Categorieën
Filosofie Politiek

Hoe zit het met de duistere kant van de menigte?

Oorspronkelijke tekst (Engels): Journal of Communication Inquiry, 16 september 2011

fotografie: Disenz

door Franco Berardi

Franco Berardi (ook bekend als Bifo) is schrijver, mediatheoreticus en media-activist. Hij werd beschuldigd van deelname aan militante acties en werd in 1969 en 1972 gevangen gezet. In 1970 publiceerde hij Contro il lavoro (Feltrinelli), een klein boekje waarin hij de libertaire filosofie van de weigering van werk uiteenzette en zich uitsprak tegen de leninistische ideologie. Hij richtte het tijdschrift A/traverso op (1975-1981), maakte deel uit van de staf van Radio Alice, het eerste vrije piratenradiostation in Italië (1976-1978), en was medeoprichter van het e-zine rekombinant.org en van het Telestreet-netwerk. Zijn jongste boek, Desertie, verschijnt in april bij Starfish Books.

De boeken van Michel Hardt en Toni Negri uit het eerste decennium van deze eeuw kunnen worden gedefinieerd als een trilogie, en het getal drie is betekenisvol voor degenen die de geschiedenis van de moderne filosofie kennen. Deze trilogie is een meesterzet geweest vanuit het oogpunt van politieke actie en strategie. De auteurs hebben het voor elkaar gekregen om een soort herdefiniëring van het theoretische veld van de hedendaagse filosofie te bewerkstelligen, door de relatie tussen sociale communicatie, subjectiviteit en mondiale macht te herdefiniëren, en zijn erin geslaagd om de perceptie van het politieke raamwerk te veranderen na de enorme transformaties als gevolg van de val van het Sovjetsysteem, het ontstaan van internet en de mondialisering van de kapitalistische economie. Dankzij de conceptualisering die ze in deze drie boeken hebben geproduceerd, hebben Hardt en Negri de ruimte van kritisch en dissident gedachtegoed aan een herwaardering onderworpen, terwijl ze de historische legitimiteit van rebellie op nieuwe grondslagen herbevestigen en ze de sociale autonomie in een totaal nieuw perspectief plaatsen.

Als je denkt aan de gevolgen van de val van het Sovjetimperium voor de cultuur, de filosofie en de politieke verbeelding, als je denkt aan de triomf van de neoliberale ideologie in de nasleep van de omwenteling van 1989, zul je begrijpen hoe belangrijk de herbevestiging van het conflictueuze bestaan van de ontembare hardnekkigheid van het antagonisme en de voortdurende herschepping van een ruimte voor het Gemeenschappelijke is geweest, ondanks de agressieve privatisering die de afgelopen decennia is afgedwongen.

In de jaren negentig werd het theoretische veld bezet door twee verschillende soorten verbeelding: de eerste was die van het technofiele sociaal-darwinisme dat de onzichtbare hand van het liberale denken gelijkstelde aan de oneindige ontwikkeling van het Net: de ‘long boom’ van de Nieuwe Economie die triomfantelijk werd verkondigd door het tijdschrift Wired, terwijl de Nasdaq vrolijk explodeerde.

De tweede verbeelding was gebaseerd op het vooruitzicht van een botsing der beschavingen, en op het idee dat de Grote Geschiedenis van ideologische conflicten en revoluties voorbij was en dat de komende tijd voorbestemd zou zijn om de tijd van een Kleine Geschiedenis te worden, een geschiedenis van specifieke belangen, onbelangrijke conflicten en culturele regressie in de richting van een identitaire oorlog.

Negri en Hardt zijn erin geslaagd een moeilijke taak te volbrengen: het onderkennen van de progressieve en onomkeerbare trend van de mondialisering, maar tegelijkertijd het heropenen van de uitdaging van autonomie en revolte. Zo ontsloten ze een manier om te ontsnappen aan de valse maar met kracht opgedrongen keuze: ofwel instemmen met het mondiale kapitalisme of terugvallen in de richting van de nostalgie van de mislukte socialistische pogingen van de vorige eeuw. De trilogie van Negri en Hardt is erin geslaagd om de reden van de oppositie en van de zoektocht naar autonomie te verplaatsen, en dat is zo’n belangrijke prestatie dat elke andere opmerking een kleinigheid is.

Toch moet ik enkele opmerkingen maken over de filosofische en analytische kanten van deze boeken, die zijn verschenen in het eerste decennium van deze eeuw. Er moet iets gezegd worden over de structuur van de trilogie en het niet zo cryptische hegelianisme van zijn theoretische structuur. De opeenvolging is openlijk hegeliaans: het negatieve (Empire), de negatie van het negatieve (De menigte), en tenslotte, voorspelbaar genoeg, de positieve synthese, het Gemeenschappelijke (Commonwealth). Naast de algemene structuur, die gezien zou kunnen worden als een ironisch maniërisme, is de analytische inhoud van de eerste twee boeken niet altijd overtuigend. Laten we eens nadenken over het begrip Empire. Dit concept vat niet echt de tendens van het eerste decennium van deze eeuw, eerder het tegendeel, denk ik.

In het laatste deel van de twintigste eeuw is de Amerikaanse macht steeds minder in staat gebleken om haar politieke wil en militaire dominantie op te leggen, terwijl ze ook instabiel was en in economische zin is afgenomen. Empire werd enkele jaren voor de verschijning ervan geschreven, in het Clinton-tijdperk, en is de beste conceptualisering van die conjunctuur. Het nieuwe landschap van de Bush-jaren (en ook van de Obama-jaren) is er echter een van achteruitgang en nederlagen, van Irak tot Afghanistan, om nog maar te zwijgen van de rampzalige puinhoop in Pakistan, de moeizame relatie met Rusland en het gebrek aan autonomie tegenover de Chinezen.

Het concept Empire is een poging om tot een integratie te komen van de politieke sfeer met het genetwerkte communicatiesysteem. Het internet wordt geconceptualiseerd als een omgeving, en niet alleen als een middel, en dit stelt Hardt en Negri in staat om de tekenen van de vorming van het semiokapitalisme te ontcijferen. Ze zien echter het ambigue karakter van het netwerk niet, de pathologie die van invloed is op de subjectiviteit die een netwerk wordt. Het begrip Empire wordt niet alleen in geopolitieke en militaire termen geïnterpreteerd, maar verwijst ook naar de potentie van het netwerk, niet langer beperkt door nationale grenzen en identiteit. Het begrip Empire omvat in dit boek de nieuwe kracht van het netwerk als machtsstructuur en de mogelijkheid tot bevrijding. Wat belangrijk is in Empire is de verandering van de politieke houding, die niet langer wordt gekenmerkt door een gevoel van nederlaag en historisch bedrog, maar door een nuchter begrip van een nieuwe fase in de geschiedenis van sociale conflicten.

Het tweede boek, De menigte, heeft mij altijd een mislukte poging geleken om het subject een andere naam te geven, na de verzwakking van de industriële beroepsbevolking en de ontbinding van de arbeidersklasse die volgde op de mondialisering en de precarisering van de jaren negentig. Dit concept is niet voldoende om het proces van subjectivering op te bouwen dat we nodig hebben in de nieuwe sfeer van het mondiale kapitalisme. De notie van de menigte, in zijn spinozistische herkomst, verwijst naar de onmogelijkheid van de macht om de grenzeloze energieën van het sociale leven te onderwerpen aan haar overheersing.

Dit is natuurlijk belangrijk, maar zegt niets (of te weinig) over de kwaliteit, het bewustzijn en de bedoelingen van de menigte, in het bijzonder over haar mogelijkheid van autonomie ten opzichte van de kapitalistische overheersing. De duistere kant van de menigte wordt vergeten in de Hardt-Negri-formule. Depressie, paniek en zelfmoord zijn kenmerkend geweest voor de fenomenologie van het leven van de eerste ‘connectieve’ generatie (tot nu toe) en het concept van ‘de menigte’ gaat niet in op deze duistere kant, die essentieel is als we een verbeelding willen vinden voor de bewegingen die komen gaan.

In het derde boek, Commonwealth, hebben Negri en Hardt op overtuigende wijze een nieuwe kritiek op eigendom voorgesteld, gebaseerd op de grenzeloze expansie van de productieve energie van het algemene intellect in het netwerk, naast een nieuw idee van het gemeenschappelijke als de ruimte van een onophoudelijke dynamiek van uitvinding, creatie, liberalisering, privatisering, uitholling, opnieuw uitvinden, enzovoorts. Kennis is de essentiële ruimte van de commonwealth, vooral in het tijdperk van het net. En het kapitalisme is steeds minder geneigd om de uitbreiding van het kennispotentieel in semiotiek te vertalen. In die zin is het derde boek van de trilogie, Commonwealth, een goede inleiding tot de beweging die we aan de horizon zien: de beweging van kennis tegen het financiële kapitalisme of, beter gezegd, de beweging van kennisopbouwende autonomie ten opzichte van het financiële kapitalisme.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Filosofie Politiek

Voor Toni

Oorspronkelijke tekst (Engels, uit het Italiaans vertaald door Gerard Raunig): Transversal, 17 december 2023

fotografie: Manolo Finish

door Sandro Mezzadra

Sandro Mezzadra doceert politieke theorie aan de universiteit van Bologna. Hij is adjunct-hoogleraar aan het Institute for Culture and Society van de Western Sydney University en aan het Center for Cultural Research and Development van de Lingnan University in Hong Kong. Zijn recente werk concentreert zich op de relaties tussen mondialisering, migratie en kapitalisme, op hedendaags kapitalisme en op postkoloniale kritiek. Hij is een van de oprichters van de website www.euronomade.info.

Een vroege en zeer persoonlijke herinnering

Het is moeilijk om over Toni Negri te schrijven op de dag dat hij stierf. Althans, voor mij is dat moeilijk. Te veel beelden schieten me te binnen: de vakanties die we samen vierden, de reizen naar Latijns-Amerika, de eindeloze vergaderingen en discussies, maar ook de eerste lezingen van zijn boeken, Il dominio e il sabotaggio natuurlijk en daarna Dall’operaio massa all’operaio sociale, vlak na 7 april 1979. En ik herinner me die dag nog goed, toen ik na thuiskomst van school op televisie hoorde dat de leider van de Rode Brigades eindelijk was gearresteerd. Het is algemeen bekend dat van wat werd gepresenteerd als de ‘stelling van Calogero’ niets overeind bleef na de processen. Wat wel bleef waren de gebroken levens en de eindeloze jaren van voorarrest die Toni deelde met honderden van zijn kameraden en metgezellen.

Ik wil hier een eerste portret van Toni schetsen, zeer persoonlijk en zeker volledig partijdig. Ik zal dat doen door te benadrukken wat in ieder geval in mijn ogen zijn eigenheid definieerde en wat hem onderscheidde van veel andere radicale intellectuelen die ik door de jaren heen in verschillende delen van de wereld heb leren kennen. Voor nu zal het volstaan om twee aspecten van zijn persoon en leven te noemen die me altijd zijn bijgebleven.

Het eerste is zijn onuitputtelijke intellectuele en politieke nieuwsgierigheid, die, als dat mogelijk is, in de loop der jaren zelfs is gegroeid. Het is zeker normaal dat het tegenovergestelde gebeurt, dat vooral degenen die veel ervaring en een respectabele intellectuele productie achter zich hebben zelfgenoegzaam worden in het beheren van wat ze in de loop der tijd hebben opgebouwd. Bij Toni is dat nooit gebeurd, eerder het tegenovergestelde. Nieuwsgierigheid, het verlangen om te weten en de wens om het nieuwe te leren vergezelden hem tot zijn laatste levensdagen. En hoe dan ook benadrukte hij de beperkingen van zijn eigen werk, en spoorde hij vrienden en kameraden aan om niet te stoppen, om verder te gaan dan de gevestigde aannames en paradigma’s. Of het nu ging over digitale platforms, massamigratie of wereldwijde wanorde, Toni was nooit tevreden met wat hem verteld werd (of wat hij las), hij wilde altijd beter en meer begrijpen.

Het tweede aspect is zijn politieke passie, die eveneens niet te stillen was. Vooral na Empire waren de uitnodigingen van prestigieuze universiteiten en instituten over de hele wereld ontelbaar, en was er aan onderscheidingen geen gebrek. Toni keek geërgerd naar dat laatste, of met ironie, hoewel hij de confrontatie in wetenschappelijke kringen zeker niet schuwde. Maar wat hem werkelijk boeide was de mogelijkheid om echte bewegingen tegen te komen: dan veranderden de uitdrukking op zijn gezicht en de toon van zijn stem – ten teken dat hij het serieus meende. Om Toni, die de tachtig al lang gepasseerd was, urenlang in koude ruimtes in sociale centra te zien zitten discussiëren over de nieuwe vormen die de klassenstrijd aannam, is een ervaring die ik zeker niet alleen had. Het was normaal voor hem: het lijkt me echter niet normaal voor veel intellectuelen van zijn kaliber.

Per slot van rekening zijn de twee dingen die ik noemde slechts twee aspecten van hetzelfde verlangen dat Toni als communistisch definieerde. Wat ik nieuwsgierigheid noem was niets anders dan een spanning om de wereld te begrijpen teneinde haar te kunnen transformeren, te beginnen met de identificatie van de tendensen die er doorheen lopen, de tegenstellingen die haar tekenen, en de subjectiviteiten die gevormd worden in en tegen regimes van uitbuiting. En elke ontmoeting met echte bewegingen was voor hem tegelijkertijd een gelegenheid om kennis te produceren. Gesmeed in de arbeidersstrijd van de jaren zestig werd deze politieke aard van Toni verfijnd op de as die bepaald werd door de werken van Machiavelli, Spinoza en Marx, om vervolgens voortdurend vernieuwd en verrijkt te worden in de confrontatie met de bewegingen van de afgelopen vijftig jaar. Het lijkt mij dat wat hij in zijn klassieke geaardheid de volledig politieke ontologie van het leven dat hij leefde zou hebben genoemd, een van Toni’s kostbaarste nalatenschappen is.

Aan het eind van het derde deel van zijn autobiografie (Storia di un comunista) sprak Toni sereen over zijn dood. Hij was echter minder sereen over een wereld waarin hij de heropleving van het fascisme ontwaarde. Hij zei: ‘We moeten in opstand komen. We moeten ons verzetten. Mijn leven vloeit weg en vechten na je tachtigste wordt moeilijk. Maar wat er over is van mijn ziel brengt me tot deze beslissing.’ Hij bracht de vele generaties van deugdzame mannen en vrouwen die hem waren voorgegaan in de ‘kunst van de ondermijning en bevrijding’ bij elkaar en vergat niet – met het optimisme van de rede dat hem altijd kenmerkte – ‘degenen die zullen volgen’ te noemen. Hier is, in deze kunst, Toni’s politieke ontologie onthuld: we zullen die koesteren en we zullen die in de praktijk blijven brengen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Filosofie Politiek

Een communistisch leven

Oorspronkelijke tekst (Engels): NLR Sidecar, 21 december 2023

fotografie: Simon Fraser University

door Alberto Toscano

Alberto Toscano (1977) is een Italiaans cultuurcriticus, sociaal theoreticus, filosoof en vertaler. Zijn werk is beschreven als een onderzoek naar de hardnekkigheid van het idee van communisme in het hedendaagse denken en als een genealogisch onderzoek naar het begrip fanatisme.

‘De vrije mens denkt het minst van al aan de dood, en zijn wijsheid is als een meditatie, niet over de dood maar over het leven.’ Toni Negri, die op 16 december op negentigjarige leeftijd in Parijs overleed, maakte van deze uitspraak van Spinoza een ethisch en politiek richtsnoer. Het slot van het derde en laatste deel van zijn intellectuele autobiografie, Storia di un comunista, bevat een ontroerende reflectie over ouder worden als het zich verheugen in het leven en het langzaam afbouwen van actie. Negri biedt het overwinnen van de dood – een resoluut atheïstisch en collectief idee van de eeuwigheid – als de kern van zijn denken, politiek en leven. Hij schrijft: ‘En toch is de mogelijkheid om de aanwezigheid van de dood te overwinnen geen droom van de jeugd, maar een praktijk van de ouderdom; altijd in gedachten houdend dat het organiseren van het leven om de aanwezigheid van de dood te overwinnen een plicht van de mensheid is, een plicht die even belangrijk is als die van het uitbannen van de uitbuiting en de ziekte die de dood veroorzaken.’

Misschien puttend uit de verre herinnering aan het katholieke activisme van zijn jeugd, ontleent Negri daar de materialistische en humanistische kern aan van de wederopstanding van het vlees tegen alle ellendige cultussen van eindigheid en het op-weg-zijn-naar-de-dood. Negri’s levenslange oorlog tegen de paleizen was gebaseerd op de overtuiging dat macht, potestas, gevoed wordt door een haat tegen lichamen en gefixeerd is in de drievoudige fetisj van patriarchaat-eigendom-soevereiniteit. Haar apparatsjiks en bestuurders houden van het lege syllogisme ‘ieder mens is sterfelijk,’ dat volgens Negri ten grondslag ligt aan ‘de haat tegen de menselijkheid, de haat die elke autoriteit, elke macht produceert om zichzelf te bevestigen en te consolideren: de haat van de macht jegens haar onderdanen. Macht is gebaseerd op de introductie van de dood als een alledaagse mogelijkheid in het leven – zonder de dreiging van de dood zouden het idee en de praktijk van de macht niet kunnen bestaan. … Macht is de voortdurende inspanning om de dood aanwezig te maken in het leven.’

Volgens Negri was vrijheid een collectieve strijd tegen deze dodelijke macht, een strijd tegen de angst voor de dood, tegen terreur, het betaalmiddel van de macht. Zoals de communistische dichter Franco Fortini zei in zijn bewerking van de Internationale: chi ha compagni non morirà – wie kameraden heeft, zal niet sterven. Naast de wetenschappelijke beheersing van de geschiedenis en de theorie van de filosofie, het recht en de staat, naast de eindeloze maar urgente zoektocht naar het revolutionaire subject, naast de enorm invloedrijke fenomenologieën van de macht van het kapitaal – van plan-staat tot crisis-staat tot Empire – bestond de kern van Negri’s leven en werk uit het idee dat de filosofie onlosmakelijk verbonden is met een praktijk van collectieve bevrijding, of met communisme, opgevat als een ‘vreugdevolle ethische en politieke collectieve passie die vecht tegen de drie-eenheid van eigendom, grenzen en kapitaal.’ Toni straalde deze passie uit. Als er iets was dat hem onderscheidde, zowel onder militanten als onder wetenschappers, dan was het wel een soort grenzeloze nieuwsgierigheid, een genereus verlangen om tot in detail te leren van iedereen die werkelijk betrokken was bij een bevrijdingsstrijd, die hij altijd in de meest ruime termen zag. Hij was niet het cliché van een gepacificeerde wijsheid – hij kon strijdlustig, ingewikkeld en tegendraads zijn. Maar een onbedwingbaar enthousiasme voor bevrijding verleende hem een zeldzaam weerbarstige jeugdigheid, zelfs op hoge leeftijd. Als wijsheid een vreugdevolle minachting inhield voor de machtigen, wat Spinoza verontwaardiging noemde, ‘een haat jegens iemand die een ander kwaad heeft gedaan,’ dan was Toni inderdaad wijs. Die vreugde en verontwaardiging hielpen hem door een decennium van gevangenschap en veertien jaar ballingschap, karikatuur en laster, terwijl te velen van zijn generatie letterlijk en figuurlijk getuigen voor de staat werden.

Zowel in gedrukte vorm als in persoonlijke zin had Toni een reputatie voor aan fantasie grenzend optimisme, vooral als het ging om zijn visie op de ‘multitude’ (menigte) – gesmeed met zijn goede vriend en co-auteur Michael Hardt in een viertal boeken die een seizoen markeerden in het intellectuele leven van mondiaal links. Veel aanhangers van de partijvorm hebben over het hoofd gezien dat voor Hardt en Negri de menigte een nieuwe naam is voor zowel massa-organisatie als voor de arbeidersklasse voorbij de lopende band. Beschuldigingen van naïviteit zagen ook over het hoofd dat Toni – niet verrassend voor iemand die als kind de verwoestingen van de oorlog en als volwassene de wreedheden van de gevangenis had meegemaakt – een diep geloof koesterde in de noodzaak om de confrontatie aan te gaan met de realiteit van geestelijk en lichamelijk lijden. Zijn essay over het boek Job en zijn studie van Giacomo Leopardi waren beide gericht op het doordenken van het materialistische vermogen van poëzie om tragedie, pijn en nihilisme te trotseren en om werelden te creëren uit de ervaringen van zinloosheid, mislukking en nederlaag. Hoewel Toni’s Marx vooral die van de Grundrisse was – van ‘reële subsumptie’ en het ‘General Intellect’ – is er een regel uit de Parijse Manuscripten van 1844 die resoneert met deze materialistische poëtica van het lichaam, wanneer Marx schrijft dat de mens ‘een lijdend wezen is, en – omdat hij zijn lijden voelt – ook een gepassioneerd wezen.’

Deze passie voor een gemeenschappelijke vrijheid, geleefd door lijden maar gericht op een vreugde die de dood trotseert, is voor Negri het punt waar communisme en filosofie, bevrijding en ethiek elkaar ontmoetten – zowel in zijn schrijven als in zijn leven. Het is geen toeval dat hij de allerlaatste pagina’s van zijn autobiografie, zijn afscheidswoorden, heeft gewijd aan de strijd tegen extreem rechts, dat zijn eigen jeugd overspoelde en nu dreigt terug te keren. De zwakte en angst van de menigte, zegt hij daarin, maakt opnieuw plaats voor een terreur die de apotheose van eigendom, patriarchaat en soevereiniteit wil, en die alle uitingen van vreugde verboden wil zien. ‘Het fascisme,’ aldus Negri, ‘berust op angst, brengt angst voort, vormt en dwingt het volk in angst.’ Tegen het devies van het fascisme – ‘lang leve de dood’ – bouwde Toni een leven op van denken, kameraadschap, liefde en strijd. Ik kan geen betere manier bedenken om hem te eren dan door de laatste paragraaf van zijn autobiografie over te schrijven:

‘In het verzet tegen het fascisme, in de poging om de overheersing ervan te doorbreken, en in de zekerheid dat te zullen doen, heb ik dit boek geschreven. Er rest mij niets anders, vrienden, dan jullie te verlaten. Met een glimlach, met tederheid, deze pagina’s opdragend aan de deugdzame mannen en vrouwen die mij zijn voorgegaan in de kunst van subversie en bevrijding, en aan hen die zullen volgen. We hebben gezegd dat zij “eeuwig” zijn – moge de eeuwigheid ons omarmen.’

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Filosofie

Metaverse en datakolonialisme

fotografie onbekend

door Miriam Rasch

Miriam Rasch schrijft regelmatig essays voor verschillende Nederlandse media, waaronder De Groene Amsterdammer en Follow The Money, over thema’s als de filosofie van techniek, ethiek, taal en het leven in een post-digitaal tijdperk. Haar laatste boek Frictie: Ethiek in tijden van dataïsme kwam in 2020 uit bij uitgeverij De Bezige Bij. Hierin pleit ze tegen de ontwikkeling van dataïsme: het geloof dat alles wat bestaat te vertalen is naar data, en dat de wereld op die manier beheersbaar en stuurbaar is. Daarmee won ze de Socratesbeker in 2021, de prijs voor het prikkelendste filosofieboek.

Tevens is Rasch onderzoekscoördinator bij de Willem de Kooning Academy (WdKA), de Rotterdamse kunstacademie.

Waarschuwing: dit stuk gaat over de metaverse, maar evenzeer over datakolonialisme. Nu zijn beide termen waarschijnlijk voldoende om een groot deel van de mensen weg te jagen, inclusief mezelf. Is de metaverse niet gewoon de zoveelste lege belofte waar de tech-industrie geld tegenaan smijt? En is datakolonialisme niet een overtrokken concept dat enerzijds het eeuwenlange lijden van miljoenen bagatelliseert, en anderzijds data een onrechtvaardig grote schuld toebedeelt?

Dit en meer heb ik allemaal gedacht, en toch: hoe meer ik me verdiepte in datakolonialisme, hoe scherper ik de metaverse voor me zag – en hoe meer ik las over de metaverse en het onderliggende web3, des te zinniger het idee van datakolonialisme me voorkwam. Laat ik proberen uit te leggen waarom.

Web3

Allereerst, wat zijn web3 en de metaverse? De helderste beschrijving van het eerste las ik bij Sander Duivestein, die web3 omschrijft als ‘een logische evolutie op het statische web1 (lezen) en het interactieve web2 (lezen en schrijven). Web3 voegt hier eigenaarschap aan toe. Dankzij cryptotechnologie is het voortaan mogelijk om een stukje van het internet, een stukje internetgeschiedenis of een stukje internetcultuur te bezitten.’

Dat laatste woord is belangrijk: web3 draait om bezit. Zo schrijft venture capitalist firma a16z, dat een grote rol speelt in de ontwikkeling ervan: ‘In web3, ownership and control are decentralized. Users and builders can own pieces of internet services by owning tokens, both non-fungible (NFTs) and fungible. Tokens give users property rights: the ability to own a piece of the internet. NFTs give users the ability to own objects, which can be art, photos, code, music, text, game objects, credentials, governance rights, access passes, and whatever else people dream up next.’ [italics door mij toegevoegd]

Hoezeer ook wordt gehamerd op ‘decentralisatie’ als het vernieuwende aspect van web3, de financialisering is even opvallend, zo niet meer. We dachten misschien dat alles al te koop was, maar web3 breekt geheel nieuwe markten open. En uiteindelijk zal de logica van de beurs, waaraan ‘art, photos, code, music, text, game objects, credentials, governance rights, access passes, and whatever else people dream up next’ worden onderworpen, zorgen voor de aloude centralisering van de opbrengsten. De rijken worden rijker, daar is niets vernieuwends aan. [Zie bijvoorbeeld dit stuk en dit stuk over financialisering vs decentralisatie.]

Metaverse

De metaverse is gebouwd op of met web3. Het is op z’n simpelst gezegd een virtuele 3D-wereld, die plaats biedt aan alle activiteiten die we nu ook al ondernemen, zoals werken, huizen kopen, de liefde bedrijven, en natuurlijk: winkelen. Zodra je er meer over wilt zeggen dan dit, is het bijna onmogelijk om neutraal te blijven. Dat is niet zo gek, want de metaverse ís nog niet zoveel en beschrijvingen ervan zijn daarom vooral toekomstvisioenen. En die zijn gekleurd door degene die in de toekomst kijkt. Evgeny Morozov noemt daarom het gepraat over de metaverse ‘zelfreferentieel’ en ‘performatief’, er is namelijk nog niks om het echt over te hebben – ‘there’s no there there’. Hetzelfde geldt trouwens voor veel van de kritiek, zoals de kanonskogel van Ian Bogost, die de metaverse uitmaakt voor ‘an überversum for an übermensch.’

Aan de andere kant kun je beweren dat de metaverse al bestaat, van gamewerelden als Fortnite tot aan de NFT-kunstbubbel. Wat het begrip doet is ze onder één sexy noemer brengen, zodat het publiek wordt klaargestoomd en er een gevoel van FOMO (Fear of Missing Out) ontstaat, aldus John Herrman. Het woord belooft disruptie van elk aspect van ons (samen)leven, precies waar de tech-industrie van houdt. En omdat er gigantisch veel geld mee gemoeid is – geld dat al geïnvesteerd is en geld dat ervoor gereserveerd wordt – kan het niet anders of er gaat iets gebeuren. Reden genoeg om er, ondanks terechte scepsis over iets wat erg lijkt op een marketingstunt of pyramidespel, toch over te praten en over na te denken.

Datakolonialisme

Dat kan op allerlei manieren, maar hier wil ik er dus die ene uitlichten: het perspectief van het datakolonialisme. Het idee van datakolonialisme gaat al een paar jaar mee (zie bijvoorbeeld dit artikel uit 2018 van Nick Couldry en Ulises A. Mejias, en hun boek The Costs of Connection. How Data Is Colonizing Human Life and Appropriating It for Capitalism, Stanford University Press, 2019). Voor sommigen is het begrip een metafoor, voor anderen beschrijft het een feitelijke werkelijkheid. Iedereen moet toegeven dat de schaal van fysiek geweld en onderdrukking van het historische kolonialisme niet aan de orde is. Dat laatste maakt dat het begrip weerstand kan oproepen, zo ook bij mij.

Maar laat ik weer een poging doen tot neutrale beschrijving. De kern van kolonialisme, ook van de datavariant, is de uitbuiting en toe-eigening van grondstoffen, of dat nu natuurlijke grondstoffen zijn, menselijke arbeid of informatie. De wereld wordt zo ingericht dat de extractie zo efficiënt mogelijk kan worden uitgevoerd en dat de opbrengsten kunnen worden vermarkt. Belangrijk is ook de naturalisering met behulp van morele termen. Data worden bijvoorbeeld voorgesteld als natuurlijke resten (‘exhaust’), als olie of als zonlicht, en het is voor ons aller bestwil dat ze worden verzameld. Als we dat niet doen, zou dat niets meer of minder zijn dan het parasiteren op de vooruitgang.

Datakolonialisme wil expliciet verder gaan dan de bekende (socialemedia-)kritiek die de nadruk legt op ‘gratis arbeid.’ Het gaat om veel meer dan arbeid: dataverzamelaars maken jouw leven te gelde. Het maakt ook duidelijk waarom ‘bezit je eigen data’ geen oplossing is. Ik wil mijn leven helemaal niet financialiseren (dat is in feite wat influencers doen, en die krijgen niet voor niets allemaal een burn-out). Alles beschrijven in termen van bezit is een koloniale manier van denken.

Techkolonialisme

De koloniale dynamiek is ook terug te zien bij de productie van technologie, stelt Sareeta Amrute, die het liever over techkolonialisme heeft dan over datakolonialisme. Behalve uitbuiting en toe-eigening van data, is er ook sprake van letterlijke extractie van grondstoffen, een oneerlijke verdeling van vervuiling en ongelijkheid tussen de westerse ‘opdrachtgever’ en producenten en programmeurs in bijvoorbeeld China en India. Dit kun je op zich ook zeggen van de kledingindustrie, of van wat voor industrie dan ook die gebruik maakt van lagelonenlanden, maar deze dynamieken zijn daarnaast ook tech-specifiek.

Dat zie je bijvoorbeeld in de manier waarop data de wereld beschrijven. Kolonialisme, zowel in zijn historische als in zijn hedendaagse vormen, is uit op het beheersen van kennis en betekenis. Het propageert één universele waarheid, één utopie van rationaliteit, waar de hele wereld in wordt gedrukt. Data en technologische innovaties zijn expliciet uit op zo’n kennis- en betekenismonopolie.

Kennen en (kunnen) zijn

Nu is het de vraag of we hiervoor de beladen term kolonialisme nodig hebben; eerder heb ik dit ‘dataïsme’ genoemd. Het was de discussie over de metaverse die me deed inzien dat datakolonialisme belangrijke inzichten toevoegt. En niet alleen omdat de retoriek van de ‘digital frontier’ (opnieuw) opduikt, bij techgoeroes maar ook bijvoorbeeld bij filosoof David Chalmers, die stelt: ‘We’re moving to a new, uninhabited country and setting up a society.’

Vooral maakt (het idee van) de metaverse duidelijk dat wat er wordt beoogd verder gaat dan goedkope arbeid en de verspreiding van een universele vorm van rationaliteit. Het openbaart de ambitie van de ontwikkelende en investerende bedrijven om zich de totaliteit van onze ervaring toe te eigenen. En dat draait, om met Rolando Vázquez te spreken, niet slechts om kennen, maar om (kunnen) zijn. Zo bezien gaat datakolonialisme nog niet ver genoeg in zijn analyse.

Bezien door de lens van het datakolonialisme, maakt de metaverse het gehele sociale en individuele leven klaar om te worden gedataficeerd en gekapitaliseerd. Dat gebeurt natuurlijk nu ook al verregaand, maar er lekt blijkbaar nog te veel weg. De pandemie heeft ons geleerd wat er aan ‘new, uninhabited country’ openligt: vergaderingen en sollicitatiegesprekken, lessen en examens, familiecontacten, borrels, leesclubs, het nachtleven…

De metaverse kan dit alles frictieloos opvangen. Wat het kolonialistisch maakt, is dat er uiteindelijk geen manier zal zijn om aan het systeem te ontsnappen. Er zal geen ‘buiten’ meer zijn, geen plek buiten de kapitalistische productie, in de woorden van Couldry en Mejias. De enigen die wél zo’n externe plek hebben, zou ik daaraan willen toevoegen, zijn de tech-entrepeneurs zelf. Een extreem belangrijke vraag is daarom: wie krijgt er toegang, hoe kom je er weer uit – en wie beslist daarover?

Vrij lichaam, vrije geest

Toegang heeft zowel een fysieke als een geestelijke dimensie. Juist bij zoiets als de metaverse zal het lichaam heel belangrijk zijn, als bron van data maar ook als drager van hardware. Tegelijkertijd is de mentale beheersing door technologie nu al niet te onderschatten.

De psychiater en schrijver Frantz Fanon analyseerde het kolonialisme als een overmeestering niet alleen van het lichaam en het land, maar ook van de psyche, met alle gevolgen voor de geestelijke gezondheid van dien. De gekolonialiseerde moet gaan geloven in zijn eigen inferioriteit, in de noodzaak te worden opgevoed en gevormd. Het doel – ingeleid worden in verlichting en rationaliteit – rechtvaardigt zijn onderwerping. Fanon wees erop dat behalve land en volk daarom ook de geest bevrijd moet worden uit koloniale onderdrukking. De metaverse laat evenzeer zien hoezeer een vrije geest moet samengaan met een vrij lichaam. Beide komen precies in de ervaring samen.

Ten slotte zal kolonialisme, met zijn idee van een universele rationaliteit, ook onteigening van betekenisgeving met zich meebrengen. Behoor je tot de kant van de onderdrukten, dan heb je niets in te brengen over de betekenis van de als universeel gepresenteerde kennis. Het roept de vraag op wie in de metaverse betekenis geeft. Web3 doet zich voor als een neutrale, louter technische aangelegenheid, maar we hebben gezien dat de inzet van betekenis ook daar hoog is. Of wordt die ook gedecentraliseerd?

Als het gaat om betekenis en internet denk je al gauw aan nepnieuws en deepfakes, maar dit gaat verder dan feiten, leugens of waarheid. Dit heeft evenzeer betrekking op zeggenschap over de ervaring, op (kunnen) zijn. Wie mag ik wezen? Wat kan ik weten, maken, delen, en onder welke voorwaarden? Hoe krijgen relaties vorm en wie bepaalt dat? Op welke manier worden opgehaalde data geïnterpreteerd? En mag ik daar zelf over meebeslissen? Zelfs als ik geen kaas gegeten heb van de werking van de techniek?

Antwoorden zijn nog niet te geven. Dit zijn echter belangrijke vragen die het datakolonialisme bij mij opriep. Ja, het is een heftig frame. Maar als kolonialisme een bepaalde relatie aanduidt, aldus Sareeta Amrute, ‘dan kan die relatie verschuiven door collectieve actie.’ Het voordeel is dat de metaverse nog niet bestaat. Vooralsnog staan we er allemaal buiten. En juist dat geeft de mogelijkheid om ertegenaan te schoppen en er iets van te vinden.

Categorieën
Filosofie Politiek

Een wereld van kampen

Voorpublicatie uit het boek Anti-nihilisme; engagement in de 21ste eeuw (Uitgeverij Pluim); vanaf dinsdag 13 september verkrijgbaar bij de betere boekwinkel

fotografie: Uitgeverij Pluim

door Arthur en Jarmo Berkhout

De tweelingbroers Arthur en Jarmo Berkhout (1992) zijn schrijvers en activisten. Sinds hun actieve betrokkenheid bij de Maagdenhuisbezetting van 2015 zijn de barricaden hun tweede thuis en zoeken ze via literatuur, filosofie en politieke strijd naar een alternatief voor het neoliberalisme.

Een wereld van kampen

Het kamp heeft tegenwoordig een bijna onbeperkte hoeveelheid verschijningsvormen: ‘vluchtelingenkampen, kampen voor displaced persons (ontheemden), kampen voor migranten, kampen voor vreemdelingen, wachtzones voor mensen die in de procedure zitten, transitzones, centra voor retentie of administratieve detentie, identificatie- en uitzetcentra, grensovergangen, opvangcentra voor asielzoekers, tijdelijke opvangcentra, vluchtelingendorpen, dorpen voor de integratie van migranten, getto’s, jungles, tehuizen, migrantenhuizen, et cetera.’1 Het kamp duikt overal op waar de mobiliteit van mensen tot een politiek probleem wordt gemaakt. Waar mensen, vanwege hun toebehoren tot een als extern gedefinieerde groep, bij voorbaat als probleem worden bestempeld.

Hierin staat Europa niet alleen. In de vs in de jaren van Trump openbaarde het grensgebied met Mexico, voor de ogen van het publiek, zich als een versnipperd gebied. Een gerafelde en gevaarlijke zone waarin muren – en uiteindelijk The Wall – werden afgewisseld door kampen en gevangenissen, waarin mensen in kooien werden gehouden. In China bleek de centrale overheid de Oeigoerse moslimbevolking in het westen van het land massaal te surveilleren en te laten verdwijnen in zogenaamde heropvoedingskampen; het aantal gevangenen schommelt rond het miljoen.

En dit zijn alleen de voorbeelden die de laatste jaren het besef hebben doen groeien dat er sprake is van een crisis, tezamen met het feit dat ongeveer tachtig miljoen mensen momenteel op de vlucht of ontheemd zijn, een ongekend groot aantal. Terwijl men zich blindstaarde op het nationalistische populisme van Trump, dat verantwoordelijk zou zijn voor de terugkeer van de muur in het tijdperk van internationale samenwerking, vergat men dat dergelijke grensversperringen ook hier als normaliteit voor lief genomen worden, zelfs zodanig dat het niet eens een thema is.

Het meest kenmerkende aspect van het moderne kamp, en het meest frappante ervan, is dan ook dat er geen sprake is van een directe correlatie tussen zijn bestaan en verspreiding enerzijds, en een staatsvorm of heersende ideologie anderzijds. Of het nou de (in naam) liberaal-democratische Europese landen zijn, de nationalistisch-populistische vs van Trump, het staatscommunistische China (en dan hebben we het nog niet eens over Australië en zijn offshore detentiecentra, de Israëlische behandeling van de Palestijnen, het lot van de Rohingya in Myanmar en talloze andere voorbeelden) – de kampen zijn overal. Zelfs de bruutheid van de manier waarop (toekomstige) kampbewoners worden behandeld is slechts een kwestie van gradaties (en dat dan ook nog eens als beeldvorming: openlijke wreedheid in de vs, verdekte en handenwringende wreedheid in de eu, botte ontkenning in China, et cetera).

In de tweede plaats kunnen we ook niet zeggen dat kampen slechts een tijdelijk fenomeen zijn, een uitzondering op de normaliteit van een kamploze wereld. Ze hebben een vaste plek gekregen, ze zijn een vaste techniek geworden in de praktijk van de grensbewaking.

De reactie op de verwoesting door brand van het kamp Moria op het Griekse eiland Lesbos was wat dit betreft onthullend. De morele verontwaardiging die veel mensen, en zelfs enkele politici, toen uitten, was beter dan de zwijgende onverschilligheid die daarvóór heerste. Maar het werd ook meteen duidelijk dat er absoluut geen aanstalten werden gemaakt om iets wezenlijks te veranderen aan het kampencomplex. De voorgestelde oplossing voor het Moria-probleem was om een paar honderd kinderen op te vangen, en de meest ‘humane’ voorgestelde oplossing was om iedereen op te vangen (wat niet is gebeurd).

Maar de totstandkoming van het kamp zelf, de vraag hoe dit soort gevangenissen kunnen ontstaan en of het te rechtvaardigen valt dat ze überhaupt bestaan, de overduidelijke teloorgang van de universele strekking van de mensenrechten – over dit alles ging het niet. Het bouwen van kampen, en het periodiek betreuren van eventuele slachtoffers, krijgt de voorkeur boven een fundamentele herziening van het grensbeleid zelf.

Dit roept het naoorlogse ‘Dit nooit weer!’ in het geheugen. Is er sprake van collectieve cognitieve dissonantie in Europa? Is het bestaan van het kamp zo choquerend dat we niet kunnen accepteren dat het weer terug is, als een spook uit een verleden dat men plechtig had beloofd niet te laten terugkeren? Moeten we anders niet toegeven dat wij de fascisten van onze eigen tijd zijn?

Het was Hannah Arendt die er als een van de eersten op wees dat er een specifieke relatie bestond tussen fascisme en kolonialisme. Zij beschouwde de imperiale periode als een voorbode van de fascistische horrorregimes van de twintigste eeuw, als een ‘preparatory stage for coming catastrophes.’2 Die regimes kwamen niet uit de lucht vallen, maar waren al voorbereid tijdens de koloniale periode en keerden als een boemerang terug naar de eigen bevolking: fascisme als een geïnverteerd, naar binnen gekeerd kolonialisme.

De Martinikaanse dichter Aimé Césaire maakte al in de jaren vijftig in zekere zin het omgekeerde punt.3 Nazisme bestond al ver voor de Tweede Wereldoorlog, en wel in de gekoloniseerde wereld, waar racisme, genocidaal geweld, totale disciplinering van de bevolking, dwangarbeid, strafkampen en onbegrensde exploitatie volkomen genormaliseerd waren. De eerste concentratiekampen werden aan het begin van de twintigste eeuw door de Britten ingericht, tijdens hun oorlog met de rebellerende Boeren, de witte settler-bevolking van Zuid-Afrika. Ze sloten daarin maanden achtereen tienduizenden mannen, vrouwen en kinderen op. De eerste genocide van de twintigste eeuw werd door de Duitsers gepleegd op de Herero, tussen 1904 en 1908, in wat nu Namibië is. Lang voordat de Holocaust in Europa plaatsvond, waren vrijwel alle elementen van het fascisme al staande praktijk in de rest van de wereld.

De koloniale voorgeschiedenis van het fascisme heeft echter geen sterke aanwezigheid in het westerse bewustzijn. De misdadigheid van de concentratiekampen wordt meestal exclusief toegeschreven aan totalitaire systemen – naast het fascisme ook nog het Sovjetcommunisme – en die systemen zijn inmiddels overwonnen. In de universele liberale democratie waar we nu in leven zou het onmogelijk zijn dat er nog kampen bestaan.

Maar de koloniale praktijken van weleer hebben wel degelijk de oorlog overleefd. Wat we kunnen zien aan het hedendaagse Europa is dat er geen totalitair systeem meer nodig is om het onacceptabele uit te voeren: het aanbrengen van een hiërarchie in de waarde van mensenlevens. Van de ‘verkeerde’ kant van de grens komen betekent nu bij voorbaat gezien worden als de Ander, die geen recht heeft op gelijke behandeling als een gelijkwaardig mens. En zodra de minderwaardigheid van de Ander een algemeen feit wordt, als het leven van de Ander, in de woorden van de Amerikaanse filosoof Judith Butler, niet meer geldt als grievable, ‘onze rouw waardig,’ dan is één noodzakelijke voorwaarde al aanwezig om mensen in kampen op te sluiten.4


De permanente uitzondering

Als een nieuw kamp even snel wordt gebouwd als het vorige in vlammen opging, dan wijst dat op het buitengewone belang dat ook in onze gemondialiseerde wereld wordt toegekend aan grenzen. Wat is precies de functie van de grens?

Een grens stellen we ons doorgaans voor als een lijn: de cartografische lijn die we in atlassen het ene land van het andere zien scheiden. Hij geeft de uiterste limiet weer van waar ‘wij’ thuishoren. Hij omsluit het territorium waarover een staat heerst, en waarbinnen een volk een vaste plek heeft. De grens ondersteunt dus de verbeelding van de moderne drie-eenheid van staat, territorium en volk – wat ook de reden is dat nationalisten van alle landen zo verzot zijn op kaarten.

Nu klopt het dat de mondialisering dit type grens minder relevant heeft gemaakt – althans voor sommigen. Als een paspoorthouder van het ene land naar het andere gaat, de grenslijn oversteekt, dan zal ze haar identiteit moeten laten controleren, maar aan haar status zal dat weinig afdoen; ze behoudt alle rechten die ze al had.

Voor vluchtelingen, migranten en asielzoekers is deze grens echter iets heel anders dan een simpele lijn. Voor hen is de grens een labyrint of een gevangenis, een assemblage van allerlei verschillende obstakels, beleidsinstrumenten, wetten en confrontaties met verschillende actoren met verschillende maten van macht. De grens is voor hen een specifiek regime.

De grens oversteken leidt niet tot opname in een nieuw territorium, waar men dan een beroep kan doen op gelijke behandeling onder de heersende wetten. Het leidt tot onderwerping aan het grensregime, dat zal bepalen of de reis een vervolg heeft, of er überhaupt sprake kan zijn van toegang tot rechten en of er leven zal zijn in het land van aankomst. Kamp Moria en zijn opvolger, evenals de andere hotspots in de Zuid-Europese landen, zijn plekken waar dit grensregime een materiële vorm krijgt.

Hoe dienen we dat te begrijpen? Het kamp is volgens de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben een permanente uitzondering. Het is een plek die zich op de rand bevindt tussen het ‘binnen’ van de rechtsstaat – waarin wetten, normen en voorspelbaarheid gelden – en het ‘buiten’ van de wetteloosheid, waar geen wet heerst. Het kamp haalt het ‘buiten’ binnen, maar op een gecontroleerde manier.

Als uitzondering op de normale toestand moet het kamp specifieke doeleinden hebben; het mag zelf niet normaal worden, maar tegelijkertijd moet die uitzonderlijkheid permanent gemaakt worden, zodat het kamp altijd die functies kan vervullen die in het ‘binnen’ van de rechtsstaat niet mogelijk zijn: mensen voor onbepaalde tijd gevangenhouden zonder vorm van proces, mensen hun recht op asiel ontnemen, mensen laten werken zonder arbeidsrechten, et cetera. Zo beschouwd staat het kamp voor een vorm van machtsuitoefening die op een dieper niveau ingrijpt dan de verplichting de wet te eerbiedigen. In het kamp wordt besloten of een mens toegang krijgt tot rechten, of hij deel gaat uitmaken van de politieke gemeenschap, of hij erkend zal worden als gelijkwaardige.

Het grenskamp creëert daarmee een paradox in het hart van onze conceptie van recht überhaupt. Hannah Arendt heeft hier al op gewezen in The Origins of Totalitarianism. Ze beschrijft daarin de ervaring waaraan ze zelf, toen ze als gevolg van de nazistische machtsovername op de vlucht sloeg, was blootgesteld: de ervaring van stateloosheid. De gevolgen waren desastreus. Nadat ze als joodse was gearresteerd door de nazi’s en het land ontvluchtte, werd ze als Duitse in een Frans interneringskamp opgesloten.5 Ze ontsnapte ternauwernood, om uiteindelijk het Amerikaanse staatsburgerschap aan te nemen.

In die jaren van ballingschap ontwikkelde ze het inzicht dat het moderne rechtssysteem wordt gekenmerkt door een centrale tegenstrijdigheid. De emancipatie van de mens, zoals nagestreefd door de Franse Revolutie, stoelt op het idee van universele mensenrechten. De mens zelf wordt gepresenteerd als de bron van de wet, die gelijk is voor allen – in plaats van de verondersteld door God gegeven orde, met haar privileges voor de heersende elite. Mensenrechten zouden daarom moeten betekenen dat de wet onafhankelijk is van de willekeur van de staatsmacht.

Wat Arendt als vluchteling echter aan den lijve ondervond, was dat nou juist alleen staten functioneren als de waarborg van het recht. Wie dus ineens van haar burgerschap wordt beroofd, zonder opgenomen te worden door een andere staat, verliest in feite de toegang tot haar rechten als mens. De bittere conclusie luidde dan ook dat mensenrechten in de praktijk gelijkstaan aan burgerrechten, en dat het verlies van het een het verlies van het ander impliceert: ‘Loss of national rights was identical with loss of human rights’.6

De implicaties hiervan zijn verstrekkend. Het betekent dat de emancipatie van de mens weliswaar als iets universeels wordt gedacht, maar dat die emancipatie alleen werkelijkheid kan worden binnen het kader van de staat – de moderne drie-eenheid van staat, territorium en volk. Menselijkheid wordt daardoor, zo betoogt Arendt, voorwaardelijk gemaakt. Alleen wie deel uitmaakt van een politieke gemeenschap (gewaarborgd door de staat) heeft ook toegang tot de menselijke gemeenschap. De stateloze, uitgesloten van een politieke gemeenschap, valt dus buiten de sfeer waarbinnen haar menselijkheid bij voorbaat wordt erkend; ze is een paria. ‘Not the loss of specific rights, then, but the loss of a community willing and able to guarantee any rights whatsoever, has been the calamity which has befallen ever-increasing numbers of people’.7

Wat Hannah Arendt driekwart eeuw geleden in de context van de Tweede Wereldoorlog doorzag, geldt nu nog onverminderd voor de migrerende mens. Het wereldwijde systeem van natiestaten produceert een onophoudelijke stroom van paria’s: mensen die buiten de protectie van een soeverein gezag vallen en zo ontdaan worden van hun menselijkheid.8

Als we nu terugkeren naar Agamben kunnen we begrijpen dat het grenskamp die paradox van de mensenrechten moet zien te managen. Het kamp maakt het mogelijk om mensen weliswaar in het territorium van de staat binnen te laten, maar zonder ze toegang tot de gemeenschap te verschaffen – en op deze wijze de paria, of wat Agamben het ‘naakte leven’ noemt (het menselijk leven zonder rechten), te fixeren in een exceptionele zone. Het grenskamp functioneert door voor bepaalde mensen en groepen de bestaande wetten op te schorten, maar die mensen tegelijkertijd te onderwerpen aan het heersende gezag. En dat is wat de uitzondering betekent.

In flagrante tegenspraak met de officiële doctrine van de beperking van de staatsmacht door de mensenrechten, kan de staat (en de staat alleen) ertoe overgaan om juist die rechten op te heffen. Precies doordat menselijkheid voorwaardelijk is gemaakt aan het lidmaatschap van een politieke gemeenschap, kan een mensenleven in principe altijd gereduceerd worden tot het naakte leven.

Het punt van Agamben is dat dit in bepaalde gevallen zelfs geldt voor hen die formeel deel uitmaken van de politieke gemeenschap. Dat kan zich op allerlei manieren manifesteren. In Nederland was het toeslagenschandaal hier een duidelijk voorbeeld van. Zodra de staat een bepaalde groep mensen als gevaar heeft bestempeld – als ‘fraudeurs’ bijvoorbeeld – is de uitvoerende macht nauwelijks meer te beteugelen. Voor de slachtoffers was de rechtsstaat in feite uitgeschakeld; ze werden interne paria’s.

En precies in dat vermogen van het gezag – om uitzonderingssituaties te creëren waarin het onbeteugeld heerst – ontplooit zich zijn volle soevereiniteit. In het Middellandse Zeegebied is de Europese Unie er voortdurend mee bezig dat gezag uit te breiden. Ze probeert er onder meer voor te zorgen dat vluchtelingen überhaupt de rand van het Europese territorium – en dus het ‘binnen’, met zijn wetten en rechten – niet bereiken, door ze voortijdig tegen te houden, waar nodig in innige samenwerking met autoritaire regimes.

Ondertussen is de rand opgeschoven tot in de Sahara. Dieper en dieper in het Afrikaanse continent reiken de versperringen en obstakels voor de bewegingen van mensen die alleen in potentie asielzoekers zijn, of zelfs dat niet eens. Door deals te sluiten met regeringen van Afrikaanse landen en miljardensteun te geven voor steeds strengere controles van mensen die zich bewegen in een gebied waar ook de vluchtroutes richting Europa doorheen lopen, probeert de eu de mobiliteit te reguleren van grote groepen mensen die zich op een geheel ander continent bevinden. De werkelijke grens loopt dus allang niet meer langs netjes afgebakende territoria, maar scheidt twee geheel verschillende ruimtes van elkaar, die niet als zodanig zijn waar te nemen op de wereldkaart.

De grens die door het kamp bewaakt wordt, is het allesbepalende verschil tussen de rechteloze mens en de mens met rechten.


De Schmitt-utopie

Daarmee voldoet de moderne grenspolitiek volledig aan de denkbeelden van Carl Schmitt. Schmitt – nazi-jurist en invloedrijk politiek denker – is bekend van het idee dat politiek ontstaat met het aanwijzen van het onderscheid tussen vriend en vijand. Het is het verschil met de Ander dat ons constitueert als politieke gemeenschap. Wij, als gemeenschap, als volk, als demos, ontstaan doordat we ons onderscheiden van hen, de anderen.9

Volgens Schmitt is dit letterlijk een onderscheid van leven of dood. Dat wat volgens hem een politieke gemeenschap formeert is niet alleen de bereidheid van haar leden om het eigen leven te riskeren ter bescherming ervan, maar ook om het leven van de buitenstaander te beëindigen. Het is de staat die dit onderscheid bekrachtigt, die de soevereine beslissing neemt wie vriend is en wie vijand. Wie, met andere woorden, recht heeft op leven en wie a priori aan de dood is uitgeleverd.

Als nazisympathisant had Schmitt natuurlijk niks op met het liberalisme. Vermenging van de gemeenschap, een verlies van zuiverheid, verzwakt het absolute politieke onderscheid waarop de effectiviteit van de staatsmacht berust. Maar misschien wel het meest frappante aan Schmitt is dat hij zijn anti-liberalisme als een hogere vorm van democratie beschouwde.

De redenering daarachter is simpel. Als democratie letterlijk ‘de macht van het volk’ betekent, dan verhindert het liberale meerpartijenstelsel dus noodgedwongen dat het gehele volk in de macht deelt (aangezien niet iedereen in de regering zit). Voor Schmitt is ware democratie daarom de afwezigheid van iedere vorm van oppositie. De staat is de uitvoerder van de wil van het volk, maar kan dat alleen zijn wanneer dat volk een absolute eenheid vormt. Dat is echter alleen mogelijk wanneer het gezuiverd wordt van veronderstelde vreemde elementen. Democratie is het proces van homogenisering.

Het is duidelijk dat deze logica nog altijd ten grondslag ligt aan de hedendaagse extreemrechtse bewegingen (en het verklaart waarom de meest rabiaat-rechtse partij van Nederland het woord ‘democratie’ in de naam gebruikt). Het zogenaamde populisme is niks anders dan het streven om onbelemmerd te kunnen heersen, in naam van een denkbeeldig volk dat gezuiverd dient te worden van de Vijand. De beide hoofdkenmerken van ‘populisme,’ die zelfverklaarde experts eraan toeschrijven – de tegenstelling tussen volk en elite, en de afkeer van mondialisering – zijn dan ook volledig ongefundeerd.

In de eerste plaats gaat het om een specifiek project van de elite, namelijk om het volk te homogeniseren zodat de staatsmacht ten volle uitgeoefend kan worden. Dit is alleen mogelijk zolang genoeg mensen een actief verlangen naar heerschappij koesteren – het verlangen om geregeerd te worden. Niet tégen de elite dus, maar vóór een positie van bescherming door de elite – hoe twijfelachtig, hoe leugenachtig die elite ook moge zijn.

In de tweede plaats staat niks hiervan de economische integratie in het gemondialiseerde circuit in de weg; sterker nog, die wordt actief nagestreefd. Zo staat Poetin aan het hoofd van een clique roofkapitalisten (de term ‘oligarch’ wekt de valse suggestie dat alleen Russen kleptocraten kunnen zijn) die volledig opgenomen zijn in de door zelfbenoemde nationalisten zo gehate ‘mondialistische elite’. Zij zíjn die elite.

De neopatriarchale repressie is niks anders dan een op bloed en bodem geïnspireerde ideologie die de noodzakelijke zuivering van het etnische volk rechtvaardigt. Het effect daarvan is dat de soevereiniteit van de staat op geen enkel moment wordt bedreigd door die van het daadwerkelijke volk – dat wil zeggen de menselijke gemeenschap die de autonomie over haar eigen leven niet ondermijnd zou zien door schaamteloze uitbuiting en onderdrukking. De mythische voorstelling van ‘het volk’ (vast bestanddeel van ieder nationalisme) werkt dus alleen maar de bestaande kapitalistische heerschappij in de hand. Het hoogste wat bereikt kan worden is dat een deel van de mensen een speciale bescherming geniet, maar altijd ten koste van anderen, en uiteindelijk ook ten koste van henzelf.

Het is een extreme vorm van het nihilisme van de macht: in plaats van een positief principe waarop de gemeenschap kan worden gegrondvest, treffen we niks dan leegte aan. En wanneer het nihilisme zich zo volledig weet te vestigen, worden de menselijke betrekkingen bijna uitsluitend nog geregeerd door wat Achille Mbembe de ‘politiek van vijandschap’ noemt. In een dergelijke politiek versterkt de staat zijn soevereiniteit door het verdelen van de gemeenschap in verschillende en afgescheiden groepen op basis van verwantschap, en voorkomt hij juist het versterken van de gemeenschap op basis van solidariteit.10

De vraag is nu of dit soort praktijken is voorbehouden aan autocratische regimes. Zijn onze liberale democratieën wel écht een bolwerk tegen de homogeniserende tendens van de staatsmacht? Als we nu kijken naar de situatie in de grenskampen, moeten we vaststellen dat het schmittiaanse vriend-vijandschapsschema in feite nog springlevend is.

Er is geen enkele garantie dat asielzoekers hun recht op asiel kunnen doen gelden, geen enkele aanspraak op gelijke behandeling, geen sprake van onvoorwaardelijke toegang tot de menselijke gemeenschap. Het prikkeldraad, de drones, de grenswachten, de pushbacks, de patrouilleboten en de opsporingstechnologieën produceren hen als de Ander, en tegelijkertijd wordt daarmee een ‘wij’ geproduceerd: de mensen binnen de grenzen, de mensen met rechten, de mensen die bij elkaar horen als ‘volk’, dat beschermd moet worden. De grens die door de kampen wordt gevormd is een scheidslijn die in wezen raciaal is, omdat hij bevolkingsgroepen van elkaar segregeert op basis van hun afkomst.

Daarmee is de Schmitt-utopie ten volle gerealiseerd: de instituties en de legitimiteit van de staat ontstaan niet omdat ‘wij’ ze maken – de gemeenschap die zichzelf een politieke vorm geeft, op basis van haar eigen verlangens, wensen en behoeftes, waarmee ook de mogelijkheid van werkelijke democratie ontstaat – maar top-down, door de naakte macht die besluit over de uitzondering, daarmee zichzelf constitueert als de soeverein, en louter in die beweging ook de politieke gemeenschap schept.

De mensen die Europa proberen te bereiken zijn het slachtoffer van deze vorm van machtsuitoefening, die in wezen draait om het vermogen van de staatsmacht om een ander als vijand aan te wijzen en langs die weg een ‘wij’ te vormen.

Het begint nu duidelijker te worden waarom grenzen tegenwoordig zo belangrijk zijn, en waarom de kampen geaccepteerd worden als een noodzakelijk bijverschijnsel van iedere grensbewaking. Aan de grens wordt de verhouding bepaald tussen de Ander, degene die van elders komt, en onszelf, degenen die er al waren en een exclusief recht hebben om te verblijven waar ze al zijn. Aan de grens wordt de vijand aangewezen.

Met die verhouding wordt soevereiniteit gecreëerd: een vorm van machtsuitoefening die, door uitsluiting van het vreemde, vormgeeft aan de politieke gemeenschap aan de binnenkant van de grenzen. ‘Eigen volk eerst!’ is het motto van deze kunstmatig gecreëerde, permanente noodtoestand, en als het slechts de nationalistische populisten zijn die dat durven te zeggen, dan betekent dat niet dat de anderen het ermee oneens zijn; in de praktijk gedraagt iedereen zich althans alsof het hier een onbetwijfelbare waarheid betreft. En zelfs als niemand precies weet wie dat volk dan is, dan wijst de universele acceptatie van het bestaan van grenzen en alle praktijken die ervoor nodig zijn om ze te bewaken op de overeenstemming dat dat ongedefinieerde ‘volk’ beschermd moet worden tegen wat van buiten komt.

Het eerste doel van grensbewaking en grenspolitiek, zo kunnen we nu zien, is daarom het bewerkstelligen van een territorium, een nationale norm die als criterium dient voor de uitsluiting van het vreemde en het onwenselijke, en via die weg de regulering van menselijke mobiliteit. Een doel dat men tracht te bereiken door het onmogelijk te maken voor niet-Europeanen om überhaupt nog asiel aan te vragen op het continent, door de dodelijkste grens ter wereld – de Middellandse Zee – eerst een tijdlang als horrorbarrière te laten werken, en vervolgens de toegang voor elke potentiële immigrant helemaal te blokkeren. Het eigen grondgebied wordt volledig immuun gemaakt tegen elk vreemd lichaam.

1 Achille Mbembe, Een politiek van vijandschap, Amsterdam: Boom Uitgevers, 2017.

2 Hannah Arendt, Origins of Totalitarianism. New Edition with added Prefaces, San Diego: Harvest Books / Harcourt Brace & Company, 1979, 123.

3 Aimé Césaire, Over het kolonialisme, uit het Frans vertaald door Grâce Ndjako, Amsterdam: De Geus, 2022.

4 Judith Butler, Precarious Life, Londen: Verso, 2004, xiv

5 Hannah Arendt, ‘We refugees’, in: Marc Robinson (ed.), Altogether Elsewhere. Writers in Exile, Boston / London: Faber & Faber, 1994, 110-119, hier: 115.

6 Hannah Arendt, Origins of Totalitarianism, 292

7 Ibidem, 297

8 Vandaar de slavenhandel in Libië en de arbeidsuitbuiting waar migranten waar ook ter wereld aan worden onderworpen.

9 Vgl. Carl Schmitt, The Concept of te Political. Expanded Edition, Chicago / London: The University of Chicago Press, 2007, 26

10 Achille Mbembe, Een politiek van vijandschap, Amsterdam: BoomUitgevers, 2017.

Categorieën
Filosofie Politiek

Van de hete vrede terug naar de koude oorlog, graag!

Oorspronkelijke tekst (Engels) in het bezit van Wereldbrand

fotografie: Salon.com

door Slavoj Zizek

Slavoj Zizek is cultuurfilosoof. Hij is onderzoeker aan het Instituut voor Sociologie en Filosofie van de Universiteit van Ljubljana, Global Distinguished Professor of German aan de New York University, en internationaal directeur van het Birkbeck Institute for the Humanities van de Universiteit van Londen. Zijn boek Als een dief op klaarlichte dag is verkrijgbaar bij Starfish Books.

Er zijn situaties waarin een principieel besluit niet volstaat, en waarin een weloverwogen strategische keuze tussen slecht en slechter nodig is. Bolivia heeft misschien wel de grootste lithiumreserves ter wereld en is nu van plan die te gaan winnen, maar ecologen zijn daar fel op tegen omdat de winning het milieu vervuilt, zelfs als daarbij strenge ecologische normen worden gehanteerd. Maar moet het arme Bolivia zich opofferen en afzien van wat het tot het Saoedi-Arabië van het lithium zou kunnen maken, nu de ontwikkelde westerse landen het milieu in veel grotere mate blijven vervuilen?

En hetzelfde geldt voor Oekraïne – het is niet genoeg om alleen maar op te roepen tot vrede en humanitaire hulp aan te bieden, Oekraïne heeft méér nodig dan oproepen tot onderhandelingen en morele steun. Het is een land dat een brute militaire aanval ondergaat, en hopelijk zijn we het er allemaal over eens dat we het moeten helpen – dus wat moeten de westerse staten doen, hoe ver mogen ze gaan in deze hulp zonder een nieuwe wereldoorlog te riskeren? Moeten er wapens naar Oekraïne worden gestuurd (wat al aan de gang is)? Moet er een no-fly-zone worden afgekondigd boven Oekraïne? Lenin dacht nog dat een grote oorlog de voorwaarden kon scheppen voor een revolutie – nu hebben we een soort revolutie nodig om een oorlog te voorkomen. Denk aan wat de Russische minister van Buitenlandse Zaken Sergei Lavrov op 2 februari 2022 zei: als er een derde wereldoorlog zou komen, zou die met kernwapens gepaard gaan en destructief zijn – Rusland zou een ʻreëel gevaarʼ lopen als Kiev kernwapens zou verwerven. We weten dat Poetin jaren geleden al publiekelijk verklaarde dat als Rusland in een toekomstige oorlog de strijd op de grond zou verliezen, het bereid zou zijn om als eerste kernwapens te gebruiken… Mao Zedong had het dus mis: als papieren tijgers het slecht doen in een oorlog, zijn ze juist nóg gevaarlijker.

We mogen niet al te pessimistisch zijn – zelfs als Rusland op de een of andere manier heel Oekraïne zou bezetten, zal Oekraïne zich opmaken voor een partizanenoorlog; er worden nu al massaal wapens uitgedeeld aan gewone mannen en vrouwen. Maar we mogen ons ook geen illusies maken: de oorlog tussen Rusland en de NAVO is al begonnen, hoewel hij tot nu toe vooral via zogenoemde ʻproxiesʼ wordt uitgevochten – en hij kan zich makkelijk tot ver buiten Oekraïne uitbreiden. Rusland intervenieert nu al via zijn proxies in Bosnië en Kosovo, en Lavrov heeft ooit gezegd dat de uiteindelijke oplossing erin bestaat heel Europa te demilitariseren… Dus, nogmaals, er zijn niet alleen principiële beslissingen, maar ook goed doordacht strategisch denken en handelen nodig.

Eén ding is zeker: tot de oorlog van 2022 was de grote meerderheid van de Oekraïners tweetalig en switchte zij zonder al te veel problemen van het Russisch naar het Oekraïens en weer terug. Wat de Russische invasie heeft opgeleverd, is niet alleen de eenwording van West-Europa; zij heeft ook een grote impuls gegeven aan datgene wat Rusland ontkent, waarvan het het bestaan juist niet wil toegeven: de Oekraïense identiteit buiten, of zelfs tegenover de Russische identiteit. De onderdrukte ʻoekraïniseringʼ van de jaren twintig keert precies honderd jaar later terug – maar deze keer met een andere politieke klank. Er is zeker geen excuus voor sommige dingen die Oekraïne en de Baltische staten de afgelopen decennia hebben gedaan, zoals het rehabiliteren van enkele nazi-collaborateurs (die actief betrokken waren bij de massale liquidaties van joden en Russische gevangenen) als eerste helden van het anticommunistische verzet. In 2019 riep het Oekraïense parlement 1 januari uit tot nationale herdenkingsdag voor Stepan Bandera, die zich korte tijd had aangesloten bij de nazi-bezetting van Oekraïne; sommige van zijn medestanders bij de Organisatie van Oekraïense Nationalisten, waaraan hij leiding gaf, begingen talloze oorlogsmisdaden tegen joden. Desondanks werd Bandera door ex-president Viktor Joesjenko tot Held van Oekraïne verheven, en zijn er nu overal in Oekraïne standbeelden van hem te vinden. De regio Lviv, Banderaʼs geboortestad, riep deze maand 2019 uit tot ʻStepan Bandera Jaar,ʼ wat leidde tot protesten van Israël. Het Staatscomité voor Televisie en Radio-uitzendingen van Oekraïne heeft The Book Thieves van de Zweedse historicus Anders Rydell verboden: in het decreet wordt aangehaald dat het boek ʻaanzet tot etnische, raciale en religieuze haat.ʼ Het verbod is te wijten aan Rydells kritische analyse van de daden van Symon Petliura, een andere nationalist wiens troepen ontelbare joden hebben vermoord tijdens pogroms. Om nog maar te zwijgen van het feit dat radicale nationalisten in Oekraïne voorstellen om het gebruik van de Russische taal in de openbare ruimte te verbieden. Dit is de reden dat Israël zijn neutraliteit in de huidige oorlog handhaaft en niet bereid is Rusland te veroordelen. Als Oekraïne serieus wil toetreden tot de ʻbeschaafdeʼ naties, zou de eerste stap zijn om de actieve Oekraïense deelname aan de holocaust, die ʻonbeschaafdeʼ daad bij uitstek, naar buiten te brengen en openlijk te veroordelen.

Om een fataal misverstand te voorkomen: dit impliceert geenszins de relativering van de Russische invasie in de vulgaire zin van ʻniemands handen zijn schoonʼ – Rusland heeft een ondenkbaar afschuwelijke daad begaan, door op brute wijze een onafhankelijk land aan te vallen. Dit is de waarheid van de situatie – maar in zijn scherpzinnige analyse van de wirwar van moderne Europese revoluties die culmineerden in het stalinisme, benadrukt Jean-Claude Milner de radicale kloof die exactheid (de feitelijke waarheid, de juistheid aangaande de feiten) scheidt van de waarheid (de zaak waaraan wij gecommitteerd zijn): ʻWanneer men het radicale verschil tussen exactheid en waarheid onderkent, blijft er slechts één ethische stelregel over: stel die twee nooit tegenover elkaar. Maak van het onnauwkeurige nooit het geprivilegieerde middel van de effecten van de waarheid. Verander deze effecten nooit in bijproducten van de leugen. Maak nooit van het reële een instrument voor de verovering van de werkelijkheid.ʼ

Toegepast op Oekraïne betekent dit: we mogen NOOIT toestaan dat de basiswaarheid van de situatie en de daardoor opgelegde keuze (om Oekraïne te steunen) de feiten in al hun verwardheid en dubbelzinnigheid verdoezelt (zoals in ʻDit is niet het juiste moment om de donkere kanten van Oekraïne naar buiten te brengenʼ). De rechtvaardigingen van Rusland zijn leugens, maar het zijn soms leugens in de gedaante van gedeeltelijke kleine waarheden die openlijk onder ogen moeten worden gezien. En we moeten al onze steun geven aan degenen die nu in Rusland protesteren tegen de invasie van Oekraïne: dat zijn geen abstracte internationalisten, het zijn de ware Russische patriotten. Een patriot, iemand die echt van haar of zijn land houdt, is iemand die zich diep schaamt wanneer haar of zijn land iets verkeerds doet. Er is geen walgelijker gezegde dan: ʻMijn land, goed of fout.ʼ Dit geldt zowel voor Rusland als voor Oekraïne.

Helaas kunnen kunstenaars en denkers ook de basis leggen voor oorlogen en misdaden. Op zijn onschuldigst krijgen we van hen dubbelzinnige gemeenplaatsen. Op 24 februari 2022 publiceerde actrice AnnaLynne McCord een video waarin ze een aan Poetin gerichte slam poem voorlas. Ze begint met ʻDear President Vladimir Putin, Iʼm so sorry I was not your mother,ʼ en daarna legt ze uit hoe ze, als ze wél zijn moeder was geweest, hem overladen zou hebben met liefde zodat hij niet geneigd zou zijn geweest om oorlogen te beginnen. Dit gedicht is gewoon ronduit fout: het probleem met grote misdadigers is juist dat ze overladen werden met té veel moederliefde, waardoor ze geen vrije ademruimte kregen. We willen allemaal vrede, maar abstracte oproepen tot vrede volstaan niet: ʻvredeʼ alleen is geen begrip waarmee we de voornaamste scheidslijn kunnen trekken. Bezetters willen altijd oprecht vrede op het grondgebied dat zij in bezit hebben genomen. Israël wil vrede op de Westelijke Jordaanoever, Rusland is op een missie voor vrede in Oekraïne…

Maar het kan nog veel erger. Denk aan William Butler Yeatsʼ bekende dichtregels: ʻI have spread my dreams under your feet, / Tread softly because you tread on my dreams.ʼ (ʻIk heb mijn dromen onder jouw voeten uitgespreid, / Loop zachtjes, want je stapt op mijn dromen.ʼ) We zouden deze regels ook moeten toepassen op de dichters zelf: wanneer zij hun dromen verspreiden, moeten zij dit voorzichtig doen, omdat echte mensen ze zullen lezen en ernaar zullen handelen – dezelfde Yeats flirtte voortdurend met het fascisme en keurde in augustus 1938 publiekelijk de antisemitische Neurenberg-wetten goed. Er bestaat geen etnische zuivering zonder poëzie, maar waarom niet? Omdat we in een tijdperk leven dat zichzelf als post-ideologisch beschouwt. Aangezien grote publieke doelen niet langer de kracht hebben om mensen te mobiliseren voor massaal geweld, is er behoefte aan een grotere heilige zaak, die kleinzielige individuele kopzorgen over doden triviaal doet lijken. Religie of etnische afkomst passen perfect in deze rol. Natuurlijk zijn er gevallen van pathologische atheïsten die in staat zijn om louter voor hun plezier massamoorden te plegen, maar dat zijn de zeldzame uitzonderingen: de meerderheid moet verdoofd worden tegen hun elementaire gevoeligheid voor het lijden van de ander, en daarvoor is een heilige zaak nodig. Religieuze ideologen beweren gewoonlijk dat – of dat nu waar is of niet – religie sommige mensen, die anders slecht zouden zijn, goede dingen kan laten doen; op grond van de huidige ervaringen zou men zich echter beter kunnen houden aan de bewering van Steve Weinberg dat, terwijl goede mensen zonder religie goede dingen zouden hebben gedaan en slechte mensen slechte dingen, alleen religie goede mensen slechte dingen kan laten doen. Platoʼs reputatie heeft geleden onder zijn bewering dat dichters de stad uit moeten worden gegooid, ook al is dat een tamelijk verstandig advies, te oordelen naar de ervaring van de afgelopen decennia, waarin etnische zuiveringen werden voorbereid door de gevaarlijke dromen van dichters en ʻdenkersʼ (in Rusland alleen al door de boeken van Aleksander Dugin en de films van Nikita Mikhalkov).

We hebben dus minder poëzie en meer strategische flexibiliteit nodig. De obsessie dat Rusland niet alleen moet verliezen in Oekraïne, maar dat het land ook als de verliezer moet worden neergezet (zoals Boris Johnson het uitdrukte) is zeer gevaarlijk. Woorden hebben hun eigen gewicht, ze verhogen de spanning. Leiders die in gevaar verkeren zijn bereid alles te riskeren om gezichtsverlies te voorkomen. Vlak voor de Russische aanval waarschuwde Zelensky de VS terecht om niet steeds te herhalen dat er een oorlog op komst was – hij wist dat dit waar was, maar hij wist ook dat het steeds herhalen ervan een self-fulfilling prophecy kon zijn. Waar is vandaag de wijsheid die Kennedy en Chroesjtsjov ten tijde van de Cubacrisis aan de dag legden?

Op 5 maart zei Poetin dat de tegen zijn land ingestelde sancties ʻgelijk staan aan een oorlogsverklaringʼ en dat hij de westerse landen die een vliegverbod boven Oekraïne zouden opleggen zou beschouwen als deelnemers aan het conflict. Men moet deze verklaring lezen in samenhang met wat Poetin de laatste dagen herhaaldelijk heeft gezegd: dat de handel met het Westen gewoon moet doorgaan, dat Rusland zijn verbintenissen nakomt en zijn gasleveringen aan West-Europa zal voortzetten… De les is dat Rusland niet alleen maar terugkeert naar de goede oude Koude Oorlog, met zijn reeks vaste regels – tijdens de Koude Oorlog waren de regels van internationaal gedrag helder, gewaarborgd door de MADness (Mutually Assured Destruction) van de supermachten. Toen de Sovjet-Unie deze ongeschreven regels overtrad door Afghanistan binnen te vallen, heeft zij daar duur voor betaald – de oorlog in Afghanistan was het begin van haar einde.

Vandaag zijn we de fase van de MADness voorbij: de oude en nieuwe grootmachten testen elkaar, proberen hun eigen versie van mondiale regels op te leggen en experimenteren ermee via proxies – uiteraard andere, kleine naties en staten. Rusland probeert een nieuw model op te leggen voor hoe de internationale betrekkingen eruit zouden moeten zien: geen koude oorlog maar een hete vrede, een vrede die gelijk staat aan een permanente hybride oorlog waarin militaire interventies worden verkocht als vredeshandhavende humanitaire missies tegen genocide. Toen de oorlog begon, konden we lezen dat ʻde Doema zijn ondubbelzinnige en geconsolideerde steun uitspreekt voor de adequate maatregelen die voor humanitaire doeleinden zijn genomen.ʼ Hoe vaak hebben we in het verleden niet soortgelijke zinnen horen gebruiken, voor interventies van Latijns-Amerika tot Irak, en nu neemt Rusland deze tekst – zij het veel te laat – over. (Daarom zou Julian Assange meer dan ooit onze held moeten zijn.) Dus terwijl in Oekraïne stadsbeschietingen, burgermoorden en bombardementen op universiteiten plaatsvinden, moet de internationale handel gewoon doorgaan; buiten Oekraïne moet het normale leven gewoon doorgaan… Dit is echter wat we onvoorwaardelijk moeten afwijzen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Filosofie Gezondheid Politiek

Toespraak tot de Commissie voor Constitutionele Zaken van de Italiaanse Senaat

Oorspronkelijke tekst (Italiaans): Quodlibet, 7 oktober 2021

fotografie: Dario J. Lagana

door Giorgio Agamben

Giorgio Agamben is een Italiaanse filosoof die vooral bekend is door zijn werk waarin hij de concepten van de uitzonderingstoestand, levensvorm (ontleend aan Ludwig Wittgenstein) en homo sacer onderzoekt. Agambens filosofie is diepgaand beïnvloed door enerzijds Martin Heidegger, bij wie hij colleges volgde en anderzijds Walter Benjamin, wiens werk hij in het Italiaans vertaalde.

Deze tekst werd uitgesproken op 7 oktober 2021, en tweeëneenhalve week later, op 24 oktober, gepubliceerd op de site van Quodlibet. Klik hier voor de oorspronkelijke gesproken tekst.

Ik zal mij beperken tot twee punten die ik graag onder de aandacht wil brengen van de parlementsleden die moeten stemmen over de omzetting van het decreet in een wet.

Het eerste is de duidelijke – en ik benadruk duidelijke – tegenstrijdigheid in het decreet in kwestie. U weet dat de regering zich met een speciaal wetsdecreet, het zogenaamde ʻstrafschild,ʼ1 nr. 44 van 2021, dat nu in een wet is omgezet, heeft ontheven van iedere aansprakelijkheid voor schade die door vaccins wordt veroorzaakt. Hoe ernstig deze schade kan zijn, blijkt uit het feit dat in artikel 3 van het decreet uitdrukkelijk de artikelen 589 en 590 van het wetboek van strafrecht worden genoemd, waarin sprake is van doodslag en verwijtbaar letsel.

Zoals gezaghebbende juristen hebben opgemerkt, voelt de staat zich niet geroepen de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor vaccins die de experimentele fase nog niet hebben doorlopen, en probeert hij tegelijkertijd de burgers met alle middelen tot vaccinatie te dwingen, door te dreigen hen anders van het maatschappelijk leven uit te sluiten en hen, met het nieuwe decreet waarover u nu moet stemmen, zelfs de mogelijkheid te ontnemen om te werken.

Is er een juridisch en moreel abnormalere situatie denkbaar? Hoe kan de staat degenen die ervoor kiezen zich niet te laten vaccineren, beschuldigen van onverantwoordelijkheid, wanneer het diezelfde staat is die in eerste instantie formeel iedere verantwoordelijkheid voor de mogelijke ernstige gevolgen afwijst – denk aan de vermelding van art. 589 en 590 van het Wetboek van Strafrecht aangaande het vaccin?

Ik zou graag zien dat de parlementsleden nadenken over deze tegenstrijdigheid, die naar mijn mening werkelijk een juridisch gedrocht is.

Het tweede punt waarop ik graag uw aandacht zou willen vestigen, betreft niet het medische probleem van het vaccin, maar het politieke probleem van de Greenpass, dat daarmee niet verward mag worden (wij zijn in het verleden wel vaker gevaccineerd, zonder dat wij voor elk van onze bewegingen een certificaat hoefden te laten zien). Wetenschappers en artsen hebben gezegd dat de Greenpass op zichzelf geen enkele medische betekenis heeft, maar dient om mensen tot vaccinatie te dwingen. Ik ben echter van mening dat ook het tegenovergestelde kan en moet worden gezegd, namelijk dat het vaccin in feite een middel is om mensen te dwingen een Greenpass te hebben, d.w.z. een middel waarmee hun bewegingen in ongekende mate kunnen worden gevolgd en getraceerd.

Politicologen weten al lang dat onze samenlevingen zijn geëvolueerd van wat vroeger ʻdisciplinaire samenlevingenʼ werden genoemd, naar ʻcontrolesamenlevingen,ʼ gebaseerd op vrijwel onbeperkte digitale controle van individueel gedrag, dat aldus kwantificeerbaar wordt in een algoritme. Wij raken nu gewend aan deze controlemiddelen – maar in hoeverre zijn wij bereid deze controle te aanvaarden? Is het mogelijk dat de burgers van een zogenaamd democratische samenleving zich in een slechtere situatie bevinden dan de burgers van Stalins Sovjet-Unie? U weet dat Sovjetburgers een ʻpropiskaʼ2 moesten laten zien om van het ene land naar het andere te kunnen reizen, maar wij moeten nu iets dergelijks laten zien om naar de bioscoop of naar een restaurant te kunnen gaan – en ook, wat nog ernstiger is, om naar ons werk te kunnen gaan. En hoe is het mogelijk te aanvaarden dat voor het eerst in de geschiedenis van Italië, althans na de fascistische wetten van 1938 over de niet-Arische burgers, tweederangsburgers worden gecreëerd, die onderworpen zijn aan beperkingen die, vanuit een strikt juridisch – ik benadruk juridisch – standpunt, in geen enkel opzicht onderdoen voor die welke in die infame wetten waren vastgelegd?

Alles wijst erop dat deze decreten, die elkaar opvolgen alsof zij door één persoon zijn uitgevaardigd, deel uitmaken van een proces van verandering van de instituties en de bestuursmodellen, dat des te verraderlijker is omdat het, zoals het geval was ten tijde van het fascisme, wordt uitgevoerd zonder de tekst van de grondwet te wijzigen. Het model dat aldus geleidelijk wordt uitgehold en opgeheven is dat van de parlementaire democratie, met zijn grondwettelijke rechten en waarborgen; daarvoor in de plaats komt een bestuursmodel waarin, in naam van de bioveiligheid en de controle, de individuele vrijheden steeds meer aan banden worden gelegd.

De exclusieve aandacht voor besmettingen en gezondheid verhindert ons de Grote Transformatie3 waar te nemen die zich in de politieke sfeer voltrekt en te beseffen dat, zoals de regeringen zelf nooit moe worden ons te laten weten, veiligheid en noodtoestand geen voorbijgaande verschijnselen zijn, maar de nieuwe bestuursvorm vertegenwoordigen.

Het is dan ook meer dan ooit noodzakelijk dat de parlementsleden zeer goed nadenken over de aan de gang zijnde transformatie, die op termijn tot gevolg zal hebben dat het parlement zijn bevoegdheden verliest en, zoals nu al het geval is, in naam van de bioveiligheid alleen nog decreten zal mogen goedkeuren die uitgaan van organisaties en personen die weinig met het parlement te maken hebben.

1Met ‘strafschild’ wordt een regeling aangeduid die bestuurders in Italië kan vrijwaren van strafrechtelijke vervolging.

2Een ‘propiska’ was zowel een verblijfsvergunning als een reisdocument, zoals dat in het Russische Rijk vóór 1917 en in de Sovjet-Unie vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw werd gebruikt.

3Agamben refereert hier aan de ‘Great Reset,’ een voorstel van het World Economic Forum (WEF) om, na de coronapandemie, de wereldeconomie opnieuw in te richten.

Vertaling: Menno Grootveld (met dank aan Bas Geerts)

Categorieën
Filosofie Gezondheid Politiek

Filosoof ziet Italië op weg naar de dictatuur

Oorspronkelijke tekst (Duits): Der Tagesspiegel, 11 januari 2021

fotografie: Kitty Kleist-Heinrich

door Andrea Dernbach

Andrea Dernbach is politiek verslaggever bij Der Tagesspiegel. Haar onderwerpen zijn migratie, minderheden, burgerrechten en genderpolitiek.

Premier Draghi dringt er bij zijn landgenoten opnieuw op aan zich te laten vaccineren. De beroemdste filosoof van het land ziet de coronamaatregelen daarentegen als het einde van de vrijheid.

Met het oog op het stijgende aantal Covid-besmettingen heeft de Italiaanse regering de maatregelen om de pandemie in te dammen verder verscherpt. Intussen is vaccinatie verplicht voor alle vijftigplussers. De premier herhaalde de oproep aan zijn landgenoten afgelopen maandag: ʻWe mogen niet vergeten dat we een groot deel van de problemen die we vandaag hebben, te danken hebben aan de ongevaccineerden. Ik dring er bij iedereen die nog niet is gevaccineerd op aan om dit alsnog te doen, onder meer door een boosterprik.ʼ

Dat de weigeraars een kleinere minderheid vormen – tachtig procent van de bevolking is minstens eenmaal gevaccineerd – maar wel een hardnekkige, kan ook te maken hebben met delen van Draghiʼs eigen regering: de rechtervleugel, die aan de kabinetstafel zit, is op zijn zachtst gezegd verdeeld en dubbelzinnig over de kwestie.

Afgelopen najaar viel zelfs een prominente anti-vaccinatieactivist de eer te beurt om de eerste kamer van het parlement toe te spreken. De 79-jarige wereldberoemde filosoof Giorgio Agamben hield in de Senaat een toespraak over het einde van de vrijheid als gevolg van de in zijn ogen buitensporige coronamaatregelen en de gevaren van vaccinatie.

Vrijwel vanaf het begin van de pandemie heeft Agamben zijn strijd tegen de corona-campagne gevoerd, voor het eerst met een artikel in het linkse dagblad ʻil manifesto,ʼ waarin hij zich uitliet over de ʻvermeende epidemieʼ en over de ʻhectische, irrationele en volkomen ongegronde noodmaatregelen.ʼ

Dat hij in oktober zelfs het parlement als podium kreeg, ging zijn collegaʼs echter te ver. In een oproep, getiteld ʻEr is niet alleen Agambenʼ rekenden ruim honderd Italiaanse filosofen af met de beroemdste onder hen: zij waren ʻverbijsterdʼ over het feit dat de bijdrage van de filosofie aan het publieke debat over corona en verplichte vaccinaties ʻbeperkt blijft tot denkers als Giorgio Agambenʼ die niets anders vertegenwoordigen dan zichzelf.

Hij spreekt over de ʻvijandʼ en ʻnieuwe strategieënʼ

Zij distantieerden zich van uitspraken als zouden de vaccins onbeproefd zijn ingezet en ook van Agambens vergelijking van de corona-maatregelen met dictaturen als de Sovjet-Unie: ʻWij bevinden ons in een noodtoestand op gezondheidsgebied die niets te maken heeft met andere noodtoestanden (zoals de oorlog tegen de terreur),ʼ aldus de brief van de filosofen. De situatie vergt maatregelen die altijd al hebben bestaan, ʻdenk maar aan de massale vaccinaties tijdens de cholera-epidemie – in 1973! – in Napels.ʼ

De protesten tegen zijn uitspraken hebben Agamben niet afgeremd; een paar weken geleden ging hij nóg verder. Samen met andere wetenschappers, de Turijnse hoogleraar in de rechten Ugo Mattei, Massimo Cacciari, ex-burgemeester van Venetië en net als Agamben hoogleraar in de filosofie, en de voormalige chef van de publieke televisiezender Rai 2, Carlo Freccero, richtte Agamben de ʻCommissie voor Twijfel en Preventieʼ op.

Terwijl de twijfels – over het virus en de maatregelen – duidelijk zijn, werden er tijdens de oprichtingsceremonie weinig woorden gewijd aan het onderdeel ʻpreventieʼ: het is nu niet de tijd voor congressen, zei Agamben tijdens de bijeenkomst, die op YouTube werd gestreamd. ʻWat denkt u dat er gebeurd zou zijn als het verzet tegen Hitler tijdens congressen was georganiseerd?

Tegenover een regering die de wet negeert, lijkt mij dat zinloos; er is immers geen legaliteit meer.ʼ En de ʻvijandʼ die men tegenover zich heeft is ʻintellectueel en geestelijk niet levendʼ; men hoeft zelfs niet te trachten hem te overtuigen. ʻWe moeten nieuwe strategieën vinden.ʼ

Terwijl de fans van de meester in de parallelle chat hem al voorstelden als presidentskandidaat of opriepen tot de bestorming van het openbaar vervoer – uiteraard zonder vaccinatiebewijs – nam Agamben stelling tegen de beschuldiging dat hij hier tot geweld zou hebben opgeroepen: conclusies trekken was niet zijn taak. Hij hoopte voor zichzelf en zijn publiek slechts dat zij mochten ʻblijven denken.ʼ

Kort daarna rechtvaardigde zijn medestrijder Ugo Mattei zijn ʻneeʼ tegen vaccinatie als een sociale ervaring: hij was persoonlijk niet bang voor het vaccin, maar: ʻIk heb me niet laten vaccineren om de wereld eens te bekijken vanuit het perspectief van hen die uitgesloten zijn van sociale processen.ʼ Als witte bevoorrechte man uit de middenklasse kon hij niet zwart en ook geen vrouw worden, zei de 61-jarige. In dat opzicht zou de ervaring die hij nu als ongevaccineerde ondergaat ʻeen groot geschenkʼ zijn.

Vaccinscepsis en sterftecijfers houden ook in Italië verband met elkaar

Natuurlijk ʻmoet de filosofie zich kritisch opstellen tegenover de natuurwetenschappen,ʼ schreven Agambens collegaʼs in oktober. ʻMaar deze kritiek moet wetenschappelijke kennis wél erkennen door haar correct weer te geven.ʼ

Het Italiaanse bureau voor de statistiek, Istat, heeft hiervoor enkele dagen geleden opnieuw bruikbaar materiaal verstrekt. Het publiceerde de bevolkingscijfers over 2021. Vorig jaar overleden er 59.000 Italianen als gevolg van Covid-19.

Het jaar daarvoor echter, toen het virus zich in Italië eerder dan elders snel verspreidde en het gezondheidsstelsel maandenlang tot het uiterste werd beproefd, overleden er nog 74.000 mensen aan het virus. In sommige bijzonder zwaar getroffen gebieden van Lombardije – Bergamo, bijvoorbeeld – werden tussen februari en maart 2020 bijna viermaal zo veel sterfgevallen geregistreerd.

Dit is in 2021 waarschijnlijk niet in de laatste plaats dankzij de vaccinaties verbeterd – dat is althans ook te zien in de cijfers van Istat: vorig jaar was het sterftecijfer nog duidelijk hoger dan vóór de pandemie, namelijk 8,7 procent.

In de regioʼs waar de vaccinatiegraad bijzonder hoog was – in 2021 waren er voor het eerst vaccins beschikbaar – lag dit cijfer echter lager, terwijl het in de vaccinsceptische delen van het land juist aanzienlijk hoger lag: in de provincie Bolzano was dat 13,1 procent, in Friuli-Venezia Giulia 12,1, op Sicilië 11,2, in Calabrië, de Marken en Campanië tussen de 10 en 11 procent.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Filosofie Gezondheid Politiek

Wij leven in de tijd van de eerste mondiale burgeroorlog

Oorspronkelijke tekst (Frans): eveilinfo.org, 17 november 2021

fotografie: Julien Falsimagne

door Mehdi Belhaj Kacem

Mehdi Belhaj Kacem is een Frans-Tunesische filosoof, schrijver en acteur

Geachte burgemeester van Turenne, Yves Gary,

Een vriend van mij stuurde mij gisteravond uw brief (zie hieronder), getiteld ʻEen woord van de burgemeester.ʼ Ik moest lachen toen ik hem las. Ik ben blijkbaar niet de enige, want de volgende ochtend merkte ik dat uw brief rondging op de netwerken. Het is dus mijn plicht u mee te delen dat u nu reeds het lachertje bent van honderdduizenden Fransen.

Allereerst wil ik me aan u voorstellen. Ik woon al bijna vijfentwintig jaar in Turenne, in een huis dat erfgoed van de familie is. Ik ben schrijver en filosoof van beroep, en ik heb ruim dertig boeken gepubliceerd, waarvan vele bij grote uitgeverijen (Gallimard, Grasset, Fayard, Stock…). Mijn derde roman, Vies et morts d’Irène Lepic, geschreven op eenentwintigjarige leeftijd, wordt vandaag door duizenden mensen beschouwd als een van de beste romans van de jaren negentig. Michel Houellebecq zei, ten overstaan van een publiek van VIPs uit de hedendaagse kunst, dat ik de enige schrijver van zijn generatie ben die zo goed is als hij. Ik was de eerste filosoof die op 39-jarige leeftijd recht had op een colloquium aan de Ecole Normale Supérieure de la rue dʼUlm, die de afgelopen twee eeuwen 90 procent van de grote filosofen in Frankrijk heeft voortgebracht, ook al ben ik een volslagen autodidact. Alain Badiou heeft mij vijftien jaar geleden publiekelijk voorgesteld als een van de twee meest begaafde filosofen van mijn generatie, en de internationaal vermaarde antropoloog David Graeber, die vorig jaar vroegtijdig in Venetië is overleden, zei altijd dat ik de grootste levende filosoof was, en veel mensen denken er net zo over. Een groot Amerikaans dichter, Steve Light, schreef dat er nooit eerder in de geschiedenis van de filosofie zoʼn groot verband heeft bestaan tussen systematische conceptuele inzichten en zelfdidactiek. Ik zou zo nog paginaʼs door kunnen gaan. Zoals de grote klokkenluider-arts dr. Roger Hodkinson het formuleert, en u zou van hem kunnen leren: ʻIk ben trots op mijn verdomde C.V.ʼ

Dus mijn excuses dat ik mezelf zo op de borst klop; dat is niet erg elegant. Maar als ik met mensen zoals u spreek, voel ik mij verplicht dat te doen, zodat mijn gesprekspartner begrijpt dat hij niet bepaald te maken heeft met wat mensen een ʻJan Doedelʼ noemen. U spreekt in uw brief over uw ʻbekwaamheid,ʼ zonder ons daar ook maar iets meer over te vertellen (om het eufemistisch uit te drukken); ik ben dus verplicht, alvorens met mensen zoals u in discussie te gaan, mijn ʻadellijke titelsʼ in dit opzicht naar voren te brengen, namelijk mijn vermogens tot analyse en reflectie die alle bekwame mensen te zijner tijd zullen onderkennen.

Bij het lezen van uw brief vraagt men zich in de eerste plaats af wat uw ʻbekwaamheidʼ is. Als die gebaseerd is op het openslaan van de grote dagbladen, het luisteren naar France-hier of France-daar, of het kijken naar BFMTV of France 2, dan zit u behoorlijk in de problemen. In 2021 kun je op die manier geen informatie krijgen, maar moet je naar de bron gaan; denken dat je iets leert door de massamedia te consumeren is als een Neanderthaler die meent dat hij goed geïnformeerd is als de Cro-magnons ten tonele verschijnen, of als vechten met een knuppel wanneer er net vuurwapens zijn uitgevonden.

Dit is de meest plausibele verklaring: sinds ruim anderhalf jaar is de meerderheid van onze medeburgers afgesneden van al hun cognitieve vermogens door de onophoudelijke propaganda waarmee de massamedia hen overspoelen, die gesubsidieerd worden door de staat en eigendom zijn van de acht rijkste families in Frankrijk. De functie van deze media is allang niet meer om de mensen te informeren, maar eenvoudigweg om de spreekbuis van de regering te zijn. Alle overwegingen die u aan uw publiek meegeeft, zijn dus gebaseerd op de geloofwaardigheid die u verleent aan wat deze media zeggen. Kortom, u gaat ervan uit dat ze al anderhalf jaar de waarheid vertellen. Maar het tegendeel is waar. Deze regering heeft over werkelijk alles gelogen. Deze regering is niets meer dan een werktuig in dienst van supranationale instellingen zoals de WHO, of van multinationals zoals Pfizer. Wist u dat de president van onze republiek, toen hij nog voor de Rothschild-bank werkte, over een contract ter waarde van tien miljard dollar heeft onderhandeld tussen Nestlé en… Pfizer (zei u ʻoffshore-rekeningʼ)? Wist u dat zijn vrouw veel aandelen had in hetzelfde bedrijf? Wist u dat het Pfizer was dat de Zwitserse rekening van Cahuzac voedde, en waarschijnlijk van veel leden van de Socialistische Partij, de partij die ons wil dwingen tot verplichte vaccinatie? Wist u dat Pfizer het meest corrupte en veroordeelde farmaceutische bedrijf aller tijden is (met meer dan veertig negatieve vonnissen, en in totaal ruim vijf miljard dollar aan uitgekeerde schadevergoedingen)?

U begint uw brief met te zeggen dat wij dit voorjaar hoopten dat Covid 19 ons, als u mij de uitdrukking vergeeft, een beetje van de wijs zou brengen. U heeft gezegd dat er een vierde golf is geweest. Maar helaas moet ik u teleurstellen: er was geen vierde golf, want er was ook geen derde golf, evenmin als een tweede en een eerste; en in feite is er helemaal nooit een ʻpandemieʼ geweest, behalve in een paar zieke geesten, met name van degenen die leiding geven aan de WHO, waarschijnlijk de meest criminele politieke organisatie aller tijden.

Er is geen ʻpandemieʼ geweest, en de officiële cijfers bevestigen dat. Tik ʻcovid deathsʼ in op Google, en u zult op een cijfer stuiten van ongeveer vijf miljoen mensen, d.w.z. ongeveer 0,04 procent van de wereldbevolking, wat een schijntje is. Het is des te bespottelijker als men de gemiddelde leeftijd van de slachtoffers kent: 84 jaar. Dit zijn mensen die hun levensverwachting al grotendeels hadden overtroffen. Ik zeg ʻgrotendeels,ʼ omdat in onze westerse landen (Frankrijk, Italië, enz.) de levensverwachting 82 jaar is, en daarom lag het percentage bij ons hoger (0,14/0,15 procent) dan in veel armere landen, waar de levensverwachting uiteraard veel lager is.

Dit is alleen maar om u te laten inzien dat velen, te beginnen met de gecentraliseerde massamedia, en u in de voetsporen daarvan, de afgelopen anderhalf jaar hebben ʻgeredeneerdʼ op basis van een pure en eenvoudige semantische hersenschim: ʻEr is een verwoestend virus dat de hele planeet treft en 0,04 procent van de wereldbevolking doodt, voornamelijk mensen die hun levensverwachting reeds ver hebben overschreden.ʼ Dit is letterlijk een zin zonder betekenis, en toch is het de basis voor alle ʻretoriekʼ van de soort waar u zich in uw brief van bedient, en waarmee wij nu al meer dan anderhalf jaar worden lastiggevallen. Iedere eerstejaars filosofiestudent weet dat als de vooronderstelling vals is, de rest van het betoog ook vals is.

De zaak is eigenlijk nog veel erger, en komt in feite neer op de grootste en ernstigste massale politieke manipulatie die ooit in onze geschiedenis heeft plaatsgevonden. Ook hier bevestigen de officiële documenten dit. Ik verwijs u naar deze link: https://bit.ly/3GETZ5t

Die betreft het gedetailleerde verslag van Santé Publique France over de Covid-crisis tussen maart 2020 en maart 2021. Ik raad u aan alle 68 bladzijden te lezen, maar als u niet genoeg tijd hebt, kunt u gewoon naar bladzijde 43 gaan. Daar zult u het volgende onthutsende cijfer ontwaren: van de ongeveer honderdduizend vermeende sterfgevallen als gevolg van Covid-19 zijn slechts 14471 mensen daadwerkelijk aan Covid alléén gestorven. De anderen stierven in werkelijkheid aan iets anders: kanker, leukemie, diabetes, hartfalen, enz. Dus: de 0,04 procent sterfgevallen door het verschrikkelijke virus bevinden zich in werkelijkheid dichter bij 0,004 procent: zo goed als niets. Want de officiële cijfers uit andere landen zeggen precies hetzelfde: het CDC in de Verenigde Staten heeft bijvoorbeeld eveneens vastgesteld dat van alle officieel opgegeven sterfgevallen als gevolg van Covid-19, slechts 6 procent ʻzonder comorbiditeitenʼ was, d.w.z. dat 94 procent van deze mensen aan iets heel anders stierf.

In termen van ʻbekwaamheidʼ en argumentatieve nauwkeurigheid is het dus zeer verkeerd van u om de huidige situatie te vergelijken met die van difterie, tuberculose, mazelen of polio: deze ziekten waren in feite enorm dodelijk; Covid-19 doodt in werkelijkheid bijna niemand, maar slaat toe bij mensen die hun levensverwachting toch al hadden overschreden.

Vervolgens zegt u, op deze valse gronden, dat alleen massale vaccinatie zal leiden tot ʻgroepsimmuniteitʼ (een begrip dat wetenschappelijk irrelevant is, zoals iedereen met enige echte deskundigheid weet). Helaas voor u hebben alle landen die massaal gevaccineerd hebben, zoals Israël of Gibraltar, hun sterftecijfers verticaal zien stijgen, evenals hun besmettingscijfers (de enige oplossing? Een derde dosis, nadat de eerste twee zo goed werkten! En een vierde, en een vijfde, en een zesde…). U vergist zich dus als u zegt dat alleen massavaccinatie ons uit de pandemie zal helpen: in de eerste plaats is er nooit een pandemie geweest, behalve een pandemie van leugens, terreur, domheid en manipulatie; in de tweede plaats zijn de ʻvaccins,ʼ die deze naam niet eens verdienen, niet alleen ondoeltreffend, maar ook gevaarlijk. Ik zal dit hieronder aantonen, met officiële cijfers, tegen uw met bravoure gebrachte ontkenningen ten aanzien van dit onderwerp in.

U vraagt, hetgeen bewijst dat uw ogen Covid niet goed hebben gezien: ʻHoe kunnen we serieus blijven praten over een experimenteel vaccin, terwijl het bij bijna de helft van de wereldbevolking is toegediend, met weinig of geen bijwerkingen?ʼ Wel, hoe inderdaad? Dat is heel eenvoudig: door te lezen wat de mensen van Astrazeneca, Pfizer, Moderna en Johnson zelf op hun respectieve websites schrijven: dat de vaccins zich in fase 3 bevinden (doorgaans die van laboratoriumratten), en dat deze experimenten zullen eindigen in 2022 of 2023. De mensen van Moderna gaan zelfs zover om te schrijven: ʻOns vaccin is een somatisch besturingssysteem, dat tot doel heeft uw biologische functies te hacken,ʼ sic. Het feit dat de helft van de wereldbevolking is gevaccineerd, meestal onder chantage en ternauwernood vermeden dwang, belemmert u zich rekenschap te geven van het verschrikkelijke bewijs: we zijn inderdaad getuige van het meest gigantische medische experiment dat ooit op de mensheid is uitgevoerd. Vroeg of laat zal het echte doel van deze experimenten duidelijk worden voor uw verlichte ogen. Zoals de Franse komiek Coluche zei: ʻHet is niet omdat velen ongelijk hebben dat zíj gelijk hebben.ʼ

Maar de zin in uw brief die me het meest aan het lachen maakte, was die waarin staat: ʻMet weinig of geen bijwerkingen.ʼ O ja? Ook hier moet je gewoon afgaan op de officiële cijfers en niets anders. Eudravigilance, de Europese website voor waakzaamheid ten aanzien van de farmaceutische industrie, kwam begin oktober met de volgende cijfers: 27 222 sterfgevallen, bijna 2.300.000 bijwerkingen, waarvan de helft ernstig was (en laten we duidelijk zijn, ʻernstigʼ betekent in de sfeer van de waakzaamheid ten aanzien van de farmaceutische industrie: ʻlevenslang invalideʼ). Het bijwoord in uw zin krijgt zijn volledige betekenis in het licht van deze naar behoren verkregen cijfers… zei u ʻbekwaamheidʼ?

Maar dat is nog niet alles. Want alle specialisten op het gebied van de waakzaamheid ten aanzien van de farmaceutische industrie zullen u vertellen dat slechts 1 tot 10 procent van de bijwerkingen werkelijk wordt gemeld, zodat je de officieel verkregen cijfers met minstens tien moet vermenigvuldigen om dichter bij de waarheid te komen. Wij hebben dan ook redenen om aan te nemen dat in de landen van de EU (uiteraard met uitzondering van Engeland, waar de officiële cijfers ook angstaanjagend zijn) tenminste 270.000 doden te betreuren zijn en 21 miljoen mensen voor het leven gehandicapt zijn geraakt. Dat wil zeggen dat er alleen al in Europa veel meer slachtoffers van de vaccins zijn gevallen dan van dat miserabele Covid-19 in de hele wereld. Ik verwijs u graag naar deze link, een korte video die ik samen met een vriend heb gemaakt over die andere criminele organisatie, de Orde van Geneesheren, die artsen vervolgt die hun patiënten durven te behandelen en de waarheid durven te vertellen over wat ons de afgelopen anderhalf jaar is overkomen: https://odysee.com/@belhajkacem.mehdi:8/t_file6034928538396658340:1

Maar, tussen twee haakjes, wat zijn die bijwerkingen dan precies? Zoals de zeer moedige Dr Ochs zegt, is het risico van het vaccin veertig keer hoger voor mensen onder de vijftig dan Covid-19 zelf. Hoe zit het met onze tieners, die sinds het begin van het schooljaar massaal worden gevaccineerd tegen een ziekte waarvoor zij geen enkel risico lopen? Hoe zit het met onze kinderen, die op het punt staan tegen deze zelfde ziekte te worden gevaccineerd (dezelfde Dr. Ochs trekt de voor de hand liggende conclusie: ʻinfanticideʼ)? Bent u zeker van uw bijwoord? Is er niet ergens een kleine vlo die in uw oor begint te kriebelen?

Want deze bijwerkingen zijn als volgt: beroertes; myocarditis (vooral bij jongeren en tieners, hetgeen hoogst merkwaardig is); pericarditis; trombose; ernstige neurologische aandoeningen; ernstige maagdarmstoornissen; Bellʼs palsy; Guillain-Barré syndroom; hevige convulsies; miskramen (een op de acht…); epilepsie; necrose; blindheid; doofheid; en de lijst gaat maar door en door… Ik kan u kilometerslange lijsten sturen van topsporters die zijn overleden aan hartcomplicaties, of wier carrière voortijdig ten einde is gekomen door de vaccinaties. Ik weet niet hoe het mogelijk is dat u niet heeft gehoord over het ʻvreemdeʼ verschijnsel dat in alle regionale kranten wordt vermeld: het ongewone aantal tieners dat een hartaanval krijgt tijdens het sporten op de middelbare school.

Maar zelfs als ik me verwijder van de buitengewone officiële gegevens, en gewoon om me heen kijk, waar het enthousiasme voor het ʻvaccinʼ niet aan de orde van de dag is, heb ik het volgende geconstateerd: een 42-jarige man, vader van drie kinderen, die na de vaccinatie aan een hartstilstand is overleden; een 25-jarige militair, een atleet die niet rookte of dronk, die na de vaccinatie een beroerte kreeg en wiens carrière voorbij is; een vrouw van in de zestig, die sinds de vaccinatie een zeer zware en aanhoudende astma ontwikkelde; een vriend die na de vaccinatie aan een zeer pijnlijke virale diarree leed. Maar het meest systematische en wijdverspreide neveneffect, dat aanleiding heeft gegeven tot talloze getuigenissen op de sociale netwerken, is de ernstige verstoring van de menstruatiecyclus bij jonge vrouwen en tieners. Ik sprak met een 25-jarige vrouw (niet gevaccineerd), die bevestigde dat al haar vriendinnen die wél waren gevaccineerd ernstige menstruatieproblemen hadden. En ik sprak ook met een tienermeisje (niet gevaccineerd), dat me vertelde dat al haar gevaccineerde vriendinnen grote problemen hadden met hun ʻragnagnas,ʼ zoals zij het in haar bloemrijke taal noemt. In landen waar men begonnen is kinderen te vaccineren, zoals de Verenigde Staten, zijn er meldingen van vaginale bloedingen bij jonge meisjes, of zelfs bij vrouwelijke zuigelingen (en omgekeerd zijn er veel meldingen van vrouwen die al jaren in de menopauze waren … en weer zijn gaan menstrueren). Je hoeft Madame Irma niet te zijn om te weten wat de gevolgen, in termen van vruchtbaarheid, zullen zijn voor een hele generatie. Ik weet zeker dat u zonen en/of dochters hebt, misschien zelfs kleinkinderen. Ik hoop dat uw vaccinatie-enthousiasme op tijd zal stoppen om uw nageslacht te redden. En aangezien u zoʼn blind vertrouwen hebt in de ʻvaccins,ʼ en dus zeer waarschijnlijk gevaccineerd bent, waarom doet u dan de volgende tests niet eens? Een d-dimeertest (die meet hoeveel microbloedpropjes u in uw bloed heeft); een serologische test (om te kijken hoe het met uw immuunsysteem gesteld is); en een elektromagnetisme-test (ja, ja, dit is geen ʻcomplot-theseʼ: vele wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat gevaccineerden ʻmagnetischʼ zijn geworden). Ik herhaal: als u zo overtuigd bent van deze ʻvaccins,ʼ waarom doet u deze drie tests dan niet? Maar ik wil graag eerlijk tegen u te zijn: het is bijna onmogelijk dat u niet voor een zeer onaangename verrassing zal komen te staan als u ze alle drie doet…

Dus, voor diegenen onder u die er niet voor terugdeinzen om te leuren met de enormiteiten van de media en van een misdadige, liegende, corrupte regering, wil ik u waarschuwen dat ik het hart op de tong heb. Dr. Michael Yeadon, niemand minder dan de voormalige adjunct-directeur van Pfizer, en een topwetenschapper (in de biologie), heeft het sinds anderhalf jaar al over de ʻDerde Wereldoorlogʼ; ik heb acht maanden geleden in een interview met de Times of Israel de uitdrukking ʻEerste Mondiale Burgeroorlogʼ bedacht, die sindsdien door honderdduizenden mensen is opgepikt; en sinds een paar maanden gebruik ik de uitdrukking ʻonconventionele genocide,ʼ net zoals wij het over ʻonconventionele oorlogsvoeringʼ hebben. Dat wil zeggen: er is geen behoefte meer aan machinegeweren, gaskamers of machetes; het enige wat nodig is, is het opleggen van lockdowns, mondkapjes en ʻvaccins.ʼ Lockdowns hebben het leven van miljarden mensen over de hele wereld al verwoest (waaronder dat van iemand die mij zeer na staat en die zelfmoord pleegde vanwege de eerste lockdown), ook al hebben ze geen aanwijsbare voordelen opgeleverd voor de gezondheid; mondkapjes, die ondoeltreffend en giftig zijn wanneer zij te lang worden gedragen, hebben reeds een hele generatie kinderen en adolescenten getraumatiseerd; tenslotte hebben de vaccins wereldwijd reeds onnoemelijk veel méér slachtoffers geëist dan het ellendige, en in werkelijkheid bijna onschadelijke, virus dat zij geacht worden te bestrijden.

Genocide, ja, en misschien ook wel de grootste aller tijden, in zoverre dat – als zou blijken dat het ʻvaccinʼ de functie heeft het menselijk genoom te veranderen – het niet alleen de grootste zou zijn in kwantiteit, maar ook in kwaliteit: het zou de meest letterlijke genocide zijn die ooit heeft plaatsgevonden. Overdrijf ik? Waarom zeggen vele overlevenden van de Holocaust (Velma Sharav, Rabbi Hillel Handler, Hagar Schafrir, Sorin Shapira, Mascha Orel, Morry Krispijn, Shimon Yanowitz, Hila Moscovich, Tamir Turgal, Amira Segal, Jacqueline Ingehoes, Andrea Dresher, Edgar Siemund, enz.) dan hetzelfde als ik, net als miljoenen Fransen en honderden miljoenen andere mensen over de hele wereld?

Uw brief eindigt, ongetwijfeld om uw mooie ziel te strelen, met de gebruikelijke complimenten aan de gezondheidswerkers. Waarom heeft u geen enkel woord over voor de 350.000 van hen die sinds 15 september hun baan zijn kwijtgeraakt, zonder uitkering of compensatie, die kortom letterlijk op straat zijn gezet, onder het voorwendsel dat ze geweigerd hebben zich te laten vaccineren? Hoe kun u, zonder u te schamen, uzelf feliciteren met wat de Franse publieke gezondheidszorg doet, terwijl die, heel bewust, stukje bij beetje wordt ontmanteld en vernietigd (wat in werkelijkheid al tientallen jaren geleden is begonnen)?

Laat mij dus duidelijk maken wat u bent: ʻschadelijk en onverantwoordelijkʼ zijn zeker niet de klokkenluiders zoals ik, die met de grote Duitse advocaat Reiner Fuellmich ʻde grootste misdaad tegen de mensheid ooit begaanʼ aan de kaak stellen, maar onnadenkende en ongeïnformeerde mensen zoals u. Nederigheid tonen, toegeven dat u ongelijk had (omdat u ongelijk had), u verontschuldigen, uw ogen openen: dit zijn slechts enkele van de dingen die u zou kunnen doen om te voorkomen dat u de geschiedenis ingaat als een nazaat van de Franse politici die tijdens de Duitse bezetting van 1939-ʼ45 de Vichy-regering vormden: wat nu gebeurt is in alle opzichten homothetisch met wat toen gebeurde, behalve dat het nu op veel grotere schaal gebeurt (dat zeggen alle overlevenden van de Shoah die ik hierboven noemde). Van ons tweeën ben ik degene die de volle verantwoordelijkheid neemt, en mijn reputatie en misschien wel mijn leven op het spel zet om zoveel mogelijk mensen wakker te schudden voor de realiteit van wat er op wereldschaal gebeurt, waarvan deze brief slechts een klein stukje van de ijsberg belicht. U moet weten dat ik zó ontzet ben door de situatie die wij de laatste twee jaar in de wereld hebben meegemaakt, dat ik letterlijk twaalf uur per dag besteed aan het mijzelf informeren en het documenteren van de toestand. Dus als u wakker wilt worden uit uw ʻdogmatische slaap,ʼ zoals Kant placht te zeggen, sta ik geheel tot uw beschikking: ik woon slechts honderd meter van het stadhuis.

P.S.: Ik ben momenteel blut, maar over tien dagen zal ik honderden exemplaren van deze brief laten drukken en in het dorp verspreiden. Sommige van mijn videoʼs hebben elk meer dan vijfhonderdduizend views gehad op de sociale netwerken, dus word wakker voordat ik u te veel aandacht geef, want uw brief heeft onbewust een ster van u gemaakt op die netwerken, waarschijnlijk in uw volledige onwetendheid. Ik schrik er niet voor terug u helemaal wakker te schudden en van Turenne het dorp van Asterix te maken, dat zich verzet tegen het Romeinse Keizerrijk… u zult zien dat die vergelijking allesbehalve overdreven is…

——————————————————————————————–

Hier is de brief van de burgemeester:

Na de hoop in het voorjaar op een geleidelijke maar snelle terugkeer naar een leven zonder Covid-19 lijkt deze ziekte het nog niet te hebben opgegeven.

Helaas is de vierde golf gearriveerd en trekt deze in een zeer hoog tempo door het land, waardoor een schaduw wordt geworpen over de zomerperiode waarin velen van ons dachten ruim een jaar van moeilijkheden te kunnen vergeten en gewoon weer normaal te kunnen leven of wonen.

We zullen nog wat langer moeten wachten. En misschien nog wel veel langer, zolang de anti-vaxxers en degenen die ʻtegen allesʼ zijn hun schadelijke en onverantwoordelijke boodschappen kunnen blijven verspreiden.

Het vaccin en het vermogen om een collectieve immuniteit tot stand te brengen via een vaccinatiegraad in de orde van grootte van 80 à 90 procent van de volwassen bevolking is de enige manier om een einde te maken aan deze pandemie. Al het andere is onzin.

Hoe hadden kinderziekten als pokken, difterie, tuberculose, mazelen of – dichter bij huis – polio, dat nog niet zo lang geleden onder onze bevolking huishield – kunnen worden uitgeroeid als er niet was gevaccineerd?

Hoe kunnen we serieus blijven praten over een experimenteel vaccin, terwijl het al bij de helft van de wereldbevolking is toegediend, met weinig of geen bijwerkingen?

De vergelijking is gewaagd, dat geef ik graag toe, maar hoe kunnen we niet denken aan het recordpercentage stemonthoudingen bij de recente departementale en regionale verkiezingen, ook al is deze tendens al geruime tijd dalende?

Gebrek aan kennis over de bevoegdheden van deze instellingen, onwetendheid over de kwesties die bij deze verkiezingen op het spel staan of verlies van vertrouwen in de verkozenen, enz.

Dit alles is een armzalig alibi, want hoe valt uit te leggen dat burgers die op zondag nog van niets zeggen te weten, heel goed weten tot wie zij zich op maandagmorgen moeten wenden om hun rechten te doen gelden?

Nee, het antwoord ligt elders: het is eerder de materialisatie van een langzame maar diepgaande transformatie van onze maatschappij in de richting van een allesverzengend individualisme, ten koste van een burgerzin die inmiddels achterhaald is.

Wie bekommert zich nog om de ander in een tijd van anonimiteit, die het mogelijk maakt ongestraft allerlei onzinnigheden uit te storten op de sociale netwerken, in een tijd van de heerschappij van de selfie die het triomferende zelf heeft verheerlijkt?

Dat instellingen moeten evolueren om beter rekening te kunnen houden met technologische ontwikkelingen en zich moeten aanpassen aan de veranderingen in het menselijk gedrag is duidelijk. Maar zij kunnen niet doeltreffend zijn zonder een nieuwe betrokkenheid van de burger.

Toch is het ergste is nooit zeker, is het niet? Eind september is ruim 80 procent van de Franse bevolking gevaccineerd, al het personeel in de gezondheidszorg is nog steeds aan het werk en blijft bewonderenswaardig werk leveren, en in het dagelijks leven geeft het altruïstische gedrag van veel van onze medeburgers reden tot optimisme.

Yves Gary, burgemeester van Turenne

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Filosofie Klimaat

De pandemie is een waarschuwing: we moeten zorgdragen voor de aarde, ons enige thuis

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 24 december 2021

fotografie: Manuel Braun

door Bruno Latour

Bruno Latour is filosoof en antropoloog, en de auteur van After Lockdown: A Metamorphosis (in het Nederlands verschenen als Waar ben ik? Lockdownlessen voor aardbewoners bij Octavo Publicaties. Hij won in 2013 de Holberg-prijs.

De klimaatcrisis lijkt op een enorme planetaire lockdown, die de mensheid gevangen houdt in een steeds verder achteruitgaand milieu.

Er komt een moment dat een nooit eindigende crisis een manier van leven wordt. Dit lijkt het geval te zijn met de pandemie. Als dat zo is, is het verstandig te onderzoeken in welke permanente toestand die ons heeft achtergelaten. Een voor de hand liggende les is dat samenlevingen opnieuw moeten leren leven met ziekteverwekkers, net zoals zij dat hebben geleerd toen microben voor het eerst zichtbaar werden door de ontdekkingen van Louis Pasteur en Robert Koch.

Deze ontdekkingen hadden slechts betrekking op één aspect van het microbiële leven. Als je ook de verschillende wetenschappen van het aardsysteem in ogenschouw neemt, komt een ander aspect van virussen en bacteriën naar voren. In de loop van de lange geochemische geschiedenis van de aarde zijn microben, samen met schimmels en planten, essentieel geweest – en zijn dat nog steeds – voor de samenstelling van het milieu waarin wij mensen leven. De pandemie heeft ons laten zien dat wij nooit zullen ontsnappen aan de indringende aanwezigheid van deze levende wezens, verstrengeld als wij met hen zijn. Zij reageren op onze handelingen; als zij muteren, moeten wij ook muteren.

Daarom zijn de vele nationale lockdowns, opgelegd aan burgers om hen te helpen het virus te overleven, een krachtige analogie voor de situatie waarin de mensheid zich voorgoed opgesloten bevindt. Die lockdowns waren en zijn pijnlijk genoeg, en toch zijn er vele manieren gevonden, gedeeltelijk dankzij vaccinatie, om mensen in staat te stellen weer een schijn van normaal leven te verkrijgen. Maar zoʼn hervatting is niet mogelijk als je bedenkt dat alle levende vormen voorgoed zijn opgesloten binnen de grenzen van de aarde. En met ʻaardeʼ bedoel ik niet de planeet zoals die vanuit de ruimte te zien is, maar haar zeer oppervlakkige omhulsel, de ondiepe laag aarde waarin wij leven, die door de eeuwenlange arbeid van de evolutie is omgevormd tot een bewoonbaar milieu.

Deze dunne matrix is wat geochemici de ʻkritische zoneʼ noemen, de enige laag van de aarde waar aards leven kan gedijen. Het is deze eindige ruimte waarin alles waar we om geven en alles wat we ooit zijn tegengekomen, bestaat. Er is geen manier om aan ons aardgebonden bestaan te ontsnappen; zoals jonge klimaatactivisten roepen: ʻEr is geen planeet B.ʼ Dit is het verband tussen de Covid-lockdowns die we de afgelopen twee jaar hebben meegemaakt, en de veel grotere maar definitieve staat van lockdown waarin we ons bevinden: we zitten gevangen in een omgeving die we al onomkeerbaar hebben veranderd.

Als we ons bewust zijn geworden van de manier waarop virussen invloed uitoefenen op onze sociale relaties, moeten we er nu rekening mee houden dat deze ook voor altijd gevormd zullen worden door de klimaatcrisis en de snelle reacties van ecosystemen op ons handelen. Het gevoel dat we in een nieuwe ruimte leven, doet zich zowel op lokaal als op mondiaal niveau telkens weer voor. Waarom zouden alle naties in Glasgow bijeenkomen om de wereldwijde temperatuurstijging onder een afgesproken limiet te houden, als ze niet het gevoel hadden dat er een enorm deksel over hun grondgebied was gelegd? Als je naar de blauwe hemel kijkt, ben je je er dan niet van bewust dat je je nu onder een soort koepel bevindt waarin je bent opgesloten?

Weg is de oneindige ruimte; nu ben je evenzeer verantwoordelijk voor de veiligheid van deze koepel als voor je eigen gezondheid en rijkdom. Het weegt op je, zowel op je lichaam als op je ziel. Om onder deze nieuwe omstandigheden te overleven moeten we een soort metamorfose ondergaan.

Dit is waar de politiek haar intrede doet. Voor de meeste mensen die gewend zijn aan de geïndustrialiseerde manier van leven, met zijn droom van oneindige ruimte, en zijn aandringen op emancipatie en niet aflatende groei en ontwikkeling, is het heel moeilijk om plotseling te beseffen dat zij in plaats daarvan omgeven zijn door en opgesloten zitten in een gesloten ruimte, waarin hun zorgen gedeeld moeten worden met nieuwe entiteiten: andere mensen natuurlijk, maar ook virussen, bodems, steenkool, olie, water, en, het ergste van alles, dit vervloekte, voortdurend veranderende klimaat.

Deze desoriënterende verandering is ongekend, zelfs kosmologisch, en is nu al een bron van diepe politieke verdeeldheid. Hoewel de zin ʻjij en ik leven niet op dezelfde planeetʼ vroeger een schertsende expressie van onenigheid was, is hij bewaarheid als het om onze huidige realiteit gaat. We leven wel degelijk op verschillende planeten, waar rijke mensen privébrandweermannen in dienst hebben en klimaatbunkers zoeken, terwijl hun armere tegenhangers gedwongen zijn te migreren, te lijden en te sterven te midden van de ergste gevolgen van de crisis.

Daarom is het belangrijk om het politieke dilemma van onze huidige tijd niet verkeerd te interpreteren. Het is van dezelfde omvang als toen, vanaf de zeventiende eeuw, westerlingen moesten overschakelen van de gesloten kosmos van het verleden naar de oneindige ruimte van de moderne tijd. Toen de kosmos zich leek te openen, moesten politieke instellingen worden uitgevonden om de nieuwe en utopische mogelijkheden die de Verlichting bood, te kunnen benutten. Nu wacht, in omgekeerde richting, de huidige generaties dezelfde taak: welke nieuwe politieke instellingen kunnen zij bedenken om te kunnen omgaan met mensen die zó verdeeld zijn dat zij tot verschillende planeten behoren?

Het zou een vergissing zijn te denken dat de pandemie een crisis is waaraan een einde komt, in plaats van een perfecte waarschuwing voor wat komen gaat – wat ik het nieuwe klimatologische regime noem. Het ziet ernaar uit dat alle middelen van de natuurwetenschappen, de menswetenschappen en de kunsten opnieuw gemobiliseerd zullen moeten worden om de aandacht te verleggen naar onze gedeelde aardse conditie.

Vertaling: Menno Grootveld