Categorieën
Economie Politiek

Giorgia Meloni is geen radicaal

Oorspronkelijke tekst (Engels): Unherd, 27 september 2022

fotografie: UnHerd

door Thomas Fazi

Thomas Fazi is schrijver, journalist en vertaler. Zijn jongste boek Reclaiming the State verscheen bij Pluto Press.

De Italiaanse kiezers weten dat er niets zal veranderen

De internationale reactie op de (alom voorspelde) overwinning van Giorgia Meloni bij de Italiaanse verkiezingen van afgelopen zondag kan in twee kampen worden verdeeld: de linkse liberalen vrezen dat een centrumrechtse regering onder leiding van Meloni Italië in een ʻilliberale democratieʼ à la Hongarije zal storten, terwijl de rechtse partijen haar opkomst als een dodelijke bedreiging voor het ʻglobalistischeʼ regime van de EU beschouwen. Beide kampen zitten er even ver naast.

Misschien wel de meest veelzeggende reactie op de verkiezingen is die van de financiële markten: onverschilligheid. De beurs van Milaan steeg de maandagochtend na de verkiezingen zelfs, terwijl de spread tussen Italiaanse en Duitse staatsobligaties met een looptijd van tien jaar een kleine opleving kende, maar niet groter is geworden dan een maand geleden. De markten verwachten duidelijk niet dat Meloni veel zal afwijken van het macro-economische pad dat de technocraten in Brussel en Frankfurt voor het land hebben uitgestippeld en dat door Mario Draghi is verankerd – laat staan dat zij de EU de voet zal dwarszetten.

En terecht. Meloni heeft zich met volle overtuiging uitgesproken vóór de Europese Unie, het Euro-Atlantisch partnerschap en de NAVO, en heeft zelfs voor het sturen van wapens naar Oekraïne gestemd. Wat alle belangrijke kwesties van dit moment betreft, denken de markten terecht dat zij de lijn van het establishment zal volgen. Vandaar hun relatieve rust – in schril contrast met de turbulentie na de verkiezingen van 2018, toen de Vijfsterrenbeweging en de Lega aan de macht kwamen, die destijds nog vrij eurosceptisch waren (voordat ze door het establishment van de EU tot overgave werden gedwongen).

Meloni’s pro-establishment benadering van het economisch beleid is niet alleen te wijten aan een gebrek aan verbeeldingskracht van haar kant, hoewel ze altijd vrij gangbare opvattingen over deze materie heeft gehad. Het is in de eerste plaats te wijten aan het feit dat ze zich er ten volle van bewust is dat Italië, door zijn toetreding tot de eenheidsmunt, niet langer een soeverein land is, en dat ze daarom de steun van het EU-establishment nodig heeft om aan de macht te blijven. Ze heeft in feite de les geleerd van de ʻpopulistischeʼ Vijfsterren-Lega-regering van 2018, toen de Europese autoriteiten hun toevlucht namen tot een breed scala aan instrumenten – waaronder financiële en politieke druk – om iedere potentiële afwijking van de status quo de kop in te drukken.

Tijdens een recente toespraak aan de Princeton-universiteit heeft de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, dit concept nader toegelicht. Op de vraag of zij zich zorgen maakte over de komende verkiezingen in Italië, antwoordde ze: ʻAls de dingen zich in “een moeilijke richting” bewegen, hebben we instrumenten [om met de situatie om te gaan].ʼ Daarmee liet ze zien hoe de heersende elites van de EU de lidstaten zien: niet als soevereine landen maar als protectoraten.

Meloni begrijpt dit. Een groot aantal Italianen begrijpt dit echter ook en deelt het oordeel van de financiële markten: de Italiaanse democratie is zó ingeperkt dat het niet meer uitmaakt wie de verkiezingen wint. Want ver weg van de gierende krantenkoppen was het meest opvallende aspect van de verkiezingen in feite de lage opkomst – 64 procent, de laagste in de geschiedenis van Italië. Dit betekent dat een derde van de Italianen niet heeft gestemd; deze mensen hebben de democratie opgegeven. Dit aantal zal alleen maar toenemen – een vernietigende aanklacht tegen de manier waarop de EU de Italiaanse democratie heeft uitgehold.

In die zin moet de overwinning van Meloni niet worden overdreven. Weliswaar is Broeders van Italië met 26 procent van de stemmen (tegen 4,4 procent in 2018) veruit de grootste partij van het land geworden – gevolgd door de Partito Democratico (19 procent) en de Vijfsterrenbeweging (15,6 procent) – maar dat is niets vergeleken met de 32,6 procent die de Vijfsterrenbeweging bij de verkiezingen van 2018 behaalde. Bovendien, als we kijken naar de totale aantallen, kregen de drie partijen van de centrum-rechtse coalitie – Broeders van Italië, Lega en Berlusconiʼs Forza Italia – gezamenlijk vrijwel hetzelfde aantal stemmen als in 2018: iets meer dan twaalf miljoen. Er is dus geen sprake van een massale ʻruk naar rechtsʼ onder het Italiaanse electoraat, zoals verschillende analisten hebben gesuggereerd; in feite zijn we vooral getuige geweest van een herschikking van de stemmen tussen de centrum-rechtse partijen.

Hetzelfde geldt voor de centrum-linkse coalitie – de Partito Democratico plus een stel kleinere partijen – die in totaal 7,2 miljoen stemmen haalde, slechts iets minder dan de 7,5 miljoen stemmen die zij in 2018 kreeg. Over het geheel genomen lijken de twee coalities dus een redelijk geconsolideerde basis te hebben die de afgelopen vier jaar grotendeels ongewijzigd is gebleven.

De echte uitschieter is de Vijfsterrenbeweging, die verbazingwekkend genoeg van 10,7 miljoen stemmen in 2018 naar 4,2 miljoen stemmen nu is gegaan – een verbijsterende daling van 6,5 miljoen. Interessant genoeg is zes miljoen ook het aantal mensen dat bij deze ronde niet is komen opdagen om te stemmen, in vergelijking met 2018. De implicaties zijn nogal duidelijk: voor miljoenen gemarginaliseerde, werkloze, precaire en lage-inkomensstemmers die hun hoop op een radicale breuk met de status quo hadden gevestigd op de Vijfsterrenbeweging – om vervolgens met lede ogen te moeten aanzien hoe die partij al haar beloften in de wind sloeg en zich in de loop van slechts een jaar aan het establishment verbond – heeft geen van de bestaande partijen iets te bieden, zelfs Broeders van Italië niet.

Hoewel Vijfsterrenleider Giuseppe Conte er de afgelopen weken in is geslaagd een klein deel van zijn achterban terug te winnen, vooral door de inkomenssteunregeling van de Vijfsterrenbeweging harder te verdedigen en kritiek te leveren op de militaire steun van Italië aan Oekraïne, was het voor de meeste kiezers een geval van te weinig en te laat. Veel van het anti-establishmentsentiment in de Italiaanse samenleving blijft dus springlevend; het heeft alleen geen politiek kanaal om zich te uiten.

Het zoeken naar diepgaande sociologische implicaties die de overwinning van Meloni zouden kunnen verklaren, is dan ook tijdverspilling. De meeste mensen die op haar gestemd hebben, hebben niet echt op haar gestemd; ze verwachten althans niet dat ze het land op een betekenisvolle manier zal veranderen. Er is geen echte volksbeweging of sociale basis die Meloni steunt. Simpel gezegd was het voor de meeste centrumrechtse kiezers eenvoudigweg ʻhaar beurt.ʼ

Wat zal ze kunnen laten zien? Niet veel, aangezien het onwaarschijnlijk is dat Meloni het economische kader van de EU ter discussie zal stellen en omdat Brussel, samen met haar handlanger, de Italiaanse president, de ʻrechtsstaatʼ-kwesties nauwlettend in de gaten zal houden. Sommigen vinden dit misschien geruststellend. Maar nu Italië (en Europa als geheel) een zeer turbulente winter tegemoet gaat – die instrumenten voor economisch ingrijpen zal vereisen die Meloni niet heeft – zullen velen misschien de deugden van de Europese ʻbeperkte democratieʼ willen heroverwegen. En laten we niet vergeten: in Italië kan zó weer een nieuwe technocratische regering aantreden…

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Filosofie Politiek

Een wereld van kampen

Voorpublicatie uit het boek Anti-nihilisme; engagement in de 21ste eeuw (Uitgeverij Pluim); vanaf dinsdag 13 september verkrijgbaar bij de betere boekwinkel

fotografie: Uitgeverij Pluim

door Arthur en Jarmo Berkhout

De tweelingbroers Arthur en Jarmo Berkhout (1992) zijn schrijvers en activisten. Sinds hun actieve betrokkenheid bij de Maagdenhuisbezetting van 2015 zijn de barricaden hun tweede thuis en zoeken ze via literatuur, filosofie en politieke strijd naar een alternatief voor het neoliberalisme.

Een wereld van kampen

Het kamp heeft tegenwoordig een bijna onbeperkte hoeveelheid verschijningsvormen: ‘vluchtelingenkampen, kampen voor displaced persons (ontheemden), kampen voor migranten, kampen voor vreemdelingen, wachtzones voor mensen die in de procedure zitten, transitzones, centra voor retentie of administratieve detentie, identificatie- en uitzetcentra, grensovergangen, opvangcentra voor asielzoekers, tijdelijke opvangcentra, vluchtelingendorpen, dorpen voor de integratie van migranten, getto’s, jungles, tehuizen, migrantenhuizen, et cetera.’1 Het kamp duikt overal op waar de mobiliteit van mensen tot een politiek probleem wordt gemaakt. Waar mensen, vanwege hun toebehoren tot een als extern gedefinieerde groep, bij voorbaat als probleem worden bestempeld.

Hierin staat Europa niet alleen. In de vs in de jaren van Trump openbaarde het grensgebied met Mexico, voor de ogen van het publiek, zich als een versnipperd gebied. Een gerafelde en gevaarlijke zone waarin muren – en uiteindelijk The Wall – werden afgewisseld door kampen en gevangenissen, waarin mensen in kooien werden gehouden. In China bleek de centrale overheid de Oeigoerse moslimbevolking in het westen van het land massaal te surveilleren en te laten verdwijnen in zogenaamde heropvoedingskampen; het aantal gevangenen schommelt rond het miljoen.

En dit zijn alleen de voorbeelden die de laatste jaren het besef hebben doen groeien dat er sprake is van een crisis, tezamen met het feit dat ongeveer tachtig miljoen mensen momenteel op de vlucht of ontheemd zijn, een ongekend groot aantal. Terwijl men zich blindstaarde op het nationalistische populisme van Trump, dat verantwoordelijk zou zijn voor de terugkeer van de muur in het tijdperk van internationale samenwerking, vergat men dat dergelijke grensversperringen ook hier als normaliteit voor lief genomen worden, zelfs zodanig dat het niet eens een thema is.

Het meest kenmerkende aspect van het moderne kamp, en het meest frappante ervan, is dan ook dat er geen sprake is van een directe correlatie tussen zijn bestaan en verspreiding enerzijds, en een staatsvorm of heersende ideologie anderzijds. Of het nou de (in naam) liberaal-democratische Europese landen zijn, de nationalistisch-populistische vs van Trump, het staatscommunistische China (en dan hebben we het nog niet eens over Australië en zijn offshore detentiecentra, de Israëlische behandeling van de Palestijnen, het lot van de Rohingya in Myanmar en talloze andere voorbeelden) – de kampen zijn overal. Zelfs de bruutheid van de manier waarop (toekomstige) kampbewoners worden behandeld is slechts een kwestie van gradaties (en dat dan ook nog eens als beeldvorming: openlijke wreedheid in de vs, verdekte en handenwringende wreedheid in de eu, botte ontkenning in China, et cetera).

In de tweede plaats kunnen we ook niet zeggen dat kampen slechts een tijdelijk fenomeen zijn, een uitzondering op de normaliteit van een kamploze wereld. Ze hebben een vaste plek gekregen, ze zijn een vaste techniek geworden in de praktijk van de grensbewaking.

De reactie op de verwoesting door brand van het kamp Moria op het Griekse eiland Lesbos was wat dit betreft onthullend. De morele verontwaardiging die veel mensen, en zelfs enkele politici, toen uitten, was beter dan de zwijgende onverschilligheid die daarvóór heerste. Maar het werd ook meteen duidelijk dat er absoluut geen aanstalten werden gemaakt om iets wezenlijks te veranderen aan het kampencomplex. De voorgestelde oplossing voor het Moria-probleem was om een paar honderd kinderen op te vangen, en de meest ‘humane’ voorgestelde oplossing was om iedereen op te vangen (wat niet is gebeurd).

Maar de totstandkoming van het kamp zelf, de vraag hoe dit soort gevangenissen kunnen ontstaan en of het te rechtvaardigen valt dat ze überhaupt bestaan, de overduidelijke teloorgang van de universele strekking van de mensenrechten – over dit alles ging het niet. Het bouwen van kampen, en het periodiek betreuren van eventuele slachtoffers, krijgt de voorkeur boven een fundamentele herziening van het grensbeleid zelf.

Dit roept het naoorlogse ‘Dit nooit weer!’ in het geheugen. Is er sprake van collectieve cognitieve dissonantie in Europa? Is het bestaan van het kamp zo choquerend dat we niet kunnen accepteren dat het weer terug is, als een spook uit een verleden dat men plechtig had beloofd niet te laten terugkeren? Moeten we anders niet toegeven dat wij de fascisten van onze eigen tijd zijn?

Het was Hannah Arendt die er als een van de eersten op wees dat er een specifieke relatie bestond tussen fascisme en kolonialisme. Zij beschouwde de imperiale periode als een voorbode van de fascistische horrorregimes van de twintigste eeuw, als een ‘preparatory stage for coming catastrophes.’2 Die regimes kwamen niet uit de lucht vallen, maar waren al voorbereid tijdens de koloniale periode en keerden als een boemerang terug naar de eigen bevolking: fascisme als een geïnverteerd, naar binnen gekeerd kolonialisme.

De Martinikaanse dichter Aimé Césaire maakte al in de jaren vijftig in zekere zin het omgekeerde punt.3 Nazisme bestond al ver voor de Tweede Wereldoorlog, en wel in de gekoloniseerde wereld, waar racisme, genocidaal geweld, totale disciplinering van de bevolking, dwangarbeid, strafkampen en onbegrensde exploitatie volkomen genormaliseerd waren. De eerste concentratiekampen werden aan het begin van de twintigste eeuw door de Britten ingericht, tijdens hun oorlog met de rebellerende Boeren, de witte settler-bevolking van Zuid-Afrika. Ze sloten daarin maanden achtereen tienduizenden mannen, vrouwen en kinderen op. De eerste genocide van de twintigste eeuw werd door de Duitsers gepleegd op de Herero, tussen 1904 en 1908, in wat nu Namibië is. Lang voordat de Holocaust in Europa plaatsvond, waren vrijwel alle elementen van het fascisme al staande praktijk in de rest van de wereld.

De koloniale voorgeschiedenis van het fascisme heeft echter geen sterke aanwezigheid in het westerse bewustzijn. De misdadigheid van de concentratiekampen wordt meestal exclusief toegeschreven aan totalitaire systemen – naast het fascisme ook nog het Sovjetcommunisme – en die systemen zijn inmiddels overwonnen. In de universele liberale democratie waar we nu in leven zou het onmogelijk zijn dat er nog kampen bestaan.

Maar de koloniale praktijken van weleer hebben wel degelijk de oorlog overleefd. Wat we kunnen zien aan het hedendaagse Europa is dat er geen totalitair systeem meer nodig is om het onacceptabele uit te voeren: het aanbrengen van een hiërarchie in de waarde van mensenlevens. Van de ‘verkeerde’ kant van de grens komen betekent nu bij voorbaat gezien worden als de Ander, die geen recht heeft op gelijke behandeling als een gelijkwaardig mens. En zodra de minderwaardigheid van de Ander een algemeen feit wordt, als het leven van de Ander, in de woorden van de Amerikaanse filosoof Judith Butler, niet meer geldt als grievable, ‘onze rouw waardig,’ dan is één noodzakelijke voorwaarde al aanwezig om mensen in kampen op te sluiten.4


De permanente uitzondering

Als een nieuw kamp even snel wordt gebouwd als het vorige in vlammen opging, dan wijst dat op het buitengewone belang dat ook in onze gemondialiseerde wereld wordt toegekend aan grenzen. Wat is precies de functie van de grens?

Een grens stellen we ons doorgaans voor als een lijn: de cartografische lijn die we in atlassen het ene land van het andere zien scheiden. Hij geeft de uiterste limiet weer van waar ‘wij’ thuishoren. Hij omsluit het territorium waarover een staat heerst, en waarbinnen een volk een vaste plek heeft. De grens ondersteunt dus de verbeelding van de moderne drie-eenheid van staat, territorium en volk – wat ook de reden is dat nationalisten van alle landen zo verzot zijn op kaarten.

Nu klopt het dat de mondialisering dit type grens minder relevant heeft gemaakt – althans voor sommigen. Als een paspoorthouder van het ene land naar het andere gaat, de grenslijn oversteekt, dan zal ze haar identiteit moeten laten controleren, maar aan haar status zal dat weinig afdoen; ze behoudt alle rechten die ze al had.

Voor vluchtelingen, migranten en asielzoekers is deze grens echter iets heel anders dan een simpele lijn. Voor hen is de grens een labyrint of een gevangenis, een assemblage van allerlei verschillende obstakels, beleidsinstrumenten, wetten en confrontaties met verschillende actoren met verschillende maten van macht. De grens is voor hen een specifiek regime.

De grens oversteken leidt niet tot opname in een nieuw territorium, waar men dan een beroep kan doen op gelijke behandeling onder de heersende wetten. Het leidt tot onderwerping aan het grensregime, dat zal bepalen of de reis een vervolg heeft, of er überhaupt sprake kan zijn van toegang tot rechten en of er leven zal zijn in het land van aankomst. Kamp Moria en zijn opvolger, evenals de andere hotspots in de Zuid-Europese landen, zijn plekken waar dit grensregime een materiële vorm krijgt.

Hoe dienen we dat te begrijpen? Het kamp is volgens de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben een permanente uitzondering. Het is een plek die zich op de rand bevindt tussen het ‘binnen’ van de rechtsstaat – waarin wetten, normen en voorspelbaarheid gelden – en het ‘buiten’ van de wetteloosheid, waar geen wet heerst. Het kamp haalt het ‘buiten’ binnen, maar op een gecontroleerde manier.

Als uitzondering op de normale toestand moet het kamp specifieke doeleinden hebben; het mag zelf niet normaal worden, maar tegelijkertijd moet die uitzonderlijkheid permanent gemaakt worden, zodat het kamp altijd die functies kan vervullen die in het ‘binnen’ van de rechtsstaat niet mogelijk zijn: mensen voor onbepaalde tijd gevangenhouden zonder vorm van proces, mensen hun recht op asiel ontnemen, mensen laten werken zonder arbeidsrechten, et cetera. Zo beschouwd staat het kamp voor een vorm van machtsuitoefening die op een dieper niveau ingrijpt dan de verplichting de wet te eerbiedigen. In het kamp wordt besloten of een mens toegang krijgt tot rechten, of hij deel gaat uitmaken van de politieke gemeenschap, of hij erkend zal worden als gelijkwaardige.

Het grenskamp creëert daarmee een paradox in het hart van onze conceptie van recht überhaupt. Hannah Arendt heeft hier al op gewezen in The Origins of Totalitarianism. Ze beschrijft daarin de ervaring waaraan ze zelf, toen ze als gevolg van de nazistische machtsovername op de vlucht sloeg, was blootgesteld: de ervaring van stateloosheid. De gevolgen waren desastreus. Nadat ze als joodse was gearresteerd door de nazi’s en het land ontvluchtte, werd ze als Duitse in een Frans interneringskamp opgesloten.5 Ze ontsnapte ternauwernood, om uiteindelijk het Amerikaanse staatsburgerschap aan te nemen.

In die jaren van ballingschap ontwikkelde ze het inzicht dat het moderne rechtssysteem wordt gekenmerkt door een centrale tegenstrijdigheid. De emancipatie van de mens, zoals nagestreefd door de Franse Revolutie, stoelt op het idee van universele mensenrechten. De mens zelf wordt gepresenteerd als de bron van de wet, die gelijk is voor allen – in plaats van de verondersteld door God gegeven orde, met haar privileges voor de heersende elite. Mensenrechten zouden daarom moeten betekenen dat de wet onafhankelijk is van de willekeur van de staatsmacht.

Wat Arendt als vluchteling echter aan den lijve ondervond, was dat nou juist alleen staten functioneren als de waarborg van het recht. Wie dus ineens van haar burgerschap wordt beroofd, zonder opgenomen te worden door een andere staat, verliest in feite de toegang tot haar rechten als mens. De bittere conclusie luidde dan ook dat mensenrechten in de praktijk gelijkstaan aan burgerrechten, en dat het verlies van het een het verlies van het ander impliceert: ‘Loss of national rights was identical with loss of human rights’.6

De implicaties hiervan zijn verstrekkend. Het betekent dat de emancipatie van de mens weliswaar als iets universeels wordt gedacht, maar dat die emancipatie alleen werkelijkheid kan worden binnen het kader van de staat – de moderne drie-eenheid van staat, territorium en volk. Menselijkheid wordt daardoor, zo betoogt Arendt, voorwaardelijk gemaakt. Alleen wie deel uitmaakt van een politieke gemeenschap (gewaarborgd door de staat) heeft ook toegang tot de menselijke gemeenschap. De stateloze, uitgesloten van een politieke gemeenschap, valt dus buiten de sfeer waarbinnen haar menselijkheid bij voorbaat wordt erkend; ze is een paria. ‘Not the loss of specific rights, then, but the loss of a community willing and able to guarantee any rights whatsoever, has been the calamity which has befallen ever-increasing numbers of people’.7

Wat Hannah Arendt driekwart eeuw geleden in de context van de Tweede Wereldoorlog doorzag, geldt nu nog onverminderd voor de migrerende mens. Het wereldwijde systeem van natiestaten produceert een onophoudelijke stroom van paria’s: mensen die buiten de protectie van een soeverein gezag vallen en zo ontdaan worden van hun menselijkheid.8

Als we nu terugkeren naar Agamben kunnen we begrijpen dat het grenskamp die paradox van de mensenrechten moet zien te managen. Het kamp maakt het mogelijk om mensen weliswaar in het territorium van de staat binnen te laten, maar zonder ze toegang tot de gemeenschap te verschaffen – en op deze wijze de paria, of wat Agamben het ‘naakte leven’ noemt (het menselijk leven zonder rechten), te fixeren in een exceptionele zone. Het grenskamp functioneert door voor bepaalde mensen en groepen de bestaande wetten op te schorten, maar die mensen tegelijkertijd te onderwerpen aan het heersende gezag. En dat is wat de uitzondering betekent.

In flagrante tegenspraak met de officiële doctrine van de beperking van de staatsmacht door de mensenrechten, kan de staat (en de staat alleen) ertoe overgaan om juist die rechten op te heffen. Precies doordat menselijkheid voorwaardelijk is gemaakt aan het lidmaatschap van een politieke gemeenschap, kan een mensenleven in principe altijd gereduceerd worden tot het naakte leven.

Het punt van Agamben is dat dit in bepaalde gevallen zelfs geldt voor hen die formeel deel uitmaken van de politieke gemeenschap. Dat kan zich op allerlei manieren manifesteren. In Nederland was het toeslagenschandaal hier een duidelijk voorbeeld van. Zodra de staat een bepaalde groep mensen als gevaar heeft bestempeld – als ‘fraudeurs’ bijvoorbeeld – is de uitvoerende macht nauwelijks meer te beteugelen. Voor de slachtoffers was de rechtsstaat in feite uitgeschakeld; ze werden interne paria’s.

En precies in dat vermogen van het gezag – om uitzonderingssituaties te creëren waarin het onbeteugeld heerst – ontplooit zich zijn volle soevereiniteit. In het Middellandse Zeegebied is de Europese Unie er voortdurend mee bezig dat gezag uit te breiden. Ze probeert er onder meer voor te zorgen dat vluchtelingen überhaupt de rand van het Europese territorium – en dus het ‘binnen’, met zijn wetten en rechten – niet bereiken, door ze voortijdig tegen te houden, waar nodig in innige samenwerking met autoritaire regimes.

Ondertussen is de rand opgeschoven tot in de Sahara. Dieper en dieper in het Afrikaanse continent reiken de versperringen en obstakels voor de bewegingen van mensen die alleen in potentie asielzoekers zijn, of zelfs dat niet eens. Door deals te sluiten met regeringen van Afrikaanse landen en miljardensteun te geven voor steeds strengere controles van mensen die zich bewegen in een gebied waar ook de vluchtroutes richting Europa doorheen lopen, probeert de eu de mobiliteit te reguleren van grote groepen mensen die zich op een geheel ander continent bevinden. De werkelijke grens loopt dus allang niet meer langs netjes afgebakende territoria, maar scheidt twee geheel verschillende ruimtes van elkaar, die niet als zodanig zijn waar te nemen op de wereldkaart.

De grens die door het kamp bewaakt wordt, is het allesbepalende verschil tussen de rechteloze mens en de mens met rechten.


De Schmitt-utopie

Daarmee voldoet de moderne grenspolitiek volledig aan de denkbeelden van Carl Schmitt. Schmitt – nazi-jurist en invloedrijk politiek denker – is bekend van het idee dat politiek ontstaat met het aanwijzen van het onderscheid tussen vriend en vijand. Het is het verschil met de Ander dat ons constitueert als politieke gemeenschap. Wij, als gemeenschap, als volk, als demos, ontstaan doordat we ons onderscheiden van hen, de anderen.9

Volgens Schmitt is dit letterlijk een onderscheid van leven of dood. Dat wat volgens hem een politieke gemeenschap formeert is niet alleen de bereidheid van haar leden om het eigen leven te riskeren ter bescherming ervan, maar ook om het leven van de buitenstaander te beëindigen. Het is de staat die dit onderscheid bekrachtigt, die de soevereine beslissing neemt wie vriend is en wie vijand. Wie, met andere woorden, recht heeft op leven en wie a priori aan de dood is uitgeleverd.

Als nazisympathisant had Schmitt natuurlijk niks op met het liberalisme. Vermenging van de gemeenschap, een verlies van zuiverheid, verzwakt het absolute politieke onderscheid waarop de effectiviteit van de staatsmacht berust. Maar misschien wel het meest frappante aan Schmitt is dat hij zijn anti-liberalisme als een hogere vorm van democratie beschouwde.

De redenering daarachter is simpel. Als democratie letterlijk ‘de macht van het volk’ betekent, dan verhindert het liberale meerpartijenstelsel dus noodgedwongen dat het gehele volk in de macht deelt (aangezien niet iedereen in de regering zit). Voor Schmitt is ware democratie daarom de afwezigheid van iedere vorm van oppositie. De staat is de uitvoerder van de wil van het volk, maar kan dat alleen zijn wanneer dat volk een absolute eenheid vormt. Dat is echter alleen mogelijk wanneer het gezuiverd wordt van veronderstelde vreemde elementen. Democratie is het proces van homogenisering.

Het is duidelijk dat deze logica nog altijd ten grondslag ligt aan de hedendaagse extreemrechtse bewegingen (en het verklaart waarom de meest rabiaat-rechtse partij van Nederland het woord ‘democratie’ in de naam gebruikt). Het zogenaamde populisme is niks anders dan het streven om onbelemmerd te kunnen heersen, in naam van een denkbeeldig volk dat gezuiverd dient te worden van de Vijand. De beide hoofdkenmerken van ‘populisme,’ die zelfverklaarde experts eraan toeschrijven – de tegenstelling tussen volk en elite, en de afkeer van mondialisering – zijn dan ook volledig ongefundeerd.

In de eerste plaats gaat het om een specifiek project van de elite, namelijk om het volk te homogeniseren zodat de staatsmacht ten volle uitgeoefend kan worden. Dit is alleen mogelijk zolang genoeg mensen een actief verlangen naar heerschappij koesteren – het verlangen om geregeerd te worden. Niet tégen de elite dus, maar vóór een positie van bescherming door de elite – hoe twijfelachtig, hoe leugenachtig die elite ook moge zijn.

In de tweede plaats staat niks hiervan de economische integratie in het gemondialiseerde circuit in de weg; sterker nog, die wordt actief nagestreefd. Zo staat Poetin aan het hoofd van een clique roofkapitalisten (de term ‘oligarch’ wekt de valse suggestie dat alleen Russen kleptocraten kunnen zijn) die volledig opgenomen zijn in de door zelfbenoemde nationalisten zo gehate ‘mondialistische elite’. Zij zíjn die elite.

De neopatriarchale repressie is niks anders dan een op bloed en bodem geïnspireerde ideologie die de noodzakelijke zuivering van het etnische volk rechtvaardigt. Het effect daarvan is dat de soevereiniteit van de staat op geen enkel moment wordt bedreigd door die van het daadwerkelijke volk – dat wil zeggen de menselijke gemeenschap die de autonomie over haar eigen leven niet ondermijnd zou zien door schaamteloze uitbuiting en onderdrukking. De mythische voorstelling van ‘het volk’ (vast bestanddeel van ieder nationalisme) werkt dus alleen maar de bestaande kapitalistische heerschappij in de hand. Het hoogste wat bereikt kan worden is dat een deel van de mensen een speciale bescherming geniet, maar altijd ten koste van anderen, en uiteindelijk ook ten koste van henzelf.

Het is een extreme vorm van het nihilisme van de macht: in plaats van een positief principe waarop de gemeenschap kan worden gegrondvest, treffen we niks dan leegte aan. En wanneer het nihilisme zich zo volledig weet te vestigen, worden de menselijke betrekkingen bijna uitsluitend nog geregeerd door wat Achille Mbembe de ‘politiek van vijandschap’ noemt. In een dergelijke politiek versterkt de staat zijn soevereiniteit door het verdelen van de gemeenschap in verschillende en afgescheiden groepen op basis van verwantschap, en voorkomt hij juist het versterken van de gemeenschap op basis van solidariteit.10

De vraag is nu of dit soort praktijken is voorbehouden aan autocratische regimes. Zijn onze liberale democratieën wel écht een bolwerk tegen de homogeniserende tendens van de staatsmacht? Als we nu kijken naar de situatie in de grenskampen, moeten we vaststellen dat het schmittiaanse vriend-vijandschapsschema in feite nog springlevend is.

Er is geen enkele garantie dat asielzoekers hun recht op asiel kunnen doen gelden, geen enkele aanspraak op gelijke behandeling, geen sprake van onvoorwaardelijke toegang tot de menselijke gemeenschap. Het prikkeldraad, de drones, de grenswachten, de pushbacks, de patrouilleboten en de opsporingstechnologieën produceren hen als de Ander, en tegelijkertijd wordt daarmee een ‘wij’ geproduceerd: de mensen binnen de grenzen, de mensen met rechten, de mensen die bij elkaar horen als ‘volk’, dat beschermd moet worden. De grens die door de kampen wordt gevormd is een scheidslijn die in wezen raciaal is, omdat hij bevolkingsgroepen van elkaar segregeert op basis van hun afkomst.

Daarmee is de Schmitt-utopie ten volle gerealiseerd: de instituties en de legitimiteit van de staat ontstaan niet omdat ‘wij’ ze maken – de gemeenschap die zichzelf een politieke vorm geeft, op basis van haar eigen verlangens, wensen en behoeftes, waarmee ook de mogelijkheid van werkelijke democratie ontstaat – maar top-down, door de naakte macht die besluit over de uitzondering, daarmee zichzelf constitueert als de soeverein, en louter in die beweging ook de politieke gemeenschap schept.

De mensen die Europa proberen te bereiken zijn het slachtoffer van deze vorm van machtsuitoefening, die in wezen draait om het vermogen van de staatsmacht om een ander als vijand aan te wijzen en langs die weg een ‘wij’ te vormen.

Het begint nu duidelijker te worden waarom grenzen tegenwoordig zo belangrijk zijn, en waarom de kampen geaccepteerd worden als een noodzakelijk bijverschijnsel van iedere grensbewaking. Aan de grens wordt de verhouding bepaald tussen de Ander, degene die van elders komt, en onszelf, degenen die er al waren en een exclusief recht hebben om te verblijven waar ze al zijn. Aan de grens wordt de vijand aangewezen.

Met die verhouding wordt soevereiniteit gecreëerd: een vorm van machtsuitoefening die, door uitsluiting van het vreemde, vormgeeft aan de politieke gemeenschap aan de binnenkant van de grenzen. ‘Eigen volk eerst!’ is het motto van deze kunstmatig gecreëerde, permanente noodtoestand, en als het slechts de nationalistische populisten zijn die dat durven te zeggen, dan betekent dat niet dat de anderen het ermee oneens zijn; in de praktijk gedraagt iedereen zich althans alsof het hier een onbetwijfelbare waarheid betreft. En zelfs als niemand precies weet wie dat volk dan is, dan wijst de universele acceptatie van het bestaan van grenzen en alle praktijken die ervoor nodig zijn om ze te bewaken op de overeenstemming dat dat ongedefinieerde ‘volk’ beschermd moet worden tegen wat van buiten komt.

Het eerste doel van grensbewaking en grenspolitiek, zo kunnen we nu zien, is daarom het bewerkstelligen van een territorium, een nationale norm die als criterium dient voor de uitsluiting van het vreemde en het onwenselijke, en via die weg de regulering van menselijke mobiliteit. Een doel dat men tracht te bereiken door het onmogelijk te maken voor niet-Europeanen om überhaupt nog asiel aan te vragen op het continent, door de dodelijkste grens ter wereld – de Middellandse Zee – eerst een tijdlang als horrorbarrière te laten werken, en vervolgens de toegang voor elke potentiële immigrant helemaal te blokkeren. Het eigen grondgebied wordt volledig immuun gemaakt tegen elk vreemd lichaam.

1 Achille Mbembe, Een politiek van vijandschap, Amsterdam: Boom Uitgevers, 2017.

2 Hannah Arendt, Origins of Totalitarianism. New Edition with added Prefaces, San Diego: Harvest Books / Harcourt Brace & Company, 1979, 123.

3 Aimé Césaire, Over het kolonialisme, uit het Frans vertaald door Grâce Ndjako, Amsterdam: De Geus, 2022.

4 Judith Butler, Precarious Life, Londen: Verso, 2004, xiv

5 Hannah Arendt, ‘We refugees’, in: Marc Robinson (ed.), Altogether Elsewhere. Writers in Exile, Boston / London: Faber & Faber, 1994, 110-119, hier: 115.

6 Hannah Arendt, Origins of Totalitarianism, 292

7 Ibidem, 297

8 Vandaar de slavenhandel in Libië en de arbeidsuitbuiting waar migranten waar ook ter wereld aan worden onderworpen.

9 Vgl. Carl Schmitt, The Concept of te Political. Expanded Edition, Chicago / London: The University of Chicago Press, 2007, 26

10 Achille Mbembe, Een politiek van vijandschap, Amsterdam: BoomUitgevers, 2017.

Categorieën
Politiek

De afwijzing van de nieuwe Chileense grondwet

Oorspronkelijke tekst (Engels): Sidecar, 9 september 2022

fotografie: Mechanics of Power

door Camila Vergara

Dr. Camila Vergara is een kritische juridische theoreticus, historicus en journalist uit Chili die schrijft over de relatie tussen ongelijkheid, corruptie en overheersing, en hoe gewone mensen institutioneel in staat kunnen worden gesteld om weerstand te bieden aan de onderdrukking door de weinige machtigen.

Het is moeilijk gebleken korte metten te maken met Pinochet en zijn erfenis. De ontwerpgrondwet van 2022 – de meest progressieve grondwet ooit, in termen van sociaaleconomische rechten, gendergelijkheid, inheemse rechten en de bescherming van de natuur – werd op 4 september door bijna 62 procent van de kiezers in een nationale volksstemming verworpen. Hoe konden de Chilenen, nadat ze in oktober 2019 in opstand waren gekomen om een nieuwe grondwet te eisen en nadat ze er vervolgens met overweldigende meerderheid voor gekozen hadden om het grondwetgevend proces in gang te zetten, het voorgestelde ontwerp afwijzen? Waarom zouden zij zich scharen achter rechtse krachten die de grondwet van Pinochet in stand willen houden? Dit verbazingwekkende resultaat vraagt zeker om een multi-causale verklaring. Ik zal me hier beperken tot twee van de meest prominente redenen: de rechtse desinformatiecampagne in de traditionele en sociale media, en de uitsluiting van hele delen van het volk bij het grondwetgevend proces.

De steun voor Rechazo (ʻVerwerpʼ) was het grootst in gemeenten met lage inkomens, waar de opkomst ook hoger was dan in de gegoede buurten. Terwijl bij de volksraadpleging van 2020 de oppositie tegen het grondwetgevend proces werd aangevoerd door de drie rijkste gemeenten, kwamen dit keer de armste buurten massaal opdagen om tegen het voorgestelde ontwerp te stemmen. Ook in tegenstelling tot 2020 was stemmen nu verplicht – met boetes voor niet-naleving – waardoor de mensen uit de volksbuurten gedwongen waren om te stemmen, uit angst voor de kosten van stemonthouding. De opkomst steeg aanzienlijk, van vijftig procent naar 86 procent, en van de 5,4 miljoen nieuw uitgebrachte stemmen koos 96 procent voor verwerping. In totaal kreeg de ontwerp-grondwet slechts 4,8 miljoen stemmen – één miljoen mensen minder dan er twee jaar geleden voor een nieuwe tekst stemden. Dit was echter niet alleen een stem tegen de nieuwe grondwetstekst. Het was ook een afwijzing van de regering van Gabriel Boric en haar partijen: de ‘nieuw-linkse’ coalitie van Frente Amplio, de Communistische Partij en de partijen van de oude Concertación (de coalitie van centrumlinkse partijen die Chili van 1990 tot 2010 regeerde). Apruebo (‘Goedkeuren’) werd gesteund door ongeveer hetzelfde aantal mensen dat in december 2021 op Boric stemde, in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen, tegen de extreem-rechtse kandidaat José Antonio Kast – wat erop duidt dat hij er sinds zijn aantreden niet in is geslaagd zijn achterban uit te breiden.

Er is minstens een miljoen dollar gestoken in de campagne die een maand heeft geduurd om meer bekendheid te geven aan de ontwerpgrondwet. Ongeveer negentig procent van deze middelen werd uitgegeven door het Rechazo-kamp, dat bestaat uit de rechtse partijen, delen van de christen-democraten en de nieuwe centrumcoalitie ‘Amarillos por Chile.’ In ochtendpraatprogramma’s en avondjournaals werd het document herhaaldelijk als ‘extremistisch’ en ‘slecht geschreven’ afgedaan, terwijl conservatieve denktanks het publiek bestookten met opiniepeilingen van twijfelachtige nauwkeurigheid waaruit bleek dat de meeste mensen het nieuwe ontwerp zouden afwijzen. Dergelijke inspanningen werden ondersteund door de verspreiding van desinformatie via de sociale media, alsook door de verspreiding van valse exemplaren van de ontwerpgrondwet met vervalste artikelen. In een illustratief geval werd de extreemrechtse Conventie-vertegenwoordiger Constanza Hube betrapt bij het uitdelen van valse kopieën van de grondwet tijdens een Rechazo-bijeenkomst.

Uit exit polls en vox pops bleek dat veel mensen verward waren over waar de volksraadpleging eigenlijk over ging; sommigen dachten zelfs dat ze door tegen te stemmen de grondwet van Pinochet afschaften. Dit is niet verwonderlijk, aangezien de enige officiële informatie over het grondwetsontwerp bestond uit dertig minuten televisie-uitzendingen per dag, gelijkelijk verdeeld over Rechazo en Apruebo, gedurende een periode van 28 dagen. Aangezien de zendtijd aan een hele reeks politieke partijen en maatschappelijke groeperingen was toegewezen, was de berichtgeving gefragmenteerd. Voor de Apruebo-campagne namen tien organisaties deel aan de uitzendingen; zelfs nadat diverse afspraken tussen hen waren gemaakt, kregen sommige uiteindelijk nog geen vijf seconden om hun zegje te doen. Er waren geen officiële campagneadvertenties, er werden geen folders bij de mensen thuis bezorgd, en er waren geen persoonlijke informatiesessies; alle campagnes werden gevoerd door politieke partijen, NGOʼs of vrijwilligers. Het blijft onduidelijk waarom de regering-Boric zulk slecht werk heeft geleverd bij het informeren van het electoraat over zoʼn cruciale aangelegenheid.

Hoewel de dagelijkse informatieve uitzendingen voor en tegen de nieuwe grondwet weinig invloed hadden op de kiezers – slechts ongeveer 720.000 mensen stemden er elke dag op af – had de eindeloze stroom tv-programmaʼs met politici en zelfbenoemde intellectuelen die desinformatie over de inhoud van het ontwerp verspreidden dat zeker wel. Een van de meest verspreide leugens was dat de nieuwe grondwet het huisbezit voor de arbeidersklasse zou afschaffen, op verzoek late abortussen zou toestaan en de deur zou openzetten voor de afscheiding van inheemse gebieden.

Een proeftuin voor desinformatie was de regio Araucanía, een gemilitariseerde zone – onder een uitzonderingstoestand geplaatst vanwege het Mapuche conflict – waar 74 procent van de kiezers ervoor koos het grondwetsontwerp te verwerpen: het op één na hoogste niveau van steun voor Rechazo in het hele land. Araucanía, een traditioneel rechts bolwerk, was een van de slechts twee regioʼs die er in 1988 voor hadden gestemd om Pinochet aan de macht te houden, hoewel er in 2020 werd gestemd voor het opstarten van het grondwetgevend proces. Eind juni zette Francisco Orrego, een jonge advocaat en woordvoerder van Rechazo, alles op alles om de arbeidersgemeenschap van Angol ervan te overtuigen dat het recht op huisvesting in de ontwerpgrondwet – een van de weinige artikelen die door basisorganisaties waren voorgesteld en uiteindelijk de definitieve tekst haalden – het recht van mensen om hun eigen huis te bezitten zou afschaffen als ze dat met sociale subsidies hadden gekocht (een situatie die voor ongeveer veertig procent van de bevolking geldt). Hoewel dit onmiddellijk als nepnieuws aan de kaak werd gesteld, bleef Orrego niettemin regelmatig verschijnen in politieke talkshows, waar hij dergelijke leugens onder een groter publiek kon verspreiden.

Bovendien zijn de evangelische kerken, die onlangs een alliantie zijn aangegaan met de extreem-rechtse Republikeinse Partij, sterk vertegenwoordigd in Araucanía: hun ledental bedraagt ongeveer 27 procent van de bevolking. Eind februari, nog voordat het artikel over genderrechten door de Conventie was goedgekeurd, riepen vertegenwoordigers van ruim 2700 kerken in de regio hun gemeenschappen op het ontwerp te verwerpen, waarbij zij abortus als hun grootste zorg noemden. Hoewel het recht op abortus in de ontwerpgrondwet in algemene termen werd gecodificeerd, door de staat te verplichten de ʻvrijwillige onderbreking van zwangerschappenʼ te waarborgen, had het publiek een verwrongen beeld van deze bepaling. Felipe Kast, de rechtse senator van Araucanía, maakte gebruik van conservatieve radiostations om een advertentie uit te zenden waarin hij beweerde dat de ontwerpgrondwet ʻabortus tot de negende maand van de zwangerschap toestond,ʼ en hij stelde dit aan de kaak als een ʻschending van de mensenrechten van ongeboren kinderen.ʼ Hoewel voorstanders van Apruebo probeerden terug te slaan tegen deze onwaarheden, was het onmogelijk ze uit de populaire verbeelding te verdrijven.

Misschien wel het meest controversiële onderwerp was echter dat van de rechten van de inheemse bevolking. Hoewel de tekst slechts de afspraken volgde uit het ILO-verdrag over inheemse rechten, dat Chili in 2008 had geratificeerd maar nooit had geïmplementeerd, verzonnen rechtse politici en deskundigen een verhaal waarin inheemse volken de mogelijkheid zouden krijgen het land in stukken te hakken. Ximena Rincón, senator voor de Christendemocraten, beweerde begin juli dat ze Rechazo steunde omdat het ontwerp de inheemse bevolking (die nog geen tien procent van de nationale bevolking uitmaakt) een vetorecht zou geven over grondwettelijke hervormingen. Hoewel haar live op televisie werd verteld dat dit niet waar was, weigerde zij haar standpunt te wijzigen – en bleven dergelijke verdraaiingen het nationale discours beïnvloeden.

Tegelijkertijd bleek uit de stemresultaten van de gevangenissen, waar de gevangenen hun informatie alleen via televisie-uitzendingen ontvingen, hoe sterk de conservatieve media de publieke opinie hadden beïnvloed. Voor het eerst in de geschiedenis mochten gevangenen stemmen, en er werd verwacht dat ze achter Apruebo zouden gaan staan, aangezien de ontwerp-grondwet gevangenen nieuwe rechten toekende, zoals gratis rechtsbijstand, het verbod op dubbele strafbaarstelling, en een volksombudsman om misbruiken te voorkomen. Toch stemde uiteindelijk slechts één van de veertien gevangeniscomplexen vóór goedkeuring. Dit was niet toevallig het enige complex waar fysieke kopieën van de ontwerp-grondwet waren uitgedeeld aan gevangenen en waar informatiesessies waren gehouden met vrijwilligers van de rechtshulp. Degenen die daadwerkelijk kennis namen van de tekst, stemden in met de hervormingen; degenen die alleen afgingen op de berichtgeving in de media stonden er onverbiddelijk vijandig tegenover.

Volgens een recent rapport hebben ten minste 36 organisaties die niet onder de verkiezingscontrole vallen en daarom hun financiering niet bekend hoeven maken, in de maanden vóór de volksraadpleging 130.000 dollar uitgegeven aan advertenties op Facebook en Instagram; 97,4 procent van deze advertenties was gericht op verwerping van de ontwerpgrondwet. Uiteindelijk lijkt het erop dat de vooringenomenheid van de traditionele media, plus de miljoenen die zijn uitgegeven om de opinie via de sociale media te beïnvloeden, hebben geholpen om het verhaal ingang te doen vinden dat de Conventie een politiek circus was dat een slordig en onprofessioneel document had opgesteld.

Naast deze desinformatiecampagne stond buitenparlementair links sceptisch tegenover een Conventie die de massamobilisaties van 2019 had verraden. Veel van deze linkse mensen stemden vóór verwerping in plaats van vóór legitimering van het proces. Zij wezen er terecht op dat het pact van 15 november 2019, dat in een achterkamertjesdeal tussen Boric en een hard-rechtse senator was overeengekomen, en dat het kader voor de Grondwetgevende Vergadering (de Conventie) schetste, bedoeld was om de energie van het volk in te dammen in plaats van te kanaliseren. Er werd een antidemocratische tweederdemeerderheidsregel ingesteld voor de goedkeuring van nieuwe grondwetsartikelen en de gevestigde partijen kregen een buitensporige invloed op het ontwerpproces. Vanaf het begin werd het grondwetgevend proces beheerst door de elites, die hun pogingen om de status quo te handhaven intensiveerden naarmate de volksraadpleging naderde.

Op 14 mei kwam de Conventie met een lange eerste ontwerptekst, waarin progressieve grondwettelijke vernieuwingen waren opgenomen, zoals plurinationaliteit en ecologische rechten. Er werden twee speciale comités gevormd om het definitieve document, dat in totaal 388 artikelen omvatte, te ‘harmoniseren’ en te redigeren, en om een besluit te nemen over overgangsregelingen. De autonomie van de Conventie werd echter al snel aangetast door de onderhandelingen over de overgang van het ene constitutionele kader naar het andere. Op 16 mei zond de regering een document aan de Conventie, waarin werd aanbevolen de huidige regels inzake natuurlijke hulpbronnen, water en inheems land te handhaven totdat nieuwe wetgeving zou zijn goedgekeurd – dit om een ʻordelijke en geleidelijke overgangʼ te waarborgen. Dit betekende bijvoorbeeld dat water particulier bezit zou blijven totdat rechtse senatoren, die de helft van de Senaat in handen hebben – en die in 2020 stemden tegen het tot mensenrecht verheffen van de toegang tot water – ermee zouden instemmen het te nationaliseren. De regering beval ook aan dat Boric, wiens populariteitscijfer net boven de dertig procent lag, en de leden van het Congres hun oorspronkelijke ambtstermijn zouden uitzitten, en nog eens drie en een half jaar in functie zouden blijven. De Conventie is op deze egoïstische eisen ingegaan. Door veel activisten werd dit gezien als een onaanvaardbaar samenspel tussen het grondwetgevende orgaan en de uitvoerende macht, waardoor het hele proces van het opstellen van een nieuwe grondwet in diskrediet werd gebracht.

Drie weken vóór de volksraadpleging begonnen de partijen van de regeringscoalitie de veranderingen uiteen te zetten die zij van plan waren door te voeren indien de ontwerp-grondwet zou worden goedgekeurd. In een poging de rechtse partijen en de partijen van de voormalige Concertación (die nu 38 procent van de ministeries in handen hebben) tevreden te stellen, beloofde Boric om de rechten van de inheemse bevolking strikt af te bakenen en benadrukte hij dat hun inbreng in nationale beleidskwesties niet bindend zou zijn. Hij verzekerde de gevestigde orde er ook van dat het bestaande neoliberale raamwerk – waarin basisdiensten zoals gezondheidszorg, onderwijs en pensioenen grotendeels door particuliere bedrijven worden geleverd – van kracht zou blijven. Hoewel de ontwerpgrondwet de creatie van een openbaar onderwijssysteem, een nationaal gezondheidsstelsel en een openbaar socialezekerheidsstelsel voorschreef, werd het huidige vouchersysteem in het onderwijs niet expliciet ontmanteld, noch het verzekeringsmodel in de gezondheidszorg, noch het individuele spaarsysteem dat de Chileense arbeidersklasse dwingt om van een armoedepensioen te leven. In plaats van aan te dringen op hervorming van deze dictatoriale systemen, zoals demonstranten al sinds 2009 eisen, stemde Boric ermee in om ze te behouden.

Deze voorgenomen hervormingen toonden niet alleen aan dat de regering van plan was de kernwaarden van het Chileense neoliberalisme te handhaven; ze gaven ook aan hoezeer de coalitie van Boric zowel het ontwerpdocument als de wil van het volk minachtte. Zijn aankondiging dat hij zou proberen de grondwet te hervormen – nog voordat deze ter beoordeling aan het volk was voorgelegd – versterkte de indruk dat de grondwet niet geschikt was voor het beoogde doel. Dit speelde de Rechazo-campagne in de kaart. De kiezers kregen zo ook de indruk dat zij slechts over een voorlopige tekst zouden stemmen, in plaats van dat zij een stem van betekenis zouden krijgen in de toekomst van het land.

Chili bevindt zich nu in een lastig parket; er is geen duidelijk pad om de dreigende sociaal-politieke crisis op te lossen. Door te stemmen voor het opstarten van een grondwetgevend proces hebben de Chilenen indirect de huidige grondwet van 1980 verworpen. Maar door het afwijzen van de nieuwe voorgestelde grondwetstekst is het door het pact van november op gang gebrachte proces officieel beëindigd, zonder dat er een permanente voorziening voor een nieuw grondwetgevend proces is getroffen. De constitutionele hervorming die uit het pact voortvloeide, bepaalde alleen dat indien de ontwerp-grondwet zou worden verworpen, de oude grondwet van kracht zou blijven. Wat gaat er nu dus gebeuren?

Vóór de volksraadpleging beloofde president Boric een nieuw grondwetgevend proces op gang te zullen brengen als het voorgestelde ontwerp zou worden verworpen. Zoʼn proces kan echter alleen op gang worden gebracht via een nieuw constitutioneel proces, waarvoor een supermeerderheid in het Congres nodig is. Met het oog op de rechtse oppositie zal dit al moeilijk genoeg zijn. Maar aangezien de conservatieve krachten de Senaat controleren, lijkt het bijeenroepen van een grondwetgevende vergadering met adequate mechanismen voor participatie van het volk een onmogelijkheid. Het is daarom waarschijnlijk dat Boric zal proberen een andere Conventie in het leven te roepen, op basis van regels waarover hij vanuit een zwakke positie heeft onderhandeld en die nóg meer tegemoet zal komen aan de eisen van de heersende klasse. Dit zal een door de partijen geleid proces worden – gedomineerd door ʻdeskundigenʼ en beschermd tegen de druk van het volk. Analisten geven de weinige onafhankelijken in de Conventie al de schuld van de mislukking van het ontwerp, waardoor het radicale potentieel dat het proces voorheen had, in rook is opgegaan. Tegelijkertijd gaan de Chilenen echter alweer de straat op om hun eigen grondwetgevend proces op te eisen – een proces waarbij geen achterkamertjesonderhandelingen plaatsvinden en het volk zelf de macht heeft om bindende besluiten te nemen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Een regering-Truss betekent de terugkeer van radicaal rechts

Oorspronkelijke tekst (Engels): New Statesman, 31 augustus 2022

fotografie: Daily Record

door Andrew Marr

Andrew Marr is politiek redacteur van de New Statesman. Hij is een voormalig politiek redacteur van BBC News, en momenteel presentator van Tonight with Andrew Marr op LBC radio.

Terwijl een zware winter voor de deur staat, dreigen de vermoedelijke nieuwe premier en haar bende vrijemarktideologen Groot-Brittannië verder mee te sleuren in een economische catastrofe

De winter komt eraan. Er is deze zomer niets gebeurd, en dat is heel belangrijk. Met ʻnietsʼ bedoel ik de strijd om het leiderschap van de Britse Conservatieven, ondanks alle respect voor de verschillende organisaties en individuen die bijeenkomsten hebben georganiseerd. Aan het begin van het zomerreces van het Britse Lagerhuis in juli was het immers al overduidelijk dat Liz Truss Rishi Sunak zou verslaan.

Sindsdien zijn er veel grote woorden gevallen over gewonde hermelijnen, fantasie-economieën en nog veel meer. Intussen hebben we een verlamde regering zonder duidelijke nieuwe ideeën of beleid – en een voorsprong van Truss in de peilingen waar niets aan is veranderd. (Ik schrijf dit voordat de uitslag van de leiderschapsverkiezingen bekend is. Mocht Sunak tóch winnen, dan zal ik, net als alle andere commentatoren, volgende week misschien niet beschikbaar zijn om mijn excuses aan te bieden: ik zal dan plat op mijn rug liggen en te hard lachen om nog iets te kunnen doen).

Het ʻnietsʼ van deze strijd was van belang door wat er in de echte wereld daarbuiten gebeurde – het duizelingwekkende nieuws over torenhoge energierekeningen en de inflatie. Truss en Sunak spraken met een kleine, buitengewoon niet-representatieve groep mensen over belastingverlagingen en de beestachtigheid van buitenlanders. De meesten van ons maakten zich echter grote zorgen over de toestand van deze uitgedroogde en afbrokkelende archipel.

Geen wonder dat iets meer dan de helft van de kiezers volgens opiniepeiler Ipsos dit jaar nieuwe algemene verkiezingen wil, zodra de nieuwe premier is geïnstalleerd. Er moeten grote keuzes worden gemaakt, en dat moet op democratische wijze gebeuren. Helaas is daar weinig kans op.

Het resultaat is dat we nu een politieke paradox hebben die de komende twee jaar zal bepalen: één van de meest rechtse regeringen in honderd jaar – naar verwachting bestaand uit vrijemarktideologen en overtuigde Brexiteers – op een moment dat de stemming in het land sterk naar links is opgeschoven.

Waarom noem ik het de ʻmeest rechtseʼ? De belofte van Truss dat ze prioriteit zal geven aan belastingverlagingen boven ʻaalmoezenʼ is een wrede en naar ik denk onhoudbare keuze. Sunaks team noemt het regressief en gebrekkig, met weinig of geen hulp voor gezinnen met lagere inkomens.

Tenzij Truss de achterban van de Conservatieven opzettelijk misleidt, is dit wel waar we op af stevenen. Het geeft blijk van een soort rauwe eerlijkheid. Truss zegt dat haar beleid van belastingverlagingen niet inflatoir zal zijn, noch de voorzieningen zal schaden. Nou, dat zullen we snel genoeg zien. Ze denkt dat haar beleid tot een groeispurt zal leiden, die de crisis snel zal verlichten – zelfs als tienduizenden kleine bedrijven failliet dreigen te gaan door de hoge energierekeningen. Nou, nogmaals: laten we maar eens kijken.

Maar dit beleid is, tenzij er een ommekeer komt, zeer gevaarlijk. Of het nu gaat om de verlaging van de ziektekostenpremies of om het basistarief van de inkomstenbelasting, de geplande noodbegroting lijkt tot nu toe de mensen die het het hardst te verduren hebben buiten beschouwing te laten, en te weinig te bieden voor de rest. Paul Johnson, die aan het hoofd staat van het Institute for Fiscal Studies, heeft gezegd dat de plannen van Truss ʻde overheidsfinanciën volledig zullen ruïneren.ʼ Anderen zijn het daar niet mee eens. Natuurlijk zijn we er allemaal op tegen dat politici liegen, maar in dit geval hoop ik dat Truss haar woord niet zal houden.

Het is duidelijk dat zij volkomen gelijk heeft als ze zegt dat we meer groei nodig hebben. Op de middellange termijn is het begrotingsbeleid een volkomen redelijk instrument om dat te bereiken – al is het slechts een van de vele. Maar Groot-Brittannië staat voor een noodsituatie – een sociale en politieke noodsituatie, en een economische. En tenzij je accepteert dat het weigeren van iedereen om zijn rekeningen te betalen een vorm van ʻdereguleringʼ is (ik veronderstel dat dat letterlijk zo is), wat is dan het deregulerende vrije-markt antwoord op een noodsituatie die de armen het eerst en het hardst treft? Dat antwoord is er niet.

Maar deze keer zijn het natuurlijk niet alleen de armen. Relatief welvarende kiezers zullen eveneens drastisch moeten bezuinigen op hun uitgaven om hun energierekeningen te kunnen betalen. Nadhim Zahawi, de huidige minister van Financiën, heeft gezegd dat mensen met een middeninkomen, zoals hogere verpleegkundigen of leraren met een inkomen van 45.000 pond per jaar, het moeilijk zullen gaan krijgen. Alle lokale bedrijven zullen ten onder gaan. Café-eigenaren hebben op bijzonder luidruchtige wijze uiting gegeven aan hun ongenoegen, omdat van hen wordt verlangd dat zij enorme voorschotten betalen. Er wordt veel gesproken over ʻenergie-intensieveʼ bedrijven, maar in de moderne economie is het moeilijk bedrijven te bedenken die dat niet zijn. Tomatenkwekers, pluimveehouders, brouwerijen, zwembaden, staalfabrikanten, producenten van elektrische batterijen, cementfabrikanten, ingenieursbureaus… Dit is helaas een moment waarop alle crisissen zich tegelijkertijd voordoen.

Zal de stemming echter in die mate veranderen dat het land naar links opschuift? Dat is uiteraard een subjectief oordeel. Maar er zijn behoorlijk veel aanwijzingen die deze stelling ondersteunen: peilingen tonen aan dat de helft van de Tory-stemmers (en driekwart van de Labour-stemmers) vóór de nationalisatie van de energiebedrijven is; bijna de helft van het land steunt de stakende spoorwegwerknemers; en Labour gaat aan kop in de peilingen, met wel vijftien procent. Politiek gezien is het weer omgeslagen.

Er zijn ook nog andere krachten in het spel. De pandemie heeft ons herinnerd aan de waarde van een sterke staat. De oorlog in Europa maakt dit eveneens duidelijk. Dat geldt ook voor de mislukkingen van geprivatiseerde natuurlijke monopolies zoals het waterbedrijf. Maar de ideologische strijd die voor ons ligt zal hevig zijn. De echte strijd, en de enige strijd waarvan we iets zullen merken, vindt nu plaats op het ministerie van Financiën. Zowel Iain Duncan Smith, de voormalige Tory-leider, als John Redwood is getipt als kandidaat-minister. Beiden zijn hardcore: beiden hebben in het verleden gepleit voor inkrimping van de staat. Beiden zijn hartstochtelijke critici van de Bank of England en van haar falen om de inflatie eerder onder controle te krijgen. (Hoewel het interessant zal zijn te vernemen hoeveel Conservatieven de stijgende rentetarieven zullen toejuichen die daarvoor nodig zijn).

Laat ik het allemaal eens samenvatten. Tenzij Liz Truss haar kernbeloften niet nakomt, moeten we ons voorbereiden op een sensationele politieke confrontatie met een belastingverlagende, op een kleine overheid gerichte vrije-marktregering, in een tijd van economische ineenstorting.

Met het oog op de komende prijsstijgingen – en de gevolgen daarvan voor miljoenen Britten en een groot deel van de economische activiteit – is het duidelijk geworden dat een radicale noodaanpak de enige is die kan slagen. Dat betekent, zoals Labour eist, een maximering van de energieprijzen. Nog beter is dit te baseren op een sociaal tarief om de mensen met een laag inkomen te helpen, zoals de Resolution Foundation heeft voorgesteld.

Verder betekent dit dat het huidige systeem van toezicht moet worden afgeschaft, dat de torenhoge gasprijzen tot maatstaf maakt voor de elektriciteitsprijzen in het algemeen, ook al zijn kernenergie, windenergie en waterkracht veel goedkoper geworden. Deze radicale ingreep in de markt wordt aanbevolen door linkse economen zoals Richard Murphy, die het Tax Justice Network heeft opgericht. Het wordt verafschuwd door de energiebedrijven, die een systeem aanprijzen waarbij de belastingbetaler hun winsten op de langere termijn subsidieert, ook al is hun bedrijfsmodel in feite kapot. Een soortgelijke radicale marktinterventie wordt actief besproken in de Europese Unie – waardoor iets dergelijks vermoedelijk kan worden uitgesloten onder een regering-Truss.

De noodhulpaanpak betekent een confrontatie met de grote bedrijven en een nieuwe, enorme ronde van staatsleningen. Op dit punt zou het ministerie van Financiën kunnen aankloppen bij de Bank of England voor steun – ook al hebben de nieuwe premier en haar bondgenoten hun uiterste best gedaan om de BoE tot vijand te maken, naast de BBC, de Franse president en vele anderen.

Maar wat is er zo gevaarlijk dat het de moeite waard is om zó ver te gaan op de weg van een noodbeleid? Kortweg geformuleerd: sociale ineenstorting. De Britten staan te boek als een flegmatiek volk. Ze klagen, maar ze rellen niet. Ze betalen hun rekeningen, staan vrolijk in de rij, maken graag lange dagen en lossen de ergste problemen liever op met een kopje thee in plaats van met een molotovcocktail. Maar we staan misschien op het punt om te ontdekken dat het zelfs de Britten allemaal te veel kan worden.

Veel mensen voelen zich op dit moment hetzelfde. Een columnist maakt zich niet bijster populair als hij steevast een schril beeld van de situatie schetst. En als iemand die de zomer heeft doorgebracht met het observeren van vriendelijke, vreedzame mensen die zich vermaken in parken en pubs, en die zelfs herhaaldelijk in de zee van Devon heeft gezwommen, zonder ook maar een glimp van een drol te ontwaren, ben ik er huiverig voor om als zuurpruim te worden gezien.

Niettemin zijn de cijfers verschrikkelijk. Mensen die niet fatsoenlijk kunnen eten en zichzelf niet warm kunnen houden, kunnen zich onvoorspelbaar gedragen. Paul Goodman, voormalig parlementslid voor de Conservatieven en redacteur van ConservativeHome, zegt dat Liz Truss ʻop het punt staat te verdwijnen in een economische sneeuwstorm.ʼ De financieel journalist Martin Lewis voorspelt een ʻnationaal cataclysme.ʼ Stephen Crabb, het Welshe parlementslid voor de Conservatieven en een voormalig minister, vreest dat er de komende maanden een ʻsociale en economische catastrofeʼ zal plaatsvinden.

En dus liggen eindelijk de kaarten op tafel. Ik verwacht dat premier Truss – die aan het hoofd staat van een verdeelde partij, geen eigen nationaal mandaat heeft en omringd is met bewijzen van een ineenstorting die veelzijdiger en moeilijker op te lossen is dan die van na de financiële crisis van 2008 – haar beloofde belastingverlagingsagenda drastisch zal inperken, en zal kiezen voor een breed en genereus programma van noodsteun voor gezinnen en bedrijven.

Het zou belachelijk zijn om te denken dat een rechts-conservatieve regering deze adviezen van de New Statesman zou opvolgen. Maar als ze dat wel zou doen, zou Truss haar regering in ieder geval een kans geven. Doet ze dat niet, dan stevent ze af op een politieke ramp (wat prima zou zijn), terwijl ze de rest van ons zal meesleuren de afgrond in (wat absoluut niet prima is). Ben je nu echt een zuurpruim als je nog één keer, heel voorzichtig, zegt dat de winter eraan komt?

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Hoe Mario Draghi Italië kapot heeft gemaakt

Oorspronkelijke tekst (Engels): Unherd, 25 juli 2022

fotografie: UnHerd

door Thomas Fazi

Thomas Fazi is schrijver, journalist en vertaler. Zijn laatste boek Reclaiming the State verscheen bij Pluto Press.

Er broeit een crisis in de straten van Europa

Het aftreden van Mario Draghi heeft het Italiaanse – en zelfs het internationale – establishment met afgrijzen vervuld. Dat is geen verrassing. Toen hij begin vorig jaar werd voorgedragen als premier van Italië, verwelkomden de politieke en economische elites van Europa zijn komst als een wonder. Vrijwel alle partijen in het Italiaanse parlement – inclusief de twee voorheen ʻpopulistischeʼ partijen die in 2018 de verkiezingen wonnen, de Vijfsterrenbeweging en de Liga – boden hun steun aan. De toon van de discussie werd goed getroffen door de machtige gouverneur van de regio Campanië, Vincenzo De Luca (PD), die Draghi vergeleek met ʻChristusʼ zelf.

Iedereen was het erover eens: een regering-Draghi zou een zegen zijn voor het land, een laatste kans om zijn zonden goed te maken en ʻItalië weer groot te maken.ʼ Draghi, zo zeiden zij, zou alleen al door zijn ʻcharisma,ʼ ʻcompetentie,ʼ ʻintelligentieʼ en ʻinternationale slagkrachtʼ de obligatiemarkten koest kunnen houden, de broodnodige hervormingen kunnen doorvoeren en de stagnerende Italiaanse economie weer op gang kunnen brengen.

Helaas heeft de realiteit niet helemaal aan de verwachtingen voldaan: Draghi laat een land achter dat aan flarden ligt. De jongste macro-economische prognose van de Europese Commissie voorspelt dat Italië volgend jaar de traagste economische groei in het blok zal kennen, namelijk slechts 0,9 procent, door toedoen van een daling van de consumentenbestedingen door stijgende prijzen en lagere bedrijfsinvesteringen – een gevolg van stijgende leen- en energiekosten, alsook van ontwrichtingen in de levering van Russisch gas.

Italië heeft ook te maken met een van de snelst stijgende inflatiepercentages van Europa, momenteel 8,6 procent, het hoogste niveau in ruim drie decennia. De rente op Italiaanse staatsobligaties is ook gestaag gestegen sinds Draghi aan de macht kwam, en is onder zijn toezicht verviervoudigd; vandaag staat de rente op het hoogste niveau in bijna tien jaar.

En deze ʻpolycrisisʼ heeft zijn tol geëist in de Italiaanse samenleving: 5,6 miljoen Italianen – bijna tien procent van de bevolking, waaronder 1,4 miljoen minderjarigen – leven momenteel in absolute armoede, het hoogste niveau ooit. Velen van hen hebben werk, en dat aantal zal nog toenemen aangezien de reële lonen in Italië blijven dalen in het hoogste tempo binnen het blok. Ondertussen dreigen bijna honderdduizend kleine en middelgrote ondernemingen insolvent te worden – een stijging met twee procent ten opzichte van vorig jaar.

Tot zover dus ʻSuper Mario.ʼ Natuurlijk kan men aanvoeren dat andere landen met soortgelijke problemen kampen, maar het zou een vergissing zijn om Draghi vrijuit te laten gaan. Hij was een van de grootste voorstanders van de maatregelen die tot deze situatie hebben geleid en een drijvende kracht achter de strenge EU-sancties tegen Moskou – sancties die de Europese economieën lamleggen, terwijl ze Rusland grotendeels ongedeerd laten.

Draghi pochte zelfs over de doortastende maatregelen die Italië had genomen om het land van het Russische gas af te helpen – het resultaat is dat Italië nu de hoogste groothandelsprijzen voor elektriciteit in de hele EU betaalt. De absurditeit van dit beleid wordt duidelijk als we kijken naar zijn poging om de afhankelijkheid van Italië van Russisch gas te verminderen door een paar kolengestookte elektriciteitscentrales nieuw leven in te blazen – kolen die Italië grotendeels uit Rusland importeert.

Erger nog, Draghi heeft weinig of niets gedaan om loontrekkers, huishoudens en kleine bedrijven te beschermen tegen de gevolgen van dit beleid. De weinige ʻstructureleʼ maatregelen die zijn regering heeft genomen, waren allemaal gericht op privatisering, liberalisering, deregulering en begrotingsconsolidatie – zoals het openstellen voor privatisering van de weinige openbare diensten die buiten het bereik van de markt waren gebleven, het verder ʻflexibiliserenʼ van de arbeidsmarkt, het voor het eerst in decennia openbaar aanbesteden van privéstranden, of pogingen om taxidiensten uit te breiden met ridesharing-operators zoals Uber, wat tot massale protesten heeft geleid.

Voor iedereen die ook maar enig idee heeft van Draghiʼs ideologie is dit nauwelijks verrassend. Zoals ik al eerder heb betoogd, is Mario Draghi de lijfelijke incarnatie van het ʻneoliberalisme.ʼ Het is ook niet verrassend dat dit beleid niets heeft opgeleverd, gezien het feit dat de neoliberale logica van de EU, gebaseerd op privatisering, fiscale soberheid en druk op de lonen – bij de implementatie waarvan Draghi een cruciale rol heeft gespeeld sinds het begin van de jaren negentig – de belangrijkste reden is dat Italië zoʼn puinhoop is. Draghi heeft ook de wurggreep van de EU op de Italiaanse economie verder versterkt door onophoudelijk het verhaal te verspreiden dat Italië de Europese Covid-herstelfondsen hard nodig had om zijn economie weer op gang te brengen, en dat het land, om toegang tot die fondsen te verkrijgen, ijverig de door Brussel geëiste hervormingen moest doorvoeren.

Macro-economisch gezien zijn de fondsen in kwestie echter een schijntje, en komen ze niet in de buurt van wat nodig zou zijn om een effect van betekenis te hebben op de Italiaanse economie. Maar er zijn wel zeer strikte voorwaarden aan verbonden. Dat is uiteindelijk waar het bij het Next Generation EU-ʻherstelfondsʼ om draait: meer controle van Brussel over het begrotingsbeleid van de lidstaten, en een versterking van het EU-stelsel van technocratische en autoritaire controle. En wie beter dan Draghi kon het verankeren van dergelijke maatregelen worden toevertrouwd? Zoals hij zelf opmerkte, betekende het ʻhervormingspadʼ dat zijn regering had uitgestippeld dat ʻwij de voorwaarden hebben geschapen om het [herstel van de EU] voort te zetten, ongeacht wie er [in de regering] zitʼ – en er zo voor te zorgen dat toekomstige regeringen niet van het rechte pad zouden afdwalen.

Draghi laat echter niet alleen een verschroeide economie achter zich, maar ook een diepgaand gebroken en verdeelde samenleving. Hij is de man die verantwoordelijk is voor het bedenken van het meest repressieve, discriminerende en segregerende massa-vaccinatiebeleid in het Westen, dat niet alleen miljoenen niet-gevaccineerden – waaronder kinderen – uit het sociale leven heeft geweerd, door de vaccinatiepaspoorten uit te breiden tot praktisch alle openbare ruimten, maar ook veel mensen heeft beperkt in hun mogelijkheden om te werken. Hij heeft er ook toe bijgedragen dat ongevaccineerden het mikpunt werden van institutioneel gesanctioneerde haatzaaierij, zoals toen hij de beruchte uitspraak deed: ʻAls je je niet laat vaccineren, word je ziek en ga je dood. Of je doodt anderen.ʼ

Dit alles zou een aanwijzing kunnen zijn waarom uit een recente opiniepeiling bleek dat vijftig procent van de Italianen niet gelukkig was met het werk van de regering. Ondanks deze weinig indrukwekkende resultaten werd het Italiaanse establishment, toen Draghi zijn voornemen bekendmaakte om af te treden, getroffen door een beroerte. In wat de geschiedenis zal ingaan als een van de meest pathetische demonstraties van het pluimstrijkerige conformisme van de Italiaanse samenleving, haastte bijna elke denkbare beroepsgroep zich om zijn eigen oproep te lanceren en Draghi te smeken aan te blijven – niet alleen rijke zakenlieden, zoals te verwachten was, maar ook artsen, apothekers, verpleegkundigen, burgemeesters, universiteitsdecanen, ngoʼs, progressieve intellectuelen en zelfs de CGIL, de grootste vakbond van het land.

Nog betreurenswaardiger is dat de Italiaanse media massaal aandacht hebben besteed aan diverse ʻpro-Draghi demonstratiesʼ – waarbij niet meer dan enkele tienduizenden mensen kwamen opdagen. Misschien wel het meest komisch is dat een van de grootste nieuwsagentschappen van het land, Adnkronos, zelfs meldde dat diverse daklozen naar voren waren gekomen om hun steun aan Draghi te betuigen. Een van hen werd geciteerd en zei: ʻDraghi maakt het verschil. Dankzij hem heeft Italië zijn prestige en geloofwaardigheid herwonnen. Als dakloze kan ik getuigen dat er nu meer aandacht voor ons is en dat is te danken aan Draghi.ʼ

Ook het westerse internationale establishment heeft zich volledig achter Draghi geschaard. Iedereen, van de Financial Times tot de Guardian en de EU-commissaris voor economie Paolo Gentiloni, kwam uitleggen wat een tragedie het zou zijn voor Italië – en zelfs voor Europa als geheel – als Draghi zou wegvallen. Gentiloni zei zelfs dat ʻeen perfecte stormʼ over het land zou razen als Draghi zou vertrekken, terwijl de Guardian zich beperkte tot het instrueren van de Italiaanse parlementsleden dat Draghi ʻvoor nu moet blijven.ʼ De New York Times beweerde zonder enige ironie dat het vertrek van Draghi een einde zou maken aan de ʻkorte gouden periodeʼ die hij voor Italië had ingeluid. Over buitenlandse actoren gesproken die zich met Italiaanse zaken bemoeien!

Waarom trokken drie partijen vorige week dan toch de stekker uit zijn regering, ondanks de enorme druk die er op hen werd uitgeoefend? Een deel van de verklaring ligt in de mate waarin Draghi erin geslaagd was partijen als de Vijfsterrenbeweging en de Liga van zich te vervreemden – hij weigerde met hen in discussie te gaan over welk beleid van zijn regering dan ook, of zelfs maar de meest schuchtere kritiek te onderkennen. Bij meer dan één gelegenheid heeft Draghi duidelijk gemaakt wat hij als de rol van het parlement beschouwde: de besluiten van de regering goedkeuren. Dit blijkt ook uit het misbruik dat Draghi maakte van het instrument van de vertrouwensstemming.

In zijn toespraak in de Senaat een paar weken geleden was Draghi nog explicieter: nadat hij had gezegd dat hij had besloten zijn aftreden te heroverwegen omdat ʻdat is wat het volk wil,ʼ vertelde hij het Parlement in feite dat hij alleen bereid was als premier aan te blijven als de partijen ermee zouden instemmen zich niet te bemoeien met toekomstige besluiten van zijn regering. Voor veel aanwezigen in het parlement gingen de arrogantie en megalomanie van Draghiʼs toespraak een stap te ver – en bovendien zeggen sommigen dat Berlusconi op het juiste moment wachtte om zich te wreken voor de keer dat hij door Draghi uit zijn ambt werd gezet, in 2011, toen Draghi president van de ECB was.

Het belang van de anti-Draghi-opstand in het parlement moet echter niet worden overschat. Uiteindelijk deed Draghi niet veel meer dan de partijen een ongemakkelijke waarheid voorhouden: ʻJullie hebben geen echte macht, accepteer dat gewoon.ʼ Maar dat is een waarheid die de politieke partijen niet willen accepteren. Uiteindelijk zijn ze niet bereid om de fundamentele tegenstelling onder ogen te zien tussen de formele institutionele architectuur van het land – die van een parlementaire democratie – en wat we de ʻfeitelijk bestaandeʼ institutionele architectuur zouden kunnen noemen, waarin het parlement en per definitie de politieke partijen bijna geen enkele macht hebben, omdat de regering zelf, in de context van de eurozone, weinig of geen economische autonomie heeft. De partijen weten dit, maar zijn niet bereid dit toe te geven (niet aan zichzelf, maar vooral niet tegenover hun kiezers).

Daardoor verkeren zij in een toestand van permanente cognitieve dissonantie, die leidt tot wat wij ʻde politieke cyclus van de externe dwangʼ zouden kunnen noemen. Net als in ʻnormaleʼ landen strijden partijen om consensus op basis van verschillende verkiezingsprogrammaʼs – en zoals zo vaak gebeurt, winnen de partijen die ʻveranderingʼ beloven. Maar anders dan in ʻnormaleʼ landen komen de partijen die in de regering komen er al snel achter dat zij niet beschikken over de ʻnormaleʼ instrumenten van economisch beleid, die nodig zijn om op sociaal-economisch gebied werkelijk iets te veranderen. In feite hebben ze weinig andere keus dan mee te gaan met wat Brussel en Frankfurt zeggen, en als ze niet meespelen staat de ECB altijd klaar om de druk op te voeren. Als de regering op dat moment niet terugkrabbelt, zal de ECB een regelrechte financiële crisis veroorzaken (denk aan Italië in 2011 of aan Griekenland in 2015) – wat er meestal toe leidt dat de politieke partijen zich tot door de EU gesteunde technocraten wenden om een probleem op te lossen dat de EU in de eerste plaats heeft gecreëerd.

Maar zelfs als de regering toegeeft, leidt de toenemende spanning tussen de eisen van de externe dwang en de eisen van de burgers, waartegen de partijen niet opgewassen zijn, ertoe dat zij zich tot technocraten wenden om de impasse op te lossen, door hen de maatregelen te laten uitvoeren waarvoor de partijen geen verantwoordelijkheid willen nemen. Vervolgens voelen de politieke partijen op een bepaald moment, meestal wanneer nieuwe verkiezingen naderen, de behoefte om zichzelf opnieuw te legitimeren in de ogen van de kiezers en dus de technocratische geest weer in de fles te stoppen – tot de volgende crisis, die een nieuwe cyclus in gang zet.

Dit is grotendeels het verhaal van wat er is gebeurd tussen 2018 en het vertrek van Draghi, toen de Vijfsterrenbeweging en de Liga zich in de loop van slechts een paar jaar van anti-EU-populisme naar Draghi bewogen. En de volgende verkiezingen zullen een nieuwe cyclus in gang zetten, die mogelijk zal worden bekroond door een centrumrechtse regering onder leiding van Giorgia Meloni. Maar naarmate de sociaal-economische situatie verder verslechtert, zullen ook deze cycli steeds korter worden. Een toekomstige centrumrechtse regering – ʻpopulistischʼ of niet – zou weinig of geen mogelijkheden hebben om de crises op te lossen die Draghi heeft achtergelaten. Zoals altijd zullen Brussel en Frankfurt de lakens uitdelen.

Met de lancering van haar recente Transmission Protection Instrument (TPI) heeft de ECB zichzelf een instrument verschaft dat haar technisch in staat stelt om ʻalles te doen wat nodig isʼ om de eurospreads te dichten en zo mogelijke toekomstige financiële crises af te wenden. Een dergelijke interventie is echter afhankelijk van de naleving van het begrotingskader van de EU en van de ʻhervormingenʼ die zijn uiteengezet in de ʻherstelfondsʼ-plannen van elk land – die al door Draghi zijn vergrendeld. Maar deze hervormingen zullen niets doen om de sociaal-economische crisis te beëindigen; integendeel, ze zullen de crisis alleen maar verergeren. Met andere woorden, de volgende Italiaanse regering zal, als ze financieel overeind wil blijven, weinig anders kunnen doen dan de economische dictaten van de EU op te volgen. Hoe lang zal het in een dergelijke context duren voordat de laatste restjes democratische legitimiteit in landen als Italië uiteenvallen? En wat dan? Uiteindelijk is het veel waarschijnlijker dat de volgende eurocrisis in de straten van Europa zal uitbreken dan op de financiële markten.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Krijgt Duitsland nu de genadeklap?

Oorspronkelijke tekst (Engels): Sidecar, 22 juli 2022

fotografie: Neue Zürcher Zeitung

door Marco d’Eramo

Marco d’Eramo is een Italiaans journalist. Hij was student van de Franse socioloog Pierre Bourdieu en een van de oprichters van het Italiaanse dagblad Il Manifesto, dat hij in 2012 verliet. Tegenwoordig schrijft hij voor de taz, New Left Review en MicroMega.

Wie de overwinnaar ook zal zijn, het wordt steeds minder duidelijk wat het zal betekenen om de oorlog in Oekraïne te winnen. Hoe groter de verwoestingen, des te hardnekkiger het conflict lijkt. Met een stijgend dodental en escalerende sancties lijken de doelstellingen van de strijdende partijen steeds ondoorgrondelijker. Wat zou Rusland winnen met de annexatie van een weggevaagde uithoek van Oekraïne, vergeleken met alles wat het zou verliezen? Waarom zou Oekraïne zichzelf de grond in boren om een regio te behouden die niet van Rusland wil worden losgemaakt? En met welk doel zou de NAVO een nieuw IJzeren Gordijn willen laten neerdalen en zo een Russisch-Chinees blok consolideren, dat zowel over grondstoffen als over geavanceerde technologie beschikt?

Toegegeven, de Verenigde Staten en hun bondgenoten voeren nu al geruime tijd oorlogen waarin een overwinning niet binnen handbereik ligt. Hoe had een overwinning in Irak eruit moeten zien? Als die had betekend dat het land in een islamitische kopie van Israël had moeten veranderen, was dit nooit een realistische uitkomst. Uiteindelijk werd Irak praktisch overgeleverd aan de Iraanse invloedssfeer, terwijl Afghanistan werd overgelaten aan Pakistan en China. (En dan hebben we het nog niet eens over de Syrische burgeroorlog.) Maar als het moeilijk is om een potentiële overwinnaar in Oekraïne te identificeren, is het veel makkelijker om de potentiële verliezers aan te wijzen. Zoals we zullen zien, zal een van die verliezers waarschijnlijk bestaan uit wat de Australische econoom Joseph Halevi het ʻDuitse blokʼ heeft genoemd: een reeks economisch met elkaar verbonden naties die zich uitstrekt van Zwitserland tot Hongarije.

Natuurlijk zijn we in de huidige omstandigheden allemaal min of meer verliezers. Toen de invasie begon, maakte iedereen zich in de eerste plaats zorgen over het aanbod van gas en benzine. Pas later kwam onder de aandacht van het publiek dat Rusland en Oekraïne veertien procent van de graanproductie in de wereld voor hun rekening nemen en tot 29 procent van de mondiale graanexport. Vervolgens werd onthuld dat zij verantwoordelijk zijn voor zeventien procent van de maïsexport en voor veertien procent van de gerstexport. Toen de speurtocht werd voortgezet, realiseerden analisten zich dat 76 procent van de zonnebloemproducten van de wereld uit deze twee staten afkomstig is. Rusland domineert ook de kunstmestmarkt, met een wereldwijd aandeel van ruim vijftig procent, wat verklaart waarom de blokkade landbouwproblemen heeft veroorzaakt tot in Brazilië toe.

Er lagen nog meer verrassingen in het verschiet. De oorlog trof niet alleen de olie- en gassector, maar ook nikkel. Rusland – de thuisbasis van Nornickel, een reus in deze sector – produceerde in 2021 195.000 ton nikkel, ofwel 7,2 procent van de wereldproductie. De invasie, in combinatie met de toegenomen vraag naar nikkel dat wordt gebruikt in elektriciteitsleidingen en elektrische voertuigen, deed de prijzen de hoogte inschieten. Ondertussen werd de mondiale supergeleiderindustrie, die rekenmachines en computerchips produceert, eveneens zwaar getroffen. De Russische staalindustrie stuurt neongas naar Oekraïne, waar het wordt gezuiverd voor gebruik in lithografische processen, zoals het aanbrengen van microschakelingen op siliciumchips. De belangrijkste productiecentra zijn Odessa en Mariupol (vandaar de niet aflatende strijd om deze gebieden). Oekraïne levert zeventig procent van al het neongas ter wereld, alsmede veertig procent van het krypton en dertig procent van het xenon; tot de belangrijkste afnemers behoren Zuid-Korea, China, de VS en Duitsland. Ook het aanbod van diverse andere ʻcrucialeʼ metalen is in gevaar, zoals het Columbia Center for Global Energy Policy in april meldde:

Andere metalen die van belang zijn in de Rusland-crisis zijn titanium, scandium en palladium. Titanium is van strategisch belang voor de ruimtevaart en defensietoepassingen, en Rusland is ʼs werelds op twee na grootste producent van titaniumspons, de specifieke toepassing die van cruciaal belang is voor titaniummetaal. Scandium wordt op grote schaal gebruikt in de lucht- en ruimtevaart- en defensiesector, en is een ander belangrijk metaal waarvan Rusland een van de drie grootste producenten ter wereld is. Palladium is een van de meest in het oog springende cruciale mineralen die door de Oekraïnecrisis zijn getroffen, omdat het een essentiële grondstof is voor de auto- en halfgeleiderindustrie, en Rusland bijna 37 procent van de wereldproductie levert. Russisch palladium illustreert een van de belangrijkste geopolitieke kenmerken van cruciale mineralen: alternatieve voorraden bevinden zich vaak op markten die even uitdagend zijn. De op één na grootste palladiumproducent is Zuid-Afrika, waar de mijnbouwsector het voorbije decennium geteisterd werd door stakingen.

Elke dag ontdekken we dus nieuwe problemen bij het loskoppelen van Rusland van de wereldeconomie. Dit komt deels doordat de sancties minder doeltreffend zijn gebleken dan voorspeld, ondanks de volhardende inspanningen van de VS en Europa. Tot dusver zijn er ten minste zes reeksen sancties geweest, de ene nog drastischer dan de andere: de verwijdering van Rusland uit het internationale financiële systeem, dat door SWIFT wordt beheerd; de bevriezing van de buitenlandse reserves van de Russische centrale bank, die ongeveer 630 miljard dollar bedroegen; de bevriezing van 600 miljoen dollar die Rusland bij Amerikaanse banken heeft gedeponeerd en de weigering om deze fondsen te aanvaarden als betaling voor de buitenlandse schuld van Rusland; de uitsluiting van de belangrijkste Russische banken uit de City van Londen; en de beperking van Russische depositoʼs bij Britse banken.

Westerse luchthavens (en het westerse luchtruim) zijn nu gesloten voor Russische vliegtuigen, en het is de Russische koopvaardijvloot verboden havens in het Westen aan te doen (Japan en Australië inbegrepen). De uitvoer van technologie naar Rusland is in de ban gedaan, evenals veel import uit Rusland. De Europese Unie heeft sancties ingesteld tegen 98 entiteiten en 1.158 personen, waaronder president Poetin en minister van Buitenlandse Zaken Lavrov; oligarchen met banden met het Kremlin, zoals Roman Abramovitsj; 351 afgevaardigden in de Doema; leden van de Nationale Veiligheidsraad van Rusland; hoge officieren van de strijdkrachten; ondernemers en financiers; propagandisten en acteurs. Alle westerse banken en de meeste westerse bedrijven hebben hun deuren in Rusland gesloten en hun filialen verkocht. Rusland heeft gereageerd door de uitvoer van ruim tweehonderd producten te verbieden, betaling in roebel te eisen voor de uitvoer van olie en gas, en de leveranties aan Polen, Bulgarije en Finland te blokkeren toen deze weigerden deze bepaling te aanvaarden.

Paradoxaal genoeg hebben bepaalde sancties Moskou echter in de kaart gespeeld. Het embargo op olie en gas heeft de Russische inkomsten doen stijgen door de prijsstijgingen die het heeft veroorzaakt, terwijl buitenlandse waarnemers opmerken dat de Russische supermarkschappen nog steeds goed gevuld lijken te zijn. In de eerste vier maanden van het jaar had de Russische handelsbalans met 96 miljard dollar het grootste overschot sinds 1994. Toch heeft de roebel zich, na de aanvankelijke ineenstorting tijdens de eerste oorlogsdagen, geleidelijk hersteld, zodat hij nu meer waard is dan vorig jaar. In 2021 waren er zeventig roebels nodig om een dollar te kopen. Op 7 maart dit jaar – de slechtste dag – was de prijs bijna verdubbeld; maar op 18 juli was hij weer gedaald naar 57 roebels.

De relatieve ondoeltreffendheid van de sancties was voorspelbaar. Als decennia van economische oorlogsvoering al niet in staat zijn gebleken om feitelijk weerloze regimes zoals Castroʼs Cuba (nu al ruim zeventig jaar het doelwit), het Bolivariaanse Venezuela (dertig jaar) of het Khomeinistische Iran (42 jaar Amerikaanse sancties, plus ongeveer tien jaar internationale maatregelen) ten val te brengen, dan is het moeilijk voorstelbaar dat zij een regimewisseling teweeg zullen brengen in een land als Rusland, dat zich daarop heeft voorbereid door zijn industriële basis te vernieuwen. Maar hoe ondoeltreffender de sancties, des te langer de oorlog zich voortsleept, van de ene escalatie in de andere, en des te meer de verdeeldheid zich verdiept die steeds onoplosbaarder lijkt. Inmiddels kunnen we ervan uitgaan dat de betrekkingen met Rusland voor ten minste enkele decennia verstoord zullen blijven (een betreurenswaardige situatie voor elke westerling die niet het geluk heeft gehad Moskou en Sint-Petersburg te bezoeken). Het nieuwe IJzeren Gordijn is neergedaald, en zal de komende jaren niet meer worden opgetrokken.

Dit zal de strategische plannen die het Duitse blok de afgelopen dertig jaar heeft nagestreefd, dwarsbomen. Haleviʼs stelling is dat Duitsland sinds de val van de Berlijnse Muur en de ineenstorting van de USSR heeft getracht een reeks onderling afhankelijke economieën op te bouwen, die nu in wezen neerkomen op één enkel economisch systeem. Deze groepering heeft een westelijke flank (Oostenrijk, Zwitserland, België en Nederland) en een oostelijke (de Tsjechische Republiek, Slowakije, Hongarije, Polen en Slovenië), met verschillende rollen en sectoren die over deze landen verdeeld zijn. Nederland fungeert als mondiaal platform en vervoersknooppunt; Tsjechië en Slowakije als zetels van de automobielindustrie; Oostenrijk en Zwitserland als producenten van geavanceerde technologie, enzovoort. Als Duitsland het hegemoniale centrum van dit blok is, moeten wij onze visie op zijn geopolitieke rol en mondiale betekenis herzien. In zijn geheel heeft het blok 196 miljoen inwoners tegen 83 miljoen in Duitsland zelf, en een bbp van 7,7 biljoen dollar tegen 3,8 biljoen voor Duitsland alleen. Daarmee is het de derde economische macht ter wereld – kleiner dan de VS en China, maar groter dan Japan.

Dit netwerk van betrekkingen is vooral zichtbaar wanneer we naar de handel kijken. De Duitse uitvoer naar Oostenrijk en Zwitserland – die samen 17 miljoen inwoners tellen – bedraagt 132 miljard euro, tegen 122 miljard euro naar de VS en 102 miljard euro naar Frankrijk. Wat de totale handel met Duitsland betreft, blijft Frankrijk (met zijn 67 miljoen inwoners) achter bij Nederland (met slechts 17 miljoen inwoners): 164 miljard euro om 206 miljard euro. Italië ontvangt ondertussen minder dan Polen, ondanks het feit dat het een grotere bevolking heeft (60 miljoen tegen 38 miljoen) en een inkomen per hoofd van de bevolking dat bijna twee keer zo hoog is. Dit is een spectaculaire ommekeer, aangezien in 2005, het jaar na de toetreding van Polen tot de EU, de handel van Duitsland met Polen slechts de helft bedroeg van die met Italië.

Het industriële apparaat van Duitsland is dus niet langer gericht op andere Europese partners, maar op het eigen economische blok enerzijds en de handel met China anderzijds. Beijing is nu Duitslands voornaamste handelspartner geworden, met een relatie ter waarde van 246 miljard euro. Ook de andere leden van het Duitse blok hebben de handel met China sterk zien toenemen. ʻAls we 2005 als referentie nemen,ʼ schrijft Halevi,

dat wil zeggen, het jaar onmiddellijk na de toetreding van de Oost-Europese landen tot de EU, is de waarde in dollars van Duitslands wereldwijde export van goederen tot 2021 met 67 procent gestegen, terwijl zijn handel met China meer dan verviervoudigd is. In dezelfde periode is de Franse en Italiaanse export naar China, ondanks een bijna verdrievoudiging, veel minder snel gegroeid dan die van de Duitse handel. Voor de landen van het Duitse blok heeft de integratie met Duitsland een ware explosie van de uitvoer naar China teweeggebracht, waarbij Duitsland niet alleen de weg voor deze landen heeft geëffend, maar ook banden tussen sectoren en individuele ondernemingen heeft gesmeed die op hun beurt hun lokale uitvoer stimuleren. Ten westen van Duitsland is de directe export van Nederland naar China sinds 2005 met minstens een factor vijf toegenomen, terwijl die van Zwitserland is vertwaalfvoudigd, waardoor dit land de op een na grootste Europese exporteur naar China is geworden. In België en Oostenrijk zijn deze tendensen veel minder uitgesproken. In het oosten is de uitvoer van Polen naar China met een factor 5,5 vermenigvuldigd, die van Hongarije met een factor 6, die van Tsjechië met een factor van ongeveer 10 en die van Slowakije met een factor van bijna 21. Het natuurlijke gevolg van dit proces is de vorming van een Euraziatische economische zone, een reële noodzaak voor China, zowel wegens zijn behoefte aan Russische grondstoffen, als wegens de groeiende knooppunten van de spoorwegen die Rusland, Kazachstan en Oekraïne doorkruisen. In het afgelopen decennium vertrokken de eerste konvooien goederentreinen vanuit China naar Dortmund en Nederland, nieuws dat zelfs door de Financial Times werd gemeld. De Duitsers hadden, althans in industriële kringen, de bedoeling synergieën tot stand te brengen tussen China, Rusland, Kazachstan, Oekraïne, en daarmee Europa en Duitsland. Met andere woorden, het was de bedoeling staten te integreren, waarbij logistieke, productieve en energie-exporterende zones (Rusland, Oekraïne, Kazachstan) en de invoer van industriële goederen, zowel uit China als uit Duitsland, werden samengebracht.

Hier kunnen we een glimp opvangen van het Teutoonse equivalent van de nieuwe Zijderoute – ook wel het Belt and Road Initiative genoemd – dat in 2013 door Xi Jinping werd gelanceerd. Volgens Halevi is het uiteindelijke doel van het Duitse blok de vorming van een Euraziatisch continentaal front met Duitsland en China als zijn twee uitersten, en Rusland als onmisbare verbindingsschakel. Dit verklaart de hardnekkigheid waarmee de Duitsers, tegen de belangen van Washington en de NAVO in, hebben aangedrongen op de gaspijpleiding Nordstream 2. Het eerste tastbare geopolitieke effect van de Oekraïne-oorlog was de ondergang van dit project.

De oorlog heeft effectief een einde gemaakt aan de droom van een gemeenschappelijke Euraziatische ruimte, omdat hij Duitsland dwingt zijn banden met China te verzwakken en het Russische communicatiekanaal tussen beide machten af te sluiten. Ook heeft de oorlog een einde gemaakt aan Duitslands gebruik van Rusland als achterland dat rijk is aan hulpbronnen en Lebensraum – of beter gezegd Großraum, in Carl Schmitts zin van de term. In plaats van een Grote Ruimte is Rusland nu een onoverkomelijk geopolitiek obstakel geworden. Dit zal de strategen van het Duitse blok dwingen hun hele plan te herzien, de verhouding tussen hun eigen sub-imperiale macht en het Amerikaanse imperium te heroverwegen, en tevens hun betrekkingen met andere Europese staten te herdefiniëren. Tegelijkertijd is het Duitse blok onder druk komen te staan door de tegenstrijdige belangen van zijn individuele leden. Een klein, maar veelzeggend feit geeft aan hoezeer de spelregels zijn veranderd: in mei van dit jaar kwam de Duitse maandelijkse handelsbalans voor het eerst sinds 1991 in het rood te staan. Het was niet veel (slechts ongeveer 1 miljard dollar), maar het was niettemin een handelstekort. Uit het Oekraïne-conflict tekent zich dus een situatie af die niet zonder historisch precedent is: de nederlaag van de Duitse strategie. Ook in de Derde Wereldoorlog lijken de Duitsers opnieuw de verliezers te zijn.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

De naderende stagflatiestorm

Oorspronkelijke tekst (Engels): Project Syndicate, 25 april 2022

fotografie: Concordia

door Nouriel Roubini

Nouriel Roubini was hoogleraar economie aan de Stern School of Business van de New York University. Hij heeft gewerkt voor het IMF, de US Federal Reserve en de Wereldbank.

Hoewel recente schokken de huidige inflatiegolf en de groeivertraging nog acuter hebben gemaakt, zijn zij niet bepaald de enige problemen van de wereldeconomie. Zelfs zonder die schokken zouden de vooruitzichten op de middellange termijn somberder worden als gevolg van een breed scala van economische, politieke, ecologische en demografische trends.

De nieuwe realiteit waarmee veel geavanceerde economieën en opkomende markten rekening moeten houden, is een hogere inflatie en een vertragende economische groei. En een belangrijke reden voor de huidige stagflatie is een reeks negatieve aanbodschokken die de productie hebben beperkt en de kosten hebben doen stijgen.

Dit hoeft niet te verbazen. De COVID-19-pandemie dwong veel sectoren tot sluiting, ontwrichtte de mondiale aanbodketens en leidde tot een kennelijk aanhoudende daling van het arbeidsaanbod, vooral in de Verenigde Staten. Daarna kwam de Russische invasie in Oekraïne, die de prijzen van energie, industriële metalen, voedsel en meststoffen heeft opgedreven. En vervolgens heeft China draconische COVID-19-lockdowns bevolen in belangrijke economische centra zoals Sjanghai, wat tot bijkomende ontwrichtingen van de aanbodketen en tot transportknelpunten heeft geleid. Maar zelfs zonder deze belangrijke kortetermijnfactoren zouden de vooruitzichten op de middellange termijn somberder worden. Er zijn tal van redenen om te vrezen dat de huidige stagflatoire omstandigheden de wereldeconomie zullen blijven kenmerken, met hogere inflatie, lagere groei en mogelijk recessies in tal van economieën tot gevolg.

Om te beginnen is er sinds de wereldwijde financiële crisis sprake van een demondialisering en een terugkeer naar verschillende vormen van protectionisme. Dit is het gevolg van geopolitieke factoren en binnenlands-politieke beweegredenen in landen waar grote bevolkingsgroepen zich ʻachtergelatenʼ voelen. De toenemende geopolitieke spanningen en het trauma in de aanbodketen als gevolg van de pandemie zullen waarschijnlijk leiden tot meer verplaatsing van de productie uit China en de opkomende markten, terug naar de geavanceerde economieën – of op zijn minst tot de verplaatsing (ʻnear-shoringʼ of ʻfriend-shoringʼ) naar clusters van politiek geallieerde landen. In beide gevallen zal de productie worden overgeheveld naar regioʼs en landen met hogere kosten. Bovendien zal de demografische vergrijzing in de geavanceerde economieën en in sommige belangrijke opkomende markten (zoals China, Rusland en Zuid-Korea) het aanbod van arbeidskrachten blijvend doen afnemen, wat tot looninflatie zal leiden. En omdat ouderen de neiging hebben hun spaargeld uit te geven zonder te werken, zal de groei van dit cohort de inflatiedruk doen toenemen en het groeipotentieel van de economie doen afnemen. Het aanhoudende politieke en economische verzet tegen immigratie in de ontwikkelde economieën zal eveneens het arbeidsaanbod verminderen en een opwaartse druk uitoefenen op de lonen. Decennialang heeft grootschalige immigratie de loonstijging in de geavanceerde economieën afgeremd. Maar die tijd lijkt voorbij te zijn.

Ook de nieuwe koude oorlog tussen de VS en China zal op grote schaal stagflatoire gevolgen hebben. De Chinees-Amerikaanse ontkoppeling impliceert fragmentatie van de wereldeconomie, balkanisering van de aanbodketens en striktere beperkingen op de handel in technologie, gegevens en informatie – sleutelelementen van toekomstige handelspatronen.

Ook de klimaatverandering zal tot stagflatie leiden. Droogtes beschadigen immers gewassen, ruïneren oogsten en drijven de voedselprijzen op, net zoals orkanen, overstromingen en de stijgende zeespiegel kapitaalvoorraden zullen vernietigen en de economische activiteit zullen ontwrichten. De agressieve decarbonisatie heeft geleid tot onderinvestering in koolstofgebaseerde capaciteit vóórdat hernieuwbare energiebronnen een schaal hebben bereikt die voldoende is om een verminderd aanbod van koolwaterstoffen te compenseren. Onder deze omstandigheden zijn scherpe pieken in de energieprijzen onvermijdelijk. En naarmate de energieprijs stijgt, zal ʻgroene inflatieʼ de prijzen treffen van de grondstoffen die worden gebruikt in zonnepanelen, batterijen, elektrische voertuigen en andere schone technologieën.

De volksgezondheid zal waarschijnlijk een andere factor zijn. Er is weinig gedaan om de volgende uitbraak van een besmettelijke ziekte te voorkomen, en we weten al dat pandemieën de mondiale aanbodketens verstoren en aanzetten tot protectionistisch beleid, omdat landen zich haasten om essentiële voorraden zoals voedsel, farmaceutische producten en persoonlijke beschermingsmiddelen te hamsteren. We moeten ons ook zorgen maken over cyberoorlogsvoering, die de productie ernstig kan verstoren, zoals recente aanvallen op pijpleidingen en vleesverwerkende bedrijven hebben aangetoond. Verwacht wordt dat dergelijke incidenten in de loop van de tijd vaker zullen voorkomen en ernstiger zullen worden. Als bedrijven en overheden zich hiertegen willen beschermen, zullen ze honderden miljarden dollars moeten uitgeven aan cyberbeveiliging, waardoor de kosten die aan de consument zullen worden doorberekend nog verder zullen oplopen. Deze factoren zullen het politieke verzet tegen de grote inkomens- en vermogensongelijkheid aanwakkeren, wat zal leiden tot meer overheidsuitgaven ter ondersteuning van werknemers, werklozen, kwetsbare minderheden en ʻachterblijvers.ʼ Pogingen om het inkomensaandeel van arbeid ten opzichte van kapitaal te verhogen, hoe goed bedoeld ook, impliceren meer arbeidsstrijd en een spiraal van loonprijsinflatie. Dan is er de oorlog van Rusland tegen Oekraïne, die de terugkeer inluidt van de nulsom-politiek van de grootmachten. Voor het eerst in vele decennia moeten we rekening houden met het risico van grootschalige militaire conflicten die de wereldhandel en -productie zullen verstoren. Bovendien zijn de sancties die worden gebruikt om staatsagressie af te schrikken en te bestraffen, op zichzelf óók stagflatoir. Vandaag is het Rusland tegen Oekraïne en het Westen. Morgen kan het Iran zijn dat overgaat tot kernwapens, Noord-Korea dat zich inlaat met nog meer nucleair gestunt, of China dat Taiwan probeert in te nemen. Elk van deze scenarioʼs kan leiden tot een hete oorlog met de VS. Tenslotte is het tot wapen maken van de Amerikaanse dollar – een centraal instrument bij de handhaving van sancties – eveneens stagflatoir. Niet alleen veroorzaakt dit beleid ernstige fricties in de internationale handel in goederen, diensten, grondstoffen en kapitaal; het moedigt de Amerikaanse rivalen tevens aan hun deviezenreserves te diversifiëren en niet langer uitsluitend in dollars gedenomineerde activa te gebruiken. Op den duur zou dit proces de dollar sterk kunnen verzwakken (waardoor de Amerikaanse invoer duurder zou worden en de inflatie zou worden aangewakkerd) en kunnen leiden tot het ontstaan van regionale monetaire stelsels, waardoor de wereldhandel en de financiële wereld nog verder zouden worden gebalkaniseerd.

Optimisten kunnen aanvoeren dat we er nog steeds op kunnen rekenen dat de technologische innovatie op den duur een desinflatoire druk zal uitoefenen. Dat mag waar zijn, maar de technologiefactor is ver in de minderheid vergeleken met de elf hierboven genoemde stagflatoire factoren. Bovendien blijft het effect van technologische veranderingen op de totale productiviteitsgroei onduidelijk in de gegevens, en zal de ontkoppeling tussen China en het Westen de invoering van betere of goedkopere technologieën wereldwijd beperken, waardoor de kosten zullen stijgen. (Een Westers 5G-systeem is momenteel bijvoorbeeld veel duurder dan een systeem van Huawei). In ieder geval zijn kunstmatige intelligentie, automatisering en robotica niet per se positief. Als ze zó ver verbeteren dat ze voor een betekenisvolle desinflatie kunnen zorgen, zullen ze waarschijnlijk ook hele beroepen en industrieën ontwrichten, waardoor de toch al grote verschillen in rijkdom en inkomen nog groter zullen worden. Dat zou een nog krachtiger politiek verzet uitlokken dan het verzet dat we al hebben gezien – met alle stagflatoire beleidsgevolgen die daar waarschijnlijk weer uit zullen voortvloeien.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Demondialisering

Oorspronkelijke tekst (Engels): Sidecar, 29 maart 2022

fotografie: Neue Zürcher Zeitung

door Marco dʼEramo

Marco d’Eramo is een Italiaans journalist. Hij was student van de Franse socioloog Pierre Bourdieu en een van de oprichters van het Italiaanse dagblad Il Manifesto, dat hij in 2012 verliet. Tegenwoordig schrijft hij voor de taz, New Left Review en MicroMega.

‘De Russische invasie van Oekraïne heeft een einde gemaakt aan de mondialisering die we de afgelopen drie decennia hebben meegemaakt,’ aldus Larry Fink, CEO van BlackRock, ’s werelds grootste beleggingsfirma, die tien biljoen dollar aan activa beheert. Ervan uitgaande dat de situatie niet verder uit de hand loopt – ‘duimen’ maar – is dit waarschijnlijk een van de langer durende uitkomsten van de oorlog (ook al ziet het plaatje er op dit moment nogal anders uit vanaf de puinhopen van het Europese slagveld).

Dat betekent niet dat de wereld onmiddellijk zal terugvallen op regionale economieën, douanegrenzen en beperkingen van de vrijheid van kapitaal. De mondialisering impliceert een materiële infrastructuur die veel te omvangrijk – Cyclopisch zelfs – is om met speels gemak te kunnen worden ontmanteld. Een blik op containerhavens als Busan of Rotterdam is genoeg om dit te bevestigen. Beter nog: kijk maar eens naar MarineTraffic, een site die alle schepen in beeld brengt die waar dan ook, wanneer dan ook ergens ter wereld op zee zijn. Het aantal is waarlijk verbijsterend.

Maar we mogen niet onderschatten wat er met de mondiale economie gebeurt, en met name met de financiële wereld. Want de huidige oorlog is niet alleen asymmetrisch; hij is ook hybride, in de zin dat hij op diverse schaakborden met verschillende arsenalen wordt uitgevochten. Aan de ene kant heb je Rusland, dat een conventionele oorlog voert tegen Oekraïne met tanks, raketten en bommen; maar de werkelijke tegenstander is de NAVO, en uiteindelijk de Verenigde Staten. Aan de andere kant heb je de VS, die een proxy-oorlog tegen Rusland voeren, en zich voorbereiden op een guerrilla-oorlog voor het geval dat Oekraïne gedeeltelijk of geheel wordt geannexeerd, terwijl ze tegelijkertijd een totale en rechtstreekse financieel-economische blokkade lanceren. Het is geen toeval dat de Franse minister van Financiën Bruno Le Maire het buitensluiten van Rusland van SWIFT een ‘financieel kernwapen’ heeft genoemd.

Het probleem met kernwapens – of ze nu echt of financieel zijn – is echter dat ze radioactieve fall-out creëren (ik heb recent geschreven over het gebruik en misbruik van sancties als imperiaal instrument). Waaraan in dit geval vooral schade is toegebracht is aan het geloof in de mondialisering zelf, en dus aan het fundament waarop die is gebouwd. Een gemondialiseerde economie berust op de veronderstelling dat de algehele orde belangrijker is dan de wederwaardigheden van individuele staten. Kapitaal kan zich alleen vrijelijk tussen banken in verschillende landen bewegen als het bij iedere willekeurige instelling even veilig is. Als zodanig is de mondialisering gebaseerd op de overtuiging dat er geen nationale elites zijn, maar slechts één enkele, mondiale elite, die onkwetsbaar is voor de wisselvalligheden van de staatspolitiek. Dit is een belofte waarmee de rijken zijn verleid in onderworpen landen, die zich tot dusver ondergeschikt hadden gevoeld aan de imperiale kern. Zij bood de provinciale elites een luchtspiegeling: het einde van hun onderworpenheid, en hun opname in de enige dominante macht op de planeet. Onder het regime van de mondialisering mag een magnaat uit welk land dan ook die een huis koopt in Londen of een bankrekening opent in New York verwachten dat zijn bezittingen veilig zijn, ongeacht de fluctuaties van de wereldwijde diplomatie. De slogan was ‘miljardairs van de wereld verenigt u’ (in één enkel transnationaal thuisland): een illusie die sindsdien door de Oekraïne-crisis aan flarden is geschoten.

Als het Verenigd Koninkrijk de bezittingen van Russische miljardairs in beslag neemt, waarom zouden andere buitenlandse magnaten dan hun kapitaal in Belgravia beleggen, wetende dat het een doelwit kan zijn als hun land uit de gratie raakt bij de Verenigde Staten? De miljardairs van de wereld beseffen dat hun veronderstelling dat geld niet stinkt, vals is; onder bepaalde omstandigheden stinkt het geld van bepaalde mensen wel degelijk, en behoorlijk ook. De inbeslagname van de buitenlandse reserves van Rusland is nog schokkender geweest. Zoals Adam Tooze in de New Statesman schrijft: ʻHet bevriezen van de Russische centrale bankreserves betekent het oversteken van de Rubicon. Het brengt conflict in het hart van het internationale monetaire systeem. Als de centrale bankreserves van een G20-lid die zijn toevertrouwd aan de rekeningen van een andere centrale bank van de G20 niet onaantastbaar zijn, dan is niets in de financiële wereld dat wél.ʼ Kortom, de oorlog heeft de mondialisering verwond door een verlies van vertrouwen in het primaat van financiën boven politiek teweeg te brengen – naast de materiële problemen van bevoorrading, aanbodketens en grondstoffen.

Het is geen toeval dat de heersende klasse in China het meest nerveus is over dergelijke zaken. De interventie van de Chinese onderminister van Buitenlandse Zaken Le Yucheng op een forum aan de Tsinghua Universiteit, een maand na de Russische invasie, was in dit verband verhelderend. Zijn krachtigste waarschuwing was dat

van de mondialisering geen ʻwapenʼ mag worden gemaakt … China heeft zich altijd verzet tegen unilaterale sancties die noch op het internationaal recht, noch op het mandaat van de Veiligheidsraad gebaseerd zijn. De geschiedenis heeft keer op keer aangetoond dat het opleggen van sancties in plaats van problemen op te lossen, hetzelfde is als ʻbrand blussen met brandhoutʼ en de zaken alleen maar erger zal maken. De mondialisering wordt als wapen gebruikt, en zelfs mensen uit de sport-, cultuur-, kunst- en amusementsgemeenschap worden niet gespaard. Het misbruik van sancties zal catastrofale gevolgen hebben voor de hele wereld.

Het is geen wonder dat China zich opwerpt als paladijn van de mondialisering. Het was de mondialisering die China in dertig jaar tijd tot de op één na grootste economische en militaire macht ter wereld heeft gemaakt. Iedere poging om China in te dammen impliceert een omkering van deze tendens, of op zijn minst een wijziging ervan. (In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, is er niet slechts één mogelijke vorm van mondialisering, maar zijn er vele; de mondialisering kan op verschillende manieren worden gestructureerd, volgens verschillende machtsconfiguraties).

De verkiezing van Donald Trump vormde een keerpunt in deze poging om China te verstikken en tegelijkertijd de mondialisering te vertragen. Die verkiezing moet echter worden gezien als onderdeel van een breder proces, waarin het cumulatieve effect van verschillende gebeurtenissen op een verschuiving in de mondiale evenwichten heeft geduid. De afgelopen zes jaar zijn we getuige geweest van een reeks ʻontkoppelingenʼ van mondiale interfaces en van een uiteenrafeling van transnationale knooppunten. Het presidentschap van Trump, voorafgegaan door de Brexit, werd gevolgd door de Covid-19-pandemie en de oorlog in Oekraïne. In al deze gevallen werd een bepaald aspect van de mondialisering ter discussie gesteld. De Brexit maakte een einde aan de integratie van Europa in de mondiale financiële markten die in Londen zijn gevestigd. Met Trump werden handelsoorlogen – die vroeger als een relikwie uit het verleden werden beschouwd – nieuw leven ingeblazen. Vervolgens ontwrichtte Covid cruciale aanbodketens; en nu heeft het Oekraïense conflict de geografie van de grondstoffenvoorziening op zijn kop gezet, terwijl de impact van het financiële kernwapen nog moet worden beoordeeld.

Het strategische debat in de VS over de manier waarop China moet worden aangepakt werd al aangezwengeld in de nasleep van de crisis van 2008, en ging door tijdens de ambtstermijn van Obama. Onder Amerikaanse beleidsmakers was er geen eenduidig antwoord op de opkomst van China, geen ʻmasterplan van het kapitaalʼ dat de orthodoxe marxisten van weleer zou hebben behaagd. In feite zijn er sinds het opduiken van deze kwestie pro- en anti-mondialistische facties geweest, die beide erkennen dat demondialisering de belangen van veel machtige economische actoren kan schaden en processen op gang kan brengen waarvan de gevolgen moeilijk in te schatten zijn.

Maar als de verkiezing van Trump de Amerikaanse elites ertoe heeft aangezet de wereldorde te heroverwegen, dan was het de pandemie die het gecompromitteerde karakter van de Chinese mondialisering aan het licht heeft gebracht. Het wordt niet vaak opgemerkt dat Covid-19 ruim twee jaar lang is gebruikt om de volledige afsluiting van China van de buitenwereld te rechtvaardigen: een afsluiting die niet meer had plaatsgevonden sinds de Qing-dynastie in de jaren dertig van de negentiende eeuw de invoer van opium trachtte te blokkeren. Het volledige verdwijnen van Chinese toeristen uit andere landen was slechts de meest zichtbare uiting daarvan. Vanuit een bepaald perspectief was Covid het vehikel voor de (althans gedeeltelijke) heroriëntering van Chinaʼs economie naar binnenlandse consumptie; hoewel ook hier slechts een tendens werd benadrukt die al vóór de verkiezing van Trump was begonnen.

De mondialisering, het Chinese handelsoverschot en het Amerikaanse handelstekort worden vaak samengevoegd tot een semi-mythisch verhaal. Dat verhaal houdt in dat China een deel van zijn overschot gebruikt om Amerikaanse staatsobligaties te kopen en zo het handelstekort van de VS – dat wil zeggen de Amerikaanse aankopen in China – rechtstreeks te financieren. Het is een feit dat dit tot 2011 waar was (we zien inderdaad een exponentiële toename van de aankoop van Amerikaanse staatsobligaties door de Chinese centrale bank aan het begin van deze eeuw). Maar het verhaal wordt onderbroken in 2012. Vanaf dat moment is het bedrag aan Amerikaanse staatsobligaties in Beijing niet toegenomen, maar juist langzaam geslonken. Hoewel het land jaarlijks een enorm handelsoverschot blijft opbouwen, is China gestopt met het kopen van nieuwe Amerikaanse obligaties en heeft het de obligaties die het al in bezit heeft slechts gedeeltelijk vernieuwd.

Bijna een kwart (7,6 biljoen dollar) van de Amerikaanse staatsschuld is in handen van derde landen, maar in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is de grootste bezitter van Amerikaanse schulden niet China (1,095 biljoen dollar in januari 2022), maar Japan (1,3 biljoen dollar). Olieproducerende landen als Saoedi-Arabië en de VAE zijn evenmin grote kopers van Amerikaanse staatsobligaties; integendeel. Nog significanter zijn de onevenredig grote bedragen die Luxemburg (311 miljard dollar), Zwitserland (299 miljard dollar) en de Kaaimaneilanden (271 miljard dollar) bezitten. Dit duidt erop dat supranationale entiteiten Amerikaanse schulden opkopen met behulp van hun eigen rekeningen in belastingparadijzen. Ter vergelijking: in januari bezaten buitenlanders ongeveer elf procent van de Chinese staatsobligaties, waarvan een kwart in handen was van Rusland. De bezorgdheid over de bevriezing van de Russische reserves door Washington kwam onmiddellijk tot uiting in de waarde van de Amerikaanse staatsobligaties, die in februari hun slechtste maand beleefden door de verhoging van de rentevoeten gekoppeld aan de verkoop (of niet-verlenging). Chinese commentatoren maakten zich onmiddellijk zorgen over de Amerikaanse reserves van het land, omdat zij vreesden dat deze op de lange termijn – indien het conflict met de Amerikanen zou escaleren – hetzelfde lot zouden ondergaan als die van Rusland.

Een monetaire storm is onwaarschijnlijk. Vermoedelijk zal de broekriem geleidelijk worden aangehaald, met weinig plotselinge schokken, om geen ineenstorting van de dollar (of revaluatie van de renminbi) uit te lokken. Toch blijven er breuken in de mondiale financiële betrekkingen bestaan, alsof het weefsel van de mondialisering is gescheurd. Het beste symbool hiervan is het uitgebreide ritueel dat zich ontwikkelt rond de G20-top, die in de herfst op het eiland Bali zal plaatsvinden. Om zout in de wonde te strooien heeft Poetin het idee geopperd om aanwezig te zijn, wat paniek zaait onder de G20-leden van de NAVO, die zijn aanwezigheid zouden moeten tolereren of hem uit de G20 zouden moeten zetten, met het risico dat andere landen, zoals India en Saoedi-Arabië, zich daartegen zouden keren en zich mogelijk ook zouden terugtrekken (vergeet niet dat China, India, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Pakistan en veertien Afrikaanse landen, waaronder Zuid-Afrika, zich hebben onthouden van stemming over de VN-motie om Rusland te veroordelen). ‘Geen enkel lid heeft het recht een ander land als lid te verwijderen,’ aldus het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken, ‘de G20 moet echt multilateralisme toepassen, en de eenheid en samenwerking versterken.’

De uitsluiting van Rusland uit de G20 zou alleen mogelijk zijn als die gepaard zou gaan met uitzetting uit de Wereldhandelsorganisatie. Maar dat zou de dood betekenen voor de mondialisering zoals we die hebben leren kennen. Het is duidelijk dat geen van de grootmachten klaar is voor een dergelijke ontkoppeling. De VS lijken steeds onzekerder te worden over de demondialisering, zoals een nostalgisch artikel in Foreign Affairs, ‘The End of Globalization?’, onlangs suggereerde. Laten we niet vergeten dat Biden in november voor tussentijdse Congresverkiezingen staat en een ongekend debacle riskeert (en een opstand binnen zijn eigen partij) als hij die verkiezingen ingaat met een op hol geslagen inflatie en torenhoge brandstofprijzen.

Het probleem dat niemand lijkt te kunnen oplossen, is de overlapping van verschillende tijdshorizonten: maanden van gevechten in Oekraïne; jaren van fallout als gevolg van de sancties; en decennia van een nieuwe wereldorde (waarin de uiteindelijke rol van Rusland een mysterie blijft, met of zonder Poetin). Zeker is dat de Chinese regering alles in het werk stelt om niet getroffen te worden door de ontrafeling van de mondialisering, goed wetende dat zij – veel meer dan Rusland – het echte doelwit van de VS is. Na het telefoongesprek tussen Biden en Xi op 18 maart parafraseerde een presentator op de Chinese staatstelevisie spottend het verzoek van eerstgenoemde aan China: ʻKun je me helpen je vriend te bestrijden, zodat ik me later kan concentreren op het bestrijden van jou?’

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

De Koude Vrede

Oorspronkelijke tekst (Engels): Sidecar, 16 maart 2022

door Cédric Durand

Cédric Durand doceert Economie en Ontwikkelingstheorieën aan de universiteit van Parijs 13 en de EHESS. Hij werkt binnen de traditie van de marxistische en de Franse regulationistische politieke economie en is auteur van verschillende artikelen over de eurocrisis, de verwevenheid financialisering-mondialisering en de post-Sovjet-transformatie. Hij is lid van de redactieraad van het radicale online tijdschrift ContreTemps.

Petrovʼs Flu (2021), de nieuwste film van Kirill Serebrennikov, opent met een beeld van een overvolle forensenbus in Rusland. De sfeer is koortsig, bijna gewelddadig. De hoofdpersoon, in de greep van de koorts, krijgt een hoestbui en begeeft zich naar de achterkant van de bus. Vlak achter hem roept een andere passagier: ʻVroeger kregen we elk jaar gratis bonnen voor het sanatorium. Dat was goed voor de mensen. Maar Gorby heeft ons verraden, Jeltsin heeft alles verkwanseld, en vervolgens heeft Berezovski zich van hem ontdaan en deze kerels aangesteld. En wat nu?ʼ Hij concludeert dat ʻiedereen die momenteel aan de macht is, moet worden doodgeschoten.ʼ Op dat moment stapt de hoofdpersoon uit de bus en komt hij in een dagdroom terecht waarin hij zich bij een vuurpeloton voegt dat een groep oligarchen executeert.

Met ʻdeze kerelsʼ worden Poetin en zijn kliek bedoeld, terwijl ʻwat nu?ʼ een vraag is die zwaar weegt op het land dat zij hebben gecreëerd. Wat voor soort samenleving is het hedendaagse Rusland, en waar gaat die naartoe? Wat is de dynamiek van haar politieke economie? Waarom hebben Poetin en zijn trawanten een verwoestend conflict met een nauw verweven buurland ontketend? Drie decennia lang heerste er een koude vrede in de regio, waarbij Rusland en de rest van Europa samen zwommen in de ijzige wateren van de neoliberale mondialisering. In 2022 zijn we, na de inval in Oekraïne en de economische en financiële sancties van het Westen, een nieuw tijdperk binnengetreden, waarin de waanideeën die de transitie van Rusland naar een markteconomie bezielden, onmogelijk nog langer overeind gehouden kunnen worden.

Natuurlijk is de fantasie van de post-sovjetontwikkeling nooit in overeenstemming geweest met de realiteit. In 2014 stelde Branko Milanović een balans op van de transities naar het kapitalisme, met als conclusie: ʻVan slechts drie of hooguit vijf of zes landen kan worden gezegd dat ze op weg zijn om deel te gaan uitmaken van de rijke en (relatief) stabiele kapitalistische wereld. Veel landen raken achterop, en sommige raken zo ver achterop dat zij er gedurende verscheidene decennia niet in zullen slagen terug te keren naar het punt waarop zij zich bevonden toen de muur viel.ʼ Ondanks beloften van democratie en welvaart hebben de meeste mensen in de voormalige Sovjet-Unie geen van beide gekregen. Door zijn geografische omvang en zijn politiek-culturele centraliteit was Rusland de gordiaanse knoop van dit historische proces, dat de cruciale achtergrond vormt van de Oekraïne-crisis. Want naast het militaire tropisme van de ʻgrootmachtʼ-benadering zijn binnenlandse economische factoren minstens even essentieel als we de coördinaten van de huidige situatie in kaart willen brengen en de haastige oorlogszucht van het Russische leiderschap willen verklaren.

Periode I: 1991–1998

De Russische agressie maakt deel uit van een wanhopige en tragisch verkeerd berekende poging om het hoofd te bieden aan wat Trotski ʻde zweep van de externe noodzaakʼ heeft genoemd, dat wil zeggen: de verplichting om met andere staten te concurreren om een zekere mate van politieke autonomie te behouden. Het was diezelfde zweep die het Chinese leiderschap ertoe heeft gebracht begin jaren tachtig een gecontroleerde economische liberalisering door te voeren, die veertig jaar van een grotendeels succesvolle integratie in de wereldeconomie heeft bevorderd, en het regime in staat heeft gesteld zijn legitimiteit opnieuw op te bouwen en te consolideren. In Rusland heeft de zweep na het einde van de Koude Oorlog echter de staat zelf gebroken.

Zoals Janine Wedel documenteert in haar onmisbare Collision and Collusion: The Strange Case of Western Aid to Eastern Europe (2000), resulteerde de ondergang van de Sovjet-Unie in een diepgaande verzwakking van de binnenlandse elite van het land. Tijdens de eerste jaren van de transitie werd de autonomie van de staat zodanig geminimaliseerd dat de beleidsvorming feitelijk werd gedelegeerd aan Amerikaanse adviseurs onder leiding van Jeffrey Sachs, die toezicht hield op een kleine groep Russische hervormers, zoals Jegor Gaidar – de premier die de beslissende prijsliberalisering van het land lanceerde – en Anatoli Tsjoebais, de privatiseringstsaar en voormalige bondgenoot van Poetin. Hun shocktherapiehervormingen veroorzaakten industriële involutie en stijgende armoedecijfers, waardoor ze een nationale vernedering teweegbrachten en een diep wantrouwen jegens het Westen in de Russische culturele psyche prentten. Gezien deze traumatische ervaring is het populairste motto in Rusland nog steeds: ʻDe jaren negentig – nooit meer.ʼ

Vladimir Poetin heeft zijn regime op dit motto gebouwd. Een eenvoudige blik op de ontwikkeling van het bbp per hoofd van de bevolking leert ons waarom. De eerste jaren van de transitie werden gekenmerkt door een zware depressie die culmineerde in de financiële krach van augustus 1998. In plaats van de totale ineenstorting die Anders Åslund in Foreign Affairs beschreef, bevatte dit moment echter reeds de kiemen van een opleving. De roebel verloor vier vijfde van zijn nominale dollarwaarde; maar al in 1999, toen Poetin aan de macht kwam als gevolg van een nieuwe oorlog in Tsjetsjenië, begon de economie zich te herstellen.

Vóór de crash hadden de macro-economische voorschriften van de Washington-consensus een hardnekkige depressie teweeggebracht, aangezien het anti-inflatiebeleid en een stompzinnige verdediging van de wisselkoers de economie beroofden van de nodige monetaire circulatiemiddelen. De torenhoge rentetarieven en het feit dat de staat geen betrouwbare loonbetalingen meer verrichtte, leidden tot een veralgemening van de ruilhandel (die in 1998 ruim vijftig procent van de handel tussen ondernemingen vertegenwoordigde), endemische loonachterstanden en de uittocht van industriële ondernemingen uit de binnenlandse markt. Op afgelegen plaatsen was het gebruik van geld bijna volledig uit het dagelijks leven verdwenen. In de zomer van 1997 bracht ik een paar dagen door in het kleine dorpje Tsjernoroed, aan de westelijke oever van het Baikalmeer. De dorpelingen oogstten pijnboompitten en gebruikten die om de busreis naar het nabijgelegen eiland Olkhon te betalen, evenals onderdak en gedroogde vis, waarbij één vol glas noten een rekeneenheid vormde. De sociale, gezondheids- en misdaadsituatie was erbarmelijk. Een wijdverbreid gevoel van wanhoop kwam tot uiting in het hoge sterftecijfer.

Periode II: 1999–2008

Vergeleken met deze economische catastrofe was het begin van het Poetin-tijdperk een feest. Van 1999 tot 2008 waren de belangrijkste macro-economische indicatoren indrukwekkend. De ruilhandel liep snel terug en het bbp groeide met gemiddeld zeven procent per jaar. Nadat het tussen 1991 en 1998 bijna was gehalveerd, was het in 2007 weer volledig terug op het niveau van 1991 – iets wat Oekraïne nooit voor elkaar heeft gekregen. De investeringen veerden weer op, net als de reële lonen, met jaarlijkse stijgingen van tien procent of meer. Op het eerste gezicht leek een Russisch economisch wonder aannemelijk.

Deze benijdenswaardige economische prestatie werd mogelijk gemaakt door de stijgende grondstoffenprijzen, maar dat was niet de enige factor. Daarnaast profiteerde de Russische industrie van de stimulerende effecten van de devaluatie van de roebel in 2008. Het waardeverlies maakte lokaal geproduceerde goederen concurrerender, wat de invoersubstitutie vergemakkelijkte. Aangezien industriële ondernemingen volledig los stonden van de financiële sector, hadden zij geen last van de crash van 1998. Bovendien gaven grote bedrijven er, dankzij de erfenis van de corporatistische integratie in de Sovjet-Unie, in de jaren negentig de voorkeur aan om de loonbetalingen uit te stellen in plaats van hun personeel te ontslaan. Daardoor konden zij hun productie snel opvoeren toen de economie weer aantrok. De bezettingsgraad steeg van ongeveer vijftig procent vóór 1998 naar bijna zeventig procent twee jaar later. Dit droeg op zijn beurt bij tot productiviteitsgroei, waardoor een opwaartse spiraal ontstond.

Een andere factor was de bereidheid van de regering om exportmeevallers aan te grijpen om het overheidsingrijpen in de economie een nieuwe impuls te geven. De jaren 2004 en 2005 markeerden een duidelijke verschuiving in dit opzicht. Privatisering stond nog steeds op de agenda, maar ging in een veel trager tempo door. Ideologisch gezien ging de stroom in tegengestelde richting, met een grotere nadruk op staatseigendom. Bij presidentieel decreet van 4 augustus 2004 werd een lijst opgesteld van 1.064 ondernemingen die niet mochten worden geprivatiseerd en werd een aantal naamloze vennootschappen waarin het aandeel van de staat niet mocht worden verminderd, genoemd. De staatsactiviteiten werden uitgebreid door een pragmatische combinatie van administratieve hervormingen en marktmechanismen. Poetins belangrijkste doelwit was de energiesector, waar hij de staatscontrole over de prijzen wilde herstellen en potentiële rivalen, zoals de liberale oliemagnaat Michail Chodorkovski, uit de weg wilde ruimen. Ondertussen werden door een combinatie van nieuwe beleidsinstrumenten en prikkels voor Russische buitenlandse investeringen ondernemingen opgericht die konden concurreren op gebieden als metallurgie, luchtvaart, autoʼs, nanotechnologie, kernenergie en natuurlijk militaire uitrusting. Het was de bedoeling de middelen die door de uitvoer van natuurlijke hulpbronnen werden gegenereerd, te gebruiken om een grotendeels verouderde industriële basis te moderniseren en te diversifiëren, en zo de autonomie van de Russische economie in stand te houden.

Periode III: 2008–2022

In deze poging om de Russische productiemiddelen te herstructureren kon een ontwikkelingsvisie worden ontwaard. Strategische fouten bij het beheer van de intrede van het land op de wereldmarkten, samen met gespannen relaties tussen de politieke leiding en de kapitalistische klasse, verhinderden echter een goede uitvoering van dit sociale arrangement. De symptomen van dit falen werden duidelijk tijdens de financiële crisis van 2008 en in de moeizame groei in het daaropvolgende decennium. Zij traden voor het eerst aan de dag in de voortdurende afhankelijkheid van de uitvoer van grondstoffen – meestal koolwaterstoffen, maar ook basismetaalproducten en meer recentelijk granen. Extern maakte deze toenemende specialisatie de economie gevoelig voor schommelingen op de wereldmarkten. Intern betekende dit dat de beleidsvorming ging draaien rond de verdeling van een (vaak uitgemolken) overschot van deze industrieën.

Het falen van de Russische ontwikkeling blijkt ook uit de hoge mate van financialisering. Al in 2006 werd de kapitaalrekening van Rusland volledig geliberaliseerd. Die maatregel, samen met de toetreding tot de WTO in 2012, duidde op een dubbele loyaliteit: enerzijds aan het door de VS geleide mondialiseringsproces, waarvan de hoeksteen het vrije verkeer van kapitaal was, en anderzijds aan de binnenlandse economische elite, die door haar weelderige levensstijl en frequente conflicten met het regime haar fortuin en bedrijven in het buitenland moest stallen. Poetin moedigde deze uitstroom van binnenlands kapitaal aan, ook al voerde hij tegelijkertijd een macro-economisch beleid dat erop gericht was buitenlandse investeringen naar Rusland te halen. De daaruit voortvloeiende internationalisering van de economie, in combinatie met de afhankelijkheid van de export van grondstoffen, verklaart waarom de economie zwaar getroffen werd door de wereldwijde financiële crisis, met een krimp van 7,8 procent in 2009. Om aan deze instabiliteit het hoofd te bieden, kozen de autoriteiten voor een dure accumulatie van laagrenderende reserves, waardoor Rusland, ondanks zijn positieve netto internationale investeringspositie, het afgelopen decennium tussen de drie en vier procent van zijn bbp verloor via financiële betalingen aan de rest van de wereld.

In het decennium vóór de invasie van Oekraïne werd de Russische economie dus gekenmerkt door chronische stagnatie, een extreem ongelijke verdeling van de welvaart en een relatieve economische achteruitgang ten opzichte van China en de kapitalistische kern. Toegegeven, er zijn ook andere, positievere ontwikkelingen geweest. Als gevolg van de sancties en tegensancties na de annexatie van de Krim hebben sommige sectoren, zoals de landbouw en de voedselverwerking, geprofiteerd van een invoersubstitutiedynamiek. Daarnaast heeft een krachtige technologiesector de ontwikkeling van een digitaal ecosysteem met een indrukwekkend internationaal bereik mogelijk gemaakt. Maar dit was niet genoeg om tegenwicht te bieden aan de structurele zwakte van de economie. In 2018 dwongen massademonstraties tegen neoliberale pensioenhervormingen de regering tot een gedeeltelijke terugtocht. Zij brachten ook de toenemende kwetsbaarheid aan het licht van Poetins regime, dat niet in staat is zijn beloften van economische modernisering en een adequaat welzijnsbeleid na te komen. Zolang deze trend zijn legitimiteit blijft ondermijnen, zal het vertrouwen van de president in nationalistisch revanchisme – en de militaire uitingen daarvan – alleen maar toenemen.

Geconfronteerd met economische tegenspoed en politieke isolatie na zijn avontuur in Oekraïne, zijn de vooruitzichten voor Rusland somber. Tenzij het land alsnog een overwinning behaalt, zal de regering steeds meer gaan wankelen naarmate de gewone Rus de economische kosten van de oorlog gaat voelen. De regering zal waarschijnlijk reageren door de repressie op te voeren. Voorlopig is de oppositie gefragmenteerd, en delen van links, waaronder de Communistische Partij, hebben zich achter de vlag geschaard – wat betekent dat Poetin op de korte termijn geen moeite zal hebben om afwijkende meningen de kop in te drukken. Maar afgezien daarvan wordt het regime op meerdere fronten bedreigd.

Het bedrijfsleven is doodsbang voor de verliezen die het zal lijden, en Russische financiële journalisten luiden openlijk de noodklok. Natuurlijk is het niet makkelijk om de gevolgen te voorspellen van de sancties – die nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd – voor het vermogen van individuele oligarchen. Er zij op gewezen dat de Russische Centrale Bank de roebel behendig heeft gestabiliseerd nadat deze onmiddellijk na het begin van de invasie een derde van zijn waarde had verloren. Maar voor Russische kapitalisten is het gevaar reëel. Twee voorbeelden illustreren de uitdagingen waarmee zij zullen worden geconfronteerd. Het eerste voorbeeld is Alexei Mordashov – volgens Forbes de rijkste man van Rusland – die onlangs op de zwarte sanctielijst van de EU werd geplaatst wegens zijn vermeende banden met het Kremlin. Als gevolg van dit besluit heeft Severstal, de staalgigant waarvan hij de eigenaar is, alle leveringen aan Europa stopgezet, die vroeger ongeveer een derde van de totale omzet van het bedrijf uitmaakten: ruwweg 2,5 miljoen ton staal per jaar. Het bedrijf moet nu op zoek naar andere markten in Azië, maar tegen minder gunstige voorwaarden, die zijn winstgevendheid zullen schaden. Dergelijke cascade-effecten op de bedrijven van de oligarchen zullen gevolgen hebben voor de economie als geheel.

In de tweede plaats brengen de invoerbeperkingen ernstige moeilijkheden met zich mee voor sectoren als de autoproductie en het luchtvervoer. Er zou een ‘technologisch vacuüm’ kunnen ontstaan, gezien de terugtrekking van bedrijfssoftwarebedrijven als SAP en Oracle uit de Russische markt. Hun producten worden gebruikt door de grootste Russische ondernemingen – Gazprom, Lukoil, het Staatsbedrijf voor Atoomenergie, de Russische Spoorwegen – en het zal duur zijn om ze te vervangen door substituten van eigen bodem. In een poging om de gevolgen hiervan in te dammen, hebben de autoriteiten het gebruik van illegale software gelegaliseerd, de belastingvrijstellingen voor technologiebedrijven verlengd en aangekondigd dat technologiewerknemers zullen worden vrijgesteld van militaire verplichtingen; maar deze maatregelen zijn niet meer dan een tijdelijke noodoplossing. Het cruciale belang van software en data-infrastructuur voor de Russische economie benadrukt het gevaar van gemonopoliseerde informatiesystemen die worden gedomineerd door een handvol westerse bedrijven, waarvan de terugtrekking catastrofaal kan blijken.

Kortom, het lijdt geen twijfel dat de oorlog in Oekraïne schadelijk zal zijn voor veel Russische bedrijven en de loyaliteit van de heersende klasse aan het regime op de proef zal stellen. Maar ook de instemming van de bredere bevolking is in gevaar. Naarmate de sociaal-economische omstandigheden voor de bevolking verder verslechteren, kan het motto dat Poetin zo goed van pas kwam tegen zijn liberale oppositie (‘de jaren negentig: nooit meer’) weldra een averechtse uitwerking hebben op het Kremlin. Het mengsel van wijdverspreide misère en nationalistische frustratie is politieke nitroglycerine. De explosie ervan zal noch Poetins oligarchische regime, noch het economische model waarop het berust, sparen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Links mag niet op Macron stemmen

Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 22 april 2022

fotografie: UnHerd

door Thomas Fazi

Thomas Fazi is schrijver, journalist en vertaler. Zijn laatste boek, Reclaiming the State, verscheen bij Pluto Press.

Macrons aggresieve agenda heeft de werkende klasse verlamd

Op 6 mei 2017, de dag dat Emmanuel Macron werd verkozen tot president van Frankrijk nadat hij Marine Le Pen met groot verschil had verslagen, deed hij een belofte aan het Franse volk: dat het land nooit meer een ʻextreem-rechtseʼ kandidaat de tweede ronde van de presidentsverkiezingen zou zien bereiken. Maar nu, vijf jaar later, moet Macron het opnieuw opnemen tegen Le Pen. En deze keer zal het zeker veel dichter bij elkaar liggen, met een peiling van 55 procent voor de zittende president en 45 procent voor Le Pen.

Om dat verschil te verkleinen, moet Le Pen ten minste een deel van de 22 procent van de kiezers overhalen die in de eerste ronde van de verkiezingen voor de ʻlinks-populistischeʼ Jean-Luc Mélenchon hebben gekozen. Het standpunt van Mélenchon in dezen is echter duidelijk: ʻWij mogen geen enkele stem aan Le Pen geven,ʼ verklaarde hij op de avond van de eerste ronde, in wat neerkwam op een de facto steunbetuiging aan Macron. In een brief aan zijn achterban liet hij duidelijk weten dat hij de aftredende president de minst slechte optie vindt die op tafel ligt.

Maar niet al zijn kiezers zijn dezelfde mening toegedaan. Zoals Alexandre, een 36-jarige man die in de eerste ronde op Mélenchon stemde, aan BFMTV vertelde: ʻIk ben fundamenteel, ideologisch links en ik ben diep humanistisch, maar ik zal toch op Marine Le Pen stemmen.ʼ Hij is niet de enige die er zo over denkt: volgens opiniepeilingbureau Elabe zal een derde van de kiezers van Mélenchon in de tweede ronde waarschijnlijk op Le Pen stemmen.

Het hoeft ons niet te verbazen dat een groot deel van de aanhangers van Mélenchon het niet met hun leider eens is dat Macron het minste kwaad is. Gedurende zijn hele presidentschap heeft Macron onophoudelijk een aggressieve neoliberale agenda nagestreefd die de omstandigheden van de Franse arbeidersklasse dramatisch heeft verslechterd, terwijl hij de rijke elites en bedrijfsgiganten van het land enorm heeft bevoordeeld – verlaging van de belastingen voor de rijken en de grote bedrijven, hervorming van de arbeidswetgeving ten gunste van de werkgevers, bezuinigingen op de sociale voorzieningen en voortzetting van de ʻvermarktingʼ van elk gebied van de Franse samenleving.

Zoals een Franse econoom het formuleerde: ʻMacron is de kandidaat van de rijkste 1 procent of zelfs 0,1 procent.ʼ Dit is meer dan alleen een stijlfiguur: in zijn opzienbarende boek Crépuscule beschrijft de Franse schrijver en activist Juan Branco hoe Frankrijks machtigste oligarchen en mediamagnaten Macron vrij letterlijk van jongs af aan hebben ʻklaargestoomd,ʼ waarna ze al het geld en alle invloed waarover ze beschikten hebben gebruikt om hem te helpen de jongste president ooit van het land te worden. Het bleek een lonende investering: de laatste jaren is het aantal miljonairs in Frankrijk, na de Verenigde Staten, het sterkst toegenomen: een derde van de Franse rijkdom is nu in handen van slechts acht miljardairs. Intussen zijn de levensomstandigheden van de minstbedeelden verslechterd en is het aantal Fransen dat in armoede leeft toegenomen.

Alsof dit nog niet erg genoeg was, heeft Macron, toen de Franse onderklasse de straat opging om te protesteren tegen het top-down klassenoorlogsbeleid van de president en de Gilets Jaunes-beweging ontstond, daarop gereageerd met angstaanjagend politiegeweld dat niet onderdoet voor ʼs werelds meest repressieve regimes, waardoor betogers ten minste 24 ogen en vijf handen verloren.

De protesten kwamen alleen tot een einde omdat het uitbreken van de Covid-pandemie Macron, net als andere leiders over de hele wereld, het perfecte excuus bood om een draconisch en autoritair beleid van sociale controle uit te rollen, dat, zoals Toby Green en ik hebben gedocumenteerd, de arbeidersklasse het zwaarst heeft getroffen. Zoals Serge Halimi, directeur van Le Monde diplomatique, onlangs verklaarde, is het presidentschap van Macron ʻFrankrijks meest “illiberale” presidentschap van de moderne tijd.ʼ Hij heeft de angst voor onveiligheid, terrorisme, Covid-19 en nu de oorlog in Oekraïne uitgebuit om ʻeen antidemocratische “shockstrategie” te bevorderenʼ die erop gericht is ʻdoor angst te regeren.ʼ

En de toekomst voor de gewone Fransen ziet er niet rooskleuriger uit, als we het verkiezingsprogramma van Macron mogen geloven: meer belastingverlagingen voor grote bedrijven, de pensioengerechtigde leeftijd verhogen tot 65 jaar, uitkeringsgerechtigden dwingen om meer dan vijftien uur per week te werken, en terugkeren naar de strenge begrotingsregels van Maastricht (d.w.z. meer bezuinigingen). Zoals Halimi opmerkt: ʻEen tweede termijn voor Macron zou vooral gevaarlijk zijn voor de arbeidersklasse, omdat hij zich niet kandidaat kan stellen voor een derde termijn. Zonder de remmende invloed van een toekomstige verkiezingʼ staat er weinig meer in de weg van Macrons autoritaire neoliberale project.

Dit alles roept de vraag op waarom een socialist als Mélenchon zou moeten willen dat Macron aan de macht blijft. Op de meeste linkse mensen, niet alleen die in Frankrijk, zal deze vraag waarschijnlijk provocerend retorisch overkomen: wel, omdat het alternatief – Le Pen – duidelijk slechter is. Maar is dat ook zo? Of is het slechts een linkse Pavlov-reactie op de klank van haar naam? De argumenten van Mélenchon weerspiegelen de conventionele wijsheid onder Franse linksen en socialisten: de economische agenda van Le Pen is net zo slecht – dat wil zeggen: neoliberaal – als die van Macron, terwijl haar ʻculturele agendaʼ (over kwesties als immigratie) veel slechter is.

Dit zou een redelijk argument zijn als het waar was. Maar het idee dat de programmaʼs van Le Pen en Macron even slecht zijn vanuit een links-socialistisch perspectief is gewoon onjuist.

Le Pen heeft de ʻneoliberaleʼ logica van veel van de voorstellen van haar concurrent gehekeld – met name de aanscherping van de voorwaarden voor de ontvangers van sociale uitkeringen voor werkenden en de verhoging van de pensioenleeftijd, waar Le Pen zich in beide gevallen consequent tegen heeft verzet. Het is eerlijk gezegd moeilijk in te zien hoe iemand te goeder trouw het verkiezingsprogramma van Le Pen als neoliberaal zou kunnen omschrijven. Het is eerder een gematigd herverdelingsprogramma op keynesiaanse leest, gebaseerd op staatsinterventionisme, sociale bescherming en verdediging van de publieke diensten. De maatregelen omvatten de versterking van publieke diensten zoals ziekenhuizen, algemene BTW-verlagingen, loonsverhogingen voor werknemers in de gezondheidszorg en andere sectoren, belastingvrijstellingen of gratis vervoer voor jonge werkenden, de bouw van honderdduizend sociale huurwoningen per jaar, de renationalisatie van de autowegen en een belasting op financieel vermogen. Niets dat bijzonder radicaal is – maar neoliberaal is het zeker niet.

Het is dan ook geen verrassing dat een diepgaand onderzoek van het manifest van Le Pen door het Centre de Recherche Politique van Sciences Po, een van de grootste en invloedrijkste centra voor politiek-wetenschappelijk onderzoek in Frankrijk en zeker geen lepénistisch bolwerk, tot de conclusie kwam dat haar politieke programma stevig ʻlinks van het economische middenʼ ligt – veel meer dan de agenda van Macron. Interessant genoeg bleek uit het onderzoek ook dat de kiezers van Le Pen haar linkse economische visie delen: groot vertrouwen in de vakbonden, wantrouwen jegens grote particuliere ondernemingen, weigering om het aantal ambtenaren te verminderen. Over het geheel genomen is een overweldigende meerderheid van de aanhangers van Le Pen het eens met het idee dat ʻmen van de rijken moet nemen om aan de armen te geven.ʼ

Het is inderdaad pijnlijk duidelijk dat Mélenchons eigen economische manifest veel meer overeenkomsten vertoont met dat van Le Pen dan met dat van Macron. Ja, het programma van Mélenchon legt meer nadruk op lonen en werknemersrechten, zoals te verwachten valt, maar de algemene oriëntatie is vergelijkbaar. Mélenchon en Le Pen hebben zich ook allebei zeer kritisch uitgelaten over Macrons ʻvaccinpaspoorten,ʼ en hebben beloofd die in te zullen trekken als zij verkozen zouden worden. En de twee leiders hebben een vergelijkbare afkeer van de mondialisering en van de Europese Unie in het bijzonder – waarvan Macron een fervent pleitbezorger is. Ze zijn ook allebei voorstander van de terugtrekking van Frankrijk uit de NAVO.

Het grootste verschil tussen de twee betreft de immigratie. Terwijl Mélenchon in zijn manifest oproept om ʻimmigranten op een waardige manier te verwelkomen,ʼ wil Le Pen ʻde immigratie weer volledig onder controle krijgenʼ – door de regels voor het verkrijgen van de Franse nationaliteit aan te scherpen, nationale onderdanen voorrang te geven bij de toegang tot bepaalde sociale voorzieningen, en delinquente en stelselmatig werkloze buitenlanders het land uit te zetten. Zij heeft ook een hard standpunt ingenomen tegen het islamitisch radicalisme.

Nu kan het heel goed zijn dat men het niet eens is met dit beleid, maar het demoniseren ervan als ʻfascistischʼ – zoals velen ter linkerzijde doen – is gewoon belachelijk. Immers, het idee dat een staat voorrang moet geven aan het welzijn van de eigen burgers werd tot niet al te lang geleden als vanzelfsprekend beschouwd – zelfs onder linkse partijen en kiezers, zoals Sahra Wagenknecht, voormalig leider van de radicaal-linkse Duitse partij Die Linke, opmerkt in haar jongste boek Die Selbstgerechten(ʻDe zelfingenomenenʼ).

Maar wat belangrijker is, is de vraag of Macron in dit opzicht echt zo veel beter is dan Le Pen. Zoals Pauline Bock in The Guardian schreef, heeft Macron zelf een zeer ʻharde houding op het gebied van de immigratie aangenomen, waarbij politieagenten tenten van vluchtelingen in Calais vernielden … hij een eerbetoon bracht aan de ʻgrote soldaatʼ maarschalk Pétain … en interviews gaf aan extreem-rechtse tijdschriften.ʼ Toen Macrons minister van Binnenlandse Zaken, Gérald Darmanin, in februari 2021 in een tv-programma tegenover Le Pen stond, beschuldigde hij haar er zelfs van ʻte mild te zijn op het gebied van de immigratie.ʼ

Het lijkt er dus op dat de meeste argumenten van Mélenchon (en Frans links) om Macron boven Le Pen te verkiezen geen stand houden: de eerste is onvergelijkbaar veel slechter – d.w.z. ʻrechtserʼ – dan Le Pen op economisch gebied, en aantoonbaar bijna even slecht als zijn rivaal, vanuit een standaard ʻprogressiefʼ gezichtspunt, als het op de behandeling van immigranten aankomt. Ongeacht wat men van Le Pen mag denken – ik ben geen fan en als ik in Frankrijk had gewoond, zou mijn stem naar Mélenchon zijn gegaan – lijkt het vrij duidelijk dat de Franse arbeidersklasse veel slechter af zou zijn met een tweede ambtstermijn van Macron.

Uiteindelijk laat deze hele affaire echt zien waarom de historische kloof tussen links en rechts nergens meer op slaat. Geen enkel land illustreert dit beter dan Frankrijk – het land dat als eerste de concepten links en rechts in de politiek uitvond. Want niet alleen zijn nominaal linkse en progressieve partijen radicaal naar rechts opgeschoven in economische termen, en hebben zij klassenpolitiek opgegeven ten gunste van identiteitspolitiek, maar nominaal rechtse partijen zijn tegelijkertijd naar links opgeschoven als het om de economie gaat. Ook al hebben politieke partijen de traditionele links-rechts dichotomie uitgedaagd, en hebben Macron, Le Pen en Mélenchon er allemaal op hun eigen manier op gewezen dat de links-rechtspolitiek voorbij is, waarbij de laatste zich veel moeite heeft getroost om de linkse politiek te ʻont-neoliberaliseren,ʼ deze labels blijken zeer moeilijk verwijderbaar.

Dat is uiteindelijk de reden waarom een socialist als Mélenchon het nog steeds niet kan opbrengen om de ʻrechtseʼ Le Pen te verkiezen boven de nominaal ʻprogressieveʼ Macron, ook al is de economische agenda van eerstgenoemde veel linkser. Het verklaart ook waarom Macron waarschijnlijk voor een tweede termijn zal worden verkozen, met nefaste gevolgen voor de Franse arbeiders- en middenklasse.

Natuurlijk zouden de kiezers van Le Pen waarschijnlijk voor hetzelfde dilemma staan als Mélenchon het tegen Macron zou moeten opnemen. Maar dit bewijst alleen maar dat de kloof tussen links en rechts een rookgordijn is geworden dat het vrijwel onmogelijk maakt om de status quo serieus aan te vechten. Zolang politieke partijen en kiezers meer belang blijven hechten aan de steeds betekenislozere labels die zij zichzelf geven, in plaats van aan het beleid dat andere partijen en kiezers daadwerkelijk steunen, zal elk vooruitzicht om iemand als Macron ten val te brengen waarschijnlijk worden gedwarsboomd – tot grote vreugde van de heersende klassen.

Vertaling: Menno Grootveld