenhandel was: Ik weet nog dat hier allemaal schermen waren…

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie

Nee, Amsterdam heeft de City niet ingehaald

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Spectator, 11 februari 2021

fotografie: Money & Markets

door Gerard Lyons

Gerard Lyons is een deskundige op het gebied van de wereldeconomie, de mondiale financiële markten en het economisch en regelgevingsbeleid, met de nadruk op het internationale bankwezen. Hij is adviseur geweest van de Britse premier Boris Johnson.

Londen is het belangrijkste financiële centrum van Europa en een van de twee belangrijkste financiële centra ter wereld. Het is onwaarschijnlijk dat dit na Brexit zal veranderen. Londen moet het vooral opnemen tegen New York, Singapore, Hongkong en andere centra zoals Shanghai, die de komende jaren zullen opkomen.

De kop van een hoofdartikel in de Financial Times anderhalve week geleden luidde echter: ʻAmsterdam verdringt Londen als Europaʼs belangrijkste handelscentrum voor aandelen.ʼ Het artikel meldde op correcte wijze dat er vorige maand meer aandelen zijn verhandeld op ʻEuronext, Amsterdam en op de Nederlandse takken van CBOE Europe en Turquoiseʼ dan ʻin Londen.ʼ

Hoewel de gegevens in dit verhaal natuurlijk juist zijn, moeten zij in de juiste context worden geplaatst om de juiste conclusies te kunnen trekken. Er zijn waarschijnlijk zeventien beurzen in West-Europa. Euronext is de derde qua omvang, de Deutsche Börse de tweede en de London Stock Exchange (LSE) de eerste. Maar Londen is niet alleen de LSE.

In feite verloopt het grootste deel van de handel nooit via deze beurzen. Het overgrote deel van de handel vindt plaats via zogenoemde ʻsystematic internalisersʼ binnen grote, in Londen gevestigde handelsfirmaʼs. Dit is waar banken en andere financiële ondernemingen intern transacties matchen tussen cliënten, zoals personen en instellingen. Dan zijn er nog de ʻblock tradesʼ en ʻdark pools.ʼ Dit zijn particuliere handelsbeurzen of -forums waar gebruikers een zekere mate van anonimiteit genieten. Zij kunnen populair zijn bij institutionele beleggers die grote orders willen uitvoeren zonder dat dit openbaar wordt, zodat de koersen niet onnodig beïnvloed worden. Het overgrote deel van deze handel, die in Londen geconcentreerd is, is dus niet op de publieke beurzen te vinden.

Bovendien betreft het bericht in de FT louter de EU-handel. Die is uiteraard belangrijk, maar vormt slechts een deel van de internationale handel die in Londen plaatsvindt. In feite is het Londense ecosysteem enorm groot.

Wat het artikel onbelicht laat, is dat al deze activiteiten niet betekenen dat bedrijvigheid naar Amsterdam verhuist. Er worden alleen meer transacties binnen de EU geboekt, omdat de EU-toezichthouders dat nu eenmaal eisen. Belangrijker is echter dat de economische waarde van die activiteiten in Londen blijft – in die zin dat activiteiten zoals afwikkeling, clearing en risicobeheer daar nog steeds worden uitgevoerd.

Amsterdam is een natuurlijke keuze, omdat het zelfs vóór de Brexit al geruime tijd het centrum van de Europese optiehandel was. Natuurlijk mag de City niet zelfgenoegzaam zijn. Het was echter altijd al waarschijnlijk dat de handel in regionale centra zoals Amsterdam relatief zou toenemen.

Zoals ik en anderen hebben aangegeven, zullen bedrijven na de Brexit veranderingen moeten doorvoeren, afhankelijk van hun bedrijfsmodel. Voor sommige firmaʼs zal dit betekenen dat zij een deel van hun personeel zullen moeten detacheren in Dublin, Luxemburg, Parijs, Frankfurt en Amsterdam, of dat zijn daar meer zaken zullen moeten doen. De reden is dat ze op die manier hun in de EU gevestigde cliënten binnen de EU beter kunnen bedienen. Ook dit was vóór de Brexit al bekend.

Voor andere bedrijven betekent dit echter dat zij meer zaken zullen doen in Londen. Ondanks de gevolgen van Covid voor Londen als plaats om te wonen, werken en te bezoeken, is de positie van de City nog steeds zeer sterk. De Britse toezichthouders hebben in het licht van de onzekerheid een tijdelijke vergunningsregeling voor drie jaar toegekend aan ondernemingen die in Londen zaken willen doen. Het grote aantal ondernemingen dat hiervan gebruik heeft willen maken (naar verluidt 1500), getuigt van de aantrekkingskracht van de City en van het feit dat veel ondernemingen, gezien hun bedrijfsmodel, de toegang tot Londen nodig hebben. Dit succes is nóg een positief punt voor het Verenigd Koninkrijk.

Het succes van financiële centra hangt af van een combinatie van hun natuurlijke kenmerken, het toezichthoudende klimaat en de plaats waar cliënten zaken willen doen.

Zelfs als je negatief bent over de Brexit, zul je de inherente pluspunten van Londen moeten erkennen als Brexit-proof. Anderen, waaronder ikzelf, zijn van mening dat die pluspunten door de Brexit juist nog zijn versterkt en dat we optimistisch moeten zijn over wat ons te wachten staat. Tot deze pluspunten behoren het Engelse gewoonterecht, de tijdzone, de taal, de flexibele beroepsbevolking, de creatieve centra en de vaardigheden, kennis en ervaring die in Londen voorhanden zijn. Londen heeft bewezen een goede plaats te zijn om zaken te doen; vandaar zijn wereldwijde aantrekkingskracht.

Het toezichthoudende klimaat is van vitaal belang: zoals de gouverneur van de Bank of England onlangs duidelijk heeft gemaakt, moet het Verenigd Koninkrijk zich niet als regelneef gedragen. In feite kan het land nu optimaal gebruik maken van de mogelijkheid om indien nodig van de regels af te wijken. Tegelijkertijd zal het Verenigd Koninkrijk de agenda op mondiaal niveau blijven helpen bepalen, wat van cruciaal belang is voor een groot aantal bedrijven in de City.

Tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk zijn er ongeveer zeventien soorten gelijkwaardigheid die moeten worden aangepakt (gelijkwaardigheid staat hier voor de erkenning tussen staten van elkaars regelgeving op het gebied van het toezicht op goederen en diensten). Gelijkwaardigheid is leuk om te hebben, maar onafhankelijkheid op het gebied van het toezicht is een must. Dat is de sleutel.

Dan is er nog de plek waar klanten zaken willen doen. Ook dit is in het voordeel van Londen. Mark Carney heeft er in 2017 al op gewezen dat als de clearing door de EU-aanpak naar de eurozone zou worden gedwongen, het risico bestond dat de markt zou worden gesegmenteerd, met als gevolg dat er meer kapitaal opzij zou moeten worden gezet, waardoor de kredietverleningscapaciteit zou afnemen. Dat zou de in de EU gevestigde banken niet ten goede komen. Dit risico bestaat nog steeds.

In sommige opzichten proberen de EU-toezichthouders een ommuurde tuin te creëren. Als zij dit streven doorzetten, zullen we naar alle waarschijnlijkheid een herhaling te zien krijgen van de tendens van een halve eeuw geleden, toen strenger toezicht in de VS leidde tot een verplaatsing van de handel naar Londen, in samenhang met de groei van de euro-dollarmarkt. Deze keer kan het echter de euro-euro-markt zijn die in Londen tot bloei komt, als de plaats waar cliënten zaken willen doen.

Belangrijk is dat de gebeurtenissen van begin dit jaar duidelijk maken dat de City of London momenteel een dynamische cheerleader ontbeert, die het op het wereldtoneel voor haar kan opnemen. Net als op het gebied van de economische vooruitzichten is er behoefte aan een duidelijke langetermijnvisie voor de financiële sector.

Het is opmerkelijk hoe de kijk op de situatie in de City is veranderd. De werkgelegenheid is er toegenomen. Men is het erover eens dat het voordelen biedt dat het Verenigd Koninkrijk zijn eigen agenda voor het toezicht vaststelt en zo nodig van de EU kan afwijken, zodat het zijn voorsprong op de wereldmarkt kan behouden. Zoals we hebben gezien, heeft Londen ook een concurrentievoordeel verworven op een paar van de belangrijkste groeigebieden, zoals die van de groene financiering en de financiële technologie (ʻfintechʼ), voortbouwend op zijn eerdere sterke positie op groeigebieden als de islamitische financiering en de offshore Chinese renminbi.

Verschillende Europese toezichthouders willen graag een graantje meepikken van de Londense taart. Wij zullen proactief moeten reageren en ervoor moeten zorgen dat Londen een goede plaats blijft om zaken te doen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Centrale banken zijn niet meer wat ze waren – en dat is maar goed ook

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 10 februari 2021

fotografie: Centre for International Governance Innovation

door Barry Eichengreen

Barry Eichengreen is hoogleraar economie aan de Universiteit van Californië te Berkeley en een voormalig senior beleidsadviseur bij het IMF

Banken pakken nu uiteenlopende problemen aan, of het nu gaat om Covid-19, klimaatverandering of ongelijkheid. Puristen zijn het er misschien niet mee eens, maar er is geen andere optie

We zijn eraan gewend om te denken dat de opdracht van de centrale banken beperkt blijft tot het handhaven van de prijsstabiliteit, of hoogstens gericht is op de inflatie, en dat ze tegelijkertijd moeten zorgdragen voor een soepele werking van het betalingssysteem. Maar met de wereldwijde financiële crisis van 2008 en nu Covid-19 hebben we gezien dat de centrale banken actief interveniëren om een groeiend aantal markten en activiteiten te ondersteunen, waarbij ze instrumenten gebruiken die veel verder gaan dan rentetarieven en transacties op de open markt.

Een voorbeeld is de Paycheck Protection Program Liquidity Facility van de Amerikaanse Federal Reserve (de Fed, het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken), in het kader waarvan de Fed liquiditeit verstrekt aan kredietverleners die geld lenen aan kleine bedrijven die als gevolg van de pandemie in nood verkeren. Dit is duidelijk niet uw oude vertrouwde centrale bank.

Inmiddels horen we oproepen om dit toepassingsgebied nog verder uit te breiden. De president van de Europese Centrale Bank, Christine Lagarde en Fed-bestuurslid Lael Brainard hebben er allebei bij de centrale banken op aangedrongen de klimaatverandering aan te pakken. Tegen de achtergrond van de Black Lives Matter-beweging heeft afgevaardigde Maxine Waters uit Californië Fed-voorzitter Jerome Powell opgeroepen meer te doen tegen de ongelijkheid, in het bijzonder de raciale ongelijkheid.

Dergelijke oproepen verontrusten de puristen, die waarschuwen dat het opzadelen van de centrale banken met deze extra verantwoordelijkheden hen dreigt af te leiden van hun primaire doelstelling, de inflatiebeheersing. Zij waarschuwen dat het monetair beleid een bot instrument is om klimaatverandering en ongelijkheid aan te pakken; die zouden effectiever kunnen worden bestreden door het belasten van koolstofemissies of het versterken van sociale huisvestingswetten.

Bovenal vrezen de critici dat het nastreven van deze bijkomende doelstellingen de onafhankelijkheid van de centrale banken in gevaar zal brengen. De centrale banken genieten operationele onafhankelijkheid om een specifiek mandaat na te streven, omdat men het erover eens is dat de gemandateerde doelstellingen het best uit handen kunnen worden gehouden van gekozen functionarissen. Maar onafhankelijkheid betekent niet dat de centrale bankiers geen verantwoording verschuldigd zijn aan politici en de publieke opinie. Zij moeten hun daden verantwoorden en uitleggen hoe hun beleidsbeslissingen de gemandateerde doelstellingen bevorderen. Hun succes of falen kan worden beoordeeld aan de hand van de vraag of de centrale bank al dan niet haar onafhankelijk controleerbare doelstellingen heeft bereikt.

Met een sterk uitgebreid mandaat zou de relatie tussen beleidsinstrumenten en doelstellingen complexer worden. De motivering van beleidsbeslissingen zou moeilijker over te brengen zijn. Succes of falen zou lastiger te beoordelen zijn. Aangezien het monetaire beleid slechts een beperkte invloed heeft op de klimaatverandering of de ongelijkheid, zou het nastreven van dergelijke variabelen ervoor zorgen dat de centrale bank faalt in het bereiken van haar doelstellingen. En de frustratie over dat falen zou politici ertoe kunnen brengen de operationele onafhankelijkheid van de centrale bank te heroverwegen.

Deze argumenten zijn niet onzinnig. Tegelijkertijd mogen de centrale bankiers niet rustig in een hoekje gaan zitten slapen, terwijl we geconfronteerd worden met een noodsituatie waarin het alle hens aan dek is. Oproepen aan de centrale banken om de klimaatverandering en de ongelijkheid aan te pakken weerspiegelen het besef dat deze problemen het niveau van existentiële crises hebben bereikt. Als centrale bankiers ze niettemin zouden negeren, of zouden zeggen: ʻDeze dringende problemen kunnen het best door iemand anders worden aangepakt,ʼ zou hun reactie worden gezien als een hooghartig en gevaarlijk vertoon van onverschilligheid. Op dat moment zou hun onafhankelijkheid pas werkelijk in gevaar zijn.

Dus: wat te doen? Centrale banken beschikken als toezichthouders over instrumenten om de klimaatverandering aan te pakken, en hun verantwoordelijkheid om de integriteit en stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen geeft beleidsmakers het mandaat om die instrumenten ook te gebruiken. Zij kunnen uitgebreidere klimaatgerelateerde financiële informatieverplichtingen eisen. Zij kunnen strengere kapitaal- en liquiditeitsvereisten opleggen aan financiële instellingen, waarvan de activaportefeuilles hen blootstellen aan klimaatrisicoʼs. Dergelijke instrumenten zullen het financiële systeem ontmoedigen om ʻbruineʼ beleggingen te waarborgen.

Het probleem bij het begrijpen van de risicoʼs van de klimaatverandering voor de financiële stabiliteit is dat klimaatgebeurtenissen onregelmatig en niet-lineair zijn. Bij het modelleren ervan is het belangrijk dat de centrale banken de fouten vermijden die zij maakten bij het modelleren van Covid-19. Die problemen ontstonden omdat economen en epidemiologen in hun eigen siloʼs werkten. Men kan dus aan pleitbezorgers als Lagarde en Brainard vragen: Hoeveel klimaatwetenschappers hebben de centrale banken in dienst genomen? Wanneer zullen zij met hun werk beginnen?

Wat de ongelijkheid betreft hebben sommige centrale banken nu al het relevante mandaat. In de Verenigde Staten draagt de Community Reinvestment Act uit 1977 de toezichthouders, waaronder de Fed, op ervoor te zorgen dat gezinnen met een laag of gemiddeld inkomen voldoende toegang krijgen tot krediet. De Fed heeft deze verantwoordelijkheid gedelegeerd aan haar 12 regionale reservebanken, die zich elk op verschillende manieren van deze taak kwijten. Strengere richtlijnen van de Federal Reserve Board over hoe de gelijke toegang tot krediet precies moet worden verzekerd, met expliciete aandacht voor raciale ongelijkheid, zou de bestaande inspanningen versterken.

Voor andere centrale banken, zoals de ECB, zou het iets nieuws zijn om de toegang tot krediet voor minderheids- en kansarme groepen aan te pakken. Maar het Europees Parlement kan daartoe opdracht geven. En de Raad van Bestuur van de ECB kan samenwerken met de nationale instellingen die samen het Europees Stelsel van Centrale Banken vormen om aan deze oproep tegemoet te komen.

Het monetair beleid heeft gevolgen voor andere zaken dan inflatie en betalingen, zoals de klimaatverandering en de ongelijkheid. Het zou oneerlijk en zelfs gevaarlijk zijn als de centrale bankiers deze verbanden zouden ontkennen of zouden volhouden dat anderen deze problemen maar moeten oplossen. De beste weg voorwaarts voor de centrale bankiers is het monetaire beleid te gebruiken om inflatie tegen te gaan, terwijl ze hun toezichthoudende bevoegdheden richten op andere dringende problemen.

Vertaling: Menno Grootveld