Categorieën
Economie Politiek

Afwijzing corona-bonds lijdt tot permanente littekens

Oorspronkelijke tekst (Engels): Social Europe, 13 april 2020

fotografie: Radio open source

door Adam Tooze

Adam Tooze is een Brits historicus die hoogleraar is aan de Columbia Universiteit en directeur is van het European Institute. Hij is de auteur van Crashed: How a Decade of Financial Crises Changed the World (de Nederlandse vertaling verscheen in 2018 bij Spectrum)

Het is een wrede speling van het lot dat de COVID-19-crisis de fundamentele breuklijn in de eurozone tussen noord en zuid heeft blootgelegd. Het daaruit voortvloeiende debat over de vraag hoe we een gezamenlijk antwoord kunnen formuleren is bitter geweest.

Het voorlopige compromis dat op 9 april jl. door de ministers van Financiën op de bijeenkomst van de Eurogroep werd bereikt, was een opluchting. Het zou rampzalig zijn geweest als de Eurogroep voor de tweede keer binnen een week zonder akkoord uit elkaar zou zijn gegaan. Dat zou waarschijnlijk niet hebben geleid tot paniek op de obligatiemarkt – enorme interventies van de kant van de Europese Centrale Bank hebben die mogelijkheid voor dit moment geneutraliseerd. Maar in politiek opzicht zou het een vreselijk signaal van onenigheid hebben afgegeven.

Het drievoudige pakket – met financiering van de uitgaven aan de gezondheidszorg via het Europees Stabiliteits Mechanisme (ESM), leningen voor bedrijven van de Europese Investeringsbank en 100 miljard euro voor het werkloosheidsfonds van de Europese Commissie – is bescheiden in omvang. Het is teleurstellend voor degenen onder ons die het idee van de ʻcorona-bondsʼ steunen. Maar het is wel een opluchting dat het een compromis was, in plaats van een vernederende nederlaag voor de coalitie van negen voorstanders van corona-bonds, toegebracht door het koppige en kortzichtige egoïsme van de Nederlanders en de Duitsers.

In politiek opzicht hebben de Nederlanders hun zaak misschien wel meer kwaad dan goed gedaan met hun eis dat ESM-leningen afhankelijk moeten worden gesteld van structurele aanpassingen (lees: bezuinigingen). In plaats van als bondgenoten van de Nederlanders worden de Duitsers nu namelijk liever gezien als bemiddelaars.

Bekentenis van onvermogen

In verhouding tot de omvang van de huidige crisis is het akkoord, zelfs als we het royale bedrag van 540 miljard euro voor het steunpakket in aanmerking nemen, een bekentenis van Europees onvermogen. In het licht van de klap van een biljoen dollar voor de wereldeconomie komt de bescheiden omvang van het steunpakket neer op een bekentenis dat het primaat bij de bestrijding van de crisis nog steeds bij de natiestaten ligt.

Het beste dat erover kan worden gezegd is dat het een kader biedt voor verdere onderhandelingen. Er is de toezegging om een tijdelijk wederopbouwfonds in te richten, te financieren met ʻinnovatieve instrumentenʼ – wat dat betekent moet nog blijken. Helaas is er gezien onze ervaringen van de afgelopen weken weinig reden tot optimisme, tenzij zich in Nederland een regeringswisseling voordoet.

Als de onmiddellijke gezondheidscrisis voorbij is, als ʻallesʼ dat op het spel staat de ellende van massale werkloosheid in Spanje of een verdere schok voor de groeivooruitzichten van Italië is – waarom zouden we dan verwachten dat de noordelijke staten zich coöperatiever zullen opstellen dan ze sinds 2010 hebben gedaan? De verhouding tussen de staatsschuld en het bruto binnenlands product zal nog slechter worden. We mogen ervan uitgaan dat het discours over de houdbaarheid van de schuld en de begrotingsverantwoordelijkheid net zo meedogenloos zal zijn als altijd.

Natuurlijk mag je nooit ʻnooitʼ zeggen. Uit peilingen blijkt een openheid bij het Duitse publiek ten aanzien van corona-bonds, die door een creatief en dapper politiek leiderschap zou kunnen worden uitgebuit. De mening onder deskundigen is duidelijk omgeslagen; de breed gedragen oproep tot gezamenlijke actie van Duitse economen is nieuw en zeer welkom. Zowel in Duitsland als in Nederland schaamt een groot deel van het publiek zich blijkbaar voor het standpunt van hun regering.

De politieke ruzie is nog niet voorbij. Zij zal worden hervat als de regeringsleiders weer om de tafel gaan zitten. Toch is één ding nu al duidelijk: de crisisbestrijdingsvoorstellen op basis van het ESM zijn in de praktijk een dode letter. De weg naar het akkoord van 9 april kwam pas open te liggen toen de Nederlanders eindelijk afzagen van hun eis dat de belangrijkste vorm van steun ESM-leningen met harde voorwaarden moesten zijn. Maar zelfs in de afgezwakte vorm waarin dit in het huidige pakket is opgenomen is de vermelding van het ESM alleen al voldoende om in Italië verontwaardiging te wekken.

Kleingeestige bedoelingen

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het standpunt van de Nederlanders over het ESM niet abnormaal was. Wat zij vroegen was niet alleen trouw aan de letter, maar ook aan de kleingeestige bedoelingen die het ESM in de eerste plaats hebben doen ontstaan. Dat was altijd al bedoeld als een zware financiële oefening die zoveel mogelijk structurele aanpassingen zou vergen in ruil voor zo weinig mogelijk kredieten.

Maar het ESM bestond tenminste. En tot vorige week konden we nog doen alsof dat ertoe deed. Er zijn veel ingewikkelde en weinig kleingeestige ideeën voor een gezamenlijk antwoord op de corona-crisis geopperd, waarin werd voorgesteld om de financiering via het ESM te laten verlopen. Het ESM werd als instrument naar voren geschoven om de zeer goede reden dat het de enige faciliteit was die direct beschikbaar was.

Het ESM fungeert als ʻtriggerʼ voor een andere vermeende stabiliteitsvoorziening van de eurozone, de faciliteit voor rechtstreekse monetaire transacties (OMT) van de ECB. Dit OMT is in augustus 2012 ontstaan nadat de toenmalige bankpresident, Mario Draghi, zijn gewaagde uitspraak had gedaan over ʻwat ook maar nodig is.ʼ Een van de voorwaarden die de OMT aanvaardbaar maakte – misschien niet voor de Duitse Bundesbank, maar in ieder geval wél voor de regering van Angela Merkel – was de bepaling dat de aankoop van ECB-obligaties afhankelijk moest zijn van de aanvaarding door een land van een ESM-programma, compleet met een memorandum van overeenstemming.

Zelfs toen al was het voor iedereen die verder wilde gaan dan de woorden van Draghi duidelijk dat deze voorwaarden de kans op activering van het OMT zeer onwaarschijnlijk maakten. Toch was het handig om te doen alsof het OMT-ESM de inhoud behelste van ʻwat ook maar nodig is.ʼ Dit is nooit op de proef gesteld, omdat de ECB sinds 2015 obligaties is gaan kopen onder het mom van ʻkwantitatieve versoepeling.ʼ

Dat is wat de ECB in 2019 en in maart dit jaar als reactie op de coronavirus-crisis heeft gedaan. Dat waren algemene interventies in het kader van het economisch beleid, die zich richtten op de kwestie van de risicodeling en de asymmetrische gevolgen voor de sterkere en zwakkere leden van de eurozone. Op de achtergrond was er altijd de suggestie dat, als Italië echt in de problemen zou komen, er een beroep zou kunnen worden gedaan op het OMT.

Vijgenblad verwijderd

Door de impasse binnen de Eurogroep van de afgelopen weken is dit vijgenblad nu verwijderd. Wat nu duidelijk is geworden is dat het zeer onwaarschijnlijk is dat een beroep op het ESM aanvaardbaar is.

In wezen komt dit doordat het ESM zijn ontstaansgeschiedenis in de tumultueuze episode van de eurozone-crisis van 2010-2012 niet heeft weten te ontstijgen. Het wordt nog steeds gezien als een vernederend disciplinair instrument waarmee de landen uit de Noord-Europese eurozone hun beleidsagenda opleggen aan het eigenzinnige zuiden.

Het is makkelijk om dergelijke verwijzingen naar de geschiedenis ongeduldig te verwerpen. Natuurlijk komt het de politici in de Zuid-Europese landen met hoge schulden goed uit om hun problemen aan Brussel en Frankfurt te wijten. Maar geen van de huidige regeringen in Rome of Madrid kan worden beticht van populisme van dit slag. Beiden vragen juist om méér Europa en om een diepere integratie. Maar ze houden ook staande dat het ESM, als een instelling die de erfenis van de eurozone-crisis belichaamt, politiek vergif is.

Dit zou Europa tot nadenken moeten stemmen.

Blijvende littekens

Het is een van de grote waarheden van de Europese Unie dat zij ʻtijdens een crisis is gesmeed.ʼ Wat hierdoor onderbelicht blijft is dat een crisis ook blijvende littekens kan opleveren. Crises kunnen namelijk niet alleen misvormende sporen achterlaten, maar ook neuralgische punten die zelfs jaren later nog acute pijn veroorzaken. De eurozone-crisis is in het geheugen bijna verworden tot een Europese burgeroorlog – een moment in de geschiedenis dat verdeeldheid zaaiende verhalen genereert, waarvan het verdwijnen van de intensiteit niet te voorspellen valt.

Wat we de afgelopen weken hebben geleerd is dat het ESM, het aangewezen crisisbestrijdingsmechanisme van de eurozone, in deze verhalenoorlog verstrikt is geraakt. En dat heeft reële gevolgen.

Degenen die tegen corona-bonds waren, omdat dit niet het moment zou zijn voor zoʼn innovatie, en in plaats daarvan de voorkeur gaven aan op het ESM gebaseerde oplossingen, omdat dit mechanisme nu eenmaal al beschikbaar was, hebben de verkeerde keuze gemaakt. Het was de ESM-route die onrealistisch was, juist vanwege de associatie met het tijdperk van de eurozone-crisis. Een van de dingen die corona-bonds aantrekkelijk maken voor hun voorstanders is dat ze nieuw zijn en dus niet het odium van de bittere geschiedenis van de eurozone met zich meedragen.

Helaas wordt de geschiedenis voortdurend opnieuw geschreven en zullen de beladen debatten van de afgelopen weken zelf tot het erfgoed gaan behoren. Nu de Nederlanders en de Italianen hun hakken in het zand hebben gezet, zal het in de toekomst voor iedereen nóg moeilijker worden om de steun van het ESM in te roepen. Wat voor schok is ervoor nodig om een land zich dán nog tot het ESM te laten wenden? Wat slechts enkele weken geleden nog werd gezien als het institutionele raamwerk voor reële crisisbestrijding, is nu gereduceerd tot een soort betalingsmechanisme voor de gezondheidszorguitgaven, specifiek uitgesloten van iedere macro-economische stabilisatiefunctie.

Schade aangericht

Natuurlijk is er het nieuwe wederopbouwfonds, waarvan de details en de financiering nog moeten worden uitgewerkt. Misschien komt er iets vernieuwends uit voort. Maar niemand mag zich illusies maken over de schade die is aangericht sinds de lancering van het idee van de corona-bonds in maart.

Merkel en haar minister van Financiën, Olaf Scholz, hadden ongetwijfeld graag gezien dat de negen regeringsleiders de vraag nooit zo duidelijk en zo dringend hadden gesteld. Begrepen zij dan niet dat Berlijn wel ʻneeʼ moest zeggen? Zou het niet beter zijn geweest om gewoon door te modderen?

Misschien. Maar in de geschiedenis is er geen weg terug. Het voorstel kan niet ongedaan worden gemaakt. De vraag is gesteld, en er is antwoord gegeven. Dit zal onvermijdelijk een schaduw werpen. Europa kan er in de toekomst door worden ingehaald – op dezelfde manier dat de herinneringen aan 2010-12 het ESM dit voorjaar hebben ingehaald.

Dit artikel is een gezamenlijke publicatie van Social Europe en IPS-Journal

Vertaling Menno Grootveld

Categorieën
Economie Gezondheid

Fossiele brandstoffen geven COVID-19 vleugels

Oorspronkelijke tekst (Engels): Quartz, 16 april 2020

fotografie: IGK Humboldt-Universität

door On Barak

On Barak is universitair hoofddocent in de geschiedenis van het Midden-Oosten en Afrika aan de Universiteit van Tel-Aviv

We merken het verband tussen het coronavirus en olie pas op als de energiemarkten instorten. Maar uit de geschiedenis blijkt dat pandemieën sinds de 19e eeuw afhankelijk zijn geweest van fossiele brandstoffen om zich over de hele wereld te kunnen verspreiden.

Het nieuwe coronavirus en de snelle verspreiding van de ademhalingsziekte COVID-19 vormt hierop geen uitzondering. In feite gaat het ook bij deze pandemie om wereldwijde connectiviteit op basis van aardolie, die teruggaat tot de 19e eeuw.

De meeste mensen schenken slechts aandacht aan één kant van de vergelijking die het coronavirus en olie met elkaar verbindt – aan de gevolgen in plaats van aan de oorzaken: in dit perspectief zorgt een epidemie voor het sluiten van fabrieken, voor het stilleggen van de luchtvaart en het zeetransport, voor vertraging van de economische groei en voor vermindering van de vraag naar energie. Deze gevolgen resulteren in dalende olieprijzen en kunnen mogelijk leiden tot prijsoorlogen die de aandelenmarkten doen instorten. Terwijl we geobsedeerd zijn over wat het virus met onze lichamen en onze gemeenschappen kan doen, is het in verband met olie louter een economische abstractie. Zelfs als we de materiële aspecten van dit proces onder ogen zien, bevinden deze zich meestal ʻdownstreamʼ: dan gaat het om het verdwijnen van de luchtvervuiling boven Wuhan of om de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen als gevolg van de economische groeivertraging. We zijn – terecht – zó bezorgd geraakt over de klimaatverandering en zó onvergeeflijk verslaafd geraakt aan fossiele brandstoffen dat we het alleen maar opmerken als die er niet meer zijn – of in mindere mate.

Maar hoe zou een alternatief model, dat olie en dit nieuwe coronavirus met elkaar verbindt, er dan uitzien? Het zou vooral rekening houden met de werkelijke prijs van de met fossiele brandstoffen gestookte planetaire infrastructuren die sinds de 19e eeuw ziekteverwekkers verspreiden en klimaatverandering veroorzaken. Het coronavirus is geen noodkreet van de natuur om de opwarming van de aarde te laten stoppen. Het is eerder een symptoom van het systeem dat deze opwarming teweegbrengt – een reisziekte die aangeeft dat de op koolstof gebaseerde wereld die we hebben opgebouwd op meer manieren besmet is geraakt dan we willen toegeven.

Het terugbrengen van zowel de oliesector als de ziekte tot weinig meer dan economische krachten verdoezelt de andere kant van de vergelijking, waarin het virus een ding in de wereld is. Toch kan het beeld van het coronavirus als een diagnostische marker, die de slagaders van de kapitalistische mondialisering doorkruist, de kwalen van het systeem blootleggen. Wat een lokale besmetting op een ʻnatte marktʼ in Wuhan binnen enkele maanden wist te transformeren tot een pandemie, is een netwerk dat begint met grondtransport in de besmette gebieden en eindigt met zee- en luchtverbindingen – allemaal aangedreven door fossiele brandstoffen.

Het virus demobiliseert nu juist het systeem dat de verspreiding ervan mogelijk maakte. De duizelingwekkende snelheid van dit proces, en het feit dat het nog steeds aan de gang is, maken het moeilijk om het op waarde te schatten, en nóg moeilijker om conclusies te trekken. Dit is precies het punt waarop vroegere pandemieën ons kunnen helpen om na te denken over heden en toekomst.

Sinds de Spaanse griep van 1918 worden door epidemiologen vergelijkbare gevallen naar voren geschoven, waarbij de chemische of genetische gelijkenis van de ziekteverwekkers het belangrijkste criterium is. Maar om het belang van de materiële infrastructuur uit te kunnen pluizen, zijn de cholerapandemieën van de 19e eeuw wellicht veelzeggender. COVID-19 en cholera lijken weinig met elkaar gemeen te hebben: de eerste is een luchtweginfectie, en is meestal mild, de tweede is een ernstige ziekte die het spijsverteringsstelsel aantast. De ene ziekte wordt veroorzaakt door een virus, de andere door een bacterie; cholera verdwijnt in de winter en barst vooral in de lente en de zomer uit, terwijl sommige deskundigen hopen dat dit bij COVID-19 precies omgekeerd zal zijn. Cholera-epidemieën hebben de wereld geteisterd tijdens wat historici de eerste golf van de mondialisering noemen, die in het teken stond van de steenkool. Wat kunnen ze ons leren over de tweede golf, in het tijdperk van de olie en het nieuwe coronavirus?

Een kwantumsprong in de wereldwijde connectiviteit

Cholera was endemisch in Zuid-Azië, lang vóór de 19e eeuw, toen de ziekte volgens de historische canon de status van een pandemie bereikte. Door de ontwikkeling van nieuwe transportmiddelen zoals het stoomschip werd de besmettingsvector aanzienlijk ingekort. Cholera kan binnen 72 uur dodelijk zijn; in het verleden betekende dit dat besmette mensen niet heel ver konden reizen om de ziekte te verspreiden. Daardoor vernietigde de ziekte met andere woorden zijn eigen transmissieketen. Maar in het tijdperk van stoomschepen en van de ritmes die de afhankelijkheid van steenkool met zich meebracht – anders dan bij zeilschepen, die lange tijd op open zee konden doorbrengen – moesten deze schepen ongeveer één keer per week ergens aanmeren om steenkool in te slaan. Zo konden passagiers de oceaan oversteken en anderen besmetten voordat de cholera hén doodde.

Tussen 1817 en 1896 braken er vijf cholera-epidemieën uit, die de ziekte naar het Midden-Oosten, Afrika, Europa en Amerika brachten. Het nieuwe coronavirus tilt dit principe van snelle connectiviteit naar een nieuw niveau: de burgerluchtvaart in China is de snelst groeiende sector en zal naar verwachting binnen enkele jaren de grootste ter wereld worden. Tussen 1978 en 2016 is het aantal Chinese luchtreizigers gestegen van 2 miljoen naar 500 miljoen. Sinds de uitbraak van de SARS-epidemie in 2002-2003 is het lucht- en grondvervoer binnen China enorm toegenomen, volgens sommige schattingen met ongeveer 700%. Vandaag de dag kunnen mensen die besmet zijn met COVID-19 de wereld rondreizen en ziektekiemen verspreiden, zelfs zonder te weten dat ze besmet zijn, aangezien de incubatietijd langer is dan hun reistijd. Anders gezegd: het ding dat de snelle verspreiding van COVID-19 mogelijk maakt, is het planetaire transport dat op fossiele brandstoffen draait.

Het niet-seizoensgebonden reizen

Anders dan zeilschepen konden stoomboten zelfs de Indische Oceaan trotseren tijdens de afschrikwekkende zomermoesson, die samenviel met het hoogseizoen van de cholera. Wat dit mogelijk maakte was een nieuwe, vervoerbare energiebron, die onderdeks kon worden opgeslagen, waardoor de afhankelijkheid van de wispelturige wind en de seizoenen werd verbroken. Vóór de 19e eeuw konden noch steenkool noch de cholera de oceanen oversteken. Door de opkomst van het stoomschip gingen ze allebei de hele wereld over.

De mondiale carbonisatie begon op de Britse eilanden en verspreidde zich naar het Ottomaanse Rijk, India, China en elders, en nam meerdere invasieve soorten – van bepaalde weekdieren tot cactusvijgen en cholera-bacteriën – met zich mee.

Fossiele brandstoffen maakten de seizoensgebondenheid min of meer irrelevant voor reizen, en faciliteerden de verplaatsing tussen koude en warme plaatsen in een gesloten systeem van bubbels, waarin luchthavens met elkaar verbonden zijn als een soort kunstmatige archipel die de makkelijke verspreiding van ziektekiemen mogelijk maakt, hetgeen tot een pandemie van de huidige omvang kan leiden.

Hoe de kapitalistische economische ideologie olie op het vuur gooit

Bijna zodra de eerste cholera-epidemieën uitbraken, probeerden verschillende actoren in het onderling verbonden systeem dat hun verspreiding bevorderde – zoals de Ottomaanse gezondheidsautoriteiten – ze met quarantaine-maatregelen te bestrijden. Dit was een beproefd middel om epidemieën aan te pakken (het woord ʻquarantaineʼ komt uit het Venetiaanse dialect en duidde de veertig dagen aan dat een schip tijdens de pest moest worden geïsoleerd). Toch stuitte deze maatregel op hevig verzet, vooral vanuit Groot-Brittannië, in naam van de vrije handel en het vrije verkeer. De huidige verwoording van de tegenstelling tussen het eigendomsrecht en het recht om te leven is ontstaan in de 19e eeuw. Rond het midden van die eeuw was het zogenoemde natuurlijke recht om nieuwe markten te openen aanleiding voor de opiumoorlogen, die werden gevoerd om China te dwingen de vrije handel in opium toe te staan, zodat Groot-Brittannië zijn betalingsbalans kon verbeteren. Wat de introductie van het verslavende goedje mogelijk maakte, was een nieuw soort vaartuig, de SS Nemesis – de eerste stoomboot die de Indische Oceaan overstak en de boten die in de ondiepe rivierbeddingen van China op haar lagen te wachten, wegvaagde. Opium- en steenkoolverslaving vermengden zich met elkaar en besmetten China, dat zich sindsdien alleen maar van de eerste verslaving heeft kunnen verlossen. De aarzeling van de VS om zijn grenzen te sluiten en een quarantaine af te dwingen die de Amerikaanse economie zou kunnen schaden, lijkt te zijn gebaseerd op de Britse imperiale vrijhandelsideologie.

Als het verleden het heden is

De duidelijke gelijkenis tussen cholera en COVID-19, en tussen steenkool en olie, is niet toevallig. Ondanks de alomtegenwoordige veronderstelling dat cholera en steenkool relikwieën uit het verleden zijn, zijn we blijven hangen in het tijdperk van de steenkool en de daarmee gepaard gaande mentaliteit. En zoals blijkt uit de uitbraak in 2018 in Jemen is cholera helemaal nog niet uitgeroeid. In 2019 heeft de mensheid meer steenkool verbrand dan op enig ander moment in de geschiedenis. China is de wereldleider op het gebied van kolencentrales. In plaats van alle verhalen over het uitroeien van oude ziekteverwekkers of over energietransities van steenkool naar olie en misschien zelfs naar een toekomst zonder olie, en ondanks het feit dat het aandeel van steenkool in onze energieconsumptie relatief gezien afneemt (en dat we een relatieve immuniteit voor veel ziekteverwekkers hebben opgebouwd), zien we in absolute termen een intensivering van de winning en het gebruik van steenkool. En we zijn nu ook weer getuige van de opkomst van nieuwe virulente ziekteverwekkers, bijna jaarlijks.

Zoals we hebben gezien is olie in veel opzichten vergelijkbaar met steenkool. In al deze opzichten bevinden we ons nog steeds diep in de 19e eeuw.

Vertaling Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Technologische ‘oplossingen’ voor de coronavirus-epidemie maken de surveillance-staat sterker

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 15 april 2020

fotografie: Università della Svizzera italiana

door Evgeny Morozov

Evgeny Morozov is de auteur van The Net Delusion: The Dark Side of Internet Freedom. Hij is gast-onderzoeker aan de Stanford Universiteit en een Schwartz-fellow bij de New America Foundation.

Binnen een paar weken heeft het coronavirus de mondiale economie op slot gegooid en het kapitalisme op de intensive care doen belanden. Veel denkers hebben de hoop uitgesproken dat dit zal leiden tot een humaner economisch systeem; anderen waarschuwen dat de pandemie een zwartere toekomst zal inluiden van techno-totalitaire surveillance-staten.

De achterhaalde clichés uit 1984 van George Orwell zijn niet langer een betrouwbare gids voor wat ons te wachten staat. En het hedendaagse kapitalisme is sterker – en merkwaardiger – dan zijn critici denken. De talloze problemen vertegenwoordigen niet alleen even zovele nieuwe manieren om winst te maken, ze versterken ook de legitimiteit ervan – omdat de enige redding zal moeten komen van figuren als Bill Gates en Elon Musk. Hoe erger de crises, des te sterker de verdedigingslinies: dit is zeker niet de manier waarop het kapitalisme aan zijn einde komt.

Maar de critici van het kapitalisme hebben we gelijk als ze COVID-19 beschouwen als een bevestiging van hun waarschuwingen. Het virus heeft het bankroet aangetoond van de neoliberale dogmaʼs van privatisering en deregulering – door ons te laten zien wat er gebeurt als ziekenhuizen winst moeten maken en publieke diensten worden uitgehold door bezuinigingen. Maar het kapitalisme overleeft niet alleen dankzij het neoliberalisme: het laatstgenoemde speelt louter de rol van de bad cop, door staande te houden – in de beroemde woorden van Margaret Thatcher – dat ʻer geen alternatief is.ʼ

De good cop in dit drama is de ideologie van het ʻsolutionisme,ʼ dat zijn oorsprong in Silicon Valley is ontstegen en nu het denken van onze heersende elites bepaalt. In zijn eenvoudigste vorm houdt het in dat – omdat er geen alternatief is (of geen tijd of geen geld) – het beste wat we kunnen doen het plakken van digitale pleisters op de kapitalistische wonden is. Solutionisten zetten technologie in om de politiek uit de weg te gaan; zij bepleiten ʻpost-ideologischeʼ maatregelen die de wielen van het mondiale kapitalisme draaiende houden.

Na decennia van neoliberaal beleid is het solutionisme de standaard-oplossing geworden voor heel veel politieke problemen. Waarom zou een regering bijvoorbeeld nog investeren in de wederopbouw van krakkemikkig openbaar vervoer als zij eenvoudigweg big data kan inzetten om gepersonaliseerde prikkels te bedenken teneinde mensen te ontmoedigen op piektijden te gaan reizen? Zoals de ontwerper van zoʼn programma een paar jaar geleden in Chicago zei: ʻOplossingen aan de aanbodzijde van de economie [zoals] het aanleggen van nieuwe verbindingen … zijn vrij duur.ʼ In plaats daarvan ʻkijken we naar manieren waarop big data de vraagzijde kan beheren … door mensen te laten begrijpen op welke tijden ze beter kunnen reizen.ʼ

De twee ideologieën zijn twee handen op één buik. Het neoliberalisme wil de wereld opnieuw vormgeven aan de hand van blauwdrukken die uit de tijd van de Koude Oorlog dateren: méér concurrentie en minder solidariteit, méér creatieve vernietiging en minder overheidsplanning, méér afhankelijkheid van de markt en minder sociale voorzieningen. De ondergang van het communisme heeft deze taak vereenvoudigd – maar de opkomst van digitale technologieën heeft feitelijk gezorgd voor een nieuw obstakel.

Hoe dat zit? Hoewel big data en kunstmatige intelligentie niet van nature niet-marktgerichte activiteiten bevorderen, maken zij het wél makkelijker om je een post-neoliberale wereld voor te stellen, waarin de productie is geautomatiseerd en technologie ten grondslag ligt aan universele gezondheidszorg en onderwijs voor iedereen: een wereld waarin overvloed wordt gedeeld, niet toegeëigend.

Dit is precies het punt waarop het solutionisme zijn intrede doet. Als het neoliberalisme een proactieve ideologie is, is het solutionisme een reactieve: het ontwapent, ontmantelt en verwerpt politieke alternatieven. Het neoliberalisme doet de overheidsuitgaven slinken; het solutionisme is een aanslag op de publieke verbeeldingskracht. Het solutionistische mandaat is het publiek ervan te overtuigen dat het enige legitieme gebruik van digitale technologieën het ontwrichten en revolutioneren is van alles behalve de centrale institutie van het moderne leven – de markt.

De wereld is momenteel in de ban van solutionistische technologieën – van een Poolse app die van coronavirus-patiënten eist dat zij regelmatig selfies nemen om te bewijzen dat ze binnen blijven tot het Chinese kleurgecodeerde programma voor het meten van je gezondheid met je smartphone, dat bepaalt wie zijn huis mag verlaten. Overheden hebben zich gewend tot bedrijven als Amazon en Palantir voor infrastructuur- en data-modellering, terwijl Google en Apple de handen ineen hebben geslagen om ʻprivacy-bestendigeʼ data-tracing oplossingen mogelijk te maken. En zodra landen in de herstelfase belanden zal de tech-sector graag haar technocratische expertise aanbieden om bij de schoonmaakoperatie te helpen. Italië heeft Vittorio Colao, de vroegere CEO van Vodafone, al de leiding gegeven over de post-crisis taskforce.

In feite kunnen we nu twee soorten solutionisme onderscheiden in de overheidsreacties op de pandemie. ʻProgressieve solutionistenʼ geloven dat een tijdige, op een app gebaseerde blootstelling aan de juiste informatie ertoe kan bijdragen dat mensen zich gaan gedragen overeenkomstig het algemeen belang. Dit is de logica van het ʻnudging,ʼ dat ten grondslag lag aan de desastreuze initiële reactie van Groot-Brittannië op de crisis. ʻRepressieve solutionistenʼ willen daarentegen de enorme surveillance-infrastructuur van het digitale kapitalisme inzetten om onze dagelijkse activiteiten aan banden te leggen en iedere overtreding te bestraffen.

We hebben nu een maand lang bediscussieerd hoe deze technologieën onze privacy kunnen bedreigen – maar dat is niet het grootste gevaar voor onze democratie. Het werkelijke risico is dat dit solutionistische instrumentarium dankzij de coronacrisis de standaardoptie voor de aanpak van alle existentiële problemen zal worden – van de ongelijkheid tot de klimaatverandering. Het is immers veel makkelijker om solutionistische technologieën in te zetten teneinde individueel gedrag te beïnvloeden dan het is om moeilijke politieke vragen te stellen over de grondoorzaken van deze crises.

Maar de solutionistische antwoorden op deze ramp zullen alleen maar de afname van onze publieke verbeeldingskracht versnellen – en het veel moeilijker maken om je een wereld voor te stellen waarin de technologiereuzen níet onze sociale en politieke infrastructuur domineren.

We zijn nu allemaal solutionisten. Als onze levens op het spel staan, zijn abstracte beloften van politieke emancipatie minder geruststellend dan de belofte van een app die je vertelt wanneer het veilig is om je huis te verlaten. De echte vraag is of we morgen nog steeds solutionisten zullen zijn.

Het solutionisme en het neoliberalisme zijn heel veerkrachtig, niet omdat de onderliggende ideeën zo goed zijn, maar omdat die ideeën instituties – waaronder overheden – zo ingrijpend hebben veranderd. Het ergste moet nog komen: de pandemie zal de solutionistische staat van extra energie voorzien, net zoals 9/11 dat voor de surveillance-staat heeft gedaan, waardoor een excuus zal worden gecreëerd om het politieke vacuüm te vullen met anti-democratische praktijken, ditmaal eerder uit naam van de innovatie dan van de veiligheid.

Eén functie van de solutionistische staat is om software-ontwikkelaars, hackers en ambitieuze ondernemers ervan te weerhouden om met alternatieve vormen van sociale organisatie te experimenteren. Dat de toekomst aan startups toebehoort is geen natuurlijk gegeven, maar een beleidsuitkomst. Als gevolg daarvan sneuvelen subversievere technologische inspanningen, die zouden kunnen leiden tot niet op de markt maar op solidariteit gebaseerde economieën, al in de fase van de prototype-ontwikkeling. Er is een reden dat we nu al geen twintig jaar geen nieuwe Wikipedia meer hebben gezien.

Een ʻpost-solutionistischeʼ politiek moet beginnen met het doorbreken van de kunstmatige tweeëenheid van behendige startups en inefficiënte overheden die onze politieke horizon vandaag de dag bepalen. Onze vraag zou niet moeten zijn welke ideologie – de sociaaldemocratie of het neoliberalisme – de concurrentiekrachten beter in toom kan houden en gebruiken, maar welke instituties we nodig hebben om de nieuwe vormen van sociale coördinatie en innovatie te benutten die de digitale technologieën ons bieden.

Het huidige debat over het juiste technologische antwoord op COVID-19 maakt nu juist zoʼn gesmoorde indruk omdat er nog helemaal geen perspectief is op zoʼn post-solutionistische politiek. Het draait om de trade-offs tussen privacy en de volksgezondheid enerzijds, en om de noodzaak om de innovatie via startups te bevorderen anderzijds. Waarom zijn er geen andere opties? Komt dat doordat we digitale platforms en telecom-operators ons hele digitale universum hebben laten behandelen als hun achtertuin?

Zij bestieren die met slechts één doel voor ogen: het gaande houden van micro-targeting en het laten stromen van micro-betalingen. Als gevolg daarvan is er weinig nagedacht over het ontwikkelen van digitale technologieën die anonieme inzichten op macro-niveau opleveren over het collectieve gedrag van niet-consumenten. De digitale platforms van vandaag de dag zijn plekken voor geïndividualiseerde consumptie en niet voor wederzijdse steun en solidariteit.

Hoewel ze kunnen worden ingezet voor niet op de markt gerichte doelstellingen vormen de hedendaagse digitale platforms geen goede basis voor een politieke orde die eerder openstaat voor actoren dan voor consumenten, startups en ondernemers. Als we die digitale platforms niet opeisen voor een levendiger vorm van de democratie zullen we decennialang veroordeeld blijven tot de ongelukkige keuze tussen ʻprogressieveʼ en ʻrepressieveʼ vormen van solutionisme.

Als gevolg daarvan zal onze democratie het zwaar hebben. De bloeitijd van het solutionisme, die dankzij COVID-19 is aangebroken, legt de extreme afhankelijkheid van reëel bestaande democratieën bloot van de ondemocratische expertise van de private macht van de technologieplatforms. Onze eerste opdracht is dus het in kaart brengen van een post-solutionistische toekomst – een toekomst die het publiek de soevereiniteit in handen geeft over de digitale platforms.

Anders is het klagen over China’s autoritaire maar effectieve antwoord op COVID-19 niet alleen pathetisch maar ook hypocriet: er liggen diverse varianten van het techno-autoritarisme in het verschiet, en de neoliberale versie ziet er weinig aantrekkelijker uit dan het alternatief.

Vertaling Menno Grootveld

Categorieën
Economie

De drievoudige crisis van het kapitalisme

Oorspronkelijke tekst (Engels): Project Syndicate, 30 maart 2020

fotografie: Matt Holyoak

door Mariana Mazzucato

Mariana Mazzucato is hoogleraar innovatie-economie en publieke waarde en directeur van het Institute for Innovation and Public Purpose (IIPP) aan het University College London. Ze is de auteur van The Value of Everything: Making and Taking in the Global Economy (in het Nederlands verschenen als De waarde van alles bij uitgeverij Nieuw Amsterdam).

Het kapitalisme staat voor minstens drie grote crises. Een door de pandemie op gang gebrachte crisis in de volksgezondheid heeft in rap tempo een economische crisis op gang gebracht, met nog onbekende gevolgen voor de financiële stabiliteit, en dit alles speelt zich af tegen de achtergrond van een klimaatcrisis die niet met ʻbusiness as usualʼ tegemoet kan worden getreden. Nog maar twee maanden geleden waren de nieuwsmedia gevuld met angstaanjagende beelden van overweldigde brandweerlieden, niet van overweldigde gezondheidszorgwerkers.

Deze drievoudige crisis heeft diverse problemen aan het licht gebracht met hoe we met het kapitalisme omgaan, die allemaal moeten worden opgelost, op hetzelfde moment dat we de onmiddellijke crisis in de gezondheidszorg aanpakken. Anders zullen we eenvoudigweg op de ene plek problemen oplossen, terwijl we op de andere plek weer nieuwe problemen creëren. Dat gebeurde ook na de financiële crisis van 2008. Beleidsmakers overspoelden de wereld met geld, zonder dat geld naar goede investeringsmogelijkheden te sluizen. Als gevolg daarvan kwam het geld weer terug in een financiële sector die daar niet voor bedoeld was (en is).

De COVID-19-crisis legt nog meer tekortkomingen bloot in onze economische structuren, niet in de laatste plaats de toenemende precariteit van werk, als gevolg van de opkomst van de zogenoemde ʻgig-economieʼ en een decennialange uitholling van de onderhandelingsmacht van de factor arbeid. Telewerken is voor de meeste werknemers eenvoudigweg geen optie, en hoewel overheden nu wel enige hulp verschaffen aan werknemers die over een regulier contract beschikken kunnen zzpʼers zich straks flink in de steek gelaten voelen.

Erger nog: overheden verstrekken nu leningen aan bedrijven in een tijd dat de particuliere schulden al een historisch hoogtepunt hebben bereikt. In de Verenigde Staten bedroeg de totale schuld van de huishoudens net vóór de huidige crisis al $14,15 bln, wat $1,5 bln hoger is dan in 2008 (in nominale termen). We mogen niet vergeten dat het hoge particuliere schulden zijn geweest die de mondiale financiële crisis hebben veroorzaakt.

Het afgelopen decennium hebben veel landen helaas bezuinigingen doorgevoerd, alsof de publieke schulden het probleem waren. Het gevolg is dat juist de instellingen in de publieke sector zijn afgebrokkeld die we nodig hebben om crises als de coronavirus-pandemie te kunnen overwinnen. Sinds 2015 heeft Groot-Brittannië de budgetten voor de volksgezondheid met £1 mrd gekort, waardoor de lasten voor artsen in opleiding zijn toegenomen (van wie velen de National Health Service helemaal de rug toe hebben gekeerd); de langetermijninvesteringen zijn verminderd die nodig zijn om te kunnen garanderen dat patiënten in veilige, moderne en volledig bemensde faciliteiten worden behandeld. En in de VS – dat nooit een adequaat gefinancierd gezondheidszorgsysteem heeft gekend – heeft de regering-Trump voortdurend getracht de financiering en de capaciteit van de Centers for Disease Control and Prevention, naast die van andere cruciale instellingen, te kortwieken.

Bovenop deze zelf-toegebrachte verwondingen heeft een overmatig ʻgefinancialiseerdeʼ zakelijke sector waarde uit de economie weggesluisd door aandeelhouders te belonen via aandelenterugkopen, in plaats van de langetermijngroei te schragen door te investeren in onderzoek en ontwikkeling, lonen en de training van werknemers. Als gevolg daarvan zijn de huishoudens hun financiële buffers kwijtgeraakt, waardoor het lastiger is geworden zich basale zaken als huisvesting en onderwijs te kunnen veroorloven.

Het slechte nieuws is dat de COVID-19-crisis al deze problemen verergert. Het goede nieuws is dat we de huidige noodtoestand kunnen benutten om een meer inclusieve en duurzame economie te gaan opbouwen. Het punt is dat we de overheidssteun niet moeten uitstellen of blokkeren, maar dat we die op de juiste manier moeten structureren. We moeten de fouten uit het tijdperk na 2008 vermijden, toen baillouts de bedrijven in staat hebben gesteld zelfs nog hogere winsten te boeken toen de crisis eenmaal voorbij was, maar geen fundament hebben gelegd voor een robuust en inclusief herstel.

Ditmaal zullen de reddingsmaatregelen beslist vergezeld moeten gaan van voorwaarden. Nu de staat weer een leidende rol kan spelen, moet hij als de held worden gecast en niet als een wat naïeve handlanger. Dit betekent dat er onmiddellijke oplossingen tevoorschijn moeten worden getoverd, maar dat die zó moeten worden ontworpen dat ze het publieke belang op de langere termijn dienen.

Er kunnen bijvoorbeeld voorwaarden worden gesteld aan de staatssteun voor bedrijven. Aan bedrijven die bailouts krijgen moet worden gevraagd hun werknemers in dienst te houden, en te garanderen dat ze zodra de crisis voorbij is zullen investeren in de opleiding van hun werknemers en in de verbetering van de arbeidsomstandigheden. Beter nog: net als in Denemarken moet de overheid bedrijven steunen om de lonen te blijven doorbetalen, zelfs als de werknemers niet werken – waardoor tegelijkertijd huishoudens worden geholpen hun inkomsten op peil te houden, het virus ervan wordt weerhouden zich te verspreiden en het bedrijven makkelijker wordt gemaakt om de productie te hervatten als de crisis eenmaal voorbij is.

Bovendien moeten de bailouts zó worden vormgegeven dat ze de grotere bedrijven ertoe verleiden waardecreatie te belonen in plaats van waarde-extractie, door aandelenterugkopen tegen te gaan, en de investeringen te bevorderen in duurzame groei en een verminderde koolstofvoetafdruk. Nadat zij vorig jaar heeft verklaard een stakeholderswaarde-model te zullen omarmen, is dit dé kans voor de Business Roundtable om haar woorden met daden te ondersteunen. Als het Amerikaanse bedrijfsleven lijkt terug te krabbelen, moeten wij het aan zijn woord houden.

Wat de huishoudens aangaat moeten regeringen naast leningen kijken naar de mogelijkheid van schuldkwijtscheldingen, vooral gezien de huidige hoge niveaus van de particuliere schulden. Op zʼn minst moeten de betalingen aan schuldeisers worden bevroren, totdat de onmiddellijke economische crisis achter de rug is, en moeten er rechtstreekse cash-injecties komen voor de huishoudens die dat het hardst nodig hebben.

En de VS moeten overheidsgaranties afgeven voor de betaling van 80 tot 100% van de lonen van werknemers van bedrijven in nood, zoals Groot-Brittannië en veel landen van de Europese Unie en uit Azië dat hebben gedaan.

Het is ook tijd om de publiek-private partnerschappen opnieuw te gaan overdenken. Maar al te vaak zijn deze arrangementen minder symbiotisch dan parasitair gebleken. De pogingen om een vaccin tegen COVID-19 te ontwikkelen kunnen wéér een zaak van eenrichtingsverkeer worden, waarbij bedrijven grote winsten kunnen boeken door aan het publiek een product te verkopen dat het resultaat was van door de belastingbetalers gefinancierd onderzoek. Ondanks de aanzienlijke publieke investeringen van de Amerikaanse belastingbetalers in de ontwikkeling van vaccins heeft de Amerikaanse minister voor Gezondheid en Menselijke Diensten, Alex Azar, toegegeven dat onlangs ontwikkelde COVID-19-therapieën of vaccins misschien niet voor alle Amerikanen betaalbaar zullen zijn.

We hebben wanhopig veel behoefte aan ondernemende staten die meer in innovatie willen investeren – van kunstmatige intelligentie tot volksgezondheid tot duurzame energiebronnen. Maar deze crisis herinnert ons er ook aan dat we staten nodig hebben die weten hoe je moet onderhandelen, zodat de voordelen van publieke investeringen weer aan het publiek ten goede komen.

Een dodelijk virus heeft grote zwakheden blootgelegd in de westerse kapitalistische economieën. Nu de overheden in oorlogsstand staan, hebben we de mogelijkheid om het systeem te repareren. Als we dat niet doen, zullen we geen kans maken tegen de derde grote crisis – een steeds onbewoonbaarder planeet – en alle kleinere crises die daar de komende jaren en decennia uit zullen voortvloeien.

vertaling Menno Grootveld

Categorieën
Economie

Centrale banken moeten marktdiscipline loslaten

Oorspronkelijke tekst (Engels): Financial Times, 26 maart 2020

fotografie: University of the West of England

door Daniela Gabor

Daniela Gabor is hoogleraar economie en macrofinanciering aan de University of the West of England te Bristol. In deze bijdrage, die vooral over de ECB gaat, legt ze uit waarom het nu een goed moment zou zijn voor de centrale banken om veel van hun op marktdiscipline gerichte maatregelen als ‘margin calls’ en ‘haircuts’ te laten varen. Dit stuk verscheen op 26 maart 2020 in de Financial Times.

De corona-crisis herinnert ons eraan dat het op het marktmechanisme gebaseerde systeem van de centrale banken als noodkredietverstrekkers niet langer aan zijn doelstellingen voldoet. De afhankelijkheid van de centrale banken van marktwaarderingen en zogenoemde ‘haircuts’ is bedoeld om de marktdiscipline te handhaven. In werkelijkheid verscherpt dit mechanisme in potentie juist de druk die door buitengewone actie van de centrale banken zou moeten worden tegengegaan.

Neem de dollarnoodkredieten van de Europese Centrale Bank aan haar bankensysteem als voorbeeld.

Op 20 maart kondigden de centrale banken van ʼs wereld grootste financiële systemen – de C6, bestaande uit de Amerikaanse Federal Reserve, de Bank of England, de Europese Centrale Bank, de Bank of Japan (BoJ), de Zwitserse Nationale Bank en de Bank of Canada (C6) – aan dat ze de noodverstrekking van Amerikaanse dollars via zogenoemde ‘central bank swaps’ zouden uitbreiden. Om dat te doen boden ze vanaf 23 maart op dagelijkse basis in dollars gedenomineerde ‘repo-leningen’ aan met een looptijd van zeven dagen, bovenop de wekelijkse leningen met een looptijd van 84 dagen.

Hoewel de blootstelling van de ECB gering is vergeleken met wat zij was in 2008, vooral in vergelijking met andere centrale banken zoals de BoJ, loopt zij nog steeds het risico dat ze tot potentieel systemische implicaties kan leiden. Dat komt doordat de ECB, net als veel andere centrale banken, leningen op dagelijkse basis monitort en van een zogenoemde ‘margin’ voorziet, wat in wisselvallige tijden hun effectiviteit kan ondermijnen, zo niet tot extra marktdruk kan leiden.

Hoe het werkt

Europese banken hebben dollarfinanciering nodig voor hun dollarbezittingen (leningen, obligaties, derivaten, enz.) of voor hun cliënten. In tijden dat er geen crisis is krijgen ze hun dollars doorgaans via de zogenoemde ‘dollar repo markten,’ andere grote financieringsmarkten of via zogenoemde ‘valuta-swap markten.’ In tijden van crisis neemt de bereidheid op de particuliere markten af om dollarfinanciering ter beschikking te stellen. Sommige Europese banken kunnen rechtstreeks van de Federal Reserve (de Fed, het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken) lenen, maar de meeste zijn afhankelijk van de ECB.

De ‘swap line’-overeenkomst tussen de Fed en de ECB is een kwestie van wederzijds belang: de Fed wil de integriteit en de veerkracht van de dollar als internationale reservemunt overeind houden, terwijl de ECB de stabiliteit van haar financiële systeem wil beschermen.

In de eerste fase van de ‘swap’ ‘lenen’ de centrale banken elkaar hun eigen valuta. De ECB heeft een dollar-depositorekening bij de Fed, en die rekening wordt gevuld met het overeengekomen bedrag, tegen een van te voren afgesproken wisselkoers en voor een van te voren afgesproken periode. De ECB betaalt rente en creëert tevens een euro-faciliteit voor de rekening van de Fed bij de ECB.

Als de wisselkoers fluctueert tijdens de duur van de ‘swap’ moet de centrale bank waarvan de munt minder waard wordt de andere bank betalen via wat een ‘margin call’ heet. Het IMF heeft een goede uitleg van hoe dit werkt. Deze periodieke ‘margin calls’ dekken het verschil tussen de feitelijke en de afgesproken wisselkoers, waardoor kredietrisico ontstaat tussen de twee centrale banken. De ‘margins’ worden op een aparte rekening gestort en teruggegeven aan het einde van de looptijd van de ‘swap.’ Als de centrale banken verwachten dat de dollarkoers gaat stijgen, geven ze er misschien de voorkeur aan eerst hun eigen dollarreserves aan te spreken, voordat ze bij de Fed aankloppen. Tot nu toe heeft alleen de ECB gebruik gemaakt van deze regeling; op 18 maart stond $45 mrd uit.

Hoe ‘leent’ de ECB de dollars die op zijn deposito-rekening bij de Fed staan uit? Zij leent iedere week dollars aan Europese banken, via driemaandelijkse ‘repo’-leningen, tegen onderpand. Om toegang te verkrijgen tot deze leningen moeten banken waardepapier in euro’s of dollars als onderpand ter beschikking stellen.

Deze ‘repo’-leningen hebben een bijzondere boekhoudkundige en juridische structuur: het zijn verkoop- en terugkoopcontracten (vandaar de naam ‘repo,’ van het Engelse ‘repossession’). Particuliere banken ‘verkopen’ onderpand aan de ECB en beloven dat binnen 84 dagen terug te kopen. De ECB geeft de voorkeur aan dit arrangement – wijdverbreid in Europa – omdat zij een juridische claim krijgt op het onderpand en dat kan verkopen, mocht de particuliere bank in gebreke blijven.

De duivel schuilt zoals gewoonlijk in de waardering die de ECB aan het onderpand hecht. Het mechanisme kent drie componenten.

De ‘FX haircut’

De ECB vraagt om een zogenoemde ‘FX haircut’ van twaalf procent om zichzelf te beschermen tegen het valutarisico. Dit betekent dat de banken voor iedere $100 dollar die ze lenen $120 aan onderpand moeten inbrengen, in de vorm van waardepapier in euro’s of dollars, of in contanten (de reserves), tegen de marktwaarde. ‘Haircuts’ zijn een soort buffers die de partijen beschermen tegen nadelige bewegingen van de wisselkoers.

Omdat de kosten van de dollarfinanciering door de ‘haircut’ toenemen, is dit arrangement ook bedoeld om de Europese banken ertoe aan te zetten zo snel mogelijk naar de particuliere markten voor dollarfinanciering terug te keren. Het is, met andere woorden, een soort strafmaatregel.

Valutamarkt-gerelateerde ‘margin calls’

Maar wisselkoersen kunnen in een periode van drie maanden met meer dan twaalf procent fluctueren. Om zichzelf verder te beschermen heeft de ECB derhalve besloten de waarde in euroʼs van de dollarleningen iedere acht dagen te actualiseren. Als de dollar in waarde stijgt, doet de ECB een ‘margin call’: zij vraagt de banken om hun onderpandpositie aan te passen aan de nieuwe wisselkoers door meer onderpand in te brengen (en andersom voor de euro-waardering).

Deze valutamarkt-gerelateerde ‘margin calls’ voor de banken vergroten de druk op de dollarfinanciering van de banken. Als een bank niet kan voldoen aan zoʼn ‘margin call,’ kan zij gedwongen worden dollar- of eurobezittingen te verkopen. Dit pro-cyclische aspect van het raamwerk van ‘dollar-repo’-onderpanden van de ECB maakt van de dollar-equivalent van leningen – in termen van financieringsdruk – een ‘repo’ met een looptijd van zeven dagen. Uiteraard moeten deze misschien vernieuwd worden tegen de wisselkoers van die dag, maar ze bieden de banken meer vrijheid om hun balansen aan te passen in reactie op eventuele drastische bewegingen op de valutamarkt.

Onderpand-gerelateerde ‘margin calls’

Voor iedere ‘repo’-lening weegt de ECB het onderpand dagelijks af op basis van de marktwaarde. Als de koers van het waardepapier daalt, vraagt de ECB de bank om het verschil goed te maken (een nieuwe ‘margin call’). Deze ‘margin’ is bedoeld om de ECB te beschermen tegen het risico dat de tegenpartij failliet gaat of als zij het onderpand moet verkopen.

Kortom: de ‘repo’-leningen in dollars hebben drie belangrijke bewegende onderdelen: de valutamarkt-gerelateerde ‘haircut,’ de wekelijkse ‘margin calls’ op valutamarkt-bewegingen voor leningen met een looptijd van meer dan zeven dagen, en de dagelijkse ‘margin calls’ op onderpand in dollars of euroʼs. Hierdoor wordt pro-cycliciteit in de structuur gebracht, d.w.z. dat de posities blootstaan aan verdere verslechtering naarmate de markten zich in precies die richting bewegen die het arrangement moest proberen op te vangen. Slechts de dagelijkse veilingen bij een looptijd van zeven dagen verminderen één vorm van pro-cyclische druk door de banken meer flexibiliteit te geven bij het aanpassen van hun balans in reactie op de druk van de opwaardering van de dollar.

Dit werpt een belangrijke vraag op: waarom heeft de ECB, die immers een noodkredietverstrekker is, bescherming nodig tegen onderpand-/valutamarktrisicoʼs?

Het snelle antwoord luidt dat het onderpand-waarderingsregime er is om ervoor te zorgen dat wanneer de debiteur in gebreke blijft, de ‘repo’-crediteur het waardepapier dat hij wettelijk bezit kan verkopen om zijn geld terug te krijgen. Een dagelijkse waardering is bedoeld om de marktwaarde van dit waardepapier gelijk te houden aan het geleende geld. Maar deze dagelijkse herijking kan leiden tot het soort liquiditeitsproblematiek dat van de ineenstorting van Lehman Brothers in 2008 een mondiale systeemcrash heeft gemaakt.

We weten al dat het onderpandregime van de ECB ten aanzien van haar ‘repo’-leningen met een lange looptijd tijdens de staatsschuldencrisis hetzelfde effect dreigde te hebben, totdat Mario Draghi beloofde te zullen doen ‘wat ook maar nodig was.’ Deze actie hielp de liquiditeit van het onderpand op (Italiaanse) staatsobligaties overeind te houden, en daarmee de integriteit van de ‘repo’-financieringsmarkten van de eurozone.

Christine Lagarde, de president van de ECB, heeft de belofte van Draghi in een recent artikel voor de Financial Times herhaald. Maar als de centrale banken er zijn om de liquiditeit te beschermen, zoals zij betoogt, is het inroepen van ‘margins’ bij banken uit naam van de marktdiscipline of ‘moral hazard’ een te bot instrument. Lagarde moet overwegen een stap verder te gaan. Het huidige onderpandwaarderingsregime is slechts een recente uitvinding. Voordat de euro werd ingevoerd heeft geen van de centrale banken van het eurosysteem het onderpand aan de marktwaarde aangepast of dagelijkse ‘margin calls’ gemaakt.

Het zou goed zijn om nu naar dat regime terug te keren.

Het is goed om te zien dat de ECB de boodschap misschien al begrepen heeft. De bestuursraad van de bank heeft de centrale bankiers in de eurozone gevraagd maatregelen te onderzoeken om het onderpandregime te versoepelen in verband met een paar van haar aanbiedingen van goedkope centralebank-kredieten.

Wat we op dit moment nodig hebben is dat we afstand nemen van de op de markt gebaseerde bescherming van de balansen van de centrale banken, en een stap zetten in de richting van echte verlies-absorptiecapaciteit.

vertaling Menno Grootveld