Categorieën
Klimaat Politiek

Ecologisch leninisme

Oorspronkelijke tekst (Engels): Verso, 18 november 2021

fotografie: Wikipedia

door Adam Tooze

Adam Tooze is hoogleraar geschiedenis aan de Columbia Universiteit

Adam Tooze over Andreas Malms post-pandemische klimaatpolitiek

De koolstofklok tikt door. Regeringen en officiële instanties verzekeren ons dat alles goed zal komen en dat zij de risicoʼs onder controle kunnen houden. Sommigen houden vol dat de technologie ons zal redden. We hebben al eerder het onmogelijke bereikt, dat zal ons opnieuw lukken. Maar waarom zouden we hen geloven? De vooruitgang op weg naar een koolstofarme economie is beperkt gebleven. De belangen van de fossielebrandstoffenindustrie zijn nog steeds verweven met mondiale machtsnetwerken die rechtstreeks stammen uit het tijdperk van het imperialisme. Hun politieke voorvechters mogen dan cynische horken zijn, de publieke steun voor de status quo op het gebied van fossiele brandstoffen is maar al te reëel. De koolstofcoalitie lijkt van doodsdrang doordrongen, het advies van deskundigen negerend. Centristische liberalen uiten luidkeels hun verontwaardiging, maar deinzen terug als het erop aankomt. Er zijn periodieke golven van protest. Kinderen boycotten school. Er zijn eisen voor een nieuw sociaal contract en een rechtvaardige transitie. Een minderheid, nu nog klein, roept op tot rebellie.

Met slechts kleine aanpassingen zou dit het portret kunnen zijn van een natie die afglijdt naar een nederlaag in een grote oorlog: meedogenloze tijdsdruk; beperkte middelen die snel uitgeput raken; overmoedige technocraten; beloften van wonderwapens; pro- en anti-oorlogsfacties die met elkaar overhoop liggen; wanhopige jongeren die roepen om een einde te maken aan de waanzin. Oorlog blijft een cruciale manier om na te denken over collectief gevaar en over de mogelijkheden om dat gevaar het hoofd te bieden; in de klimaatpolitiek is de retoriek van oorlog en mobilisatie in oorlogstijd gemeengoed. Amerikaanse voorstanders van de Green New Deal riepen op tot een reprise van de duizelingwekkende industriële productie die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd bereikt. In het Verenigd Koninkrijk blijven de herinneringen aan de naoorlogse verzorgingsstaat voortleven. Er wordt gesproken over het Marshallplan.

Maar is dit allemaal niet een beetje té makkelijk? Een ‘goede oorlog,’ uitgevochten door democratieën, eindigend in een spectaculaire overwinning, en vervolgens het begin van een gouden tijdperk van economische groei en de komst van de verzorgingsstaat. De recente golf van publicaties – drie boeken in een jaar tijd – van historicus en klimaatactivist Andreas Malm kan worden beschouwd als een aanhoudende uitdaging aan deze zelfgenoegzame historische framing van onze huidige toestand. De historische analogie die hij het liefst trekt is die met de Eerste Wereldoorlog en de nasleep daarvan, een wereld die werd bepaald door de onrust van revoluties en het geweld van het fascisme – het begin, niet het einde van een tijdperk van crisis.

Wie de Tweede Wereldoorlog en het ontstaan van de moderne interventionistische verzorgingsstaat voor ogen heeft, oriënteert zich op denkers als Maynard Keynes, met zijn belofte dat ‘alles wat we feitelijk kunnen doen, we ons ook kunnen veroorloven.’ De Eerste Wereldoorlog en de jaren erna roepen een andere cast van personages op. Malms eigen politieke achtergrond ligt in het trotskisme, en hij betoont zich nu een ecologisch leninist. Zijn co-auteurs van White Skin, Black Fuel noemen zichzelf het Zetkin Collective, naar de Duitse communiste en feministe Clara Zetkin, op wier interpretatie van het fascisme zij zich baseren en wier as in 1933 naast de muur van het Kremlin werd bijgezet.

Sommigen zullen Malm ervan betichten ‘revolutietje’ te willen spelen terwijl de planeet in brand staat. Maar zijn standpunt is er eigenlijk een van tragisch realisme. Zoals hij en zijn collega’s in White Skin, Black Fuel betogen, is het bepalende feit van de klimaatverandering dat het ‘een revolutionair probleem zonder revolutionair subject’ is. De milieubeweging mag zich dan hebben aangesloten bij het activisme voor sociale rechtvaardigheid, zij is er niet in geslaagd ‘het kapitalisme uit te dagen met iets wat ook maar in de buurt komt van de kracht die ooit werd getoond door de Derde Internationale of de nationale bevrijdingsbewegingen, of zelfs de sociaal-democratische partijen van de Tweede Internationale; ze is een kreupele opvolger, ze heeft geen Vietnam-oorlog gewonnen en geen equivalent van de verzorgingsstaat opgebouwd.’

De brug tussen onze werkelijkheid en die van de revolutionairen van een eeuw geleden is het besef van een dreigend onheil. De revolutionairen van begin twintigste eeuw waren de negentiende-eeuwse belofte van onvermijdelijke vooruitgang als leeg gaan beschouwen of, zoals Walter Benjamin het zag, als catastrofaal. Geconfronteerd met een totale oorlog vonden zij dat actie essentieel was om een ramp te voorkomen. Zoals Marx en Engels in het Communistisch Manifest hadden gewaarschuwd, zou de strijd tussen de onderdrukker en de onderdrukten eindigen ‘ofwel in een revolutionaire herinrichting van de maatschappij in haar geheel, ofwel in de gemeenschappelijke ondergang van de strijdende klassen’ – ‘socialisme of barbarij,’ zoals Rosa Luxemburg het uitdrukte. Wat is onze situatie nu, een eeuw later? Hoewel de heersende klassen over een klimaatcrisis praten, zegt Malm, verraden hun daden hen:

Ze zijn niet verontrust door de geur van de brandende bomen. Ze maken zich geen zorgen bij het zien van zinkende eilanden; ze rennen niet weg voor het gebulder van naderende orkanen; hun vingers hoeven nooit de stengels van verdorde oogsten aan te raken; hun monden worden niet plakkerig en droog na een dag niets te hebben gedronken … Na de afgelopen drie decennia kan er geen twijfel over bestaan dat de heersende klassen grondwettelijk niet in staat zijn op een andere manier op de catastrofe te reageren dan door haar te bespoedigen; uit eigen beweging, op instigatie van hun innerlijke dwang, kunnen zij niets anders doen dan zich een weg naar het einde branden.

De vraag die Malm in zijn pamflet Corona, Climate, Chronic Emergency stelt, is of de pandemie iets heeft veranderd.* Voor velen ter linkerzijde was de crisis van vorig jaar verbijsterend maar, althans in eerste instantie, ook bemoedigend. Op klimaatgebied leek er geen vooruitgang mogelijk, maar in het aanzicht van de pandemie leek de staat zich te hebben losgemaakt van de belangen die hij gewoonlijk dient. ‘Covid-19 kwam als een onmiddellijke en totale verzadiging van alles,’ schrijft Malm. ‘Als een windvlaag die de getinte ramen van een wolkenkrabber wegblaast, werd de staat uitgekleed tot zijn meest naakte relatieve autonomie.’ Plotseling was de staat vrij om onafhankelijk van het grootkapitaal te handelen.

De regeringen in het Mondiale Noorden bevonden zich in de zeldzame positie om het welzijn van hun kapitalistische economieën op te offeren voor het leven van hun oudere en mogelijk ook jongere onderdanen. Men zou dit moment kunnen beschouwen als het beste wat de moderne burgerlijke democratieën te bieden hebben, waarbij het respect voor het leven het wint van het respect voor eigendom, een overwinning voor de egalitaire premisse waarop de democratie gebaseerd is.

Malm laaft zich kortstondig aan het idee dat dramatisch ingrijpen de klimaatcrisis zou kunnen oplossen, maar wijst dit daarna onmiddellijk van de hand: ‘Het contrast tussen de waakzaamheid voor het coronavirus en de zelfgenoegzaamheid over het klimaat is illusoir. Er werd al jaren gewaarschuwd voor het overspringen van ziekten van dieren op mensen, en staten hebben net zoveel gedaan om dit te voorkomen als ze hebben gedaan om de antropogene klimaatverandering te voorkomen: niets.’ Toen de crisis toesloeg, zou Malm daaraan hebben kunnen toevoegen, was het overheidsoptreden voor een groot deel gericht op het bestendigen van de bestaande eigendomsverhoudingen en de bestaande verdeling van welvaart en inkomen. De interventies waren gigantisch, maar overwegend conservatief in hun bedoelingen en effecten.

Wat voor soort overheidsapparaat zou betere resultaten kunnen opleveren? Links roept op tot een Green New Deal, of wat Daniela Gabor de ‘grote groene staat’ heeft genoemd, maar er is geen garantie dat een ambitieuzere versie van staatsinterventie verandering teweeg zal brengen. Het is nauwelijks bemoedigend dat de Green New Dealers de Tweede Wereldoorlog als hun model zien. De Keynesiaanse macro-economie mag dan tijdens de oorlog op de voorgrond zijn getreden, de overheidsmachinerie zelf werd in die tijd steeds meer in beslag genomen door zakelijke belangen. Plannen voor een interventionistisch industriebeleid en intensieve regulering werden op de lange baan geschoven. Maar waar zouden we dan wél kunnen zoeken naar alternatieve modellen van noodbestuur? Wat als, zoals Malm suggereert, het juiste model voor een klimaatactivistische staat niet de New Deal is, maar een oorlogsregime dat veel wanhopiger en soberder was? Wat als het model dat we nodig hebben dat van het oorlogscommunisme is?

Het is een gewaagd idee. De korte periode van het oorlogscommunisme tussen 1920 en 1921 is een van de meest omstreden periodes in de Russische revolutionaire geschiedenis. De meningen lopen uiteen over de vraag of het een wanhopige improvisatie was of een oprechte poging tot radicale verandering. Er bestaat echter geen verschil van mening over het feit dat dit een periode van vreselijk geweld was. Voor historici als Sheila Fitzpatrick en Ronald Suny, die in grote lijnen sympathiek staan tegenover de revolutie, is het de fase waarin het regime verhardde tot een autoritaire en, waar nodig, terroristische dictatuur. Het oorlogscommunisme is wel het allerlaatste wat je zou voorstellen als model voor economische transformatie. De economie van het voormalige tsaristische rijk was op de knieën; de samenleving was aan het deïndustrialiseren; er was een rampzalige verzuiling van de uitwisseling tussen het platteland en wat er van de steden over was. De hongersnood die daarop volgde bracht de bolsjewieken dicht bij de overgave.

Malm is zich van dit alles bewust, maar blijft onversaagd:

Laten we zeggen dat het inroepen van het oorlogscommunisme niet betekent dat we standrechtelijke executies zouden moeten invoeren, voedseldetachementen naar het platteland zouden moeten sturen of de arbeid zouden moeten militariseren, net zoals niemand die de Tweede Wereldoorlog ziet als een model voor klimaatmobilisatie nog een atoombom op Hiroshima wil laten vallen. Veel van de vermeende noodzakelijkheden die de bolsjewieken in deugden veranderden, kunnen wij makkelijk als ondeugden herkennen. Maar omgekeerd kunnen we sommige dingen die zij als hun zwakheden zagen, juist als hun sterke punten beschouwen.

Wat Malm fascineert aan het oorlogscommunisme is de scherpe correctie die het biedt op iedere overoptimistische visie op de toekomst. In Trotskiʼs eigen woorden was de positie van de revolutie in 1920 ʻin de hoogste mate tragisch.ʼ Radicale vernieuwing werd door harde noodzaak afgedwongen. De bolsjewistische zone, beperkt tot een deel van het Russische rijk, had een nijpend tekort aan voedsel, kolen en olie. Een hardvochtig vorderingssysteem maakte het mogelijk het leger te voeden, maar er was een meer innovatieve oplossing nodig om het wanhopige tekort aan steenkool aan te pakken. Afgesneden van fossiele brandstoffen, maakte Trotski gebruik van hout. De gepantserde treinen van het Rode Leger werden gestookt met boomstammen. Tegen 1921, aldus Malm, had een geïmproviseerd organisch energieregime gezegevierd over de gecombineerde fossiele-brandstof-krachten van de reactie. Malm daagt ons uit ons een beweging voor te stellen tegen het fossiele kapitalisme, waarin een groep energierevolutionairen zich losmaakt van het mondiale rijk van olie en gas, zoals de bolsjewieken tussen 1917 en 1922 deden, om een nieuwe politiek, een nieuwe economie en een nieuw energieregime te smeden. Zoals Malm opmerkt, zullen de oorlogscommunisten van vandaag tenminste zonne- en windenergie hebben.

Laten we ervan uitgaan dat Malm geen voorstel tot actie doet, maar eerder een radicaal gedachte-experiment onderneemt. Als we zijn historische analogie zouden vertalen in gewone beleidspraatjes, zou het punt vermoedelijk zijn dat iedere serieuze poging tot energietransitie, naast prijsstelling en onderhandeling, een combinatie van nationalisatie, regulering en verbod met zich mee zal brengen die niet alleen naar de letter van de wet zal worden gehandhaafd, maar met militante energie. De vraag is wat voor soort politieke formatie nodig zou zijn om dit voor elkaar te krijgen. Het oorlogscommunisme werd toegepast door een revolutionaire partij die verwikkeld was in een strijd op leven en dood. Dat is niet onze situatie, althans nóg niet.

Een meer veelbelovende route wordt gesuggereerd in White Skin, Black Fuel. Een van de organiserende verschillen van dit massieve collectieve werk is die tussen sectoren van de economie die onherleidbaar afhankelijk zijn van de winning van fossiele brandstoffen, en sectoren die fossiele energie gebruiken maar er niet existentieel mee verstrengeld zijn. Met de eerste categorie kan geen compromis worden gesloten: overleven hangt af van het sluiten van deze sectoren. De laatstgenoemden daarentegen zijn de actoren die moeten worden gerecruteerd als een Green New Deal-strategie wil slagen. De grote vraag voor iedere vermeende ʻgrote groene staatʼ is wat voor strijd de fossielebrandstofsector zal gaan voeren.

De opkomst van extreem-rechtse partijen in Europa en de presidentschappen van Donald Trump en Jair Bolsonaro hebben een golf van debatten over een heropleving van het fascisme op gang gebracht. Trump en Bolsonaro zijn tevens klimaatontkenners. Malm en zijn co-auteurs betogen in White Skin, Black Fuel dat dit geen toeval is. In de eerste plaats merken zij op dat de verdedigers van de winning van fossiele brandstoffen de afgelopen twintig jaar van tactiek zijn veranderd. In de jaren negentig was de ontkenning van de klimaatverandering een openlijke en duidelijk op eigenbelang gerichte leugen, een samenzwering tegen de wetenschap; tegenwoordig ligt de nadruk op brede bewegingen die de manier van leven op basis van fossiele brandstoffen agressief verdedigen. Zelfs met aanzienlijke financiering uit het bedrijfsleven werd het moeilijk om de grote leugen vol te houden; Exxon en BP erkennen nu het bestaan van de klimaatverandering. In reactie daarop heeft het verzet tegen het klimaatactivisme de meer indirecte mechanismen van de hegemonie overgenomen. Trump en Bolsonaro steunen steenkool, olie en gas, maar in plaats van te proberen wetenschappelijke argumenten aan te dragen, spuien ze gewoon soundbites. Om hun achterban aan te spreken, hoeven ze alleen maar vooroordelen tegen de elites op te roepen, en de galm van oude klimaatsceptische memes doet de rest.

Dat wil niet zeggen dat het klimaat expliciet de kern van hun agenda vormt; het is een uitvloeisel van hun beroep op het tegen de elites gerichte arbeidersnationalisme. White Skin, Black Fuel probeert aan te geven op welke manieren het benzineslurpende consumentisme, de verslaving aan fossiele brandstoffen, het kolonialisme en raciale machtsstructuren historisch met elkaar verweven zijn. Er is een soortgelijk verband tussen fossiele brandstoffen en historisch fascisme. De fascisten in Duitsland bevonden zich in een betere positie dan de oorlogscommunisten. Zij hadden steenkool. Maar ze moesten ook een manier bedenken om de greep van olie, de basis van de Anglo-Amerikaanse macht, te breken. Het chemische conglomeraat IG Farben bedacht een manier om olie en rubber te maken uit Midden-Europese steenkool. Niet toevallig stond een enorme fabriek voor synthetische chemicaliën in het hart van het kampcomplex Auschwitz.

De band tussen autoritarisme en fossiele brandstoffen heeft niet alleen historische en ideologische dimensies, maar werkt volgens Malm en het Zetkin Collective ook door op een dieper psychologisch niveau. In navolging van wat Herbert Marcuse in zijn interpretatie van de fascistische massapsychologie omschreef als het verlangen om aan te vallen, te splijten en te verpulveren, prees Trump de arbeiders die ʻdoor rotswanden heen breken, de diepten van de aarde ontginnen en door de oceaanbodem reiken, om ieder grammetje energie in onze huizen en handel en in ons leven te brengen.ʼ Het is niet alleen ʻDrill, baby, drillʼ waarin het verband schuilt. De cognitieve dissonantie van de liberale mainstream is een sleutelcomponent in het psychogram van een stervende fossiele brandstofbeschaving zoals die door Malm en het collectief wordt geschetst. In een echo van Clara Zetkins argument dat het fascisme de wraak van de geschiedenis is voor het uitblijven van een socialistische revolutie, zien zij de hypocrisie en inconsistentie van het mainstream klimaatbeleid als zaken die de kiezers naar uiterst rechts drijven. Zeuren over de klimaatcrisis en er tegelijkertijd niets aan doen, is op den duur onverdraaglijk. Het falen van de liberalen doet Trump eerlijk lijken. Hij mag dan de wetenschap ontkennen, hij is tenminste eerlijk tegen zichzelf.

Het is tegen de achtergrond van dit portret van samenlevingen die in een impasse verkeren dat we Malms nieuwste provocatie, How to Blow up a Pipeline, moeten lezen. Hoewel het boek een algemeen pleidooi is voor militante actie, kan het het best worden begrepen als een interventie in een specifieke conjunctuur. De Duitse beweging Ende Gelände, aan de protesten waarvan Malm deelnam, had tussen 2015 en 2018 opmerkelijk succes met het mobiliseren van directe actie tegen Duitslands bruinkoolmijnen en rook uitbrakende elektriciteitscentrales. Maar de beweging kreeg een zware tegenslag te verwerken toen de regering-Merkel een deal sloot met de kolenindustrie en de vakbonden om de uitstap uit steenkool uit te stellen tot 2038, een belachelijke termijn die zelfs niet strookt met de bescheiden toezeggingen in het kader van het klimaatverdrag van Parijs. Dit was een keerpunt voor de klimaatbeweging in Duitsland.

De militante activisten van Ende Gelände waren getraind in de directe actietechnieken van de anti-kernenergiebeweging, maar nu was het de mobilisatie van schoolkinderen, geïnspireerd door Greta Thunberg en Fridays for Future, die het voortouw nam. Een schoolstaking van 1,4 miljoen mensen – het grootste gecoördineerde jongerenprotest in de geschiedenis – vond plaats op 15 maart 2019. Dit werd op de voet gevolgd door een reeks protesten in het hele Verenigd Koninkrijk door Extinction Rebellion. In september 2019 telde de vrijdagstakingsbeweging wereldwijd vier miljoen betogers, waarvan een derde in Duitsland. Maar tot frustratie van Malm en velen in de Ende Gelände-beweging toonde Fridays for Future geen interesse in directe actie. De protesterende schoolkinderen hielden vast aan de traditie van luidruchtige straatdemonstraties. In het Verenigd Koninkrijk volgde XR, zoals Malm opmerkt, de recente mobilisaties in de VS door zich tegen gewelddadige actie te keren.

De vraag die ten grondslag ligt aan How to Blow up a Pipeline is waarom de nieuwe protestbewegingen in 2019, ondanks hun omvang en dynamiek, hebben geweigerd de technieken van fysieke obstructie en ontwrichting over te nemen die met succes door Ende Gelände zijn beproefd. Een deel van het antwoord is van morele aard. Met name de Amerikaanse beweging heeft zich een geweldloze methode eigen gemaakt. Sommigen meenden dat aanvallen op eigendommen alleen maar een pijnlijke en repressieve reactie zouden opleveren, en deze zomer werd Jessica Reznicek, die samen met Ruby Montoya een sabotagecampagne tegen de Dakota Access-pijpleiding had opgezet, inderdaad veroordeeld tot acht jaar federale gevangenisstraf. Maar, zo betoogt Malm, deze bekende tactische zorgen zijn in de huidige fase van de klimaatbeweging versterkt door een eigenaardige lezing van de geschiedenis, waarin de kracht van zelfbeheersing en geweldloosheid wordt gefetisjeerd. De nieuwe bewegingen, schrijft hij, kijken naar ʻhistorische precedenten – mensen die hopeloze tegenslagen overwonnen, groot kwaad dat plotseling tot staan werd gebracht – die de greep van apathie kunnen brekenʼ:

Als zíj konden zegevieren, zo luidt de redenering, dan kunnen wíj dat ook. Als zíj de wereld met alle middelen, behalve geweld, wisten te veranderen, dan kunnen wíj haar ook redden. Analogisme is de belangrijkste wijze van argumenteren en de belangrijkste bron van strategisch denken geworden – het meest zichtbaar in XR, de uitzonderlijke organisatie die zichzelf definieert als het resultaat van historische studie. Merk op dat het argument niet is dat geweld op dit moment slecht zou zijn – bijvoorbeeld omdat het niveau van de klassenstrijd in het mondiale Noorden zo laag is dat avonturistische acties alleen maar een boomerang-effect zouden hebben en de strijd verder zouden tegenwerken: woorden die nooit de lippen van XR zouden passeren – noch dat geweld alleen maar zinvol zou zijn onder omstandigheden van ernstige onderdrukking. In plaats daarvan stelt het analogistische strategische pacifisme dat geweld in alle omstandigheden slecht is, omdat de geschiedenis dat nu eenmaal heeft uitgewezen. Succes behoort toe aan de vreedzamen. De lijst van historische analogieën begint met de slavernij.

Maar de toe-eigening van de geschiedenis door de klimaatbeweging is, zoals Malm opmerkt, eenzijdig geweest. Hoe kun je de suffragettenbeweging serieus behandelen zonder de nadruk te leggen op haar gebruik van directe actie en sabotage? Nog grotesker is de voorstelling van de afschaffing van de slavernij, alsof die werd bereikt door het hoge moralisme van Quaker ʻNGOʼs,ʼ in plaats van door slavenopstanden of het radicale voorbeeld van militante abolitionisten.

Door directe actie uit te sluiten berooft de klimaatbeweging zichzelf volgens Malm van haar enige serieuze pressiemiddel. Wat nodig is, zo betoogt hij, is niet de langzame beïnvloeding van de publieke opinie en electorale resultaten, maar een meer omvattende ʻtheorie van veranderingʼ:

Dit is wat deze miljoenenbeweging om te beginnen zou moeten doen: het verbod afkondigen en handhaven. Beschadig en vernietig nieuwe CO2-uitstotende apparaten. Stel ze buiten werking, haal ze uit elkaar, sloop ze, verbrand ze, blaas ze op. Laat de kapitalisten die blijven investeren in het vuur weten dat hun eigendommen met de grond gelijk gemaakt zullen worden. ʻWíj zijn het investeringsrisico,ʼ luidt een slogan van Ende Gelände, maar het risico moet duidelijk groter zijn dan één of twee dagen onderbroken productie per jaar. ‘Als we geen serieuze koolstofbelasting kunnen bevechten bij een corrupt Congres, kunnen we er de facto een opleggen met onze lichamen,’ heeft Bill McKibben betoogd, maar een koolstofbelasting is zó gedateerd. Als we geen verbod kunnen bewerkstelligen, kunnen we er de facto een opleggen met onze lichamen en alle andere noodzakelijke middelen.

Malm is zich ervan bewust dat een dergelijke tactiek het risico met zich meebrengt de bevolking van zich te vervreemden; de media kunnen de zaak veroordelen en er kan massale repressie worden uitgelokt. Zoals hij zegt: ‘Klimaatstrijdbaarheid moeten worden gekoppeld aan een bredere antikapitalistische vloedgolf, net als bij eerdere veranderingen in de productiewijzen, toen fysieke aanvallen op heersende klassen slechts een klein onderdeel vormden van een de hele maatschappij omvattende reorganisatie. Hoe dat kan gebeuren? Dat kun je niet van tevoren weten. Het kan alleen worden ervaren door onderdompeling in de praktijk.’ Dit zijn de woorden van een revolutionair kaderlid dat zijn positie indekt.

Aangezien het doel van een alomvattende decarbonisatie nog ver weg is, is het niet zozeer de doelstelling als wel de manier van politiek bedrijven die van belang is. Gezien de realiteit van het onderliggende conflict moeten verdeeldheid en strijd niet worden betreurd, maar omarmd – als een essentiële leninistische les. Een antagonistische houding aannemen is niets anders dan adequaat reageren op de situatie. Zoals Malm en het collectief in White Skin, Black Fuel concluderen: ‘Hoe dan ook zou de anti-klimaatpolitiek van extreem-rechts iedere resterende illusie dat fossiele brandstoffen kunnen worden opgegeven door middel van een soepele, beredeneerde transitie, aan diggelen moeten slaan … Een transitie zal plaatsvinden door intense polarisatie en confrontatie, of helemaal niet.’ Vanuit dit gezichtspunt is het niet de vraag of liberale activisten wel of niet aan sabotage willen doen. Als we vasthouden aan onze huidige koers, komt er sowieso sabotage. Als die niet van bovenaf wordt aangestuurd, zal zij van onderaf opborrelen. De vraag is of de mainstream klimaatbeweging zich kan voorbereiden op de kwellende dilemmaʼs die komen gaan. Kan zij haar samenhang en momentum behouden in het licht van crisis, geweld, verdeeldheid en, heel waarschijnlijk, een nederlaag?

Op dit punt keren de dramaʼs van de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis terug in Malms toekomstvisie – niet als een inspiratie voor revolutie, maar als een manier om betekenis te geven aan verzet dat uiteindelijk misschien tevergeefs zal blijken. Stel je eens voor dat we niet meer in de wereld van schoolstakingen en VN-conferenties leven. Stel je eens voor dat, na het smelten van de ijskappen en een dramatische ineenstorting van de beschaving, een groepje mensen op de noordelijke breedtegraden een nieuw bestaan aan het opbouwen is. Wat zullen zij hun kinderen over de ramp vertellen? Zullen ze zeggen dat ‘de mensheid in perfecte harmonie het einde van de wereld heeft bewerkstelligd? Dat iedereen vrijwillig in de rij ging staan voor de ovens? Of dat sommige mensen vochten als joden die wisten dat ze gedood zouden worden?’

De ‘joden’ die Malm hier oproept zijn de verzetsstrijders uit het getto van Warschau en de kampen, die heldhaftig maar tot mislukken gedoemd in opstand kwamen tegen de nazi’s. En hij neemt deze buitengewone analogie serieus: ‘Als het te laat is om verzet te plegen binnen een calculus van onmiddellijk nut, is de tijd gekomen om de fundamentele waarden van het leven te verdedigen, zelfs als dat alleen maar betekent dat je het naar de hemel uitschreeuwt.’ Hij citeert RevolutionaryYiddishland van Alain Brossat en Sylvie Klingberg: ‘Hun strijd ging om de geschiedenis, om de herinnering … Deze bevestiging van het leven door opoffering en strijd, zonder uitzicht op de overwinning, is een tragische paradox die alleen kan worden begrepen als een daad van geloof in de geschiedenis.’ ‘Beter te sterven tijdens het opblazen van een pijpleiding,’ concludeert Malm, ‘dan te verbranden nadat je niets hebt ondernomen.’ Zo keert het beeld van het opblazen van een pijpleiding terug, nu niet meer als een sabotagedaad, maar als een daad van zelfopoffering. Op dit kruispunt van een monumentaal verleden en een duistere toekomst, komen we bij een doodlopende weg.

Eerder in How to Blow up a Pipeline komt Malm met een alternatief. Stel je voor, schrijft hij, dat de massamobilisaties van de laatste protestcyclus onmogelijk te negeren worden.

De heersende klassen voelen zich zó onder druk gezet – misschien smelt hun hart zelfs een beetje bij het zien van al die kinderen met handgeschreven plakkaten – dat hun onverzettelijkheid afneemt. Er worden nieuwe politici verkozen, met name van groene partijen in Europa, die hun verkiezingsbeloften wél nakomen. De druk wordt van onderaf opgevoerd. Er worden moratoria op nieuwe infrastructuur voor fossiele brandstoffen ingesteld. Duitsland begint met de onmiddellijke stopzetting van de steenkoolproductie, Nederland met de stopzetting van de gasproductie, Noorwegen met de stopzetting van de olieproductie, en de VS met de stopzetting van alle drie; er komt wetgeving en planning voor het terugdringen van de uitstoot met ten minste 10 procent per jaar; duurzame energie en openbaar vervoer worden uitgebreid, plantaardige voeding wordt bevorderd, en er wordt een algemeen verbod op fossiele brandstoffen voorbereid.

Mocht dit gebeuren, zo stelt Malm, ‘dan moet de beweging de kans krijgen om dit scenario tot een goed einde te brengen.’

De meerderheid van de klimaatactivisten heeft zijn hoop gevestigd op deze hervormingsgezinde visie, en daar moeten we inderdaad aan vasthouden. Maar laten we ook toegeven dat hoewel deze regels nog maar enkele maanden geleden werden geschreven, ze nu al achterhaald lijken. En Malm geeft ons al snel een visie die veel dichter ligt bij hoe de wereld er vandaag de dag uitziet. Stel je voor dat ‘de kinderen van de Thunberg-generatie en de rest van ons een paar jaar na nu op een ochtend wakker worden en beseffen dat business-as-usual nog steeds doorgaat, ondanks alle stakingen, alle wetenschap, alle pleidooien, en alle miljoenen die met kleurrijke outfits en spandoeken de straat zijn opgegaan … Wat doen we dan?’

De centrist zal adviseren geduld te hebben. Alles wat we daadwerkelijk kunnen doen, kunnen we ons veroorloven, zei Keynes. Op dezelfde manier, zo voegde hij eraan toe in een radiotoespraak in het voorjaar van 1942, kunnen we ons alles veroorloven wat we kunnen doen, mits we geduldig blijven en de nodige tijd nemen. Dat is een veelzeggende kwalificatie. Zoals Malm opmerkt, is het een fundamenteel uitgangspunt van de sociaal-democratie dat zij de geschiedenis en de tijd aan haar zijde heeft. Maar te denken dat dit nog steeds het geval is, en te praten alsof we veilig onderscheid kunnen maken tussen de korte, de middellange en de lange termijn, is een van de meest verraderlijke vormen van zachte ontkenning die vandaag de dag aan het werk zijn. We mogen er niet langer aan toegeven.

Zoals Malm opmerkt, heeft het neoliberalisme herhaaldelijk manieren gevonden om over zijn eigen schaduw heen te springen teneinde een crisis aan te kunnen pakken op de schaal en in het tempo die door de situatie werden vereist. De reactie op de pandemie is precies zo’n demonstratie van flexibiliteit. Maar vertrouwen op dat soort politiek als het gaat om de klimaatverandering is het recept voor een planetaire ramp. Malm dwingt ons een cruciale vraag onder ogen te zien: wat is de sociaal-democratische politiek van de noodtoestand? Als zijn versie van ecologisch leninisme moet worden afgewezen, wat is dan onze logica van handelen in het aangezicht van een ramp? Wat zijn onze politieke opties als er alle reden is om te denken dat we nog maar heel weinig tijd hebben? Zoals Daniel Bensaïd ons in herinnering brengt, in een door Malm geciteerd essay, maakte Lenin in 1914 een aantekening in de marge van Hegels De wetenschap van de logica: ‘Breuken in de geleidelijkheid … Geleidelijkheid kan niets verklaren zonder sprongen. Sprongen! Sprongen! Sprongen!’

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

De donuteconomie heeft een gat in de kern

Oorspronkelijke tekst (Engels): Jacobin, 24 september 2021

fotografie: Gotham Ghostwriters

door Jordan G. Teicher

Jordan G. Teicher is schrijver en woont in Brooklyn. Zijn werk verscheen onder meer in The New York Times, The Guardian, en The New Republic.

In de winter van 2018 sprak de Britse econome Kate Raworth een uitverkochte zaal van vijfhonderd mensen toe in de Nederlandse stad Rotterdam. ʻWie is econoom of volgt momenteel een cursus economie?ʼ vroeg ze aan het publiek. Tientallen handen gingen omhoog. ʻWauw, ze zijn hier…,ʼ zei ze – volgens De Telegraaf een opmerking die ʻhalf schertsend, half dreigendʼ werd gemaakt.

Het was een karakteristieke dubbelzinnige opmerking van Raworth, een zelfbenoemde ʻafvallige econoomʼ aan de Universiteit van Oxford, die het aan de stok heeft met haar collegaʼs in het veld. Raworth was in Rotterdam om te spreken over de recente vertaling van haar bestseller uit 2017, Donuteconomie: In zeven stappen naar een economie voor de 21e eeuw, waarin ze betoogt dat de moderne economie niet geschikt is voor de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw. In plaats daarvan hebben we een nieuw raamwerk nodig – dat, jawel, lijkt op een donut –, ontworpen om te voldoen aan ʻde behoeften van iedereen, binnen de beperkingen van de planeet.ʼ Voor Raworth moet het doel zijn de wereldeconomieën ʻin de donutʼ te krijgen – de tot nu toe ongrijpbare ruimte tussen welzijn voor iedereen en overschrijding van de ecologische grenzen. Als het om de groei gaat, zegt ze, moeten we agnostisch zijn.

Degenen die de crises die het kapitalisme heeft veroorzaakt in het vizier hebben, klinkt Raworths voorstel waarschijnlijk mild in de oren, maar ten tijde van haar optreden in Rotterdam – slechts één halte op een landelijke tournee, met uitverkochte toespraken in Amsterdam en Tilburg, en een toespraak op het Nederlandse ministerie van Economische Zaken en Klimaatbeleid – was Raworth in Nederland het onderwerp van zowel intense lof als hoon. Jan Peter Balkenende – een voormalig premier van het centrumrechtse CDA, die het Rotterdamse evenement bijwoonde – zei tegen De Telegraaf: ʻIk beveel [Raworths] boek aan in alle presentaties die ik geef over duurzaamheid.ʼ De Nederlandse econoom Bas Jacobs, een criticus van het moderne kapitalisme, noemde Donuteconomie daarentegen ʻhet intellectueel slechtste en meest irritante economieboek van 2017.ʼ

Niettemin was de donuteconomie, iets meer dan twee jaar na Raworths bezoek, officieel beleid geworden in het nabijgelegen Amsterdam, waarbij de Nederlandse hoofdstad in april 2020 aankondigde dat het de eerste stad ter wereld zou worden die het model zou overnemen. De wereldpers beschreef dat besluit al snel als wereldschokkend – het einde, misschien, van het einde van de geschiedenis. ʻAmsterdam omarmt een radicale, nieuwe economische theorie om het milieu te redden,ʼ kopte Time, en voegde er de vraag aan toe: ʻZou die theorie ook het kapitalisme kunnen vervangen?ʼ

Rode (fluwelen) schrik

Het lijkt erop dat er een spook door Europa waart – het spook van de donuteconomie. Een paar maanden na het besluit van Amsterdam stemde de gemeenteraad van Kopenhagen voor het opstellen van een plan om het model over te nemen. Barcelona, Brussel en de Canadese stad Nanaimo volgden al snel. De Ierse president Michael D. Higgins prees de donuteconomie in een toespraak in oktober 2020, terwijl Amerikaanse steden als Portland en Philadelphia het model ook hebben onderzocht.

Volgens velen ter rechterzijde heeft de donuteconomie veel gemeen met een ander, algemener bekend spook dat ooit door Europa waarde. (Een libertaire tegenstander van het model omschreef het als ʻzoʼn beetje dezelfde lijst die progressieven de afgelopen eeuw of langer hebben gewild.ʼ) Raworth van haar kant heeft echter duidelijk gesteld dat de donuteconomie niet noodzakelijk een recept is voor socialisme of voor kapitalisme – of, wat dat aangaat, voor welke bekende economische theorie dan ook:

Soms als ik de ideeën van de donuteconomie uitleg, zeggen mensen: ʻIs dit kapitalisme? Is dit communisme? Is dit socialisme?ʼ En dan denk je: ʻEcht? Zijn dit de enige keuzes die we hebben? De ismen van de vorige eeuw? Kunnen we niet met onze eigen ideeën komen?ʼ

En toch, ondanks de ambivalentie ten opzichte van de grote ʻismes,ʼ heeft de donuteconomie niet geleid tot ongerustheid onder de machthebbers in het bedrijfsleven en de overheid, maar juist hun steun gekregen. In 2018 werd Raworth uitgenodigd om te spreken op het World Economic Forum, en in 2019 sprak ze op de door de bank BNP Paribas gesponsorde High Yield and Leveraged Finance Conference. Voormalig Brexit-minister en hardrechts Tory-parlementslid David Davis is volgens Raworth donut-gek. En volgens de vroegere Nederlandse premier Balkenende weet voormalig Unilever-topman Paul Polman ʻalles van [Raworths] boek.ʼ

Dus waarom is een ogenschijnlijk postkapitalistisch economisch systeem aantrekkelijk voor zo veel van Europaʼs machtigste personen en instellingen? Het voorbeeld van Amsterdam biedt enkele antwoorden.

De ʻAmsterdamse aanpakʼ

De reis van deze stad naar de donuteconomie begint met een ʻcity selfieʼ – een onderzoek naar het sociale en ecologische welzijn van de stad. Volgens de eigen analyse uit 2020 van het Amsterdamse stadhuis staat de stad er niet zo goed voor: de stad overschrijdt de planetaire grenzen op het gebied van grondgebruik, afvalproductie, kunstmestgebruik, oceaanverzuring en koolstofuitstoot. Intussen hebben veel Amsterdammers het moeilijk: bijna twintig procent van de huurders in de stad kan na betaling van de maandelijkse huur niet in de basisbehoeften voorzien.

Om deze problemen aan te pakken, stelt Raworth voor dat Amsterdam ʻtwee grote, dynamische veranderingenʼ moet doorvoeren. In de eerste plaats zou de stad haar lineaire ʻtake-make-disposeʼ-economie moeten loslaten en vervangen door een circulaire economie, waarin producten en materialen langer in gebruik worden gehouden. In de tweede plaats moet de stad overgaan van gecentraliseerde naar gedistribueerde ʻkansen en waarde,ʼ zodat de rijkdom wordt gedeeld ʻmet allen in de samenleving die deze mede creëren.ʼ Beide doelstellingen klinken uiterst zinnig. Waarom, zo vraag je je af, zijn ze dan nog niet eerder werkelijkheid geworden?

Raworth en haar volgelingen willen je doen geloven dat de sociale en ecologische crises van Amsterdam te wijten zijn aan een gebrek aan goede ideeën – dat tot voor kort niemand eraan gedacht heeft een economie na te streven waarin in ieders basisbehoeften wordt voorzien, of waarin de vraag van de mensheid naar ecologische hulpbronnen niet groter is dan de regeneratieve capaciteit van de aarde. Er zijn zelfs anekdotes die dit idee ondersteunen. Raworth vertelt bijvoorbeeld dat een ambtenaar van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken en Klimaatverandering tegen haar zei dat het horen over de donuteconomie was ʻals regen die op dorre grond valt.ʼ De Amsterdamse locoburgemeester voor duurzaamheid, Marieke van Doorninck, vindt het model al even opzienbarend: ʻIk ben opgegroeid in de tijd van Thatcher en Reagan, met het idee dat er geen alternatief is voor ons economisch model. Het lezen over de donut was als: Eureka! Er is wél een alternatief!ʼ

Als de indruk is ontstaan dat het probleem van Amsterdam een tekort aan creatieve ideeën is, dan zou daaruit kunnen volgen dat een stortvloed aan input en enthousiasme van zoveel mogelijk mensen nodig is. En dat is precies waar in Amsterdam om wordt gevraagd. In het Amsterdam City Doughnut-rapport wordt bijvoorbeeld beweerd dat de stad zich in een ideale positie bevindt om ʻtransformatieve actieʼ te ondernemen vanwege de bekroonde ʻAmsterdam Approachʼ voor ʻcollaboratieve innovatie,ʼ waarbij ʻdiverse belanghebbenden in de stad,ʼ waaronder ʻbuurtinitiatieven, start-ups en het maatschappelijk middenveld,ʼ worden gekoppeld aan de ʻgevestigde instellingen van overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen.ʼ De Amsterdam Doughnut Coalition, een netwerk van individuen en organisaties dat de Amsterdamse donut-transformatie ondersteunt, stelt in haar jaarverslag 2019-20 een soortgelijke aanpak voor:

Wij richten ons op die 1%ers, de scheppers, de initiatiefnemers, degenen die eerst iets in de praktijk brengen en daar pas later over gaan theoretiseren. Het maakt niet uit of ze stagiaires zijn of CEOʼs (sic), zolang ze maar die aanstekelijke positieve energie hebben die we zo hard nodig hebben om systemische verandering teweeg te brengen.

De donuteconomie heeft een gat in de kern

Het teweegbrengen van systemische verandering gaat echter niet alleen over het aanwenden van ʻaanstekelijke positieve energie.ʼ Het gaat ook – om het taalgebruik van de Doughnut Coalitie te citeren – over het verdrijven van diepgewortelde negatieve energie. Om dit voor elkaar te krijgen is er strijd nodig die verder gaat dan de intellectuele strijd die Raworth voert tegen de mainstream-economen.

Dit is iets wat de linkse milieubeweging van de stad maar al te goed weet. Reeds decennia lang – lang voordat iemand van de donuteconomie had gehoord – dringen zij aan op een economie die iedereen een fatsoenlijk leven biedt en tegelijkertijd de gezondheid van de planeet in stand houdt. Maar hun pogingen om de economie daartoe te democratiseren, te decommodificeren en koolstofvrij te maken zijn grotendeels tenietgedaan door de heersende klasse van de stad, die in plaats daarvan een tijdperk heeft ingeluid van lagere belastingtarieven voor de rijken, financiële deregulering, krimpende sociale uitkeringen en verminderde vakbondsdeelname.

Links weet dat de crisis die Amsterdam teistert geen crisis van ideeën is, maar een crisis van de macht: Zolang de kapitalisten, en niet de werkers, overheid en industrie in handen houden, zal de economie een kapitalistische economie blijven, gehoorzaam aan dezelfde logica van privatisering, groei en ecologische uitbuiting die in de eerste plaats tot de Amsterdamse crises heeft geleid. ʻWij zien de donuteconomie niet als een levensvatbaar “alternatief voor het kapitalisme”,ʼ zegt Olaf Kemerink, voorzitter van de linkse jongerenorganisatie ROOD, voorheen verbonden aan de SP, tegen Jacobin. ʻZolang je de fundamentele productieverhoudingen niet verandert en de staat niet democratiseert, zal het kapitaal altijd proberen zijn winsten te maximaliseren en zal de staat dit in stand houden.ʼ

Wie deze dynamiek in actie wil zien, moet naar de Amsterdamse woningcrisis kijken. In 2018 had slechts twaalf procent van de bijna zestigduizend woningzoekenden die online een aanvraag indienden voor een sociale huurwoning succes; uit een recent onderzoek bleek intussen dat de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning in de stad bijna veertien jaar bedraagt. Meer woningen bouwen maakt zeker deel uit van de oplossing, maar zolang woningen koopwaar blijven, zullen veel te weinig van deze nieuwe woningen betaalbaar zijn.

Dat is het geval op Strandeiland, het nieuwste wooneiland van de stad, dat door de pleitbezorgers van de donuteconomie wordt aangeprezen als een toonbeeld van de groene, sociaal rechtvaardige bona fides van het project. (Iedere aannemer die op het eiland wil bouwen, moet bijvoorbeeld een ʻmaterialenpaspoortʼ overleggen, zodat de stad de onderdelen kan hergebruiken wanneer de gebouwen worden afgebroken). Maar van de achtduizend nieuwe woningen die op het eiland zullen worden gebouwd, is slechts 40 procent bestemd voor sociale huisvesting, terwijl 25 procent zal bestaan uit woningen met middelhoge huurprijzen en 35 procent in het hogere segment zal vallen. Deze verhouding van 40-25-35 is feitelijk een projectontwikkelaar-vriendelijke (en dus lage-huren-onvriendelijke) uitzondering op de 40-40-20-verhoudingsregel die de stad in 2017 heeft ingesteld voor nieuwe woningen.

De bestaande voorraad betaalbare woningen in de stad blijft echter een prooi voor de markt. Uit recente schattingen blijkt dat in de nabije toekomst ongeveer dertigduizend sociale huurwoningen in Amsterdam ʻgeliberaliseerdʼ zouden kunnen worden, wat betekent dat ʻde huren makkelijk boven de duizend euro per maand kunnen uitkomen, waardoor ze onmiddellijk onbetaalbaar worden voor lagere- of middeninkomensgroepen,ʼ aldus Gertjan Wijburg van de Universiteit Utrecht. De gemeente Amsterdam heeft bij de rijksoverheid gelobbyd om de geliberaliseerde huren tijdelijk of permanent op een lager niveau te mogen bevriezen – en de marktwaardedrempel op te trekken die aanleiding geeft tot huurliberalisatie. Aan deze oproepen is echter geen gehoor gegeven. In februari kondigde de stad aan te zullen onderzoeken of sociale huurwoningen van corporaties kunnen worden gekocht om te voorkomen dat ze in handen van beleggers vallen, maar ook dat idee is niet doorgezet. ʻBij gebrek aan sterkere publieke toezeggingen, heeft de stad geen andere keuze dan de marktlogica te volgen in de zoektocht naar levensvatbare huisvestingsoplossingen,ʼ stelt Wijburg.

Een sterke huurdersbeweging zou deze en andere decommodificatiestrategieën naar de top van de nationale agenda kunnen brengen. Voorstanders van de donuteconomie roepen echter niet op tot zoʼn beweging, omdat zij de weg naar een rechtvaardig en gezond Amsterdam niet zien als een conflict met kapitalistische belangen. Loco-burgemeester Van Doorninck schetste een heel andere oplossing voor de woningcrisis in de stad. ʻEr stroomt veel kapitaal de wereld rond dat op zoek is naar beleggingsmogelijkheden, en op dit moment wordt vastgoed gezien als de beste manier om te beleggen, dus dat drijft de prijzen op,ʼ zei ze tegen de Guardian. ʻDe donut brengt ons niet de antwoorden, maar een andere manier om hiernaar te kijken, zodat we niet in dezelfde structuren blijven doorgaan als vroeger.ʼ

Op weg naar het ʻbagelsocialismeʼ

Als er al een impliciete notie in de donuteconomie zit over hoe de status quo zal veranderen, dan is het dat kapitalisten, ogenschijnlijk voor het eerst geconfronteerd met het idee van een duurzamere en sociaal rechtvaardige economie, massaal tot de rationele conclusie zullen komen dat de zaken niet op de oude voet voort kunnen gaan. ʻWij proberen misschien te werken met de coalition of the willing, maar ik denk wel dat de willing een voorbeeld kunnen zijn voor anderen,ʼ zegt Van Doorninck.

Het is een dubieuze theorie, maar zij verklaart wel voor een groot deel waarom zo veel zogenaamd progressieve CEOʼs en andere liberale elites de donuteconomie wel zien zitten, omdat ze die terecht niet als een bedreiging zien. Het verklaart ook waarom Amsterdam waarschijnlijk moeite zal hebben zijn doelstellingen op het gebied van sociale en ecologische rechtvaardigheid te halen. De Nederlandse centrale bank verwacht dat het Nederlandse bbp in 2021 met 3 procent zal groeien, en in 2022 met 3,7 procent. En de plannen van het land om tegen 2050 een circulaire economie tot stand te brengen, zullen naar verwachting alleen maar bijdragen aan deze groei: het Planbureau voor de Leefomgeving, een onderzoeksinstituut dat de Nederlandse overheid adviseert, ziet in de transitie een kans van 7 miljard euro voor de Nederlandse economie.

ʻDe theorie van Kate Raworth is natuurlijk heel idealistisch, maar ook heel naïef,ʼ zegt Tiers Bakker, gemeenteraadslid in Amsterdam voor de SP. ʻWe hebben geen donuteconomie nodig. We hebben bagelsocialisme nodig.ʼ

Een door werkers geleide economie die voorziet in de behoeften van iedereen, binnen de grenzen van de planeet – noem het ʻbagelsocialismeʼ of ecosocialisme – blijft vooralsnog buiten bereik in Nederland. Links Nederland is, zoals Cas Mudde opmerkt, meer dan ooit versplinterd. En zoals Alex de Jong in Jacobin heeft betoogd, verkeert de eens zo bloeiende SP in een crisis, met een dalend ledental en een leiderschap dat heeft gehint op een coalitie met rechtse partijen. Ondanks brede steun voor links beleid onder het electoraat, neemt het aandeel van de partij in de uitslagen bij nationale verkiezingen af.

Dit is zeker een slechte timing gezien de urgentie van het huidige politieke moment. Maar het weerhoudt socialisten als Bakker er niet van om nu al te werken aan kleinschalige initiatieven die laten zien hoe een socialistisch alternatief voor de donuteconomie er in Amsterdam uit zou kunnen zien, zoals een programma van de SP waarbij het voedseloverschot van lokale bedrijven wordt ingezameld en zonder inkomenstoets onder de bewoners wordt verdeeld. ʻIn een ideale wereld zouden we de sprong wagen en resoluut actie ondernemen met de macht van het volk achter ons,ʼ zegt Bakker. ʻVoor nu moeten we een alternatief model laten zien door zoiets simpels maar fundamenteels als voedseldistributie.ʼ

Het goede voorbeeld geven is nuttig, maar tegelijkertijd onvoldoende. Als we een leefbare toekomst willen hebben, zal links in Amsterdam en daarbuiten de macht moeten grijpen, en wel snel. De feiten zijn duidelijk: we kunnen ofwel een fatsoenlijk leven voor iedereen verwezenlijken binnen de grenzen van de planeet, of we kunnen kapitalisme hebben. En we kunnen het ons niet veroorloven om agnostisch te zijn over welk lot we kiezen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

Het jachtseizoen op betogers is geopend

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 19 november 2021

fotografie: Volkskrant

door Cas Mudde

Cas Mudde is hoogleraar internationale zaken aan de Universiteit van Georgia, auteur van The Far Right Today (2019), en gastheer van de podcast Radikaal. Hij is columnist bij de Guardian in de VS.

Demonstranten in de VS moeten niet alleen bang zijn voor politiegeweld, maar ook voor rechtse burgerwachten

Kyle Rittenhouse – de gewapende blanke tiener die van Illinois naar Wisconsin reisde om naar eigen zeggen plaatselijke bedrijven te ʻbeschermenʼ tegen anti-racisme-demonstranten in Kenosha, waarna hij twee mensen doodschoot en een ander verwondde – is vrijgesproken van alle aanklachten. Ik denk niet dat iemand die het proces zelfs maar terloops heeft gevolgd, verrast zal zijn door dit vonnis. Na de verschillende fratsen van de gekozen rechter, die erop leken te wijzen waar zijn sympathieën lagen, en het feit dat de aanklager de juryleden vroeg om minder zware beschuldigingen dan moord in overweging te nemen, was het wel duidelijk welke kant het op ging.

Ik wil niet ingaan op de juridische bijzonderheden van het vonnis. Het is duidelijk dat de aanklager veel fouten heeft gemaakt en weinig tot geen speelruimte heeft gekregen van de rechter, in tegenstelling tot het verdedigingsteam. Bovendien weten we dat ʻzelfverdedigingʼ – vaak beter bekend als eigenrichting of vigilantisme – in de VS wettelijk beschermd en sterk geracialiseerd is. Denk maar aan de vrijspraak van George Zimmerman voor de moord op Trayvon Martin in 2013.

In wezen heeft het Rittenhouse-arrest een soort ʻstand your groundʼ-wet voor het hele land gecreëerd. Witte mensen hebben nu blijkbaar het recht om zwaar bewapend door het land te reizen en geweld te gebruiken om het land te beschermen tegen alles en iedereen die volgens hen een bedreiging vormt. Gezien de koortsachtige paranoia en het racisme dat een aanzienlijke minderheid van de witte mensen in de VS dezer dagen in zijn greep heeft, is dit een recept voor een ramp.

De komende tijd zullen veel media gretig wachten op rellen of andere potentieel gewelddadige reacties van de andere kant – van de anti-racisten en progressieven van alle kleuren en rassen die verontrust zijn door dit vonnis – en het plaatsvinden van die rellen, als ze zich voordoen, gebruiken om een misplaatst ʻbeide kantenʼ-frame door te drukken. Als er protesten of rellen zijn, verwacht dan niet dat de politie net zo hoffelijk en behulpzaam zal zijn als tegen Rittenhouse en zijn extreem-rechtse vriendjes.

Het meest verontrustende gevolg van dit vonnis is misschien wel dit: door rechtse burgerwachten een wettelijk precedent te geven om de wapens op te nemen tegen iedereen die zij als een bedreiging beschouwen – en dat loopt zoʼn beetje uiteen van antifascisten tot zogenaamde Rinos (Republicans in Name Only) en omvat bijna alle gekleurde mensen – betekent dit dat het jachtseizoen op progressieve demonstranten nu geopend is.

Begrijp me niet verkeerd; deze uitspraak alleen is niet het begin van dit soort scheve rechtshandhaving. Het is slechts de laatste in een eeuwenoude Amerikaanse traditie van bescherming van witte terreur en vigilantisme. Bij demonstraties voor burgerrechten in de jaren zestig, vooral maar niet uitsluitend in het zuiden, werden de betogers door de politie aangevallen en mishandeld. Dat was ook het geval bij veel Black Lives Matter-demonstraties vorig jaar.

Uit een onderzoek van de Boston Globe bleek dat ʻtussen de dood van [George] Floyd op 25 mei 2020 en 30 september 2021, er minstens 139 keer met voertuigen op protesten is ingereden,ʼ waarbij minstens honderd mensen gewond raakten. In minder dan de helft van de gevallen werd de bestuurder aangeklaagd, en slechts vier bestuurders zijn veroordeeld voor een misdrijf. In reactie op deze aanvallen hebben Republikeinse wetgevers bovendien wetten voorgesteld om de chauffeurs te beschermen tegen gerechtelijke vervolging indien zij een demonstrant aanrijden. Florida, Iowa en Oklahoma hebben reeds dergelijke wetten aangenomen.

Er is moed voor nodig om in het openbaar te protesteren, in welke situatie dan ook, vooral wanneer het gaat om staatsmacht. Nu moeten betogers in de VS niet alleen bang zijn voor politiegeweld, maar ook voor gewelddadig extreem-rechts, dat wordt aangewakkerd door de Republikeinse partij en de rechtse media in het algemeen, en wordt beschermd door het lokale rechtssysteem.

Dit alles komt op een cruciaal moment in de Amerikaanse democratie. Van Georgia tot Wisconsin valt de Republikeinse partij het kiesstelsel aan, terwijl haar aanhangers stembureauleden en degenen die zich aanmelden om bij de volgende verkiezingen als stembureaulid te fungeren terroriseren. Mochten de Democraten in 2022 belangrijke verkiezingen winnen in conservatieve staten – denk aan Stacey Abrams in Georgia of Beto O’Rourke in Texas – dan is de kans groot dat deze resultaten zullen worden betwist en beoordeeld door zeer partijdige krachten die worden beschermd door staatspolitici.

Evenzo zal, mocht president Biden of een andere Democraat de presidentsverkiezingen van 2024 winnen, het resultaat opnieuw worden aangevochten in conservatieve staten, maar deze keer zouden onafhankelijke stembureauleden afwezig of in de minderheid kunnen zijn en de weinige Republikeinen die de druk van Donald Trump in 2020 hebben weerstaan, zullen zijn vervangen of in het gareel zijn gevallen.

Op dat moment zullen de Democraten, en in feite alle democratisch gezinde burgers, de straat op moeten gaan om te protesteren. Zij zullen worden geconfronteerd met een alliantie van zwaarbewapende burgers en politie en nationale garde, die betogers met effectieve immuniteit kunnen aanvallen. Denk eraan: Kyle Rittenhouse is net vrijgesproken na het doden van twee mensen en het verwonden van een derde tijdens een protest.

In Nederland hebben we een gezegde dat regelmatig in politieke discussies opduikt: ʻDemocratie is niet voor bange mensen.ʼ Meestal bedoelen we daarmee dat democratie niet is voor mensen die bang zijn voor verandering of voor kritiek. In de VS is dit gezegde, in de nasleep van het vonnis van vorige week, zowel reëler als sinisterder geworden.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Het energiedilemma

Oorspronkelijke tekst (Engels): Sidecar, 5 november 2021

fotografie: La Carmagnole

door Cédric Durand

Cédric Durand doceert Economie en Ontwikkelingstheorieën aan de universiteit van Parijs 13 en de EHESS. Hij werkt binnen de traditie van de marxistische en Franse regulationistische politieke economie en is auteur van verschillende artikelen over de euro-crisis, de verwevenheid financialisering-mondialisering en de post-Sovjet-transformatie. Hij is lid van de redactieraad van het radicale online tijdschrift ContreTemps.

De ecologische tweedeling is geen galadiner. Na een zomer van extreme klimaatgebeurtenissen en een nieuw IPCC-rapport dat de meest verontrustende voorspellingen bevestigt, worden grote delen van de wereld nu geteisterd door een energiecrisis die een voorbode is van verdere economische problemen in de toekomst. Deze samenloop van omstandigheden heeft de droom van een harmonieuze transitie naar een post-koolstofwereld ten grave gedragen en de kwestie van de ecologische crisis van het kapitalisme op de voorgrond geplaatst. Op de COP26-conferentie overheerste een toon van machteloosheid, waarbij de dreigende ellende de mensheid heeft klemgezet tussen de onmiddellijke eisen van systemische reproductie en de versnelling van de klimaatontwrichting.

Op het eerste gezicht zou je misschien denken dat er stappen worden ondernomen om dit cataclysme tegen te gaan. Ruim vijftig landen – plus de hele Europese Unie – hebben zich ertoe verbonden een netto-emissiedoelstelling van nul te halen, waardoor de wereldwijde energiegerelateerde CO2-uitstoot tussen nu en 2050 met 40 procent zou dalen. Een nuchtere lezing van de wetenschappelijke gegevens laat echter zien dat de groene transitie ver uit koers ligt. Als het wereldwijde nulpunt niet wordt gehaald, zullen de temperaturen blijven stijgen, waardoor de wereld tegen 2100 ver boven de 2°C opwarming zal uitkomen. Volgens de UNEP zouden de nationaal vastgestelde bijdragen, die de landen vóór COP26 moesten indienen, de uitstoot in 2030 met 7,5 procent verminderen. Toch is een daling met 30 procent nodig om de opwarming tot 2°C te beperken, terwijl 55 procent nodig zou zijn voor 1,5°C.

Zoals in een recent hoofdartikel van Nature werd gewaarschuwd, hebben veel van deze landen netto-nul-beloften gedaan zonder een concreet plan te hebben hoe ze dat willen bereiken. Welke gassen zullen worden aangepakt? In hoeverre is netto-nul gebaseerd op effectieve reductie in plaats van op compensatieregelingen? Die laatste zijn bijzonder aantrekkelijk geworden voor rijke landen en vervuilende bedrijven, aangezien zij de uitstoot niet rechtstreeks verminderen en de last van de koolstofbeperking afwentelen op landen met lage en middelgrote inkomens (die het zwaarst zullen worden getroffen door de klimaatafbraak). Betrouwbare informatie en transparante toezeggingen over deze cruciale kwesties zijn nergens te vinden, waardoor de mogelijkheid van een geloofwaardige internationale wetenschappelijke monitoring in gevaar komt. De bottom line is dat de wereld op basis van het huidige mondiale klimaatbeleid – het gevoerde beleid en het voorgestelde beleid – hard op weg is naar een verwoestende toename van de uitstoot in het komende decennium.

Desondanks heeft het kapitalisme al de eerste grote economische schok te verwerken gekregen die verband houdt met de transitie naar een koolstofvrije economie. De sterke stijging van de energieprijzen is te wijten aan verschillende factoren, waaronder een wanordelijke opleving van de economie na de pandemie, slecht ontworpen energiemarkten in het Verenigd Koninkrijk en de EU die de prijsvolatiliteit verergeren, en de bereidheid van Rusland om zijn energie-inkomsten op de langere termijn veilig te stellen. Op een structureler niveau kan het effect van de eerste inspanningen om het gebruik van fossiele brandstoffen te beperken echter niet over het hoofd worden gezien. Als gevolg van de door de overheid opgelegde beperkingen inzake het verbranden van steenkool, plus de groeiende terughoudendheid van aandeelhouders om zich vast te leggen op projecten die binnen dertig jaar grotendeels verouderd kunnen zijn, zijn de investeringen in fossiele brandstoffen teruggelopen. Hoewel deze inkrimping van het aanbod niet voldoende is om het klimaat te redden, blijkt zij toch te veel voor de kapitalistische groei.

De combinatie van een aantal recente gebeurtenissen geeft een voorproefje van de dingen die komen gaan. In de Punjab-regio in India hebben ernstige tekorten aan steenkool geleid tot onvoorziene stroomonderbrekingen. In China heeft meer dan de helft van de provincies strenge maatregelen voor stroomrantsoenering ingevoerd. Verscheidene bedrijven, waaronder belangrijke toeleveranciers van Apple, zijn onlangs gedwongen hun productie in fabrieken in de provincie Jiangsu stop te zetten of te verminderen, nadat lokale overheden de levering van elektriciteit hadden beperkt. Deze beperkingen waren een poging om te voldoen aan de nationale emissiedoelstellingen door de opwekking van elektriciteit met kolencentrales aan banden te leggen; deze zijn nog steeds goed voor ongeveer twee derde van Chinaʼs elektriciteitsproductie. Om de gevolgen van deze ontwrichtingen binnen de perken te houden, hebben de Chinese autoriteiten hun klimaatambities tijdelijk getemperd door 72 kolenmijnen te gelasten hun aanbod op te voeren en door de invoer van Australische steenkool, die maandenlang was stilgelegd wegens diplomatieke spanningen tussen beide landen, weer op gang te brengen.

In Europa was het de sterke stijging van de gasprijzen die heeft geleid tot de huidige crisis. Gekweld door de herinnering aan de opstand van de gilets jaunes tegen de koolstofbelasting van Macron, hebben de regeringen ingegrepen met energiesubsidies voor de lagere klassen. Maar op meer onverwachte wijze heeft de stijging van de gasprijzen ook kettingreacties teweeggebracht in de verwerkende sector. Het geval van de meststoffen is veelzeggend. Een Amerikaans bedrijf, CF Industries, besloot zijn kunstmestfabrieken in het Verenigd Koninkrijk stil te leggen, omdat die door de prijsstijgingen onrendabel waren geworden. Als nevenproduct van zijn activiteiten was het bedrijf voorheen verantwoordelijk voor 45 procent van de CO2 in de levensmiddelensector in het Verenigd Koninkrijk. Het stilleggen van de fabrieken ontketende weken van chaos, met gevolgen voor diverse sectoren, van bier en frisdranken tot voedselverpakkingen en vlees. Wereldwijd heeft de sterke stijging van de gasprijzen gevolgen voor de landbouwsector, via de stijging van de kunstmestprijzen. In Thailand zullen de kosten van kunstmest vanaf 2020 verdubbelen, waardoor de kosten voor veel rijstproducenten zullen stijgen en het plantseizoen in gevaar komt. Als dit zo doorgaat, zullen regeringen misschien moeten ingrijpen om de voedselvoorziening veilig te stellen.

De wereldwijde en wijdverspreide repercussies van energietekorten en prijsstijgingen onderstrepen de complexe neveneffecten van de structurele transformatie die nodig is om de koolstofemissies te elimineren. Terwijl het aanbod van koolwaterstoffen aan het afnemen is, volstaat de toename van duurzame energiebronnen niet om aan de groeiende vraag te voldoen. Daardoor blijft er een energieprobleem bestaan dat de transitie volledig zou kunnen doen ontsporen. In deze context kunnen landen ofwel terugkeren naar de meest overvloedig beschikbare energiebron – steenkool – ofwel een economische krimp veroorzaken, die in gang wordt gezet door de stijging van de kosten en de gevolgen daarvan voor de winstgevendheid, de consumptieprijzen en de stabiliteit van het financiële systeem. Op de korte termijn is er dus sprake van een uitruil tussen ecologische doelstellingen en de eis om de groei te bevorderen. Maar speelt dit energiedilemma ook op de middellange en de lange termijn? Zullen we uiteindelijk voor de keuze komen te staan tussen klimaat en groei?

Een succesvolle koolstoftransitie impliceert de harmonieuze ontplooiing van twee processen die op materieel, economisch en financieel niveau op complexe wijze met elkaar verbonden zijn. In de eerste plaats moet er een proces van ontmanteling plaatsvinden. De bronnen van koolstofvervuiling moeten drastisch worden verminderd: vooral de winning van koolwaterstoffen, de elektriciteitsproductie met behulp van kolen en gas, de op brandstoffen gebaseerde vervoerssystemen, de bouwsector (door de hoge uitstoot bij de productie van cement en staal) en de vleesindustrie. Het gaat hier om de-growth in de meest rechtstreekse zin van het woord: apparatuur moet worden afgedankt, fossiele brandstofreserves moeten in de bodem blijven, de intensieve veeteelt moet worden opgegeven en een hele reeks aanverwante beroepsvaardigheden moet overbodig worden gemaakt.

Alles in aanmerking genomen, impliceert de eliminatie van productiecapaciteit een inkrimping van het aanbod, hetgeen tot een algemene inflatoire druk zal leiden. Dit is des te waarschijnlijker omdat de meest getroffen sectoren zich op het hoogste niveau van de moderne economieën bevinden. Via de andere sectoren zal de druk op de kosten de winstmarges van de bedrijven, de mondiale winsten en/of de koopkracht van de consumenten aantasten, wat een wilde recessie teweeg zal brengen. Bovendien is het stopzetten van de koolstofeconomie een nettoverlies vanuit het oogpunt van de valorisatie van financieel kapitaal: enorme hoeveelheden gestrande activa zullen worden weggevaagd omdat onderliggende verwachte winsten zullen verdwijnen, wat de weg vrijmaakt voor grootschalige uitverkopen, die hun invloed zullen hebben op de massa van fictief kapitaal. Deze onderling samenhangende dynamieken zullen elkaar aanwakkeren, naarmate de recessiekrachten de wanbetalingen op schulden doen toenemen, terwijl de financiële crisis de toegang tot kredieten bevriest.

De andere kant van de transitie is een grote investeringsgolf om de aanbodschok op te vangen die wordt veroorzaakt door de ontmanteling van de koolstofsector. Hoewel veranderende consumptiegewoonten een rol kunnen spelen, vooral in rijke landen, zijn ook de creatie van nieuwe koolstofvrije productiecapaciteit, efficiëntieverbeteringen, en de elektrificatie van vervoers-, industriële en verwarmingssystemen (naast de inzet van koolstofafvang, in sommige gevallen) nodig om de geleidelijke afschaffing van broeikasgasemissies te compenseren. Vanuit kapitalistisch oogpunt kunnen deze nieuwe activiteiten winstmogelijkheden bieden, zolang de productiekosten niet te hoog zijn in verhouding tot de beschikbare vraag. Aangetrokken door deze valorisatie zou groen kapitaal kunnen instappen en de transitie kunnen versnellen, waardoor een nieuwe golf van accumulatie kan worden aangezwengeld die de werkgelegenheid en de levensstandaard in stand kan houden.

We mogen echter niet vergeten dat de timing allesbepalend is: dergelijke aanpassingen doorvoeren in vijftig jaar is iets heel anders dan drastisch moeten terugschakelen in een decennium. En vanaf het punt waarop we ons nu bevinden, zijn de vooruitzichten voor een soepele en adequate overschakeling op groene energie op zijn zachtst gezegd troebel. De ontmanteling van de koolstofsector blijft onzeker door de inherente wisselvalligheid van politieke processen en het aanhoudende gebrek aan engagement van overheidsinstanties. Het is illustratief dat één enkele senator, Joe Manchin III uit West-Virginia, het programma kan blokkeren van de Democraten in de VS om de vervanging van kolen- en gasgestookte elektriciteitscentrales te vergemakkelijken.

Zoals de huidige ontwrichtingen illustreren, kan ook het gebrek aan direct beschikbare alternatieven de geleidelijke afschaffing van fossiele brandstoffen belemmeren. Volgens het IEA: ʻDe met de transitie samenhangende uitgaven […] blijven ver achter bij wat nodig is om op een duurzame manier aan de stijgende vraag naar energiediensten te voldoen. Het tekort is zichtbaar in alle sectoren en regioʼs.ʼ In zijn jongste Energy Report schat Bloomberg dat een groeiende wereldeconomie de komende dertig jaar investeringen in energievoorziening en -infrastructuur zal vergen van tussen de 92 biljoen en de 173 biljoen dollar. De jaarlijkse investeringen moeten meer dan verdubbelen, van ongeveer 1,7 biljoen dollar per jaar nu naar gemiddeld tussen de 3,1 biljoen en 5,8 biljoen dollar per jaar. De omvang van een dergelijke macro-economische aanpassing zou ongekend zijn.

Vanuit het perspectief van de mainstream-economie is deze aanpassing nog steeds een kwestie van een juiste beprijzing. In een recent rapport dat in opdracht van de Franse president Emmanuel Macron is opgesteld, stellen twee vooraanstaande economen op dit gebied, Christian Gollier en Mar Reguant, dat ʻde waarde van koolstof moet worden gebruikt als maatstaf voor alle dimensies van de beleidsvorming van de overheid.’ Hoewel normen en regelgeving niet moeten worden uitgesloten, moet een ʻgoed ontworpen koolstofbeprijzing’ via een koolstofbelasting of een cap-and-trade-mechanisme de hoofdrol spelen. Van marktmechanismen wordt verwacht dat zij de negatieve externe effecten van broeikasgasemissies zullen internaliseren, waardoor een ordelijke transitie aan zowel de vraag- als de aanbodzijde mogelijk wordt. ‘Koolstofbeprijzing heeft het voordeel dat de nadruk ligt op efficiëntie in termen van de kosten per ton CO2, zonder dat van tevoren hoeft te worden vastgesteld welke maatregelen zullen werken.’ Als weerspiegeling van de plasticiteit van marktaanpassingen opent een koolstofprijs – ‘in tegenstelling tot meer prescriptieve maatregelen’ – ruimte voor ‘innovatieve oplossingen.’

Dit op de vrije markt geënte, techno-optimistische perspectief verzekert ons ervan dat kapitalistische groei en klimaatstabilisatie met elkaar te verzoenen zijn. Het lijdt echter aan twee belangrijke tekortkomingen. De eerste is de blindheid van deze benadering voor de macro-economische dynamiek die een rol speelt in de transitie-inspanning. In een recent rapport van Jean Pisani-Ferry, geschreven voor het Peterson Institute for International Economics, wordt de mogelijkheid van een soepele aanpassing gedreven door marktprijzen gebagatelliseerd, terwijl ook de hoop op een Green New Deal die alle schepen zou kunnen lichten de bodem wordt ingeslagen.

Het rapport constateert dat ‘uitstel de kansen op een ordelijke transitie heeft verkleind’ en merkt op dat er ‘geen garantie is dat de transitie naar koolstofneutraliteit goed zal zijn voor de groei.’ Het proces is vrij eenvoudig: 1) aangezien decarbonisatie een versnelde veroudering van een deel van de bestaande kapitaalvoorraad impliceert, zal het aanbod teruglopen; 2) in de tussentijd zullen meer investeringen nodig zijn. De prangende vraag wordt dan: zijn er voldoende middelen in de economie beschikbaar om meer investeringen mogelijk te maken, naast een verzwakt aanbod? Het antwoord hangt af van de hoeveelheid ‘speling’ in de economie – d.w.z.: onbenutte productiecapaciteit en werkloosheid. Maar gezien de omvang van de aanpassing en het korte tijdsbestek kan dit niet als vanzelfsprekend worden beschouwd. Volgens Pisani-Ferry ‘zal het effect op de groei dubbelzinnig zijn, en het effect op de consumptie negatief. Klimaatactie is als een militaire opbouw in geval van een dreiging: goed voor de welvaart op de langere termijn, maar slecht voor de tevredenheid van de consument.’ Het verschuiven van middelen van consumptie naar investeringen betekent dat de consumenten onvermijdelijk de kosten van de inspanning zullen moeten dragen.

Ondanks zijn neo-Keynesiaanse invalshoek opent Pisani-Ferry een inzichtelijke discussie over de politieke voorwaarden die een verlaging van de levensstandaard en een groene klassenoorlog langs inkomenslijnen mogelijk zouden maken. Maar in zijn gehechtheid aan het prijsmechanisme deelt zijn betoog met dat van de marktaanpassing een irrationele nadruk op de efficiëntie van de CO2-emissiereductie. De tweede tekortkoming in de bijdrage van Gollier en Reguant wordt duidelijk wanneer zij oproepen tot ‘een combinatie van klimaatmaatregelen met de laagst mogelijke kosten per ton niet-uitgestoten CO2-equivalent.’ Zoals de auteurs zelf erkennen, is de vaststelling van koolstofprijzen immers hoogst onzeker. Schattingen variëren van 45 dollar tot 14.300 dollar per ton, afhankelijk van de tijdshorizon en de beoogde reductie. Met een dergelijke variabiliteit heeft het geen zin te proberen de kosten van koolstofreductie intertemporeel te optimaliseren. Wat belangrijk is, zijn niet de kosten van de aanpassing, maar veeleer de zekerheid dat de stabilisatie van het klimaat zal plaatsvinden.

De politicoloog Chalmers Johnson, die de specifieke kenmerken van de Japanse ontwikkelingsstaat beschreef, maakte een onderscheid dat ook op het transitiedebat kan worden toegepast:

Een regulerende, of marktrationele, staat houdt zich bezig met de vorm en de procedures – de regels, zo u wilt – van de economische concurrentie, maar houdt zich niet bezig met inhoudelijke zaken […] De ontwikkelingsstaat, of planrationele staat, daarentegen, heeft als dominant kenmerk juist het stellen van zulke inhoudelijke sociale en economische doelen.

Met andere woorden: terwijl de eerste doelmatigheid nastreeft – door de middelen zo economisch mogelijk te gebruiken – is de tweede gericht op doeltreffendheid: dat wil zeggen, op het vermogen om een bepaald doel te bereiken, of dat nu oorlog is of industrialisatie. Gezien de existentiële bedreiging die van de klimaatverandering uitgaat, en het feit dat er een eenvoudige en stabiele metriek bestaat om onze blootstelling te beperken, zouden wij ons eerder zorgen moeten maken over de doeltreffendheid van de vermindering van de broeikasgassen dan over de efficiëntie van de inspanning. In plaats van het prijsmechanisme te gebruiken om de markt te laten beslissen waar de inspanning moet liggen, is het oneindig veel eenvoudiger om doelstellingen op sectoraal en geografisch niveau bij elkaar op te tellen en een consistent reductieplan op te stellen om ervoor te zorgen dat het algemene doel op tijd zal worden bereikt.

Ruchir Sharma van Morgan Stanley, die over deze kwestie schrijft in de FT, stelt een punt aan de orde dat indirect pleit voor ecologische planning. Hij merkt op dat de investeringsdrang die nodig is voor de transitie naar een koolstofvrije economie ons voor een triviaal materieel probleem stelt: aan de ene kant worden vuile activiteiten – met name in de sectoren van de mijnbouw of de metaalproductie – onrendabel door strengere regelgeving of hogere koolstofprijzen; aan de andere kant zijn voor investeringen in de vergroening van de infrastructuur dergelijke middelen nodig om de capaciteit uit te breiden. Afnemend aanbod plus stijgende vraag is daarom een recept voor wat hij ʻgroene inflatieʼ noemt. Sharma stelt dan ook dat ʻhet blokkeren van nieuwe mijnen en boorplatforms niet altijd een ecologisch en sociaal verantwoorde zet zal zijn.ʼ

Als woordvoerder van een instelling met gevestigde belangen in vervuilende grondstoffen is Sharma nauwelijks een neutrale commentator te noemen. Maar het probleem dat hij schetst – hoe kunnen we genoeg vervuilend materiaal leveren om een schone energie-economie op te bouwen – is reëel en houdt verband met een ander probleem van de voorgenomen marktgestuurde transitie: koolstofbeprijzing stelt de maatschappij niet in staat onderscheid te maken tussen oneigenlijk gebruik van koolstof – zoals het naar de ruimte sturen van miljardairs – en essentieel gebruik, zoals het bouwen van de infrastructuur voor een koolstofvrije economie. Bij een succesvolle transitie zou het eerste onmogelijk worden gemaakt, en het tweede zo goedkoop mogelijk. Als zodanig wordt een koolstofprijs een duidelijk pad naar mislukking.

Dit brengt ons terug bij een oud, maar nog steeds doorslaggevend argument: de wederopbouw van een economie – in dit geval een economie waarin geleidelijk een einde wordt gemaakt aan fossiele brandstoffen – vergt een herstructurering van de keten van betrekkingen tussen de verschillende segmenten ervan, wat erop duidt dat het lot van de economie als geheel afhangt van het punt van de minste weerstand. Zoals Alexandr Bogdanov in het kader van de opbouw van de jonge Sovjetstaat opmerkte: ‘Door deze onderlinge afhankelijkheid is het uitbreidingsproces van de economie in zijn geheel onderworpen aan de wet van het zwakste punt.’ Deze gedachtegang is later door Wassily Leontief verder uitgewerkt in zijn bijdragen aan de input-output-analyse. Volgens deze gedachtegang zijn marktaanpassingen eenvoudigweg niet opgewassen tegen structurele veranderingen. In dergelijke situaties is een zorgvuldig en adaptief planningsmechanisme vereist dat in staat is een bewegend landschap van knelpunten te identificeren en aan te pakken.

Als we kijken naar de economische uitdagingen van de herstructurering van economieën om de koolstofuitstoot in overeenstemming te houden met de stabilisering van het klimaat, komt deze discussie in een nieuw perpectief te staan. Doeltreffendheid moet voorrang krijgen op efficiëntie bij het terugdringen van de uitstoot. Dit betekent dat de fetisj van het prijsmechanisme moet worden losgelaten om te plannen hoe de resterende vervuilende hulpbronnen zullen worden gebruikt ten dienste van een schone infrastructuur. Een dergelijke planning moet een internationaal bereik hebben, aangezien de grootste kansen voor het koolstofarm maken van de energievoorziening in het Mondiale Zuiden liggen. Omdat transformatie aan de aanbodzijde niet zal volstaan, zullen ook veranderingen aan de vraagzijde cruciaal zijn om binnen de planetaire grenzen te blijven. De energiebehoeften om de wereldbevolking een fatsoenlijke levensstandaard te bieden, kunnen drastisch worden verminderd, maar naast het gebruik van de meest efficiënte beschikbare technologieën vergt dit een radicale transformatie van de consumptiepatronen, met inbegrip van politieke procedures om prioriteiten te stellen tussen concurrerende consumptie-eisen.

Het internationale socialisme, dat zich van oudsher bezighoudt met planning en gesocialiseerde consumptie, is een voor de hand liggende kandidaat om een dergelijke historische taak op zich te nemen. Hoewel de slechte staat van de socialistische politiek niet veel optimisme oproept, zou de catastrofale conjunctuur waarin we ons bevinden – samen met de volatiliteit van de prijzen en de voortdurende spasmen van kapitalistische crises – de fluïditeit van de situatie kunnen vergroten. In dergelijke omstandigheden moet links flexibel genoeg zijn om elke politieke kans aan te grijpen die de zaak van een democratische ecologische transitie vooruit kan helpen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

De duistere achtergronden van QAnon – deel III, de internationale context

fotografie: MO Magazine

door Peter Edel

Peter Edel (Amsterdam, 1959) is fotograaf en publicist. Tussen 2010 en 2018 volgde hij de politiek in Turkije voor de websites Joop, De Wereld Morgen, MO, Turkijeblog en Turksnieuws. Sinds 2018 schrijft hij vooral over extreemrechtse netwerken en de raakvlakken daarvan met cybertechnologie.

In deel 1 en deel 2 van deze artikelenserie belichtte Peter Edel de oorsprong van QAnon in de VS. Hij besluit dit drieluik met de internationale context tegen de achtergrond waarvan QAnon ontstond.

De oorsprong van QAnon kan langs verschillende invalshoeken benaderd worden. Enerzijds ligt QAnon in het verlengde van het complex aan aartsconservatieve organisaties dat zich sinds de jaren vijftig in de VS heeft ontwikkeld, zoals de John Birch Society (JBS), waardoor destijds al vanuit een politieke intentie complottheorieën werden verspreid. Om die reden kwam de JBS in deel 2 van deze artikelenserie ook al even voorbij. Naast de JBS wordt de uit de jaren van Ronald Reagans presidentschap daterende Council for National Policy (CNP) vaak genoemd als inspiratiebron van QAnon. Hetzelfde geldt voor The World Anti Communist League, de Western Goals Foundation en het World Congress of Families, rechts-conservatieve clubs die elkaar vaak overlappen.

Hoewel ik de rol van genoemde organisaties zeker niet wil bagatelliseren, zal ik het hier met de oorsprong van QAnon over een andere boeg gooien, want in dit artikel draait het om factoren die pas van belang werden nadat Donald Trump zich kandidaat had gesteld voor het Amerikaanse presidentschap.

In deel 2 stond ik uitgebreid stil bij de positie van Thomas Schoenberger binnen het Q-landschap. De publicist Daniel Morrison heeft min of meer hetzelfde gedaan in zijn artikel The Troll Who Created QAnon, dat kort daarop verscheen. Volgens Morrison was de rol van Schoenberger bij het ontstaan van QAnon essentieel, maar tegelijkertijd betwijfelt bij of QAnon geheel is ontsproten aan diens merkwaardige brein. Of zoals hij stelt: ʻConvincing conspiracists on 4chan to believe a conspiracy on 4chan – fine, not that hard. But convincing this many seemingly intelligent journalists to completely ignore something that’s right under their noses is astonishing. And seems beyond the abilities of someone as messy as Thomas.ʼ

Naast Schoenberger houdt Morrison dus ruimte over voor andere factoren, waar hij Schoenberger niet in zijn eentje toe in staat acht. Daaronder bevindt zich het psychologische aspect; de interpretatie van QAnon als een ‘Psy Op,’ een operatie gebaseerd op de logica van psychologische oorlogsvoering. In dit artikel voert deze invalshoek langs internationale politieke ontwikkelingen die zich parallel aan het ontstaan van QAnon voltrokken.

Rusland

De constatering van Dan Morrison staat niet op zich. Binnen het anti-Q-netwerk in de VS wordt QAnon vaker aangemerkt als een Psy Op. Kennis op dit gebied bevindt zich met name binnen militaire instanties, wat vanzelf tot de vraag leidt van welk land. Rusland komt dan al snel naar voren als hoofdverdachte. In de eerdere delen werd dit land al verschillende keren genoemd. Vanwege de relaties die Q-pusher ‘general’ Michael Flynn met het land ontwikkelde, maar ook omdat de Q Drops, de berichten van de Q Clearance Patriot die de basis vormden van QAnon, door duizenden Russische trollen werden verspreid.

Rusland heeft echter ook veel ervaring met Psy Ops. Vier decennia geleden ontwikkelde de Sovjet-Unie daar voor die tijd ongeëvenaarde kennis over. Zoals de historicus en Oost-Europa-specialist Timothy Snyder in een van zijn video’s op YouTube stelt, had dat in de objectieve werkelijkheid van destijds weinig praktische waarde, maar dat veranderde met de opkomst van internet en de daaruit voortvloeiende subjectivering van de werkelijkheid. Het onderzoek van de Sovjets naar strategieën op psychologische basis werd in die context opeens van grote waarde voor Poetin en consorten.

Een psychologische benadering was ook goed herkenbaar in wat Poetins voormalige adviseur Vladislav Surkov non linear warfare noemde. Centraal in deze strategie staat de destabilisering van de westerse samenleving via de opzettelijke verspreiding van misleidende informatie. Informatie als wapen (Weapons of Mass Disinformation…), met als doelstelling in het westen de weg vrij te maken voor politici waar Rusland iets aan heeft. Zoals Donald Trump.

Men kende Trump al een tijdje in Moskou. Zijn banden met Rusland gaan terug naar het einde van de jaren zeventig, naar een periode dus waarin de Koude Oorlog nog tamelijk warm was. In 1977 trad Trump in het huwelijk met de uit het toenmalige Tsjecho-Slowakije afkomstige Ivana Zelnickova, wat hem in het vizier bracht van de Tsjecho-Slowaakse inlichtingendienst, alsmede van de Russische KGB. Daar liet men sowieso geen kans voorbijgaan Amerikanen in te lijven wanneer de mogelijkheid zich voordeed, dus de interesse was snel gewekt. Het duurde even voordat men daar werk van kon maken, maar toen Trump tien jaar later voor het eerst Rusland bezocht, kon hij daar op een charmeoffensief van de KGB rekenen. Daar begreep men al snel dat de ijdele en narcistische Trump eenvoudig te manipuleren viel.

Dit betekent niet dat in Moskou toen al een traject bedacht werd om een president van hem te maken, maar dat men hem in het achterhoofd heeft gehouden is achteraf beschouwd duidelijk. Trump gedroeg zich in ieder geval zeker naar de zin van de Sovjet-strategen. Na teruggekeerd te zijn van een bezoek aan de Sovjet Unie liet hij een paginagrote advertentie in de New York Times plaatsen waarin hij de aanval opende op de Amerikaanse bondgenoot Japan en vraagtekens plaatste bij het Amerikaanse lidmaatschap van de NAVO. In Moskou werd ervan gesmuld, maar een grote verrassing was het zeker niet. Daarvoor waren de Sovjets te goed op de hoogte van Trumps zwakke plekken.

De eerdergenoemde Timothy Snyder is niet alleen een Oost-Europa-specialist, maar ook een overtuigde criticus van Trump. Volgens Snyder staat het over Trump ontstane beeld van een succesvolle zakenman ver van de realiteit. Dat was niet meer dan een rol die hij met verve wist te spelen, want in werkelijkheid zat hij vaak omhoog en werd hij niet zelden bedreigd door faillissementen. Dat maakte hem volgens Snyder ontvankelijk voor financiële injecties uit Rusland. Uiteraard werd daar nadat hij eenmaal president was geworden de verwachting aan verbonden dat hij daar iets tegenover zou plaatsen. Was het niet in zijn eerste termijn, dan wel na een eventuele herverkiezing.

Cambridge Analytica

De hierboven geschetste situatie in aanmerking genomen zal het niet verbazen dat er vaak Russische connecties opdoken bij initiatieven die genomen werden om Trump te steunen in zijn race naar het presidentschap. Zoals bij Cambridge Analytica (CA). Deze Brits/Amerikaanse data mining company legde de hand op data van vele miljoenen Facebookgebruikers en gebruikte die om zowel het Britse Brexit-referendum in 2016 als de Amerikaanse presidentsverkiezingen van hetzelfde jaar te beïnvloeden.

Volgens de voormalige CA-medewerker en klokkenluider Christopher Wylie ging door CA vergaarde informatie over Facebook-gebruikers ook naar Rusland. Bovendien werkte CA-medewerker Alexander Kogan, die een app ontwikkelde waarmee data van Facebook-gebruikers geoogst konden worden, tegelijkertijd ook aan een met Russisch overheidsgeld gesubsidieerd onderzoek naar ‘Stress, health and psychological wellbeing in social networks.’ Kogan was in die tijd verbonden aan de Universiteit van Cambridge, maar ook aan die van Sint Petersburg (1).

De praktijk van CA verschilde in tal van opzichten van die van het latere QAnon, maar als Psy Op leken het twee appels van dezelfde boom. Met dien verstande dat CA gericht was op het aan de macht brengen van Trump, terwijl QAnon hem later aan de macht moest houden. Tel daar de door Christopher Wylie genoemde links tussen CA en Rusland bij op en het wordt de vraag of QAnon misschien een product was van het beruchte Internet Research Agency (IRA) in Sint Petersburg. Anders gesteld: kwam de Russische kennis over Psy Ops bij het vroege Q-clubje terecht? Die conclusie zou te kort door de bocht zijn. In Rusland bestaat weliswaar veel kennis over Psy Ops, maar die is er ook in andere landen. In theorie kan dergelijke kennis bijvoorbeeld ook afkomstig zijn van voormalige Amerikaanse militairen en medewerkers van inlichtingendiensten die ervaring hadden met Psy Ops en met QAnon geassocieerd raakten. Zoals de in deel I genoemde Michael Aquino, die zijn militaire loopbaan combineerde met het leiderschap van de op satanistische leest geschoeide Temple of Set.

Waar daarentegen geen twijfel over bestaat is dat de Russische strategen de bruikbaarheid inzagen van de Q Drops toen ze die op 28 oktober 2017 op 4chan zagen verschijnen. Ze wisten ook precies waar ze moesten zijn. Zo was er al in een vroeg stadium Russische interesse in Tracy ‘Beanz’ Diaz, de YouTube-ster die ik in deel I noemde omdat ze de groei van het prille QAnon op gang bracht door in haar show de aandacht te vestigen op de Q Drops. Daarvóór was niet alleen Q maar ook Diaz vrijwel volledig onbekend. Toch werden zeven maanden voor de eerste Q Drop al tweets van Diaz verspreid via een aantal Russische accounts. En de dag voor het eerste item van Diaz over Q op YouTube noemde het Russische account CrusaderPost voor het eerst de term QAnon. Opvallend, want Q gebruikte dat woord zelf nooit.

Kortom, hoewel de exacte locatie nog bepaald moet worden, kent Rusland dus zeker een plaats binnen het Q-landschap. Daar vinden we echter ook andere landen.

Een ontmoeting in New York

In de maanden voorafgaand aan de Amerikaanse presidentsverkiezingen waren Trumps zoon Donald jr. en zijn schoonzoon Jared Kushner aanwezig op diverse interessante ontmoetingen. Begin juni spraken ze met de aan het Kremlin gelieerde advocate Natalia Veselnitskaya. Zij bracht de Russische belofte door aan Donald jr. en Kushner om informatie te leveren die voor Hillary Clinton beschadigend was. Nóg meer informatie dan, want drie maanden eerder waren al de emails van Clinton bij WikiLeaks verschenen die Julian Assange van de Russische hackersgroep Guccifer 2.0 ontving.

De ontmoeting met Veselnitskaya kreeg veel aandacht, onder meer in de New York Times. Aandacht was er eveneens voor een bijeenkomst in New York twee maanden later, toen Donald Trump jr. en Kushner een ontmoeting hadden met drie ondernemers, de Amerikaan Eric Prince, de Libanees George Nader en de Australische Israëliër Joel Zamel. De combinatie van de aanwezigen illustreerde het standpunt van special counsel Robert Mueller dat niet alleen Rusland een factor was in de collusion, maar ook Saoedi-Arabië (SA), de Verenigde Arabische Emiraten (VAE), alsmede bepaalde kringen in Israël.

Dit maakt een nadere beschrijving van de aanwezigen tijdens genoemde bijeenkomst van belang. Donald jr. en Kushner behoeven geen nadere introductie. De andere drie wel. Om te beginnen met Prince.

Eric Prince

De zeer conservatieve Eric Prince hield een slechte reputatie over aan het door hem opgerichte Blackwater, een particuliere militaire onderneming die voor de Amerikaanse overheid werkte en zich daarbij schuldig maakte aan mensenrechtenschendingen. In september 2007 openden medewerkers van Blackwater het vuur op een menigte op een plein in Bagdad, waarbij zeventien doden en twintig gewonden vielen. Naar aanleiding van dit bloedige incident werden in 2014 drie medewerkers van Blackwater veroordeeld voor doodslag en vijf jaar later nog een voor moord. Eind 2020 kwamen deze Blackwater-huurlingen echter allen vrij nadat ze amnestie hadden gekregen van de vertrekkende president Donald Trump. Trump is dan ook erg close met Prince én met diens familie. Zo werd de zuster van Prince, Betsy DeVos, Minister van Onderwijs in Trumps regering.

Voorafgaand aan de presidentsverkiezingen van 2016 stuurde Prince een bericht aan potentiële donateurs voor Trump, waarin hij geld vroeg voor het Committee for American Sovereignty Education Fund, een onduidelijke non-profit organisatie waar ook Trumps supporter van het eerste uur George Stone banden mee had. Bij het bericht was een document gevoegd met een voorstel tot een project dat het aantal zwarte stemmen voor Hillary Clinton moest beperken: Project Clintonson. Aanleiding was het gerucht dat Bill Clinton samen met een zwarte prostituee een buitenechtelijke zoon had. Feitelijk was dat een oud verhaal. Het deed al de ronde voordat Bill Clinton in 1993 voor het eerst president werd. Een zekere Danney Williams beweerde dat Clinton zijn vader was. Een paternity test verwees diens claim echter naar het land der fabelen. Dat weerhield Prince er in 2016 echter niet van om het valse gerucht uit de mottenballen te halen.

Ook nadat Trump eenmaal was verkozen was Prince niet te beroerd om de president van dienst te zijn indien zich een probleem voordeed. Zoals in 2017-2018, toen H.R. McMaster het probleem werd. Deze voormalige generaal was in februari 2017 national security advisor geworden, nadat zijn voorganger Michael Flynn vanwege leugens over zijn contacten met de Russische ambassadeur Sergey Kislyak ontslag had moeten nemen. McMaster noemde ik eerder in deel 1 van deze artikelenserie, omdat hij de Senior Director for Intelligence Programs van de National Security Council, devaak met QAnon geassocieerde Ezra Cohen Watnick, wilde ontslaan. Dat hij daar van weerhouden werd door onder meer Jared Kushner was al een indicatie dat McMasters populariteit in de oval office tanende was. Anders gesteld: er moesten argumenten gevonden worden om hem de laan uit te kunnen sturen.

Prince had daar de geschikte mensen voor, zoals de Britse spion Richard Seddon, die hij in 2016 in dienst nam. Seddon infiltreerde bij vakbonden en Democratische verkiezingscampagnes, maar werd daarnaast ook door Prince als instructeur ondergebracht bij Project Veritas, een extreemrechts en ronduit walgelijk candid camera tv-programma dat via videomanipulatie misleidende indrukken wekt over met name progressieve organisaties. Project Veritas wilde McMaster via een aantrekkelijk ogende dame negatieve uitspraken over Trump ontlokken. Uiteindelijk ging het plan niet door omdat McMaster door de conflicten met Trump zelf besloot ontslag te nemen, maar het illustreert hoever Prince en trawanten bereid waren te gaan om Trump uit de wind te houden.

Nadat zijn Blackwater-onderneming in opspraak was geraakt, trok Prince zich daaruit terug en begon een nieuwe militaire onderneming, de Frontier Services Group (FSG). Een meerderheidsaandeel daarvan kwam in handen van Chang Xhenming, een Chinese miljardair die nauwe banden onderhoudt met president Xi Jinping van China. Als gevolg daarvan werkte de FSG ook voor China. Het bedrijf raakte betrokken bij het organiseren van concentratiekampen in de Chinese provincie Xinjiang, waar tienduizenden islamitische Oeigoeren ʻheropgevoed’ worden.

De grootste opdrachtgever van de FSG was echter kroonprins Mohammed bin Zayad al Nahyan (MBZ) van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). Prince formeerde voor hem een achthonderd man sterke militaire groep, bestaand uit buitenlandse huurlingen die deels afkomstig waren van de Zuid-Afrikaanse militaire onderneming Executive Outcomes. Daarnaast trainde Prince een uit Zuid-Amerikanen bestaande eenheid die deelnam aan de smerige oorlog van de VAE en Saoedi-Arabië in Jemen.

George Nader

De banden van Eric Prince met de VAE voeren naar de tweede aanwezige tijdens de ontmoeting in augustus 2016 met Donald jr. en Jared Kushner in New York. Hoewel deze George Nader in Libanon werd geboren, groeide hij op in de VS. Later ging hij echter terug naar het Midden-Oosten, waar Blackwater van Eric Prince hem in dienst nam om contacten te onderhouden met de regering van Irak.

Prince wist ongetwijfeld van Naders reputatie als een fixer die goed thuis was in de wereld van corruptie en smerige chantagestrategieën, maar ook de weg wist in de dagelijkse praktijk van de internationale politiek. Zo fungeerde Nader onder Bill Clinton als officieuze gezant voor de VS in Syrië en hielp hij als onderhandelaar bij de bevrijding van in Libanon gegijzelde Amerikanen. Deze staat van dienst droeg er ongetwijfeld toe bij dat hij in de VAE in dienst werd genomen als adviseur van kroonprins MBZ.

Bij de ontmoeting van augustus 2016 in New York met onder andere Jared Kushner en Donald Trump jr. was Nader echter niet alleen aanwezig als vertegenwoordiger van MBZ, maar ook van Mohammed Bin Salman (MBS), kroonprins van Saoedi-Arabië en de facto leider van dat land.

Ondertussen onderhield Nader goede betrekkingen met de Trump-kliek. Dat hij na de verkiezing van Trump werd aangesteld als adviseur van diens transition team zegt genoeg. Namens MBS en MBZ draaide Nader er niet omheen tegenover Donald jr.: ‘We’re eager to help your father win the elections as president.’

Na de ontmoeting van augustus 2016 volgden nog twee interessante bijeenkomsten waar Nader bij aanwezig was. De eerste vond drie maanden later plaats, met als aanwezigen – naast Nader- Kushner en Steve Bannon (die een paar weken later aan zou treden als strateeg van Trump) en Michael Flynn, Trumps eerste national security advisor die, zoals ik in deel 1 beschreef, later een van de boegbeelden van de QAnon-beweging werd.

Een maand later vloog Nader naar de Seychellen voor een volgend memorabel treffen. Dit keer bevond hij zich in het gezelschap van kroonprins MBZ, Eric Prince en Kirill Dmitriev, het hoofd van het Russische fonds voor directe investeringen en daarmee geen onbekende in het Kremlin. De dag na de overwinning van Trump ontving Dmitriev een bericht van een onbekend gebleven persoon met de tekst Putin has won.’ Kort daarop liet Dmitriev aan Nader weten dat hij graag de key people rond Trump wilde ontmoeten. Op de Seychellen gebeurde dat. Later werd door Amerikaanse media aangenomen dat de doelstelling van deze ontmoeting het creëren van een back channel tussen Rusland en de Trump-kliek was.

Door zijn aanwezigheid bij deze ontmoetingen viel Nader op bij special counsel Robert Mueller. Die maakte vervolgens afspraken met Nader, waardoor hij in ruil voor immuniteit verklaringen af zou leggen. De deal zou Nader echter niet uit de gevangenis houden, want toen FBI-agenten een kijkje namen in zijn mobiele telefoons vonden zij daar een niet geringe hoeveelheid kinderpornografie. In 2020 kreeg hij daar tien jaar gevangenisstraf voor aan zijn broek.

Het was zeker niet voor het eerst dat Nader tegen de lamp liep voor gedonder met kinderen. In 1985 werd hij in de VS aangeklaagd wegens het bezit van (overigens uit Nederland afkomstige) kinderpornografie. Daarna ging hij in 1991 een half jaar achter de tralies, wederom voor kinderpornografie. In 2003 volgde een veroordeling tot een jaar in Praag voor ontucht met minderjarige jongens. Het is onmogelijk dat Naders opdrachtgevers niet op de hoogte waren van zijn liefde voor kinderen, waardoor de man voorafgaand aan zijn arrestatie uiterst chantabel was.

Door het Republikeinse kamp werd het vonnis voor Nader uiteraard als zeer gênant ervaren. Begrijpelijk, want terwijl de QAnon-beweging overuren draaide om de Democraten van ‘satanistisch’ kindermisbruik te beschuldigen, bleek een vertrouweling van Trump kinderpornografie in zijn smartphone te hebben. Goed, Nader werkte eerder ook voor Bill Clinton, maar later kwam hij in het Trump-kamp terecht. Daarom moest er een wig gedreven worden tussen Nader en de Republikeinen, door hem met eens te meer met de Democraten te associëren. Aldus geschiedde. Hoe dit in zijn werk ging begreep ik langs onverwachte weg.

In deel 2 noemde ik Ekim Alptekin, de Turkse Nederlander die in de aanloop van de presidentsverkiezingen van 2016 $530.000 aan Michael Flynn betaalde om een lobby te beginnen tegen de in de VS verblijvende Turkse geestelijke Fethullah Gülen. In hetzelfde artikel noemde ik het interview dat QAnon-influencer van het eerste uur Tracy ‘Beanz’ Diaz met Alptekin deed. Op een gegeven moment merkte Diaz tijdens dat interview op dat ‘een pedofiel’ optrad als getuige van Robert Mueller.

Ik vroeg het Ekim Alptekin en hij bevestigde dat Diaz het over Nader had. Vervolgens hield Alptekin ruggespraak met wat hij ‘mijn kringen’ noemde en kreeg de volgende tekst toegezonden: ‘There’s a former White House counsel named Kathy Ruemmler who is known as “Obama’s fixer” who ran in and got actively involved in his (Naders- P.E.) case. That means there’s something else about him they really don’t want to come out.’

Kathy Ruemmler trad op als advocaat van Nader, maar was eerder adviseur van Obama. En zo was Nader opeens geen vertrouweling van Trump meer, maar een pedofiele Democraat. Dat Nader Trumps transition team adviseerde en nota bene te gast was bij diens inauguratie was opeens glad vergeten. Typisch voorbeeld van een QAnon-redenering.

Joel Zamel

Naast Jared Kushner, Donald Trump jr, Eric Prince en George Nader was ook de in Australië geboren Israëliër Joel Zamel aanwezig bij de ontmoeting van augustus 2016 in New York. Zamel is oprichter van Psy Group, een particuliere inlichtingenonderneming die zich specialiseerde in verkiezingsstrategieën via campagnes op sociale media.

Psy Group is een van de ondernemingen binnen de Israëlische veiligheidsindustrie waar nogal wat voormalige medewerkers werken van de inlichtingendienst Mossad, de Israëlische strijdkrachten en Unit 8200, een duistere Israëlische instantie die wel met de Amerikaanse NSA wordt vergeleken. Psy Group behoort tot dezelfde categorie als de particuliere inlichtingenonderneming Black Cube. Dergelijke ondernemingen zijn belangrijk voor de staat Israël, met name wanneer Israëlische wetten de Mossad uitsluiten van bepaalde activiteiten, zoals spionage in de VS. In dat geval kan de Israëlische regering een beroep doen op de in het land gevestigde particuliere inlichtingendiensten.

Black Cube heeft illustere klanten. De onderneming raakte in de VS in opspraak naar aanleiding van het schandaal rond Harvey Weinstein, de filmproducent die veroordeeld werd wegens grensoverschrijdend seksueel gedrag tegenover actrices. Weinstein huurde Black Cube in om bruikbare informatie te vinden over een van hen. Voor dergelijke smerige klussen schrikt Black Cube niet terug. Het zal dan ook niet verrassen dat Eric Prince bekend is met Black Cube. Hij kreeg het aanbod in het Israëlische bedrijf te investeren, maar sloeg dat af.

We komen Prince ook tegen in verband met Carbyne, een andere particuliere veiligheidsonderneming in Israël. Carbyne produceert software voor meldkamers, die in de mogelijkheid voorziet contact te leggen met de camera in de telefoon van een melder van bijvoorbeeld een ongeluk of een brand. Door de telefoonbeelden naar hulpdiensten te sturen kunnen brandweer of ziekenhuizen zich beter voorbereiden op wat hen te wachten staat. Dat klinkt op zich niet verkeerd, maar Carbyne produceert ook zogenaamde pre crime software. Dat wil zeggen, software waarmee misdaden voorspeld kunnen worden door het koppelen van grote hoeveelheden data. Digitale mass surveillance, met andere woorden, die veel weg heeft van de technologie die daartoe in China worden toegepast, bijvoorbeeld om Oeigoeren in hun doen en laten te volgen. De Amerikaanse publicist Zev Shalev suggereerde contacten tussen Carbyne en China via Lital Leshem, een van de oprichters en aandeelhouders van Carbyne. Daarnaast werkte Leshem voor de Frontier Services Group van Eric Prince, wat haar tevens aan de VAE verbindt.

De pre crime software van Carbyne volgt hetzelfde concept als het Gotham-programma van de al even schimmige Amerikaanse data-onderneming Palantir. Palantir-oprichter Peter Thiel is dan ook aandeelhouder van Carbyne. Onder die aandeelhouders vallen nog andere namen op. Zoals die van Andrew Intrater van de Amerikaanse beleggingsfirma Columbus Nova. Intrater is de neef van Victor Vekselberg, een Russische oligarch uit de omgeving van Poetin. Vekselberg en Intrater kregen aandacht van collusion-onderzoeker Robert Mueller toen bleek dat Columbus Nova $500.000 had betaald aan Trumps voormalige advocaat Michael Cohen. Van dat bedrag was $130.000 bestemd als zwijggeld voor de porno-actrice Stormy Daniels, die zei een affaire met Trump te hebben gehad.

Ook de voormalige Israëlische premier Ehud Barak investeerde in Carbyne en ook een ondertussen overleden vriend van hem deed dat: Jeffrey Epstein, de voor trafficking van minderjarigen gearresteerde miljardair die zich in 2019 in een gevangenis te New York van het leven beroofde. De stap van investeren in Carbyne naar vriendschap met Ehud Barak en vervolgens contacten met de Mossad is niet al te groot. Die connectie is in verband met Epstein dan ook al vaker gelegd.

In de omgeving van de particuliere inlichtingendiensten in Israël – die tal van raakvlakken kennen, maar ook rivalen zijn – vinden we dus ook Psy Group van Joel Zamel. Voorafgaand aan de ontmoeting die hij in augustus 2016 met Kushner, Donald jr, Eric Prince en George Nader had werd Psy Group benaderd door Rick Gates, de assistent van Trumps campagnechef Paul Manafort. Psy Group presenteerde daarop een voorstel waarin verschillende diensten werden aangeboden. Van onderzoek naar de oppositie tot het inzetten van fake online personas. Dat laatste benadrukte Zamel tijdens de ontmoeting van augustus 2016. Hij stelde daar naar verluidt voor om ‘duizenden trollen’ in te zetten om Trump te dienen op internet.

Er is nooit volledige duidelijkheid geweest over de vraag of het voorstel van Zamel geaccepteerd werd door Trump & Co. Het is ook mogelijk dat aspecten uit het voorstel van Psy Group door anderen werden overgenomen, want dat manipulaties via internet in ruime mate werden toegepast om Trump aan de macht te brengen lijdt geen enkele twijfel. Zo staat ook vast dat Zamel $2.000.000 van Nader ontving nadat Trump de verkiezingen had gewonnen.

Kort daarna werd Psy Group partner van Cambridge Analytica, de eerdergenoemde data-onderneming die Trump steunde door miljoenen Amerikaanse stemmers via Facebook met desinformatie te bestoken. Officieel kwam het partnerschap met Cambridge Analytica op 14 december 2017 tot stand, maar er is alle reden om aan te nemen dat ook al eerder werd samengewerkt. Of in ieder geval dat Cambridge Analytica al eerder samenwerkte met een particuliere, in Israël gevestigde inlichtingenonderneming. Dat laatste bleek toen het Britse Channel Four in het geheim een gesprek opnam met Cambridge Analytica-CEO Alexander Nix. Daarin zei Nix dat Cambridge Analytica gebruik maakte van Britse en Israëlische spionnen, honey traps, valse websites en fake news-campagnes om de publieke opinie te beïnvloeden. De Israëliërs waren volgens Nix ‘very effective at intelligence gathering.’

Dat Israëliërs goed zijn in het organiseren van honey traps behoeft geen betoog. Met als historisch voorbeeld de atoomspion Mordechai Vanunu die in 1986 te Rome werd ontvoerd en gearresteerd, nadat hij er door een als Amerikaanse toerist vermomde Mossad-agente was ingeluisd. Daarnaast doet het thema honey trap denken aan de eerder beschreven plannen van Eric Prince en Project Veritas met Trumps in ongenade gevallen national security advisor H.R. McMaster.

Volgens de Daily Beast onderhield Zamel ook banden met Michael Flynn:‘Zamel wanted Michael Flynn to be a member of the firm’s advisory board. They spoke about it on multiple occasions around the time Flynn was forming the Flynn Intel Group.’ Zamel en Flynn vonden elkaar verder in Cambridge Analytica. Zoals gesteld ging Zamel met CA in zee, terwijl Flynn in 2017 verklaarde als adviseur van deze duistere onderneming te hebben gewerkt.

Volgens de eerder genoemde publicist Daniel Morrison werden Zamel en Flynn aan elkaar voorgesteld door de uit Iran afkomstige Amerikaanse zakenman Bijan Kian, die ik in deel 2 al noemde. Niet alleen omdat hij Flynn introduceerde aan de Nederlands-Turkse zakenman Ekim Alptekin, maar ook omdat de vermeende QAnon-grondlegger Thomas Schoenberger tijdens een rechtszitting verklaarde samen met Kian bij de voorbereiding van een Pentagon-operatie in Afghanistan betrokken te zijn geweest.

Vervolgens was er uiteraard de vraag of Schoenberger ook met Zamel in verband gebracht kon worden. Ik stelde daar vragen over aan Arturo Tafoya, een video-ontwerper die meewerkte aan het geheimzinnige internet-spel Cicada 3301, waar Schoenberger na verloop van tijd de macht over trachtte te grijpen. Tafoya leerde Schoenberger op die manier kennen. In mijn correspondentie met hem schreef Tafoya dat Thomas Schoenberger keywords van Psy Group had gebruikt voor de Cicada-puzzel uit 2017. Tafoya schreef verder: ‘I think that’s weird, not much information has come out, and also internally they were blaming each other of being ops’ (…) I mean he used the same keywords and the meaning was the same.’ Tafoya schreef daarnaast dat Schoenberger volgens hem op Black Cube ‘probeerde te lijken.’

Volgens Dan Morrison onderhield Schoenberger ook contact met Eric Prince. Bewijzen daarvoor noemde Morrison niet, dus vroeg ik het wederom aan Arturo Tafoya. Hij bevestigde wat Morrison schreef: ‘I got emails of Thomas saying he knows Eric Prince and what he’s doing.’

Omgekeerd had Schoenberger rond dezelfde tijd ook iets over Tafoya te melden. Hij schreef op Twitter dat Tafoya door Psy Group-baas Joel Zamel werd betaald. Toen ik daar bij het anti-Q-netwerk melding van maakte, werd daar hard om gelachen. Het viel te verwachten, aan mijn correspondentie met Schoenberger had ik zelf ook al de conclusie verbonden dat de man alles omdraait.

Corsi/Steele

Waar gezien de link met Israël niet aan voorbijgegaan mag worden zijn de tegenstrijdige geluiden in Q-gerelateerde kringen over dit land. In augustus 2016 ontving de Republikeinse lobbyist en vertrouweling van Trump Roger Stone het volgende bericht: ‘Roger, hello from Jerusalem. Any progress? He is going to be defeated unless we intervene.’ De gesprekspartner van Stone bleef onbekend, maar dezelfde persoon informeerde hem later dat hij in Rome een gesprek had met ‘een premier.’ Opvallend genoeg was de Israëlische premier Benjamin Netanyahu op dat moment in Rome. Een FBI-onderzoek wees verder uit dat Stone met medewerkers had overlegd over Israëlische steun voor Trump in de vorm van (wederom) belastende informatie over Hillary Clinton. Later in augustus schreef Stone’s connectie, de met de harde kern van QAnon in verband gebrachte Jerome Corsi, hem een bericht met de volgende zin: ‘What if anything Israel plans to do in Oct.’

In deel 1 schreef ik dat Corsi in de jaren negentig samenwerkte met de pro-Israëlische B’nai B’rith broederschap in de VS. In 2009 verscheen zijn boek Why Israel can’t wait, waarin Corsi zich leek te verheugen op een Israëlische aanval op Iran. Kortom, Corsi lijkt Israël een warm hart toe te dragen. En dat valt op, want regel binnen de harde kern van QAnon is dat zeker niet.

Neem Robert David Steele, de voormalige CIA-medewerker en complotdwaas die ik in zowel deel 1 en 2 noemde ik als verspreider van complottheorieën over ritueel misbruik en als chief counsel van het door New Age-leider Sacha Stone opgerichte International Tribunal of Natural Justice (ITNJ). Het anti-Q-netwerk kent een afgetekende positie toe aan Steele bij het ontstaan van de Q-beweging.

Hoewel beiden met QAnon worden geassocieerd is Steele in tegenstelling tot Corsi sterk gekant tegen Israël. Hij laat zich daarover zelfs interviewen door media in Iran. Zo sprak Steele tegenover de Teheran Times de verwachting uit dat Israël tegen 2022 verdwenen zal zijn. Verder is hij ervan overtuigd dat de Mossad de wereld controleert door politici te compromitteren via een internationaal pedofilie-netwerk. Het eveneens Iraanse nieuwsagentschap Tasnim News liet hij het volgende weten: ʻI believe that Merkel and Macron specifically are Satanic pedophiles obedient to the Rothschilds and the agents of the Rothchilds, the Satanic pedophile House of Lords in the UK, and the administration of Benjamin Netanyahu in Zionist Israel.ʼ

Dahlan

De in dit artikel centraal staande ontmoeting van augustus 2016 tussen Jared Kushner, Donald jr, Eric Prince, George Nader en Joel Zamel was een indicatie voor de bereidwilligheid van Saoedi-Arabië (SA), de VAE en waarschijnlijk ook Israël, om strategieën te steunen die tot het presidentschap van Trump moesten leiden. Het antwoord op de vraag waarom deze landen zich aan Trumps kant schaarden schuilt in de overlapping tussen de belangen van genoemde landen. Een daarvan is een gemeenschappelijke haat ten aanzien van de Moslimbroederschap, waar ook Hamas in Gaza en de in Turkije regerende Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (AKP) toe worden gerekend.

Een belangrijke naam in dit verband is die van Mohammed Dahlan. Deze Palestijnse zakenman kent niet alleen een dubieuze reputatie als adviseur van kroonprins MBZ, maar ook vanwege zijn banden met de Mossad. En daar houdt het niet op, want de president van de Palestijnse Autoriteit Mahmoud Abbas beschuldigde hem ervan PLO-oprichter Yasser Arafat te hebben vermoord.

Dahlan heeft een gloeiende hekel aan de Moslimbroederschap. Niet alleen aan Hamas, maar ook aan andere takken van deze islamitische beweging, waaronder die in Egypte en Turkije. Omgekeerd staat hij in Turkije centraal in een theorie waarin de VAE en de beweging rond de Turkse geestelijke Fethullah Gülen in een samenzwering verwikkeld waren die tot de couppoging in Turkije van 2016 leidde. Om die reden loofde de Turkse regering in 2019 een bedrag van $700.000 uit voor informatie die tot de arrestatie van Dahlan leidt.

In 2017 had Dahlan nog geen last van de prijs op zijn hoofd, waardoor hij dat jaar onbezorgd in het gevolg van MBZ naar de Seychellen kon vliegen voor de eerder beschreven ontmoeting tussen Eric Prince, George Nader en de aan het Kremlin verbonden Rus Kirill Dmitriev. Dahlan zal er geen moeite mee hebben gehad om met Dmitriev te communiceren, want hij spreekt vloeiend Russisch. Handig, aangezien hij beschouwd wordt als een belangrijke schakel in de betrekkingen tussen de VAE en Moskou. Wat daarbij ook goed uitkomt is dat hij niet onbekend is met Vladimir Poetin.

De aanwezigheid van Dahlan lag nogal gevoelig voor Eric Prince. Toen hij onder ede verklaringen aflegde bij het House Intelligence Committee over de ontmoeting op de Seychellen hield hij de kaken in ieder geval stijf op elkaar over Dahlan. Verder loog Prince dat het gedrukt stond. Hij ging zo ver contacten met Trumps team te ontkennen, maar vergat daarbij onder meer de ontmoeting van augustus 2016 met onder andere Kushner en Donald jr.

Kernmacht

De Moslimbroederschap, Saoedi-Arabië, de VAE en Israël delen nog een andere aversie: die tegen Iran. Met de Russische steun aan de Syrische president Assad kunnen Riyad, Dubai en Jeruzalem nog enigszins leven, maar dat Moskou in Syrië een rol toestond aan Teheran is hier uit de aard van de zaak een steen des aanstoots. Voor Saoedi-Arabië, de VAE en Israël zou het dus een goede zaak zijn wanneer Rusland ertoe bewogen kan worden zich van Iran te distantiëren.

Saoedi-Arabië en de VAE hebben nog iets anders gemeen, want beide landen hebben de ambitie een kernmacht te worden. Bovendien wil men daar niet alleen overgaan op kernenergie, maar ook zelf uranium verrijken. Met op de achtergrond uiteraard de mogelijkheid over kernwapens te kunnen beschikken.

Israël, dat zelf al sinds de jaren zestig over kernwapens beschikt, maakte geen bezwaar kenbaar tegen nucleair wapentuig voor Saoedi-Arabië en de VAE. Verklaarbaar, want zo kon Iran vanuit drie locaties onder nucleaire druk worden gezet. En wanneer de kroonprinsen MBS en MBZ het eventueel in hun hoofd zouden halen om Iran met kernwapens te bestoken, dan zou men in Israël geriefelijk de handen in onschuld kunnen wassen.

Saoedi-Arabië en de VAE hadden verschillende opties om nucleaire technologie in huis te halen, waarvan Rusland er een was. In Moskou bestond daar zeker interesse in. Als Russische ondernemingen goed zouden kunnen verdienen aan de aanleg van kernreactoren in beide landen werd dat als een aardige opsteker beschouwd. Zolang Rusland onder sancties van de VS viel was Russische kerntechnologie voor de Amerikaanse bondgenoten Saoedi-Arabië en de VAE echter ondenkbaar. Naast de door Moskou gesanctioneerde rol van Iran in Syrië ontstond dus nog een reden waarom naar het opheffen van die sancties werd gestreefd.

Het was onvoorstelbaar dat de Democraat Barack Obama een einde zou maken aan de sancties, en hetzelfde werd verwacht van zijn eventuele opvolgster Hillary Clinton. In Trump werden echter mogelijkheden gezien; met hem als president werd de kans op een einde van de sancties een stuk hoger ingeschat. Trump had banden met Moskou, dat wisten de Saoedi’s en de Emirati (en ook de Israëliʼs) heel goed. Zoals ze ook wisten dat Trump vaak om geld verlegen zat. Er was dus een basis om bij hem te lobbyen voor een einde van de sancties.

De initiatiefnemers van deze lobby, die vanaf augustus 2016 aan de slag gingen, waren de investeerder en adviseur van Trumps campagneteam Tom Barrack, de assistent-campagnechef van Trump Rick Gates, de van het Iran-Contra-schandaal beruchte national security advisor van Ronald Reagan Robert McFarlane en niemand anders dan de latere QAnon-voorman Michael Flynn. Tegen de tijd van Trumps inauguratie begon Flynn erin te geloven dat de nieuwe president een einde kon maken aan de sancties tegen Rusland.

Khashoggi

Bij de relaties tussen Saoedi-Arabië en de VS onder Trump was een speciale rol weggelegd voor schoonzoon Jared Kushner. Hij raakte bevriend met MBS en voorzag de kroonprins van Saoedi-Arabië van informatie waar hij zonder toestemming van Trump niet over had kunnen beschikken. MBS had Kushner in his pocket, zo schepte hij op. De door Kushner geleverde informatie kwam voor hem als een geschenk van Allah, want die was uiterst bruikbaar voor het afrekenen met binnenlandse lastpakken.

Tot die lastpakken behoorde de journalist Jamal Khashoggi. Hij sympathiseerde niet alleen met de Moslimbroederschap, maar had ook kritiek op Trump. Het is om laatstgenoemde reden dat Khashoggi in 2016 een publicatieverbod opgelegd kreeg in Saoedi-Arabië. In 2018 werd definitief met de uitgeweken Khashoggi afgerekend, nadat MBS hem met behulp van ‘Pegasus’-software, geleverd door de Israëlische NSO Group, had laten bespioneren. Daar maakten de spooks van MBS vaker gebruik van. Zo werd NSO door de VN genoemd in verband met de hack door MBS van de mobiele telefoon van Amazon-baas Jeff Bezos (hoewel er eerder zeker al het een en ander bekend was over de praktijken van NSO barstte de bom rond deze schimmige onderneming pas echt in de zomer van 2021).

Op 2 oktober 2018 sneed een groep slagers uit Saoedi-Arabië Khashoggi in het consulaat van Saoedi-Arabië te Istanbul vakkundig aan stukjes. Een van de architecten van deze operatie was generaal Ahmad Asiri, een vertrouweling van MBS. Asiri had in januari 2017 een ontmoeting met Psy Group-baas Joel Zamel, Michael Flynn, George Nader en Steve Bannon, de strateeg van Trump die tot de directie van Cambridge Analytica toetrad. Regime change in Iran was het gespreksonderwerp tijdens de ontmoeting met Asiri.

Saoedi-Arabië en de VAE gaan nucleair

Het plan van Flynn en trawanten om Saoedi-Arabië en de VAE via een einde van de Amerikaanse boycot tegen Rusland van nucleaire technologie van Russische makelij te voorzien kreeg geen succesvol vervolg. Zoals de geschiedenis heeft geleerd kwam aan die boycot geen einde gedurende vier jaar Trump. Het collusion-onderzoek door special counsel Robert Mueller was daar debet aan. Onder die omstandigheden werd een einde van de boycot tegen Rusland onverkoopbaar voor Trump.

Tijdens een tweede ambtsperiode voor Trump waren er wat dat betreft wellicht nieuwe mogelijkheden ontstaan, maar ondertussen gingen Saoedi-Arabië en de VAE verder op het nucleaire pad dat ze al eerder waren ingeslagen. De VAE gingen in zee met een nucleaire onderneming uit Zuid-Korea, met als resultaat dat op 6 april 2021 de eerste nucleaire krachtcentrale van een Arabisch land operationeel werd. Naar verwachting zullen daar later dit jaar nog drie kernreactoren aan toegevoegd worden. In de westerse media bestond daar nauwelijks aandacht voor. Merkwaardig, want een nucleaire VAE kan een kernwapenwedloop in de regio alleen maar verder naderbij brengen en dat staat zeker niet op het verlanglijstje van de EU en de VS.

Saoedi-Arabië heeft zijn nucleaire project evenmin geschrapt. Het verschil is dat de VAE betrekkelijk open zijn over hun nucleaire beleid, terwijl Saoedi-Arabië daar naar Israëlisch voorbeeld erg vaag over is. Zo staan de Saoedi’s evenmin als Israël inspecties toe door het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA). Volgens The Guardian beschikt Saoedi-Arabië nu echter al over voldoende uranium om tot kernenergie over te gaan. Verder stond Trumps regering de levering toe van nucleaire technologie door Amerikaanse ondernemingen aan het land van MBS. Een Amerikaanse onderneming die veel interesse toonde om daarbij betrokken te zijn is IP3International, dat de later binnen de Q-gemeenschap zo gewaardeerde Michael Flynn als adviseur aantrok (2).

Officieel stellen de VS geen kerntechnologie te leveren aan landen waarover het vermoeden bestaat dat ze plannen hebben om kernwapens te ontwikkelen, maar Saoedi-Arabië kreeg het toch voor elkaar. Terwijl kroonprins MBS er niet omheen draait dat Saoedi-Arabië snel zal volgen als Iran overgaat tot het produceren van een kernwapen. Dat verklaarde hij in ieder geval tegenover het Amerikaanse tv-kanaal CBS.

Een Saoedi-Arabië dat niet alleen over kernenergie beschikt maar ook over kernwapens behoort dus tot de mogelijkheden, wat een ronduit angstwekkende gedachte is. Een atoombom toestaan aan een leider van een dictatuur die er niet voor terugschrikt om nagenoeg voor het oog van de wereld een criticus aan stukken te laten hakken, is vergelijkbaar met een geladen machinegeweer in de handen van een kleuter. Een nucleair Saoedi-Arabië lijkt dan ook nauwelijks minder gevaarlijk dan een atoombom voor Iran. Maar terwijl de wereld zeer bevreesd is voor de nucleaire plannen van Iran, kan men zich om die van Saoedi-Arabië nauwelijks bekommeren. Het ligt er maar aan wie bondgenoot is van Israël…

Salvator Mundi

Psy Group-baas Joel Zamel, de kroonprinsen van Saoedi-Arabië en de VAE, Trump en de Russische oligarch Dmitry Rybolovlev kwamen naar voren in een nogal kolderieke geschiedenis die hier ook niet mag ontbreken: de geschiedenis rond de veiling van het aan Leonardo Da Vinci toegeschreven schilderij Salvator Mundi.

De in Vladimir Poetins omgeving bekende Rybolovlev was eigenaar van Uralkali, een producent van potas, een goedje dat gebruikt wordt voor kunstmest en waar goed aan te verdienen valt. Rybolovlevs aandeelhouder in Uralkali, Dmitry Mazepin, kon daardoor een Formule 1-team aanschaffen om zijn niet bijster getalenteerde zoontje Nikita Lewis Hamilton en Max Verstappen in de weg te laten rijden.

Rybolovlev vond andere bestemmingen voor zijn vermogen. Hij kocht een peperdure villa in Monaco, alsmede het voetbalteam van het prinsdom. Daarnaast verwierf hij een aandeel van tien procent in de bank van Cyprus, het eiland dat zich zo goed leent voor obscure financiële praktijken.

In 2006 kocht Rybolovlev een villa en een bijbehorend stuk land in het Amerikaanse Palm Beach. De verkoper was Donald Trump, die weer eens om geld zat te springen. Trump had het onroerend goed vier jaar eerder voor 41 miljoen dollar aangeschaft, maar hij ontving er van Rybolovlev de lieve som van 95 miljoen dollar voor. Liefst 54 miljoen winst dus voor Trump en dat viel op, onder meer bij collusion-onderzoeker Robert Mueller. De indruk dat Trump via deze constructie door Moskou uit de brand werd geholpen was snel gewekt.

Rybolovlev is een kunstliefhebber. Althans, hij investeert in kunst, al gaat hij daarbij niet altijd even handig te werk. Zo liet hij zich aardig beetnemen door de Zwitserse kunsthandelaar Yves Bouvier, van wie later bleek dat hij bij een transactie niet alleen de koper vertegenwoordigde, maar ook de verkoper, waardoor hij stevige bedragen kon wegschuiven.

Een van de kunstwerken die Rybolovlev via Bouvier in handen kreeg was Salvator Mundi van Leonardo Da Vinci. Enerzijds staat dit schilderij hoog aangeschreven binnen Da Vinci’s oeuvre. Het wordt niet alleen beschouwd als de mannelijke variant van zijn Mona Lisa, maar ook als hommage aan zijn andere meesterwerk, Het Laatste Avondmaal. Om deze redenen spreekt het schilderij bij velen tot de verbeelding.

Tegenover de indruk dat het schilderij maakt staan de twijfels over de authenticiteit ervan. Specialisten zijn het daar niet over eens. Het zou door een leerling van Da Vinci zijn geschilderd, of zo zwaar zijn gerestaureerd dat het weinig meer met het oorspronkelijke schilderij van doen heeft. In 2012 exposeerde de Britse National Gallery het werk echter als authentiek.

Destijds werd de waarde van Salvator Mundi geschat op 80 miljoen dollar. Toen Ryblovlev het een jaar later kocht betaalde hij er echter 127,5 miljoen dollar voor aan Bouvier, die zo veel meer opstreek dan de twee procent commissie die hij officieel zou ontvangen. Rybolovlev voelde zich opgelicht en begon een slepend proces tegen Bouvier. Ondertussen hing Salvator Mundi in het penthouse te New York van de Russische oligarch. Vier jaar later wilde hij er echter weer vanaf en bood het aan bij het veilinghuis Christie’s. Daar werd aangenomen dat het werk ongeveer op kon brengen wat Rybolovlev ervoor betaald had. Het bracht echter aanmerkelijk meer op, want het werd afgehamerd op 400 miljoen dollar. Inclusief de commissie voor Christie’s kwam dat neer op ruim 450 miljoen dollar. Niet alleen voor de kunsthandel, maar ook daarbuiten was de sensatie compleet. Nooit eerder ging een kunstwerk voor zoveel geld van de hand op een veiling.

Uiteraard klonk de vraag wie de koper was. Die werd geïdentificeerd als de uit Saoedi-Arabië afkomstige prins Badr bin Abdullah. Hetzelfde jaar werd echter duidelijk dat Badr als vertegenwoordiger optrad voor kroonprins MBS van Saoedi-Arabië. Die had er het geld voor, zoveel staat vast, ook al is 450 miljoen zelfs voor MBS geen bedrag dat hij in de zak van zijn thobe-gewaadheeft zitten. En dat voor een schilderij waarvan de echtheid betwist wordt.

De identiteit van de tegenbieder bleef langer onbekend, maar uiteindelijk bleek dat kroonprins MBZ te zijn, de collega van MBS uit de Emiraten. Gezien de prima verstandhouding tussen beide kroonprinsen kon hier onmogelijk sprake zijn van toeval. Met andere woorden: beide heren deden hun best om de winst die Rybolovlev zou ontvangen op de gewenste hoogte te krijgen en bij 400 miljoen dollar vonden ze het kennelijk mooi.

Met de verkoop van Salvator Mundi kwam nog geen einde aan de gekkigheden rond het schilderij. Zo heerste alom verbijstering toen bleek dat het vermist was, al wordt. tegenwoordig aangenomen dat het zich op een jacht van MBS bevindt. Maar de grote vraag is wat er met de door MBS betaalde miljoenen gebeurde. Waren MBS en MBZ zo gesteld op Rybolovlev dat ze hem 300 miljoen dollar winst gunden, of had een deel van het bedrag een andere bestemming?

De eerdergenoemde Amerikaanse publicist Zev Shalev suggereert in een artikel over de verwikkelingen rond Salvator Mundi dat de opbrengst uit de verkoop van het schilderij (deels) terechtkwam bij Psy Group-baas Joel Zamel. Of beter, bij het door Zamel bedachte project om de campagne van Trump te steunen via Psy Ops op sociale media, waarbij dan zowel aan Cambridge Analytica en QAnon gedacht kan worden.

Bewijzen doet Shalev zijn stelling echter niet. Hij constateert dat Zamels Psy Group weliswaar gevestigd is in Israël, maar geregistreerd staat op Cyprus, waar Rybolovlev zoals eerder gesteld tien procent van de nationale bank in handen kreeg. Hier zijn dus nog wel wat punten te verbinden, al blijft het interessant dat onderzoeker Robert Mueller FBI-agenten naar Israël stuurde om te zien hoe het zat met stortingen bij de bank van Cyprus op de rekening van Zamel. Even interessant zijn de aanwijzingen dat Rybolovlev en Trump kort voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016 nog contact onderhielden. Beiden spraken dat tegen, maar feit blijft dat de privévliegtuigen van Trump en Ryoblovlev rond die tijd zowel in Las Vegas als Charlotte naast elkaar geparkeerd stonden.

Hiermee zijn we er echter nog niet. Salvator Mundi speelt namelijk ook een rol in het in deel 1 geïntroduceerde mysterieuze internetspel Cicada 3301. Uitgangspunt was dat het schilderij de sleutel bevatte tot de oplossing van de puzzel die verstopt was in het waarschijnlijk meest gecompliceerde onderdeel van het Cicada-spel: het in een onbekend runenschrift geschreven boek Liber Primus.

Thomas Schoenberger, die trachtte Cicada voor zijn eigen doeleinden weg te kapen, leverde informatie over de verborgen informatie in Salvator Mundi voor een video op YouTube. Verder plaatste hij een merkwaardig artikel over het schilderij op zijn website en wijdde hij er een stuk muziek aan. In Cicada-kringen meent men dat Schoenberger langs deze wegen zijn aandeel had in het creëren van een mythe rond Salvator Mundi.

Al Waleed

Nadat Trump eenmaal president was geworden, voerde zijn eerste buitenlandse reis hem naar Saoedi-Arabië, waar hij het prima kon vinden met MBS en tussen de bedrijven door een contract voor de leverantie van wapens tekende ter waarde van 350 miljard dollar.

Je zou dus verwachten dat de Q Clearance Patriot, de anonieme schrijver van de Q Drops die Trump tot Messias verklaarde, geen problemen had met Saoedi-Arabië. Zo eenvoudig ligt het echter niet. Q oordeelde dat de wereld wordt gecontroleerd door drie families: de familie Rothschild, de familie Soros en de familie Saud. In de praktijk had Q het echter op slechts één telg van de laatstgenoemde familie gemunt, Prins Al Waleed bin Talal Al Saud. Q noemde het uitschakelen van deze ondernemer, investeerder en filantroop de sleutel in de strijd tegen de Diepe Staat, de veronderstelde structuur van Trumps vijanden binnen de politiek, media, strijdkrachten en andere staatsorganisaties.

Er is veel over Al Waleed geschreven. Zelf viel me in 2016 op dat hij na de mislukte staatsgreep in Turkije van dat jaar tot de eersten behoorde die medeleven kenbaar maakte aan de Turkse president Erdogan. De Erdogan-gezinde media deden daar zonder enige kritische kanttekening verslag van. Opvallend, want er kan zeker een verband worden gelegd tussen Al Waleed en de geestelijke Fethullah Gülen, die volgens Erdogan het brein was achter de couppoging. Al Waleed doneerde miljoenen aan de Amerikaanse Georgetown Universiteit, waar een faculteit naar hem werd vernoemd: het Prince Al Waleed bin Talal Center for Christian-Muslim understanding. Rond de tijd van de mislukte staatsgreep sympathiseerden diverse betrokkenen aldaar met Gülen.

Begin november 2017 had Al Waleed contact met Jamal Khashoggi, die een jaar later vermoord zou worden. Hij zou de uitgeweken Khashoggi toen verzocht hebben om naar Saoedi-Arabië terug te keren, om daar mee te werken aan ‘de visie’ van de kroonprins op de toekomst van het land. Al Waleed en Khashoggi waren dan ook geen onbekenden van elkaar. Ze troffen elkaar ook bij officiële ontmoetingen, waaronder een met Erdogan.

Op 4 november 2017 behoorde Al Waleed tot de Saoedi’s die in opdracht van kroonprins MBS op beschuldiging van corruptie werden gearresteerd en vastgehouden in het Ritz-Carlton hotel van Riyad. Het kostte Al Waleed een lieve som om weer vrij te komen. Kort nadat hij door MBS werd opgesloten in een luxe hotelkamer, verkocht Al Waleed zijn zes procent aandeel in de filmmaatschappij Warner Bros. Dat was een fikse tegenslag voor zijn vriend en medeaandeelhouder, de mediamagnaat Rupert Murdoch, die Al Waleed goed kon gebruiken binnen Warner Bros. Murdoch had als investeerder overigens alles te maken met het ontstaan van het pro-Trump kanaal Fox News.

Aanvankelijk waren er geen problemen in de verhoudingen tussen Al Waleed en Trump. In 1991 was Al Waleed zo vriendelijk een jacht van Trump te kopen (dat figureerde in een James Bond -film en ooit in bezit was van de wapenhandelaar Adnan Khashoggi, de oom van de vermoorde Jamal,) toen de latere president weer eens krap zat. Nadat Trump in de aanloop naar de verkiezingen van 2016 had gezegd de immigratiemogelijkheden voor moslims te zullen beperken keerde Al Waleed zich echter volledig tegen hem. Dat Trump zich op de vlakte hield na de arrestatie van Al Waleed in Saoedi-Arabië verraste dus geenszins. Dat Q Al Waleed met de vijanden van Trump in de Diepe Staat associeerde evenmin.

Al Waleed kreeg binnen Q-kringen een rol in een complottheorie rond de Las Vegas shooting van 1 oktober 2017, de dodelijkste schietpartij in de Amerikaanse geschiedenis. De verdieping van het Mandalay Hotel in Las Vegas waar schutter Stephen Paddock zestig dodelijk schoten loste was in bezit van een onderneming waarin Al Waleed een meerderheidsaandeel had. Dit werd als bewijs genoemd voor de stelling dat het niet zomaar een schietpartij was, maar een mislukte aanslag waarvan kroonprins MBS het doelwit was. MBS was die dag echter niet in Las Vegas. Bovendien zou de sheriff van Las Vegas tien maanden later verklaren dat uit het onderzoek geen aanwijzingen over een samenzwering achter de schietpartij naar voren waren gekomen.

Paul Furbes, de in deel 1 genoemde Zuid-Afrikaan die tot de eerste verspreiders van de Q Drops behoorde, hield vol dat Q de gebeurtenissen in Saoedi-Arabië had ‘voorspelde’. Waar Furbes aan refereerde was de eerste Q Drop, waarin Q voorzag dat Hillary Clinton gearresteerd zou worden in een operatie waarin naast de U.S. Marines ook de National Guard betrokken zou zijn. Dat Al Waleed een week later door de nationale garde van Saoedi-Arabië werd aangehouden, overtuigde Furbes ervan dat Q het zeven dagen eerder al had voorspeld. Dat Q niet over de nationale garde van Saoedi-Arabië schreef, maar over die van de VS, kon Furbes niet van zijn stuk brengen. Dit is kenmerkend voor de Q-gemeenschap in de VS en ver daarbuiten: het tot bewijs verheffen van non-bewijs behoort daar tot het vaste repertoire.

Hoe dan ook, er gebeurde in ieder geval íets, kort na een voorspelling in een Q Drop, en dat mocht uitzonderlijk heten. Die eerste Q Drop was echter al even uitzonderlijk. Die was namelijk niet afkomstig van Q, maar van het mysterieuze internetspel Cicada 3301. Of nog preciezer, van Thomas Schoenberger.

Die eerste Q Drop volgde uit de een half jaar eerder door Cicada-medewerker Richard Miller (Z) en Schoenberger ontworpen ‘Q puzzle.’ In het najaar van 2021 was Schoenberger hier opmerkelijk duidelijk over op Twitter: ‘Richard and I did a Q puzzle piece in April 2017, well before the Q psyop began.’ ‘I think we made history,’ schreef hij verder. Het verhaal werd bevestigd in een video die ik uit de richting van het anti-Q-netwerk ontving. Daarin had de in deel 2 beschreven acteur Isaac Kappy een gesprek met Titus Frost, een vriend van Schoenberger. Ook Frost noemde Cicada als bron van de eerste Q Drop.

Vervolgens wordt het echter pas echt bizar, want in Cicada-kringen wordt gesproken over een ‘prophecy’ van Schoenberger waarin hij de gebeurtenissen in Saoedi-Arabië een half jaar later voorzag. Nuchter beschouwd leidt dit tot de vraag hoe Schoenberger over dergelijke informatie kon beschikken.

Het post-Q-tijdperk

Tot zover de internationale context op de achtergrond waarvan QAnon ontstond. Bij het verschijnen van deze laatste aflevering van mijn drieluik over dit onderwerp ligt de dag waarop Q zijn laatste Drop op 8chan plaatste bijna een jaar achter ons. Hetzelfde geldt voor het presidentschap van Donald Trump, de grote verlosser van de Q-sekte (de ‘lichtwerker’ noemen ze hem daar). Veel extatische Trump-aanhangers lieten de letter Q voortaan ook thuis op bijeenkomsten.

Hier wordt vaak de conclusie aan verbonden dat de QAnon-beweging tot het verleden behoort. Niets is echter minder waar. Dat bleek toen begin november 2021 een groep Q-freaks zich op Dealey Plaza in Dallas verzamelde om daar JFK jr. te verwelkomen. De zoon van John F. Kennedy zou er vervolgens voor zorgen dat Trump opnieuw als president geïnstalleerd ging worden, zo verwachtte men. Het gebeurde uiteraard niet, en was ook erg lastig geweest, aangezien JFK jr. in 1999 om het leven kwam bij een vliegtuigongeluk. Maar Q had het nu eenmaal voorspeld.

Verder komt uit in mei jl. gepresenteerde cijfers naar voren dat twintig procent van de Amerikanen nog altijd onder de indruk is van de door Q verkondigde complottheorieën. Daar staat tegenover dat een verschuiving onmiskenbaar herkenbaar is. In deel 1 schreef ik al te verwachten dat de beweging door een transformatie heen zou gaan, en nu het post-Q-tijdperk zich verder ontplooit zie ik daar de bevestiging van.

Meer dan andere extreemrechtse stromingen in de VS ontwikkelt QAnon 2.0 zich tot een politieke factor. Diverse sekteleden lopen zich warm om op verschillende niveaus de Amerikaanse politiek te betreden. Bovendien heeft Q’s erfenis duidelijk invloed op de Republikeinse Partij, waar een complex aan complottheorieën in toenemende mate de basis van wordt.

Republikeinen waren altijd al erg rechts, maar onder invloed van de Q-factor stevent hun partij nu af op een regelrechte extreemrechtse identiteit. De pogingen van Republikeinse politici in diverse staten om de zwarte gemeenschap zoveel mogelijk uit te sluiten van het democratische proces zijn hemeltergend. Hoe rechts de Grand Old Party vroeger ook mag zijn geweest, vóór de heropleving van extreemrechts en de opkomst van QAnon was dit onvoorstelbaar geweest.

Mid Term Elections

Hoewel Trump nooit heeft toegegeven dat de verkiezingen van 2020 legaal waren en hij dus langs geheel democratische weg verloor, richt hij de blik ook al op 2024, het jaar waarin de Amerikanen de opvolger van Joe Biden zullen kiezen. Het is zeker voorstelbaar dat die opvolger geen Democraat gaat worden. Het klinkt paradoxaal, maar daarvoor hoeft zelfs niet eens door een Republikein gewonnen te worden…

De aan het begin van dit artikel al genoemde historicus Timothy Snyder kwam tot een interessant scenario. De Mid Term Elections, die voor 8 november 2022 zijn uitgeschreven en waarbij onder meer de leden van het Huis van Afgevaardigden gekozen zullen worden, staan daarin centraal. Amerikaanse stemmers zijn voorspelbaar wat betreft de Mid Term Elections. Betrekt een Republikein het Witte Huis, dan volgt over het algemeen twee jaar later een Democratische meerderheid in het Huis van Afgevaardigden. Ook onder Trump gebeurde dat. Omgekeerd moet een Democratische president na twee jaar rekening houden met een Republikeinse meerderheid in het Huis. Deze karaktertrek van de Amerikaanse politiek is vaak van doorslaggevend belang. Dat Trump er niet in slaagde om de uitslag van de verkiezingen succesvol aan te vechten kwam niet in de laatste plaats omdat hem de steun ontbrak van een meerderheid aan volksvertegenwoordigers.

Dus stel je voor wat er gebeurt wanneer de verkiezingen in 2024 door een Democratische kandidaat gewonnen worden. De verliezende Republikeinse kandidaat kan dan de verkiezingen aanvechten, maar wordt daarbij in tegenstelling tot Trump wél gesteund door een Republikeinse meerderheid in het Huis. Timothy Snyder houdt er terdege rekening mee dat het zo loopt en benadrukt dat het einde van de democratie in de VS daarmee een feit zal zijn.

Maras-Lindeman

Wat Trump en zijn medestanders The Steal noemen, oftewel de complottheorie waarin hij verloor vanwege onregelmatigheden tijdens de verkiezingen, lijkt nu voorop te staan voor complotdenkers die een jaar geleden nog naarstig uitkeken naar de volgende Q Drop.

In verband met The Steal duiken nieuwe namen op, zoals die van Terpsichore Maras-Lindeman, een dame die onder het pseudoniem ToriSays actief is op sociale media. Eerder was ze al bekend als Q grifter, maar recentelijk is haar populariteit gegroeid. Niet alleen door haar claim dat de Democraten de verkiezingen van 2020 wisten te manipuleren met het verlies van Trump als gevolg, maar vooral ook vanwege haar campagne om rechtszaken te beginnen tegen Democratische politici die op bestuursposten terecht zijn gekomen.

De stemmachines die bij Amerikaanse verkiezingen worden gebruikt deugen niet volgens Maras-Lindeman, wat volgens haar tot het verlies van de Republikeinen heeft geleid. De rechtszaken die ze daarover begon zijn vooralsnog echter geen groot succes gebleken, simpelweg omdat ze geen harde bewijzen kon produceren. Toch krijgt ze veel donaties van volgers om die rechtszaken mogelijk te maken. En niet alleen voor rechtszaken, want toen mevrouw een nieuwe Tesla-vierwieler op haar verlanglijstje had staan, werd daar ook grif voor gedoneerd. De Q Drops mogen dan niet meer verschijnen, het uitmelken van sekteleden vindt onverminderd voortgang.

Overigens stelt Terpsichore Maras-Lindeman dat ze door de tijd kan reizen. Dat klinkt absurd, maar binnen de kringen waarin ze zich manifesteert is dat niets uitzonderlijks. Daar is menigeen er ook aan gewend geraakt om Q-achtige fantasieën te verbinden aan veronderstellingen over buitenaardse intelligenties. Of zoals de publicist Daniel Morrison het stelde: The next iteration of Q will be Arcturian and Pleiadian Aliens from the Galactic Federation and Council of Light. We need to prepare for large volumes of people receiving propaganda they genuinely believe to be communications from their Galactic Family & acting on their command.’ (3)

In Nederland kennen we die mix van geraaskal over aliens en complottheorieën uit de Q-keuken natuurlijk ook, want hier hebben we de ‘graancirkeldeskundige’ Janet Ossebaard. Daarnaast zijn er de grifters van Nederlandse bodem die aanzetten tot het bedreigen van RIVM-baas Jaap van Dissel. Een van hen verklaarde tijdens een rechtszitting dat Trump en Poetin een tribunaal in Nederland zullen initiëren waarbij pedofiele satanisten en hun helpers (waaronder de advocaat van de tegenpartij) ter dood zullen worden veroordeeld. Erg herkenbaar, want in de VS fantaseren de voormalige volgers van Q nog altijd zó lustig over massale executies van tegenstanders dat het wel een death cult lijkt.

Er zijn meer gelijkenissen. Zoals de donaties voor het YouTube-kanaal dat fact free over Van Dissel stelde dat hij deel uitmaakt van een internationaal netwerk van pedofiele satanisten. Volstrekt marginaal zijn dergelijke groepen ook in Nederland zeker niet. Wanneer de aanhang ervan zich vertegenwoordigd voelt door een partij die bij de laatste verkiezingen acht zetels wist te behalen kan daar geen sprake meer van zijn.

Wat op 29 oktober 2017 begon met een bericht op een obscure website is de basis geworden van een wereldwijde beweging rond een op complottheorieën gebaseerde werkelijkheid. Het uitblijven van Q Drops verandert daar niets aan. Die waren niet meer dan het zetje dat nodig was om een voor onzin ontvankelijke meute zelf aan het fantaseren te laten slaan.

Zoals ik in deel 1 al aangaf, heeft QAnon grote gevolgen voor de samenleving gekregen. Deze beweging tast niet alleen de authenticiteit van de objectieve werkelijkheid aan, maar leidt ook tot verbroken familierelaties en vriendschappen. Aanvankelijk vooral in de VS, maar nadat Q via de coronapandemie mondiaal ging ook in de rest van de wereld. Zelf heb ik dat eveneens ervaren, want ik ben diverse vrienden kwijtgeraakt die zich door Q-gerelateerde complottheorieën lieten meeslepen en niet langer voor rede vatbaar waren. Deze persoonlijke ervaring versterkte mijn interesse in het fenomeen en inspireerde tot het onderzoek dat tot deze drie artikelen heeft geleid.

Een andere beweegreden tot het schrijven van deze artikelen was het eerdergenoemde gebrek aan aandacht in de media voor de oorsprong van QAnon. Dat geldt niet alleen voor de Europese media, maar ook voor die in de VS, terwijl je dat gezien de impact op de Amerikaanse samenleving nu juist wel zou verwachten. Het is veelzeggend dat betrokkenen van het anti-Q-netwerk in de VS Google Translate ter hand namen om beide eerdere delen van deze artikelenserie in het Engels te vertalen, nadat men daar eenmaal lucht van had gekregen.

Voetnoten

  1. In zijn boek Mind f*ck schreef Christopher Wylie dat CA de Amerikaanse political consultant Sam Patten in dienst nam. Met die naam openbaren zich tal van connecties. Patten werkte samen met Konstantin Kilimnik, een voormalige agent van de Russische inlichtingendienst GRU, die informatie over opiniepeilingen in de VS ontving van Donald Trumps campagnechef Paul Manafort. Sam Patten en Konstantin Kilimnik werkten in Oekraïne voor Manafort, die in de VS tot een gevangenisstraf werd veroordeeld wegens illegale diensten aan de pro-Russische Oekraïense regering van Viktor Yanukovych (Trump zorgde er in de laatste maand van zijn presidentschap voor dat Manafort amnestie kreeg.) Manafort was sinds jaar en dag partner in de lobbyfirma van Roger Stone, de political lobbyist die het als zijn levenstaak was gaan zien om een president van Trump te maken. John Podesta, de campagnechef van Hillary Clinton in 2016, beschuldigde Stone van voorkennis over het lekken van Clintons emails door WikiLeaks – de emails die Julian Assange van de Russische hackersgroep Guccifer 2.0 ontving. Directe links met QAnon vallen eveneens op, want Stone’s social media-medewerker Jason Sullivan was nadrukkelijk betrokken bij het verspreiden van Q-Drops. Bovendien werd Stone een goede bekende van de eerder genoemde Jerome Corsi, de oudgediende complotdenker die een positie kende binnen de vroege QAnon-incrowd.
  1. Volgens een in oktober 2021 verschenen artikel in NRC Handelsblad ontving Flynn tussen 2014 en 2015 $200.000 van ACU Strategic Partners, de eerdere naam van IP3International. Dit bedrag was afkomstig van de Nederlandse onderneming Mammoet, waar men kennelijk de ambitie had om bij het nucleaire project in het Midden-Oosten betrokken te raken. Flynn ontving dus twee keer geld uit Nederland, want eerder betaalde de Inovo B.V. van de Turks-Nederlandse zakenman hem $530.000 om een lobby tegen de Turkse geestelijke Fethullah Gülen te beginnen. Desgevraagd liet Alptekin weten dat hij ‘terecht’ niet genoemd werd in het NRC-artikel, omdat hij de genoemde mensen niet kende. Dat klopt uiteraard niet helemaal, want Flynn kent hij wel degelijk. Overigens werd Mammoet ook al genoemd in een door Democratische leden van het Huis van Afgevaardigden opgestelde tijdlijn over Flynns plannen om Saoedi-Arabië en de Emiraten van kernenergie te voorzien. Daarin kwam een passage voor waarin een andere kennis van Ekim Alptekin naar voren kwam, de in deel 2 genoemde Bijan Kian: ʻOn September 20, 2016, Flynn met with Rep. Dana Rohrabacher, along with Flynn’s business partners, Bijan Kian and Brian McCauley, and General Flynn’s son. Rep. Rohrabacher confirmed that they discussed a plan advanced by Mr. Flynn late last year to build a series of nuclear power plants across the Middle East.ʼ
  1. Naarmate mijn onderzoek naar de oorsprong van QAnon vorderde begon ik me af te vragen of er rolmodellen denkbaar zijn voor Q. Ik bedoel eerdere anonieme bronnen van politieke voorspellingen. Er zijn er wellicht meer, maar ik noem er twee. De eerste heet John Titor, een naam die in 2000 en 2001 op bulletinboards verscheen. Titor beweerde, evenals genoemde Terpsichore Maras-Lindeman, door de tijd te kunnen reizen. Hij verklaarde uit 2036 te komen en terug in de tijd naar 1975 te zijn gereisd, om een IBM 5100 – een van de eerste portable computers – op te halen. Alleen met de programmatuur daarvan viel volgens Titor een computerprobleem te verhelpen waar de wereld rond 2038 mee zal kampen. Titor haakte daarmee in op de paniek rond de milleniumbug, voorafgaand aan 2000. Titor zei op de terugweg naar 2036 een tussenstop te hebben gemaakt in 2000. De voorspellingen die hij bij die gelegenheid deed, waaronder een over een burgeroorlog in de VS vanaf 2004, kwamen geen van allen uit, wat uiteraard aan Q doet denken. Vijf jaar later onthulde een hoax hunter de identiteit achter Titor als die van de entertainer Larry Haber en diens in cybertechnologie gespecialiseerde broer Richard. Verder kende Turkije Fuat Avni, eveneens een anonieme bron van politiek georiënteerde voorspellingen. Het verschil met de Q Clearance Patriot is dat de voorspellingen van Fuat Avni wél vaak uitkwamen. Wie er achter Fuat Avni schuilgaat – of schuilgaan – is nooit vast komen te staan. De kritiek op de regering in zijn berichten duidt echter op een connectie met de beweging rond imam Fethullah Gülen, de aartsvijand van president Erdogan. Opmerkelijk genoeg verwijst de oorsprong van het binnen de Q-gemeenschap vaak gehoorde begrip Deep State, waarmee zoals gesteld de oppositie tegen Trump binnen politiek, wetenschap, media, strijdkrachten en staatsinstanties wordt bedoeld, naar Turkije. Voordat Trump aan de macht kwam kenden de VS dat woord niet, maar Turkije wel. Daar werd er in de jaren negentig de structuur binnen de staat mee bedoeld die de onderdrukking van de Koerden als excuus gebruikte voor de grootschalige handel in heroïne.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Klimaat Politiek

Een klimaatplan voor een wereld in vlammen

Oorspronkelijke tekst (Engels, betaalmuur): Financial Times, 20 augustus 2021

fotografie: Sean Curtin

door Kim Stanley Robinson

Kim Stanley Robinson is science fiction-schrijver. Zijn The Ministry for the Future verschijnt volgend jaar in Nederlandse vertaling bij Starfish Books. De auteur zal in november spreken op de VN-klimaatconferentie COP26 in Glasgow.

De mensheid staat op de drempel van een ramp. Maar met creatief denken en collectieve wil hebben we misschien nog tijd om een catastrofe af te wenden.

Hoe voelt het om aan de vooravond te staan van een grote historische verandering? Het voelt als het nu. Dat klinkt natuurlijk hyperbolisch, en misschien zelfs paniekerig, maar ik denk dat het echt zo is. Niet dat een sciencefictionschrijver de toekomst beter kan zien dan wie dan ook; heel vaak juist slechter. Maar te midden van een pandemie, steeds sneller achter elkaar optredende extreme weersverschijnselen, en de opeenstapeling van gegevens en analyses uit de wetenschappelijke gemeenschap, is het een makkelijk verhaal geworden. Een paar weken geleden reden mijn vrouw en ik van oost naar west door de VS. In Wyoming stuitten we op een rookgordijn van bosbranden, zo dik dat we de bergen op een paar kilometer afstand aan weerszijden van de weg niet konden zien. Zo ging het vijftienhonderd kilometer lang. Toen kwamen we in Californië aan, net op tijd voor het laatste rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change van de VN, dat in minutieus detail de ware omvang van het klimaatprobleem documenteert. De mensheid staat nu niet alleen aan de vooravond van grote veranderingen, maar ook van een ramp. En omdat we die kunnen zien aankomen, even duidelijk als een zwarte storm aan de horizon, zullen onze pogingen om die ramp te vermijden en een gezonde relatie met ons enige thuis tot stand te brengen, enorme veranderingen teweegbrengen in onze gewoonten, wetten, instellingen en technologieën. Dit alles is nu zichtbaar voor ons. In tegenstelling tot de mensen die in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog leefden, zullen wij niet door catastrofes worden overvallen. De jaren twintig van deze eeuw zullen niet vol verrassingen zitten – behalve misschien als het gaat om de snelheid en de intensiteit van de veranderingen die op ons afkomen. Met zijn sfeer van onheilspellende voorgevoelens lijkt onze tijd meer op de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog, toen iedereen het gevoel had hulpeloos van een gladde helling af te glijden en van een klif af te storten.

Maar historische analogieën helpen ons slechts in beperkte mate om onze huidige situatie te begrijpen, aangezien we nooit eerder in staat zijn geweest onze eigen bestaansmiddelen te vernietigen. Wetenschappers hebben de naam Antropoceen bedacht om aan te geven dat dit moment in de geschiedenis ongekend is. Wij zijn met zovelen, onze technologieën zijn zó machtig en onze sociale systemen zijn zó achteloos ten aanzien van de gevolgen, dat onze schade aan de biosfeer van de aarde met verbluffende snelheid is toegenomen. Veel historici noemen de periode na de Tweede wereldoorlog de Grote Versnelling, en de schadelijke aspecten van de veranderingen die we in gang hebben gezet hebben een immense biologische en geofysische impuls gekregen. We kunnen niet gewoon onze diplomaten verzamelen en het afblazen, de vrede met de biosfeer uitroepen. Ook al hebben we dat wel gedaan, in 2015, met het verdrag van Parijs. Maar dat was een overeenkomst om een veranderingsproces op gang te brengen, dat we nu moeten naleven als het écht wat wil worden. We hebben namelijk afgesproken onze beschaving over de hele linie koolstofvrij te maken: bij de energieopwekking, het vervoer, de bouw – alles. Maar aangezien al deze activiteiten grotendeels door de verbranding van fossiele brandstoffen tot stand kwamen, is deze verandering een enorme uitdaging, vergelijkbaar met de mobilisaties in de twintigste eeuw om wereldoorlogen uit te vechten.

Of we dat soort intensieve inspanningen nu weer kunnen opbrengen, is een open vraag. Nog niet iedereen is ervan overtuigd dat zoʼn inspanning nodig is, en er zijn gevestigde belangen – niet alleen particulieren of bedrijven, maar ook veel van de machtigste landen op aarde – die er alles aan gelegen is fossiele brandstoffen te blijven verbranden. Het verdrag van Parijs zou dus kunnen eindigen als de Volkenbond, een leuk idee dat mislukte. Maar als we deze keer falen, kunnen de gevolgen nog veel erger zijn dan die van de grote oorlogen van de twintigste eeuw. Nogmaals, dit klinkt hyperbolisch, maar de feiten in de hand ondersteunen de gedachte, alarmerend als die is. We zitten in vreselijke problemen, maar niet iedereen is het daarmee eens; nooit zal iedereen het erover eens zijn, ook al komen de droogtes en de branden, de stormen en de overstromingen sneller dan ooit.

Ieder moment in de geschiedenis heeft zijn eigen ʻgevoelsstructuur,ʼ zoals de cultuurtheoreticus Raymond Williams het uitdrukte; deze verandert als er nieuwe dingen gebeuren. Als ik verhalen schrijf die zich afspelen in de komende decennia, probeer ik me die verschuiving in de gevoelsstructuur voor te stellen, maar dat is erg moeilijk omdat de huidige structuur zelfs dat soort speculaties vormgeeft. Op dit moment voelen de dingen enorm verankerd, maar ook fragiel. We kunnen niet doorgaan, maar we kunnen ook niet veranderen. Ook al zijn we één soort op één planeet, er lijkt geen kans op algemene overeenstemming of wereldwijde solidariteit. Het beste waarop kan worden gehoopt is een werkende politieke meerderheid die dagelijks opnieuw wordt samengesteld, in een poging de noodzakelijke dingen te doen voor onszelf en de generaties na ons. Het is een zware uitdaging die nooit zal verdwijnen. Het is makkelijk om te wanhopen. Toch zijn er de laatste tijd enkele dingen gebeurd die mij reden tot hoop geven. Ik schreef mijn roman The Ministry for the Future in 2019. Dat jaar heeft mijn visie zeker vertroebeld, want verschillende belangrijke ontwikkelingen – die ik in mijn roman beschreef als zich afspelend in de jaren dertig van deze eeuw – zie ik nu al stevig op gang komen. Mijn tijdlijn was volledig verkeerd; de gebeurtenissen zijn opnieuw versneld.

Een deel van die versnelling werd veroorzaakt door Covid-19. Het was een klap in het gezicht, een onmiskenbare demonstratie dat we op één planeet leven in één beschaving, die op dodelijke manieren kan worden ontwricht. En het ging niet alleen om mensen die overal aan dezelfde ziekte bezweken, maar ook om onze reacties op die schokkende realiteit. De bevoorradingsketens waarop we vertrouwen voor het leven zelf kunnen worden verstoord door hamsteren, dat wil zeggen door verlies van vertrouwen in onze systemen. In de VS ging het om toiletpapier en schoonmaakmiddelen – maar als het om voedsel was gegaan, dan was er sprake geweest van paniek, ineenstorting, hongersnood, en een oorlog van allen tegen allen. Zó fragiel is de beschaving, zózeer moeten individuen elkaar vertrouwen om te kunnen overleven. Dit is inderdaad een prisoner’sdilemma: wij zijn allemaal samen opgesloten op deze ene planeet. We doen het samen óf we zijn de klos: dat is de wet van Franklin. Een andere les van de pandemie, een les die we al eerder tot ons hadden moeten nemen, is dat de wetenschap oppermachtig is. We moeten leren er beter gebruik van te maken dan we nu doen, maar als we dat doen, zullen er veel goede dingen uit voortvloeien. Richting geven aan de wetenschap is het werk van de menswetenschappen en de kunsten, en van de politiek en het recht. We moeten als beschaving beslissen welke taken we nu het belangrijkst vinden.

Een derde les die we in 2020 hebben geleerd, betrof het medische nieuws dat de mens langdurige blootstelling aan extreem hoge combinaties van hitte en vochtigheid niet kan overleven. Dit besef, dat al enigszins bekend was maar nog niet als een existentieel probleem werd onderkend, had de optimistische commentatoren het zwijgen moeten opleggen die beweerden dat de mens zich gewoon kan aanpassen aan welk klimaat we ook maar zouden creëren. ʻGewoon aanpassen!,ʼ zeiden deze zelfverzekerde mensen. Dus wat als we een stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur van 3 of 4 graden Celsius veroorzaken? We moeten ons gewoon aanpassen. Mensen kunnen zich immers overal aan aanpassen!

Maar nee dus. Mensen kunnen niet leven in omstandigheden boven het hitte-indexcijfer van 35 graden Celsius, een maat voor de luchttemperatuur plus vochtigheid. We zijn niet ingesteld op zulke omstandigheden en als ze zich voordoen, raken we snel oververhit en sterven we aan hyperthermie. In juli van dit jaar werd in Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten kortstondig dit hitte-indexcijfer van 35 graden gemeten. Als we fossiele brandstoffen blijven verbranden, zal de gemiddelde temperatuur wereldwijd blijven stijgen, en zal deze dodelijke combinatie van hitte en vochtigheid zich vaker voordoen. En niet alleen in de tropen, waar meer dan drie miljard mensen wonen; het temperatuurrecord van British Columbia overtrof deze zomer dat van Las Vegas. Het beperken van de klimaatverandering door het snel terugdringen van broeikasgassen is dus niet alleen een goed idee, maar een overlevingsnoodzaak.

Het verdrag Parijs kan dienen als een manier om deze massale inspanning te organiseren. We hebben dit nodig omdat, hoewel ons probleem mondiaal is, we leven in een systeem van natiestaten waarin de vertegenwoordigers van iedere natie belast zijn met het verdedigen van de belangen van die natie. Bij iedere waargenomen discrepantie tussen de belangen van iemands natie en die van de wereld in het algemeen, zullen sommige mensen voor hun natie kiezen. Dit schept veel problemen van het prisonerʼs dilemma-type. Als het op deugdzaam handelen aankomt, wie doet dat dan als eerste? De landen die het eerst handelen kunnen in de toekomst voordelen voor zichzelf creëren, maar veel mensen zijn te kortzichtig om dat in te zien, en dus komen er een aantal zeer moeilijke keuzes aan. Bijvoorbeeld: we kunnen nog ongeveer 900 gigaton koolstof verbranden voordat we de gemiddelde mondiale temperatuurstijging van 2°C overschrijden die ons in echt gevaarlijk gebied zal brengen. Maar we hebben al duizenden gigatonnen fossiele brandstoffen over de hele wereld gelokaliseerd. De meeste daarvan, die gewoon in de grond moeten blijven als we willen voorkomen dat de biosfeer wordt gekookt, zijn eigendom van nationale regeringen, die deze reserves beschouwen als onderdeel van hun nationale activa. Ze zijn al onderpand, en een gestage bron van inkomsten en vormen, voor heel wat van deze naties, een groot deel van hun rijkdom.

Dus hoewel bijna ieder land het verdrag van Parijs heeft ondertekend en in theorie heeft ingestemd met het principe van snelle emissiereducties, hebben landen als Saoedi-Arabië, Rusland, Canada, Brazilië, Nigeria, Australië, Mexico, China, Venezuela, Noorwegen en de VS – om nog maar te zwijgen van diverse andere landen – in het kader van het verdrag van Parijs beloften gedaan die hen vele biljoenen dollars aan gederfde inkomsten zullen kosten.

Natuurlijk zullen er in deze regeringen gekozen functionarissen en ambtenaren zijn die hun best zullen doen om nog een paar laatste biljoenen van deze bezittingen te verbranden. Zij zullen dit zien als hun patriottische en fiduciaire plicht. Dus als we geen andere regelingen treffen, zal dit staan te gebeuren.

Dit betekent dat één groot aspect van het probleem waar we voor staan, van financiële aard is. Denken over geld, en het sturen van geld, zijn de sleutel tot het succesvol doorkomen van deze crisiseeuw. We moeten manieren bedenken om onszelf te betalen om zo snel mogelijk koolstofvrij te worden, en om al het andere werk te doen dat nodig is om een duurzame beschaving tot stand te brengen. Zorgen dat de oliestaten niet failliet gaan en wanhopige dingen gaan doen zal deel moeten uitmaken van dit nieuwe arrangement, hoe lastig dat ook zal zijn. Kortingen, amortisatie, het opgeven van het uiten van beschuldigingen en het eisen van gerechtigheid, grote bezuinigingen – dit alles zal een rol gaan spelen.

En denk niet dat de markt dit allemaal zelf zal doen, want dat zal niet gebeuren. Het hele idee van heerschappij door de markt was een rampzalig voorbeeld van ʻmonocausotaxophilia,ʼ de liefde voor enkelvoudige oorzaken die alles verklaren, Ernst Pöppels grappige neologisme voor een neiging die bij ons allemaal voorkomt. Deze zwakte in ons denken, de vergeefse hoop op een betrouwbaar algoritme, of een monarch, moet ten allen tijde worden weerstaan, maar vooral bij de opbouw van een wereldeconomie. Het is niet waar dat alles goed geregeld zal zijn als we de financiën aan de markt overlaten, zoals de afgelopen veertig jaar is gebleken. De markt berekent dingen systematisch verkeerd door een onjuiste discontering van de toekomst, valse externaliteiten en vele andere roofzuchtige misrekeningen, die tot grote ongelijkheid en vernietiging van de biosfeer hebben geleid. En toch is het op dit moment de manier van de wereld, de wet van het land. Kapitaal investeert in het hoogste rendement – dat is wat de markt vereist. Maar het redden van de biosfeer levert niet het hoogste rendement op (een duidelijk bewijs van een andere misrekening van de markt), omdat voor die redding het grootste deel van onze infrastructuur moet worden vervangen, terwijl er ook een soort planetair rioleringssysteem moet worden aangelegd om het afval dat wij in de atmosfeer hebben gedumpt op te vangen en te verwijderen. Niemand beschouwt dit als een investering met een hoog rendement, want niemand wil duizenden miljarden tonnen droog ijs. Zoveel kooldioxide uit de atmosfeer halen is gewoon een kostenpost – wat het kost om te overleven –, maar het is niet het hoogste rendement. Particulier kapitaal zal er dus niet in investeren, en als we dat oordeel overeind laten, zijn we de klos.

Maar financiën is ook een technologie: het is de software van de beschaving. Het is uiterst belangrijke software, omdat het de manier is waarop wij ons eigen werk waarderen; en omdat het een menselijk systeem betreft, staat het ons vrij het te verbeteren door middel van diverse wijzigingen en aanpassingen. En nu zullen we wel moeten. Gelukkig voelen veel mensen die de centrale banken van de wereld bemannen deze noodzaak, en kijken zij naar innovaties. Hun betrokkenheid is van cruciaal belang, want geen enkele cryptocurrency zal het werk doen. Sterker nog, sommige van deze nieuwe cryptocurrencies, zoals bitcoin, verergeren het probleem alleen maar. En hoe dan ook, geen enkele cryptocurrency is feitelijk geld; het zijn net tulpen, of een andere speculatieve zeepbel. Geld is een ruilmiddel, een opslagplaats van waarde, en – van cruciaal belang – een teken van sociaal vertrouwen. En in het systeem van de natiestaat is geld datgene dat we vertrouwen, het geld dat nationaal wordt ondersteund. Hoe rijker het land, des te meer we het geld ervan vertrouwen. Dus dit ʻfiatgeldʼ is wat we nodig hebben om de existentiële noodtoestand het hoofd te kunnen bieden die de klimaatverandering representeert.

Waar dit op duidt is dat we binnenkort gaan uittesten hoeveel biljoenen dollars onze centrale banken per jaar kunnen creëren, zonder het vertrouwen van de mensen in geld aan te tasten. Dit zal een experiment zijn, een improvisatie. De kwantitatieve versoepelingen van 2008-ʼ11 en 2020-ʼ21 leverden sterke aanwijzingen op dat ieder jaar een vrij grote hoeveelheid nieuw geld kan worden gecreëerd zonder negatieve gevolgen. De nieuwe wending die aan deze bevinding kan worden toegevoegd, is het idee om nieuw gecreëerd geld allereerst te besteden aan decarbonisatie en andere biosfeervriendelijke activiteiten. Dit wordt ook wel ʻcarbon quantitative easingʼ genoemd, en is iets wat veel centrale banken inmiddeld aan het onderzoeken zijn.

Het Network for Greening the Financial System, een organisatie van 89 van de grootste centrale banken ter wereld, heeft onlangs een document gepubliceerd waarin mogelijke methodes voor deze financiële innovatie worden geschetst. Voorgesteld werd dat landen, bedrijven en individuen die koolstof aan de atmosfeer onttrekken, daarvoor rechtstreeks kunnen worden betaald. Mogelijk kunnen oliestaten worden gecompenseerd voor de fossiele brandstoffen die zij in de grond houden. Mogelijk kunnen oliemaatschappijen worden betaald om koolstof uit de lucht te zuigen en vervolgens weer in de grond te pompen; mogelijk kunnen zij ook worden betaald om water op te pompen van onder de grote gletsjers van Antarctica en Groenland, die momenteel de zee in glijden op nog maar onlangs gesmolten ondergrondse waterglijbanen.

Natuurlijk zullen wetgevende lichamen en burgers er bij hun centrale banken op moeten aandringen, en hen uiteindelijk moeten instrueren of opdragen, om deze dingen te doen. Maar het goede nieuws is dat we met deze nieuwe strategieën in de hand, zelfs in onze huidige politieke economie, die op zijn zachtst gezegd niet bijzonder geschikt is voor de taak die voor ons ligt, onszelf misschien kunnen betalen om de noodzakelijke dingen te doen, en dat we zo de dreigende massa-extinctie misschien nog kunnen ontlopen.

Dit is niet de totale oplossing; ik wil zelf niet ten prooi vallen aan monocausotaxofilie. Er zal veel meer nodig zijn dan ʻcarbon quantitative easingʼ om de komende jaren voorspoedig te laten verlopen. We zullen opnieuw woeste gronden moeten aanleggen om de biodiversiteit in stand te houden, zoals in de verschillende ʻ30×30ʼ-plannen wordt voorgesteld; we zouden kunnen beginnen met het kweken van voedsel in vaten uit micro-organismen, zodat land vrijkomt voor andere doeleinden; we zullen onze steden moeten vergroenen; we zullen een groot deel van onze infrastructuur moeten vervangen; enzovoorts. Dit alles brengt een enorme hoeveelheid werk met zich mee, dat allemaal betaald zal moeten worden.

ʻCarbon quantitative easingʼ zal niet genoeg zijn om dit allemaal te bewerkstelligen, maar in combinatie met regelgeving en belastingen die particulier kapitaal naar nuttige, op overleving gerichte projecten sluizen, zullen we het misschien nét redden. En – tussen haakjes – volledige werkgelegenheid is zeer impliciet in dit alles; er zal zó veel werk gedaan moeten worden. Kunnen we al dat noodzakelijke werk gebruiken om klimaatgelijkheid tussen naties tot stand te brengen en de groteske ongelijkheid tussen arm en rijk te verminderen? Het lijkt erop dat dit mogelijk is. Deze reeks nieuwe beleidsmaatregelen betekent een terugkeer naar een soort Keynesiaans evenwicht tussen publiek en privaat. Goed. Dat hebben we nodig. Maar deze grote verschuiving draagt natuurlijk ook bij aan ons gevoel van angst in deze tijd. Wat – een nieuwe politieke economie? Heeft zoʼn verandering zich niet voor het laatst voorgedaan in 1980, of in 1945, of tijdens de grote democratische revoluties van de achttiende eeuw? Dat is nu toch onmogelijk geworden? Is het niet makkelijker om je het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van het kapitalisme? Nee, toch niet. De tijd is gekomen om toe te geven dat wij onze economie moeten sturen ten bate van het algemeen welzijn. Dit besef is altijd van cruciaal belang, maar vooral nu we een massale uitsterving moeten zien te voorkomen. De onzichtbare hand van de markt zal hier nooit voor kunnen zorgen; daarom moeten we het stuur nu zelf ter hand nemen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Klimaat Politiek

Wat westerse samenlevingen kunnen leren van inheemse gemeenschappen

Oorspronkelijke tekst (Engels): New York Times, 10 juli 2021

fotografie: Everipedia

door Rachel Cernansky

Rachel Cernansky is freelance journalist en duurzaamheidsredacteur bij Vogue Business. Ze schrijft regelmatig over het milieu en sociale rechtvaardigheid.

Toen de Nieuw-Zeelandse snelwegautoriteiten bijna twintig jaar geleden plannen maakten voor de Waikato Expressway, tekenden mensen van de Māori-stam Ngāti Naho bezwaar aan. Die snelweg zou een gebied binnendringen dat volgens de Māori-traditie werd beheerd door een waterbewonend wezen, een taniwha.

De autoriteiten hielden rekening met deze bezwaren en verlegden de weg om het gebied in kwestie te ontzien. Het resultaat was dat de weg een jaar later, toen het gebied door een grote overstroming werd getroffen, ongedeerd bleef.

ʻIk wacht nog steeds op de krantenkop “Mythisch wezen bespaart de belastingbetaler miljoenen”,ʼ zegt Dan Hikuroa, universitair hoofddocent Māori-studies aan de Universiteit van Auckland en lid van de Ngāti Maniapoto-stam. Toen de overstroming eenmaal had plaatsgevonden, vroeg hij zich af of het technische team later niet had gezegd: ʻWaarom zeiden jullie niet gewoon dat dit een overstromingsrisicogebied is?ʼ

Zoals veel inheemse volkeren over de hele wereld hebben de Māori hun begrip van hun omgeving ontwikkeld door het landschap en de gedragingen ervan in de loop van vele generaties van nabij te observeren. Nu zoekt de New Zealand Environmental Protection Agency regelmatig naar manieren om de traditionele Māori-kennis, of mātauranga, te integreren in haar besluitvorming. Hikuroa is benoemd tot cultuurcommissaris voor UNESCO Nieuw Zeeland, een rol die volgens hem in het teken staat van het integreren van Māori-kennis in het werk van UNESCO.

In het Westen opgeleide onderzoekers en regeringen onderkennen in toenemende mate de rijkdom van de kennis die inheemse gemeenschappen hebben vergaard door gedurende honderden of zelfs duizenden jaren met hun omgeving samen te leven en deze te beschermen. In wetenschappelijke tijdschriften zijn studies gepubliceerd die aantonen dat de biodiversiteit over de hele wereld in gebieden die door de inheemse bevolking worden beheerd veel groter is dan in andere gebieden, zelfs in gebieden die voor natuurbehoud zijn gereserveerd.

Het omarmen van de kennis van de inheemse bevolking, zoals Nieuw-Zeeland probeert te doen, kan de manier waarop federale overheden ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen beheren verbeteren. Het kan ook het inzicht van westerse wetenschappers in hun eigen onderzoek verdiepen, door alternatieve perspectieven en benaderingen aan te reiken om hun werkgebied te begrijpen. Dit wordt steeds urgenter, vooral nu de klimaatcrisis zich verder uitbreidt. ʻHet zijn de veerkracht en het wereldbeeld van de inheemse bevolking waar elke regering, elk land en elke gemeenschap van kan leren, zodat we ons land, onze wateren en onze hulpbronnen beter kunnen beheren, niet alleen door de begrotingsjaren heen, maar ook door de generaties heen,ʼ aldus de Amerikaanse minister van Binnenlandse Zaken Deb Haaland, afkomstig uit de Laguna Pueblo in New Mexico en Amerikaʼs eerste inheemse minister, in een toespraak tot de Verenigde Naties.

Inheemse wetenschappers waarschuwen echter dat traditionele kennis weliswaar kan worden gebruikt om de wereld voordeel te brengen, maar ook verkeerd kan worden ingezet of kan worden uitgebuit. Dominique David Chavez, een afstammeling van de Arawak Taíno in het Caribisch gebied, en onderzoeker aan het Native Nations Institute van de Universiteit van Arizona en de National Science Foundation, zegt dat westerse wetenschappers ʻgetraind zijn om naar gemeenschappen te gaan, hun kennis te vergaren, terug te gaan naar onze instellingen en die kennis te verspreiden in wetenschappelijke tijdschriften.ʼ Dat kan het delen van traditionele kennis, van de ene generatie op de andere, ontwrichten, zegt ze, terwijl dat juist de prioriteit zou moeten zijn: ervoor zorgen dat inheemse kennissystemen behouden blijven in en ter ondersteuning van de gemeenschappen die ze hebben ontwikkeld. In Puerto Rico, dat bij de inheemse bevolking bekend staat als Borikén, bestudeert mevrouw Chavez manieren om de banden en de traditionele kennisoverdrachtspatronen tussen ouderen en jongeren te herstellen.

Een brug slaan tussen de inheemse en westerse wetenschap betekent ook respect hebben voor het ecosysteem van waarden waarin de kennissystemen zijn ingebed. De praktijk van het planten van een verscheidenheid aan gewassen en het opbouwen van een gezonde bodem voor het vasthouden van water – tegenwoordig bekend als ʻregeneratieve landbouwʼ – bestaat bijvoorbeeld al sinds mensenheugenis in inheemse gemeenschappen over de hele wereld. Toch is de toenemende drang om elders regeneratieve landbouwpraktijken toe te passen vaak selectief, waarbij bijvoorbeeld industriële bestrijdingsmiddelen worden gebruikt of het welzijn van de mensen die het land bewerken buiten beschouwing wordt gelaten.

ʻIn inheemse wetenschappen is het niet mogelijk om kennis te scheiden van de ethiek van de verantwoordelijkheid voor die kennis – terwijl we dat in de westerse wetenschap voortdurend doen,ʼ zegt Robin Wall Kimmerer, directeur van het Center for Native Peoples and the Environment aan de State University van New York in Syracuse en lid van de Citizen Potawatomi Nation. De wetenschappelijke methode is ontworpen om onverschillig te staan tegenover moraal of waarden, voegt ze eraan toe. ʻInheemse kennis stelt die juist weer centraal.ʼ

In het ideale geval kan het gedeelde gebruik van inheemse kennis helpen om de verbroken relaties tussen inheemse en westerse gemeenschappen te herstellen.

In het noorden van New York wijst Kimmerer op sweetgrass, een inheemse plant die gebruikt wordt voor traditioneel mandenvlechten. Zij werd benaderd door een stam die bezorgd was over de achteruitgang van de plant en op zoek was naar een oplossing.

Overheidsvoorschriften hadden de oogst al beperkt. ʻMensen denken vaak dat er te veel geoogst wordt,ʼ aldus Kimmerer. Zij hielp bij het uitvoeren van studies die uiteindelijk aantoonden dat het oogsten van sweetgrass, volgens inheemse protocollen, juist datgene is wat het helpt om te gedijen. ʻAls je het gewoon met rust laat, begint het af te nemen.ʼ

Volgens haar duidt dit op een kernfout in de westerse benadering van landbeheer: de overtuiging dat menselijke interactie per definitie schadelijk is voor ecosystemen. ʻDat is een van de redenen waarom inheemse volken systematisch zijn verwijderd uit wat nu nationale parken zijn, vanwege het idee dat mensen en natuur niet op een goede manier naast elkaar kunnen bestaan.ʼ Maar de kennis van de inheemse bevolking, aldus Kimmerer, luidt feitelijk alleen maar: ʻOh ja, dat kunnen we wel, en we cultiveren praktijken die dat mogelijk maken.ʼ

Bij het bestrijden van de bosbranden vorig jaar maakten de Australische autoriteiten gebruik van Aboriginal-praktijken. Onderzoekers hebben de hevigheid van die branden in verband gebracht met de klimaatverandering, maar Kimmerer voegt eraan toe dat de manier waarop het land in Australië in de moderne tijd werd beheerd ook een rol kan hebben gespeeld. De Aboriginals hebben dat land ʻal duizenden jaren lang beheerd als een vuurlandschap,ʼ zegt ze. ʻHet feit dat de inheemse wetenschap is genegeerd is een factor die heeft bijgedragen aan de branden daar.ʼ

Nu de wereld steeds meer de prestaties van vele inheemse gemeenschappen erkent die met succes samenleven met ecosystemen, kan de westerse samenleving daar nog veel van leren.

ʻWe hebben het idee dat de westerse wetenschap de weg naar de waarheid is. We houden niet eens rekening met de mogelijkheid dat de waarheid ergens anders vandaan zou kunnen komen,ʼ aldus Kimmerer. ʻResource managers en landbeheerders moeten begrijpen dat er meerdere manieren van weten zijn.ʼ

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Voor een neo-leninisme

Oorspronkelijke tekst (Frans): Acta Zone, 11 juni 2021

fotografie: Stéphane Burlot

door Frédéric Lordon

Frédéric Lordon is een Frans econoom en filosoof, en onderzoeksdirecteur aan het Centre européen de sociologie et de science politique in Parijs.

De volgende tekst is een transcriptie van de toespraak van Frédéric Lordon tijdens het openbaar debat met Andreas Malm over het thema ʻecologie en communisme,ʼ dat op zondag 6 juni voor de boekhandel Le Monte-en-l’air werd georganiseerd door ACTA, Extinction Rebellion en uitgeverij La Fabrique. Tegenover de dubbele verleiding van de ʻbeweging om de bewegingʼ en een marginalistische terugtrekking pleit Lordon voor een ʻneo-leninisme,ʼ dat als enige in staat zou zijn een strategisch en macroscopisch alternatief te schetsen voor de kapitalistische overheersing.

Aangezien ik veel minder verstand heb van ecologie dan Andreas, zal ik het over iets anders hebben, in de overtuiging dat onze twee toespraken elkaar eerder zullen aanvullen dan tegenspreken. In ieder geval is het onwaarschijnlijk dat ze elkaar zullen tegenspreken. Ik denk dat we het in feite over ten minste drie dingen – maar wel belangrijke dingen! – eens zijn. Het eerste is waar te beginnen; het tweede is waarheen te gaan; en het derde (voor zover wij daarop een antwoord kunnen geven) is hoe daar te komen.

Waar kunnen we anders beginnen dan constateren dat er een planetaire nood is, die het kapitalisme zonder meer in het beklaagdenbankje zet? De enige consequente politieke doelstelling is dat we eraan moeten ontsnappen, dat we het omver moeten werpen. Hier kunnen ʻwijʼ makkelijk overeenstemming over bereiken – ʻwijʼ van radicaal links, of van emancipatoir links, kortom: van antikapitalistisch links. Maar dan rijzen de moeilijkheden: waar gaan we heen, en hoe komen we daar? Dat is waar de verschillen beginnen. Laten ik meteen maar zeggen dat noch Andreas noch ik in een positie verkeren om op deze vragen een duidelijk en gedetailleerd antwoord te geven – en dat is waarschijnlijk maar goed ook. Het lijkt me dat we allebei in voldoende mate een idee hebben van het probleem om het eens te kunnen worden over de essentie, namelijk een bepaalde manier om ermee om te gaan, een manier die, zoals ik al zei, onenigheid veroorzaakt ter linkerzijde – een onenigheid die al oud is, maar voortdurend wordt bijgewerkt en van nieuwe inhoud wordt voorzien. Als we deze manier een naam moeten geven, zou ik het neo-leninisme willen noemen. Omdat ik het niet over ecologie kan hebben, zou ik willen proberen te verduidelijken wat wij vandaag de dag onder neo-leninisme kunnen verstaan.

Andreas heeft het in een van zijn boeken over ʻoorlogscommunisme.ʼ Men waagt te hopen dat geen enkele lezer zo dwaas zal zijn om deze uitdrukking letterlijk te nemen, met beelden van geweren met bajonetten en mutsen met een rode ster. Welke betekenis kunnen we voor onze tijd geven aan het idee van het oorlogscommunisme? Simpelweg de betekenis van de vitale noodzaak van een antikapitalistische lijn, oftewel een lijn die betekenis geeft aan de planetaire nood. Het neo-leninisme is dan de positie die is opgebouwd vanuit het idee van een oorlogscommunisme dat aldus opnieuw is gedefinieerd.

Maar hoe kunnen we de reflex overwinnen die kreten van afgrijzen teweegbrengt zodra het woord ʻleninismeʼ valt? Niet alleen bij France Inter, Arte of Télérama, maar ook ter linkerzijde. Naar aanleiding van de honderdste verjaardag van 1917 zijn er tal van boeken verschenen waarin ons wordt uitgelegd dat het leninisme verantwoordelijk was voor de Tsjeka, Kronstadt, de Moskou-processen en de Goelag. Dat dit is wat de USSR was, weet iedereen. Sinds het trotskisme van de jaren vijftig is lang en diep over al deze dingen nagedacht. Dus wat heeft het voor zin om deuren zo wijd open te duwen die al zo wijd open staan? Niemand wil dat dát nog eens gebeurt, niemand wil het nog eens proberen. Net als bij het ʻoorlogscommunismeʼ is het daarom noodzakelijk de minimale inspanning te leveren om jezelf los te maken van de gangbare beelden, en naar wegen te zoeken voor een historische actualisering voor onze tijd – er zijn nauwelijks andere wegen dan die van de definitie of conceptualisering, als we willen dat het leninisme vandaag de dag begrepen wordt als iets anders dan wat in 1917 op initiatief van Lenin en onder zijn naam in Rusland is gedaan.

Als je de verschijning Lenin loskoppelt van de historische omstandigheden, en het accent legt op zijn algemene betekenis, zou een mogelijke definitie van het neo-leninisme als volgt kunnen luiden: het leninisme bestaat uit 1) een doelstelling, die 2) macroscopisch is, en 3) een expliciet gebod is van strategische coördinatie in een adequate vorm. Ik hoef nauwelijks te benadrukken hoe groot de problemen zijn die in deze ʻadequate vormʼ-clausule besloten liggen. Waar het hier om gaat is dat het ene gebod tot het andere leidt. De noodzaak van strategische coördinatie vereist dat wordt nagedacht over de juiste vorm ervan. Ik haast me te zeggen dat ik hier nog geen flauw idee van heb. Mijn tijd is beperkt, wat perfect is: daardoor hoef ik er nu niet over te praten…

Maar we kunnen wel iets met de eerste twee punten. In de eerste plaats heeft het leninisme een oogmerk. Het is moeilijk te geloven dat we ons verplicht voelen zoiets triviaals te zeggen. En toch moeten we wel. Dat komt doordat wij ter linkerzijde in een nogal vreemd politiek tijdperk leven, waarin de bevestiging dat jou iets voor ogen staat helemaal niet meer zo vanzelfsprekend is, en zelfs wordt gezien als een beweging die alle ruimte voor wantrouwen biedt. Er is een hele intellectuele en politieke stroming in Frankrijk, die zeer dynamisch en zeer interessant is, maar die vijandig staat tegenover ieder oogmerk, en die politiek louter opvat als iets onbeweeglijks. Dat wil zeggen dat het een beweging is omwille van de beweging, en bovenal dat niemand het in zijn hoofd moet halen om er richting aan te willen geven.

Waar komt dit wantrouwen vandaan? Het vloeit voort uit het feit dat de ene richting de andere kan verbergen. Uit de opvatting van ʻrichting,ʼ hier begrepen als een indicatie van wenselijk beleid, kan altijd de opvatting van ʻrichtingʼ als een bevel voortkomen, waarbij de teugels strak in handen worden genomen – een hachelijk moment inderdaad. De aanduiding ʻleninismeʼ is blijven steken in deze tweede betekenis van ʻrichting,ʼ de richting die leiders aangeven, maar we zijn vergeten dat in het leninisme ook de eerste betekenis bestond, de richting van het gewenste, de richting die zegt wat we willen doen en waar we heen willen.

Op dit punt wil ik twee auteurs citeren. De eerste is Daniel Bensaïd, die sprak over de noodzaak van ʻeen strategische hypothese die is gebaseerd op de ervaringen uit het verleden en die dient als schietlood zonder hetwelk de actie doelloos verstrooid raakt.ʼ De tweede auteur is een zekere Andreas Malm: ʻDe oude trotskistische formule dat “de crisis van de mensheid de crisis van het revolutionaire leiderschap is” moet worden geactualiseerd. De crisis is de afwezigheid, de totale, gapende afwezigheid, van leiderschap.ʼ

Ik kan het net zo goed meteen zeggen: ik ben het hartgrondig eens met deze twee uitspraken. Ik denk dat er geen strijd tegen het kapitalisme mogelijk is zonder een krachtig politiek voorstel, dat wil zeggen: een algemeen en goed gearticuleerde propositie, die in staat is de kapitalistische propositie te weerleggen. En ik denk dat verontschuldigingen voor onbeweeglijkheid een excuus zijn voor politieke onmacht. Hier ligt dus de eerste breuklijn ter linkerzijde. Deze loopt tussen enerzijds de neo-leninistische positie die een richting eist, dat wil zeggen van een propositie, omdat alleen dit constitutief voor een anti-kapitalistische politiek kan zijn, en anderzijds een idee van onbeweeglijkheid waarvan ik vrees dat die gedoemd is te eindigen in anti-politiek.

Als wij iets anders willen dan deze breuk met een droevige blik bekijken, denk ik dat wij het gevoel voor een intellectueel gebaar, dat verloren is gegaan, moeten herwinnen – het dialectische gebaar. Hier bedoel ik niet de dialectiek in Hegeliaans-marxistische gedaante, als een grandioos proces van zelfoverstijging en synthese. Ik denk aan dialectiek als een objectieve antagonistische spanning tussen tegengestelden, een spanning die onoplosbaar is in een synthese, en die dus de noodzaak oproept haar in een bepaalde vorm onder te brengen. Een ander voorbeeld: zonder een strategische lijn, en zonder een minimale organisatie om die te dienen, zal er geen revolutionair proces zijn. Er zullen alleen opstandige uitbarstingen zijn, en deze zullen worden neergeslagen. Maar richting als strategische lijn, gecoördineerd in een minimale organisatievorm, kan altijd aanleiding geven tot richting geven in de vorm van een commando, dat wil zeggen: als afscheiding en uiteindelijk als inbeslagneming. Dat is waar. En als ik zeg ʻdatʼ bedoel ik beide. Beide zijn waar. Dus je hebt met beide te maken. Je moet ze allebei houden, en ze samenhouden in een vorm die altijd onvolmaakt is en altijd herzien moet worden.

Dit is de niet-Hegeliaans-marxistische versie van de dialectiek, een versie die ontdaan is van iedere belofte van een verzoenende synthese, en die alleen de onvolmaakte mogelijkheid overlaat van de accommodatie van tegengestelden, van het reguleren van hun gelijktijdige aanwezigheid, in institutionele constructies. Uit het feit dat de te reguleren antinomieën onherleidbaar zijn tot een of andere ʻoverwinning,ʼ volgt dat de instellingen die hen accommoderen van een wezenlijke onvolmaaktheid zijn, en dat ze daarom een onbepaald proces van herziening vereisen, dat wil zeggen: hun permanente ondervraging en herbewerking. Ik wijs hier slechts terloops op, maar dit is niet anders dan Castoriadisʼ opvatting van democratie. Democratie is niet de combinatie van ʻelectorale slaʼ en ʻvrije persʼ die doorgaans aan ons wordt verkocht. Democratie is het vermogen van een politiek lichaam om zijn eigen instellingen te vormen en deze onder controle te houden om ze permanent te kunnen herwerken. Vandaar dat we, zodra we van doen hebben met een ʻdemocratischeʼ kwibus die ons wil uitleggen dat ʻwe de instellingen moeten verdedigen,ʼ weten dat we te maken hebben met een oplichter. De ʻverdediging van de instellingenʼ is geen democratisch idee, het is een idee voor de politie, voor mensen zoals Didier Lallement, prefect van de Parijse politie, of Macron; het is het idee waarmee de hoofden van de oproerpolitie werden volgepropt toen ze erop uit werden gestuurd om de Gilets Jaunes te verpletteren: ʻJullie zijn het laatste bastion van de instellingen,ʼ ʻjullie moeten de instellingen verdedigen,ʼ – formules bij uitstek van de antidemocratie.

In de eerste plaats dus: herstel van de rechten van het oogmerk als constitutief voor de politiek. Maar het neo-leninisme gaat veel verder dan deze minimale eis. Als het een oogmerk of doel affirmeert, affirmeert het ook het macroscopische karakter ervan. Dit betekent dat het communisme alleen kan worden geconcipieerd op de schaal van een sociale formatie, dat wil zeggen: van een grote groep mensen. Het neo-leninisme is zeker niet ongeïnteresseerd in plaatselijke ervaringen, maar het verwerpt de exclusiviteit ervan als ordenend beginsel. Het is waarschijnlijk dat het voorvoegsel ʻneoʼ hier het nuttigst is. Het is moeilijk om niet toe te geven dat het oude leninisme geen moer gaf om lokale autonomie – als het die al niet probeerde te verpletteren. Een van de pijnlijke lessen van het historische leninisme is dat de vernietiging van ieder autonoom plaatselijk leven een van de rampzalige gevolgen was van de totalitaire centralisatie van de staat – een soort model van wat we niet meer moeten doen. Een neo-leninisme zal daarom de plicht hebben zich te interesseren voor plaatselijke ervaringen, niet uit beleefd respect voor curiosa, maar als bron van zijn eigen vitaliteit. Dan zal het zijn rationele plicht erkennen om deze zo veel mogelijk te laten bloeien. Toch is het van mening dat een sociale formatie iets anders is dan een archipel van communes. Waarom is dat? Omdat alleen een groep van voldoende omvang en integratie in staat is een minimaal noodzakelijke mate van arbeidsdeling in stand te houden.

Natuurlijk zal die mate aanzienlijk lager zijn dan de kapitalistische arbeidsdeling – de planetaire noodtoestand dwingt daartoe –, maar niettemin veel hoger dan wat een communalistische arbeidsdeling zou kunnen zijn. Het kapitalisme verlaten betekent niet dat de categorie van de productiewijze moet worden verworpen. Ook het communisme zal een productiewijze moeten zijn, eenvoudigweg omdat mensen altijd collectief de middelen van hun materiële bestaan zullen moeten voortbrengen, en de middelen van deze productie zullen moeten produceren. En dit is waar een productiewijze om draait. Gemeenten en lokale experimenten, passen perfect in deze productiewijze en de bijbehorende arbeidsdeling. Maar ze kunnen die niet uitputten.

En hier ligt de tweede breuklijn binnen links: na die tussen de affirmatie van een oogmerk en de anti-politiek van de onbeweeglijkheid, of, om het anders te zeggen: tussen het poneren van de noodzaak van een richting en de totale verwerping van iedere richting. Deze tweede breuklijn scheidt de alternatieve, mondiale en macroscopische propositie van de zelfgenoegzaamheid van het lokalistische principe van autonomie. En net zoals onbeweeglijkheid omslaat in onmacht, slaat de exclusiviteit van het locale om in ʻescapisme.ʼ Escapisme is een zeer sterke verleiding voor links vandaag de dag: we deserteren, we laten het kapitalisme achter ons – we trekken ons terug in onszelf. Maar afgezien van alle tautologie: als we het kapitalisme achter ons laten, blijft het kapitalisme juist bestaan, zij het achter ons …

Ik ben tot de overtuiging gekomen dat het escapisme alleen succesvol is geweest als een noodoplossing, als een soort van berusting in het aangezicht van de enorme omvang van het obstakel. Dat wil zeggen: de enige oplossing die overblijft wanneer het idee van de omverwerping van het kapitalisme in de hoofden van de mensen is ingeburgerd als een radicale onmogelijkheid – iedereen kent deze uitdrukking van Frederic Jameson – en wanneer het project in feite wordt opgegeven. Maar wij weten dat de planetaire noodtoestand van dien aard is dat het vermijden ervan door desertie niet langer een optie is. En wij weten ook dat de charme van het leven in hutten, of in bomen – want over al deze dingen horen wij veel poëzie –, deze charme niet tot een productiewijze maakt. Om het prozaïscher te zeggen: als je uit een boom valt en een been breekt, kom je er niet vanaf met een moscompres of een wortelaftreksel. Je eindigt in het plaatselijke ziekenhuis, in een MRI-scanner die waarschijnlijk van het merk General Electric zal zijn.

De vraag is of we het MRI-scannen aan General Electric willen overlaten of niet. Het escapisme laat geen keus. Het communisme van zijn kant zegt nee. En dat is de macroscopische doelstelling van een productiewijze. Maar dan wél van een productiewijze die de kwestie van de productiekrachten in een geheel nieuw historisch regime brengt. Het neo-leninisme is zeker niet ongeïnteresseerd in de kwestie van de productiekrachten. Het weet dat deze op een bepaald niveau gehandhaafd zullen moeten worden, en dat er niet alleen bomenvrienden nodig zijn, maar ook ingenieurs, technici en wetenschappers. Maar het weet ook wat de materiële productie tot dusver met de planeet heeft gedaan, en tot welke extremen zij is doorgevoerd. Het neo-leninisme kan daarom zonder meer worden opgevat als een communisme van de productiekrachten, dat radicaal vijandig staat tegenover het productivisme. Het productivisme is productie die een regime van onbeweeglijkheid is binnengetreden – productie omwille van de productie – en een regime van absolutisme – materiële productie die de totaliteit van de menselijke activiteit opslokt. Daarom verliest het neo-leninisme, als productiewijze, geenszins de nieuwe beperkingen en de nieuwe doeleinden uit het oog waaromheen het is georganiseerd: de beperkingen die voortvloeien uit de planetaire noodtoestand en de doeleinden van de ontwikkeling van de niet-materiële krachten van het menselijk leven.

Met dank aan René ten Bos

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Evergrande en het einde van China’s ‘groei, groei, groei’-model

Oorspronkelijke tekst (Engels): Financial Times, 22 september 2021

fotografie: Twitter

door James Kynge

James Kynge is de directeur van China Confidential en Renminbi Compass, eigen onderzoeksdiensten van de Financial Times.

De spectaculaire aftakeling van het vastgoedconcern Evergrande, in 2020 nog 41 miljard dollar waard, legt de grote zwakheden van de Chinese groeistrategie bloot

Een dramatische video die in augustus in de zuidwestelijke stad Kunming is gemaakt, laat zien hoe groot de vastgoedzeepbel in China is. Toeschouwers gillen van ontzag als vijftien flatgebouwen in nog geen minuut worden gesloopt door 85.000 gecontroleerde explosies. De onafgewerkte gebouwen, die een complex vormden met de naam Sunshine City II, stonden sinds 2013 leeg nadat een ontwikkelaar zonder geld kwam te zitten en een andere defecten in de constructie ontdekte. ʻDit stedelijke litteken dat bijna tien jaar oud is, heeft eindelijk een belangrijke stap ondergaan in de richting van herstel,ʼ aldus een artikel in de officiële Kunming Daily na de sloop. Dergelijke ʻstedelijke littekens ʼ komen overal in China voor, waar Evergrande – ʼs werelds zwaarst in de schulden stekende vastgoedconcern – lijdt onder een liquiditeitscrisis die wel eens fataal zou kunnen blijken te zijn. De crisis bij het bedrijf, dat twee jaar geleden nog ʼs werelds meest waardevolle vastgoedaandeel was, laat zien hoe snel het fortuin van bedrijven kan afbrokkelen en hoezeer het Chinese groeimodel tekortschiet. Evergrande is, ondanks het grote drama van zijn verval, slechts het symptoom van een veel groter probleem. Chinaʼs enorme vastgoedsector, die 29 procent van het bruto binnenlands product van het land voor zijn rekening neemt, kent zó veel overschot dat hij zijn rol als belangrijke motor van de Chinese economische groei dreigt te moeten opgeven en in plaats daarvan een rem op die groei lijkt te worden.

Er staat in China genoeg vastgoed leeg om ruim 90 miljoen mensen te kunnen huisvesten, zegt Logan Wright, een in Hongkong gevestigde directeur bij adviesbureau Rhodium Group. Om dat in perspectief te plaatsen: er zijn vijf G7-landen – Frankrijk, Duitsland, Italië, het Verenigd Koninkrijk en Canada – die elk hun volledige bevolking in die lege Chinese appartementen zouden kunnen onderbrengen, met nog ruimte over. De gemiddelde grootte van een huishouden in China is iets meer dan drie personen. ʻWij schatten de bestaande maar onverkochte woningvoorraad op ongeveer 3 miljard vierkante meter, wat genoeg is om, conservatief geschat, 30 miljoen gezinnen te huisvesten,ʼ aldus Wright, die zijn berekeningen toelicht. Het overaanbod is al enkele jaren een probleem. Wat veranderd is, is dat China vorig jaar besloot dat het probleem zó chronisch was geworden dat het resoluut moest worden aangepakt. President Xi Jinping had ook geen geduld meer met de excessen in de vastgoedsector, zeggen waarnemers, en Beijing formuleerde ʻdrie rode lijnenʼ om de schuldenniveaus in de sector terug te dringen. Evergrande blijkt het eerste bekende slachtoffer te zijn.

Nu het bedrijf wankelt, rijst er een fundamentele vraag voor ʼs werelds op een na grootste economie: is Chinaʼs op onroerend goed gebaseerde groeimodel – de krachtigste locomotief van de wereldeconomie – op hol geslagen? Ja, zegt Leland Miller, chief executive van China Beige Book, een adviesbureau dat de economie analyseert aan de hand van bedrijfseigen gegevens. ʻHet leiderschap in Beijing maakt zich meer zorgen over de Chinese groei dan wie dan ook in het westen. Er wordt erkend dat het oude “bouw, bouw, bouw”-playbook niet meer werkt en dat het eigenlijk gevaarlijk aan het worden is. Het leiderschap lijkt nu te denken dat het niet langer kan wachten om het groeimodel te veranderen,ʼ zegt Miller. Ting Lu, hoofdeconoom China bij investeringsbank Nomura, zegt dat hij niet verwacht dat de problemen van Evergrande een economische ineenstorting zullen veroorzaken. Maar hij denkt dat de pogingen van Beijing om van het ene groeimodel op het andere over te stappen de jaarlijkse groei in de komende jaren aanzienlijk kunnen drukken.

ʻHet is onwaarschijnlijk dat er een plotselinge stop komt,ʼ zegt Lu. ʻMaar ik denk dat Chinaʼs potentiële [jaarlijkse] groeipercentage tussen 2025 en 2030 zal dalen naar 4 procent of zelfs lager.ʼ Wright zegt dat de vastgoedsector een bedreiging aan het worden is voor de financiële, economische en sociale stabiliteit – het heeft al tot protesten geleid in verschillende steden. ʻHet is heel moeilijk om op overtuigende wijze vol te houden dat Chinaʼs potentiële groei in het volgende decennium boven de 4 procent zal uitkomen,ʼ voegt Wright eraan toe. Miller onderschrijft dat sentiment. ʻWe staan voor een achtbaanrit in het beleid en in de economische groei,ʼ zegt hij. ʻHet zou me niet verbazen als het bbp over tien jaar nog maar met 1 of 2 procent zou groeien.ʼ Als dergelijke voorspellingen juist blijken, is het Chinese ʻgroeiwonderʼ in gevaar. In de tien jaar van 2000 tot 2009 groeide het Chinese bbp gemiddeld met 10,4 procent per jaar. In het decennium van 2010 tot 2019 is deze geweldige prestatie afgezwakt, maar nam het jaarlijkse bbp nog steeds met gemiddeld 7,68 procent toe.

Iedere daling van de groei zou wereldwijd snel voelbaar zijn. China is al lange tijd de grootste motor van de mondiale welvaart, met een bijdrage van 28 procent aan de mondiale groei van het bbp tussen 2013 en 2018 – meer dan twee keer het aandeel van de VS – volgens een studie van het IMF. ʻZelfs als China een scherpe en plotselinge crisis weet te vermijden,ʼ zegt Jonas Goltermann van onderzoeksbureau Capital Economics, ʻzijn de vooruitzichten op de middellange termijn veel slechter dan algemeen wordt erkend.ʼ

Het overschrijden van Xiʼs ʻrode lijnenʼ

De risicoʼs die voortvloeien uit de Evergrande-saga omvatten zowel financiële besmetting – met name van de offshore-obligatiemarkt in Amerikaanse dollars – als het vooruitzicht dat een kwijnende vastgoedsector een aantal vitale organen van de Chinese economie zal aantasten, waardoor de groei van het bbp mogelijk nog jaren onder druk zal komen te staan. De gevolgen van de crisis zijn nu al aanzienlijk. Door de kelderende aandelenkoers van Evergrande is de marktwaarde van het bedrijf gedaald van 41 miljard dollar vorig jaar naar ongeveer 3,7 miljard dollar nu. En de bezorgdheid over de mogelijke ineenstorting van het bedrijf leidde onlangs tot een wereldwijde uitverkoop van aandelen. Zoʼn 80.000 mensen in China, die voor zoʼn 40 miljard renminbi aan vermogensbeheerproducten van het bedrijf bezitten, wachten gespannen af of Evergrande aan zijn betalingsverplichtingen zal kunnen voldoen.


Maar de mogelijk langduriger gevolgen vloeien voort uit de bredere daling van Chinaʼs vastgoedmarkt. Het is duidelijk dat de vastgoedsector zich in een neerwaartse spiraal bevindt: volgens officiële gegevens is de verkoop in 52 grote steden in de eerste helft van september met 16 procent gedaald ten opzichte van een jaar eerder, na een daling met 20 procent in augustus. Een nog belangrijkere trend voor de politieke economie van China is de ineenstorting van de grondverkoop door lokale overheden, die in de eerste twaalf dagen van september met 90 procent is gedaald ten opzichte van een jaar eerder, zo blijkt uit officiële cijfers. De verkoop van grond genereert ongeveer een derde van de inkomsten van de lokale overheden, die op hun beurt worden gebruikt om de hoofdsom en de rente te betalen van zoʼn 8,4 miljard dollar aan schulden die zijn uitgegeven door enkele duizenden financieringsinstellingen van lokale overheden. Deze LGFVʼs fungeren als een vaak onzichtbare dynamo voor de bredere economie; zij halen kapitaal op via de uitgifte van obligaties, dat vervolgens wordt gebruikt om grote infrastructuurprojecten te financieren.

ʻWij verwachten dat de inkomsten uit de verkoop van grond nog veel slechter zullen worden,ʼ zegt Lu van Nomura. Dit afnemend vermogen van lokale overheden om kapitaal aan te trekken voor uitgaven aan infrastructuur kan de Chinese groei aanzienlijk drukken. De investeringen in vaste activa, die vorig jaar in totaal 51,9 miljard renminbi (8 miljard dollar) bedroegen, zijn goed voor 43 procent van het bbp. De nood is al duidelijk op een offshore-obligatiemarkt in Amerikaanse dollars, waar voor zoʼn 221 miljard dollar aan schuldpapier wordt verhandeld, dat is bijeengebracht door enkele honderden Chinese projectontwikkelaars. Flinke delen van de markt gaan momenteel uit van wanbetaling. ʻ16 procent van de markt wordt verhandeld tegen rendementen van ruim 30 procent en 11 procent van de markt wordt verhandeld tegen rendementen van ruim 50 procent,ʼ aldus Wright. Rendementen van ruim 50 procent duiden erop dat wanbetalingen waarschijnlijk zijn, voegt hij eraan toe. Uiteindelijk hangt het lot van dergelijke obligaties, evenals bijna alle andere gevolgen van de malaise in het Chinese vastgoed, af van Beijing. De Chinese staat is eigenaar van bijna alle grote financiële instellingen van het land, wat betekent dat als Beijing hen opdraagt Evergrande of andere noodlijdende vastgoedbedrijven te redden, ze dat bevel zullen opvolgen. Op sommige overzeese markten heeft het idee dat de nood van Evergrande een voorbode kan zijn van een ʻLehman-momentʼ – een verwijzing naar de chaos die volgde op de ineenstorting van de Amerikaanse investeringsbank Lehman Brothers dertien jaar geleden – aan kracht gewonnen. Maar gezien de invloed en de gevestigde belangen van Beijing, past de analogie niet makkelijk.

ʻTenzij de Chinese toezichthouders de situatie ernstig mismanagen, is een systeemcrisis in de financiële sector van het land niet aan de orde,ʼ zegt He Wei, een analist bij onderzoeksbureau Gavekal. De belangrijkste oorzaak van Evergrandeʼs crisis en de neergang in de vastgoedsector in het algemeen is Beijing zelf. De ʻdrie rode lijnenʼ die de regering Xi vorig jaar aankondigde, bepalen dat ontwikkelaars hun schulden binnen redelijke grenzen moeten houden. In specifiekere zin moet de verhouding tussen schulden en activa minder dan 70 procent bedragen, de verhouding tussen nettoschuld en eigen vermogen minder dan 100 procent, en de verhouding tussen liquide middelen en kortetermijnschuld ten minste 100 procent. In juni voldeed Evergrande niet aan alle drie de criteria en mocht daarom geen extra schulden meer aangaan – wat tot de huidige crisis heeft geleid.

ʻGemeenschappelijke welvaartʼ

Als het waar is dat Beijing de hoofdoorzaak is van de benarde positie van Evergrande, dan ligt het voor de hand dat Beijing een einde kan maken aan de huidige ineenstorting van de markt door zijn voet van de keel van de vastgoedsector af te halen. Maar diepgaande structurele krachten in de economie hebben Chinaʼs beleidsmakers ervan overtuigd dat vastgoed niet langer een betrouwbare dynamo voor duurzame economische groei kan zijn, zeggen analisten. Dit is niet alleen vanwege Xiʼs beroemde uitspraak dat ʻhuizen zijn om in te wonen, niet om mee te speculeren,ʼ gedaan in een toespraak in 2017.

In de eerste plaats is het beeld van de vraag totaal veranderd sinds Beijing eind jaren negentig vrije markthervormingen doorvoerde die de grootste vastgoedhausse in de geschiedenis van de mensheid veroorzaakten. De Chinese bevolking groeit nauwelijks. In 2020 werden slechts 12 miljoen babyʼs geboren, tegen 14,65 miljoen een jaar eerder, in een land van 1,4 miljard inwoners. De trend zou het komende decennium wel eens meer uitgesproken kunnen worden, aangezien het aantal vrouwen in de piekleeftijd voor het krijgen van kinderen – tussen 22 en 35 jaar – met ruim 30 procent zal dalen. Sommige deskundigen voorspellen dat het geboortecijfer tot onder de 10 miljoen per jaar zou kunnen dalen, waardoor de Chinese bevolking in absolute termen zou krimpen en de vraag naar onroerend goed verder zou afnemen.

Volgens Houze Song, analist bij de in Chicago gevestigde denktank MacroPolo, wordt de situatie nog verergerd door het verschijnsel van de ʻkrimpende steden.ʼ Na ongeveer drie decennia waarin honderden miljoenen mensen hun plattelandsdorpen verlieten om zich in steden te vestigen, is de grootste migratie in de geschiedenis van de mensheid nu vrijwel tot stilstand gekomen. Ongeveer driekwart van de steden in China heeft te kampen met bevolkingsafname, zegt Song. ʻOver tien jaar, zelfs als we ervan uitgaan dat sommige mensen naar groeisteden zullen vertrekken, zullen nog steeds ruim 600 miljoen Chinese burgers in krimpende steden wonen.ʼ China staat voor een riskante transitie. Het begint zijn groeimodel te verschuiven van een te grote afhankelijkheid van onroerend goed naar groeimotoren die de voorkeur genieten, zoals hightechproductie en de inzet van groene technologieën, zeggen analisten.

Ook in dit opzicht is de impuls afkomstig van Xi. In een lijst van acht prioriteiten die na een economische planningsvergadering eind 2020 werd gepubliceerd, werd niet alleen de ʻwanordelijke expansie van kapitaalʼ aan de kaak gesteld – een code voor speculatie in onroerend goed – maar werd ook gepleit voor technologische innovatie en het streven naar koolstofneutraliteit. Analisten zeggen dat het enkele jaren kan duren voor zoʼn transitie een feit is. Maar uit de recente vermaningen van Xi over de noodzaak voor China om ʻgemeenschappelijke welvaartʼ na te streven, blijkt duidelijk dat het hem menens is. De neiging van onroerend goed om in gewilde gebieden een sprong in waarde te maken, terwijl die waarde in wijken met lage huren ondermaats blijft, heeft als gevolg dat de ongelijkheid tussen rijk en arm toeneemt. De slogan ʻgemeenschappelijke welvaartʼ is een narratieve verandering die de weg vrijmaakt voor een verschuiving in het groeimodel,ʼ zegt Miller. ʻHet maakt duidelijk dat een daling van de groei van het bbp geen mislukking hoeft te betekenen voor de Chinese communistische partij.ʼ Toch lijden gewone mensen in heel China onder de pijn van de ineenstorting van de Chinese vastgoedmarkt.

Xu, 36, die vroeg om niet volledig te worden geïdentificeerd, woont in de centrale stad Xinyang en werkt als secretaresse in een plaatselijke fabriek. Haar moeder kocht een hoogrentend beleggingsproduct van Evergrande om de medische rekeningen voor haar longkanker in een vergevorderd stadium te kunnen betalen. Maar het beloofde 7,5 procent rendement op de belegging, die 200.000 renminbi kostte, is er nooit gekomen. In plaats daarvan weigert Evergrande uit te betalen, omdat het bedrijf geld spaart om mogelijk enorme wanbetalingen af te wenden. ʻMijn ouders hebben alles wat ze hebben in Evergrande gestoken,ʼ zegt Xu. ʻDit is niet langer louter een economische kwestie,ʼ voegt ze eraan toe, ʻdit is absoluut een enorm sociaal probleem. Er zullen ernstige gevolgen zijn als deze kwestie niet goed wordt opgelost. Als de gezondheidssituatie van mijn moeder hierdoor verslechtert,ʼ zo zegt ze, ʻzal ik elke dag tegen Evergrande vechten.ʼ

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Filosofie Politiek

De ʻremediesʼ van Gates en Soros verlengen de crisis alleen maar

Oorspronkelijke tekst (Engels): RT, 29 juli 2021

fotografie: Ulf Andersen

door Slavoj Zizek

Slavoj Zizek is cultuurfilosoof. Hij is onderzoeker aan het Instituut voor Sociologie en Filosofie van de Universiteit van Ljubljana, Global Distinguished Professor of German aan de New York University, en internationaal directeur van het Birkbeck Institute for the Humanities van de Universiteit van Londen. Zijn boek Als een dief op klaarlichte dag is verkrijgbaar bij Starfish Books.

De routine van deze miljardairs is niets anders dan een leugen: speculatieve uitbuiting gevolgd door inhoudsloze humanitaire bezorgdheid over de catastrofale gevolgen van iets waar hun meedogenloze kapitalisme in de eerste plaats verantwoordelijk voor is.

Iedere rechtgeaarde linkse politicus zou aan de muur boven zijn bed of eettafel de openingsalinea van Oscar Wildeʼs De ziel van de mens onder het socialisme moeten ophangen, waarin de auteur erop wijst dat ʻhet veel makkelijker is sympathie te hebben voor het lijden dan voor het denken.ʼ

Mensen worden omringd door afschuwelijke armoede, door afschuwelijke lelijkheid en door afschuwelijke hongersnood. Het is onvermijdelijk dat ze door dit alles sterk geraakt worden. Met bewonderenswaardige – hoewel dikwijls verkeerd gerichte – bedoelingen stellen zij zich dan ook zeer serieus en zeer sentimenteel tot taak het kwaad dat zij zien te verhelpen. Maar hun ʻremediesʼ genezen de ziekte niet: zij verlengen haar slechts.

Sterker nog, deze remedies maken deel uit van de ziekte. Het juiste doel is te trachten de maatschappij opnieuw op te bouwen op een zodanige basis dat armoede onmogelijk wordt. En de altruïstische inspanningen hebben de verwezenlijking van dit doel verhinderd. Het is immoreel om privé-bezit te gebruiken om het verschrikkelijke kwaad te verlichten dat het gevolg is van de instelling van het privé-bezit.

Deze laatste zin geeft een kernachtige formule van wat er mis is met de stichting van Bill en Melinda Gates. Het is niet genoeg om er alleen maar op te wijzen dat de liefdadigheidsinstelling van Gates gebaseerd is op brutale handelspraktijken – je moet een stap verder gaan en ook de ideologische grondslag van de liefdadigheidsinstelling van Gates aan de kaak stellen, de leegheid van haar pan-humanitarisme.

De titel van Sama Naamiʼs essaybundel ʻWeigering van respect: Waarom we vreemde culturen niet moeten respecteren. En onze eigen ook niet,ʼ slaat de spijker op zijn kop: het is de enige rechtgeaarde stellingname ten opzichte van de andere drie variaties op ditzelfde thema. Gatesʼ liefdadigheid impliceert de formule: respecteer alle culturen, je eigen en die van anderen. De rechts-nationalistische formule luidt: respecteer je eigen cultuur en veracht andere, die er minderwaardig aan zijn. De politiek correcte formule is: respecteer andere culturen, maar veracht je eigen cultuur, die racistisch en kolonialistisch is (daarom is politiek correcte woke-cultuur altijd anti-eurocentrisch).

De correcte linkse stellingname is: breng de verborgen tegenstellingen van je eigen cultuur aan het licht, verbind die met de tegenstellingen van andere culturen, en ga dan een gezamenlijke strijd aan met degenen die tegen de onderdrukking en de overheersing strijden die in onze cultuur werkzaam zijn, en met degenen die hetzelfde doen in andere culturen.

Dit impliceert iets wat misschien schokkend klinkt, maar we moeten erop blijven hameren: je hoeft immigranten niet te respecteren of lief te hebben – wat je moet doen is de situatie veranderen, zodat zij niet meer hoeven te zijn wat zij zijn. De burger van een ontwikkeld land die minder immigranten wil en bereid is iets te doen, zodat ze niet naar deze plek hoeven te komen die ze meestal zelfs niet eens leuk vinden, is veel beter dan een humanitair ingesteld iemand die openheid jegens immigranten predikt, terwijl hij in stilte deelneemt aan de economische en politieke praktijken die de landen waar immigranten vandaan komen te gronde hebben gericht.

Een paar jaar geleden vond ik in een winkel in Los Angeles een chocolade laxeermiddel, een stuk chocolade met de volgende paradoxale tekst op de wikkel: ʻHeeft u last van constipatie? Eet meer van deze chocolade!,ʼ d.w.z. consumeer juist datgene wat constipatie veroorzaakt.

De structuur van dit ʻchocolade laxeermiddel,ʼ d.w.z. van een product dat een middel bevat dat het product zelf in toom houdt, kan in het hele ideologische landschap van vandaag de dag worden waargenomen. Er zijn twee themaʼs die bepalend zijn voor een liberale tolerante houding tegenover anderen: het respect voor het andere, de openheid jegens het andere, EN de obsessieve angst voor intimidatie – kortom, de ander is OK voor zover zijn aanwezigheid niet opdringerig is, voor zover de ander niet echt anders is…

In de strikte homologie met de paradoxale structuur van het chocolade laxeermiddel, valt de tolerantie hiervoor samen met haar tegendeel: mijn plicht om tolerant te zijn tegenover de ander betekent in feite dat ik niet te dicht bij hem mag komen, dat ik niet in zijn ruimte mag binnendringen – kortom, dat ik zijn INTOLERANTIE tegenover mijn te grote nabijheid moet respecteren.

Dit is wat steeds meer naar voren komt als het centrale ʻmensenrechtʼ in de laat-kapitalistische samenleving: het recht om niet ʻlastig gevallenʼ te worden, om op een veilige afstand van de anderen te worden gehouden. Een soortgelijke structuur is duidelijk aanwezig in hoe wij ons verhouden tot kapitalistische woekerwinsten: het is OK als daar liefdadigheid tegenover staat – eerst vergaar je miljarden, en dan geef je (een deel) daarvan terug aan de behoeftigen.

En hetzelfde geldt voor oorlog, voor de opkomende logica van humanitair of pacifistisch militarisme: oorlog is OK voor zover hij werkelijk dient om vrede of democratie tot stand te brengen, of om de voorwaarden te scheppen voor het distribueren van humanitaire hulp. En geldt dit ook niet steeds meer voor democratie en mensenrechten: mensenrechten zijn OK als ze worden ʻheroverwogen,ʼ zodat ze marteling en een permanente noodtoestand kunnen omvatten, democratie is OK als zij wordt gezuiverd van haar populistische ʻexcessenʼ en beperkt wordt tot diegenen die ʻvolwassenʼ genoeg zijn om haar in de praktijk te brengen…

Deze structuur van het ʻchocolade laxeermiddelʼ is ook wat figuren als Bill Gates of George Soros ethisch zo problematisch maakt: staan zij niet voor de meest meedogenloze financiële speculatieve uitbuiting, gecombineerd met zijn antithese, de humanitaire bezorgdheid over de catastrofale sociale gevolgen van de ongebreidelde markteconomie? De dagelijkse routine van Soros zelf is de belichaming van een leugen: de helft van zijn werktijd besteedt hij aan financiële speculatie, en de andere helft aan ʻhumanitaireʼ activiteiten (het financieren van culturele en democratische activiteiten in post-communistische landen, het schrijven van essays en boeken) die uiteindelijk de gevolgen van zijn eigen speculatieve gedrag bestrijden.

De crisis waarin wij verkeren is te ernstig om haar met chocolade laxeermiddelen te bestrijden. We hebben louter bittere laxeermiddelen nodig – we bevinden ons (nog) niet in oorlog, maar misschien wel in iets wat nog gevaarlijker is: we vechten niet tegen een vijand, de enige vijand zijn wij zelf, de destructieve gevolgen van de kapitalistische productiviteit.

Herinnert u zich nog dat Cuba na de val van de Sovjet-Unie een ʻSpeciale Periode in Tijden van Vredeʼ (ʻperiodo especial en tiempos de pazʼ) afkondigde: oorlogsomstandigheden in een tijd van vrede. Misschien is dit de term die we zouden moeten gebruiken voor onze huidige situatie: we gaan een zeer speciale periode in in een tijd van vrede.

Vertaling: Menno Grootveld