Yanis Varoufakis is econoom en een voormalig Grieks minister van Financiën. Hij is de auteur van diverse bestsellers, waarvan Technofeudalism: What killed capitalism de meest recente is.
Ze kunnen iets leren van de ‘kakkerlakken’ in India
De Franse jongeren zijn altijd de kanarie in de Europese kolenmijn geweest. Telkens wanneer Europa aan de vooravond staat van een historische omwenteling, gaan ze de straat op – meestal zonder het zelf te beseffen – om alarm te slaan. Dat deden ze in 1789, toen het feodale stelsel op instorten stond. Ze deden het opnieuw in 1871, toen de Parijse Commune de opkomst van het grootkapitaal en de financiële wereld aankondigde. En in mei 1968 gingen ze opnieuw de straat op, kort voordat het internationale monetaire stelsel van Bretton Woods uit elkaar spatte. In 2018 waren het de gilets jaunes, de gele hesjes, die, gesteund door jongeren en mensen die economisch waren achtergebleven, opnieuw aan de bel trokken. Ze waarschuwden de regering-Macron, terwijl die druk bezig was meer rijkdom van de armen naar de rijken te verschuiven. En nu zijn de Franse jongeren terug. Als tragische helden wier eisen vaak in de vergetelheid raken, maar wier daden de loop van de geschiedenis helpen bepalen.
Het begon half september in Créteil, een voorstad van Parijs, waar middelbare scholieren de straat op gingen uit solidariteit met hun stakende leraren. Drie weken later waren honderden scholen gesloten, stroomde de Place de la Bastille opnieuw vol demonstranten en hadden de protesten zich uitgebreid naar België, Italië en inmiddels ook Griekenland. De eisen van de scholieren zijn bijna beschamend bescheiden: voldoende leraren, niet al te volle klassen en schoolgebouwen die niet op instorten staan. De reactie van de overheid was daarentegen allesbehalve bescheiden. Bijna zevenduizend mensen werden gearresteerd, van wie 86 procent minderjarig was. Een 15-jarige verloor zijn linkerhand door een schokgranaat en een 16-jarige raakte gedeeltelijk blind door een rubberkogel. Ondertussen spreekt de premier de jongeren bestraffend toe over ‘geweld’ en veroordeelt hij politici die ‘deze woede gebruiken voor hun verkiezingsstrijd.’
Ik blijf maar naar de video’s kijken. Sommige studenten houden zulke welbespraakte toespraken dat onze parlementariërs er een voorbeeld aan zouden kunnen nemen. Anderen krijgen nauwelijks twee samenhangende zinnen uit hun mond. En eerlijk is eerlijk: sommigen maken zich schuldig aan ernstig geweld. Terwijl ik naar de beelden kijk, dwalen mijn gedachten af naar mijn eigen studententijd in Engeland. Naar de woede die we voelden over de vastberadenheid waarmee Margaret Thatcher de budgetten van onze universiteiten drastisch wilde verlagen. En naar mijn vriendin Fiona, over wie ik zowel in mijn laatste boek als in mijn meest recente artikel heb geschreven. Als studentenactivisten leden Fiona en ik de ene politieke nederlaag na de andere, van de mijnwerkersstaking tot het conflict rond de drukkerijen in Wapping. Op een dag, toen ik volledig uitgeput was, vroeg ik Fiona of het niet tijd werd om de strijd op te geven en ons gewonnen te geven. Haar antwoord is me veertig jaar lang bijgebleven: ‘Als je je inzet voor een rechtvaardige zaak,’ zei ze, ‘leer je te leven op de grens van opgeven, zonder ooit daadwerkelijk op te geven.’
Dat is de politieke bevlogenheid die in jonge harten kan leven. Ze laat zich niet altijd even goed onder woorden brengen, is zelden gedisciplineerd en staat, zoals ik in het Engeland van Thatcher heb geleerd, meestal aan de verliezende kant. Fiona had maar één ding waar ze spijt van had: dat we met hart en ziel vochten voor gemeenschappen die het verdienden om verdedigd te worden, maar voor doelen die hopeloos achterhaald waren. ‘Waarom kunnen we het land niet platleggen om schone energie en een vrije pers af te dwingen?’, vroeg ze zich af. Ondertussen vochten we uit solidariteit met mijnwerkers en drukkers, van wie de laatsten met hun werk bijdroegen aan de productie van afschuwelijke sensatiekranten als The News of the World en The Sun.
De Franse middelbare scholieren hebben dat probleem niet. Hun strijd is allesbehalve achterhaald. Ze eisen iets wat iedere samenleving en economie nodig heeft, maar waarin de onze al sinds minstens 2008 weigert voldoende te investeren – en in Groot-Brittannië en mijn geboorteland Griekenland zelfs al veel langer: de toekomst. En dan vooral de mensen die straks in die toekomst moeten leven.
Daarin schuilt de wrange ironie. Al vijftien jaar lang houden politici van het politieke midden Franse gezinnen voor dat er geen geld is: niet voor leraren, niet voor klaslokalen en niet voor voorzieningen die niet onmiddellijk financieel rendement opleveren. Maar datzelfde politieke midden wist na de financiële crisis van 2008 vrijwel onbeperkte bedragen vrij te maken om de banken te redden, en vindt tegenwoordig opnieuw astronomische bedragen voor bewapening. Zelfs Renault doet eraan mee en verruilt de productie van eigenzinnige auto’s voor die van dodelijke drones. Al bijna twintig jaar worden investeringen afgeremd door een beleid dat neerkomt op bezuinigingen voor de gewone bevolking en een vorm van ‘socialisme’ voor banken en grote bedrijven, die telkens weer op overheidssteun kunnen rekenen.
Dat is niet moeilijk te verklaren. Waarom zouden grote bedrijven de enorme hoeveelheden geld die de centrale bank hun vrijwel gratis ter beschikking stelde, investeren in de productie van goederen en diensten, terwijl het grootste deel van de bevolking te weinig te besteden had om dure producten te kopen? In plaats daarvan gebruikten die bedrijven het geld om hun eigen aandelen terug te kopen. Daardoor stegen de aandelenkoersen, en daarmee ook de bonussen van de topmanagers. Tegelijkertijd schoten de huizenprijzen in de lommerrijke wijken van Parijs omhoog, evenals de prijzen van allerlei zaken waarin vermogenden hun overtollige geld beleggen, van cryptomunten tot kunstwerken. En daar wringt nu juist de schoen. Terwijl er op allerlei manieren enorme winsten werden gemaakt, stortten de investeringen in de reële economie in. Want waarom zou je investeren in productieve bedrijvigheid als je meer kunt verdienen door huizen, schilderijen of bitcoins te kopen?
Dit verklaart waarom de Duitse industrie langzaam wegkwijnt, waarom Franse scholen steeds verder in verval raken en waarom zoveel jongeren zich afvragen hoe hun leven er over tien jaar uit zal zien. Die onzekerheid wordt alleen maar groter nu kunstmatige intelligentie (AI) juist de banen voor starters dreigt weg te vagen die tot voor kort waren weggelegd voor de ‘brave’ jongeren die netjes hun huiswerk maakten en het uitgestippelde pad naar een burgerlijk bestaan volgden. Het is dan ook merkwaardig dat volwassenen de scholieren die hun scholen blokkeren afschilderen als doelloze rebellen. Want juist deze jongeren vormen de eerste generatie die de torenhoge rekening gepresenteerd krijgt voor het beleid dat hun ouders hun hebben nagelaten: bezuinigingen voor de overgrote meerderheid en een vorm van ‘socialisme’ voor een kleine, bevoorrechte elite.
Terwijl ik naar de beelden kijk, bekruipt me een nog somberder gedachte. De indrukwekkende jongerenopstand van mei 1968, toen studenten ons opriepen het onmogelijke te eisen, leidde uiteindelijk tot een versterking van het conservatisme. Zou de opstand van vandaag opnieuw een averechts effect kunnen hebben? Zou hij juist de extreemrechtse krachten in de kaart kunnen spelen die deze jongeren verachten, maar tegelijkertijd profiteren van hun wanhoop? Zes maanden voor de presidentsverkiezingen staat Marine Le Pen bovenaan in de peilingen. En we hebben al gezien hoe haar politieke kamp de huidige onrust probeert uit te buiten.
De demonstranten uit de banlieues van Créteil en Seine-Saint-Denis worden afgeschilderd als zwarte en Arabische relschoppers, als buitenstaanders die de Franse Republiek in brand steken. De woedende witte jongeren uit de welgestelde milieus van het centrum van Parijs worden daarentegen weggezet als verwende nesten die denken dat ze alles beter weten. Als bevoorrechte leerlingen van elitescholen die geen idee hebben hoe het is om hard te moeten werken om rond te komen, en die bovendien niet werkelijk te lijden zouden hebben onder de verstikkende ongelijkheid. De strategie van extreemrechts is even bekend als beproefd: verdeel de jongeren langs etnische en sociale scheidslijnen, jaag de angstige middenklasse tegen beide groepen in het harnas en verover vervolgens het Élysée met de belofte de orde te herstellen. Het lijkt erop dat de jongeren hoe dan ook aan het kortste eind trekken. Of is er toch een uitweg?
Op zoek naar een sprankje hoop stuitte ik op een , waarin ze een jongerenopstand aan de andere kant van de wereld beschrijft. In India had de hoogste rechter werkloze jongeren minachtend weggezet als ‘kakkerlakken.’ Een student, Abhijeet Dipke, reageerde daarop op Instagram met één simpele vraag: ‘Wat als alle kakkerlakken zich verenigen?’ Miljoenen jongeren reageerden op zijn oproep. Zo ontstond de Cockroach Janta Party, die aanvankelijk het aftreden eiste van de minister van Onderwijs. Diens ministerie had toegestaan dat examenvragen voortijdig uitlekten, met verwoestende gevolgen voor de toekomst van miljoenen jongeren. Op 20 juli trokken tienduizenden jonge ‘kakkerlakken’ naar Delhi, waar ze richting het parlement marcheerden. Ze lieten zich niet tegenhouden door traangas, wapenstokken of de op hen gerichte aanvalsgeweren. Maanden later gaan ze nog altijd de straat op.
De overeenkomsten met Frankrijk zijn opvallend. Zowel in Delhi als in Parijs begon het protest bij het onderwijs, uit onvrede over de minachting waarmee de overheid de jongeren behandelde die zij juist op hun toekomst had moeten voorbereiden. In beide steden raakte de oorspronkelijke eis die de protesten had ontketend al snel op de achtergrond. Zoals Roy het verwoordt, werd die eis uiteindelijk niet meer dan ‘kleingeld.’ De woede richtte zich inmiddels op iets veel groters: het verval van het hele bestuurlijke systeem. In Delhi zou de politie zelfs vrachtwagens vol stenen hebben klaargezet en voertuigen vooraf hebben beschadigd om de jongeren als gewelddadig af te schilderen en de indruk te wekken dat de autoriteiten slechts uit zelfverdediging optraden. Houd dat in gedachten wanneer een Franse minister de volgende keer het geweld van demonstranten veroordeelt.
Maar de belangrijkste les die we van de ‘kakkerlakken’ kunnen leren, is wat zij wél goed deden. In plaats van hun landgenoten de les te lezen, schrijft Roy, lieten ze zien hoe India er ook uit zou kunnen zien: een land waarin moslims, hindoes, christenen en sikhs, mensen uit alle kasten en sociale klassen, elkaar beschermden terwijl ze samen de confrontatie met de politie aangingen. Dipke, zelf een dalit – iemand uit een gemeenschap die van oudsher buiten het Indiase kastenstelsel wordt geplaatst – durfde hardop te zeggen wat voorzichtige oppositiepolitici niet durfden uit te spreken: als hij Khalid had geheten, zou hij allang in de gevangenis hebben gezeten. Kortom, de ‘kakkerlakken’ weigerden zich te laten verdelen langs de religieuze en sociale scheidslijnen die de regering-Modi de afgelopen tien jaar steeds verder had verdiept. Ze deden wat mijn vriendin Fiona altijd van ons verlangde: ze hielden op met alleen maar uit te leggen hoe onderdrukking werkt en begonnen solidariteit daadwerkelijk in praktijk te brengen.
Door naar India te kijken, heb ik het gevoel dat ik nu ook een antwoord heb gevonden op de vraag hoe het in Frankrijk verder moet. De Franse jongeren kunnen hun strijd winnen als de jongere uit Créteil en de leerling van het prestigieuze Lycée Henri-IV weigeren zich te laten vastpinnen op de rollen die extreemrechts en het radicale politieke midden hun hebben toebedeeld. Als ze beseffen dat de vervallen klaslokalen in de banlieues en de overvolle klassen in het centrum van Parijs voortkomen uit dezelfde onderliggende problemen. Als ze begrijpen dat hun waardigheid onlosmakelijk met die van anderen verbonden is en dat, zoals Solomon Burke ooit zong, ‘niemand van ons vrij is zolang ook maar één van ons geketend is.’
Maar Roy waarschuwt ook voor iets wat wij, volwassenen, ter harte moeten nemen. Spontane woede ebt uiteindelijk weg, schrijft ze, tenzij die wordt omgezet in duurzame politieke organisatie en actie. ‘Staten kunnen het zich veroorloven om af te wachten. Mensen niet.’ De Franse regering kiest nu al voor die afwachtende houding. Ze belooft eind oktober met een ‘plan’ te komen en hoopt dat de studenten tegen Kerstmis uitgeput zullen zijn en weer gewoon in de klas zitten. Op dit punt voel ik me meer verwant met mijn moeder, een feministe van de tweede generatie, dan met mijn vriendin Fiona. Fiona wantrouwde iedere vorm van organisatie, omdat ze die beschouwde als een kweekvijver voor toekomstige bureaucraten. Mijn moeder daarentegen had jarenlang in haar eentje moeten opboksen tegen georganiseerde vrouwenhaat. Zij wist uit ervaring dat een bestaan zonder onderlinge organisatie weinig hoop biedt en dat verzet zonder organisatie zelden lang standhoudt.
De jongeren hebben het vuur ontstoken. Nu is het aan de vakbonden, leraren, ouders en, jawel, ook de linkse partijen om hun onderlinge machtsstrijd en geruzie over posities achter zich te laten en dit momentum om te zetten in een concreet politiek programma. Een programma dat voorziet in voldoende geld voor scholen, een einde maakt aan de bezuinigingen die het onderwijs steeds verder uithollen en een grootschalige investeringsgolf op gang brengt in de sectoren van de toekomst. De financiering daarvan kan plaatsvinden via de maatregelen die sommigen van ons al jarenlang bepleiten.
Als links deze jongeren in de steek laat, zal extreemrechts hun woede weten te benutten, zoals het eerder ook profiteerde van de onvrede van de gilets jaunes, de gele hesjes. Maar als hun protesten de juiste politieke richting krijgen, kunnen de jonge Franse ‘kakkerlakken’ misschien meer bereiken dan hun voorgangers in 1789, 1871 en 1968. Dan zullen ze niet alleen Europa waarschuwen dat het kookpunt is bereikt, maar ons ook helpen een andere weg in te slaan, weg van fascisme, racisme en zinloze conflicten. De kanarie zingt opnieuw. Laten we deze keer niet wachten tot hij voorgoed verstomt.
Thomas Fazi is een Anglo-Italiaanse journalist, schrijver, documentairemaker en vertaler.
Overal in Europa komen jongeren in opstand. De studentenprotesten in Frankrijk hebben de meeste aandacht getrokken, vooral vanwege het geweld waarmee ze gepaard gingen: rellen, plunderingen en het in brand steken van openbare gebouwen. Maar ook in tal van andere Europese landen zijn de afgelopen weken jongeren de straat op gegaan, soms eveneens met geweld. Dat gebeurde onder meer in Italië, Spanje, Portugal, België, Griekenland, Ierland, Duitsland en Oostenrijk. In Servië heeft een studentenbeweging, die twee jaar lang massaal protesteerde, de parlementsverkiezingen gewonnen. Daarmee is een einde gekomen aan het jarenlange bewind van Aleksandar Vučić.
De aanleidingen voor de protesten verschillen – problemen in het onderwijs in Frankrijk en België, de woningnood in Spanje en Portugal, de stijgende kosten van levensonderhoud in Italië, corruptie en een combinatie van deze problemen in Servië – maar de onderliggende oorzaak is overal dezelfde. Dit zijn de protesten van een generatie die het gevoel heeft dat haar de toekomst is afgenomen. En dat gevoel is niet moeilijk te begrijpen. Het sociale contract waarop hun ouders nog konden vertrouwen – wie hard werkt, kan zich op zijn minst een eigen huis veroorloven, een gezin onderhouden en een beter bestaan opbouwen dan eerdere generaties – is ingestort. Voor veel jonge Europeanen die niet kunnen terugvallen op een erfenis of familievermogen, betekent volwassen worden dat ze van de ene onzekere baan naar de andere gaan. Ze verdienen nauwelijks genoeg om de huur en de boodschappen te betalen, laat staan om een gezin te stichten. Tenminste, als ze al werk vinden. Ondertussen hebben ze moeten toezien hoe de voorzieningen die hen op weg hadden moeten helpen en bescherming hadden moeten bieden bij tegenslagen – scholen, universiteiten, gezondheidszorg en jeugdzorg – steeds verder zijn uitgehold door bezuinigingen en privatisering.
Het lijdt geen twijfel dat jongeren het zwaarst zijn getroffen door het neoliberale beleid van de afgelopen decennia. Dat dit beleid de ongelijkheid sterk heeft vergroot, wordt algemeen erkend. Minder aandacht is er voor het feit dat die ongelijkheid zich steeds nadrukkelijker tussen generaties aftekent. De geopolitiek analist Arnaud Bertrand deelde onlangs op X enkele opvallende cijfers over Frankrijk. Zo bezitten zestig-plussers, die ongeveer een kwart van de bevolking uitmaken, maar liefst zestig procent van het totale vermogen in het land. Bovendien gaat bijna twee derde van alle sociale uitgaven van de Franse overheid naar deze leeftijdsgroep, voornamelijk in de vorm van pensioenen die binnen het huidige stelsel door jongere generaties worden gefinancierd. Deze voortdurende overdracht van financiële middelen van jongere naar oudere generaties is des te opmerkelijker omdat de gemiddelde Franse gepensioneerde tegenwoordig een hoger inkomen heeft dan de gemiddelde werkende.
Hoewel de demonstranten zichzelf vaak nadrukkelijk als vertegenwoordigers van een bepaalde generatie presenteren – het duidelijkst in de Duitse leus ‘Gen Z regelt’ (vrij vertaald: ‘Generatie Z regelt het wel’) – richten hun eisen zich niet tegen ouderen. Dat is ongetwijfeld de juiste benadering. Het zou een vergissing zijn om de babyboomers de schuld te geven. Zij hadden simpelweg het geluk op te groeien in een tijd van volledige werkgelegenheid, betaalbare woningen en behoorlijke pensioenen. Bovendien is er op zichzelf niets mis mee dat vergrijzende samenlevingen meer geld uitgeven aan ouderen. Daar komt bij dat een groot deel van het vermogen van de babyboomgeneratie in handen is van een kleine, welgestelde minderheid. Lang niet alle ouderen leiden immers een comfortabel bestaan. Het werkelijke probleem is dan ook niet dat de pensioenen te hoog zijn, maar dat jongeren de bestaanszekerheid wordt onthouden die hun ouders nog als vanzelfsprekend beschouwden. De generatiekloof is in feite de manier waarop jongeren de gevolgen ervaren van een decennialange klassenstrijd die van bovenaf is gevoerd. Zij werden volwassen toen de werkende klasse die strijd al had verloren en erfden een politiek-economisch systeem dat erop is gericht rijkdom steeds verder naar de top door te sluizen. In Europa is dit systeem diep verankerd in de institutionele structuur zelf – van de euro en het Verdrag van Maastricht tot de Europese begrotingsregels. Die bevoordelen stelselmatig vermogenden boven mensen die van hun loon afhankelijk zijn, en werknemers met een gevestigde positie boven degenen die nog een plek op de arbeidsmarkt moeten veroveren.
De mechanismen achter deze ontwikkeling zijn inmiddels bekend. Tien jaar lang heeft het beleid van kwantitatieve versoepeling – waarbij centrale banken op grote schaal financiële activa opkochten om de economie te stimuleren – de waarde van vastgoed en financiële bezittingen opgedreven. Daarvan profiteerden vooral oudere generaties, terwijl de lonen nauwelijks stegen en een eigen woning voor steeds meer jongeren onbereikbaar werd. Ook hervormingen van de arbeidsmarkt – van het Italiaanse Treu-pakket en de Jobs Act tot de Duitse Hartz-wetten en de Franse El Khomri-wet – droegen bij aan deze ongelijkheid. Werknemers die al een vaste baan hadden, behielden grotendeels hun zekerheid, terwijl nieuwkomers onder het mom van ‘flexibiliteit’ werden aangewezen op een eindeloze opeenvolging van tijdelijke contracten en steeds onzekerder werk. Na 2010 trof het bezuinigingsbeleid vooral het onderwijs, de jeugdzorg en de overheidsinvesteringen. Bestaande pensioenen bleven grotendeels buiten schot, terwijl toekomstige pensioenuitkeringen geleidelijk en vaak ongemerkt werden verlaagd. Het gevolg was dat in heel Europa de overheidsuitgaven voor ouderen toenamen, terwijl de publieke investeringen steeds verder werden teruggeschroefd. Daarna kwam de coronapandemie, die generatie Z kostbare jaren aan onderwijs, werkervaring en sociaal leven ontnam. Vervolgens schoot de inflatie omhoog, nog eens versterkt door een energiecrisis waarvoor de Europese leiders voor een belangrijk deel zelf verantwoordelijk waren.
Alsof dat nog niet genoeg was, krijgen jongeren nu te horen dat ze verdere bezuinigingen en een dalende levensstandaard moeten accepteren om geld vrij te maken voor herbewapening en een oorlog waarvan het einde niet in zicht is. Daarvoor lijkt immers altijd geld beschikbaar. Nog maar enkele weken geleden, terwijl de Franse politie traangas inzette tegen tieners, droegen de EU-leiders de Europese Commissie op om voor 2027 nog eens 70 miljard euro voor Oekraïne vrij te maken, boven op de 45 miljard euro die al was toegezegd. De Europese begrotingsregels, die voor scholen en ziekenhuizen nooit werden versoepeld, blijken nu wel te kunnen worden aangepast om hogere defensie-uitgaven mogelijk te maken. Dat gebeurt onder meer via uitzonderingen op de nationale begrotingsregels en gezamenlijke leningen voor de aanschaf van wapens. Dat is jongeren niet ontgaan. Terwijl hun wordt verteld dat er geen geld is voor hun onderwijs, worden er telkens weer miljarden gevonden voor een oorlog waarvan het einde niet in zicht is. En nu de herinvoering van de dienstplicht in Europa opnieuw ter discussie staat, bestaat zelfs de mogelijkheid dat zij straks worden opgeroepen om in die oorlog te vechten. In steeds meer Europese landen leggen jongeren dan ook nadrukkelijk een verband tussen de stijgende kosten van levensonderhoud en de toenemende uitgaven aan herbewapening.
De vraag is dan ook niet zozeer waarom jongeren in opstand komen, maar waarom het zo lang heeft geduurd. De economische oorzaken van de protesten zijn duidelijk. Maar verklaren die alles? De meeste conservatieve commentatoren richten hun aandacht liever op de betrokkenheid van jongeren met een Arabische of Afrikaanse migratieachtergrond. Daarbij benadrukken ze de prominente rol die deze jongeren zouden spelen bij het geweld en de plunderingen, met name in Frankrijk, maar ook in Italië. Voor een groot deel van rechts vormen de rellen vooral een bevestiging van wat het al jarenlang beweert: dat massale immigratie rampzalige gevolgen heeft gehad en dat Europese steden inmiddels een omvangrijke, overwegend islamitische onderklasse kennen die niet zou willen integreren. In de meest extreme versie van dit verhaal worden deze jongeren zelfs afgeschilderd als mensen die erop uit zijn de fundamenten van de westerse beschaving te vernietigen, soms met steun van ‘extreemlinks.’ Ondertussen krijgen de eisen van de overgrote meerderheid van de demonstranten, die vreedzaam protesteren, nauwelijks aandacht.
Hierin schuilt een zekere ironie. Populistisch rechts wordt er niet moe van te verkondigen dat een ‘mondialistisch establishment’ Europa heeft verarmd en zijn industrie heeft ontmanteld. Maar zodra jongeren de straat opgaan om tegen datzelfde establishment en de gevolgen van zijn beleid te protesteren, soms met geweld, weigert populistisch rechts te erkennen dat hun onvrede misschien wel degelijk gegrond is. In plaats daarvan wordt vrijwel automatisch aangenomen dat er anderen achter de protesten zitten en aan de touwtjes trekken: islamisten, Antifa of Mélenchon.
Het is natuurlijk terecht om onderscheid te maken tussen de vreedzame demonstraties waarin economische hervormingen worden geëist en de rellen en plunderingen die met sommige protesten gepaard gingen. Maar gaat het werkelijk om twee volstrekt verschillende verschijnselen? Het valt moeilijk te ontkennen dat bij een aanzienlijk deel van de plunderingen, zowel in Frankrijk als in Italië, jongeren van de tweede generatie met een migratieachtergrond betrokken waren. Zij kwamen vooral uit de Franse banlieues en de achtergestelde buitenwijken van Italiaanse steden. Aan hun optreden leek geen duidelijke politieke ideologie ten grondslag te liggen. Evenmin heeft het zin om de maatschappelijke kosten van grootschalige immigratie te ontkennen, of het nu gaat om de gevolgen voor de openbare veiligheid of de toenemende druk op de publieke voorzieningen.
Veel van de mensen die bij het geweld betrokken waren, handelden duidelijk uit opportunisme. Tegelijkertijd vormt de groei van geïsoleerde gemeenschappen met uiteenlopende sociale en religieuze achtergronden, waarvan de bewoners vaak in sterk achtergestelde omstandigheden leven en nauwelijks aansluiting vinden bij de rest van de samenleving, een sociale tijdbom. Deze ontwikkeling heeft de maatschappelijke samenhang nu al ernstig aangetast. Wie aan de linkerkant van het politieke spectrum deze werkelijkheid ontkent, is even kortzichtig als wie zich er aan de rechterkant volledig op blindstaart en alle andere oorzaken buiten beschouwing laat.
Je zou zelfs nog een stap verder kunnen gaan en stellen dat grootschalige immigratie zelf onderdeel is geweest van het neoliberale beleid van de afgelopen decennia, onder meer doordat daarmee een groot aanbod van goedkope arbeidskrachten werd gecreëerd. Ook valt te betogen dat relschoppers die tijdens vreedzame demonstraties vernielingen aanrichten, de zaak van de demonstranten juist ondermijnen. Hun geweld leidt de aandacht af van de eisen van de demonstranten en biedt de autoriteiten een voorwendsel om hard in te grijpen. Er zijn zelfs beschuldigingen geuit dat de Franse politie de vernielingen bewust heeft laten gebeuren om grootschalig repressief optreden te kunnen rechtvaardigen.
Dit zijn allemaal steekhoudende argumenten. Maar ze roepen ook een voor de hand liggende vraag op: waarom richten jongeren die tegen de gevestigde orde in opstand komen hun woede niet op deze immigranten, maar trekken ze juist vaak samen met hen op? Zijn ze simpelweg verblind door een naïeve linkse ideologie? Of speelt er iets fundamentelers? Waarschijnlijker is dat deze jongeren hun strijd in de eerste plaats zien als die van een generatie die zich tekortgedaan voelt. Dat gedeelde gevoel overstijgt etnische en, tot op zekere hoogte, ook sociale en economische scheidslijnen. Die verklaring lijkt veel overtuigender dan de zogenoemde ‘islamo-gauchiste-theorie.’ Volgens deze theorie is de samenwerking tussen jongeren met verschillende etnische achtergronden geen uiting van spontane solidariteit, maar het resultaat van bewuste politieke aansturing door linkse partijen, zoals La France Insoumise (LFI) van Jean-Luc Mélenchon. In Frankrijk speelt die politieke invloed misschien tot op zekere hoogte een rol. Maar in Italië gaat die verklaring niet op. Daar bestaat geen partij die vergelijkbaar is met LFI, evenmin als een soortgelijk bondgenootschap tussen links en islamitische kiezers. Toch gingen ook daar, net als elders in Europa, jongeren met uiteenlopende achtergronden gezamenlijk de straat op.
Maar het is ook misleidend – en al te makkelijk – om het geweld uitsluitend toe te schrijven aan jongeren van de tweede generatie met een migratieachtergrond. Ook jongeren zonder migratieachtergrond hebben eraan deelgenomen. Onder de relschoppers die onlangs in Milaan de straat op gingen, bevonden zich zowel jongeren van Italiaanse afkomst als jongeren uit immigrantengezinnen. Daarom moeten we ons ook afvragen in hoeverre dit geweld voortkomt uit frustratie over een politiek systeem dat nauwelijks mogelijkheden biedt om wezenlijke veranderingen tot stand te brengen. Dat is geen rechtvaardiging van het geweld. Geweld op zichzelf draagt immers niets bij aan maatschappelijke emancipatie. Maar we kunnen niet voorbijgaan aan een ongemakkelijke waarheid: een steeds autoritairder wordend politiek systeem, dat fundamentele democratische veranderingen actief tegenhoudt, zal onvermijdelijk geweld oproepen wanneer er geen organisaties of socialw bewegingen meer zijn die een brug kunnen slaan tussen de machthebbers en de bevolking. Zonder politieke krachten die de onvrede kunnen kanaliseren, de protesten richting en inhoud kunnen geven en ze kunnen verbinden aan een breder streven naar maatschappelijke emancipatie, dreigt die onvrede zich steeds vaker in geweld te uiten. Daar komt nog een harde demografische werkelijkheid bij: jongeren vormen in alle Europese samenlevingen een minderheid. Alleen op basis van hun gedeelde generatiebelangen kunnen ze geen verkiezingen winnen.
Maar het geweld – en vooral de doelbewuste plunderingen – is ook een uiting van een dieperliggende sociale malaise, die verder gaat dan economische problemen. Het weerspiegelt de nihilistische leegte waarin westerse samenlevingen steeds verder zijn weggezakt. Wanneer individualisme, een gebrek aan zingeving, angst en wanhoop de boventoon voeren, hoeft het ons niet te verbazen dat dit leidt tot collectieve neerslachtigheid of woede. In een tijd waarin het morele verval op alle niveaus van de westerse samenleving zichtbaar is, en vooral onder politieke en economische elites die stelselmatig weinig respect tonen voor zowel mensenlevens als andermans eigendom, is het dan niet enigszins misplaatst om van de jongste en meest achtergestelde groepen te verwachten dat zij hogere morele normen hanteren dan hun eigen leiders?
In een artikel over de rellen in Engeland in 2011 omschreef de Duitse sociaalpsycholoog Götz Eisenberg deze jongeren als de ‘overbodige generatie’: jongeren die in de ogen van de samenleving niet langer nodig zijn, wier arbeid makkelijk vervangbaar is en die nauwelijks nog de kans krijgen om op eigen kracht een zelfstandig bestaan op te bouwen. Tegelijkertijd worden ze voortdurend verleid met de belofte dat ze zichzelf door consumptie kunnen ontplooien, terwijl de welvaart die daarvoor nodig is steeds verder buiten hun bereik raakt. Vijftien jaar later is zijn analyse actueler dan ooit. Groot-Brittannië blijft een sociaal kruitvat dat ieder moment opnieuw tot ontploffing kan komen. Geweld biedt geen oplossing voor maatschappelijke problemen, maar ontstaat ook niet uit het niets. Wanneer politieke en economische machtsstructuren onpersoonlijk en ongrijpbaar zijn geworden, richt de woede zich op de meest zichtbare symbolen ervan, zoals een boetiek van Louis Vuitton. De etalage van een luxewinkel kun je inslaan; financiële markten en bezuinigingsbeleid niet.
Dat neemt niet weg dat we niet de fout moeten maken te denken dat de demonstranten een hele generatie vertegenwoordigen. Want binnen diezelfde generatie groeit ook de steun voor rechtse anti-immigratiepartijen. Bij de Franse verkiezingen van 2024 stemde een derde van de jongeren onder de 25 jaar op het Rassemblement National. In Duitsland bracht vorig jaar meer dan een kwart van de jonge mannen zijn stem uit op de AfD. De woede over de gevestigde orde komt voort uit vergelijkbare gevoelens van onvrede, maar vertaalt zich in tegengestelde politieke keuzes. De vraag is of de Europese politici, zowel de huidige machthebbers als hun ‘populistische’ uitdagers, werkelijk oplossingen voor deze problemen te bieden hebben.
Om tegemoet te komen aan de eisen van de demonstranten, zou een fundamentele verandering van het huidige systeem nodig zijn. Dat betekent meer overheidsinvesteringen in onderwijs en huisvesting, hogere lonen, meer baanzekerheid, een eerlijkere verdeling van de welvaart – waarbij de lasten terechtkomen bij degenen die daadwerkelijk grote vermogens vergaren, en niet bij gepensioneerden in het algemeen – en een rationeler energiebeleid. Vooral dat laatste zou een ingrijpende koerswijziging in het Europese geopolitieke denken vereisen. Het is echter moeilijk voor te stellen hoe al deze veranderingen binnen de huidige structuren van de EU en de NAVO kunnen worden verwezenlijkt. Geen enkele grote politieke partij lijkt bereid die structuren fundamenteel ter discussie te stellen. Ondertussen is het idee dat de problemen van vervreemde jongeren van de tweede generatie met een migratieachtergrond kunnen worden opgelost door nog harder tegen hen op te treden – of zelfs door middel van ‘remigratie’ – weinig meer dan een illusie.
De vraag is dan ook of de Europese jongeren erin kunnen slagen het voorbeeld van Servië te volgen. Ook dat land kampt met een vergrijzende en krimpende bevolking. Toch wist de studentenbeweging er een breed maatschappelijk draagvlak op te bouwen, met steun van verschillende generaties. Dat lukte mede doordat de beweging zich niet liet leiden door traditionele politieke ideologieën, maar mensen wist te verenigen rond een eenvoudige, partijoverstijgende oproep tot verandering. Het is ironisch dat zoiets tegenwoordig moeilijker te verwezenlijken lijkt in het ‘liberaal-democratische’ Westen dan in een land dat doorgaans als autoritair wordt bestempeld.
Andreas Malm is universitair hoofddocent menselijke ecologie aan de universiteit van Lund in Zweden. Hij schreef verschillende lovend ontvangen boeken, waaronder White Skin, Black Fuel: On the Danger of Fossil Fascism, dat hij samen met het Zetkin Collective publiceerde. Zijn boek How to Blow Up a Pipeline, bij Starfish Books in Nederlandse vertaling verschenen als Eco-sabotage, werd een internationale bestseller en is inmiddels ook verfilmd.
Klimaatwetenschapper Andreas Malm mag het Verenigd Koninkrijk niet binnen
De Zweedse auteur zou samen met een medeoprichter van Palestine Action spreken tijdens een evenement over het verbod van de groep
Andreas Malm, klimaatwetenschapper en auteur van How to Blow Up a Pipeline, is de toegang tot het Verenigd Koninkrijk geweigerd. Dat gebeurde kort voordat hij zou deelnemen aan een bijeenkomst met een van de medeoprichters van de verboden organisatie Palestine Action.
Immigratieambtenaren lieten Malm weten dat zijn aanwezigheid in het Verenigd Koninkrijk ‘mogelijk niet in het algemeen belang wordt geacht.’ Malm noemde het besluit ‘schandalig’ en riep de regering op het te heroverwegen.
Malm zou samen met Huda Ammori, medeoprichter van Palestine Action, het woord voeren. Naar verwachting zouden zij ingaan op de gevolgen van het verbod op de organisatie. Daarbij zou ook de situatie van schrijfster Sally Rooney aan bod komen, die vanwege haar steun aan Palestine Action haar boeken niet langer in het Verenigd Koninkrijk mag verkopen.
Rooney noemde het besluit om Malm de toegang tot het Verenigd Koninkrijk te ontzeggen ‘een trieste en angstaanjagende vorm van culturele zelfbeschadiging.’
Het evenement van Tribune was bewust gepland rond de behandeling van een rechtszaak tegen het verbod van Palestine Action, die aanstaande woensdag bij het Hooggerechtshof begint. Tijdens zijn verblijf in Londen zou Malm bovendien worden geïnterviewd voor het BBC Radio 4-programma Radical With Gabriel Gatehouse.
Malm verklaarde: ‘Ik ben diep geschokt dat mij zo plotseling de toegang tot het Verenigd Koninkrijk is ontzegd. Ik kom er al tientallen jaren. Ik heb er archiefonderzoek gedaan voor mijn proefschrift, lezingen gegeven aan tientallen universiteiten en aan nog veel meer conferenties deelgenomen.’
Malm riep de regering op haar besluit te heroverwegen. ‘Tot nu toe bestond de indruk dat de regering-Burnham iets meer respect had voor fundamentele beginselen als de vrijheid van meningsuiting en andere democratische rechten. Ik roep de regering dan ook op dit besluit terug te draaien,’ zei hij.
Rooney verklaarde: ‘Andreas Malm is een van de meest briljante en invloedrijke intellectuelen die momenteel in Europa werkzaam zijn. Dat de Britse regering hem de toegang tot het Verenigd Koninkrijk ontzegt, is niet alleen een schandalige aanval op een gerespecteerde klimaatonderzoeker, maar ook een trieste en angstaanjagende vorm van culturele zelfbeschadiging.’
Oliver Eagleton, hoofdredacteur van Tribune, zei: ‘Het ironische is dat Andreas juist naar Londen zou komen om tijdens onze bijeenkomst te spreken over de ongekende aanvallen op de vrijheid van meningsuiting als gevolg van het verbod op Palestine Action. Daarbij zou ook het feitelijke verbod op de boeken van Sally Rooney aan bod komen. Maar nu wordt hem zelf de toegang tot het land ontzegd.’
‘Hem wordt het zwijgen opgelegd omdat hij zich uitspreekt tegen censuur. Orwelliaanser kan het haast niet. Het is beschamend dat de regering van Andy Burnham doorgaat met het autoritaire machtsmisbruik dat we al onder Keir Starmer zagen. In deze dystopische nieuwe werkelijkheid is het in Groot-Brittannië inmiddels bijna normaal geworden dat schrijvers en wetenschappers als terroristen worden behandeld omdat ze hun steun uitspreken voor Palestijnen die met genocide worden geconfronteerd, en opkomen voor de rechten van mensen die daartegen protesteren.’
De boeken van Malm zijn bekroond met internationale prijzen en hebben veel mensen geïnspireerd om zich in te zetten voor milieurechtvaardigheid en de rechten van Palestijnen. Zijn boek How to Blow Up a Pipeline werd verfilmd onder dezelfde titel. Malm bezocht het Verenigd Koninkrijk regelmatig om lezingen te geven aan universiteiten, waaronder Oxford, King’s College London en Cambridge.
Andreas Malm de toegang tot het VK geweigerd om te spreken op een Tribune-evenement
Het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken heeft de prominente voorvechter van klimaatrechtvaardigheid en Palestijnse rechten de toegang tot het Verenigd Koninkrijk geweigerd. Politici, wetenschappers en schrijvers hebben het besluit scherp veroordeeld als een schandalige vorm van censuur.
De prominente Zweedse klimaatonderzoeker Andreas Malm is de toegang tot het Verenigd Koninkrijk ontzegd. Het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken liet hem deze week weten dat zijn elektronische reisvergunning (ETA) was ingetrokken.
Als reden gaf het ministerie op dat zijn ‘aanwezigheid in het Verenigd Koninkrijk niet in het algemeen belang wordt geacht.’
Het besluit heeft wereldwijd felle kritiek uitgelokt van politici, wetenschappers, kunstenaars en schrijvers, die het veroordelen als een schandalige vorm van censuur. Malms uitgever, Verso Books, verklaarde: ‘In de ruim 55 jaar dat onze uitgeverij bestaat, heeft nog nooit een Britse regering een van onze auteurs het recht ontzegd om het land binnen te komen.’
‘Ronduit schandalig’
Burgers uit Europese landen, Australië, Canada en diverse andere landen hebben een elektronische reisvergunning (ETA) nodig om zonder visum naar het Verenigd Koninkrijk te kunnen reizen.
Malm zou naar Londen komen om te spreken tijdens de presentatie van het nieuwste nummer van Tribune, met als titel ‘Empire Now.’ Daarnaast zou hij deelnemen aan een wetenschappelijke conferentie en te gast zijn bij de BBC.
‘Ik ben diep geschokt dat mij zo plotseling de toegang tot het Verenigd Koninkrijk is ontzegd’, zei Malm.
‘Ik kom er al tientallen jaren. Ik heb er archiefonderzoek gedaan voor mijn proefschrift, lezingen gegeven aan tientallen universiteiten en aan nog veel meer conferenties deelgenomen.’
‘Ik heb het Verenigd Koninkrijk altijd gezien als een centrum van intellectueel debat, waar uiteenlopende opvattingen en wetenschappelijke inzichten vrijelijk kunnen worden uitgewisseld.’
Malm noemde het ‘ronduit schandalig’ dat hem nu werd belet deel te nemen aan een paneldiscussie en als gast op te treden bij de BBC.
De Zweedse wetenschapper, die bekendstaat om zijn activisme en publicaties over onder meer milieurechtvaardigheid en de rechten van Palestijnen, heeft diverse prestigieuze internationale prijzen ontvangen.
Zijn boek How to Blow Up a Pipeline: Learning to Fight in a World on Fire werd verfilmd tot een Hollywood-actiethriller.
In zijn essay voor het jongste nummer van Tribune betoogt Malm dat de tweede regering-Trump bezig is een ‘ultrafossiel imperium’ op te bouwen, waarin oorlog, fascisme en de klimaatcrisis steeds nauwer met elkaar verweven raken.
Dystopisch Groot-Brittannië
Het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken gebruikte dezelfde reden om Malm de toegang tot het land te weigeren als in juni van dit jaar bij de Amerikaanse politieke commentatoren Hasan Piker en Cenk Uygur. Ook hun elektronische reisvergunningen (ETA’s) werden ingetrokken door de Labour-regering, die destijds nog onder leiding stond van Keir Starmer.
Ook onder leiding van Andy Burnham lijkt de Britse regering door te gaan met het weren van prominente linkse denkers en activisten.
De Britse autoriteiten hebben Malm laten weten dat hij, nu zijn elektronische reisvergunning (ETA) is ingetrokken, een regulier bezoekersvisum, transitvisum of visum voor tijdelijk werk moet aanvragen. Volgens advocaten die met Tribune spraken, betekent de intrekking van zijn ETA in de praktijk echter dat hem de toegang tot het Verenigd Koninkrijk is ontzegd. Tribune heeft het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken om een reactie gevraagd.
Ook schrijfster Sally Rooney heeft het besluit scherp veroordeeld. Vanwege haar steun aan Palestine Action worden haar boeken in het Verenigd Koninkrijk uit de handel genomen, waardoor ze daar in de praktijk niet langer verkrijgbaar zijn.
‘Andreas Malm is een van de meest briljante en invloedrijke intellectuelen die momenteel in Europa werkzaam zijn,’ aldus Rooney. ‘Dat de Britse regering hem de toegang tot het Verenigd Koninkrijk ontzegt, is niet alleen een schandalige aanval op een gerespecteerde klimaatonderzoeker, maar ook een trieste en angstaanjagende vorm van culturele zelfbeschadiging.’
Jeremy Corbyn noemde de maatregel ‘absurd en schandalig’. ‘We weten heel goed waarom de regering dit besluit heeft genomen’, zei hij. ‘Ze wil kritiek op Israël en op haar eigen medeplichtigheid aan genocide het zwijgen opleggen. Maar dat zal haar niet lukken.’
Ook Labour-parlementslid Clive Lewis uitte scherpe kritiek op de regering: ‘Wanneer een regering wetenschappers de toegang tot het land begint te ontzeggen vanwege hun politieke opvattingen, moeten alle alarmbellen afgaan. Als ministers bewijs hebben dat Andreas Malm een gevaar vormt, moeten ze dat openbaar maken.’ Anders lijkt dit verdacht veel op politieke censuur onder het mom van openbare veiligheid. En dat is voor elke democratie een gevaarlijke ontwikkeling.’
Ook de voormalige Griekse minister van Financiën Yanis Varoufakis reageerde fel: ‘Als het erop aankomt critici van de genocide op de Palestijnen het zwijgen op te leggen, is de nieuwe premier even autoritair en harteloos als zijn voorganger. […] Laat Andreas Malm aan het woord. En laat Tribune zijn nieuwe nummer presenteren zonder dat de staat bepaalt wie er wel en niet mag spreken.’
We laten ons niet het zwijgen opleggen
George Monbiot, columnist bij The Guardian, noemde het besluit ‘een schandelijke poging van de Britse regering om de vrijheid van meningsuiting aan banden te leggen.’ Hij wees op de schrijnende tegenstelling: ‘Mensen die opkomen voor de rechten van de Palestijnen, terwijl die worden geconfronteerd met een van de best gedocumenteerde genocides uit de geschiedenis, worden beschouwd als een bedreiging voor het algemeen belang. Tegelijkertijd worden degenen die deze genocide voortzetten, steunen of eraan medeplichtig zijn, met open armen ontvangen.’
Bestsellerauteur en historicus Adam Tooze sprak van ‘een schandelijk besluit om een van de belangrijkste denkers van onze tijd, en een van de meest welbespraakte stemmen in het publieke debat, in het Verenigd Koninkrijk het woord te ontnemen’. Priyamvada Gopal, hoogleraar aan de universiteit van Cambridge, stelde dat het besluit ‘laat zien hoe ver deze regering bereid is te gaan om legitieme meningsuitingen over een van de belangrijkste mondiale kwesties van onze tijd te onderdrukken.’
Tribune vroeg ook de bekroonde kunstenaar Anish Kapoor, Commandeur in de Orde van het Britse Rijk (CBE), om een reactie op het besluit van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Zijn antwoord bestond uit slechts twee woorden: ‘Een schande.’
Hoofdredacteur Oliver Eagleton benadrukte dat de presentatie van het nieuwe nummer op woensdag 4 november gewoon doorgaat. Malm zal het publiek via een videoboodschap toespreken.
Zowel Tribune als uitgeverij Verso zal campagne voeren om het besluit teruggedraaid te krijgen. De regering lijkt te denken dat ze, door critici de toegang tot het land te ontzeggen, kan voorkomen dat hun ideeën een breed publiek bereiken. Maar daarin vergist ze zich. Die ideeën zullen zich blijven verspreiden. Daar zullen wij voor zorgen.
Verklaring naar aanleiding van de weigering om Andreas Malm toe te laten tot het Verenigd Koninkrijk
Andreas Malm, auteur bij uitgeverij Verso, is in de aanloop naar de Historical Materialism Conference de toegang tot het Verenigd Koninkrijk ontzegd. Tariq Ali heeft hierover de volgende verklaring afgelegd.
Verso Books is geschokt en diep verontrust over het besluit van de Labour-regering om een van onze belangrijkste auteurs, Andreas Malm, de toegang tot het Verenigd Koninkrijk te ontzeggen. In ons ruim 55-jarige bestaan als uitgeverij is het nog nooit voorgekomen dat een Britse regering een van onze auteurs het recht heeft ontnomen het land binnen te komen.
Malm geldt wereldwijd als een vooraanstaand deskundige op het gebied van klimaatverandering en geniet grote erkenning onder vakgenoten. Zijn boeken hebben internationale prijzen gewonnen, talloze mensen geïnspireerd om in actie te komen voor milieurechtvaardigheid en de rechten van Palestijnen, en als inspiratie gediend voor een grote Hollywoodfilm.
Hij bezoekt regelmatig het Verenigd Koninkrijk om lezingen te geven aan universiteiten, waaronder Oxford, King’s College London en Cambridge. De bewering dat zijn aanwezigheid ‘niet in het algemeen belang wordt geacht’ is ronduit belachelijk. Het is juist de schandalige politieke censuur van het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken die het algemeen belang schaadt. Veel parlementsleden weten dat maar al te goed.
Omdat er geen enkele reden voor het toegangsverbod is gegeven, kunnen we alleen maar aannemen dat het te maken heeft met Andreas’ standpunten over Palestina. Die wijken niet af van de bevindingen van het Internationaal Strafhof (ICC) en verschillende VN-commissies.
Alleen een zwakke en laffe regering probeert op deze manier afwijkende opvattingen het zwijgen op te leggen. Geen enkele eerdere Britse regering – of die nu conservatief was, van Labour of van New Labour – heeft de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van denken op deze manier aangetast. Soms verboden ze boeken, maar nooit de schrijvers ervan.
Verso Books veroordeelt iedere poging om kritische stemmen het zwijgen op te leggen en blijft pal achter schrijvers en wetenschappers staan die zich uitspreken over belangrijke maatschappelijke kwesties en bijdragen aan een vrij en open intellectueel debat.
Wij roepen de Britse regering op de elektronische reisvergunning van Andreas Malm onmiddellijk te herstellen en hem alsnog toegang tot het Verenigd Koninkrijk te verlenen.
Andrea Zhok is een Italiaanse filosoof en hoogleraar ethiek en moraalfilosofie aan de universiteit van Milaan. Hij staat bekend om zijn kritische beschouwingen over het moderne liberalisme, het kapitalisme, en de gevolgen van digitalisering en sociale media voor de samenleving. Met zijn werk mengt hij zich zowel in het academische als in het publieke debat in Italië.
De beelden van het stadhuis van het Franse Limoges, dat in vlammen opgaat terwijl de klokkentoren instort, zijn de hele wereld overgegaan. Dergelijke vernielingen kunnen alleen maar worden veroordeeld, net als de plunderingen die tijdens de protesten op veel plaatsen in Frankrijk plaatsvonden.
Maar als we het bij die veroordeling laten, vervallen we in een typisch kleinburgerlijke, conservatieve reactie. Die is misschien begrijpelijk, maar getuigt ook van een schrijnend gebrek aan inzicht. Wie alleen maar verontwaardigd is over uitgebrande auto’s en ingeslagen winkelruiten, zonder zich af te vragen wat daarachter schuilgaat, laat zien nog altijd niet te beseffen hoe ernstig de situatie is waarin we ons bevinden.
Wat we in Frankrijk zien, en inmiddels in uiteenlopende vormen ook in andere Europese landen, zoals Spanje, Portugal, Albanië, België en Italië, is allerminst een irrationele uitbarsting. Sommige historische gebeurtenissen lijken onbegrijpelijk wanneer je ze uitsluitend vanuit een lokaal perspectief bekijkt, maar vertonen een duidelijke samenhang en logica zodra je er van enige afstand naar kijkt.
Dat iets een rationele verklaring heeft, betekent niet dat het zonder leed gepaard gaat of dat er geen onrecht wordt gepleegd. We moeten daarom in staat zijn de gebeurtenissen op twee niveaus tegelijk te bekijken. Enerzijds kunnen we afzonderlijke daden en het gedrag van bepaalde personen veroordelen als barbaars, onbeschaafd of vandalisme. Anderzijds moeten we begrijpen dat de geschiedenis een rivier is waarin altijd puin en lijken meedrijven, maar die zich niet laat tegenhouden door morele preken.
Wat er gebeurt, volgt een onverbiddelijke collectieve logica, ook al begrijpen de deelnemers die zelf vaak maar ten dele, of helemaal niet. De Europese bevolking ervaart haar politieke machthebbers al jarenlang als een anoniem, technocratisch apparaat: een ondoordringbare muur die zich op de automatische piloot voortbeweegt, zonder zich iets aan te trekken van de behoeften van gewone mensen. De technocratische elites, die nauw verweven zijn met de financiële wereld, hebben erop gegokt dat ze het maatschappelijk bewustzijn konden verdoven met de moderne opium voor het volk: de media, met hun eindeloze stroom van amusement en infotainment. Wie desondanks in opstand kwam, kon met repressieve maatregelen in toom worden gehouden: hier een klap met de wapenstok, daar een geblokkeerde bankrekening, hier een aanpassing van de kieswet, daar de nietigverklaring van verkiezingen, enzovoort.
Het algemene, stilzwijgende en nauwelijks betwiste uitgangspunt van de Europese leiders is dat er met gewone burgers niet te praten valt, maar dat ze alleen in het gareel gehouden kunnen worden door afwisselend beloningen uit te delen en met straf te dreigen: de bekende wortel-en-stokmethode. Vrijwel alles wat in het openbaar wordt gezegd, is een leugen die een bepaald doel dient. Alleen wanneer de waarheid zelf als politiek instrument kan worden gebruikt, wordt daarvan afgeweken. Het publieke debat is zo verworden tot een eindeloze schijnvertoning, waarbij steeds minder moeite wordt gedaan om zelfs maar de indruk van geloofwaardigheid te wekken.
Zo gelooft niemand met enig gezond verstand werkelijk dat Rusland op het punt staat ons binnen te vallen. Toch weerhoudt dat talloze woordvoerders van de gevestigde orde er niet van om die boodschap dagelijks met een ernstig gezicht te herhalen. En natuurlijk weet iedereen dat achter deze door sensatiebeluste media opgeklopte verhalen uiteindelijk maar één doel schuilgaat: de vrijheid om naar eigen goeddunken over publieke middelen te beschikken en die in te zetten voor particuliere belangen. Dat is de enige constante in een wereld van steeds wisselende omstandigheden.
Kortom, de heersende elites zijn er allang aan gewend geraakt de bevolking te behandelen als een dom, redeloos wezen waarmee geen serieus gesprek mogelijk is. Die bevolking moet enerzijds met kleine tegemoetkomingen en selectieve privileges tevredengesteld en anderzijds zoveel mogelijk machteloos gemaakt worden.
En dit mechanisme kan werken, zelfs heel lang.
Tot het plotseling niet meer werkt.
En dat moment breekt aan wanneer te veel mensen zó veel te verliezen hebben dat ze het zich niet langer kunnen veroorloven om passief te blijven. Met ‘te veel verliezen’ bedoel ik niet dat mensen letterlijk van de honger omkomen. In een moderne samenleving kunnen mensen al lang voordat dat het geval is in een situatie van ondraaglijke armoede en ontbering verzeild raken. Tegenwoordig betekent dit bijvoorbeeld dat mensen die zich geen auto of internetverbinding kunnen veroorloven, waardoor ze steeds meer worden buitengesloten. Ze verliezen de toegang tot werk, sociale contacten en de samenleving als geheel. Dat auto’s en mobiele telefoons ooit luxegoederen waren, doet er niet toe. Inmiddels zijn ze voor een groot deel van de bevolking onmisbaar geworden om aan het maatschappelijk leven te kunnen deelnemen. Wie er geen toegang toe heeft, dreigt buiten de samenleving te vallen. Het is het verschil tussen werkelijk leven en alleen maar bestaan.
De gewone bevolking, jarenlang behandeld als een verzameling lastdieren en zo nu en dan afgescheept met panem et circenses (brood en spelen), slechtbetaalde baantjes en televisiepropaganda, zal zich, zodra dit systeem vastloopt, weinig meer aantrekken van oproepen tot fatsoen, respect voor andermans eigendom of eerbied voor historische monumenten. En zulke oproepen zullen haar dan ook niet meer bereiken.
Wie auto’s, historische gebouwen en winkels in brand steekt, geeft blijk van een gebrek aan cultureel en moreel besef. Maar de werkelijke verantwoordelijkheid ligt bij de heersende elites. Zij hebben die achterstand bewust in stand gehouden en zelfs bevorderd, in de overtuiging dat dit hun eigen belangen zou dienen. Zij zijn het die daarvoor ter verantwoording zouden moeten worden geroepen.
Vandaag staat de snelkookpan op springen. Zelfs als de huidige protestgolf wegebt, is dit nog maar het begin. De Europese machthebbers beschikken immers noch over de middelen, noch over het politieke en culturele vermogen om het roer werkelijk om te gooien. Dus maak je veiligheidsgordels maar vast, want we stevenen af op een harde botsing.
De erfgenamen van Agamemnon bevinden zich in Silicon Valley
Christopher Nolans The Odyssey heeft het epos van Homerus opnieuw een prominente plaats in de populaire cultuur gegeven – een prestatie die alle lof verdient. Veel mensen hebben me gevraagd de film te recenseren, maar dat heb ik geweigerd. Dat ik Griek ben, geeft me immers geen bijzonder recht om me uit te spreken over een werk dat van iedereen is: een verhaal dat door de eeuwen heen en over taalgrenzen heen heeft gereisd en een plaats heeft gevonden in de verbeelding van mensen overal ter wereld. Daarom wil ik me voorlopig beperken tot enkele thema’s uit het werk van Homerus en de film van Nolan, om daarmee opnieuw te kijken naar hedendaagse ontwikkelingen die me ’s nachts uit mijn slaap houden.
Van de steeds schaarser wordende intellectuele publicaties tot de explosief groeiende sociale media: overal lijkt de aandacht gericht op de botsing tussen techno-optimisten en technofoben. Is efficiëntie belangrijker dan rechtvaardigheid? Zal AI ons bevrijden of juist tot slaaf maken? Deze discussies blijven vaak in dezelfde kringetjes ronddraaien en bevestigen vooral bestaande overtuigingen, in plaats van nieuwe inzichten op te leveren. Om werkelijk over deze vragen na te denken, doen we er goed aan om terug te keren naar de denkers uit de oudheid. Zij wisten immers het een en ander over het blootleggen van de essentie der dingen.
Het hart van Homeros’ Ilias wordt gevormd door het verhaal van een langdurige staking. In achttien van de vierentwintig boeken heeft Achilles, de beste krijger van de Grieken, zijn wapens neergelegd. Woedend op zijn meerdere, Agamemnon, de koning van de Achaeërs, weigert hij zijn tent te verlaten en aan de strijd deel te nemen. Zijn woede is ontstaan nadat Odysseus hem had bezocht met het bevel van de koning om de buit van een eerdere confrontatie met de Trojanen in beslag te nemen. Homeros stelt Odysseus hier dus niet zozeer voor als de listige held die we later leren kennen, maar als boodschapper, als de dienaar van een autoritaire vorst. Pas wanneer de Trojanen Achilles’ beste vriend Patroclus doden, wordt zijn verlangen naar wraak sterker dan zijn woede op Agamemnon. Hij beëindigt zijn staking, verlaat zijn tent en keert terug naar het slagveld.
Op dat moment smeekt Achilles’ moeder Thetis aan Hephaestos – de god van het ambacht en misschien wel de enige werkelijk nuttige Olympische god – om voor haar zoon een nieuwe wapenrusting te smeden. Hephaestos is Thetis dankbaar omdat zij zich over hem ontfermde toen hij van de Olympus was verbannen, en gaat in zijn vulkanische smidse aan het werk. Uit de vurige duisternis smeedt hij een schitterende wapenrusting: een schild, een helm, een borstharnas en beenplaten. Vooral het schild is indrukwekkend. Het is rijk versierd met taferelen uit het aardse bestaan: oorlog en vrede, de kosmos en menselijke arbeid. Het vormt als het ware een verbeelding van de hele menselijke wereld. Dit is meer dan meesterlijk smeedwerk. Het is goddelijk vakmanschap, bezield met een kracht die geen sterfelijke smid zou kunnen voortbrengen. Het is een geschenk van een god, niet het resultaat van menselijke arbeid of intelligentie – alsof Homeros ons eraan wil herinneren dat ware geschenken van onschatbare waarde zijn.
Tien jaar later ontmoeten we Odysseus opnieuw. Achilles is inmiddels gestorven, maar heeft een belangrijke rol gespeeld bij de verwoesting van Troje. Uiteindelijk gaf Odysseus met zijn list van het houten paard de beslissende aanzet tot de ondergang van de stad – opnieuw een geschenk, maar ditmaal één dat een grote stad ten val bracht. In Nolans film zien we Odysseus tijdens zijn moeizame reis terug naar huis als een man die wordt gekweld door spijt en schuldgevoelens over de manier waarop hij de verslagen Trojanen heeft behandeld. Daar komt het begrijpelijke schuldgevoel van de overlevende bij: de ondraaglijke last dat hij al zijn kameraden één voor één heeft zien sterven, terwijl hij als enige uiteindelijk de kust van Ithaka bereikt. Maar er is één episode die Odysseus’ morele last nog zwaarder had kunnen maken en hem met nog meer – verdiend – schuldgevoel had kunnen opzadelen. Nolan laat die episode echter weg. Het gaat om een verhaal dat Ovidius later aan de overlevering toevoegde en dat de toch al door zijn verleden achtervolgde Odysseus nog meer reden gaf om zich schuldig te voelen.
Nadat Troje was verwoest, zoals Ovidius het in zijn Metamorfosen beschrijft, moesten de Griekse overwinnaars een onderling conflict beslechten tussen Odysseus, hun strateeg, en Ajax, hun geduchtste krijger. De inzet was het goddelijke harnas van Achilles: wie van beiden mocht het mee naar huis nemen? Omdat de Griekse leiders er niet in slaagden tussen hen te bemiddelen, riepen ze een tribunaal bijeen. Daar zouden Odysseus en Ajax hun strijd niet met zwaarden, maar met woorden uitvechten. En er stond veel meer op het spel dan alleen een wapenrusting.
Het betoog van Ajax was eenvoudig: hij had meer gevochten, meer bloed vergoten en meer vijanden gedood. Bovendien was hij bedrevener in het hanteren van zware wapens. Hij had zich nooit achter listen of bedrog verscholen. Anders dan Odysseus, die krankzinnigheid had voorgewend om onder de krijgsdienst uit te komen, had Ajax zonder aarzelen gehoor gegeven aan de oproep om ten strijde te trekken. Het harnas van Achilles kwam hem daarom toe, vond hij: vanwege zijn onmiskenbare moed én omdat hij over de vaardigheden beschikte om ermee te vechten.
Odysseus verraste de aanvoerders door toe te geven dat Ajax moediger was en in een rechtstreeks gevecht van man tegen man meer waard was. Vervolgens verlegde hij de discussie echter van moed en rechtvaardigheid naar doeltreffendheid. ‘Wie heeft de Grieken het beste gediend?,’ vroeg hij. Hij was het immers geweest die ruziënde aanvoerders met elkaar had verzoend, als spion Troje was binnengedrongen en de list met het Paard van Troje had bedacht. Kracht zonder slimheid, zo suggereerde hij, is niet meer dan brute kracht. Niet de spierkracht van Ajax, maar zijn eigen intelligentie had de Grieken de overwinning bezorgd.
Toen het tribunaal de wapens van Achilles aan Odysseus toekende, wierp Ajax zich uit wanhoop op zijn zwaard. Hij kon de vernedering niet verdragen. Zijn dood werd zo een van de vele bronnen van schuld en spijt die Odysseus op zijn terugreis met zich meedroeg. In Nolans vertelling verandert Odysseus gaandeweg van een zelfverzekerde en koelbloedige man van de daad in een introspectief personage, vol twijfel aan zichzelf en daardoor ook menselijker en herkenbaarder. Hij draagt het gewicht van het lot van anderen met zich mee alsof er lood in de voering van zijn mantel is genaaid.
Welke betekenis kan dit verhaal voor de moderne wereld hebben? Er zijn verschillende lessen uit te trekken. Om te beginnen laat het zien hoe wij tegenwoordig bepalen wat iets waard is. Het geschil tussen Ajax en Odysseus zou nu waarschijnlijk niet worden beslecht door een tribunaal of door een confrontatie van morele argumenten, maar op een prestigieuze veiling bij Sotheby’s of Christie’s. Dat niemand daarvan zou opkijken, zegt veel over de verregaande commercialisering van vrijwel alles. We zijn er zo aan gewend geraakt waarde in geld uit te drukken dat we nauwelijks nog in staat lijken iets op waarde te schatten zonder daarbij te kijken naar de omvang van iemands vermogen.
Een tweede inzicht is dat de botsing tussen Ajax’ beroep op rechtvaardigheid en Odysseus’ nadruk op efficiëntie nog altijd voortduurt. Zodra iemand een vermogensbelasting voorstelt om iets van de rechtvaardigheid te herstellen die in onze samenlevingen verloren is gegaan, grijpen de verdedigers van de rijken terug op de redenering van Odysseus: ‘Wie levert de schatkist uiteindelijk het meeste op als we ervoor zorgen dat ze in het land blijven? De superrijken, of de armen, die toch nergens heen kunnen?’
Een derde inzicht ontstaat wanneer we nader kijken naar wat in de verhalen van Homerus en Ovidius eigenlijk de inzet van het conflict was. Wat was de oorlogsbuit waarvan de afname Achilles zo woedend maakte? Het ging om Briseïs, een Trojaanse vrouw die door de Grieken samen met andere vrouwen was ontvoerd en vervolgens als oorlogsbuit en slavin aan Achilles was toegewezen. Toen Agamemnon een van zijn eigen slavinnen moest afstaan om de god Apollo gunstig te stemmen, nam hij Briseïs van Achilles af. Uit woede daarover weigerde Achilles nog langer te vechten en legde hij zijn wapens neer. Homerus laat ons de woede voelen van een man die meent dat hem zijn rechtmatige bezit is ontnomen – alsof Briseïs net zo goed een amfora met kostbare wijn had kunnen zijn, in plaats van een levende, ademende en doodsbange vrouw.
Zijn wij werkelijk zoveel beter? Voordat we onszelf op de borst kloppen omdat de oude Grieken zo primitief waren, doen we er goed aan onze eigen samenleving kritisch te bekijken. Naast de opkomst van een ‘manosfeer,’ waarin patriarchale opvattingen over vrouwen als een vorm van bezit met kracht nieuw leven worden ingeblazen, heeft de voortschrijdende vermarkting ons tot de absurde overtuiging gebracht dat water niet meer is dan handelswaar, studenten klanten zijn, elektriciteitsmarkten een goed idee vormen en kunstmatige koolstofmarkten een doeltreffend middel zijn om onze economie koolstofvrij te maken. En zo kunnen we nog wel even doorgaan.
En dan is er nog het andere twistpunt: de wapenrusting van Achilles. Het tribunaal was in feite een schijnvertoning. De uitkomst stond al vast, hoezeer Ovidius ook probeert de spanning erin te houden. Agamemnon en de andere Griekse leiders hadden hun beslissing allang genomen – zoals ook tegenwoordig schijnprocessen en verhitte parlementaire debatten soms de indruk wekken dat er nog iets te beslissen valt, terwijl de uitkomst elders al is bepaald. De goden schonken de wapenrusting; de machtigen bepaalden wie haar kreeg. Klinkt dat bekend? Misschien lees ik te veel in Ovidius en Homerus, maar ga voor het gemak even met me mee in deze gedachte.
Voor ons ligt een verzameling kapitaalgoederen, gesmeed door Hephaistos. Geen sterveling heeft ze door eigen inspanning voortgebracht. Ze zijn van de Olympus neergedaald als geschenken die hun bezitters krachten verlenen die in geen verhouding staan tot wat zij zelf hebben gepresteerd om ze te verwerven. In het geval van Achilles’ wapens ging het om door de goden vervaardigde vernietigingsmiddelen. Bij andere gelegenheden, zoals toen Prometheus de mensheid het vuur schonk, ging het juist om productiemiddelen. Maar in beide gevallen waren stervelingen bereid elkaar tot de dood toe te bestrijden om het bezit ervan.
Maar terug naar onze toekomst. Laten we de wapens van Hephaistos vervangen door cloudkapitaal: de algoritmen achter Amazons Alexa en, recenter, de grote taalmodellen waarop AI-chatbots draaien. Anders dan de wapenrusting van Achilles worden deze magische instrumenten niet door goddelijke arbeid gesmeed, maar door onze gezamenlijke inspanningen: door iedere aankoop die we doen, iedere zin die we schrijven, iedere afbeelding die we taggen, iedere link waarop we klikken en iedere correctie die we geven aan een chatbot die ons heeft geleerd hem steeds verder te trainen. We hebben deze wapenrusting dus gezamenlijk gesmeed. Maar wij zijn niet degenen die haar mogen dragen. Ze wordt toegewezen – buiten iedere markt, verkiezing of veiling om – door het handjevol bedrijven dat eigenaar is van de algoritmen en datacenters. Deze ‘cloudalisten,’ zoals ik ze noem, zijn de Agamemnons van onze tijd: vanuit hun verheven positie vaardigen ze hun bevelen uit, terwijl wij buiten hun tent wachten op een audiëntie die nooit zal komen.
In het ouderwetse kapitalisme ging uitbuiting tenminste nog gekleed in het gewaad van de markt. Je verkocht je arbeidskracht op een markt die formeel de indruk wekte van een vrije uitwisseling tussen gelijken. Maar die formele vrijheid verdween zodra je de fabriekspoort achter je sloot en ontdekte dat je – om Marx’ vampiermetafoor te gebruiken – werd leeggezogen ‘zolang er nog één spier, pees of druppel bloed te exploiteren viel.’
Het tribunaal van Ovidius was niet meer dan een schijnvertoning rond een besluit dat Agamemnon allang had genomen. Op vergelijkbare wijze verhult de voorstelling van Deliveroo-bezorgers als zelfstandige ‘partners’ hun onzekere positie door die voor te stellen als keuzevrijheid, of zelfs als ondernemerschap. Het technofeodalisme, ons huidige systeem, laat zelfs die schijn varen. Er bestaat geen markt voor wat het algoritme van Amazon besluit je te laten zien, en evenmin voor wat je sociale-mediafeed bepaalt dat je vandaag zou moeten voelen. Er is alleen het dictaat – Agamemnons ‘je moet je aan mijn wil onderwerpen’ – dat nu niet meer door een koning wordt opgelegd, maar door een aanbevelingsalgoritme. En absurd genoeg wordt dat alles verpakt in de taal van ‘personalisatie.’ We hebben de tent van Homerus nooit verlaten; we hebben Agamemnon alleen een datacentrum en een paar AI-agenten gegeven en dat vervolgens vooruitgang genoemd.
En hier duikt een van de oudste trucs rond het begrip vrijheid weer op. Vrijheid, zo betoog ik al lange tijd, kan niet simpelweg worden opgevat als een afgebakend domein waarbinnen iedere vorm van overheersing is uitgesloten. Want daarmee ga je voorbij aan de vraag wie de grenzen van dat domein heeft bepaald en in hoeverre het trekken van die grenzen zelf al een vorm van onderwerping was. Silicon Valley heeft deze constructie geperfectioneerd. Je bent ‘vrij’ om de app af te sluiten, vrij om cookies te weigeren, vrij om het platform te verlaten waarop inmiddels je vrienden, je klanten en vrijwel je hele sociale bestaan te vinden zijn. Vrij, kortom, zoals een reiziger in de woestijn vrij is om geen water te kopen van de enige verkoper die er is. Dat is geen vrijheid, maar lijfeigenschap vermomd als keuzevrijheid. Marktuitwisseling heeft plaatsgemaakt voor digitale leengoederen, en de heren die daarover heersen, onderhandelen niet.
Dat brengt ons bij het huishouden dat Odysseus probeert terug te winnen. Nolan wil dat we uit zijn Odyssey vooral de angst en waardigheid van de nostos meenemen: de lange, vernederende strijd waarin Odysseus met list en volharding probeert terug te krijgen wat van hem is, nadat anderen zich er tijdens zijn afwezigheid meester van hebben gemaakt. Terwijl Odysseus weg is, dingen de vrijers niet alleen naar de hand van Penelope. Ze plunderen ook zijn landgoed, slachten zijn vee, drinken zijn wijn op en behandelen de rijkdom die een ander heeft opgebouwd alsof die van niemand is, enkel omdat de eigenaar niet aanwezig is om zich daartegen te verzetten. Precies dat is er gebeurd met wat van ons is, met onze gemeenschappelijke rijkdom: onze teksten, onze aandacht en alles wat we gezamenlijk aan creativiteit en kennis voortbrengen. Wij hebben het huishouden opgebouwd. Even waren we afgeleid, en toen we terugkwamen, zagen we hoe anderen het aan het verslinden waren. De vrijers zijn geen dieven die ’s nachts binnensluipen. Het zijn de platforms die we zelf hebben binnengelaten – en die zich vervolgens ons huis hebben toegeëigend.
Odysseus reikt ons twee wapens aan voor deze strijd, die ik beide al lange tijd bewonder. Het eerste is sluwheid in plaats van brute kracht. Hij weet aan de cycloop te ontsnappen door zichzelf ‘Niemand’ te noemen en zo zijn ware identiteit strategisch verborgen te houden. Onze huidige economie verlangt precies het tegenovergestelde van ons: dat we onze identiteit prijsgeven in steeds kleinere, nauwkeurig vastgelegde en exploiteerbare stukjes informatie, aan systemen die eraan verdienen ons beter te kennen dan wij onszelf kennen. Het tweede wapen is dat we bewust kiezen voor beperkingen van buitenaf, in plaats van uitsluitend op onze eigen wilskracht te vertrouwen. Odysseus weerstaat de Sirenen niet dankzij zijn eigen vastberadenheid, maar door zich aan de mast van zijn schip te laten vastbinden. Hij legt zichzelf daarmee bewust een beperking op, omdat hij weet dat de rede alleen niet bestand is tegen een verleiding die sterk genoeg is. De eindeloze stroom berichten waarop we blijven doorscrollen, is het gezang van onze Sirenen. Die strijd wint niemand uitsluitend op wilskracht. Als we al een kans willen maken, moeten we ons vastbinden aan iets stevigs buiten onszelf: aan regelgeving en collectieve actie, aan een mast die door de publieke macht wordt opgericht in plaats van aan gebruiksvoorwaarden die particuliere bedrijven ons opleggen. Tegenover het algoritme staat het individu machteloos; alleen door ons te verenigen maken we een kans.
Dat brengt me bij de les die besloten ligt in een oud, bijna vergeten inzicht: in iedere samenleving die op uitbuiting berust, heeft elk systeem dat bepaalt wie wat krijgt een verhaal nodig dat dwang als rechtvaardig en redelijk voorstelt. Homerus en Ovidius boden de antieke wereld zo’n verhaal, de markt deed dat voor het kapitalisme, en nu is het algoritme bezig het verhaal van het technofeodalisme te schrijven. De opgave waarvoor we staan, is niet om de wapenrusting van Achilles te bemachtigen door Odysseus in het debat te verslaan. Evenmin gaat het erom het recht veilig te stellen dat Achilles voor zichzelf opeiste: het recht om anderen tot slaaf te maken. Het gaat erom eindelijk te beseffen dat de wedstrijd vanaf het moment waarop Agamemnon de scheidsrechters aanwees al doorgestoken kaart was – en vervolgens toch koers naar huis te zetten. Want het huishouden is nog altijd van ons. Tenminste, als we slim genoeg zijn om het terug te eisen en moedig genoeg om ons aan de mast te laten vastbinden, zodat we weerstand kunnen bieden aan de verleidelijke gezangen die ons naar onze ondergang proberen te lokken.
Ann Pettifor is een Britse econoom, auteur en adviseur van overheden en organisaties. Ze heeft verschillende boeken gepubliceerd over het mondiale financiële stelsel, internationale financiën, de herstructurering van staatsschulden en duurzame ontwikkeling. Ze was een van de drijvende krachten achter Jubilee 2000, de internationale campagne voor kwijtschelding van schulden van arme landen. Verder maakt Pettifor deel uit van de Green New Deal Group, een samenwerkingsverband van economen, milieuactivisten en ondernemers dat pleit voor een duurzame en rechtvaardige economie.
Wat is er aan de hand met de Amerikaanse dollar? Waarom heeft de Federal Reserve op haar eigen terrein een soort ‘pandjeshuis’ ingericht? Waarom vormen de lage rentetarieven in Japan een bedreiging voor de Verenigde Staten? Waarom zijn Europeanen verontwaardigd over de weinig subtiele, door hedgefondsen geïnspireerde manoeuvres van de Amerikaanse minister van Financiën Bessent? En wat heeft dit alles te maken met de AI-zeepbel en de enorme schulden die Silicon Valley heeft opgebouwd?
Maar bovenal: wat betekent dit alles voor u en mij? Over die vragen gaat dit bericht.
Maar eerst. Schrijven valt me zwaar als vrouw op mijn gevorderde leeftijd, nu zowel de werkelijkheid als de te verwachten gevolgen van de crises die op ons afkomen een somber toekomstbeeld schetsen – een toekomst die inmiddels door velen wordt voorzien en begrepen.
Net als zoveel anderen ben ik in rouw.
Velen van ons beseffen dat zowel het economische als het ecologische systeem onze samenlevingen, onze kinderen en kleinkinderen binnenkort zullen blootstellen aan nog grotere en verwoestender schokken – schokken die al lange tijd worden voorspeld.
Maar wie neemt het voortouw om daar iets aan te doen? Waar zijn de grote economen die in de voetsporen van John Maynard Keynes kunnen treden? En hoe kunnen samenlevingen zich mobiliseren om de macht van particuliere belangen te breken en de op hol geslagen, gemondialiseerde financiële wereld en het fossiele kapitalisme een halt toe te roepen?
Professor Kevin Anderson herinnert ons eraan dat beschavingen ook in het verleden zijn ingestort. Telkens dachten mensen dat zoiets hun samenleving niet zou overkomen – totdat het daadwerkelijk gebeurde. Kevin Anderson is een vriend van mij. Hij heeft een heldere kijk op wat er gaande is. Ik vermoed dat ook hij rouwt.
Zoals ik mijn lezers ertoe wil aanzetten afstand te nemen van het beperkte microniveau van de economie – waarop vrijwel alle orthodoxe en volgens mij misleidende economische theorieën zich richten – en in plaats daarvan naar de macro-economie als geheel te kijken, zo wil Kevin dat we hetzelfde doen met het ecosysteem. In wanhoop verwoordde hij het als volgt:
We lijken totaal niet in staat om een stap terug te doen en naar het systeem als geheel te kijken. We zijn ontzettend goed in het bestuderen van de afzonderlijke onderdelen, maar zodra het erom gaat te begrijpen hoe al die onderdelen samen één systeem vormen – het ecosysteem – schieten we ernstig tekort.
Het klimaat bestaat niet uit een verzameling losse onderdelen. Het is één samenhangend systeem: het ecosysteem.
Een van de redenen waarom we er niet in slagen de klimaatverandering aan te pakken, is dat we een reductionistische economische theorie hanteren die de natuurkunde probeert na te bootsen, zonder zelf een natuurwetenschap te zijn.
We moeten afstand nemen en de economie als één samenhangend systeem bekijken – als politieke economie, zo je wilt.
Laten we daarom een stap terug doen en kijken naar wat er momenteel in het mondiale economische systeem gebeurt.
Om te beginnen: de AI-zeepbel.
Mijn boek The Global Casino gaat niet alleen over speculatie binnen het financiële systeem, maar ook over de manier waarop onze elites gokken met het risico van een klimaatcrisis. Cory Doctorow legt het treffend uit: de ‘techbros’ uit Silicon Valley wedden erop dat AI op de een of andere manier aan de tweede hoofdwet van de thermodynamica kan ontsnappen. Die wet leert ons onder meer dat wanneer hout of fossiele brandstoffen worden verbrand, de materie en energie niet simpelweg verdwijnen, maar worden omgezet in andere vormen – waaronder rook en broeikasgassen. Die uitstoot verdwijnt niet zomaar. Broeikasgassen hopen zich op in de atmosfeer en houden warmte vast, als een deken die zich om de aarde legt en haar steeds verder opwarmt. Begrip van de tweede hoofdwet van de thermodynamica is dan ook essentieel om de klimaatcrisis te doorgronden. Algemene Kunstmatige Intelligentie, zo beweren de techbros, kan en zal de wetten van de thermodynamica weten te overstijgen. Daarom, zo houden ze ons voor, moet de samenleving zo snel mogelijk investeren in de ontwikkeling van Algemene Kunstmatige Intelligentie – vóórdat de ijskappen smelten, zodat diezelfde AI ons kan vertellen wat we moeten doen… wanneer de ijskappen eenmaal smelten.
Het is een ongelooflijke gok met onze planeet. En hun bewering dat de ontwikkeling van Algemene Kunstmatige Intelligentie op het punt staat door te breken, is volstrekt ongegrond. Het probleem is niet alleen dat ze beloften doen die ze niet kunnen waarmaken; door al hun aandacht en middelen op Algemene Kunstmatige Intelligentie te richten, dreigen ze bovendien werkelijk veelbelovende ontwikkelingen die nu al gaande zijn te verdringen.
AI-bedrijven in Silicon Valley dreigen ten onder te gaan aan een ‘exotische pijlijn van schulden.’
En net als tijdens eerdere golven van financiële speculatie leidt hebzucht ook nu tot misleiding, fraude en het omzeilen van regels. Dat geldt vooral voor de enorme schulden die worden aangegaan om de AI-sector te financieren. Robin Wigglesworth van de Alphaville-rubriek van de Financial Times merkte hierover op:
dat de zogenoemde hyperscalers – Amazon Web Services, Microsoft Azure, Google Cloud, Alibaba Cloud, Oracle Cloud, IBM Cloud en Meta – steeds inventievere financiële constructies bedenken om het enorme kapitaal bijeen te brengen dat nodig is voor de gigantische hoeveelheid datacenters die overal ter wereld wordt gebouwd.
Gelukkig hebben analisten van Goldman Sachs de kleine lettertjes voor ons doorgespit. Zij kwamen uit op maar liefst 1,5 biljoen dollar aan leaseverplichtingen, waarvan ongeveer 1 biljoen dollar niet op de balansen van de hyperscalers terug te vinden is. (Cursivering toegevoegd.)
Enzovoort, enzovoort.
Torsten Slok van Apollo Management schreef vorige week een scherpzinnig, maar tegelijkertijd verontrustend artikel:
…De winsten die de AI-boom momenteel oplevert, worden gefinancierd door beleggers in plaats van verdiend bij klanten. De winstmarges hogerop in de keten zijn weliswaar reëel, maar worden betaald met kapitaal dat wordt aangetrokken door bedrijven die zelf verlies lijden, en niet met inkomsten uit de daadwerkelijke vraag van eindgebruikers.
Kort gezegd is het meest winstgevende deel van de AI-waardeketen afhankelijk van het minst winstgevende deel om de omzet te blijven verhogen en nieuw kapitaal aan te trekken. Kapitaal kan die kloof een tijdlang overbruggen, maar niet eindeloos. Daarin schuilt het risico: zullen de eindgebruikers van AI snel genoeg rendement op hun investeringen (ROI) behalen om de uitgaven te rechtvaardigen waarop de hoge winstmarges aan het begin van de waardeketen zijn gebaseerd?
Het komt erop neer dat al het geld dat in AI wordt geïnvesteerd – door gewone aandeelhouders en obligatiehouders, maar ook door grote institutionele beleggers zoals pensioenfondsen – enerzijds de hausse op de aandelenmarkt aanjaagt, maar tegelijkertijd de kiem van een mogelijke instorting in zich draagt.
Tegelijkertijd begint de ogenschijnlijk almachtige Amerikaanse economie aan kracht te verliezen. Zoals Dean Baker opmerkt, wijst het meest recente, teleurstellende banenrapport erop dat de werkgelegenheid minder snel groeit. Daardoor neemt ook de loonstijging af, wat er vervolgens toe leidt dat consumenten minder te besteden hebben.
Misschien nog zorgwekkender dan het absolute aantal nieuwe banen is het feit dat vrijwel de volledige banengroei plaatsvindt in de gezondheidszorg en de sociale dienstverlening. In deze sectoren kwamen er de afgelopen drie maanden gemiddeld 33.000 banen per maand bij, goed voor meer dan 90 procent van de totale banengroei, zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de daling van de werkgelegenheid in het onderwijs in juli.
Buiten deze sectoren groeit de werkgelegenheid vrijwel nergens.
Kevin Hassett, economisch adviseur van het Witte Huis, lijkt zich weinig zorgen te maken over deze teruglopende werkgelegenheidscijfers. Sterker nog, hij heeft er zelfs over opgeschept dat de regering doelbewust meer dan driehonderdduizend banen in de publieke sector heeft geschrapt.
De vertraging van de Amerikaanse economie is voor een groot deel het gevolg van president Trumps illegale escalatie en daaropvolgende de-escalatie van de verwoestende oorlog tegen Iran, evenals van zijn inzet van invoerheffingen als economisch wapen. Dat jaagt op zijn beurt de inflatie aan en drijft de prijzen aan de pomp omhoog – en juist Trumps eigen kiezers voelen dat in hun portemonnee. Tegelijkertijd maakt de snel oplopende staatsschuld de financiers van de Amerikaanse overheid steeds ongeruster, en dat is merkbaar op de obligatiemarkt.
Volgens de St Louis Fed bedraagt de totale Amerikaanse staatsschuld inmiddels veertig biljoen dollar. Dat komt neer op meer dan 122 procent van het Amerikaanse bbp, oftewel van de jaarlijkse economische productie van ongeveer dertig biljoen dollar. De rente op die schuld varieert van ongeveer vier procent op tienjarige staatsobligaties tot meer dan vijf procent op obligaties met een looptijd van dertig jaar. Hoewel de Verenigde Staten over een grote en welvarende economie beschikken, zijn de kosten van deze enorme schuldenlast aanzienlijk. Tegelijkertijd vragen kredietverstrekkers zich steeds nadrukkelijker af hoe zeker het is dat zij hun geld uiteindelijk zullen terugkrijgen.
Een verzwakkende Amerikaanse economie en een verzwakkende Amerikaanse dollar
Bovenal is Trump bezig de mondiale economische en veiligheidsorde actief te ondermijnen. Een van de pijlers van die orde is de Amerikaanse dollar, die al tachtig jaar fungeert als de belangrijkste reservevaluta ter wereld. Langzaam maar zeker tast de regering-Trump het vertrouwen van de rest van de wereld in de dollar aan.
We weten dat de regering-Trump, en vooral minister van Financiën Scott Bessent – die ooit valutahandelaar was bij het hedgefonds van George Soros – zich grote zorgen maakt over de verzwakking van de dollar. Waarom? Omdat een dalende dollar ministers van Financiën en centrale banken over de hele wereld ertoe kan aanzetten hun Amerikaanse staatsobligaties van de hand te doen.
Met andere woorden: de rest van de wereld zou kunnen besluiten niet langer op dezelfde schaal de Amerikaanse staatsschuld te financieren en de Amerikaanse staatsobligaties die zij bezit te verkopen. De reden is eenvoudig: door de dalende dollar worden die beleggingen minder waard. Als op grote schaal Amerikaanse staatsobligaties worden verkocht, neemt het aanbod op de obligatiemarkt toe. Daardoor daalt doorgaans de prijs van die obligaties, terwijl het rendement – de rente die de Amerikaanse overheid op nieuwe leningen moet bieden – stijgt. Voor de Verenigde Staten wordt het dan duurder om geld te lenen, bijvoorbeeld om het ‘krijgersleger’ van Pete Hegseth te financieren. Dat is een scenario dat Scott Bessent koste wat kost zal willen voorkomen.
Hoe weten we dat? We hoeven daarvoor alleen maar te kijken naar de ongekende Amerikaanse interventie om de verzwakking van de Japanse yen tegen te gaan.
De VS opent een ‘pandjeshuis’ bij de Fed
De yen is om verschillende redenen zwak, maar vooral doordat de Japanse centrale bank en het ministerie van Financiën vastbesloten zijn de rente laag te houden. Daarmee willen ze het voor Japanse bedrijven en andere binnenlandse kredietnemers goedkoper maken om geld te lenen en investeringen te financieren. Een nobel streven – en een voordeel dat Britse kredietnemers door het restrictieve rentebeleid van onze Bank of England wordt onthouden.
Zowel Japanse als buitenlandse beleggers kunnen profiteren van het renteverschil door goedkoop in yen te lenen, hun geld vervolgens om te wisselen in dollars en het te beleggen in landen waar de rente hoger ligt, zoals de Verenigde Staten of het Verenigd Koninkrijk. Doordat kapitaal tegenwoordig makkelijk de landsgrenzen over kan stromen, vloeit er op die manier geld uit Japan weg. Dat zet de yen verder onder druk en doet de munt in waarde dalen.
Daar komt bij dat de hogere energiekosten als gevolg van de oorlog met Iran – die in Amerikaanse dollars moeten worden betaald – een steeds groter beslag leggen op de financiële middelen van Japan. Tegelijkertijd wordt het land getroffen door Amerikaanse invoerheffingen. De problemen worden nog vergroot door een nieuwe, ‘Trumpiaanse’ premier – die sterk aan Liz Truss doet denken – die vastbesloten is de belastingen te verlagen en tegelijkertijd de overheidsuitgaven en staatsschuld te verhogen.
Om de yen te versterken, kan het Japanse ministerie van Financiën Amerikaanse staatsobligaties verkopen en de opbrengst gebruiken om yen te kopen. Door de grotere vraag naar de Japanse munt stijgt de waarde van de yen.
Dat heeft Japan inmiddels ook gedaan. Alleen al in de laatste twee dagen van juli gebruikte het land naar schatting 87 miljard dollar uit zijn deviezenreserves om yen te kopen en zo de eigen munt te ondersteunen. Met andere woorden: Japan verkocht Amerikaanse staatsobligaties en gebruikte de opbrengst om yen aan te kopen.
Dat is problematisch voor de VS.
Zoals hierboven al is uitgelegd, zorgt een groter aanbod van Amerikaanse staatsobligaties op de wereldwijde obligatiemarkt ervoor dat de koersen ervan dalen en de rendementen stijgen. Daardoor lopen de financieringskosten van de Amerikaanse overheid op, ondanks de pogingen van de Federal Reserve om de rente laag te houden. Scott Bessent is vastbesloten dat scenario te voorkomen.
Om te voorkomen dat Japan Amerikaanse staatsobligaties verkoopt, heeft Bessent de Federal Reserve ertoe bewogen een nieuwe ‘faciliteit’ in het leven te roepen. Die is er uitdrukkelijk op gericht te voorkomen dat Japan zijn Amerikaanse staatsobligaties van de hand doet. De voorziening kreeg een weinigzeggend acroniem dat haar werkelijke doel verhult: de Foreign and International Monetary Authorities (FIMA) Repo Facility.
Deze ‘faciliteit’ is in feite niet veel meer dan een chic woord voor een Amerikaans pandjeshuis. Japan kan er zijn ‘juwelen’ – Amerikaanse staatsobligaties – tijdelijk in onderpand geven en krijgt daarvoor contant geld in Amerikaanse dollars. Daarbij wordt afgesproken dat Japan de obligaties later weer kan terugkrijgen.
Om Japan verder te helpen, stak Scott Bessent vervolgens vijf tot tien miljard dollar in de yen. Daarvoor verkocht hij echter geen Amerikaanse staatsobligaties om dollars vrij te maken. In plaats daarvan gebruikte hij voor vijf tot tien miljard dollar aan euro’s uit de reserves van de Federal Reserve. Met andere woorden: hij verkocht euro’s om de yen te ondersteunen – zonder zijn Europese bondgenoten daarover te raadplegen. De verkoop van zo’n grote hoeveelheid euro’s kan uiteraard gevolgen hebben voor de wisselkoers van de Europese munt. Maar de regering-Trump toont weinig respect voor haar Europese ‘bondgenoten’ en lijkt zich nauwelijks te bekommeren om de gevolgen voor de euro.
Dat weten we omdat hij de operatie, zoals uit de bovenstaande notitie blijkt, de veelzeggende naam Operation Economic Fury gaf.
Dit alles is op zijn minst dubieus en hoogst ongebruikelijk gedrag voor een Amerikaanse minister van Financiën, die zich meer lijkt te gedragen als een overijverige hedgefondsbeheerder. Maar het wijst ook op een groter gevaar. Als het vertrouwen in de Amerikaanse dollar afneemt en landen en beleggers hun toevlucht zoeken tot andere valuta’s en bezittingen, zoals goud, kan dat de fundamenten van de mondiale economische orde aan het wankelen brengen.
Het wordt inmiddels duidelijk dat we getuige zijn van het einde van de naoorlogse economische orde die in Bretton Woods werd vormgegeven.
Wat heeft dit nu met u te maken?
Heel veel. De vorige keer dat de positie van de belangrijkste reservevaluta ter wereld verzwakte en het zwaartepunt van de wereldeconomie verschoof naar een andere munt, was in de jaren dertig van de vorige eeuw. Groot-Brittannië, dat tot dan toe met het pond een dominante positie in het mondiale financiële stelsel had ingenomen, moest die rol geleidelijk afstaan aan de opkomende Verenigde Staten en de dollar. Die machtsverschuiving vond plaats in een periode van grote financiële instabiliteit, hoge staatsschulden en ernstige economische problemen. Uiteindelijk mondde die turbulente periode uit in een catastrofale wereldoorlog.
De komende maanden kunnen bijzonder riskant worden. Nu de opiniepeilingen steeds ongunstiger uitvallen voor de Republikeinen, zouden president Trump en zijn bondgenoten op zoek kunnen gaan naar een aanleiding om de Amerikaanse tussentijdse verkiezingen te verhinderen of de uitslag ervan terzijde te schuiven. Zou een crisis rond de dollar, of een andere ernstige economische tegenslag, als voorwendsel kunnen dienen om de verkiezingen af te gelasten?
We weten niet wat de toekomst brengt en kunnen die ook niet voorspellen. Maar waakzaamheid is geboden: dit zijn gevaarlijke tijden.
Keynes zag een oplossing voor de politieke, handels- en financiële instabiliteit die kan ontstaan door vrij bewegende kapitaalstromen en een internationaal monetair stelsel dat afhankelijk is van de munt van één dominante wereldmacht. Hij stelde daarom de oprichting van een internationale clearingunie voor. Helaas wees de toenmalige dominante macht zijn voorstel af – net zoals een dergelijk voorstel ook nu op weinig steun van de hegemon zou kunnen rekenen.
Als we willen voorkomen dat economische en ecologische systeemcrises samenkomen en elkaar versterken, is het in ons aller belang om Keynes’ voorstel opnieuw ter hand te nemen en serieus te overwegen.
Yanis Varoufakis is econoom en een voormalig Grieks minister van Financiën. Hij is de auteur van diverse bestsellers, waarvan Technofeudalism: What killed capitalism de meest recente is.
De basis betaalt de prijs; de elite profiteert
Toen de bommen op Iran begonnen te vallen, voorspelde ik het politieke Waterloo van Donald Trump. Ik zag hoe zijn MAGA-coalitie – een giftige mix van woede onder de arbeidersklasse en belastingvoordelen voor miljardairs – afgleed naar een burgeroorlog tussen de klassen. Destijds parafraseerde ik een beroemde uitspraak van Winston Churchill over de Slag bij El Alamein: vóór Iran had Trump in zijn tweede ambtstermijn nog geen ernstige nederlaag geleden; na Iran zou hij geen echte overwinning meer behalen. Hoewel ik nog steeds achter die voorspelling sta, moet daar inmiddels een belangrijke kanttekening aan worden toegevoegd. De oorlog met Iran is namelijk tegelijkertijd een buitengewoon winstgevende onderneming voor de plutocratische kring rond Trump geweest.
In een republiek die al lange tijd meer weg heeft van een oligarchie dan van een volwaardige democratie – zij het een oligarchie waarin nog steeds verkiezingen worden gehouden – weegt de toenemende rijkdom van de economische elite bijzonder zwaar. Terwijl veel arbeiders die hebben bijgedragen aan de terugkeer van Trump in het Witte Huis worden geconfronteerd met hogere kosten voor brandstof en levensonderhoud, heeft de oorlog tegen Iran juist grote voordelen opgeleverd voor Trumps rijke achterban, bestaande uit onder meer olieondernemers, technologie-investeerders, techmiljardairs, vastgoedhandelaren en financiers, die het nog nooit zo goed hebben gehad. Zelfs als de kapitein uiteindelijk met het schip ten onder gaat, hebben de passagiers uit de eerste klasse hun veilige en luxueuze reddingsboten al bereikt, gevuld met de winsten die zij dankzij de oorlog hebben behaald.
Laten we het geld volgen. Toen Rusland in 2022 Oekraïne binnenviel, verloren bedrijven met een waarde van meer dan tien miljard dollar binnen tien weken gezamenlijk ongeveer 2,4 biljoen dollar aan beurswaarde. Angst, onzekerheid en de vrees dat de internationale orde zou instorten zorgden ervoor dat enorme hoeveelheden vermogen in korte tijd verdampten. Voor beleggers was de boodschap duidelijk: oorlog in Europa was slecht voor de winstvooruitzichten en dus ook voor de aandelenkoersen. Maar in de tien weken na de eerste bombardementen op Iran steeg de gezamenlijke marktkapitalisatie van bedrijven met een waarde van meer dan tien miljard dollar juist met 5,6 biljoen dollar. Een conflict dat door velen als uiterst roekeloos wordt beschouwd, ging gepaard met een enorme toename van de rijkdom van aandeelhouders en grote bedrijven.
De snelheid waarmee de markten zich inmiddels herstellen, is al net zo opvallend, en bijna schokkend. Nadat de internetzeepbel in 2001 uiteenspatte, had de New York Stock Exchange 1.016 dagen nodig om te herstellen. Na de financiële crisis van 2008 duurde dat zelfs 1.365 dagen. Na de coronaschok was het herstel na 217 dagen bereikt, en na de Russische invasie van Oekraïne duurde het 338 dagen. De beursverliezen die volgden op Trumps zogenoemde ‘Bevrijdingsdag’ en de invoering van omvangrijke importheffingen waren binnen 57 dagen weggewerkt. Maar na de oorlog tegen Iran duurde het herstel slechts twaalf dagen. Dat is opmerkelijk, omdat het conflict plaatsvond in de Perzische Golf, een regio die van cruciaal belang is voor de mondiale energievoorziening. Deze oorlog ontnam de wereldmarkten een vijfde van de olie, een nog groter deel van het aardgas en bijna negentig procent van het helium dat nodig is voor de productie van microchips – een essentiële bouwsteen van de digitale economie! Is het dan een wonder dat een van mijn studenten opmerkte dat dit geen markteconomie meer is, maar eerder een afpersingspraktijk met beurskoersen?
Wie waren de drijvende krachten achter dit uitzonderlijk snelle herstel? De usual suspects. In de eerste plaats de ‘cloudalisten’ – mijn benaming voor de techmiljardairs die de traditionele industriële magnaten en zelfs de grote bankiers inmiddels hebben overvleugeld in economische macht. Het herstel van de aandelenmarkt werd vrijwel volledig gedragen door de enorme investeringen in kunstmatige intelligentie. Dat gebeurde ondanks de stijgende kosten van microchips en de grote hoeveelheden energie die AI-systemen verbruiken. Bedrijven als Nvidia en TSMC zagen hun beurswaarde met ongeveer 26 procent stijgen. Alphabet won meer dan 1 biljoen dollar aan marktkapitalisatie. Amazon voegde ongeveer 663 miljard dollar toe, Microsoft 209 miljard dollar en Oracle 142 miljard dollar. Dat zijn geen abstracte cijfers. Ze staan symbool voor een bredere verschuiving van rijkdom naar een kleine economische elite. Deze bedrijven en hun aandeelhouders profiteren onevenredig van technologische ontwikkelingen, geopolitieke spanningen en economische instabiliteit, terwijl de kosten daarvan uiteindelijk worden gedragen door gewone burgers en toekomstige generaties.
Hier worden de nieuwe klassentegenstellingen binnen de MAGA-beweging duidelijk zichtbaar. De economische gevolgen van de oorlog met Iran treffen vooral de sectoren waarin veel MAGA-aanhangers werken en waarvan zij als consument afhankelijk zijn. Bedrijven die alledaagse producten en diensten leveren, zijn zwaar geraakt. Dat geldt voor de goederen in de schappen van Walmart, auto-onderdelen en andere basisbenodigdheden waarop de Amerikaanse arbeidersklasse is aangewezen. Ook de metaal- en mijnbouwsector is hard onderuitgegaan, met nadelige gevolgen voor pensioenfondsen in staten als Ohio en Pennsylvania. Farmaceutische bedrijven kampen, net als de detailhandel en de logistieke sector, met grote problemen. Daardoor stijgen de medicijnprijzen, terwijl er in de industrie steeds meer banen verdwijnen.
Misschien nog wel het opmerkelijkst is dat zelfs de defensie-industrie, het beruchte militair-industriële complex waarvoor president Eisenhower ooit waarschuwde, slecht presteert. Hoe dat komt? Doordat beleggers vrezen dat Amerikaanse wapenfabrikanten er ondanks de grote vraag naar wapens niet in slagen hun productie voldoende op te voeren. De bedrijven zijn log, traag en bureaucratisch geworden. Ze zijn zelfs niet meer in staat om efficiënt van een oorlog te profiteren. Terwijl de werknemers van Lockheed Martin en Raytheon een onzekere toekomst tegemoetgaan, klagen de topbestuurders van deze bedrijven over problemen in de toeleveringsketens. Daarin schuilt de werkelijke betekenis van deze klassenstrijd: de bedrijfsleiding slaagt er niet eens in om een oorlog zakelijk uit te buiten, en het zijn de werknemers die daarvoor de prijs betalen.
Naast de ‘cloudalisten’ zijn het de olieproducenten die zich in de handen wrijven. Maar niet de bedrijven waarvan je dat zou verwachten. Niet de grote concerns als ExxonMobil en Shell, die juist verliezen leden nadat Iraanse drones en raketten de installaties in Ras Laffan, Qatar, hadden beschadigd. Alleen al ExxonMobil zag zijn beurswaarde met 25 miljard dollar dalen, een verlies van vier procent. Nee, de werkelijke winnaars zijn de middelgrote, onafhankelijke schalieolieproducenten in het Permian Basin, dat zich uitstrekt over Texas en New Mexico. Dit zijn de ondernemers die tot Trumps eigen kring behoren. Zij vormen een belangrijk deel van zijn politieke achterban.
Anders dan de grote olieconcerns, die wereldwijd actief zijn en daardoor prijsschommelingen beter kunnen opvangen, hebben deze onafhankelijke producenten een olieprijs van ongeveer 65 dollar per vat nodig om uit de kosten te komen. Tussen juli 2025 en februari 2026 lag de olieprijs geregeld onder dat niveau. Daardoor daalden zowel de werkgelegenheid als het aantal actieve boorinstallaties in de sector met dertig procent. Maar sinds Trump zijn verwoestende oorlog tegen Iran begon en de Straat van Hormuz werd geblokkeerd, heeft de Amerikaanse schalieolie-industrie een enorme opleving doorgemaakt. Inmiddels maken de producenten zich eerder zorgen dat de olieprijs te hoog is geworden. Die ligt ruim boven de 90 tot 95 dollar per vat die zij als ideaal beschouwen: hoog genoeg om hun winsten te maximaliseren, maar niet zo hoog dat de stijgende kosten en prijzen de binnenlandse vraag naar olie ondermijnen. Dat zou, althans gedeeltelijk, kunnen verklaren waarom Trump besloot de oorlog met Iran tijdelijk stop te zetten. Mogelijk hoopte hij daarmee de olieprijs terug te brengen naar die voor de Amerikaanse schalieolieproducenten gunstige bandbreedte.
Mensen verwijten mij weleens dat ik alles door een economische bril bekijk en te veel politieke verklaringen zoek in harde economische cijfers. Maar die cijfers doen ertoe. Misschien niet voor Trump persoonlijk, maar zeker voor de mensen om hem heen: zijn vrienden uit de vastgoedwereld, die tegenwoordig zijn diplomatieke beleid bepalen, de techmiljardairs en de handelaren op Wall Street. Samen met mijn vriend en collega James Galbraith ben ik ervan overtuigd dat deze mensen weinig voelen voor een verdere escalatie van de oorlog. Die had de olieprijs boven de 120 dollar per vat kunnen jagen en daarmee een recessie kunnen veroorzaken die niet alleen de MAGA-achterban, maar ook de schalieolieproducenten in het Permian Basin zwaar zou hebben getroffen. Maar ook een volledig einde aan deze absurde oorlog bracht risico’s met zich mee. Als de olieprijs daardoor te ver zou dalen, zouden veel van diezelfde schalieolieproducenten failliet kunnen gaan. Door het conflict zo te beheersen dat de olieprijs op een voor de producenten gunstig niveau bleef, heeft Trump in feite een enorme overdracht van welvaart mogelijk gemaakt. Het geld stroomt uit de zakken van Amerikaanse consumenten en van bedrijven die afhankelijk zijn van transport, verwarming en kunststoffen, rechtstreeks naar zijn vrienden in de schalieolie-industrie. Simpel gezegd: terwijl de gemiddelde MAGA-kiezer maandelijks vijfhonderd dollar extra kwijt is aan benzine, koopt een rijke politieke donor uit het Permian Basin zijn derde vakantiehuis. Dat heeft niets met staatsmanschap te maken. Het is het verdienmodel van de vastgoedsector, toegepast op de geopolitiek: veroorzaak een gecontroleerde schok, drijf de waarde van bezittingen op en haal de winst binnen. Nergens wordt duidelijker zichtbaar dat de klassenstrijd binnen de MAGA-beweging een nieuwe, felle fase is ingegaan. De gewone aanhangers betalen de prijs, terwijl de mensen aan de top er met de buit vandoor gaan.
De bredere tragedie is echter dat oorlog alleen zo doeltreffend als middel voor vermogensoverdracht kan worden ingezet omdat de rest van de westerse wereld nauwelijks nog in staat is zich daartegen te verzetten. Nergens wordt dit pijnlijker duidelijk dan in Europa. Het continent ondervindt de zwaarste gevolgen van de oorlog tegen Iran, maar lijkt het minst te begrijpen wat er werkelijk gaande is. De Europese leiders tasten in het duister en blijven holle frasen over ‘Europese soevereiniteit’ herhalen, zonder ook maar iets wezenlijks te ondernemen om die onafhankelijkheid daadwerkelijk te realiseren.
De Europese industrie, die toch al zwaar onder druk staat doordat de afhankelijkheid van goedkoop Russisch gas is ingeruild voor veel duurder vloeibaar aardgas uit Texas en New Mexico, wordt steeds verder uitgehold. Europese bedrijven produceren en exporteren industriële goederen waarvoor betrouwbare toeleveringsketens en voorspelbare grondstofprijzen onmisbaar zijn. Maar de oorlog tegen Iran heeft de kosten van scheepsverzekeringen sterk opgedreven en tankers gedwongen om te varen via langere routes rond de Hoorn van Afrika. De sterk schommelende olie- en gasprijzen werken rechtstreeks door in de Europese productiekosten. De ontwrichting van de energie-infrastructuur in de Golfregio heeft gevolgen voor vrijwel alle Europese toeleveringsketens die afhankelijk zijn van de petrochemische industrie.
De Europese consumenten, wier koopkracht al is uitgehold door vijftien jaar bezuinigingsbeleid en vervolgens door de inflatieschok van 2022, krijgen nu opnieuw te maken met stijgende prijzen van geïmporteerde goederen. Anders dan de Verenigde Staten beschikt Europa niet over een groot overschot aan eigen energie om die klap op te vangen. Daardoor wordt de investeringscrisis die Europa al bijna twintig jaar teistert, verder verdiept. Die crisis vormt de werkelijke oorzaak van de dalende productiviteit en van het onvermogen van Europa om te concurreren in de sectoren die voor de toekomst van doorslaggevend belang zijn: elektrische auto’s, groene energie en cloudkapitaal. En nu wordt de Europese industrie ook nog gedwongen om feitelijk een oorlogsbelasting aan Trump te betalen. Die past naadloos in het verdienmodel van de Amerikaanse plutocraten: rijkdom vergaren door hun machtspositie te gebruiken om anderen steeds meer te laten betalen, zonder daar zelf extra economische waarde tegenover te stellen.
Ondertussen blijven onze leiders in Brussel, Berlijn, Parijs en Rome de mantra van ‘strategische autonomie’ herhalen, alsof het een magische bezweringsformule is. Ze kondigen defensiefondsen aan, presenteren plannen om de groene transitie te versnellen en beloven nieuwe chipfabrieken. Maar al die ambities blijven grotendeels op papier staan. Ze weigeren Europa een eigen, volwaardige begrotingscapaciteit te geven. Ook willen ze niet onder ogen zien dat Europa, zonder een gezamenlijke schatkist en een serieus diplomatiek initiatief voor een Vredes- en Veiligheidsagenda voor Eurazië, afhankelijk en kwetsbaar zal blijven. Het continent dreigt telkens opnieuw de rekening te betalen voor oorlogen die Amerikaanse oligarchen voeren om hun eigen financiële belangen veilig te stellen. Zolang Europa blijft aarzelen, zullen de gevolgen van de klassenstrijd die de MAGA-beweging van binnenuit verscheurt, op ons worden afgewenteld. Onze industrie, onze verzorgingsstaten en onze burgers zullen daarvoor de prijs blijven betalen.
De meedogenloosheid van dit alles is verbijsterend. De plutocraten rond Trump weten precies wat ze doen. Ze denken in termen van inkomsten uit bezit en stijgende vermogenswaarden. Voor hen is oorlog geen menselijke tragedie, maar een middel om de waarde van hun bezittingen op te drijven en hun winsten te vergroten. Ze rekenen erop dat de MAGA-aanhang desondanks trouw blijft aan Trump. Juist de mensen die hun baan verliezen wanneer schalieolieproducenten boorputten sluiten, die steeds meer betalen voor benzine en voedsel, en die hun pensioenen zien slinken doordat bedrijven in de consumentensector onderuitgaan, zullen volgens hen blijven stemmen op de man die belooft de elites aan te pakken. En mochten deze kiezers zich niettemin van Trump afkeren, dan staan er genoeg andere, minstens zo gevaarlijke figuren klaar om zijn plaats in te nemen.
Daarin schuilt het vernuft van de Amerikaanse oligarchie: zij weet de mensen die zij uitbuit ervan te overtuigen hun eigen verarming toe te juichen. Maar de klassenstrijd binnen de MAGA-beweging is reëel en nadert het kookpunt. Vroeg of laat zal de lasser in Michigan ontdekken dat zijn pensioenspaargeld in zijn 401(k)-regeling is verdampt, terwijl de schalieolieproducent in Texas een nieuw privévliegtuig heeft gekocht. Op een gegeven moment zal ook de vrachtwagenchauffeur beseffen dat een olieprijs van honderd dollar per vat geen onvermijdelijke uitkomst van de markt was, maar het gevolg van politieke keuzes. En op die dag zal de MAGA-coalitie uiteenvallen langs de enige scheidslijn die er werkelijk toe doet: die tussen de maatschappelijke klassen.
Ik blijf ervan overtuigd dat de oorlog tegen Iran het politieke einde van Trump heeft ingeluid. Zijn MAGA-aanhang mag dan nog zo loyaal lijken, ook haar bereidheid om steeds grotere offers te brengen kent grenzen. Deze nieuwe fase van de klassenstrijd binnen de beweging maakt duidelijk dat de onderlinge tegenstellingen niet eindeloos verborgen kunnen blijven achter het spektakel van de cultuuroorlog. Ze worden zichtbaar aan de benzinepomp, in de kelderende beurskoersen van bedrijven die afhankelijk zijn van consumentenbestedingen en in de schitterende winstcijfers van de schalieolieproducenten in het Permian Basin. Of dit besef op tijd doordringt om de Amerikaanse democratie, of de Europese industrie, nieuw leven in te blazen, is een heel andere vraag. Voorlopig blijven de bommen vallen, vieren de plutocraten feest, wordt de klassenstrijd steeds heviger en slaapt Europa rustig verder.
Thomas Fazi is een Anglo-Italiaanse journalist, schrijver, documentairemaker en vertaler.
Vooral door het riskante optreden van de NAVO is het gevaar van een grootschalig conflict tussen Europa en Rusland groter dan ooit, zelfs groter dan tijdens het hoogtepunt van de Koude Oorlog
Het gevaar van een totale oorlog tussen de NAVO en Rusland is vandaag groter dan ooit tevoren, zelfs groter dan tijdens het hoogtepunt van de Koude Oorlog. Dat komt doordat beide partijen steeds dieper verstrikt raken in wat in operationeel opzicht neerkomt op een steeds directere militaire confrontatie, ook al wordt formeel nog altijd vastgehouden aan de fictie dat er geen sprake is van openlijke oorlogvoering. Tijdens de Koude Oorlog bestonden er uitgebreide protocollen om directe confrontaties tussen de supermachten te voorkomen. Tegenwoordig zijn die regels echter zo vervaagd dat ze nauwelijks nog zichtbaar zijn. Een oorlog die oorspronkelijk beperkt had moeten blijven tot het grondgebied van Oekraïne is geleidelijk uitgegroeid tot iets veel gevaarlijkers: een proxyoorlog waarin de rol van de NAVO operationeel zó belangrijk is geworden dat het onderscheid tussen de uitvoerende partij en de achterliggende macht grotendeels is verdwenen. Tegelijkertijd verschijnt er vrijwel wekelijks nieuw bewijs dat de logica van escalatie inmiddels veel sneller voortschrijdt dan het politieke vermogen om die nog onder controle te houden.
De gebeurtenissen van de afgelopen weken hebben dat op pijnlijke wijze duidelijk gemaakt.
Vorige week trof een Oekraïense drone een hogeschool in de Donbas, waarbij 21 mensen om het leven kwamen, onder wie vooral studenten.
Dit betekent een zeer ernstige escalatie van het Oekraïense droneoffensief tegen Rusland, dat de afgelopen maanden steeds verder is opgevoerd. Daarbij neemt ook het aantal aanvallen diep op Russisch grondgebied toe. Nog maar enkele weken geleden kwamen bij een grootschalige Oekraïense droneaanval op de regio Moskou minstens drie mensen om het leven en raakten vele anderen gewond.
Tegelijkertijd hebben Oekraïense droneaanvallen op de drie belangrijkste Russische exportterminals aan de westkust – Novorossiysk aan de Zwarte Zee, en Primorsk en Ust-Luga aan de Oostzee – volgens Reuters in maart ongeveer veertig procent van de Russische olie-exportcapaciteit uitgeschakeld. Volgens een schatting van The New York Times was begin april ook ongeveer twintig procent van de Russische olieraffinagecapaciteit beschadigd of vernietigd door Oekraïense aanvallen. Het Oekraïense ministerie van Defensie stelt bovendien dat Oekraïense drones deze maand al ongeveer twee dozijn Russische olieraffinaderijen hebben aangevallen.
Sommige van de recent aangevallen doelen lagen maar liefst 1.500 tot 1.700 kilometer van de Oekraïense grens. Dat wijst erop dat de langeafstandscapaciteiten van Oekraïense drones aanzienlijk zijn verbeterd.
Zoals John Mearsheimer opmerkte in een recent interview met Glenn Diesen, vormen de Oekraïense drone- en raketaanvallen op Russisch grondgebied, waaronder aanvallen in de omgeving van Moskou, een belangrijke stap op de escalatieladder van het conflict. Hoewel Mearsheimer niet bijzonder onder de indruk is van het directe militaire effect van deze aanvallen, ziet hij de ontwikkeling wel als zeer zorgwekkend:
‘De schade die deze drones kunnen aanrichten is beperkt. Ze zullen vrijwel zeker geen doorslaggevende invloed hebben op de uitkomst van de oorlog. Dat gaat niet gebeuren. Maar het grote gevaar voor de toekomst is volgens mij dat de Oekraïners, samen met de Europese landen die vastbesloten blijven Rusland te verslaan, het aantal aanvallen op Russisch grondgebied verder zullen opvoeren en de aard ervan zullen veranderen.’
Rusland heeft inmiddels gereageerd op de droneaanval op de hogeschool in de Donbas met een grootschalige aanval op Kyiv. Volgens berichten ging het om een van de grootste aanvallen sinds het begin van de oorlog, waarbij onder meer Oreshnik-raketten met nucleaire capaciteit werden ingezet. Daarnaast heeft Rusland gedreigd met een nieuwe reeks ‘systematische aanvallen’ op de Oekraïense hoofdstad. Volgens een verklaring van het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken zullen deze aanvallen zich richten op ‘besluitvormingscentra’, commandoposten en dronefabrieken in de stad. Moskou heeft buitenlandse burgers en diplomaten bovendien opgeroepen om Kyiv ‘zo snel mogelijk’ te verlaten en gewaarschuwd uit de buurt te blijven van administratieve en militaire gebouwen.
Tot nu toe heeft Rusland zich grotendeels onthouden van aanvallen op Oekraïense militaire hoofdkwartieren. Dat is opmerkelijk, aangezien de Oekraïense strijdkrachten herhaaldelijk Russische commandocentra hebben aangevallen, zoals Anatol Lieven heeft opgemerkt. Dinsdag verklaarde de Oekraïense generale staf dat zij met Britse Storm Shadow-kruisraketten een belangrijk Russisch commando- en controlecentrum in Loehansk had vernietigd. Voor het effectief inzetten van deze raketten zijn nauwkeurige doelgegevens nodig. Volgens diverse analyses is Oekraïne daarbij afhankelijk van informatie die onder meer door de Verenigde Staten wordt geleverd.
Desondanks heeft Rusland tot nu toe afgezien van aanvallen op Oekraïense hoofdkwartieren in Kyiv. Een belangrijke reden daarvoor zou zijn dat bij zulke aanvallen mogelijk Amerikaanse en andere NAVO-militairen of inlichtingenofficieren om het leven zouden kunnen komen, wat het risico op een ingrijpende escalatie van de westerse reactie aanzienlijk zou vergroten. Daarnaast heeft de Russische regering zich sinds de terugkeer van Donald Trump als president relatief terughoudend opgesteld, mede op grond van de wens om zijn diplomatieke initiatieven niet te ondermijnen. Vorige week verklaarde Marco Rubio, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, echter dat de vredesonderhandelingen zijn vastgelopen. Volgens hem vinden er momenteel feitelijk geen gesprekken meer plaats.
Dit wijst niet alleen op een gevaarlijke verdere escalatie van de oorlog, maar ook op het groeiende risico dat het conflict zich uitbreidt tot buiten de grenzen van Oekraïne.
Hoewel deze aanvallen formeel door Oekraïne worden uitgevoerd, is de realiteit dat Oekraïne dergelijke langeafstandsdrones op Russisch grondgebied niet effectief zou kunnen inzetten zonder inlichtingen-, communicatie- en satellietondersteuning van de NAVO, en in het bijzonder van de Verenigde Staten. Volgens diverse Amerikaanse en Oekraïense functionarissen is de regering-Trump, ondanks haar vredesvoorstellen, doorgegaan met het verstrekken van inlichtingen die Oekraïne ondersteunen bij langeafstandsdrones tegen de Russische energie-infrastructuur. Deze informatie zou onder meer helpen bij het bepalen van vliegroutes, vlieghoogtes, timing en operationele keuzes, zodat Oekraïense drones de Russische luchtverdediging beter kunnen ontwijken. Volgens een van de aangehaalde bronnen fungeert de Oekraïense dronemacht daarbij als een instrument waarmee de Verenigde Staten druk proberen uit te oefenen op de Russische economie en op Vladimir Poetin om tot een overeenkomst te komen. Ook de CIA is betrokken geweest bij het opbouwen van het Oekraïense droneprogramma.
De mate van Amerikaanse betrokkenheid zou bovendien verder reiken dan het enkel delen van inlichtingen. Volgens sommige bronnen bepaalt Oekraïne zelf welke doelen het wil aanvallen, waarna de Verenigde Staten informatie verstrekken over de kwetsbaarheden van die doelen. Andere functionarissen stellen echter dat de Amerikaanse rol aanzienlijk groter is en dat de VS bepalen welke doelwitten voor het Oekraïense leger prioriteit moeten krijgen.
De Verenigde Staten bieden ook ondersteuning via satellieten. Dat gebeurt enerzijds door realtime navigatiegegevens beschikbaar te stellen, met name boven Oekraïens grondgebied en door Rusland geannexeerde Oekraïense gebieden, onder meer via het Starlink-netwerk van Elon Musk. Anderzijds leveren de VS gedetailleerde geografische gegevens waarmee drones ook zonder een direct gps-signaal kunnen navigeren, bijvoorbeeld in gebieden waar dat signaal opzettelijk wordt verstoord. Het gaat daarbij onder meer om vooraf geladen terrein- en hoogtekaarten, route-informatie, doelcoördinaten en vluchtprofielen die zijn ontworpen om luchtverdedigingssystemen te ontwijken. Dergelijke informatie is in belangrijke mate gebaseerd op Amerikaanse satellietwaarnemingen en inlichtingengegevens.
Dit betekent dat de Oekraïense langeafstandaanvallen diep op Russisch grondgebied niet uitsluitend Oekraïense operaties zijn, maar in de praktijk deel uitmaken van een bredere operatie die mogelijk wordt gemaakt door de steun van de Verenigde Staten en de NAVO. Daarbij blijft de betrokkenheid van de NAVO-landen niet beperkt tot het leveren van inlichtingen, satellietgegevens en financiële middelen voor de ontwikkeling van drones. Steeds vaker leveren westerse landen ook zelf de drones aan Oekraïne.
Hoewel het merendeel van de drones die door de Oekraïense strijdkrachten worden ingezet in Oekraïne zelf wordt geproduceerd, tekent zich een nieuwe en strategisch belangrijke ontwikkeling af: de uitbreiding van de droneproductie naar Europese landen. Een van de redenen hiervoor is het verminderen van de kwetsbaarheid van de Oekraïense productiefaciliteiten voor Russische aanvallen. Zelenskyy kondigde plannen aan om in 2026 tien gezamenlijke ondernemingen voor droneproductie in Europa op te zetten.
Duitsland speelt een centrale rol in deze ontwikkeling. De regering-Merz intensiveert de militaire samenwerking met Kyiv en raakt daardoor steeds nauwer betrokken bij de oorlog tegen Rusland. Nu de Verenigde Staten hun steun terugschroeven, is Duitsland uitgegroeid tot de belangrijkste financiële steunpilaar van Oekraïne. Half april ging de Duitse regering voor het eerst een strategisch partnerschap aan met de defensie-industrie van een land dat in oorlog is. Deze overeenkomst maakt het mogelijk om samen met Oekraïne wapensystemen te produceren, waaronder drones met een bereik van maximaal 1.500 kilometer en langeafstandsraketten. Een duidelijk voorbeeld is Quantum Frontline Industries, een in Duitsland gevestigde joint venture van het Duitse Quantum Systems en het Oekraïense Frontline Robotics. Minder dan twee maanden na de aankondiging van het partnerschap rolde daar al de eerste drone van de productielijn.
Met één pennenstreek heeft de Duitse regering een einde gemaakt aan het jarenlange binnenlandse debat over de vraag of Duitse wapens aan Oekraïne mogen worden geleverd voor aanvallen op doelen op Russisch grondgebied. Zoals het voormalige Duitse parlementslid Sevim Dagdelen heeft geschreven, leidt de nauwe verwevenheid van de Duitse en Oekraïense defensie-industrie tot het ontstaan van een Duits-Oekraïens militair-industrieel complex, waarin Berlijn de dominante positie inneemt. Het is dan ook aannemelijk dat bij de recente aanvallen op Moskou en de omliggende regio langeafstandsdrones zijn ingezet die in Duitsland zijn geproduceerd.
Ook andere Europese landen raken steeds nauwer bij deze samenwerking betrokken. Sinds eind 2024 heeft het Finse concern Summa Defence verschillende joint ventures opgericht met Oekraïense bedrijven om drones in Finland te produceren. In juli 2025 gingen het Britse Prevail Partners en het Oekraïense Skyeton een samenwerking aan om de Raybird-verkenningsdrone in het Verenigd Koninkrijk te bouwen. Skyeton heeft daarnaast een productielijn voor deze drone geopend in Slowakije en onderhandelt over verdere samenwerkingsverbanden met Europese bedrijven. Ondertussen bouwen Oekraïense consortia van droneproducenten ook in Finland en Denemarken fabrieken voor de assemblage van drones en de productie van onderdelen.
Dit betekent dat Europese landen, met Duitsland voorop, steeds directer betrokken raken bij de oorlog in Oekraïne. Daarmee neemt ook het risico van Russische vergeldingsaanvallen op Europees grondgebied aanzienlijk toe. Half april publiceerde het Russische ministerie van Defensie een lijst met namen en adressen van Europese bedrijven die betrokken zijn bij de productie van drones voor Oekraïne. Daaronder bevonden zich ook diverse Italiaanse ondernemingen. Het ministerie verklaarde daarbij dat ‘de Europese bevolking goed moet begrijpen waar de werkelijke bedreigingen voor haar veiligheid vandaan komen. Ook moet zij weten waar zich op haar eigen grondgebied de Oekraïense en gezamenlijke ondernemingen bevinden die drones en onderdelen daarvan voor Oekraïne produceren.’
Wat de situatie nog gevaarlijker maakt, is dat er steeds meer aanwijzingen zijn dat Oekraïense drones door het luchtruim van de Baltische NAVO-landen vliegen om doelen in Rusland aan te vallen. Dat zou onder meer zijn gebeurd bij de aanvallen op de Russische olieterminals in Primorsk en Ust-Luga, aan de Oostzee. Deze maand hebben Oekraïense drones herhaaldelijk luchtalarm veroorzaakt in Estland, Letland en Litouwen. Daarbij moesten verschillende keren NAVO-gevechtsvliegtuigen uitrukken. Op 19 mei zou een NAVO-gevechtsvliegtuig boven Estland minstens één Oekraïense drone hebben neergeschoten. Enkele dagen eerder had een andere Oekraïense drone een leeg olieopslagdepot in Letland geraakt. De politieke gevolgen waren groot: de manier waarop de Letse regering de crisis aanpakte, leidde uiteindelijk zelfs tot haar val.
Rusland beschuldigt de Baltische staten en de NAVO ervan bewust toe te staan dat Oekraïense drones hun luchtruim gebruiken om aanvallen op Russisch grondgebied uit te voeren. Moskou beschouwt dit als een vorm van NAVO-agressie. Presidentieel adviseur Nikolaj Patroesjev benadrukte dat dit volgens Rusland neerkomt op rechtstreekse deelname van NAVO-landen aan militaire aanvallen op Russisch grondgebied. Oekraïne en de Baltische landen wijzen de beschuldiging van bewuste samenwerking echter van de hand. Zij stellen juist dat Rusland met elektronische oorlogsvoering en stoorsignalen Oekraïense drones van hun koers brengt, waardoor die in het Baltische luchtruim terechtkomen. Dat verklaart echter niet waarom Rusland er herhaaldelijk niet in is geslaagd droneaanvallen op gevoelige militaire en civiele doelen, onder meer in Moskou, te voorkomen. Voorzitter Ursula von der Leyen van de Europese Commissie ging zelfs nog een stap verder door te verklaren dat ‘Rusland en Wit-Rusland rechtstreeks verantwoordelijk zijn’ voor de incidenten met Oekraïense drones boven de Baltische landen.
Duidelijk is dat de spanningen in de Baltische regio bijzonder hoog zijn opgelopen. Het risico van een rechtstreeks conflict tussen de NAVO en Rusland wordt verder vergroot door de recente aankondiging van een gezamenlijke zeemacht: het zogenoemde Northern Navies Initiative. Hieraan nemen tien landen deel: het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zweden, Denemarken, Finland, IJsland, Estland, Letland, Litouwen en Nederland. Deze zeemacht lijkt erop gericht Rusland militair onder druk te zetten in het gebied tussen de Noordelijke IJszee en de Oostzee. Daarbij zou ook het Russische scheepvaartverkeer kunnen worden gehinderd, met name dat van de zogenoemde ‘schaduwvloot.’ Acties zoals het enteren van Russische schepen, of zelfs het instellen van een zeeblokkade, zouden door Moskou als een casus belli kunnen worden beschouwd. Daar komt de toenemende militarisering van Finland bij, dat in 2023 lid werd van de NAVO. Ook worden vanaf Fins grondgebied inlichtingenoperaties en verkenningsvluchten tegen Rusland uitgevoerd. Samen zorgen deze ontwikkelingen ervoor dat Moskou Finland steeds meer als een nieuwe strategische bedreiging beschouwt.
Het is niet overdreven om te stellen dat één enkel incident, al dan niet in scène gezet, voldoende zou kunnen zijn om een escalatie in gang te zetten die uitmondt in een rechtstreekse oorlog tussen de NAVO en Rusland. Dat is des te zorgwekkender omdat westerse provocaties de positie van de hardliners in Moskou versterken.
Een van de meest radicale stemmen in dit debat is die van Sergej Karaganov, een ervaren politicoloog die eerder zowel Gorbatsjov als Jeltsin adviseerde, en tegenwoordig tot de adviseurs van Poetin behoort. Sinds het begin van de oorlog pleit Karaganov ervoor de inzet van kernwapens in Europa niet uit te sluiten. Volgens Karaganov hebben de Europese politieke elites hun geloofwaardigheid volledig verloren en ontbreekt het hun aan de legitimiteit om aan de macht te blijven. Belangrijker nog is volgens hem dat zij niet in staat zijn een compromis met Rusland te sluiten. Daarom moeten zij, zo stelt hij, met militair geweld worden tegengehouden om te voorkomen dat de oorlog zich verder over Europa uitbreidt. In eerste instantie zou Rusland daarvoor conventionele wapens moeten inzetten tegen strategisch belangrijke militaire doelen op Europees grondgebied, bij voorkeur doelen met een grote symbolische betekenis.
Volgens Karaganov zou Rusland, als deze aanvallen er niet in slagen de Europese leiders tot een akkoord te bewegen, moeten overgaan tot een ‘demonstratieve’ inzet van kernwapens. Hij sluit zelfs een nucleaire aanval niet uit die erop gericht is de Europese politieke leiders zelf uit te schakelen. Dergelijke opvattingen werden aan het begin van de oorlog nog grotendeels als extremistisch beschouwd, maar vinden geleidelijk steeds meer weerklank in Russische militaire en politieke kringen. Tegelijkertijd groeit de druk op Poetin om zijn huidige strategie te herzien.
Mearsheimer neemt Karaganovs pleidooi serieus om Europese doelen eerst met conventionele wapens aan te vallen en, als dat niet voldoende blijkt, eventueel kernwapens in te zetten. Hij wijst erop dat dit standpunt, dat aanvankelijk slechts door een kleine minderheid werd gedeeld, inmiddels op veel bredere steun in Rusland kan rekenen:
Hij zegt nu dat de overgrote meerderheid van de mensen met wie hij spreekt zijn standpunt deelt. En ik geloof hem, omdat ik hem als een eerlijk mens beschouw. De Russen hebben er, om het zo maar te zeggen, genoeg van.
Wat de mogelijke inzet van kernwapens betreft, legt Mearsheimer uit waarom alleen al de dreiging daarmee de strategie van Karaganov volgens hem zo’n dwingende kracht geeft:
Zodra je de escalatieladder begint te beklimmen, begrijpt iedereen dat ergens hogerop de inzet van kernwapens dreigt. Op een van de sporten van die ladder ligt de mogelijkheid van een nucleaire aanval. Alleen al die dreiging heeft een enorme afschrikkende werking.
Hij trekt daarbij ook een opmerkelijke historische parallel met eerdere situaties waarin westerse landen rode lijnen hebben overschreden:
Het is werkelijk verbijsterend dat de Verenigde Staten en Groot-Brittannië Oekraïne hebben geholpen bij de inval op Russisch grondgebied in de zomer van 2024, tijdens het offensief in Koersk. Het idee dat wij tijdens de Koude Oorlog een bondgenoot zouden hebben geholpen om de Sovjet-Unie binnen te vallen, was volstrekt ondenkbaar. Hetzelfde geldt voor het helpen van een bondgenoot bij een aanval op een onderdeel van de strategische nucleaire triade. Dat zou onvoorstelbaar zijn geweest, simpelweg omdat het zo ontzettend gevaarlijk was.
Met betrekking tot het strategische dilemma waarvoor Rusland staat, trekt hij de volgende conclusie:
Als je je in de positie van Rusland verplaatst, moet je voet bij stuk houden, zoals mijn moeder altijd zei. Je moet een krachtig en ondubbelzinnig signaal afgeven dat dit eenvoudigweg onaanvaardbaar is.
Het gevaar van oorlog is geen abstracte dreiging in een verre toekomst, maar een acuut en reëel risico. De mechanismen die tot deze gevaarlijke situatie hebben geleid, zijn bekend. Iedere nieuwe stap op de escalatieladder wordt gezet vanuit de overtuiging dat de tegenstander uiteindelijk zal terugdeinzen. Maar daarmee wordt de volgende stap juist waarschijnlijker en neemt de ruimte om de spanningen te verminderen steeds verder af. Door een combinatie van wensdenken en institutionele traagheid hebben westerse leiders zichzelf ervan overtuigd dat Rusland provocaties zal blijven accepteren zonder met vergelijkbare maatregelen te reageren. Maar iedere week die voorbijgaat zonder dat er een diplomatieke uitweg wordt gevonden, brengt ons dichter bij het moment waarop die veronderstelling op de proef wordt gesteld en mogelijk fataal onjuist blijkt.
Wat de huidige situatie zo uitzonderlijk gevaarlijk maakt, is niet alleen de militaire escalatie, maar ook het vrijwel volledig ontbreken van de politieke verbeeldingskracht die nodig is om deze te stoppen. Er zijn geen staatslieden meer die, zoals de realisten tijdens de Koude Oorlog, de noodzaak van een compromis onderkennen. Er zijn geen vertrouwelijke diplomatieke kanalen, en geen Europese leiders met voldoende gezag en de politieke wil om een onderhandelde oplossing op tafel te leggen. Wat overblijft, is een oorlogsmachine die steeds verder op gang komt en inmiddels een tiental landen en duizenden bedrijven omvat. In Finse fabrieken, Duitse joint ventures en Britse werkplaatsen worden wapens geproduceerd die de oorlog gaande houden. Zonder dringend politiek ingrijpen dreigt dit conflict een eigen dynamiek te ontwikkelen, waarbij geen ander einde meer denkbaar lijkt dan een catastrofe.
Uiteindelijk ligt de verantwoordelijkheid bij de Europese burgers. Onze regeringen handelen niet namens ons en evenmin in ons belang. Het is aan ons om van hen te eisen dat zij afstand nemen van deze gevaarlijke koers, voordat het volgende incident plaatsvindt, de volgende misrekening wordt gemaakt of opnieuw een drone in het verkeerde luchtruim terechtkomt. We moeten voorkomen dat Europa verder richting de afgrond wordt gedreven.
Fred Turner is hoogleraar Communicatie aan Stanford University. Hij onderzoekt hoe nieuwe mediatechnologieën de Amerikaanse cultuur sinds de Tweede Wereldoorlog hebben beïnvloed. Turner schreef vijf boeken, waaronder zijn meest recente werk, dat hij samen met Mary Beth Meehan publiceerde: Seeing Silicon Valley: Life Inside a Fraying America.
Silicon Valley zoekt Lebensraum in de Bible Belt
Langs de bochten van de Colorado-rivier, te midden van uitgestrekte vlakten en struikgewas, ligt de Gigafactory van Tesla, op een terrein van ruim duizend hectare net buiten Austin, Texas. Vanuit de lucht lijkt het complex wel een landingsplaats voor buitenaardse ruimteschepen. Op het dak staat in metershoge witte hoofdletters het woord ‘TESLA,’ zo groot dat het vanuit een overvliegend vliegtuig makkelijk te lezen is. De fabriek, die in 2022 werd geopend, is laag en uitgestrekt. Het is geen campus zoals de hoofdkantoren van Google en Apple in Californië, maar één gigantisch gebouw: een ommuurd industrieel fort dat over een enorm oppervlak is uitgespreid.
Voor Elon Musk en zijn politieke steunpilaren in het Texaanse Capitool is de Gigafactory veel meer dan alleen een fabriek waar auto’s worden gebouwd. De enorme assemblagehal, met zijn glanzend rode robots en twintigduizend werknemers, moet een boodschap van Texaanse proporties uitdragen aan ondernemers over de hele wereld: de toekomst wordt niet gebouwd in Californië of New York, maar hier in de Bible Belt. Daar zal die toekomst worden vormgegeven door mannen – altijd mannen – die de wilskracht bezitten om de technologie naar hun hand te zetten, het land winstgevend te maken en vanuit het niets nieuwe industrieën op te bouwen. Die industrieën zullen uit de grond schieten zoals de olieboortorens een eeuw geleden en getuigen van de grenzeloze, door God geschonken natuurlijke rijkdom van de regio. Sommige mannen zullen er schatrijk van worden. En wanneer dat gebeurt, zal dat gelden als bewijs dat Amerika nog altijd helden voortbrengt als Jim Bowie en Davy Crockett, de legendarische verdedigers van de Alamo.
Je ziet waar dit naartoe gaat. In persberichten en achtergrondverhalen fungeert Tesla’s Gigafactory als een soort vertaalmachine: eeuwenoude en recentere Texaanse mythen en tradities worden er omgevormd tot de bouwstenen van een nieuwe culturele stroming, een ‘Texaanse ideologie.’ Dertig jaar geleden publiceerden politiek theoreticus Richard Barbrook en kunstenaar Andy Cameron in Mute, een Brits tijdschrift dat kritisch schreef over de opkomende internetcultuur, hun invloedrijke essay ‘The Californian Ideology.’ Destijds bevond de computerindustrie van Silicon Valley zich nog te midden van de restanten van de tegencultuur die in de jaren zestig in San Francisco was ontstaan. Uit de botsing tussen die twee werelden ontstond volgens Barbrook en Cameron een nieuwe ideologische orthodoxie, die ‘de vrije geest van de hippies op merkwaardige wijze vermengde met de ondernemersdrift van de yuppies.’
Tegenwoordig zijn de hippies vrijwel geheel uit de computerindustrie verdwenen, zijn de yuppies met pensioen en verruilen hightechondernemers als Musk Californië voor Texas. Ook de digitale wereld zelf is ingrijpend veranderd. In de jaren negentig draaide alles, van de productie van modems tot de ontwikkeling van software, om de aanleg van een wereldwijd netwerk. Verbinding was het sleutelwoord. Inmiddels is het World Wide Web alomtegenwoordig, dragen we onze computers in onze broekzak, en valt er vooral geld te verdienen met het verzamelen en analyseren van de gegevens die we voortdurend produceren. Die gegevens worden omgezet in patronen en profielen die vervolgens aan de hoogste bieder kunnen worden verkocht. Het wereldwijde netwerk dat in de jaren negentig werd opgebouwd om mensen met elkaar te verbinden, heeft de sociale wereld zo veranderd in een grondstof voor een van de oudste mechanismen van het kapitalisme: uitbuiting.
Voor dit soort activiteiten vormt Texas een ideale uitvalsbasis. De staat werd aanvankelijk rijk door veeteelt en door katoen die door tot slaaf gemaakte mensen werd geplukt, en groeide dankzij de oliehausse aan het begin van de twintigste eeuw uit tot een economische macht van nationale betekenis. Texas staat dan ook al lange tijd symbool voor het omzetten van natuurlijke hulpbronnen én menselijke arbeid in winst. Tegelijkertijd zijn de voorvechters van die Texaanse cultuur er goed in geslaagd cowboys en oliemagnaten tot iconen van Amerikaanse mannelijkheid te verheffen, en een vorm van ‘gespierd christendom’ te propageren. Al vanaf de tijd dat Texas nog deel uitmaakte van Mexico, en de Mexicaanse regering van kolonisten verlangde dat zij zich tot het katholicisme bekeerden, raakten economische exploitatie, religie en raciale verhoudingen nauw met elkaar verweven. In de jaren twintig en dertig klonk vervolgens in de hele staat de boodschap van fundamentalistisch-christelijke radiopredikers. In 1953 organiseerde de evangelist Billy Graham een grote opwekkingsbijeenkomst in de Cotton Bowl, die 75.000 Texanen trok. Sinds de jaren vijftig hebben de Southern Baptists, die in de loop der decennia steeds conservatiever werden, een dominante positie verworven in het religieuze landschap van Texas. Tegenwoordig spelen zij, samen met conservatieve leden van andere geloofsgemeenschappen, een belangrijke rol bij de organisatie en financiering van de politiek in de staat.
Omdat het conservatieve christendom zo nauw verweven is met de politieke cultuur van Texas, komen Musk en andere techondernemers die Californië hebben verruild voor deze staat terecht in een nieuwe ideologische versmelting. Daarin gaan neoliberaal economisch beleid en christelijk-nationalistische culturele ambities samen met een lange Texaanse traditie van grondstoffenwinning en exploitatie, waarbij racisme en vrouwenhaat nauwelijks als obstakel worden gezien. Deze ideologische combinatie heeft inmiddels ook haar weg gevonden naar het Witte Huis. Dat roept belangrijke vragen op. Wat is er geworden van de Californische droom van een grootschalige, welwillende verbondenheid tussen mensen? Welke nieuwe dromen zijn daarvoor in de plaats gekomen? En welke rol speelt Texas in deze verschuiving?
Terug naar de toekomst
Toen Barbrook en Cameron halverwege de jaren negentig de Californian Ideology beschreven, bestonden sociale media nog niet. Er waren geen platforms en apps zoals we die tegenwoordig kennen, en ook zoekmachines als Google en DuckDuckGo bestonden nog niet. IBM had kort daarvoor de eerste smartphone op de markt gebracht, de ‘Simon.’ Die kostte 1.099 dollar, hield het op een volle batterij slechts een uur vol en werd bepaald geen commercieel succes. Silicon Valley begon zich in die periode te ontwikkelen tot het centrum van de software-industrie dat het later zou worden. Begin jaren negentig maakten de belangrijkste bedrijven in de Valley echter vooral de fysieke bouwstenen van het internet: Intel produceerde halfgeleiders, Cisco Systems netwerkapparatuur, Sun Microsystems workstations, en Apple en Hewlett-Packard personal computers. In het hele land waren bedrijven bezig met het uitbouwen van digitale netwerken. In 1993 waren via NSFNET, de door de federale overheid gefinancierde ruggengraat van het internet, al meer dan twee miljoen computers met elkaar verbonden. HTML was inmiddels breed beschikbaar en het World Wide Web stond op het punt door te breken.
Terwijl programmeurs en chipfabrikanten in Silicon Valley hard werkten aan de aanleg van een wereldwijd digitaal netwerk, begon een bont gezelschap van journalisten, hackers en reclamemakers deze ontwikkeling te presenteren als een tegenculturele revolutie. In tijdschriften als Wired betoogden zij dat de nieuwe technologieën de weg vrijmaakten voor wat John Perry Barlow, tekstschrijver van de Grateful Dead, beroemd zou maken als de ‘electronic frontier’: een wereld zonder lichamelijke beperkingen en buiten het bereik van de politiek, waar individuen een vorm van harmonie zouden kunnen vinden die in het dagelijks leven onmogelijk leek. Het internet, zo was de gedachte, zou eindelijk kunnen verwezenlijken wat LSD in de jaren zestig had moeten bewerkstelligen: mensen in staat stellen de samenhang tussen alle levende en niet-levende dingen te zien en een utopie op te bouwen rond het hippie-ideaal: ‘We Are All One’ – we zijn allemaal één.
Voor marketeers was de koppeling tussen de tegencultuur en de computerwereld onweerstaanbaar. Seks, drugs en rock-’n-roll waren immers ‘cool’ op een manier waarop computers dat nooit waren geweest. Maar zoals Barbrook en Cameron opmerkten, ging deze versmelting van bohemien-idealisme en technocratisch denken gepaard met een opmerkelijk conservatieve politieke visie. ‘In de digitale utopie zal iedereen zowel hip als rijk zijn,’ schreven ze. Om die utopie te verwezenlijken, moesten de vrije markt en het internet als politieke modellen worden omarmd. Iedereen zou een knooppunt in een netwerk worden: iemand die ideeën voortbrengt en ze onder anderen verspreidt, in een wereld waarin sociale en commerciële relaties voortdurend met elkaar verweven zijn. Volgens Barbrook en Cameron geloofden veel aanhangers van deze visie dat ze daarmee tegelijkertijd een van de dromen van Newt Gingrichs Nieuw Rechts zouden verwezenlijken. Dankzij het internet zouden de staat en het rechtssysteem, met hun logge regelgeving en moeizame politieke processen, ‘geleidelijk verdwijnen en plaatsmaken voor onbelemmerde interacties tussen autonome individuen en hun software.’
Deze visie sprak vooral de technologen van Silicon Valley aan. Zij zagen zichzelf maar al te graag niet als eenvoudige werkbijen die hightech-bijenkorven bouwden, maar als rebellen die met iedere toetsaanslag de gevestigde macht bevochten. De Californian Ideology kwam ook hun bedrijven uitstekend van pas. Als computers een utopie konden verwezenlijken, moest immers iedereen er een hebben. En als Californië de toekomst vertegenwoordigde, dan moest het ouderwetse, bekrompen Washington D.C. vooral zorgen dat zijn regels die toekomst niet in de weg stonden. Zo verbond de Californian Ideology de uitbreiding van het internet niet alleen met een tegenculturele droom. Ze maakte van die droom tegelijkertijd een middel om de hele wereld om te vormen tot een afzetmarkt voor de technologie van Silicon Valley.
De Californian Ideology stelde bovendien zowel de onlinewereld als de staat Californië voor als een paradijs voor de witte, mannelijke ondernemer. Volgens Barbrook en Cameron sloten haar aanhangers de ogen voor de alledaagse werkelijkheid in Californië, en met name voor ‘racisme, armoede en milieuvervuiling.’ Die aanhangers beschouwden cyberspace als een leeg, onontgonnen gebied dat rijp was om gekoloniseerd te worden. Daarmee leken ze op de volgelingen van de back-to-the-land-beweging uit de jaren zestig, die Amerika eveneens voorstelden als een ongerepte wildernis die nog in bezit kon worden genomen. In Californië vonden voormalige hippies en technologen elkaar in hetzelfde ideaal: je hoefde alleen maar te erkennen dat alles met alles verbonden was en vervolgens systemen te bouwen waarmee ook anderen die verbondenheid konden ervaren. Kwesties als discriminatie en ongelijkheid konden voorlopig terzijde worden geschoven, vanuit de overtuiging dat de nieuwe technologische systemen deze problemen uiteindelijk vanzelf zouden oplossen.
Van San Francisco naar Austin
Tegenwoordig lijkt de hoop dat onderling verbonden computers een utopische samenleving zouden kunnen voortbrengen buitengewoon naïef. Ondanks al het gepraat van Mark Zuckerberg over het verbinden van de wereld is Facebook uitgegroeid tot een bron van politieke conflicten, zowel in de Verenigde Staten als daarbuiten. Ook de manier waarop Facebook geld verdient, laat zien hoe sterk het internet sinds de jaren negentig is veranderd. Destijds wist eigenlijk niemand hoe er met de nieuwe digitale netwerken winst kon worden gemaakt; men wist alleen dat er ergens geld aan te verdienen moest zijn. Rond 2010 hadden sociale media en platformbedrijven als Facebook ontdekt hoe ze onze natuurlijke behoefte aan sociaal contact naar hun eigen platforms konden lokken en vervolgens commercieel konden exploiteren. Tegenwoordig maken bedrijven als TikTok en Google gebruik van onze aandacht, terwijl wij voortdurend informatie prijsgeven over onze verlangens, sociale gewoonten en consumptiepatronen. Zo hebben zij een systeem dat ooit de tegenculturele droom van vrije en harmonieuze menselijke interactie belichaamde, veranderd in een systeem van toezicht en uitbuiting.
Die ontwikkeling past slecht bij de Californian Ideology. En eigenlijk geldt hetzelfde voor Californië zelf. CEO’s als Musk, die het hoofdkantoor van hun bedrijf van Californië naar Texas verhuizen, doen dat mede om te ontsnappen aan de ongelijkheid die hun eigen sector heeft helpen creëren. De grote concentratie van hoogopgeleide en goedbetaalde techwerknemers op het schiereiland van San Francisco heeft de huizenprijzen en huren zo sterk opgedreven dat mensen met gewone inkomens noodgedwongen in campers wonen of zelfs op straat belanden. In de Tenderloin, een wijk in het centrum van San Francisco, zijn daklozen overal op de trottoirs te vinden.
De CEO’s voelen zich steeds minder thuis in de wereld die ze zelf mede hebben helpen creëren. In het najaar van 2020 besloot serieondernemer en durfkapitalist Joe Lonsdale daarom met zijn gezin naar Austin te verhuizen en ook het hoofdkantoor van zijn bedrijf daarheen te verplaatsen. In een opiniestuk in The Wall Street Journal lichtte hij zijn besluit als volgt toe:
‘Ondoordachte hervormingen van het strafrecht en radicale officieren van justitie eisen hun tol van het leven in de stad. Drie vrouwen van collega’s van mij zijn in de straten van San Francisco lastiggevallen en achtervolgd door daklozen, terwijl de straten bezaaid liggen met injectienaalden en menselijke uitwerpselen. Mijn vrouw durft nauwelijks nog met onze jonge dochters door de stad te lopen. De politie reageert vaak niet eens meer op meldingen van intimidatie en vermogensdelicten, terwijl die sterk zijn toegenomen. San Francisco heeft inmiddels het hoogste aantal vermogensdelicten van het land.’
Dat klopte overigens niet helemaal. Volgens de FBI lag het aantal vermogensdelicten per hoofd van de bevolking dat jaar in Memphis, Tennessee, hoger. En hoewel bronnen en onderzoeksmethoden uiteenlopen, komen in andere onderzoeken ook Fairbanks in Alaska en Alexandria in Louisiana boven San Francisco uit. Toch is Lonsdales relaas interessant, vooral omdat hij de persoonlijke bedreigingen aan het adres van de vrouwen en dochters van mannen zoals hij rechtstreeks in verband brengt met tekortschietend overheidsbeleid en gebrekkige regelgeving. Elders in het artikel verwijt hij het stadsbestuur van San Francisco dat het tijdens de eerste fase van de coronapandemie onvoldoende steun bood aan bedrijven zoals het zijne. In zijn ogen bracht de overheid daarmee zowel zijn gezin als het bedrijf dat hij had opgebouwd in gevaar – precies de zaken die hij, als ‘Man Die Dingen Bouwt,’ geacht werd te beschermen. Over de gevolgen die zijn eigen sector voor de regio heeft gehad, rept Lonsdale niet. Integendeel: volgens hem is het ‘slecht beleid dat de staat onleefbaar heeft gemaakt.’
Lonsdales betoog in The Wall Street Journal past in een al ruim tien jaar durende informele campagne van rechts om Californië af te schilderen als een ‘mislukte staat.’ De gouverneurs van Texas hebben zich daar enthousiast in gemengd. Toen Greg Abbott Californië in 2015 bestempelde als een bolwerk van ‘falend groot overheidsbeleid,’ trad hij daarmee in de voetsporen van zijn voorganger als gouverneur, Rick Perry. Die had eerder radiospotjes in Californië laten uitzenden waarin bedrijven werden opgeroepen naar Texas te verhuizen. Daarbij wees Perry er nadrukkelijk op dat Texas geen inkomstenbelasting heft. Meer in het algemeen richt de rechtse kritiek op Californië zich voor een groot deel op economische kwesties. Zo meldde een onderzoek dat de conservatieve Hoover Institution in 2022 publiceerde dat tussen begin 2018 en eind 2021 352 bedrijven hun hoofdkantoor uit Californië hadden verplaatst. Volgens de onderzoekers en de door hen geraadpleegde CEO’s waren de redenen duidelijk: ‘Hoge belastingtarieven, strenge regelgeving, hoge arbeidskosten, hoge kosten voor nutsvoorzieningen en energie, en hoge kosten van levensonderhoud, met name op het gebied van huisvesting.’
Maar onder de leiders uit Silicon Valley die Californië verlaten, doet nog een ander verhaal de ronde. Daarin wordt het vermeende onvermogen van Californië om een ondernemingsvriendelijk klimaat met weinig regelgeving te scheppen, gekoppeld aan het onvermogen van de staat om de problemen en behoeften van gewone burgers in de hand te houden. Verhalen over durfkapitalisten die op straat over drugsverslaafden struikelen zijn alomtegenwoordig, evenals berichten over slecht functionerende scholen, en leraren en brandweerlieden die zich geen woning meer kunnen veroorloven. De schuld daarvoor wordt echter bij de overheid gelegd, niet bij het bedrijfsleven. Volgens deze CEO’s hebben de bestuurders van Californië de belastinginkomsten niet gebruikt om de voorzieningen en infrastructuur van hun steden te herstellen, maar zich in plaats daarvan steeds sterker toegelegd op het verdedigen van ‘woke’-opvattingen. Zo beweert Joe Lonsdale dat San Francisco in handen is gevallen van ‘extreemlinks.’ Elon Musk waarschuwt op zijn beurt voortdurend voor wat hij het ‘woke-gedachtenvirus’ noemt, waaraan hij de meest uiteenlopende problemen toeschrijft: van de gendertransitie van zijn dochter tot de problemen die Californië ondervindt bij de bestrijding van bosbranden.
Precies hier komen de zeer reële problemen van wonen en werken in Noord-Californië samen met de materiële belangen van durfkapitalisten en de cultuurstrijd van rechts-Republikeinse politici. In een essay uit 2020, getiteld Libertarianism is Dysfunctional, but Liberty is Great, liet Lonsdale zien hoe deze verschillende ontwikkelingen steeds meer met elkaar verweven raakten. Het libertarisme dat Silicon Valley decennialang had gekenmerkt, was volgens hem verworden tot een ‘louter performatieve vorm van politiek.’ Sinds de New Deal was de rol van de overheid in het dagelijks leven – en vermoedelijk ook in de regulering van het bedrijfsleven – steeds groter geworden. Het libertarisme bleek niet langer krachtig genoeg om die ontwikkeling tegen te houden. Daarom moesten de Amerikanen volgens Lonsdale niet langer voor libertarisme kiezen, maar voor ‘vrijheid.’ Daarmee bedoelde hij een overheid die meer functioneert als een op winst gericht bedrijf. ‘Als we de grootste probleemgebieden van onze samenleving, zoals het strafrecht, het onderwijs en de gezondheidszorg, willen hervormen, moeten we beleidsoplossingen omarmen die dezelfde concurrentie tussen ideeën mogelijk maken die kenmerkend is voor een vrije samenleving,’ betoogde hij. In de praktijk betekende dit dat overheidsbeleid op dezelfde manier moest worden vormgegeven als een CEO een bedrijfsplan opstelt: duidelijke doelen formuleren, meetbare criteria voor succes vaststellen en mensen verantwoordelijk houden voor het behalen daarvan.
Op het eerste gezicht klinkt dat misschien heel redelijk. Maar in Lonsdales essay mondt deze redenering al snel uit in een wereld waarin rijkdom de belangrijkste maatstaf voor maatschappelijk succes wordt. Stel je bijvoorbeeld eens voor, schrijft hij, dat universiteiten niet langer worden beoordeeld op het aantal studenten dat afstudeert, maar ‘op basis van het werkelijke inkomen van hun afgestudeerden’! Uiteindelijk begint Lonsdales opvatting van vrijheid sterk te lijken op het neoliberalisme uit het Reagan-tijdperk. ‘Vrijheid dwingt ons persoonlijke verantwoordelijkheid te nemen voor onze beslissingen, in het besef dat ieder van ons zijn eigen leven vormgeeft,’ legt hij uit. Als dat betekent dat sommige mensen achterblijven, dan zij dat zo. Volgens Lonsdale biedt vrijheid de meest getalenteerde burgers de mogelijkheid om met elkaar te concurreren op de markten van goederen en ideeën. ‘Als ondernemers vrij zijn om op de markt van ideeën te falen of te slagen, en recht hebben op de vruchten van hun arbeid,’ schrijft hij, ‘zullen getalenteerde mensen prachtige nieuwe manieren bedenken om het leven van anderen te verrijken.’
En natuurlijk om zichzelf te verrijken.
Groots uitpakken in Texas
In MaddAddam, haar sciencefictionroman over een wereld die uiteenvalt door ontspoorde bio-ingenieurs, machtige technologiebedrijven en ecologische ineenstorting, beschrijft Margaret Atwood de opkomst van een nieuwe sekte: de Petrobaptisten. Zij komen bijeen in ‘een megakerk, volledig opgetrokken uit glasplaten, met banken van namaakeiken en nepgraniet, midden in de glooiende vlakten’: de Church of PetrOleum. Daar houdt een predikant, die eenvoudigweg de Rev wordt genoemd, een preek:
‘Vrienden, zoals we allemaal weten, is oleum het Latijnse woord voor olie. En inderdaad: in de hele Bijbel is olie heilig! Waarmee anders worden priesters, profeten en koningen gezalfd? Met olie! Het is het teken van bijzondere uitverkiezing, het gewijde chrisma! […] Het Heilige Oleum mag niet onder de korenmaat worden verborgen – met andere woorden: het mag niet onder de rotsen blijven liggen – want daarmee zouden we het Woord verloochenen! Verhef daarom uw stemmen in gezang en laat het Oleum in steeds machtiger en alom gezegende stromen vloeien!’
De Rev zou zich in Texas ongetwijfeld thuis hebben gevoeld. Waar de Californische ideologie voortkwam uit de ontmoeting tussen de computerindustrie en de tegencultuur, weerspiegelt de Texaanse ideologie een veel oudere versmelting van de olie-industrie met het millenaristische christendom. Texas behoort tot het Amerikaanse Westen, maar is tegelijkertijd de grootste staat van de zuidelijke Bible Belt. Van noord naar zuid strekt de staat zich over bijna duizend mijl uit, en van oost naar west over ongeveer dezelfde afstand. Van de vijftig Amerikaanse staten heeft alleen Alaska een groter landoppervlak. Aan het begin van de negentiende eeuw, toen Texas nog deel uitmaakte van Mexico, trokken witte kolonisten vanuit de Verenigde Staten naar het zuiden. In de katoenstreken van Oost-Texas vestigden zij enorme landbouwbedrijven, waar tot slaaf gemaakte mensen het werk verrichtten. Rond 1900, toen de noordelijke staten volop industrialiseerden en de elite van Manhattan zich door de Gilded Age feestte, bleef Oost-Texas het land van de katoen. Die werd inmiddels verbouwd door witte deelpachters en de nakomelingen van tot slaaf gemaakte mensen. West-Texas was daarentegen het land van de eindeloze vlakten, waar cowboys enorme kuddes over uitgestrekte graslanden dreven. Hun onafhankelijkheid groeide uit tot een legende, maar achter die mythe bleef Texas een staat die diep in armoede gevangen zat.
Op het dieptepunt van de Grote Depressie veranderde dat voor een handvol Texaanse oliemagnaten. De eerste oliebronnen van de staat waren al aan het begin van de eeuw aangeboord, maar pas begin jaren dertig begon een groep ‘wildcatters’ pachtrechten te verwerven op grond in Oost-Texas die door de grote oliemaatschappijen over het hoofd was gezien. Toen zij daar keer op keer olie aantroffen, ontketenden mannen als H. L. Hunt en Clint Murchison een stormloop op de Texaanse olievelden die sindsdien nooit meer is opgehouden. Ze ontpopten zich bovendien tot invloedrijke financiers van rechtse politici en, in het geval van Hunt, van fundamentalistisch-christelijke predikanten. In de daaropvolgende dertig jaar financierden oliemagnaten die in de jaren dertig hun fortuin hadden gemaakt rechtse denktanks, de heksenjachten van Joe McCarthy, de John Birch Society, en diverse openlijk racistische en antisemitische organisaties. In 1962 schreef The Nation dat ‘vrijwel elke radicaal-rechtse beweging uit de naoorlogse periode financiële steun heeft ontvangen van Texaanse oliemiljonairs.’
Zoals journalist Bryan Burrough beschrijft in The Big Rich, zijn uitvoerige kroniek van de invloedrijkste oliefamilies van Texas, hadden de wildcatters van de jaren dertig een grondige hekel aan de belastingdienst, vakbondsorganisatoren en Franklin D. Roosevelt. Ze vreesden dat een machtige overheid en de communisten hun fortuinen zouden afpakken. Tegelijkertijd waren die fortuinen juist afhankelijk van hun vermogen om invloed uit te oefenen op de staat. Wie naar olie wilde boren, had immers de rechten op de grond nodig, en om die te verkrijgen moest je een beroep kunnen doen op je vrienden binnen de overheid. Dezelfde paradox zien we tegenwoordig bij de bouwers van datacenters en fabrieken voor elektrische auto’s. Elon Musk heeft de staat nodig voor bouwvergunningen, elektriciteit en gunstige belastingvoorwaarden. Tegelijkertijd heeft hij diezelfde staat nodig om zijn bedrijven zo weinig mogelijk regels op te leggen.
De angst voor buitenstaanders en voor inmenging van de federale overheid loopt als een rode draad door de geschiedenis van Texas. Toen het gebied nog tot Mexico behoorde, eiste de Mexicaanse regering dat protestantse kolonisten uit het noorden zich tot het katholicisme bekeerden. Pas na de onafhankelijkheid verwierven de Texanen godsdienstvrijheid. Sinds de Reconstructie probeerde de federale regering in Washington bovendien rassengelijkheid af te dwingen. Nu leek ook Franklin D. Roosevelt een bedreiging te vormen voor de Texaanse onafhankelijkheid. Burrough beschrijft hoe schrijver John Gunther tijdens een bezoek aan de staat in 1944 een wijdverbreide angst aantrof dat Roosevelt de bestaande economische en raciale orde zou ontwrichten. Een van Gunthers gesprekspartners verwoordde het als volgt: als FDR opnieuw zou winnen, ‘zou dat betekenen dat de Mexicanen en de negers het hier van ons zullen overnemen.’
Na verloop van tijd leidde de afkeer van de oliemagnaten van de overheid, gecombineerd met hun behoefte om diezelfde overheid naar hun hand te zetten, ertoe dat zij de politieke opkomst van drie presidenten financierden: Lyndon B. Johnson, George H.W. Bush – zelf een oliemagnaat – en diens zoon George W. Bush. Daarnaast steunden zij tal van andere invloedrijke politici, van Johnsons adviseur en de latere gouverneur van Texas John Connally in de jaren zestig tot de huidige senator voor Texas, Ted Cruz. Niet alle oliemagnaten waren politiek conservatief, maar de overgrote meerderheid was dat wel. Bovendien waren velen uitgesproken christelijk. In de beginjaren overtrof vrijwel niemand H. L. Hunt in religieuze ijver. In de jaren vijftig gebruikte hij zijn fortuin onder meer om voormalig FBI-agent Dan Smoot een radioprogramma te geven onder de titel Facts Forum. Als een vroege voorloper van Rush Limbaugh beweerde Smoot dat de New Deal niets anders was dan communisme en fascisme onder een andere naam, en suggereerde hij dat alle drie in strijd waren met het christelijk geloof. ‘De democratie is de politieke uitdrukking van de leer van Jezus Christus,’ verkondigde hij op de radio. ‘Het christendom is essentieel geweest voor het ontstaan van onze democratie. Wij van Facts Forum weten dat de Amerikaanse democratie nog altijd de meest volmaakte juridische en politieke uitdrukking is die de mens ooit heeft gegeven aan een fundamenteel ideaal van het christendom.’
De combinatie van afkeer van staatsbemoeienis, christelijk nationalisme en harde achterkamerpolitiek, waarmee de oliemagnaten van de jaren dertig de toon zetten, vormt tot op de dag van vandaag een vast onderdeel van de Texaanse politiek. Sinds 1995 is het gouverneurschap onafgebroken in handen van de Republikeinen en dankzij verregaande gerrymandering (het manipuleren van de grenzen van kiesdistricten) in de hele staat zal dat waarschijnlijk nog geruime tijd zo blijven. De huidige gouverneur, Greg Abbott, is bezig aan zijn derde ambtstermijn en voert een beleid dat niet alleen de idealen van de hedendaagse Republikeinse Partij weerspiegelt, maar ook die van inmiddels lang overleden oliemagnaten als H. L. Hunt. Abbott werd onder meer bekend doordat hij migranten vanaf de Mexicaanse grens per bus naar zogenoemde ‘sanctuary cities’ in het noorden liet vervoeren. Abbott heeft een vrijwel volledig verbod op abortus ondertekend, de rechten van transgender-personen ingeperkt, en een einde gemaakt aan diversiteitsprogramma’s en -bureaus op openbare hogescholen en universiteiten in Texas en bij overheidsinstanties. Dankzij Texas Senate Bill 10 – een wet die Abbott actief heeft gesteund en ondertekend – is sinds dit najaar iedere openbare basis- en middelbare school in Texas verplicht een poster met de Tien Geboden op te hangen. Die poster moet veertig bij vijftig centimeter groot zijn, vanuit elke plek in het klaslokaal leesbaar zijn en zonder commentaar worden getoond. Een federale rechter heeft de uitvoering van de wet tijdelijk geblokkeerd in elf van de ruim twaalfhonderd schooldistricten van de staat. In de overige districten prijkt het Woord van God echter aan de muur.
Of de rechtbanken uiteindelijk zullen toestaan dat de wet ook in de overige elf districten van kracht wordt, is nog onduidelijk. Maar de visie achter Abbotts wetgevingsagenda weerspiegelt een opmerkelijke samensmelting van verschillende ideologische stromingen. De uit het koloniale tijdperk stammende angst voor een Mexicaanse aanval gaat samen met de vrees voor economische herverdeling die tijdens de New Deal opkwam. Tegelijkertijd wordt een beroep op individuele vrijheid gebruikt om het opleggen van een uitgesproken patriarchale vorm van het christendom te rechtvaardigen. De historische kracht van elk van deze denkbeelden versterkt daarbij de schijnbare legitimiteit van de andere. Uiteindelijk komen ze samen in een wereldbeeld waarin witte mannen aan de top staan en zich door God het recht toegekend zien om over vrouwen, mensen van kleur en de natuurlijke wereld te heersen.
Gedurende het grootste deel van de negentiende eeuw vormde dit wereldbeeld de drijvende kracht achter de plantage-economie van de katoenvelden in Texas. In de twintigste eeuw droeg het eraan bij dat de zoektocht naar olie voor ondernemers als H.L. Hunt bijna het karakter van een goddelijke missie kreeg. Tegenwoordig ligt hetzelfde wereldbeeld ten grondslag aan een nieuw tijdperk van digitale grondstoffenwinning. In de jaren negentig, toen computernetwerken sterk in opkomst waren, richtten computerfabrikanten zich vooral op het vergroten van de rekenkracht van afzonderlijke computers. De kracht van het netwerk zelf werd beschouwd als een bijkomend voordeel: een gunstig neveneffect van het verbinden van grote aantallen krachtige computers. Met de opkomst van kunstmatige intelligentie en cryptovaluta is dat veranderd. Deze technologieën vragen om een steeds grotere concentratie van rekenkracht op één plek. Daardoor groeit ook de behoefte aan enorme hoeveelheden grond en elektriciteit.
Texas heeft beide in overvloed. In januari 2025 kondigde OpenAI het Stargate-project aan: een investeringsprogramma van vijfhonderd miljard dollar, verspreid over vier jaar, voor de bouw van een netwerk van onderling verbonden datacenters in de Verenigde Staten. De eerste locatie wordt momenteel gebouwd in Abilene, Texas. Als het complex eenmaal klaar is, zal het bestaan uit tien gebouwen van elk ongeveer 140.000 vierkante meter, vol met rijen energieverslindende servers. Voorlopig is Stargate het grootste project in zijn soort dat op stapel staat. Het consortium achter het initiatief wil daarnaast nog tien reusachtige datacenters op andere locaties in Texas bouwen. Elk daarvan vergt enorme aanvangsinvesteringen, maar biedt ook uitzicht op aanzienlijke winsten op de langere termijn. Daarmee beginnen deze projecten steeds meer te lijken op de grootschalige investeringen die vroeger nodig waren om olievelden te ontginnen. Hoewel overal in de Verenigde Staten nieuwe datacenters verrijzen, groeit de capaciteit nergens zo snel als in Noord-Virginia, met de regio Dallas-Fort Worth in Texas op de tweede plaats.
Net als AI vereist het delven van bitcoins enorme hallen vol servers en een ononderbroken toevoer van elektriciteit. Die stroom is niet alleen nodig om de computers draaiende te houden, maar ook om de ventilatoren aan te drijven die moeten voorkomen dat ze oververhit raken. De enorme omvang van deze installaties maakt duidelijk hoe misleidend het is om bitcoin een ‘virtuele’ munt te noemen. Bij Riot Platforms in Rockdale, Texas, het grootste bitcoinmijnbedrijf van Noord-Amerika, staan zeven gebouwen die elk bijna drie voetbalvelden lang zijn. Binnen klinkt voortdurend het geraas van ventilatoren die duizenden computers koelen. Die computers proberen onafgebroken ingewikkelde cryptografische puzzels op te lossen om nieuwe bitcoins te produceren. Ongeveer twee uur rijden naar het noorden, bij Corsicana, bouwt Riot een nog groter complex.
De omwonenden zijn daar allerminst blij mee. Naast de voortdurende geluidsoverlast zorgen bitcoinbedrijven als Riot ook voor hogere elektriciteitsprijzen. Volgens een simulatie die in opdracht van de New York Times werd uitgevoerd, hebben deze bedrijven de stroomtarieven in Texas met maar liefst vijf procent opgedreven. Nog opmerkelijker is dat de beheerders van het Texaanse elektriciteitsnet bitcoinbedrijven betalen om hun activiteiten zo nodig stil te leggen wanneer de vraag naar stroom zo groot wordt dat stroomuitval dreigt. In de praktijk hoeven deze bedrijven hun computers echter maar zelden uit te schakelen. Zo kunnen ze jaarlijks miljoenen dollars aan publieke middelen opstrijken, zonder dat ze daar veel voor hoeven te doen.
Voor de regering van gouverneur Greg Abbott zijn dit simpelweg de kosten die horen bij het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid. Hoewel vicegouverneur Dan Patrick publiekelijk heeft geopperd dat Texas het enorme energieverbruik van AI-datacenters en bitcoinmijnbedrijven kritisch onder de loep zou moeten nemen, heeft Abbott beide sectoren juist met open armen ontvangen. De afgelopen jaren heeft het parlement van Texas een ‘strategische bitcoinreserve’ ingesteld en belastingvoordelen ingevoerd voor aardgasproducenten die hun gas gebruiken om elektriciteit op te wekken voor het delven van bitcoins.
Abbott heeft verklaard dat hij hoopt dat dergelijke wetgeving Texas zal helpen uitgroeien tot ‘het epicentrum van de technologische vooruitgang,’ Ook de aanvankelijk sceptische vicegouverneur Dan Patrick heeft zich inmiddels achter deze koers geschaard. Hij grijpt de gelegenheid zelfs aan om in de gunst te komen van de president: ‘President Trump heeft er geen twijfel over laten bestaan dat hij van de Verenigde Staten de wereldhoofdstad van de cryptovaluta wil maken. Zijn visionaire leiderschap op het gebied van bitcoin en digitale financiële bezittingen heeft de weg vrijgemaakt voor een snelle ontwikkeling van Amerikaanse innovaties. En Texas loopt daarbij voorop.’
Een techno-theocratie?
Maar waar leidt die weg eigenlijk naartoe? Welke toekomst hebben Patrick en Abbott voor Texas voor ogen? Een deel van het antwoord is te vinden achter de schermen van de Texaanse politiek, bij Tim Dunn, die door het tijdschrift Texas Monthly ‘de machtigste man van de staat’ is genoemd. Dunn staat aan het hoofd van CrownQuest Operating, een van de grootste olieproducenten van Texas. Hij is multimiljardair en een uiterst conservatieve christen. ‘Ik heb er heel bewust voor gekozen mijn leven niet in afzonderlijke delen op te splitsen,’ vertelde hij in 2022 aan een podcaster. ‘Ik hanteer niet de ene aanpak in het bedrijfsleven, een andere bij mijn politieke activiteiten en weer een andere in de kerk. […] Ik werk voor God, en God heeft mij een heleboel taken toevertrouwd.’ Net als oliemagnaat H.L. Hunt bijna een eeuw geleden beschouwt Dunn het boren naar olie als onderdeel van een goddelijke opdracht, net als het weren van homoseksuelen uit het onderwijs, het afschaffen van de inkomstenbelasting en het buiten de markt houden van hernieuwbare energie.
Dunns enorme rijkdom geeft hem aanzienlijke politieke macht. Zijn bondgenoten laten Texaanse volksvertegenwoordigers regelmatig weten hoe hij wil dat zij stemmen over uiteenlopende onderwerpen, van belastingen tot particulier onderwijs. Wie zijn wensen volgt, kan op zijn financiële steun blijven rekenen. Wie tegen hem ingaat, loopt het risico dat Dunn bij de volgende voorverkiezingen een tegenkandidaat naar voren schuift en diens campagne financiert. Maar niet alleen Dunns uitgesproken rechtse politieke opvattingen laten zien welke kant Texas, en mogelijk ook de rest van de samenleving, opgaat. Minstens zo veelzeggend is de manier waarop hij zijn eigen leven heeft ingericht. Aan het einde van de dag keert Dunn terug naar zijn familielandgoed in Midland, het centrum van de Texaanse olie-industrie. Het terrein ligt direct achter de Midland Classical Academy, een christelijke school voor kinderen van de kleuterleeftijd tot en met de middelbare school, waarvan hij medeoprichter is. Inmiddels zijn zijn kinderen volwassen en hebben zij ieder een eigen huis op het familieterrein gebouwd. Dunn heeft overal de touwtjes in handen: als patriarch van zijn familie, als invloedrijke figuur binnen zijn christelijke school en, dankzij zijn politieke donaties, als machthebber achter de schermen van de regering-Abbott en een groot deel van het Texaanse parlement. Zijn levensstijl belichaamt de belofte die Abbott doet aan miljardairs als Elon Musk en Joe Lonsdale: in Texas vind je de natuurlijke rijkdommen die God je heeft gegeven om een fortuin op te bouwen. Bovendien krijg je er alle ruimte om je rijkdom en je familie te beschermen, onder het toeziend oog van jezelf als patriarch, alsof dat een door God verleend recht is.
In de jaren negentig werd de Californische ideologie gekenmerkt door een vrijblijvende, hippieachtige spiritualiteit. Naar de kerk gaan was iets voor hopeloos saaie mensen. Maar nu de leiders van Silicon Valley steeds verder naar rechts opschuiven, vooral wanneer ze zich in Texas vestigen, omarmen velen van hen een andere levensbeschouwing. Daarin gaan ondernemerschap en een christelijke geloofsovertuiging hand in hand. Juist die combinatie vormt de kern van de Texaanse ideologie. Elon Musk heeft bijvoorbeeld verklaard dat hij weliswaar niet naar de kerk gaat, maar de ‘leer van Jezus Christus goed en wijs’ vindt. Hij beschouwt zichzelf dan ook als een ‘cultureel christen.’ Joe Lonsdale is joods, maar benadrukt regelmatig dat ‘joods-christelijke waarden’ onmisbaar zijn voor een goed functionerende samenleving. Toen hij naar Texas verhuisde, nam hij het Cicero Institute mee, een denktank voor de vrijemarkteconomie en overheidsbeleid die hij in Californië had opgericht. Eenmaal in Texas hielp hij ook bij de oprichting van de University of Austin, een universiteit die zich richt op het bestuderen van de belangrijkste werken uit de westerse intellectuele en culturele traditie. Voor Lonsdale, net als voor Dunn en in toenemende mate ook voor Musk, moet de technologische samenleving van de toekomst worden gebouwd op een nauwe verwevenheid van religie, politiek en economie. Daarvan profiteren vooral degenen die het beste in staat zijn publieke middelen naar zich toe te trekken en die om te zetten in particuliere winsten.
Die versmelting van religie, politiek en economie vormt de kern van de Texaanse ideologie. Ook in het Californië van de jaren negentig leefde het verlangen naar een ingrijpende, bijna verlossende omwenteling van de samenleving. Maar de Californische ideologie kwam voort uit de tegencultuur, die op zoek was naar een nieuw bewustzijn en nieuwe manieren om de onderlinge verbondenheid van mensen te begrijpen. Het uiteindelijke doel was de beperkingen van de alledaagse politiek te overstijgen. Die spirituele idealen bleken uitermate geschikt om de ontwikkeling van een wereldwijd digitaal netwerk te bevorderen en te rechtvaardigen. De Texaanse ideologie heeft heel andere wortels. Zij is voortgekomen uit twee eeuwen grondstoffenwinning in het hart van de Amerikaanse Bible Belt, waar het conservatieve christendom diep in de samenleving is verankerd. In deze wereldbeschouwing ligt de nadruk minder op de christelijke plicht om voor de zwaksten in de samenleving te zorgen, en meer op de overtuiging dat er onder ons uitverkoren mensen leven die bijzondere eerbied verdienen. Het christendom van de Texaanse ideologie inspireert dan ook eerder tot de bouw van afgeschermde privélandgoederen dan tot de oprichting van gaarkeukens voor mensen die hulp nodig hebben.
Maar misschien heeft de Texaanse ideologie toch meer gemeen met haar Californische voorganger dan op het eerste gezicht lijkt. Uiteindelijk slaagde de digitale industrie er in Californië immers niet in de beloofde gelijkwaardige samenleving tot stand te brengen. Integendeel, de groeiende ongelijkheid droeg bij aan de dakloosheid die zo zichtbaar is in de straten van San Francisco. Ook in Texas zouden de economische tegenstellingen die de staat al zo lang kenmerken, op den duur weleens zwaarder kunnen gaan wegen dan de eigenbelangen van de machtige technologieondernemers. Als het onderwijs verder achteruitgaat, woningen steeds onbetaalbaarder worden en het christelijk nationalisme een steeds beklemmender stempel op de samenleving drukt, zullen de Texanen misschien uiteindelijk in opstand komen. Wellicht vinden zij dan een manier om een einde te maken aan de manipulatie van de kiesdistrictgrenzen door de Republikeinen en om de huidige machthebbers uit het zadel te wippen.
Ondertussen begint de Texaanse ideologie ook in Californië voet aan de grond te krijgen. In februari 2025 publiceerde de Stanford Review, een conservatief studentenblad dat ooit mede werd opgericht door Peter Thiel, de voormalige mentor van Lonsdale, een essay met de titel ‘Manifest Destiny is het tegengif tegen bureaucratie.’ De auteurs grijpen terug op de geschiedenis van Texas om hun pleidooi te onderbouwen voor vergaande deregulering van de industrie, meer vrijheid voor ondernemerschap en technologische innovatie, en zelfs de verovering van Groenland en Mars. ‘Zonder de mogelijkheid om steeds nieuwe gebieden te ontginnen, zouden de elites het land hebben gemonopoliseerd en de vooruitgang hebben tegengehouden, zoals in Europa is gebeurd,’ schrijven ze. ‘Tijdens de oliehausse konden wildcatters dankzij de soepele regelgeving in Texas vrijwel onbelemmerd naar olie boren. Dat maakte de opkomst van bedrijven als Exxon, Shell en Texaco mogelijk. Meer recent kon SpaceX grote technologische doorbraken realiseren, terwijl de innovatie in sectoren als de luchtvaart en de auto-industrie stagneerde. Dat kwam juist doordat de ruimtevaart een vrijwel ongereguleerd terrein bleef, waar nieuwe grenzen konden worden verlegd.’
Volgens de auteurs van het essay moet de overheid, zoals generaties technologieondernemers al hebben bepleit, slechts de basisregels vaststellen voor het verkennen en ontginnen van nieuwe gebieden, om zich vervolgens zo veel mogelijk terug te trekken. Het succes van Amerika zal daarbij niet worden afgemeten aan de mate van gelijkheid tussen zijn inwoners. Integendeel: vooruitgang ontstaat pas wanneer de juiste mannen alle vrijheid krijgen om nieuwe gebieden te verkennen en hun rijkdommen te exploiteren. Alleen als die mannen ongehinderd de uitgestrekte vlakten kunnen doorkruisen, zullen ze olie vinden. En alleen door die olie te winnen, zal Amerika uiteindelijk de bestemming vervullen die God voor het land heeft uitgestippeld.
Elizabeth Harper schrijft op haar blog All the Saints You Should Know over katholieke relikwieën en andere religieuze curiositeiten. Haar artikelen en foto’s verschenen eerder in Slate, VICE Italia, Atlas Obscura en Swide Magazine, maar ook in tal van Britse roddelbladen die haar werk zonder toestemming overnamen. Ze woont in Los Angeles.
De Amerikaanse vicepresident schreef zijn nieuwe boek zonder zijn bron te vermelden: Peter Thiel
Er klopt iets niet aan de nieuwe memoires van J.D. Vance, Communion: Finding My Way Back to Faith. Om te beginnen lijkt er enige verwarring te bestaan over het geloof waarnaar Vance precies zou zijn teruggekeerd. Het boek gaat vermoedelijk over zijn bekering tot het katholicisme, maar zoals velen al hebben opgemerkt, prijkt op de stofomslag een methodistenkerk. Ook de formulering ‘mijn weg terug naar het geloof’ is opmerkelijk. Een bekering wordt immers doorgaans voorgesteld als het vinden van een nieuwe weg vooruit, niet als een terugkeer naar iets wat er al was.
Aanvankelijk schreef ik deze merkwaardige keuzes toe aan slordigheid – het soort fouten dat je kunt verwachten in een boek dat eerder bedoeld lijkt om over geschreven dan daadwerkelijk gelezen te worden. Maar al op de eerste pagina werd duidelijk dat het probleem dieper zat en bij Vance zelf vandaan kwam. ‘Tegenwoordig wonen we ongeveer de helft van de tijd thuis de mis bij,’ schrijft hij. Iedereen die enigszins vertrouwd is met het katholicisme zal daarbij de wenkbrauwen fronsen: de mis is immers niet iets wat je thuis bijwoont. Het interesseert me niet bijzonder of Vance wel of niet aan zijn zondagsplicht voldoet. Het punt is dat zijn boek Communion heet – een verwijzing naar een sacrament dat tijdens de mis wordt voltrokken en juist in gemeenschap met anderen moet worden beleefd. Ook elders in de inleiding staan zulke vreemde formuleringen. Op de eerste pagina gebruikt Vance het woord ‘katholiek’ één keer, om te beschrijven wat zijn vrouw niet is. Daarna spreekt hij alleen nog over ‘christenen.’ Pas later duikt het woord ‘katholiek’ weer op, wanneer hij schrijft dat protestanten ‘de katholieke gewoonte om tot heiligen te bidden of overledenen te raadplegen echt niet waarderen.’ Dat is geen oecumenische manier om over religieuze verschillen te spreken; het is eenvoudigweg niet serieus. Om hem het voordeel van de twijfel te gunnen: Vance zegt zelf dat zijn boek geen sektarisch geschrift is en evenmin een poging om het christelijk geloof te verdedigen. Dat is duidelijk. Maar wat voor boek is het dan wél?
Als we Vance mogen geloven, beschrijft Communion een eenvoudige persoonlijke geloofsreis. Hij groeit op binnen verschillende protestantse kerkgenootschappen, flirt korte tijd met het atheïsme en bekeert zich dan uiteindelijk tot het katholicisme. Echt ver van het christendom raakt hij nooit verwijderd. Er is ook geen plotseling moment van openbaring dat hem naar het geloof terugbrengt; het gaat eerder om een geleidelijk verworven inzicht. Mijn eigen inzicht kwam toen ik Vances beschrijving las van zijn tijd aan Yale Law School. Daar wedijverden hij en zijn medestudenten om een felbegeerde stage bij het Amerikaanse Hooggerechtshof, allemaal in de hoop uiteindelijk te kunnen behoren tot wat hij ‘de uitverkorenen’ noemt. Vance zelf wist niet tot die exclusieve kring door te dringen. Maar dat was niet erg, schrijft hij: Peter Thiel was het immers ook niet gelukt. Wat een merkwaardige opmerking!
Achteraf bleek het mislopen van die stageplek juist een geluk bij een ongeluk. Vance kwam later tot het inzicht dat ‘de uitverkorenen’ in feite gehersenspoelde volgelingen waren van een soort ‘quasi-religie,’ waarin status en macht als goden werden vereerd. Zelf ontsnapte hij maar ternauwernood aan dat lot, mede dankzij het werk van de Franse filosoof René Girard en diens theorie van het ‘mimetisch verlangen.’ Vance besefte dat hij die felbegeerde stage eigenlijk helemaal niet wilde. Sterker nog, hij wist niet eens goed waarom hij advocaat wilde worden of waarom hij zo graag naar Yale had gewild. Hij verlangde simpelweg naar dezelfde dingen als de mensen om hem heen. Dat is wat Girard ‘mimetisch verlangen’ noemt: mensen ontlenen hun verlangens voor een belangrijk deel aan anderen. Om met een bepaald doel door het leven te gaan, leren we via onze sociale omgeving wat waardevol en nastrevenswaardig zou zijn. Maar daardoor ontstaan ook groepen mensen die allemaal naar hetzelfde streven, zonder dat iemand nog precies kan uitleggen waarom dat doel eigenlijk zo waardevol is.
Ik bleef hier even bij stilstaan. Dit idee kan op allerlei manieren worden uitgelegd. Van iemand als Vance – die zegt zich te herkennen in de tekst van Simple Man van Lynyrd Skynyrd en die als volwassene het woord ‘cathartic’ nog in het woordenboek opzoekt – zou je eerder verwachten dat hij gewoon een term als ‘groepsdruk’ gebruikt. Maar dat doet hij niet. Het blijkt namelijk dat Vance niet alleen Girard aanhaalt: hij citeert Peter Thiel, die op zijn beurt Girard citeert. Daar zijn meteen enkele aanwijzingen voor. Zo ontbreekt de helft van Girards begrip van mimetisch verlangen. Girard stelde dat mimesis niet alleen destructief is, maar ook ‘de basis vormt van heldendom, toewijding aan anderen en alles.’ Thiel was een leerling van Girard en heeft het werk van zijn leermeester verwerkt in zijn eigen filosofische geschriften. Maar wanneer hij dat doet, laat hij juist die positieve helft van het begrip weg.
Vance brengt zijn kennismaking met Girard later expliciet in verband met Thiel, maar vertelt niet hoe nauw hun relatie werkelijk is. Verder wordt de techmiljardair nergens genoemd: noch Vances baan bij Thiels investeringsmaatschappij, noch Thiels financiële steun aan Vances eigen onderneming, noch diens recorddonatie van vijftien miljoen dollar aan Vances campagne voor de Senaat, en evenmin Thiels rol bij de verzoening tussen Vance en voormalig president Donald Trump, die er uiteindelijk toe bijdroeg dat Vance in 2024 Trumps running mate werd. Als we Vances eigen relaas mogen geloven, was Thiel niet veel meer dan een soort christelijke inspiratiespreker die toevallig een lezing gaf die Vance aan Yale bijwoonde. In andere interviews heeft Vance die lezing juist de invloedrijkste gebeurtenis uit zijn tijd aan Yale genoemd. Dat kan best waar zijn, maar toch is het niet die lezing die bepalend is voor Communion. Het cruciale denkkader voor Vances verder nogal raadselachtige boek is veeleer te vinden in een andere lezing van Thiel: ‘The Straussian Moment.’
Thiel hield die lezing oorspronkelijk tijdens Politics and the Apocalypse, een conferentie die hij in 2004 zelf financierde, en werkte de lezing later uit tot een essay. Op het eerste gezicht is het een reactie op de terroristische aanslagen van 11 september. Maar eigenlijk is het een reeks filosofische capriolen waarin Thiel het werk van René Girard, Leo Strauss en Carl Schmitt met elkaar verweeft tot een pleidooi voor de omvorming van de Verenigde Staten tot een autoritaire christelijke natiestaat. Thiel begint met de vraag hoe de Verenigde Staten, ondanks al hun macht en middelen, door de Taliban op de knieën konden worden gedwongen doordat ze er niet in slaagden ‘een handvol krankzinnige, vastberaden en suïcidale individuen af te schrikken.’ Zijn conclusie luidt dat dit komt doordat ‘de nieuwe economische wetenschap en de praktijk van het kapitalisme het vacuüm hebben opgevuld dat ontstond toen de oudere traditie werd losgelaten.’ Met die ‘oudere traditie’ bedoelt hij in feite een onverholen christelijk nationalisme, vermengd met een geïdealiseerde voorstelling van de middeleeuwen.
Onomwonden gesteld: volgens Thiel hebben de Verenigde Staten de religie de rug toegekeerd en is de Verlichting mislukt. De wereld is veranderd in een gemondialiseerde en goddeloze samenleving waarin alle keuzes als even geldig worden beschouwd, en waarin een passieve houding van ‘leven en laten leven’ de norm is geworden. Dat heeft volgens hem geleid tot een inhoudsloze vorm van vrede, die door liberalen fanatiek wordt verdedigd onder het mom van multiculturalisme. In werkelijkheid, zo stelt Thiel, zijn zij verblind door goedkope consumptiegoederen en worden zij door afgunst gedreven om het systeem in stand te houden dat hun die welvaart verschaft. In deze ‘anti-samenleving,’ zo stelt Thiel, worden intellectuelen afgestraft zodra ze ook maar suggereren dat culturen vroeger duidelijk van elkaar verschilden en volgens hem bovendien in een hiërarchische verhouding tot elkaar stonden. Als het christelijke Westen de moslims in het Midden-Oosten wil verslaan, moet het volgens Thiel opnieuw beseffen wat het is. Het moet overtuigd raken van de superioriteit van zijn eigen cultuur en religie, daaruit nieuwe kracht putten en bereid zijn ervoor te strijden.
De titel van Thiels lezing wordt in Communion nergens genoemd, maar een hoogleraar zou de tekst zonder veel moeite kunnen aanmerken als niet-vermeld bronmateriaal. Al vroeg in het boek schetst Vance namelijk precies hetzelfde maatschappelijke probleem als Thiel en stelt hij vrijwel dezelfde vraag over terrorisme. Hij legt die vraag in de mond van een niet bij naam genoemde Irakees die hij tijdens zijn uitzending als Amerikaanse marinier zou hebben ontmoet: ‘Jullie zijn het machtigste land ter wereld, maar jullie kunnen niet voorkomen dat een gek een markt opblaast? Wat is er mis met jullie?’ Vervolgens komt Vance stap voor stap tot dezelfde conclusie als Thiel: het Westen ‘vergat waar het voor stond. In het ontstane vacuüm zagen we een nieuw credo ontstaan: een seculier, mondiaal liberalisme dat wel de taal van rechten behield, maar de religieuze grondslag die daaraan betekenis gaf, van zich afschudde.’
Er zijn opvallend veel andere voorbeelden waarin Communion en ‘The Straussian Moment’ vrijwel dezelfde bewoordingen gebruiken. Zo verbindt Thiel in een passage de filosofieën van Locke en Hobbes met het gedachtegoed van Aristoteles en Thomas van Aquino. Vance vat diezelfde gedachte in zijn boek samen, al wekt hij de indruk dat hij die tijdens het spreekuur van een of andere wijze professor heeft opgedaan. Ook verwijzen beiden naar Latijnse motto’s die met de kruistochten worden geassocieerd. Thiel gebruikt ‘Dieu le veult!’ (‘God wil het!’) en Vance ‘In hoc signo vinces’ (‘In dit teken zult gij overwinnen.’) Daarnaast wijzen ze op de vergelijkbare rol die de mythe van Romulus en Remus en het Bijbelboek Genesis hebben gespeeld in verhalen over het ontstaan van beschavingen. Beiden waarschuwen bovendien voor een toekomst waarin videogames de werkelijkheid vervangen en bespreken de overeenkomsten tussen het denken van René Girard en dat van Charles Darwin. Als het om Girard gaat, introduceert Vance zelfs geen enkel idee dat niet al in ‘The Straussian Moment’ voorkomt. Het enige citaat dat hij uit Girards omvangrijke oeuvre aanhaalt, luidt: ‘dingen die verborgen zijn sinds de grondlegging van de wereld’. Precies die acht woorden komen ook in Thiels tekst voor.
Toch vroeg ik me af of ik niet te veel aandacht besteedde aan een middelmatig boek van iemand die eigenlijk zijn handen vol zou moeten hebben aan zijn functie als vicepresident. Communion leest vaak als een verzameling losse vignetten, die zonder duidelijke overgang van het ene onderwerp naar het andere springen. Maar wie het boek van Vance naast ‘The Straussian Moment’ legt, begint te begrijpen dat dit waarschijnlijk opzet is. Nadat Thiel in zijn essay heeft betoogd dat het zowel gevaarlijk als noodzakelijk is om vragen te stellen over de superioriteit van verschillende culturen, grijpt hij terug op een idee van de filosoof Leo Strauss, aan wie de titel van zijn essay is ontleend. Volgens Strauss moeten zulke gevoelige onderwerpen op een ‘esoterische manier’ worden besproken. Thiel is vooral geïnteresseerd in Strauss’ opvatting dat een tekst tegelijkertijd twee doelen kan dienen: aan de oppervlakte is hij bestemd voor een breed publiek, terwijl hij ondertussen een verborgen boodschap overbrengt aan een kleine, selecte groep – in de woorden die Thiel citeert: ‘alleen betrouwbare en intelligente lezers.’ Strauss beschrijft verschillende manieren waarop auteurs een verborgen boodschap in hun teksten kunnen verwerken. Zo zouden ze ‘drie of vier zinnen kunnen opnemen in een bondige, levendige stijl die bij uitstek geschikt is om de aandacht te trekken van jonge mannen die graag nadenken.’ Dat doet denken aan de subtiele verwijzingen in de uitspraken van Vance naar het gedachtegoed van Thiel, die vooral herkenbaar zijn voor mensen die weten waar ze op moeten letten. Een auteur kan er volgens Strauss ook voor kiezen een ‘berucht personage’ als spreekbuis te gebruiken, bijvoorbeeld een ‘bedelaar’ of een ‘clown.’ Vance maakt veelvuldig gebruik van deze tweede methode door zijn ideeën te verpakken in de grove taal van zijn grootmoeder uit de Appalachen of van Trump. Maar de grootste clown is uiteindelijk het personage dat hij J.D. Vance noemt. Op een wat onbeholpen en bescheiden toon probeert hij Thiels christelijk-nationalistische gedachtegoed te verweven met het verhaal over zijn bekering tot het katholicisme.
In de rol die hij zichzelf aanmeet, stelt Vance dat Communion ‘het verhaal van één man’ is. ‘Niet meer en niet minder.’ Dat is de klassieke uitweg van de memoireschrijver: hij zegt alleen zichzelf te beschrijven en laat het aan de lezer over om de rest van het verhaal in te vullen – zij het binnen de grenzen die hij daarvoor zelf heeft afgebakend. Die aanpak leverde Vance in Hillbilly Elegy: A Memoir of a Family and Culture in Crisis (2016) bijval op uit zowel Democratische als Republikeinse kring. Daar schreef hij het verval van de Verenigde Staten toe aan arme witte Amerikanen, wier vermeende tekortkomingen opvallend veel overeenkomsten vertoonden met bestaande stereotypen over zwarte Amerikanen. In Communion richt hij zijn pijlen op precies de andere kant van het maatschappelijke spectrum. Nu wijt hij de uitholling van de westerse beschaving aan een bevoorrechte, liberale klasse, wier ‘ijverige handhaving van sociale regels niet onderdoet voor welke religieuze tirannie dan ook’ die hij ooit heeft meegemaakt. Door het hele boek heen probeert Vance duidelijk te maken dat het zelfs gevaarlijk was om tussen zulke mensen te leven. Mocht dat overdreven klinken, dan grijpt hij opnieuw terug op Thiels interpretatie van Girard in ‘The Straussian Moment.’ Ditmaal gaat het om wat Girard het ‘zondebokmechanisme’ noemt, een idee dat voortbouwt op zijn theorie van de mimetische begeerte. In de lezing van Girard die Vance – en uiteraard ook Thiel – hanteert, verschillen samenlevingen die vrijdenkers zoals zijzelf onderdrukken nauwelijks van een primitieve menigte waarvan iedereen naar dezelfde dingen verlangt. Om de onderlinge vrede te bewaren, zoekt zo’n gemeenschap naar een buitenstaander op wie zij haar maatschappelijke problemen kan afwentelen: een zondebok. Uiteindelijk wordt die zondebok gedood, in de hoop daarmee ook de problemen uit te kunnen bannen die in de samenleving zelf besloten liggen. Vervolgens wordt de onderlinge band binnen de gemeenschap versterkt door deze moord, die zogenaamd in het algemeen belang is gepleegd. In oude heidense samenlevingen kon iedereen die als een ‘kwade kracht’ werd beschouwd die rol van zondebok vervullen, bijvoorbeeld een vermeende heks. Tegenwoordig, zo luidt de redenering, weet de menigte diep vanbinnen dat haar zondebok onschuldig is. Voor Girard is Jezus Christus de ultieme zondebok. Voor Vance is dat J.D. Vance. Door het christendom te omarmen, aanvaardt Vance als het ware het sociale doodvonnis dat de menigte over hem uitspreekt: voortaan wordt hij buitengesloten van de cocktailparty’s in Georgetown. Dat is zijn metafoor (op pagina 97), niet de mijne.
Ook op Yale bevindt Vance zich in een vergelijkbare benarde positie. Afgewezen door zijn medestudenten zwerft hij alleen door de straten van New Haven en bewondert hij de ‘collegezalen die op kathedralen lijken.’ Ze doen hem denken aan andere christelijke alumni, in het bijzonder aan Nathan Hale, die tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog als spion achter de vijandelijke linies opereerde. Hale werd door de Britten ontmaskerd en opgehangen. Ook Vance presenteert zichzelf als iemand die zich vrijwillig achter de vijandelijke linies heeft begeven: hij kent de gevaren, maar is bereid alles op het spel te zetten. Daarmee vergelijkt hij zichzelf impliciet met Hale, die ‘aan de Britse galg stierf in hetzelfde jaar waarin de Founding Fathers een nieuwe natie stichtten.’ Naarmate het boek vordert, worden de verwijzingen naar de dreiging van de vijand steeds minder metaforisch. Tegen het einde schrijft Vance: ‘Een bepaald geloof kan echte pijn of lijden veroorzaken. Ja, het kan je zelfs de dood in jagen.’ Daarmee sluit hij opnieuw aan bij Thiels verwijzing naar Strauss, die waarschuwde dat verboden gedachten voor een auteur zelfs tot ‘de doodstraf’ konden leiden.
Voor Vance en Thiel draait de strijd die zij voeren niet alleen om het voortbestaan van de heterodoxe denker, maar ook om het behoud van de idealen waarop volgens hen de westerse christelijke beschaving is gebouwd. Vanuit dat perspectief vormen zowel de Taliban als Amerikaanse progressieven een existentiële bedreiging. Maar hoe moet deze beslissende strijd worden gevoerd? Voor een antwoord wendt Thiel zich tot de nazistische filosoof Carl Schmitt. Volgens Thiel moeten in oorlogen die om fundamentele waarheden zoals religie draaien, de gebruikelijke regels van het conflict worden losgelaten. In plaats daarvan is een strijd nodig waarbij de winnaar alles krijgt, vergelijkbaar met een kruistocht ‘in de middeleeuws-katholieke traditie.’ Het sluiten van vrede door onderlinge verschillen simpelweg te accepteren, is binnen deze denkwijze onmogelijk: mensen staan óf aan de kant van Christus, óf ertegenover. Joden, moslims en atheïsten worden daarbij allemaal tot de ‘ongelovigen’ gerekend. Om die strijd te kunnen winnen, moet zo snel mogelijk duidelijk worden wie tot welk kamp behoort, en moet men niet terugschrikken voor het benoemen van de kenmerken die beide kampen van elkaar onderscheiden. Thiel kan zich in grote lijnen in deze gedachtegang vinden, maar beseft dat een letterlijke kruistocht in de moderne wereld niet langer haalbaar is. Daarom verplaatst de strijd zich naar een ander terrein: ‘de politiek is het strijdtoneel waarop deze scheiding tussen schapen en bokken plaatsvindt.’
Dit is de oorlog die Vance meent te voeren. In de eerste helft van Communion neemt die nog de vertrouwde vorm aan van een cultuuroorlog, die zich vooral richt tegen mensen die hij persoonlijk heeft ontmoet en die hem vanwege zijn conservatieve opvattingen zouden hebben afgewezen. Na zijn bekering krijgt datzelfde conflict in de tweede helft van het boek echter wereldwijde proporties. Vance besluit zich kandidaat te stellen voor de Senaat als onderdeel van ‘een eigenzinnig intellectueel project.’ Binnen één pagina verandert hij vervolgens in een ‘christelijke staatsman’ – opnieuw een term die hij aan Thiels essay ontleent. Thiel schrijft overigens steevast ‘staatsman of staatsvrouw,’ terwijl Vance pagina na pagina betoogt dat zelfs de meest ambitieuze vrouwen er beter aan zouden doen thuis bij de kinderen te blijven. Ook in de opbouw van zijn betoog volgt Vance het voorbeeld van Thiel. In ‘The Straussian Moment’ past Thiel een typisch Straussiaanse truc toe – let goed op, jonge mannen! – door de kern van zijn betoog te verbergen in een passage met onvertaald Duits en Latijn. Vance gebruikt een vergelijkbare techniek: hij verstopt zijn eigenlijke boodschap in de abrupte en onthullende overgang van het persoonlijke naar het politieke.
Het hoofdstuk in kwestie heet ‘Another Munich.’ We treffen Vance daarin aan op de Veiligheidsconferentie van München, tijdens zijn eerste jaar als senator. Opnieuw voelt hij zich buitengesloten, ditmaal door gevestigde politici van links en rechts. En opnieuw dwaalt hij alleen door de straten, terwijl hij zich afvraagt waar het Westen de verkeerde afslag heeft genomen. Zijn antwoord kennen we inmiddels en komt overeen met dat van Thiel: de moderne vrede is geen echte vrede, maar vooral een voorwaarde voor vrije handel. Werkelijke vrede komt volgens hem voort uit een ‘oudere traditie’: de vijand wordt verslagen, waarna alleen de superieure samenleving overblijft. Onze huidige samenleving bouwt winkelcentra; de oudere samenleving bouwde de middeleeuwse kerken die Vance tijdens zijn reizen zo bewondert. Vance haalt daarbij Mattheüs 7:17 aan: ‘Elke goede boom brengt goede vruchten voort, maar een slechte boom brengt slechte vruchten voort.’ Hij buit deze Bijbelpassage uitvoerig uit: tweemaal citeert hij haar volledig, zeker een half dozijn keer verwijst hij er rechtstreeks naar en daarnaast maakt hij nogal nadrukkelijke woordspelingen met Froot Loops, Fruity Pebbles en aardbeien in Japan. In al die gevallen kun je ‘goede vruchten’ vrijwel zonder betekenisverlies vervangen door ‘raciaal homogeen christelijk nationalisme.’ Hoewel deze gedachtegang verstrekkende en radicale implicaties heeft, wordt ze in dit hoofdstuk zo onschuldig mogelijk voorgesteld. Vance verpakt haar in beschouwingen over achterhaalde internationale politiek waarvan hij toegeeft dat die inmiddels nauwelijks nog relevant is.
Hier laat hij de centrale gedachte van zijn boek schuilgaan achter een weinig bekende historische gebeurtenis, die je makkelijk over het hoofd zou kunnen zien, tenzij je Wikipedia erbij pakt. Het verhaal draait om een vader en een zoon, Ewald en Ewald-Heinrich von Kleist-Schmenzin. Beiden waren diepgelovige christenen. De vader was bovendien een christelijk-nationalistisch politicus. Tijdens de Tweede Wereldoorlog toonden beiden grote moed. Net als Vance zelf, en Nathan Hale vóór hem, waren ze bereid hun leven te riskeren door de vijand te bespioneren. Ook raakten ze betrokken bij een samenzwering om Hitler te vermoorden. De vader werd door de nazi’s gearresteerd en geëxecuteerd. Het plan van de zoon werd nooit uitgevoerd. Wat Vance onvermeld laat, is dat de zoon bereid was een zelfmoordaanslag op Hitler te plegen. Vrijwel iedereen zal die bereidheid tot zelfopoffering bewonderenswaardig vinden. Vance rekent op die bijna vanzelfsprekende reactie om zijn lezers anders te laten kijken naar de zelfmoordterroristen uit het Midden-Oosten waarover Thiel spreekt. Door een daad die doorgaans als terrorisme wordt veroordeeld in een andere historische context te plaatsen, probeert hij hun gebruikelijke oordeel op zijn kop te zetten.
Zowel Vance als Thiel heeft zich afgevraagd hoe een kleine groep mensen met beperkte middelen een machtig land als de Verenigde Staten zoveel angst kan aanjagen. Hun antwoord luidt dat mensen die bereid zijn tot de dood te vechten, werkelijk geloven in de waarden waarop hun cultuur is gebouwd. Vader en zoon Von Kleist-Schmenzin vochten om een waarde te verdedigen die destijds breed werd gedeeld. Vance beroept zich op de morele eensgezindheid over de strijd tegen het nazisme om duidelijk te maken welke waarde volgens hem op het spel stond. In zijn eigen woorden (cursivering van mij): ‘Het was niet het liberalisme, niet de vrijheid, zelfs niet de democratie. Het was de westerse christelijke beschaving.’ Vance pleit daarmee niet alleen voor de verdediging van die beschaving. Hij stelt ook dat die verdediging zó belangrijk is dat de idealen van de Verlichting, die we doorgaans als onlosmakelijk verbonden met de Verenigde Staten beschouwen, er desnoods voor moeten wijken. Wie de Duitse passage uit Thiels essay The Straussian Moment door Google Translate haalt, ziet dat Thiel er net zo over denkt. Volgens hem draagt onze neoliberale samenleving de kiemen van haar eigen ondergang in zich. We leven, zo schrijft hij, in een tijd waarin ‘het geld zijn laatste overwinningen viert, terwijl zijn opvolger, het caesarisme, stilzwijgend en onverbiddelijk naderbij komt.’ De boodschap van beiden is uiteindelijk dezelfde: als het voortbestaan van het Westen op het spel staat, moeten we bereid zijn de liberale en democratische beginselen opzij te zetten. Zelfs als dat betekent dat we opnieuw een vorm van autoritair leiderschap, met enkele alleenheersers aan de macht, moeten accepteren.
Door het hoofdstuk de titel ‘Another Munich’ (‘Nog een München’) te geven, suggereert Vance dat er meer dan één historische gebeurtenis is waarop die naam van toepassing is. Misschien verwijst hij naar zijn optreden op de Veiligheidsconferentie van München, waar hij de internationale verhoudingen op scherp zette door immigranten wereldwijd als criminelen af te schilderen en toenadering te zoeken tot de AfD (Alternative für Deutschland), de Duitse nationalistische partij die bekendstaat om haar xenofobe standpunten. Maar misschien moet het verhaal over de Tweede Wereldoorlog vooral herinneren aan het Verdrag van München van 1938, waarbij Groot-Brittannië en Frankrijk ermee instemden dat nazi-Duitsland een deel van Tsjechoslowakije zou annexeren. In het volgende hoofdstuk maakt Vance een sprong naar zijn bezoek aan Rome in 2025. Hoewel de overgang van München naar Rome nogal onsamenhangend lijkt, weerspiegelen deze twee hoofdstukken een centraal thema uit Thiels essay The Straussian Moment: de kloof tussen ‘Athene en Jeruzalem.’ Deze steden staan symbool voor twee verschillende tradities, die van de politieke rede en die van het religieuze geloof. Volgens deze gedachtegang kan een samenleving geen samenhangend geheel vormen zolang de politieke en religieuze macht van elkaar gescheiden blijven. Voor Vance en Thiel lijkt de conclusie dan ook duidelijk: als uit de puinhopen van het Westen ooit weer een sterke samenleving moet verrijzen, kan dat volgens hen alleen op basis van het christelijk nationalisme.
Vanuit dit perspectief wordt duidelijker waarom Vance, die zich zes jaar eerder tot het katholicisme had bekeerd, met paus Franciscus in conflict raakte over immigratie. Onder diens opvolger, paus Leo XIV, heeft hij die confrontatie verder op de spits gedreven. Vance beschouwt de oproepen van het Vaticaan om een einde te maken aan het geweld in het gunstigste geval als naïeve gemeenplaatsen en in het ergste geval als steun aan de vijand die voor de poorten staat. Waar hij ook kijkt, ziet hij bedreigingen van buitenaf. Zoals hij zelf zegt: ‘Als je kijkt naar de overwegend christelijke samenlevingen in de ontwikkelde wereld, is er niet één die niet door de immigratiekwestie in vuur en vlam is gezet.’ Als de paus niet bereid is het voortouw te nemen, zal Vance zelf wel doen wat volgens hem noodzakelijk is, ook wanneer de verdediging van het christendom middelen vereist die moeilijk met christelijke waarden te verenigen zijn. Die redenering is bij uitstek Straussiaans. Thiel verwijst opnieuw naar de woorden van Leo Strauss: wat een fatsoenlijke samenleving in oorlogstijd doet, ‘zal tot op zekere hoogte afhangen van wat de vijand – mogelijk een volstrekt gewetenloze en wrede vijand – haar dwingt te doen.’ Ook Vance stelt dat er soms moeilijke ‘afwegingen’ moeten worden gemaakt. Staatsgeweld valt volgens hem niet volledig te vermijden, omdat ‘iemand zich nu eenmaal soms tegen zijn arrestatie zal verzetten.’ Vance trekt deze redenering niet expliciet door tot het rechtvaardigen van het doden van gevangenen of demonstranten. Maar hij zet wel een gedachtegang uiteen die zijn lezers in die richting kan voeren. Wie hem daarin volgt, zou uiteindelijk kunnen gaan geloven dat niet de paus, maar Vance zelf de ware verdediger van het christendom is.
Uiteindelijk wijst Vance alle groepen aan die volgens hem tot zijn eigen ‘As van het Kwaad’ behoren: immigranten, academici, mondialisten, de media en diverse economische elites. Daaronder vallen ook kapitalistische machthebbers wier liberale opvattingen miljardairs in staat stellen hun eigen positie en belangen aan het zicht te onttrekken. Tegelijkertijd schetst Vance hoe zijn politieke kamp de overwinning kan behalen. Daarbij omarmt hij wat zijn bondgenoot Thiel ‘vreemde nieuwe gedachten’ noemt. En vreemd zijn die ideeën inderdaad. Vance is bereid afscheid te nemen van beginselen die lange tijd als vanzelfsprekend golden. Zo verwerpt hij het uitgangspunt dat alle mensen gelijk geschapen zijn. Volgens hem zouden culturen buiten de westerse christelijke beschaving ‘moeten uitsterven, zoals een dier dat niet is toegerust om in een nieuwe omgeving te overleven.’ Ook neemt hij de democratie op de hak en lijkt hij te hinten op het caesarisme dat Thiel ziet opkomen: een samenleving waarin de macht bij een sterke alleenheerser ligt. Vance sluit zijn laatste hoofdstuk veelzeggend af met de woorden: ‘Caesar was dood. Christus leefde nog.’ Daarmee lijkt hij de ene heerser door een andere te vervangen. Daarnaast verdedigt Vance de mogelijkheid om individuele vrijheden op te schorten. De verhalen over spionnen zijn dan ook geen toeval. Thiel haalt in dit verband Leo Strauss aan: ‘Zelfs de meest rechtvaardige samenleving kan niet overleven zonder inlichtingen, dat wil zeggen zonder spionage,’ ook al is ‘spionage onmogelijk zonder bepaalde regels van het natuurrecht buiten werking te stellen.’ Vance bereidt zijn lezers zelfs voor op het idee dat zij hun persoonlijke geluk moeten opofferen aan het algemeen belang. Hij erkent bijvoorbeeld dat het krijgen van kinderen aantoonbaar tot minder geluk kan leiden, maar beschouwt dat als een aanvaardbare prijs voor het welzijn van de samenleving. Thiel verwoordt een vergelijkbare gedachte: vóór de Verlichting zou ‘het nastreven van geluk ondergeschikt zijn geweest aan een deugdzaam leven, en bovendien als iets veel subjectievers zijn beschouwd.’ Wat stelt Vance daar tegenover? Een samenleving die doet denken aan een theocratische bedrijfsstad, waarin het christelijk geloof richting geeft aan het openbare leven en de industriële werkgelegenheid een naar binnen gekeerd, isolationistisch nationaal beleid ondersteunt. Vakbonden, die Vance zegt te steunen, zouden in deze samenleving niet in de eerste plaats de rechten van werknemers beschermen, maar vooral de ‘sociale samenhang’ bevorderen. Lagere gezinsinkomens zouden mensen moeten bevrijden van de ‘tirannie van de consumptie,’ terwijl kortere werktijden hen zouden aanmoedigen meer kinderen te krijgen. Uiteindelijk lijkt Vance ervan overtuigd dat de mensen en groepen die hij stelselmatig uit zijn ideaalbeeld van de samenleving probeert te verdringen, door nieuwe generaties zullen worden vervangen.
Om het te zeggen zoals Vance dat zelf nooit zou doen: de samenleving die hij voor ogen heeft, is even bekrompen en gewelddadig als de samenleving die hij zijn tegenstanders verwijt na te streven. En mochten groepen mensen zich tegen zijn toekomstvisie verzetten, dan heeft hij een intellectuele gifpil achter de hand. Volgens Vance is het Amerika dat hij beschrijft namelijk geen breuk met het verleden, maar juist een voortzetting van wat de Verenigde Staten altijd al zijn geweest. Wie zich beroept op de idealen van de Verlichting om voor een ander Amerika te strijden, miskent volgens hem de geschiedenis van het land. De Verenigde Staten hebben hun ontstaan en ontwikkeling niet zozeer te danken aan de verdediging van onvervreemdbare rechten, maar juist aan de bereidheid om die rechten op beslissende momenten opzij te zetten. Zo stelt Vance dat ‘het christendom mensen al eeuwenlang met elkaar verbindt.’ Als voorbeeld noemt hij ‘de gemengde huwelijken tussen Spanjaarden en de inheemse bevolking van Mexico.’ Daarmee presenteert hij de gewelddadige kolonisatie en de genocide op de oorspronkelijke bevolking op een merkwaardig jubelende manier als een succesverhaal van christelijke verbondenheid. Thiel gaat nog verder. Zijn opvattingen zijn weliswaar weerzinwekkender, maar hij is ook openhartiger. Volgens hem ‘heeft Amerika zijn grootheid misschien niet alleen te danken aan zijn gebruikelijke trouw aan de beginselen van vrijheid en rechtvaardigheid, maar ook aan de momenten waarop het daarvan afweek.’ In dat verband verwijst hij naar een ‘ondeugende interpretatie van de aankoop van Louisiana en het lot van de Amerikaanse indianen.’ De boodschap die Vance uiteindelijk overbrengt, is dat er helemaal geen onvervreemdbare rechten zijn waarvoor we zouden moeten vechten. Volgens hem hebben die rechten nooit werkelijk bestaan.
In de inleiding van Communion verwijst Vance naar de apocalyps als het onbekende moment waarop ‘God Zijn kinderen zal verenigen.’ Omdat ik dacht een persoonlijk bekeringsverhaal te lezen, vond ik dat aanvankelijk een vage en theologisch weinig overtuigende formulering. Ik begreep niet wie hij met ‘Zijn kinderen’ bedoelde, of wat hen precies zou verenigen. Al snel werd me duidelijk dat ook deze passage, zoals zoveel andere in het boek, haar betekenis ontleent aan The Straussian Moment. Daar wordt het woord ‘apocalyps’ gebruikt in zijn oorspronkelijke betekenis: een onthulling, het moment waarop zichtbaar wordt wat tot dan toe verborgen bleef. Uiteindelijk zullen Vance en zijn geestverwanten zich niet langer achter verhullende, esoterische taal kunnen verschuilen. Vance zal openlijk moeten zeggen wat hij werkelijk bedoelt, zonder zijn ideeën te verpakken in verhalen over advocaten, eenvoudige plattelandsbewoners en priesters. Hij zal in actie moeten komen om door middel van vernietiging verlossing te brengen. Hij denkt dat zijn tijd eraan komt. De rest van ons kan zich daar maar beter op voorbereiden.