Categorieën
Economie Politiek

Een nieuwe megacrisis dreigt

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 2 juli 2021

fotografie: Concordia

door Nouriel Roubini

Nouriel Roubini was hoogleraar economie aan de Stern School of Business van de New York University. Hij heeft gewerkt voor het IMF, de US Federal Reserve en de Wereldbank.

De waarschuwingssignalen voor de wereldeconomie staan op rood, en de centrale banken zullen in een onmogelijke positie komen te verkeren

In april waarschuwde ik dat het huidige extreem soepele monetaire en begrotingsbeleid, in combinatie met een aantal negatieve aanbodschokken, zou kunnen leiden tot stagflatie zoals in de jaren zeventig (hoge inflatie naast een recessie). In feite is het risico vandaag zelfs nog groter dan dat het toen was.

In de jaren zeventig waren de schuldratioʼs in de ontwikkelde economieën en op de meeste opkomende markten immers veel lager, waardoor stagflatie historisch gezien niet met schuldencrises in verband is gebracht. Integendeel, de onverwachte inflatie van de jaren zeventig heeft de reële waarde van de nominale vastrentende schulden uitgewist, waardoor de schuldenlast van veel geavanceerde economieën is verminderd.

Tijdens de financiële crisis van 2007-2008 daarentegen veroorzaakten de hoge schuldratioʼs (zowel particuliere als publieke) een ernstige schuldencrisis, doordat huizenbubbels uiteenspatten, maar de daaropvolgende recessie leidde tot lage inflatie, zo niet regelrechte deflatie. Als gevolg van de kredietschaarste onderging de totale vraag een enorme schok, terwijl de risicoʼs nu aan de aanbodzijde liggen.

We zitten dus met het ergste uit zowel de stagflatoire jaren zeventig als de periode 2007-2010. De schuldratioʼs zijn nu veel hoger dan in de jaren zeventig, en een mix van soepel economisch beleid en negatieve aanbodschokken dreigt eerder inflatie dan deflatie te veroorzaken, waardoor de komende paar jaar de weg wordt vrijgemaakt voor de moeder van alle stagflatoire schuldencrises.

Voorlopig zullen het soepele monetaire en begrotingsbeleid de activaprijzen en de kredietzeepbellen blijven voeden, en een treinramp in slow motion blijven aanjagen. De waarschuwingssignalen zijn al zichtbaar in de huidige hoge koers-winstverhoudingen, de lage risicopremies voor aandelen, de opgeblazen koersen van de technologieaandelen en de huizenprijzen, en de irrationele uitbundigheid rond ʻspecial purposeʼ overnamebedrijven, de cryptosector, hoogrentende bedrijfsschulden, zogenoemde ʻcollateralised loan obligations,ʼ private equity, meme-aandelen, en de op hol geslagen retaildaghandel. Op een gegeven moment zal deze hausse uitmonden in een ʻMinsky-momentʼ (een plotseling verlies van vertrouwen), en een strakker monetair beleid zal dan een baisse en een crash veroorzaken.

Maar intussen zal hetzelfde soepele beleid dat de activabubbels voedt de inflatie van de consumptieprijzen blijven aanwakkeren en de voorwaarden scheppen voor stagflatie als de volgende negatieve aanbodschokken zich voordoen. Dergelijke schokken kunnen het gevolg zijn van hernieuwd protectionisme, de vergrijzing van de bevolking in de geavanceerde en opkomende economieën, immigratiebeperkingen in de geavanceerde economieën, de verplaatsing van de productie naar regioʼs met hoge kosten, of de balkanisering van de mondiale aanbodketens.

Meer in het algemeen dreigt de Chinees-Amerikaanse ontkoppeling de wereldeconomie te fragmenteren, op een moment dat de klimaatverandering en de Covid-19-pandemie de nationale overheden in de richting van een grotere zelfredzaamheid duwen. Voeg daarbij het effect op de productie van de steeds frequentere cyberaanvallen op cruciale infrastructuur, en het sociale en politieke verzet tegen de ongelijkheid, en het recept voor macro-economische ontwrichting is compleet.

Tot overmaat van ramp hebben de centrale banken in feite hun onafhankelijkheid verloren, omdat hen geen andere keuze wordt gelaten dan de enorme begrotingstekorten te monetariseren om een schuldencrisis te voorkomen. Nu zowel de publieke als de particuliere schulden sterk zijn gestegen, zitten zij in een schuldenval. Naarmate de inflatie de komende jaren oploopt, zullen de centrale banken voor een dilemma komen te staan. Als zij beginnen met het afbouwen van de onconventionele beleidsmaatregelen en met het verhogen van de rente om de inflatie te bestrijden, lopen zij het risico een enorme schuldencrisis en een ernstige recessie te veroorzaken; maar als zij een soepel monetair beleid blijven voeren, lopen zij het risico van een inflatie met dubbele cijfers – en een diepe stagflatie wanneer de volgende negatieve aanbodschokken zich aandienen.

Maar zelfs in het tweede scenario zouden de beleidsmakers niet in staat zijn een schuldencrisis te voorkomen. Hoewel de nominale vastrentende staatsschuld in de ontwikkelde economieën gedeeltelijk kan worden weggevaagd door onverwachte inflatie (zoals in de jaren zeventig is gebeurd), zou dat niet het geval zijn voor de in buitenlandse valuta gedenomineerde schulden van de opkomende markten. Veel van deze landen zouden in gebreke moeten blijven en hun schulden moeten herstructureren.

Tegelijkertijd zouden de particuliere schulden in de geavanceerde economieën onhoudbaar worden (zoals na de wereldwijde financiële crisis van 2007-2008), en hun spreads ten opzichte van veiliger staatsobligaties zouden pieken, waardoor een kettingreactie van wanbetalingen op gang zou komen. Ondernemingen met een hoge schuldenlast en hun roekeloze schaduwbankcrediteuren zouden als eersten ten onder gaan, al snel gevolgd door huishoudens met schulden en de banken die hen financierden.

Zeker, de reële langetermijnkosten voor leningen kunnen aanvankelijk dalen als de inflatie onverwacht stijgt en de centrale banken nog steeds achter de feiten aanlopen. Maar na verloop van tijd zullen deze kosten door drie factoren worden opgedreven. In de eerste plaats zullen de hogere publieke en particuliere schulden de renteverschillen tussen overheden en particulieren doen toenemen. In de tweede plaats zullen de stijgende inflatie en de toenemende onzekerheid de inflatierisicopremies opdrijven. En in de derde plaats zal een stijgende misère-index – de som van het inflatie- en het werkloosheidscijfer – uiteindelijk tot een ʻVolcker-momentʼ leiden.

Toen de voormalige voorzitter van de Federal Reserve (het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken), Paul Volcker, in 1980-ʼ82 de rente verhoogde om de inflatie aan te pakken, resulteerde dit in een zware dubbele-dip-recessie in de VS, en een schuldencrisis en een verloren decennium in Latijns-Amerika. Maar nu de schuldratioʼs wereldwijd bijna drie keer zo hoog zijn als begin jaren zeventig, zou elk anti-inflatoir beleid eerder tot een depressie dan tot een zware recessie leiden.

Onder deze omstandigheden zijn de handen van de centrale banken aan alle kanten gebonden, en zullen veel regeringen semi-insolvabel zijn en dus niet in staat zijn banken, bedrijven en huishoudens te redden. De doemcyclus van overheden en banken in de eurozone na de wereldwijde financiële crisis zal zich wereldwijd herhalen, waarbij ook huishoudens, bedrijven en schaduwbanken kopje onder zullen gaan.

Zoals de zaken er nu voor staan, lijkt deze treinramp in slowmotion onvermijdelijk. De recente ommezwaai van de Fed van een ultra-soepel naar een overwegend soepel monetair beleid verandert daar niets aan. De Fed zit al op zijn minst sinds december 2018 in een schuldenval, toen een crash van de aandelen- en kredietmarkten de Fed dwong om zijn beleidsverkrapping terug te draaien, een vol jaar vóórdat Covid-19 toesloeg. Nu de inflatie stijgt en stagflatoire schokken dreigen, zit de Fed nog meer in de val.

Dat geldt ook voor de Europese Centrale Bank, de Bank of Japan en de Bank of England. De stagflatie van de jaren zeventig zal spoedig de schuldencrises van na 2008 ontmoeten. De vraag is niet óf, maar wanneer.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Biden kan meer investeren zonder daar op de oude manier voor te hoeven ʻbetalenʼ

Oorspronkelijke tekst (Engels): The New York Times, 7 april 2021

fotografie: stephaniekelton.com

door Stephanie Kelton

Stephanie Kelton is hoogleraar economie en overheidsbeleid aan de universiteit van Stony Brook en de auteur van ʻThe Deficit Myth,ʼ in het Nederlands als ʻDe mythe van de staatsschuldʼ bij Ambo Anthos.

Door zich te concentreren op de hoeveelheid inkomsten die ze kunnen binnenhalen uit belastingverhogingen voor de rijken, lopen de Democraten het risico de reikwijdte van hun ambities te moeten beperken

Twee weken geleden introduceerde president Biden in een toespraak een infrastructuurplan van 2,2 biljoen dollar, dat hij ʻeen investering in Amerika die maar één keer in een generatie plaatsvindtʼ noemde. En op woensdag 7 april schetsten hij en het ministerie van Financiën veel van de details van het pakket, onder meer hoe ervoor ʻbetaaldʼ zou moeten worden. Als we die zogenaamde ʻpay-forsʼ eens wat nauwkeuriger bekijken, zien we echter dat de Democraten op de verkeerde manier over budgettaire verantwoordelijkheid nadenken. Ze zouden wel eens aanstalten kunnen maken een onaangename oververhitting van de economie op de korte termijn te veroorzaken, waarbij de prijzen sneller stijgen en de koopkracht van de dollar enigszins daalt. Als het uiteindelijke pakket veel groter uitvalt – en in de buurt komt van de 10 biljoen dollar die veel progressieven in het Congres nastreven – zou dat de inflatie de hoogte in kunnen jagen.

In een interview op MSNBC twee weken terug gaf afgevaardigde Alexandria Ocasio-Cortez uiting aan haar gemengde gevoelens over het voorstel van de president, door te zeggen dat ze ʻernstige zorgen heeft dat het volstaat om de zeer inspirerende visie te realiseren die de heer Biden naar voren heeft gebracht.ʼ In plaats van in acht jaar ruwweg 2 biljoen dollar uit te geven, zouden mevrouw Ocasio-Cortez en veel van haar collegaʼs van de Progressieve Caucus in het Huis van Afgevaardigden liever ʻveel verder gaanʼ en een kortere termijn hanteren.

Ze heeft gelijk als ze zegt dat het mogelijk is voor het Congres en de regering-Biden om verder te gaan en dat ook sneller te doen – maar alleen als er wordt overgeschakeld op een volledig ander begrotingskader: in plaats van wetgeving aan te nemen die leunt op het belasten van bedrijven en de rijken, met het doel te voorkomen dat de uitgaven het tekort laten oplopen, zouden ze een robuust plan moeten ontwikkelen met de nadruk op het beteugelen van de inflatiedruk als die hogere overheidsuitgaven de reële economie raken.

De president noemde zijn plan tijdens zijn toespraak ʻfiscaal verantwoord,ʼ simpelweg omdat het meer inkomsten zal opleveren dan wat hij voorstelt uit te gaan geven. Op papier, en volgens de conventionele wijsheid, is dit evenwichtig beleid. Het zou de beoordelaars van het Congressional Budget Office tevreden stellen of zelfs hoge cijfers krijgen van de deficit hawks. Maar omdat de voorgestelde belastingverhogingen uitsluitend ten laste komen van bedrijven en meer welvarende Amerikanen – die een relatief grotere neiging hebben om te sparen dan om geld uit te geven – zullen de belastingen de uitgaven van de particuliere sector wellicht niet genoeg doen dalen om te voorkomen dat de verhoogde uitgaven van de overheid zelf tot inflatoire oververhitting leiden, vooral als het Congres ʻnog veel verderʼ wil gaan.

De sleutel tot het verantwoord uitgeven van grote sommen geld ligt in het zorgvuldig beheren van de reële productieve beperkingen van de economie. Net zoals de legoprojecten van mijn zoon beperkt worden door de hoeveelheid blokjes die we voor hem hebben gekocht, kunnen we niet méér goederen en diensten uit onze economie persen als we alle beschikbare middelen hebben gebruikt.

Het is makkelijk om de uitgaven op te voeren als er miljoenen werklozen zijn die kunnen worden aangenomen en tal van binnenlandse bedrijven staan te popelen om de overheid zonnepanelen en elektrische voertuigen te leveren. Maar wat gebeurt er als het moeilijker wordt om de werkloze dingen en mensen te vinden – bouwvakkers, architecten, machines, grondstoffen enzovoort – die nodig zijn om gelijke tred te houden met een enorme opknapbeurt van de infrastructuur van de VS? Nu de Amerikaanse economie aantrekt, zou het onverantwoord zijn om geen uitrolplan te ontwikkelen voor dergelijke onvoorziene omstandigheden.

Veel van de door president Biden voorgestelde belastingverhogingen moeten worden verdedigd en zelfs geprezen, omdat ze tot meer rechtvaardigheid zullen leiden en de ongelijkheid enigszins zullen terugdringen, maar men zal moeten erkennen dat ze relatief weinig doen om de druk op de uitgaven te compenseren.

Afhankelijk van de omvang van de infrastructuurinvesteringen die het Congres uiteindelijk wil plegen, en van de snelheid waarmee dat zal gebeuren, kan het nodig zijn een hele reeks inflatiebeperkende maatregelen te nemen, die allemaal niets te maken zullen hebben met het terugdringen van het begrotingstekort.

Deze grotendeels niet-fiscale inflatiecompensaties kunnen onder meer bestaan uit industriebeleid, zoals een veel agressievere uitbreiding van onze binnenlandse productiecapaciteit door investeringen terug te leiden naar de VS, met gebruikmaking van als ʻwortelʼ fungerende prikkels zoals rechtstreekse federale aanbestedingen, subsidies en leningen, alsmede van meer als ʻstokʼ dienende maatregelen zoals het heffen van nieuwe belastingen, teneinde het verplaatsen van fabrieken naar elders te ontmoedigen. Hervorming van het handelsbeleid is een andere optie: het intrekken van handelstarieven zou het voor Amerikaanse bedrijven makkelijker en goedkoper maken om in het buitenland geproduceerde goederen te kopen, en voor consumenten om een groter deel van hun inkomen te besteden aan producten die buiten onze grenzen zijn gemaakt, waardoor de druk op de binnenlandse vraag enigszins zou worden weggenomen.

Het team van Biden zou ook kunnen overwegen het beleid inzake legale immigratie te versoepelen, zodat er zelfs wanneer Amerika de volledige werkgelegenheid nadert, nog voldoende aanbod zal zijn om aan de toegenomen vraag naar arbeidskrachten te voldoen. Afgezien van de voor de hand liggende klimaatvoordelen van strengere milieuvoorschriften, zou een verbod van fracking op federaal grondgebied en van offshore-boringen in federale wateren mensen en materiaal kunnen vrijmaken voor andere activiteiten. De hervorming van de gezondheidszorg zou ook een rol kunnen spelen. (Een aanzienlijke verlaging van de leeftijd waarop mensen voor Medicare in aanmerking komen zou de totale uitgaven aan gezondheidszorg, een belangrijke bron van de prijsdruk in de economie, sterk doen dalen).

Na verloop van tijd zullen de investeringen van het plan-Biden in onze fysieke en menselijke infrastructuur de productiecapaciteit van onze economie verhogen, waardoor wij beter opgeleide en productievere arbeidskrachten, efficiëntere spoorwegen, minder verstopte wegen, verbeterde technologieën en nog veel meer zullen hebben. Maar dit kan niet van de ene op de andere dag gebeuren. Het zou jaren duren en kunnen betekenen dat we gaandeweg door onze beschikbare capaciteit heen raken – vooral als de House Progressive Caucus de besteding van biljoenen dollars extra binnenhaalt. Niemand kan precies voorspellen wanneer, of in welke sectoren, ernstige knelpunten en andere tekorten kunnen ontstaan.

Daarom zou de Amerikaanse regering, om kortetermijnbeperkingen zoals bottlenecks in de bevoorrading te voorkomen, elders capaciteit kunnen zoeken. Amerikaanse bedrijven kunnen gebruik maken van de ongunstige omstandigheden in het buitenland en inkopen doen in landen met economieën die misschien nog worstelen met een volledig herstel van de economische neergang, en meer dan blij zullen zijn om wederzijds te profiteren van de Amerikaanse bloei.

Het was dan ook jammer dat president Biden in zijn langverwachte toespraak over infrastructuur beloofde dat ʻonder mijn bewind geen enkel contractʼ zal worden gegund aan een bedrijf dat ʻgeen Amerikaans bedrijf is, met Amerikaanse producten en Amerikaanse werknemers.ʼ

Deze ʻkoop Amerikaansʼ-filosofie is goed bedoeld, maar kan tot contraproductieve problemen leiden, vooral omdat de president heeft beloofd dat ʻniemand die minder dan 400.000 dollar verdient zijn federale belastingen zal zien stijgenʼ – een belofte die het verhogen van de belastingen voor de middenklasse, die relatief meer geneigd is om geld uit te geven, van de tafel haalt als mogelijke inflatiecompensatie.

Een Biden-plan dat al te protectionistisch zou zijn vormt een veel grotere inflatiedreiging dan een plan dat niet wordt betaald op de traditionele, budgetneutrale manier. Zoʼn raamwerk – gebaseerd op de principes van de Moderne Monetaire Theorie – herdefinieert begrotingsverantwoordelijkheid door de eeuwenoude vraag ʻHoe ga je dat betalen?ʼ om te draaien. De echte uitdaging is: ʻHoe ga je dat financieren?ʼ

Senator Bernie Sanders van Vermont zinspeelde onlangs op deze aanpak toen hij tegen Politico zei: ʻJe moet niet beginnen met een bedrag, om dat vervolgens weer naar beneden te brengen. Je moet beginnen met te kijken naar de behoeften die moeten worden aangepakt, en die optellen.ʼ De volgende stap is uitzoeken hoe je de beschikbare reële middelen kunt budgetteren om die prioriteiten te verwezenlijken.

De moderne monetaire theorie staat hier niet alleen in. Voor een historische visie kunnen we kijken naar wat John Maynard Keynes voorstelde in ʻHow to Pay for the War: A Radical Plan for the Chancellor of the Exchequer,ʼ een minder bekend werk van hem. Voor een hedendaags gehoor suggereert de titel dat Keynes probeerde aan te geven hoe we aan geld konden komen om de uitgaven voor de Tweede Wereldoorlog te dekken. Dat deed hij echter niet.

Keynes begreep dat de Britse regering, die de nationale munt controleerde, al het benodigde geld kon creëren. Het doel van het boek was de regering te laten zien hoe zij hogere uitgavenniveaus kon bereiken en handhaven, en hoe zij tegelijkertijd de inflatiedruk in de hand kon houden. Het boek vermeldde de soldaten, bommenwerpers, tanks, gevechtsuitrusting enzovoorts die nodig zouden zijn om de oorlog voort te zetten, en hoe de hele economie snel opnieuw zou moeten worden ingericht om al die dingen te kunnen leveren.

We zijn er allemaal aan gewend geraakt om belastingen te zien als een belangrijke bron van inkomsten voor de federale regering. Dit komt deels doordat het makkelijk is om de federale overheid te zien als een staat of een lokale overheid, die zonder voldoende inkomsten – uit inkomstenbelastingen, vastgoedbelastingen, omzetbelastingen en zo meer – haar activiteiten niet zou kunnen financieren. Deze entiteiten hebben echter niet de bevoegdheden die de federale overheid heeft om valuta uit te geven, waardoor de uitgavencapaciteit van de regering sterk verandert.

In 1945 hield een man genaamd Beardsley Ruml een vurige toespraak voor de American Bar Association met als titel: ʻTaxes for Revenue Are Obsoleteʼ (ʻBelastingen voor inkomsten zijn achterhaald.ʼ Hij was niet gek. Hij was voorzitter van de New York Federal Reserve Bank. Zoals Ruml in die toespraak uitlegde, helpen belastingen in de eerste plaats een situatie te voorkomen waarin te veel geld achter te weinig goederen aanjaagt: ʻDe dollars die de regering uitgeeft worden koopkracht in de handen van de mensen die ze hebben ontvangen,ʼ zei hij, terwijl ʻde dollars die de regering via belastingen afneemt niet door de mensen kunnen worden uitgegeven.ʼ

Meer recent zijn economen als L. Randall Wray en Yeva Nersisyan gaan nadenken over hoe een Green New Deal kan worden betaald met gebruikmaking van het eerdere ʻradicaleʼ raamwerk van Keynes. En zelfs als je de voorwaarden zou aanvaarden van de oude, op het voorkomen van tekorten gerichte budgettering die momenteel in Washington de voorkeur geniet, is een grotere inspanning voor infrastructuur, mits zorgvuldig uitgevoerd, haalbaar: Larry Summers, de voormalige topeconoom van het Witte Huis onder Obama, erkende in 2014 dat ʻinvesteringen in publieke infrastructuur zichzelf kunnen terugbetalenʼ en dat ʻdoor de capaciteit van de economie te vergroten, infrastructuurinvesteringen het vermogen vergroten om elk gegeven schuldenniveau aan te kunnen.ʼ

We staan voor enorme, elkaar kruisende en versterkende crises: onder meer een klimaatcrisis, een banencrisis, een gezondheidscrisis en een huisvestingscrisis. Er zal veel geld nodig zijn om te doen wat nodig is. Zoals Kate Aronoff onlangs in de New Republic schreef: ʻOm de emissiedoelstellingen van het verdrag van Parijs te halen, zal de regering van de Verenigde Staten naar schatting van deskundigen jaarlijks minstens 1 biljoen dollar moeten uitgeven.ʼ En ook al is het infrastructuurplan van het Witte Huis het historisch gezien ambitieus, het is nog steeds niet omvangrijk genoeg om het probleem te kunnen oplossen. Mevrouw Ocasio-Cortez wees er bijvoorbeeld op dat het plan van de president Biden een investering van 40 miljard dollar in publieke huisvesting voor de hele natie behelst, maar dat alleen al de stad New York wellicht een dergelijke investering behoeft.

Door zich te concentreren op de hoeveelheid inkomsten zij denken te kunnen halen uit een breed scala van belastingverhogingen voor de welgestelden, lopen de Democraten het risico dat de reikwijdte van hun ambities wordt bepaald door het gedateerde raamwerk van budgettaire verantwoordelijkheid en de politieke steun voor belastingverhogingen in Washington, in plaats van door wat werkelijk mogelijk is op basis van de logistiek van de reële economie.

Het Bureau of Labor Statistics, de Federal Reserve, het ministerie van Financiën en andere diensten en ministeries die de arbeidsparticipatie, de prijsstijgingen en de aanbodtekorten bijhouden, kunnen worden belast met de ontwikkeling van een specifiek dashboard om problemen tijdig te kunnen signaleren.

Als het Congres en het Witte Huis verantwoordelijke rentmeesters willen zijn van zowel de samenleving als de waarde van de Amerikaanse dollar, moeten ze, in plaats van zich te richten op belastingheffing op de rijken, prioriteiten stellen en precies aangeven wat er, in termen van reële middelen, nodig is om het elektriciteitsnet van het land te verbeteren, iedere krakkemikkige brug te repareren, conciërges een loon te geven waarvan ze kunnen rondkomen, onze spoorwegen te verbeteren en schoon drinkwater en hogesnelheidsbreedbandinternet aan ieder huis te leveren. Hoeveel mensen zijn er nodig om al dat werk te doen? Hoeveel staal, beton en glasvezelkabels? Hoeveel torenkranen en ander bouwmaterieel zal er nodig zijn? De lijst gaat maar door.

Dit zijn de vragen die we onze leiders moeten stellen, en de vragen die zij zichzelf moeten stellen – en niet: ʻHoe gaan we dat betalen?ʼ

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie

De status van Londen als financieel centrum is lang niet zo zeker als sommigen denken

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 13 februari 2021

fotografie: allthingsrisk

door Dan Davies

Dan Davies is een voormalig toezichthoudend econoom bij de Bank of England en de auteur van Lying For Money: How Legendary Frauds Reveal The Workings Of Our World

Het centrum van de Europese aandelenhandel is verschoven naar Amsterdam – dit is een probleem voor Londen dat alleen maar groter zal worden

Het afgelopen jaar is bepaald door mensen die exponentiële processen niet begrijpen. Het is dan ook enigszins verontrustend om financiële professionals in Londen te horen zeggen dat de bedrijvigheid die sinds de Brexit naar Europese financiële centra is uitgeweken niet zo veel om het lijf heeft. Bijna alles begint aanvankelijk klein. Het probleem is dat dingen groeien.

Op zichzelf zal, zoals William Wright van de denktank New Financial zegt, het feit dat Amsterdam Londen heeft ingehaald in termen van het volume van de aandelenhandel waarschijnlijk niet veel verschil uitmaken voor je winst- en verliesrekening (of voor de belastinginkomsten van een land). Het meten van het handelsvolume is hoe dan ook een abstract begrip, dat tegenwoordig meer afhangt van de manier waarop computeralgoritmen orders opsplitsen om de beste prijs te verkrijgen, dan van het werkelijke aantal transacties. De commissies op de aandelenhandel zijn ongelooflijk laag en de beurskosten nog lager.

Maar er is een reden waarom de beurzen zo agressief concurreren om nummer één te worden qua marktaandeel. De handel op de financiële markten is het ultieme voorbeeld van toenemende schaalopbrengsten – hoe meer spoeling er is, des te makkelijker het voor iemand is om een koper of verkoper te vinden, en des te aantrekkelijker je bent als plek om zaken te doen. En dezelfde dynamiek werkt ook omgekeerd. Wanneer je marktaandeel een negatieve schok te verwerken krijgt, is dat vaak ook iets dat zichzelf versterkt. Londen heeft in januari eveneens een enorm marktaandeel verloren in de handel in euro-swaps.

De directe oorzaak van dit alles is dat het Verenigd Koninkrijk er niet in is geslaagd om na de Brexit een ʻgelijkwaardigheidsʼ-overeenkomst met Europa te sluiten voor zijn handelsplatforms. Voor wat het EU-toezicht betreft, is een aantal Britse handelsplatforms eind 2020 opgehouden te bestaan. Zoals de gouverneur van de Bank of England, Andrew Bailey, zegt, is dit in zekere zin oneerlijk – Europa deed zes maanden geleden nog graag zaken op deze platforms, en zal dat ook in de toekomst weer graag doen, en heeft zelfs tijdelijke verlengingen gegund aan sommige platforms die nu nog onvervangbaar worden geacht. De Europeanen hebben een legitiem belang om controle te willen over hun eigen financiële systeem, maar als je de Britse autoriteiten, onvolmaakt als ze zijn, vergelijkt met de mensen die jarenlang de klokkenluiders over de fraude bij de Duitse betaalkaartengigant Wirecard negeerden, is het moeilijk te geloven dat hier niet een klein beetje mercantilisme in het spel is. Een onaangenaam feit is dat zowel het Verenigd Koninkrijk als Europa technologisch gezien achterlopen op de VS en Azië, wat de strijd om het marktaandeel in de centrale tijdzone nog venijniger maakt.

Het was te verwachten dat verlies van marktaandeel zich in de eerste plaats zou voordoen in de elektronische handel, waar je op een statuswijziging kunt reageren door betalingsopdrachten eenvoudigweg om te leiden – in dit geval voornamelijk naar Amsterdam. De adviesactiviteiten met een hogere toegevoegde waarde, waarbij echte mensen betrokken zijn, zijn aanzienlijk minder flexibel, maar hebben uiteindelijk de neiging de handel te volgen. Het is opmerkelijk dat Numis, een van de meest succesvolle Britse binnenlandse effectenmakelaars, een kantoor in de EU heeft geopend. Dit soort dingen begint vaak als een omweg om aan de wettelijke verplichtingen te voldoen, maar hebben de neiging te groeien omdat mensen nu eenmaal het geld volgen.

Het probleem met dit soort ontwikkelingen is dat zij, net als ieder ander exponentieel proces, langzaam op je afkomen en dan plotseling te groot zijn om er nog iets aan te doen. Voorlopig is de economische impact klein; de computerservers staan misschien in Europa, maar de mensen die de orders plaatsen bevinden zich nog steeds in Londen. Het probleem is dat de financiële markten elk jaar minder mensen en meer computerservers in dienst hebben. Historisch gezien is dit voor de werkgelegenheid nooit een groot probleem geweest; als een financiële markt wordt geautomatiseerd, verhuizen de mensen naar een ander terrein waar de producten ingewikkelder zijn en de marges hoger.

Maar hier duiken de problemen op: waar zullen die nieuwe markten zijn? Ook de internationale handel in koolstofemissierechten lijkt zich in de EU te concentreren. Het gevaar voor Londen als financieel centrum is niet dat bestaande bedrijven zullen verhuizen, maar dat nieuwe dingen in de toekomst ergens anders zullen gebeuren. Zoals het spreekwoord luidt: het stenen tijdperk eindigde niet omdat er geen stenen meer waren.

Toen ik opgroeide in Noord-Wales school er een soort onuitsprekelijke droefheid in het feit dat zoveel van de leisteenmijnen en spoorwegwerkplaatsen en zelfs boerderijen waren omgebouwd tot industriële musea, waar voormalige arbeiders de hele dag deden alsof ze hun oude werk uitvoerden, tot vermaak van de vakantiegangers. Er is geen reden waarom dit niet zou kunnen gebeuren in de financiële wereld; al vóór de pandemie was de beursvloer van New York nog bijna uitsluitend een decor voor nieuwsuitzendingen. Als genoeg elektronische handel zich buiten Londen vestigt, zullen we straks misschien getuige zijn van Britse bankiers die theatraal naar Bloomberg-monitoren wijzen en gescripte opmerkingen in namaak-telefoons schreeuwen, terwijl een konvooi toeristen langsloopt, onder leiding van een gids die vroeger co-chef van de wereldwijde derivatenhandel was: Ik weet nog dat hier allemaal schermen waren…

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie

Nee, Amsterdam heeft de City niet ingehaald

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Spectator, 11 februari 2021

fotografie: Money & Markets

door Gerard Lyons

Gerard Lyons is een deskundige op het gebied van de wereldeconomie, de mondiale financiële markten en het economisch en regelgevingsbeleid, met de nadruk op het internationale bankwezen. Hij is adviseur geweest van de Britse premier Boris Johnson.

Londen is het belangrijkste financiële centrum van Europa en een van de twee belangrijkste financiële centra ter wereld. Het is onwaarschijnlijk dat dit na Brexit zal veranderen. Londen moet het vooral opnemen tegen New York, Singapore, Hongkong en andere centra zoals Shanghai, die de komende jaren zullen opkomen.

De kop van een hoofdartikel in de Financial Times anderhalve week geleden luidde echter: ʻAmsterdam verdringt Londen als Europaʼs belangrijkste handelscentrum voor aandelen.ʼ Het artikel meldde op correcte wijze dat er vorige maand meer aandelen zijn verhandeld op ʻEuronext, Amsterdam en op de Nederlandse takken van CBOE Europe en Turquoiseʼ dan ʻin Londen.ʼ

Hoewel de gegevens in dit verhaal natuurlijk juist zijn, moeten zij in de juiste context worden geplaatst om de juiste conclusies te kunnen trekken. Er zijn waarschijnlijk zeventien beurzen in West-Europa. Euronext is de derde qua omvang, de Deutsche Börse de tweede en de London Stock Exchange (LSE) de eerste. Maar Londen is niet alleen de LSE.

In feite verloopt het grootste deel van de handel nooit via deze beurzen. Het overgrote deel van de handel vindt plaats via zogenoemde ʻsystematic internalisersʼ binnen grote, in Londen gevestigde handelsfirmaʼs. Dit is waar banken en andere financiële ondernemingen intern transacties matchen tussen cliënten, zoals personen en instellingen. Dan zijn er nog de ʻblock tradesʼ en ʻdark pools.ʼ Dit zijn particuliere handelsbeurzen of -forums waar gebruikers een zekere mate van anonimiteit genieten. Zij kunnen populair zijn bij institutionele beleggers die grote orders willen uitvoeren zonder dat dit openbaar wordt, zodat de koersen niet onnodig beïnvloed worden. Het overgrote deel van deze handel, die in Londen geconcentreerd is, is dus niet op de publieke beurzen te vinden.

Bovendien betreft het bericht in de FT louter de EU-handel. Die is uiteraard belangrijk, maar vormt slechts een deel van de internationale handel die in Londen plaatsvindt. In feite is het Londense ecosysteem enorm groot.

Wat het artikel onbelicht laat, is dat al deze activiteiten niet betekenen dat bedrijvigheid naar Amsterdam verhuist. Er worden alleen meer transacties binnen de EU geboekt, omdat de EU-toezichthouders dat nu eenmaal eisen. Belangrijker is echter dat de economische waarde van die activiteiten in Londen blijft – in die zin dat activiteiten zoals afwikkeling, clearing en risicobeheer daar nog steeds worden uitgevoerd.

Amsterdam is een natuurlijke keuze, omdat het zelfs vóór de Brexit al geruime tijd het centrum van de Europese optiehandel was. Natuurlijk mag de City niet zelfgenoegzaam zijn. Het was echter altijd al waarschijnlijk dat de handel in regionale centra zoals Amsterdam relatief zou toenemen.

Zoals ik en anderen hebben aangegeven, zullen bedrijven na de Brexit veranderingen moeten doorvoeren, afhankelijk van hun bedrijfsmodel. Voor sommige firmaʼs zal dit betekenen dat zij een deel van hun personeel zullen moeten detacheren in Dublin, Luxemburg, Parijs, Frankfurt en Amsterdam, of dat zijn daar meer zaken zullen moeten doen. De reden is dat ze op die manier hun in de EU gevestigde cliënten binnen de EU beter kunnen bedienen. Ook dit was vóór de Brexit al bekend.

Voor andere bedrijven betekent dit echter dat zij meer zaken zullen doen in Londen. Ondanks de gevolgen van Covid voor Londen als plaats om te wonen, werken en te bezoeken, is de positie van de City nog steeds zeer sterk. De Britse toezichthouders hebben in het licht van de onzekerheid een tijdelijke vergunningsregeling voor drie jaar toegekend aan ondernemingen die in Londen zaken willen doen. Het grote aantal ondernemingen dat hiervan gebruik heeft willen maken (naar verluidt 1500), getuigt van de aantrekkingskracht van de City en van het feit dat veel ondernemingen, gezien hun bedrijfsmodel, de toegang tot Londen nodig hebben. Dit succes is nóg een positief punt voor het Verenigd Koninkrijk.

Het succes van financiële centra hangt af van een combinatie van hun natuurlijke kenmerken, het toezichthoudende klimaat en de plaats waar cliënten zaken willen doen.

Zelfs als je negatief bent over de Brexit, zul je de inherente pluspunten van Londen moeten erkennen als Brexit-proof. Anderen, waaronder ikzelf, zijn van mening dat die pluspunten door de Brexit juist nog zijn versterkt en dat we optimistisch moeten zijn over wat ons te wachten staat. Tot deze pluspunten behoren het Engelse gewoonterecht, de tijdzone, de taal, de flexibele beroepsbevolking, de creatieve centra en de vaardigheden, kennis en ervaring die in Londen voorhanden zijn. Londen heeft bewezen een goede plaats te zijn om zaken te doen; vandaar zijn wereldwijde aantrekkingskracht.

Het toezichthoudende klimaat is van vitaal belang: zoals de gouverneur van de Bank of England onlangs duidelijk heeft gemaakt, moet het Verenigd Koninkrijk zich niet als regelneef gedragen. In feite kan het land nu optimaal gebruik maken van de mogelijkheid om indien nodig van de regels af te wijken. Tegelijkertijd zal het Verenigd Koninkrijk de agenda op mondiaal niveau blijven helpen bepalen, wat van cruciaal belang is voor een groot aantal bedrijven in de City.

Tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk zijn er ongeveer zeventien soorten gelijkwaardigheid die moeten worden aangepakt (gelijkwaardigheid staat hier voor de erkenning tussen staten van elkaars regelgeving op het gebied van het toezicht op goederen en diensten). Gelijkwaardigheid is leuk om te hebben, maar onafhankelijkheid op het gebied van het toezicht is een must. Dat is de sleutel.

Dan is er nog de plek waar klanten zaken willen doen. Ook dit is in het voordeel van Londen. Mark Carney heeft er in 2017 al op gewezen dat als de clearing door de EU-aanpak naar de eurozone zou worden gedwongen, het risico bestond dat de markt zou worden gesegmenteerd, met als gevolg dat er meer kapitaal opzij zou moeten worden gezet, waardoor de kredietverleningscapaciteit zou afnemen. Dat zou de in de EU gevestigde banken niet ten goede komen. Dit risico bestaat nog steeds.

In sommige opzichten proberen de EU-toezichthouders een ommuurde tuin te creëren. Als zij dit streven doorzetten, zullen we naar alle waarschijnlijkheid een herhaling te zien krijgen van de tendens van een halve eeuw geleden, toen strenger toezicht in de VS leidde tot een verplaatsing van de handel naar Londen, in samenhang met de groei van de euro-dollarmarkt. Deze keer kan het echter de euro-euro-markt zijn die in Londen tot bloei komt, als de plaats waar cliënten zaken willen doen.

Belangrijk is dat de gebeurtenissen van begin dit jaar duidelijk maken dat de City of London momenteel een dynamische cheerleader ontbeert, die het op het wereldtoneel voor haar kan opnemen. Net als op het gebied van de economische vooruitzichten is er behoefte aan een duidelijke langetermijnvisie voor de financiële sector.

Het is opmerkelijk hoe de kijk op de situatie in de City is veranderd. De werkgelegenheid is er toegenomen. Men is het erover eens dat het voordelen biedt dat het Verenigd Koninkrijk zijn eigen agenda voor het toezicht vaststelt en zo nodig van de EU kan afwijken, zodat het zijn voorsprong op de wereldmarkt kan behouden. Zoals we hebben gezien, heeft Londen ook een concurrentievoordeel verworven op een paar van de belangrijkste groeigebieden, zoals die van de groene financiering en de financiële technologie (ʻfintechʼ), voortbouwend op zijn eerdere sterke positie op groeigebieden als de islamitische financiering en de offshore Chinese renminbi.

Verschillende Europese toezichthouders willen graag een graantje meepikken van de Londense taart. Wij zullen proactief moeten reageren en ervoor moeten zorgen dat Londen een goede plaats blijft om zaken te doen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Centrale banken zijn niet meer wat ze waren – en dat is maar goed ook

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 10 februari 2021

fotografie: Centre for International Governance Innovation

door Barry Eichengreen

Barry Eichengreen is hoogleraar economie aan de Universiteit van Californië te Berkeley en een voormalig senior beleidsadviseur bij het IMF

Banken pakken nu uiteenlopende problemen aan, of het nu gaat om Covid-19, klimaatverandering of ongelijkheid. Puristen zijn het er misschien niet mee eens, maar er is geen andere optie

We zijn eraan gewend om te denken dat de opdracht van de centrale banken beperkt blijft tot het handhaven van de prijsstabiliteit, of hoogstens gericht is op de inflatie, en dat ze tegelijkertijd moeten zorgdragen voor een soepele werking van het betalingssysteem. Maar met de wereldwijde financiële crisis van 2008 en nu Covid-19 hebben we gezien dat de centrale banken actief interveniëren om een groeiend aantal markten en activiteiten te ondersteunen, waarbij ze instrumenten gebruiken die veel verder gaan dan rentetarieven en transacties op de open markt.

Een voorbeeld is de Paycheck Protection Program Liquidity Facility van de Amerikaanse Federal Reserve (de Fed, het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken), in het kader waarvan de Fed liquiditeit verstrekt aan kredietverleners die geld lenen aan kleine bedrijven die als gevolg van de pandemie in nood verkeren. Dit is duidelijk niet uw oude vertrouwde centrale bank.

Inmiddels horen we oproepen om dit toepassingsgebied nog verder uit te breiden. De president van de Europese Centrale Bank, Christine Lagarde en Fed-bestuurslid Lael Brainard hebben er allebei bij de centrale banken op aangedrongen de klimaatverandering aan te pakken. Tegen de achtergrond van de Black Lives Matter-beweging heeft afgevaardigde Maxine Waters uit Californië Fed-voorzitter Jerome Powell opgeroepen meer te doen tegen de ongelijkheid, in het bijzonder de raciale ongelijkheid.

Dergelijke oproepen verontrusten de puristen, die waarschuwen dat het opzadelen van de centrale banken met deze extra verantwoordelijkheden hen dreigt af te leiden van hun primaire doelstelling, de inflatiebeheersing. Zij waarschuwen dat het monetair beleid een bot instrument is om klimaatverandering en ongelijkheid aan te pakken; die zouden effectiever kunnen worden bestreden door het belasten van koolstofemissies of het versterken van sociale huisvestingswetten.

Bovenal vrezen de critici dat het nastreven van deze bijkomende doelstellingen de onafhankelijkheid van de centrale banken in gevaar zal brengen. De centrale banken genieten operationele onafhankelijkheid om een specifiek mandaat na te streven, omdat men het erover eens is dat de gemandateerde doelstellingen het best uit handen kunnen worden gehouden van gekozen functionarissen. Maar onafhankelijkheid betekent niet dat de centrale bankiers geen verantwoording verschuldigd zijn aan politici en de publieke opinie. Zij moeten hun daden verantwoorden en uitleggen hoe hun beleidsbeslissingen de gemandateerde doelstellingen bevorderen. Hun succes of falen kan worden beoordeeld aan de hand van de vraag of de centrale bank al dan niet haar onafhankelijk controleerbare doelstellingen heeft bereikt.

Met een sterk uitgebreid mandaat zou de relatie tussen beleidsinstrumenten en doelstellingen complexer worden. De motivering van beleidsbeslissingen zou moeilijker over te brengen zijn. Succes of falen zou lastiger te beoordelen zijn. Aangezien het monetaire beleid slechts een beperkte invloed heeft op de klimaatverandering of de ongelijkheid, zou het nastreven van dergelijke variabelen ervoor zorgen dat de centrale bank faalt in het bereiken van haar doelstellingen. En de frustratie over dat falen zou politici ertoe kunnen brengen de operationele onafhankelijkheid van de centrale bank te heroverwegen.

Deze argumenten zijn niet onzinnig. Tegelijkertijd mogen de centrale bankiers niet rustig in een hoekje gaan zitten slapen, terwijl we geconfronteerd worden met een noodsituatie waarin het alle hens aan dek is. Oproepen aan de centrale banken om de klimaatverandering en de ongelijkheid aan te pakken weerspiegelen het besef dat deze problemen het niveau van existentiële crises hebben bereikt. Als centrale bankiers ze niettemin zouden negeren, of zouden zeggen: ʻDeze dringende problemen kunnen het best door iemand anders worden aangepakt,ʼ zou hun reactie worden gezien als een hooghartig en gevaarlijk vertoon van onverschilligheid. Op dat moment zou hun onafhankelijkheid pas werkelijk in gevaar zijn.

Dus: wat te doen? Centrale banken beschikken als toezichthouders over instrumenten om de klimaatverandering aan te pakken, en hun verantwoordelijkheid om de integriteit en stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen geeft beleidsmakers het mandaat om die instrumenten ook te gebruiken. Zij kunnen uitgebreidere klimaatgerelateerde financiële informatieverplichtingen eisen. Zij kunnen strengere kapitaal- en liquiditeitsvereisten opleggen aan financiële instellingen, waarvan de activaportefeuilles hen blootstellen aan klimaatrisicoʼs. Dergelijke instrumenten zullen het financiële systeem ontmoedigen om ʻbruineʼ beleggingen te waarborgen.

Het probleem bij het begrijpen van de risicoʼs van de klimaatverandering voor de financiële stabiliteit is dat klimaatgebeurtenissen onregelmatig en niet-lineair zijn. Bij het modelleren ervan is het belangrijk dat de centrale banken de fouten vermijden die zij maakten bij het modelleren van Covid-19. Die problemen ontstonden omdat economen en epidemiologen in hun eigen siloʼs werkten. Men kan dus aan pleitbezorgers als Lagarde en Brainard vragen: Hoeveel klimaatwetenschappers hebben de centrale banken in dienst genomen? Wanneer zullen zij met hun werk beginnen?

Wat de ongelijkheid betreft hebben sommige centrale banken nu al het relevante mandaat. In de Verenigde Staten draagt de Community Reinvestment Act uit 1977 de toezichthouders, waaronder de Fed, op ervoor te zorgen dat gezinnen met een laag of gemiddeld inkomen voldoende toegang krijgen tot krediet. De Fed heeft deze verantwoordelijkheid gedelegeerd aan haar 12 regionale reservebanken, die zich elk op verschillende manieren van deze taak kwijten. Strengere richtlijnen van de Federal Reserve Board over hoe de gelijke toegang tot krediet precies moet worden verzekerd, met expliciete aandacht voor raciale ongelijkheid, zou de bestaande inspanningen versterken.

Voor andere centrale banken, zoals de ECB, zou het iets nieuws zijn om de toegang tot krediet voor minderheids- en kansarme groepen aan te pakken. Maar het Europees Parlement kan daartoe opdracht geven. En de Raad van Bestuur van de ECB kan samenwerken met de nationale instellingen die samen het Europees Stelsel van Centrale Banken vormen om aan deze oproep tegemoet te komen.

Het monetair beleid heeft gevolgen voor andere zaken dan inflatie en betalingen, zoals de klimaatverandering en de ongelijkheid. Het zou oneerlijk en zelfs gevaarlijk zijn als de centrale bankiers deze verbanden zouden ontkennen of zouden volhouden dat anderen deze problemen maar moeten oplossen. De beste weg voorwaarts voor de centrale bankiers is het monetaire beleid te gebruiken om inflatie tegen te gaan, terwijl ze hun toezichthoudende bevoegdheden richten op andere dringende problemen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie

Waarom de GameStop-affaire een perfect voorbeeld is van ʻplatformpopulismeʼ


Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 3 februari 2021

fotografie: Annette Hornischer

door Evgeny Morozov

Evgeny Morozov is de oprichter van de Syllabus, en de auteur van verschillende boeken over technologie en politiek

Net als Uber, Airbnb of WeWork biedt de beursmakelaarsapp Robinhood slechts een illusie van democratie

De GameStop-saga is, ondanks alle verwoestingen die zij op de wereldmarkten heeft aangericht, niet alleen een verhaal van idealistische individuele beleggers die een stel arrogante hedgefondsen hebben vernederd. Hoe dan ook voelt het als een onaangekondigd vervolg op de rellen van 6 januari op Capitol Hill: in beide gevallen ging het om een horde woedende, grofgebekte socialemedia-verslaafden die de heiligste instellingen van het diepgaand verafschuwde establishment belegerden.

Maar terwijl de relschoppers in Washington alom werden veroordeeld, is het degenen die de virtuele kruistocht tegen Wall Street ondernamen veel beter vergaan. Door de aandelen van stoffige, worstelende bedrijven te verdedigen tegen hebzuchtige hedgefondsen, hebben zij enige sympathie losgemaakt door het hele politieke spectrum heen.

De voornaamste les van de twee rellen, althans voor de digitale tegencultuur, lijkt duidelijk. De ware sjamanen van de anti-establishment-rebellie moeten vandaag de dag de kunst beheersen van het handelen in aandelenopties en derivaten, en niet die van het beklimmen van muren en het zwaaien met Confederatie-vlaggen. De revolutie mag dan gelivestreamd, getweet en uitgezonden worden, het is waarschijnlijk nog steeds een goed idee om een back-up te maken van die Excel-spreadsheet.

Dat de kruistocht van GameStop waardig lijkt, heeft deels te maken met de – op zijn zachtst gezegd – nogal controversiële reputatie van de hedgefondssector. Er is echter nog een andere, minder voor de hand liggende reden voor de bijval in de publieke sfeer: velen van ons zijn betoverd door de retoriek van ʻdemocratiseringʼ die gepaard is gegaan met de opkomst van goedkope online beursmakelaarsplatforms.

Eén zoʼn platform – Robinhood – heeft gezorgd voor de cruciale digitale infrastructuur achter de GameStop-rebellie, door gewone mensen in staat te stellen via hun telefoon voor kleine bedragen aandelen in bedrijven te kopen. De missie van het platform, die de oprichters de afgelopen jaren bijna ad nauseam hebben herhaald, is het ʻdemocratiseren van de financiële sector.ʼ

Op het eerste gezicht lijkt dit een natuurlijk uitvloeisel van de verheven missie van indexfondsen zoals Vanguard uit het begin van de jaren zeventig. In die tijd ging het om het idee om veilige financiële instrumenten te creëren, die het voor gewone mensen heel eenvoudig – en goedkoop – zouden maken om in de aandelenmarkt te beleggen, zonder veel voorkennis of expertise te hoeven vergaren.

Robinhood ziet zichzelf echter niet als het zoveelste saaie en volstrekt verwaarloosbare beursmakelaarskantoor op Wall Street. Het wil eerder gezien worden als een revolutionaire, ontwrichtende kracht uit Silicon Valley. Als je als zoʼn digitaal platform wordt gezien, doet dat wonderen voor je waardering: de benchmark is Amazon, niet een of ander onbekend beleggingsfonds.

Robinhoods democratiseringsretoriek moet dus in een ander licht worden gezien. De stamboom van Robinhood wijst eerder in de richting van Uber, Airbnb en WeWork dan in die van Vanguard of BlackRock. Al deze digitale bedrijven beloofden het een of het ander te zullen ʻdemocratiserenʼ – het vervoer, huisvesting, kantoorruimte – en dat ook snel te zullen doen.

Al spoedig kon deze ontluikende industrie, met haar zoete belofte van democratie als dienst, zich niet meer inhouden: het wereldwijde streven naar de democratisering van het uitlaten van honden, babysitten, sapmaken en de was doen was begonnen. Deze doelen werden nagestreefd met behulp van durfkapitalisten en diverse institutionele beleggers die, onder druk gezet door de lage rente als gevolg van de wereldwijde financiële crisis, steeds minder goed wisten waar ze hun geld konden parkeren.

Dit was echter niet het hele verhaal: de drang om alles te democratiseren werd ook aangewakkerd door onwrikbare bakens van de liberale democratie als de regering van Saoedi-Arabië. Door een partnerschap aan te gaan met de Japanse SoftBank financierde Saoedi-Arabië deze mythe door miljarden te pompen in bedrijven als Uber en WeWork.

Deze enorme toevloed van geld, in combinatie met werkelijk nieuwe bedrijfsmodellen die bepaalde diensten waar voorheen voor betaald moest worden nominaal gratis maakten, creëerde een illusie van vooruitgang en sociale mobiliteit. Veel digitale platforms werden zwaar gesubsidieerd door hun kapitaalkrachtige geldschieters of brachten helemaal niets in rekening; de gederfde inkomsten moesten worden gecompenseerd door gebruikersgegevens en meer geavanceerde diensten te gelde te maken.

Het onvermijdelijke proces van ʻdemocratisering,ʼ dat door alle platforms werd aangeprezen als bewijs van hun eigen sociaal-progressieve aard, was dikwijls het resultaat van eenvoudige rekensommetjes. In gevallen als WeWork klopten die rekensommetjes niet eens. Of Robinhood, dat nu in grote haast 1 miljard dollar extra heeft binnengehaald, meer geluk zal hebben, valt nog te bezien.

Voor de meeste van deze bedrijven hebben de zoete beloften van ʻdemocratiseringʼ dergelijke wiskunde irrelevant gemaakt, althans op de korte termijn. Dit verklaart waarom de tech-industrie is uitgegroeid tot de belangrijkste leverancier van populisme over de hele wereld.

Dit lijkt misschien een overdrijving. We zijn geneigd het gevreesde P-woord te reserveren voor de Bannons, Orbáns en Erdoğans van deze wereld, maar moeten we Bezos of Zuckerberg – en het in aandelen handelende Robinhood-leger – niet eveneens in deze termen benoemen?

Dat kunnen we en dat zouden we ook moeten doen. Nu alle ogen gericht zijn op het Trump-populisme – primitief, giftig, nativistisch – hebben we de rol van de platforms in de opkomst van een ander, nogal afwijkend type populisme volledig over het hoofd gezien: dat populisme is verfijnd, kosmopolitisch en stedelijk. Dit ʻplatform-populisme,ʼ dat zijn oorsprong vindt in Silicon Valley, heeft zich kunnen ontwikkelen door verborgen, reactionaire krachten te ontwrichten die vooruitgang en ʻdemocratiseringʼ in de weg staan – door de krachten van digitale technologieën te ontketenen.

Het platformpopulisme wordt aangedreven door de bijna samenzweerderige overtuiging dat de wereld niet is wat hij lijkt. De gevestigde bedrijven – taxiʼs, hotels, hedgefondsen – zouden de regels van het spel zodanig veranderd hebben dat hun eigen belangen worden bevoordeeld. Alleen door ze te ontwrichten kan men hopen alle voordelen te oogsten die digitale technologieën mogelijk maken. Met dit doel voor ogen beloven de platforms de krachten van het kapitalisme te ontketenen om deze woeste overblijfselen van de vroegere, pre-digitale cultuur te beschaven.

Een groot deel van de rigiditeit van de pre-digitale gevestigde machten zou het gevolg zijn van de regelgeving die door democratische (zij het kapitalistische) staten is opgelegd. Maar in de omgekeerde wereld van het platform-populisme is het verzet tegen democratische regelgeving, door de onderwerping daarvan aan de aanhoudende economische druk van de kapitalistische concurrentie, een onweerlegbaar bewijs voor ʻdemocratisering.ʼ Vandaar het verzet van sommige van deze bedrijven tegen wetgeving die is bedoeld om hen ertoe te bewegen hun gig economy-werknemers als echte werknemers te behandelen.

Dat veel van de retoriek van het platformpopulisme vals is en dat de uiteindelijke winnaars partijen als SoftBank en Saoedi-Arabië zullen zijn, doet er niet veel toe. Bij het platformpopulisme, dat geen eigen coherente politieke ideologie heeft, gaat het om het proces, niet om de resultaten. Het doel is om te bewijzen dat, ondanks alle machinaties van overheidsbureaucraten met hun vervelende regelgeving, onze individuele daadkracht nog steeds springlevend is. Het is zeker niet de bedoeling deze daadkracht in te zetten voor de verwezenlijking van een bepaalde politieke agenda op de langere termijn.

Veel van de boze kruisvaarders die het opnemen tegen de hedgefondssector zijn zich er dus zeker van bewust dat hun winsten tijdelijk en vluchtig zullen zijn. Maar wie kan hen het plezier ontzeggen van het bevestigen van hun eigen macht door ʻde man een oor aan te naaien,ʼ terwijl ze weten dat de enige langetermijnwinst van dit proces andere hedgefondsen ten goede zal komen, zoals BlackRock, dat naar schatting miljarden heeft verdiend aan de stormloop op GamesStop? In plaats van een welgemeende poging om de democratie te verdiepen blijkt het platformpopulisme een kluchtige – zij het zeer winstgevende – theatervoorstelling.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Corruptie voor iedereen!

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Spectator, 1 februari 2021

fotografie: Ulf Andersen

door Slavoj Zizek

Slavoj Zizek is cultuurfilosoof. Hij is senior onderzoeker aan het Instituut voor Sociologie en Filosofie van de Universiteit van Ljubljana, Global Distinguished Professor of German aan de Universiteit van New York, en internationaal directeur van het Birkbeck Institute for the Humanities van de Universiteit van Londen.
Zijn boek ‘Als een dief op klaarlichte dag‘ is onlangs verschenen bij onze uitgeverij Starfish Books.

Wat het verhaal van wallstreetbets ons vertelt

Toen de Kroatische filmregisseur Dario Jurican meedeed aan de presidentsverkiezingen van 2019 in zijn land, beloofde zijn campagneslogan – ʻcorruptie voor iedereenʼ – dat ook normale mensen zouden kunnen profiteren van de vriendjespolitiek. De mensen reageerden enthousiast, hoewel ze wisten dat het een grap was. Een soortgelijke dynamiek doet zich nu voor bij de wallstreetbets subreddit, die het financiële systeem ondermijnt door zich er te veel mee te identificeren of, beter gezegd, door het te universaliseren en zo de ingebouwde absurditeit ervan aan het licht te brengen.

Het verhaal is welbekend, maar laten we het even kort samenvatten. Wallstreetbets (WSB) is een online groep waarin miljoenen deelnemers de handel in aandelen en opties bespreken. Hij valt op door zijn godslasterlijke aard en de promotie van agressieve handelsstrategieën. De meeste leden zijn jonge amateurs die fundamentele beleggingspraktijken en risicobeheertechnieken negeren, zodat hun activiteit als gokken kan worden aangemerkt. De leden hebben onlangs massaal belegd (en anderen aangemoedigd om dit te doen) in de aandelen van GameStop (een bedrijf dat op de markt aan waarde had ingeboet), waardoor de koers van GameStop is gestegen en er nog meer paniek en schommelingen op de markt zijn ontstaan.

Het besluit om in GameStop te beleggen werd niet zozeer ingegeven door wat er met het bedrijf aan de hand was, maar eerder door de mogelijkheid om tijdelijk de waarde van de aandelen te verhogen en vervolgens met de koersschommelingen te spelen. Dit betekent dat er sprake is van een soort zelfreflexiviteit, die kenmerkend is voor wallstreetbets: wat er gebeurt in de bedrijven in wier aandelen de deelnemers beleggen is van secundair belang. De deelnemers rekenen in de eerste plaats op de gevolgen van hun eigen activiteiten (het massaal kopen of verkopen van de aandelen van een onderneming) voor de markt.

Critici zien in een dergelijke houding een duidelijk teken van nihilisme, van het reduceren van de aandelenhandel tot gokken – of, zoals een van de WSB-deelnemers het uitdrukte: ʻIk ben van een rationele belegger veranderd in een zieke, irrationele, wanhopige gokker.ʼ Dit nihilisme wordt het best geïllustreerd door de term ʻyoloʼ (You Only Live Once) die in deze gemeenschap wordt gebruikt om mensen aan te duiden die hun hele portefeuille riskeren aan de handel in één enkel aandeel of één enkele optie.

Maar het is niet eenvoudigweg nihilisme dat de deelnemers motiveert: hun nihilisme duidt op onverschilligheid ten aanzien van het eindresultaat – of, zoals Jeremy Blackburn, een universitair docent computerwetenschappen aan de Universiteit van Binghamton, het formuleerde: ʻHet is niet eens het doel dat telt. Het zijn de middelen. Het is het feit dat je deze weddenschap kunt aangaan, dat is waar de waarde van dit alles in schuilt. Natuurlijk, je kunt geld winnen, of je kunt blut raken, maar hoe dan ook heb je het spel gespeeld, en je hebt dat op een gekke manier gedaan.ʼ

In zijn psychoanalytische theorie maakt Jacques Lacan onderscheid tussen direct genot (van het object dat we willen) en surplus-genot. Veel mensen genieten bijvoorbeeld meer van de activiteit van het winkelen dan van wat ze daadwerkelijk kopen. De leden van wallstreetbets hebben dit surplus-genot van gokken op de effectenbeurs aan de oppervlakte gebracht.

De aantrekkingskracht van wallstreetbets houdt in dat miljoenen gewone mensen eraan deelnemen. Er is een nieuw front geopend in Amerikaʼs klassenstrijd – zoals Robert Reich tweette: ʻDus als ik het goed begrijp: Redditors die GameStop op de korrel nemen is marktmanipulatie, maar hedgefondsmiljardairs die short gaan in een aandeel is gewoon een beleggingsstrategie?ʼ Wie had dat nou verwacht – een klassenstrijd die is veranderd in een conflict tussen aandelenbeleggers en -handelaars zelf?

Het is dus opnieuw ʻkill the normies,ʼ om de titel van Angela Nagleʼs boek nog maar eens aan te halen. In dit geval zijn de ʻnormiesʼ de zogenaamde rationele beleggers en hedgefondsbeheerders. Maar deze keer moeten de normies daadwerkelijk worden ʻgedoodʼ (geëlimineerd). We bevinden ons in een situatie waarin Wall Street, het toonbeeld van corrupte speculatie en handel met voorkennis, dat zich altijd per definitie verzet tegen staatsinterventie en regulering, zich nu keert tegen oneerlijke concurrentie en oproept tot staatsinterventie. Kortom, wallstreetbets doet openlijk wat Wall Street decennialang in het geheim heeft gedaan.

De utopie van het populistisch kapitalisme – het ideaal van miljoenen mensen die overdag gewone arbeiders of studenten zijn en ʼs avonds met beleggingen spelen – is natuurlijk onmogelijk te verwezenlijken; het kan alleen maar uitlopen op een zelfvernietigende chaos. Maar ligt het niet in de aard van het kapitalisme om periodiek in crises terecht te komen – de Grote van 1928 en de financiële ineenstorting van 2008, om de twee bekendste voorbeelden te noemen – en daar zelfs nog sterker uit tevoorschijn te komen?

In al die oude gevallen was (en is) het echter onmogelijk om via marktmechanismen het evenwicht te herstellen, omdat de prijs te hoog is, zodat een massieve externe (staats)interventie nodig is. Kan de staat het spel dan weer controleren en de door wallstreetbets verwoeste normaliteit herstellen?

Wat is de oplossing? De excessen van wallstreetbets hebben de latente irrationaliteit van de beurs zelf aan het licht gebracht. Het is geen opstand tegen Wall Street, maar iets wat in potentie veel gevaarlijker is: het ondermijnt het systeem door zich ermee te over-identificeren, net als die presidentskandidaat in Kroatië dat deed met zijn plakkaat.

Ja, wat de leden van wallstreetbets doen is nihilistisch, maar het is een nihilisme dat inherent is aan de beurs zelf, een nihilisme dat in Wall Street al werkzaam is. Om dit nihilisme te overwinnen, zullen we uit het spel van de effectenbeurs moeten stappen. Het moment van socialisme ligt op de loer, wachtend om te worden aangegrepen, aangezien het centrum van het wereldwijde kapitalisme zelf uit elkaar begint te vallen.

Zal dit ook echt gebeuren? Vrijwel zeker niet, maar wat ons zorgen moet baren is dat deze jongste crisis een nieuwe onverwachte bedreiging is voor een systeem dat al van meerdere kanten wordt aangevallen (door de pandemie, de opwarming van de aarde, sociale protesten…). Bovendien komt deze bedreiging uit het hart van het systeem zelf en niet van buitenaf. Er is een explosief mengsel in de maak, en hoe langer de explosie wordt uitgesteld, hoe verwoestender zij kan zijn.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie

De GameStop-zeepbel is een les in de absurditeit en nutteloosheid van de aandelenmarkt

Oorspronkelijke tekst (Engels): Jacobin, 27 januari 2021

fotografie: Behind The News

door Doug Henwood

Doug Henwood redigeert Left Business Observer en is de gastheer van Behind the News. Zijn jongste boek is My Turn.

De online-grappenmakers achter de grote GameStop-zeepbel van 2021 gaan waarschijnlijk veel geld verliezen. Maar ze hebben de wereld een dienst bewezen door ons te herinneren aan de volslagen nutteloosheid van de aandelenmarkt, een institutie die geen ander doel dient dan een klein aantal mensen rijk maken die dat niet verdienen.

Wie had gedacht dat GameStop zelf zoʼn spelletje zou worden?

Afgelopen zomer werd de videogamewinkel gezien als een wegkwijnend bedrijf. Het verloor geld, de omzet was al jaren aan het dalen en de aandelen werden verhandeld voor ongeveer 4 dollar per stuk. Op het moment dat ik dit schrijf worden de aandelen verhandeld voor 339 dollar per stuk. Eén dag geleden was dat nog 148 dollar. Geen slecht rendement binnen één etmaal, 129 procent. Drie dagen eerder stond het op aandeel nog op 38 dollar. In een week tijd is de koers bijna vertienvoudigd. Maar waarom?

Om dat te kunnen beantwoorden moet ik het concept van short selling uitleggen, dat de meeste burgers bijna onbegrijpelijk vinden. Een shorttransactie is een weddenschap dat een aandeel (of een ander speculatief activum, zoals een obligatie of goud) in prijs zal dalen. Maar om die weddenschap aan te gaan, moet je iets verkopen dat je nog niet bezit, wat geen normaal gedrag is. Om dit te verwezenlijken moet je de aandelen lenen van iemand die ze wel bezit. Zoals bij elke lening moet je rente betalen over het geleende goed. En je moet ook wat onderpand in bewaring geven bij je beursmakelaar, als garantie dat je het geld kunt terugbetalen. De hoop is dat de koers zal dalen, en dat je de aandelen tegen een lagere koers zult kunnen kopen. Je winst is het verschil tussen de oorspronkelijke verkoopprijs en de uiteindelijke aankoopprijs, minus de rente die je op het geleende goed hebt betaald.

Maar wat als je het mis hebt en de koers stijgt? Dan zit je in de problemen. Wanneer je een aandeel koopt, loopt je altijd het risico dat je de volledige aankoopprijs zult verliezen – maar nooit méér dan dat. Bij short selling is er, als je ongelijk blijkt te hebben, geen vooraf bepaalde limiet aan wat je kunt verliezen als de koers blijft stijgen. En als de koers blijft stijgen, zal je makelaar meer onderpand eisen in de vorm van echt geld. Je hebt dan de keuze tussen opgeven – je shortpositie afdekken en je verlies nemen – of meer onderpand in een verliesgevende positie blijven steken, in de hoop dat de zaken tenslotte in je voordeel zullen veranderen.

Terug naar GameStop. In augustus vorig jaar begon belegger Ryan Cohen, die de online dierenvoedingshandel Chewy oprichtte en met een mooie winst verkocht, GameStop-aandelen te kopen. Hij zei tegen het bedrijf dat het mee moest gaan met het digitale tijdperk, veel winkels moest sluiten en online moest gaan. Beleggers, die een betere toekomst verwachtten voor de kwakkelende detailhandelaar, kochten de aandelen, waardoor de koers eind november verdrievoudigd was. Dat was wellicht ongerechtvaardigd optimisme, maar niet buitensporig. Maar sommige hedgefondsen, met name Melvin Capital Management, begonnen GameStop te shorten, omdat ze dachten dat de verhalen over het herstel niet klopten.

En toen verschenen de habitués van subreddit Wall Street Bets ten tonele, met een gebruiker die bekend is onder de naam DeepFuckingValue als een van de aanvoerders, die het aandeel begonnen op te hemelen en aandelen begonnen te kopen. Ze werden niet alleen gemotiveerd door het vooruitzicht om geld te verdienen, maar ook door het plezier (de ʻlulzʼ) van het failliet laten gaan van een paar hedgefondsen. Ze begonnen het aandeel in grote hoeveelheden op te kopen. De daaropvolgende koersstijging dwong shorters zoals Melvin om zich in te dekken. Hun vraag naar het aandeel deed de koers exploderen.

GameStop is daardoor een van de grootste zeepbellen van onze tijd geworden. Op dinsdag 26 januari werden er meer aandelen van GameStop verhandeld dan van Apple, het duurste bedrijf ter wereld, met een totale marktwaarde die 108 keer hoger ligt dan die van de detailhandelaar. Zoals James Mackintosh van de Wall Street Journal het formuleerde, duiden de koersstijging en het handelsvolume samen op ʻwijdverspreide verstoringen van het oordeelsvermogen van mensen.ʼ

Zeepbellen zoals deze eindigen altijd in een crash, en de Reddit-gebruikers die hun aandelen nog niet verkocht hebben zullen achterblijven met een lege portemonnee. (Verrassend genoeg lijkt het nieuws dat Melvin zijn short-positie op de avond van dinsdag 26 januari heeft afgewikkeld de feestelijkheden niet te hebben getemperd. Een zeepbel houdt meestal veel langer aan dan de meeste rationalisten kunnen voorspellen). Intussen is het grappig om sommige Wall Streeters te zien klagen dat er iets oneerlijks in deze actie schuilt, omdat dit het soort spelletjes is dat zijzelf voortdurend met elkaar en met het grote publiek spelen. Ze praten aandelen omhoog of omlaag, afhankelijk van hun belangen, en spannen voortdurend samen tegen wat zij zien als zwakke of kwetsbare spelers. De speculanten met namen als DeepFuckingValue, die hen nu pijn laten lijden, zijn in hun ogen alleen het verkeerde soort mensen, want ze wonen niet in Greenwich, in een huis met een garage voor twintig autoʼs.

Nog amusanter zijn de serieuze types die denken dat deze spelletjes op de een of andere manier de werking van de aandelenmarkt verstoren. Zoals columnist Josh Barro van Business Insider op Twitter verklaarde: ʻIk weet dat mensen denken dat dit leuk is, maar – waarom hebben we een aandelenmarkt? Zodat productieve bedrijven kapitaal kunnen ophalen om nuttige dingen te doen. Als de aandelenprijs losgekoppeld is van de fundamentele waarde (Gamestop is nu bijna evenveel waard als Best Buy), dienen de markten de reële economie slechter.ʼ

Wat grappig is aan deze opmerkingen, afgezien van hun serieusheid temidden van alle kolder, is dat de aandelenmarkt bijna niets te maken heeft met het aantrekken van geld voor productieve investeringen. Bijna alle aandelen die op de markt verhandeld worden, inclusief die van GameStock, zijn al jaren geleden uitgegeven, wat betekent dat bedrijven geen dubbeltje van de dagelijkse aandelenhandel zien. Bedrijven geven af en toe aandelen uit, bij zogenaamde beursintroducties (IPOʼs), maar volgens de data van hoogleraar financiën Jay Ritter hebben IPOʼs de afgelopen twintig jaar in totaal 657 miljard dollar opgebracht, nog geen 2 procent van de totale bedrijfsinvesteringen in zaken als gebouwen en apparatuur in diezelfde periode. In tegenstelling tot Barroʼs voorstelling van zaken financieren bedrijven in de echte wereld bijna al hun investeringsmiddelen intern, via de winst. In plaats van geld bij de aandeelhouders op te halen, bezorgen bedrijven die aandeelhouders juist grote hoeveelheden geld. Sinds 2000 hebben de vijfhonderd grote bedrijven die samen de Standard & Poor’s 500-index vormen, 8,3 biljoen dollar uitgegeven aan het opkopen van hun eigen aandelen om de koers ervan op te drijven – ruim de helft van hun winst in die periode, en gelijk aan bijna 20 procent van de bedrijfsinvesteringen in die twee decennia. Het terugkopen van aandelen maakt niet alleen de aandeelhouders gelukkig, maar vult ook de salarissen van de CEOʼs aan, aangezien bazen tegenwoordig voornamelijk in aandelen worden betaald.

Afgezien van de ʻlulzʼ is dit drama, net als de schijnbaar eindeloze stijging van de aandelenkoersen sinds 2009, die slechts kort werd onderbroken door de COVID-19-paniek van afgelopen maart, een teken van een financieel systeem dat totaal geen voeling meer heeft met de economische realiteit. Biljoenen aan overheidssteun aan bedrijven en injecties van de Federal Reserve (het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken) in de financiële markten hebben een monsterlijke geldstroom op gang gebracht, die nergens anders heen kan dan naar speculatieve activa, op een moment dat de ICʼs overbelast zijn en 24 miljoen mensen aan enquêteurs van het Census Bureau vertellen dat ze moeite hebben om genoeg te eten te krijgen. Barro zou er beter aan doen zich dáár zorgen over te maken.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie

De echte les van het GameStop-verhaal is de kracht van de zwerm

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 30 januari 2021

fotografie: Advaya

door Brett Scott

Brett Scott is een voormalig beursmakelaar en de auteur van The Hereticʼs Guide to Global Finance

Toen ik nog in de financiële wereld werkte, was het een veelgehoorde grap dat daghandelaren – kleine ʻretail-tradersʼ – als kevers de stront uitpluizen van de grote fondsen die de echte drijvende kracht achter de markten zijn. Zij bevinden zich in een zwakke positie, gezien hun gebrek aan kapitaal en coördinatie, maar een hele industrie van ʻretail brokersʼ (kleine beursmakelaars) – tegenwoordig geïllustreerd door bedrijven als Robinhood – is bedoeld om de mythe van hun heldenstatus te cultiveren.

Dat is de reden dat het GameStop-verhaal opvalt. In zijn boek Liarʼs Poker beschreef voormalig Wall Street-broker Michael Lewis machtige handelaren die voor grote investeringsbanken werken als ʻbig swinging dicksʼ (grote zwaaiende lullen), maar de aantrekkingskracht van de GameStop-saga vloeit voort uit het feit dat een zwerm ʻkleine zwaaiende lullenʼ zich schijnbaar heeft verenigd tot één gigantische zwaaiende lul die de zwaartekracht trotseert om de koers van een aandeel ver boven de werkelijke onderliggende waarde te laten uitstijgen.

Aandelenhandelaren zijn er in twee soorten. De eerste soort bestaat uit detectives, die het bedrijf waar een aandeel betrekking op heeft bestuderen, een proces dat ʻfundamentele analyseʼ wordt genoemd. De tweede soort doet aan ʻtechnische analyses,ʼ waarbij ze de acties bestuderen van degenen die aan fundamentele analyses doen. Daghandelaren zijn berucht om hun voorkeur voor technische analyses, omdat ze geen toegang hebben tot bedrijven of analistenteams, en dus gedwongen zijn op fora samen te komen om grafieken te bespreken die de acties van andere handelaren weergeven.

Dit is waar veel marktsurrealisme ontstaat, want het blijkt dat al die grafieken waar technische handelaren naar kijken ook de acties weerspiegelen van andere technische handelaren. Als handelaren naar handelaren kijken die naar handelaren kijken, in plaats van naar het bedrijf in kwestie, komt de markt in een schemerzone terecht.

Dat is gebeurd in het geval van GameStop. De aandelenkoers heeft zich bijna volledig losgemaakt van het bedrijf zelf, maar iedereen is zich daar door een merkwaardige speling van het lot bewust van geworden, en in plaats van zich terug te trekken hebben beleggers dit feit met nihilistische uitbundigheid omarmd. De stijging van de aandelenkoers van GameStop stond symbool voor pure ʻirrationaliteitʼ – alles wat volgens de economieboeken niet zou mogen gebeuren. Daarom lijkt het zo symbolisch. Maar waar is het een symbool van?

Een populaire interpretatie op dit moment is dat het om een David-en-Goliath-achtig gevecht gaat tegen hedgefondsen die hebben ingezet op een daling van de aandelenkoers door middel van ʻshorten.ʼ Beschouw shorters als mensen die kaartjes voor een concert lenen, die aan de deur verkopen aan mensen die proberen binnen te komen, vervolgens aan iedereen vertellen dat het theater in brand staat, om daarna buiten te wachten om ze tegen een uitverkoopprijs terug te kopen, alvorens ze weer terug te geven aan de oorspronkelijke eigenaren en er met de winst vandoor te gaan.

In dit geval stonden de shorters ʻaan de theaterdeur te wachtenʼ om de GameStop-aandelen te kopen waarop ze ʻshort waren gegaanʼ (waartegen ze hadden gespeculeerd). Citron, het hedgefonds dat in dit verhaal verwikkeld is geraakt, maakt fundamentele analyses alvorens short te gaan en verspreidt het nieuws vervolgens luidkeels onder technische handelaren, in de hoop dat zij naar de uitgang zullen vluchten. Maar om een of andere reden besefte de kudde nu echter dat Citron en vele andere short-sellers stonden te popelen om de aandelen terug te kopen, en in plaats van zich naar de uitgang te haasten om hen in staat te stellen te cashen, trokken ze zich terug en sloten ze zichzelf in het theater op, wetende dat de short-sellers zich uiteindelijk ʻhet theater inʼ zouden moeten haasten om de aandelen terug te kopen, wat tot een zogeheten short squeeze zou leiden.

Het GameStop-verhaal is interessant, omdat het door memes werd aangedreven. De daghandelaren hebben gebruik gemaakt van de gilde-achtige, tribale structuren van Reddit en de gemeenschap van gamers om zichzelf te transformeren in die ʻreusachtige zwaaiende lulʼ die zich te weer stelt tegen de grote lullen van de hedgefondsen.

Lul-metaforen zijn toepasselijk, omdat de daghandel altijd een rijk van mannenbroeders is geweest, en hierin ligt nóg een mogelijke interpretatie van de gebeurtenissen besloten. Vroeger maakte de industrie van retail brokers bijna uitsluitend gebruik van machobeelden om mannelijke handelaren op pad te sturen om de markten te bevechten, maar sommige platforms die centraal staan in het GameStop-verhaal zijn een beetje anders. Robinhood was een van de eerste ʻwokeʼ-handelsapps, gericht op millennials. Die speelde in op een emo-versie van het ʻbullshit jobsʼ-verhaal, dat zegt dat je baan zinloos is: stop met werken voor de man en word zelf de Man, door naadloos kleine stukjes van allerlei bedrijven op te kopen.

De laatste jaren is er een spervuur van artikelen verschenen over het populisme van boze mannen aan wie allerlei dingen zouden zijn beloofd. Die verhalen zijn meestal metaforisch – er is niet echt iets beloofd – maar als het op daghandel aankomt, zijn ze heel letterlijk: de industrie van retail brokers belooft letterlijk ontsnapping aan de sleur, door mannen te vertellen dat ze voorbestemd zijn voor grootse marktprestaties.

Deze industrie wordt echter niet voor niets ʻretailʼ genoemd: grote spelers willen niets te maken hebben met de kleine man. Zij vertrouwen erop dat de retail-firmaʼs de daghandelaren in gesloten ecosystemen opsluiten waarin ze elkaar kunnen bevechten, terwijl die retail-firmaʼs vergoedingen en rentebetalingen opstrijken, alvorens ze het resterende risico op de feitelijke markten onderbrengen.

GameStop zou wel eens een reactie kunnen zijn tegen de zinloosheid van de daghandel. In plaats van je te behoeden voor bullshit jobs is die daghandel zelf een bullshit job, en de enige manier om er tijdelijk mee te winnen is niet door jezelf in de strijd te gooien tegen ʻde markt,ʼ maar door samen te werken in een zwerm.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie

Het sprookje van GameStop is levensgevaarlijk

Oorspronkelijke tekst (Engels): The New Yorker, 28 januari 2021

fotografie: Institute for New Economic Thinking

door John Cassidy

John Joseph Cassidy (geboren in 1963) is een Amerikaanse journalist die stafschrijver is bij The New Yorker. Hij is de auteur van Dot.con: The Greatest Story Ever Sold en How Markets Fail: The Logic of Economic Calamities.

Na het sluiten van de beurs op woensdag 27 januari werd er flink feest gevierd op r/WallStreetBets, het Reddit-messageboard dat populair is bij kleine beleggers die hebben geboden op de aandelen van GameStop, een videogame-retailer die hard is getroffen door de coronavirus-pandemie. Een paar weken geleden werd het aandeel verhandeld voor nog geen twintig dollar. Sindsdien is de koers sterk gestegen, en op woensdag schoot hij ruim honderd procent omhoog, om te sluiten op 347,51 dollar, na het nieuws dat een paar short-sellers – Wall Street-handelaren die gokken op dalende aandelenkoersen – hun negatieve weddenschappen hadden afgewikkeld en grote verliezen hadden geleden. ʻDit is groter dan wij allemaal. Als we klaar zijn met GMEʼ – het aandelensymbool voor GameStop – ʻhalen we heel fuxking Wallstreet onderuit! Get Fxked!,ʼ schreef een Reddit-gebruiker, gebruikmakend van een kortere versie van de denigrerende aanduiding die veel Reddit-gebruikers op ironische wijze op zichzelf toepassen. Een ander schreef: ʻDe markt is gesloten, jongens, haal wat frisse lucht binnen en eet wat groenten. Morgen is er weer een grote dag.ʼ

Er spelen hier twee verhalen door elkaar. Het verhaal dat de aandacht heeft getrokken van iedereen, van Elon Musk tot Congreslid Alexandria Ocasio-Cortez, is een David en Goliath-verhaal, waarin de beleggers in GameStop worden gezien als underdogs die strijden tegen de reuzen van Wall Street. Door zich te verenigen zijn de day-traders er onlangs in geslaagd enkele slecht presterende aandelen, zoals GameStop, Blackberry en AMC Entertainment Holdings, op te krikken en daardoor enkele short-sellers te verslaan. ʻIndividuele beleggers zijn aan de winnende hand – althans voorlopig – en genieten ervan,ʼ aldus de Wall Street Journal.

Er zijn genoeg redenen om boos te zijn op Wall Street. Maar wat voor soort overwinning was dit? Donderdagochtend kelderde de koers van GameStop met vijftig procent, nadat TD Ameritrade en Robinhood, de populaire beurs-app, beleggers de mogelijkheid hadden ontnomen om in bepaalde aandelen te handelen. Het aandeel bleef verhandeld worden op andere platforms, en de koers veerde vervolgens weer op – rond het middaguur werd het aandeel tegen een koers van ruim tweehonderdvijftig dollar verhandeld. Toch zaten sommige mensen die woensdag hadden ingekocht met aanzienlijke verliezen, die wel eens groter zouden kunnen worden als ze niet snel verkopen. (Vóór de afgelopen paar weken was GameStops all-time high ongeveer zestig dollar). Een gebruiker van Reddit zei: ʻIK HEB GEEN GELD MEER, BEN 50 PROCENT GEZAKT, EN PROBEER ME STAANDE TE HOUDEN. WIJ GAAN WINNEN, JONGENS!!!ʼ

Het grotere verhaal is dat de Amerikaanse aandelenmarkt in de greep is van wat Charles Mackay, een negentiende-eeuwse historicus van financiële manieën, ʻde waanzin van de massaʼsʼ heeft genoemd. De GameStop short squeeze staat niet op zichzelf. Al bijna een jaar lang bieden beleggers aandelen in bedrijven als Tesla, Shopify en Snap op tot koersen die weinig verband meer houden met de werkelijke winstvooruitzichten van de onderliggende bedrijven. En het zijn niet alleen kleine beleggers die aan deze waanzin hebben deelgenomen. Naast de short-sellers, die relatief gering in aantal zijn, hebben veel professionele beleggers het speculatieve spel meegespeeld, ook al weten ze dat het waarschijnlijk slecht zal aflopen.

Bijna twintig jaar geleden schreef ik een boek getiteld ʻDot-Con: How America Lost Its Mind and Money in the Internet Era.ʼ Tussen januari 1998 en maart 2000 organiseerden honderden nieuwe internet-startups een beursgang, en de koersen van veel van deze bedrijfjes schoten omhoog. In dezelfde periode stegen de koersen op de Nasdaq-beurs, waar veel van deze aandelen verhandeld werden, met ongeveer honderdtwintig procent, en gingen grote aantallen gewone Amerikanen aan daghandel doen om geld te verdienen. Het is deze keer nog niet zo ver doorgeslagen. Maar vergis je niet: we zijn al een aardig eind op weg. Sinds medio maart dit jaar, toen de eerste golf van het coronavirus woedde, zijn de koersen op de Nasdaq met bijna honderd procent gestegen, ondanks een diepe recessie. (Onlangs heeft het ministerie van Handel bekendgemaakt dat het bruto binnenlands product in 2020 met 3,5 procent is gedaald, de grootste daling sinds 1946). In de afgelopen twaalf maanden zijn er meer I.P.O.ʼs geweest dan in welke periode ook sinds 1999, en is de daghandel opnieuw populair geworden. Wat dat laatste betreft, is het belangrijkste verschil deze keer technologisch van aard. Dankzij handelsapps zoals Robinhood, en de afschaffing van commissiekosten voor veel online-aandelenhandel, kunnen mensen van minuut tot minuut speculeren terwijl ze thuis op de bank zitten, in plaats van gebruik te moeten maken van commerciële handelsfaciliteiten, zoals eind jaren negentig het geval was.

Voortbouwend op het werk van de econoom Hyman Minsky en de economisch historicus Charles Kindleberger kunnen we zeggen dat bijna alle speculatieve manieën in vier fasen verlopen: verandering, hausse, euforie, en crash. Een verandering doet zich voor als de verwachtingen van de mensen over hun toekomst een wijziging ondergaan. In dit geval heeft de pandemie de thuisblijf-economie gecreëerd en de Federal Reserve (de Fed, het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken) ertoe aangezet de kortetermijnrente tot bijna nul te verlagen en biljoenen dollars in de financiële markten te pompen, via een beleid dat bekend staat als kwantitatieve versoepeling. Sinds maart zitten we in een periode van hoogconjunctuur, waarbij de prijzen de hoogte in schieten, scepsis plaats maakt voor hebzucht en steeds meer mensen zich op een opgeblazen markt storten.

Copycat-gedrag ligt ten grondslag aan speculatieve bubbels. Zien hoe anderen schijnbaar makkelijk geld verdienen is de beste manier om mensen ertoe te bewegen risicoʼs te nemen die ze niet volledig begrijpen. ʻIn een laat stadium heeft speculatie de neiging zich los te maken van echt waardevolle objecten en zich te richten op misleidende objecten,ʼ schreef Kindleberger in zijn boek ʻManias, Panics and Crashesʼ uit 1978. ʻEen steeds grotere groep mensen probeert rijk te worden zonder echt inzicht in de processen die hiermee gepaard gaan.ʼ Sommige mensen die aandelen in GameStop hebben gekocht, gaven blijk van een verfijnd begrip van de mechanismen van een short squeeze. Maar alle publiciteit heeft ook veel nieuwelingen aangetrokken. ʻNet twee aandelen gekocht, mijn eerste belegging ooit, en ik voel me ziek maar opgewonden; ik heb steun nodig,ʼ schreef een Reddit-gebruiker. Twee anderen antwoordden: ʻHoud ze vast en geniet ervan,ʼ en ʻIk ben er voor je, broeder.ʼ Dit soort hand-holding is een van de nieuwe aspecten die de huidige technologie heeft voortgebracht. Maar er is absoluut geen reden om te denken dat dit zal kunnen voorkomen dat deze episode van speculatie eveneens zal eindigen in een kostbare crash.

Een van de lessen van het dot-com tijdperk is dat deze afrekening langer op zich kan laten wachten dan je zou denken. Toen de dotcom-zeepbel eind jaren negentig werd opgeblazen, waarschuwden sommige analisten op Wall Street dat die aandelen overgewaardeerd waren en gingen sommige professionele beleggers short. Maar toen de koersen bleven stijgen, verloren veel sceptici hun baan of vielen ze stil. Uiteindelijk kozen veel beleggers, waaronder enkele grote hedgefondsen, eieren voor hun geld en probeerden ze ook mee te surfen op de zeepbel. Iets soortgelijks lijkt nu te gebeuren – en dan heb ik het niet alleen over de hedgefondsen die hun shorts in GameStop hebben afgewikkeld. Veel grote institutionele beleggers profiteren nu al maandenlang van de opmerkelijke koersstijging van tech-aandelen als Amazon, Apple en Tesla – ondanks de duidelijke risicoʼs van het beperken van hun portefeuilles tot een klein aantal winnaars.

De afgelopen vijftig jaar stond de gemiddelde koers-winstverhouding voor aandelen in de S&P500-index op ongeveer negentien. Bij de opening van de beurs op donderdag 28 januari werd Amazon gewaardeerd op vijfennegentig keer de verwachte winst, Apple op achtendertig keer de verwachte winst en Tesla op ongeveer dertienhonderdzeventig keer. Geloven al die goedbetaalde fondsbeheerders nu echt dat dit veilige beleggingen zijn? Vermoedelijk niet, maar het momentum achter deze aandelen is fenomenaal geweest. Als je probeert de marktindex op kwartaal- of jaarbasis te verslaan – zoals veel professionele beleggers doen – kan het een fatale stap zijn om deze hoogvliegers te mijden, hoe overgewaardeerd ze ook mogen lijken te zijn op basis van deugdelijkere conventionele maatstaven. Dus je blijft maar kopen in de hoop dat je eruit zult kunnen stappen vóórdat de koersen onderuit gaan. Dit is de eigenaardige logica van het collectieve handelen die ik in het verleden ʻrationele irrationaliteitʼ heb genoemd.

De spreekstalmeester van dit circus is de Federal Reserve, die primair verantwoordelijk is voor het monetaire en regelgevende klimaat waarin beleggers – amateurs en professionals – opereren. Maar vandaag doet de Fed, net als eind jaren negentig, zijn uiterste best om niet meer dan een toeschouwer te lijken. Tijdens een persconferentie op woensdag 27 januari, na een vergadering van het beleidscomité van de centrale bank, weigerde Jerome Powell, de voorzitter van de Fed, specifiek commentaar te geven op GameStop. Meer in het algemeen zei hij: ʻAls je kijkt naar wat de koersen de laatste maanden echt heeft aangejaagd, dan is dat niet het monetaire beleid.ʼ Powell zei ook dat de Fed niet overweegt om de marge-vereisten, die de hoeveelheid geld beperken die beleggers van beursmakelaars mogen lenen, te verhogen om speculatie de kop in te drukken.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Powell overtuigend klinkende redenen heeft om een afwachtend beleid te voeren. Nu het land nog steeds gebukt gaat onder het virus en veel mensen zonder werk zitten of anderszins met financiële problemen kampen, willen hij en zijn collega’s zoveel mogelijk steun bieden voor het aantrekken van personeel en het doen van uitgaven. Als zij iets zouden zeggen of doen dat de aandelenmarkt kan afremmen, zouden hun acties een negatief effect kunnen hebben op de rest van de economie, althans op de korte termijn.

Powells bedoelingen mogen dan eerbaar zijn, zijn bewering dat het beleid van de Fed de speculatieve activiteiten niet heeft gevoed, is niet geloofwaardig – en waarschijnlijk ook niet houdbaar. Zoals Powells voorganger Alan Greenspan in het dot-com tijdperk heeft ontdekt, hebben speculatieve bubbels de neiging een eigen leven te gaan leiden. Hoe langer ze worden opgeblazen, des te groter de uiteindelijke ineenstorting, en des te meer negatieve gevolgen er zullen zijn voor de economie – en voor de Amerikanen in het algemeen. Als de voorzitter van de Fed niet nóg meer toekomstige problemen voor ons allemaal wil veroorzaken, zou hij er goed aan doen meer aandacht te besteden aan Reddit.

Vertaling: Menno Grootveld