Christopher Caldwell schrijft opiniestukken voor The New York Times en is redacteur van The Claremont Review of Books. Hij is de auteur van ʻReflections on the Revolution in Europe: Immigration, Islam and the Westʼ and ʻThe Age of Entitlement: America Since the Sixties.ʼ
Op
campagne voor de regionale kandidaten van zijn partij in Toscane
zwaaide de voormalige minister van Binnenlandse Zaken van Italië,
Matteo Salvini, met een medisch mondkapje – dat hij met opzet niet
droeg. Sinds de ziekte Italië in januari trof, heeft COVID-19 in dat
land ruim 35.000 levens geëist Maar nu beperkt het dagelijkse
dodental zich doorgaans tot de enkele cijfers, en Salvini, leider van
de anti-immigratie partij de Liga, wil het land weer aan het werk
zetten. ʻDe
Italianen worden gegijzeld, van elkaar vandaan gehouden en
gemuilkorfd,ʼ schreeuwde
hij, ʻen ondertussen
mogen duizenden minkukels hun boten aanleggen en doen wat ze willen,
gaan waar ze willen, ons spugen en besmetten. Genoeg is genoeg!ʼ
De
mensen juichten. Maar de helft van hen hield wel hun mondkapje op.
Dit
is een veel voorkomend patroon in de westerse landen (en Amerikaanse
staten) waar de aantallen dodelijke slachtoffers van COVID-19
slinken. De argumenten voor meer vrijheid mogen dan sterk zijn, er
wordt op vreselijk grove wijze uitdrukking aan gegeven. De argumenten
voor discipline en preventie mogen dan vaak worden aangevochten, ze
worden geschraagd door veel wetenschappelijk gezag, en ze zijn
doorslaggevend. Het wordt beter geacht om geen onnodige risicoʼs
te nemen. Eind juli stemde het Italiaanse parlement voor
verlenging van de noodtoestand tot 15 oktober.
In
een maatschappij waar de wetenschap respect afdwingt, geeft
deskundigheid macht. Dat leidt tot goede resultaten, maar brengt ook
een vreselijk probleem met zich mee: onrechtmatige politieke macht
kan vermomd worden als expertise. Dit was een favoriet concept
van de Franse filosoof Michel Foucault, die het gebruikte om uit te
leggen hoe deskundigen de definities van criminaliteit en afwijkend
seksueel gedrag hadden opgerekt. Een van de meest gevierde denkers
van Italië, Giorgio Agamben, heeft onlangs soortgelijke inzichten
toegepast op het coronavirus, op het gevaar af zichzelf tot nationale
paria te maken.
Eind februari ging Agamben de website van zijn uitgever Quodlibet gebruiken om kritiek te leveren op het ʻtechno-medisch despotismeʼ dat de Italiaanse regering via quarantaines en lockdowns op poten aan het zetten was. Agamben, 78 jaar oud, is een filosoof die zich bezighoudt met taal, kunst en betekenis. Sinds 1995 concentreert hij zich op wat hij de ʻarcheologieʼ van de westerse politieke instellingen noemt, en heeft hij een monumentaal negendelig werk, ʻHomo Sacer,ʼ gewijd aan het blootleggen van de verborgen logica ervan. Een deel van zijn eerdere werk werd vertaald door Michael Hardt, hoogleraar aan Duke University en mede-auteur van de radicale campusklassieker ʻEmpire.ʼ
Het deel van het Italiaanse intellectuele establishment dat zichzelf ʻradicaalʼ noemt vormt al een halve eeuw het milieu van Agamben, maar zijn standpunt over het coronavirus heeft hem in die kringen veel sympathie gekost. Paolo Flores dʼArcais, de invloedrijke hoofdredacteur van het tweemaandelijkse MicroMega, heeft Agamben ervan beticht maar wat te ʻtieren.ʼ De kranten La Repubblica, Corriere della Sera en Il Foglio hebben hem met betrekking tot het coronavirus allemaal een negazionista genoemd, een woord dat over het algemeen is voorbehouden aan degenen die de Holocaust ontkennen. Net zo onverwacht als deze kritiek was de plotselinge ontvankelijkheid voor de ontoegankelijke filosofie van Agamben op de paginaʼs van La Verità en Il Giornale, kranten die vaker open staan voor de ideeën van de Liga van Salvini.
Vorige maand publiceerde Quodlibet de verzamelde bijdragen van de heer Agamben in een bundel, getiteld: ʻWaar zijn we nu? De epidemie als politiek.ʼ (Dit is een ruwe vertaling; het boek bestaat nog niet in het Nederlands.) Achteraf gezien blijkt Agamben in de eerste dagen van het coronavirus een paar dingen over het hoofd te hebben gezien. Zo nam hij de beschrijving van de Nationale Onderzoeksraad van COVID-19 als een soort griep over – wat in de meeste gevallen wel klopt, maar lang niet het hele verhaal is. Vandaag de dag echter, nu de Italiaanse crisis is bezworen en de publieke discussie weer enigszins tot rust gekomen is, kunnen we zijn boek nemen zoals het is: niet als een werk vol wetenschappelijke hersenspinsels of krankzinnige beleidsvoorstellen, maar als een zeer gedegen onderzoek naar het verband tussen macht en kennis.
De
naam Agamben kan sommige Amerikanen bekend in de oren klinken. Hij
was de hoogleraar die in 2004, op het hoogtepunt van de ʻwar
on terror,ʼ zó
gealarmeerd was door de nieuwe Amerikaanse eisen voor het afnemen van
de vingerafdrukken van buitenlandse bezoekers, dat hij een betrekking
aan de universiteit van New York opgaf om zich daar niet aan te
hoeven onderwerpen. Hij waarschuwde dat een dergelijke gegevensgaring
slechts voorgespiegeld werd als noodmaatregel en onvermijdelijk een
normaal onderdeel van het leven in vredestijd zou worden.
Zijn
betoog over het coronavirus verloopt langs dezelfde lijnen: de
noodtoestand die door volksgezondheidsdeskundigen is uitgeroepen,
heeft de plaats ingenomen van het in diskrediet geraakte verhaal dat
ʻnationale
veiligheidsdeskundigenʼ
hebben opgedist, als voorwendsel voor het aan de burgers ontnemen van
hun rechten en hun privacy. ʻBioveiligheidʼ
biedt overheden een excuus om te regeren alsof er sprake is van een
ʻworst-case scenario.ʼ
Dit betekent dat het aantal besmettingen of sterfgevallen geen
ondergrens kent, die een lockdown van een hele natie van 60 miljoen
mensen onredelijk zou maken. Veel Europese regeringen, waaronder die
van Italië, hebben nationale apps ontwikkeld voor het traceren van
contacten, waarmee ze hun burgers via hun eigen mobiele telefoons
kunnen volgen.
Oorlogen
hebben in vredestijd een ʻreeks
noodlottige technologieënʼ
achtergelaten, aldus Agamben, van prikkeldraad tot kerncentrales.
Zulke innovaties zijn meestal de innovaties waar de elites al lang
voor aan het ageren waren, of die in overeenstemming zijn met hun
belangen. Dat is volgens Agamben met epidemieën niet anders. Hij
denkt dat social distancing de noodlottige erfenis van het
coronavirus zal zijn. Hij is verbaasd over die term, ʻdie
op hetzelfde moment overal in de hele wereld opdook, alsof het van
tevoren zo was afgesproken.ʼ
Hij merkt op dat er geen sprake is van ʻphysicalʼ
(lichamelijk) of ʻpersonalʼ
distancing, wat normaal zou zijn als je het hebt over een medische
maatregel, maar van ʻsocialʼ
distancing.
Zijn
punt is dat social distancing net zozeer een politieke maatregel is
als een volksgezondheidsmaatregel, en dat hij zo gemakkelijk
geïmplementeerd kon worden omdat er door machtige krachten op is
aangedrongen. Sommige van die krachten zijn gevestigde belangen.
Agamben merkt op (zonder hem te noemen) dat de voormalige
Vodafone-topman Vittorio Colao, een evangelist voor de digitale
economie, de leiding kreeg van de aanvankelijke transitie van Italië
uit de lockdown. Agamben is van mening dat social distancing de
Italiaanse politici een manier heeft geboden om spontane politieke
organisatie te dwarsbomen en de robuuste intellectuele tegenspraak
die van de universiteiten uitgaat, in de kiem te smoren.
De politiek van de pandemie legt een diepere ethische, sociale en zelfs metafysische erosie bloot. Agamben verwijst naar de meest geliefde 19de-eeuwse roman van de Italianen, Alessandro Manzoniʼs I Promessi Sposi (ʻDe Verloofdenʼ), die beschrijft hoe de menselijke relaties in Milaan tijdens de pest van 1630 ontaardden. Mensen zagen hun buren niet langer als medemensen, maar als verspreiders van de pest. Toen er paniek uitbrak, executeerden de autoriteiten degenen die verdacht werden van het besmetten van huizen met pestbacillen.
Als
een samenleving op deze manier haar collectieve kalmte verliest,
kunnen de kosten hoog oplopen. Onze samenleving – rijk,
geatomiseerd, divers – heeft een zwakke plek, en het coronavirus
heeft die gevonden. ʻUit
angst om ziek te worden,ʼ
schrijft Agamben, ʻzijn
de Italianen bereid om bijna alles op te offeren – hun normale
levensomstandigheden, hun sociale relaties, hun werk, tot en met hun
vriendschappen, hun liefdes, en hun religieuze en politieke
overtuigingen aan toe.ʼ
In
feite is ʻde drempel die
de mensheid scheidt van de barbarij overschreden,ʼ
vervolgt Agamben, en het bewijs is gelegen in de behandeling die de
Italianen hun doden gunnen. ʻHoe
hebben we kunnen accepteren, uit naam van een risico dat we niet eens
konden kwantificeren, dat niet alleen de mensen die ons dierbaar
zijn, en de mensen in het algemeen, eenzaam moesten sterven, maar ook
– en dit is iets wat nog nooit eerder is gebeurd, in de hele
geschiedenis vanaf Antigone tot op de dag van vandaag – dat hun
lijken werden verbrand zonder enige uitvaartceremonie?ʼ
Agamben is altijd gefascineerd geweest door dergelijke voorbeelden van gemeenschappelijke gewoonten of historische instellingen, waarvan de lang gekoesterde betekenis is uitgehold. In boeken die minder pittig en direct zijn dan het onderhavige, heeft hij dit proces beschreven met het woord inoperosità. Dat betekent ʻluiheid,ʼ maar dan wel het soort luiheid dat nieuwe geloofssystemen en nieuwe gevaren kan genereren. Wat het ook is, het heeft zich de afgelopen maanden niet alleen in Italië, maar in alle westerse samenlevingen gemanifesteerd, en misschien wel het meest in de Verenigde Staten.
Panagiotis Sotirisis actief als universitair docent sociale en politieke filosofie aan verschillende universiteiten in Griekenland, en doet onderzoek naar marxistische filosofie, en maatschappelijke en politieke bewegingen
De
coronavirus-pandemie
noodzaakt ons de
politiek van de volksgezondheid in de breedste zin opnieuw te
doordenken. We worden door de huidige situatie opnieuw geconfronteerd
met de gespannen relatie tussen de staat, de dominante
maatschappelijke verhoudingen en de volksgezondheid. Begrippen die
misschien obscuur leken of in bepaalde academische kringen uit de
mode waren geraakt,
zoals biopolitiek of ʻhet
naakte leven,ʼ
verliezen hun papieren gedaante en worden plotseling
op een onvermijdelijke manier wezenlijke begrippen voor onze
dagelijkse ervaringen. Hetzelfde kan worden
gezegd over de
‘uitzonderingstoestand,’ een begrip waarvan de recente
populariteit te herleiden
is naar de aanvang van de War
on Terror, maar dat
nu verwijst naar de extreme en autoritaire maatregelen die ingezet
worden om de pandemie het
hoofd te bieden.
Anderzijds stellen deze begrippen ons ook voor een onopgeloste vraag,
namelijk hoe we, vanuit het perspectief van ondergeschikt gemaakte en
gemarginaliseerde maatschappelijke klassen, na kunnen
denken over de politiek
van de
volksgezondheid. In het licht van deze uitdaging ben ik van mening
dat deze concepten er gelijktijdig om vragen om geproblematiseerd en
opnieuw uitgewerkt te worden.
Naar
mijn mening biedt een
recente interventie van de filosoof Giorgio Agamben een goed
voorbeeld van een dusdanig zwaar falen in antwoord op deze uitdaging,
dat velen daardoor misschien geneigd zouden kunnen
zijn de problematiek en
het concept van biopolitiek in zijn geheel te verwerpen – specifiek
omdat de genoemde begrippen zo nauw met het werk van Agamben
verknoopt zijn. In een artikel dat hij
schreef tijdens de eerste
fase van de COVID-19-epidemie
in Italië karakteriseerde
Agamben de maatregelen die in reactie op de COVID-19-pandemie
genomen werden als een oefening in de biopolitiek van de
‘uitzonderingstoestand.’ Deze tekst heeft een belangrijk
debat op gang gebracht over hoe er nagedacht moet worden over
biopolitiek in relatie tot gebeurtenissen als pandemieën en de
daarmee verbonden maatregelen. In de tekst suggereerde Agamben dat er
met de getroffen maatregelen een ‘authentieke
uitzonderingstoestand’ opgelegd werd en dat ‘de
uitvinding van een
epidemie het ideale excuus
bood’ voor nog
ingrijpender inperkingen van fundamentele vrijheden. Het artikel
lokte een reeks reacties
uit. Jean-Luc Nancy stelde gedecideerd dat het gevaar van de epidemie
wel degelijk reëel was
en dat de notie van de uitzondering zelf regel aan het worden is, als
gevolg van de ‘onderlinge technische verbondenheid’ die in het
actuele maatschappelijke leven veelsoortig aanwezig is. In zijn
reactie op zowel Agamben als
Nancy verdedigde Roberto Esposito de relevantie van biopolitiek als
een manier om over
belangrijke hedendaagse
ontwikkelingen te kunnen nadenken,
maar opperde
hij bovendien dat de situatie in Italië ‘eerder het karakter heeft
van een ineenstorting
van het openbaar
gezag dan van een
dramatische vorm van totalitaire controle’. Anderen benadrukten de
realiteit van het gevaar dat de pandemie vertegenwoordigt,
de noodzaak om de waarschuwingen van de
experts niet al
te makkelijk af te
wimpelen en de behoefte om de notie opnieuw
te doordenken van de
verantwoordelijkheid die we voor anderen dragen.i
Ik denk dat dit debat een manier biedt om de notie van biopolitiek
als zodanig opnieuw te overwegen,
en daarom wil ik hier graag een aantal voorlopige gedachten
uiteenzetten over de mogelijkheid van
een alternatieve conceptie van biopolitiek.
De
notie van biopolitiek zoals geformuleerd door Michel Foucault vormde
een uiterst belangrijke bijdrage aan ons inzicht
in de veranderingen die
samenhangen met de overgang naar de kapitalistische moderniteit,
vooral als het gaat om
de manieren waarop macht en dwang uitgeoefend worden. Van macht als
het
beslissingsrecht
over
leven en dood waarover de soeverein beschikt, zijn
we overgegaan
naar macht als een poging om de gezondheid (en productiviteit) van
bevolkingen te garanderen.ii
Dit heeft geleid
tot een ongekende
uitbreiding van alle mogelijke vormen van staatsinterventie en dwang.
Van gedwongen vaccinaties tot rookverboden in openbare ruimtes is de
notie van biopolitiek in veel gevallen gebruikt als de sleutel tot
het doorgronden van de politieke en ideologische aspecten
van beleid ten aanzien van gezondheid.
Tegelijkertijd
heeft het ons in de gelegenheid gesteld om diverse verschijnselen te
onderzoeken die in het publieke domein veelal
onderdrukt worden, van racistische denkrichtingen die proberen om
zichzelf van een ‘wetenschappelijk’ fundament te voorzien tot
gevaarlijke benaderingen
als de
eugenetica. En inderdaad heeft Agamben het begrip op een
constructieve manier uitgewerkt, in zijn poging om moderne vormen te
onderzoeken van een ‘uitzonderingstoestand’ (state of exception),
namelijk ruimtes waar extreme vormen van dwang in praktijk worden
gebracht, met
concentratiekampen als het primaire voorbeeld.iii
Het
is dus vanzelfsprekend dat de vragen die opkomen rond de omgang met
de COVID-19-pandemie raken aan de onderwerpen die met biopolitiek
verbonden zijn. Veel commentatoren hebben geopperd dat China
effectief heeft kunnen optreden om de pandemie in te dammen of af te
remmen omdat het land een autoritaire versie van biopolitiek kon
implementeren, met inbegrip van langdurige quarantaines en het
verbieden van sociale activiteiten, en dat dit effectieve ingrijpen
mogelijk werd gemaakt door het uitgebreide arsenaal aan dwangmiddelen
en surveillancetechnieken waarover de Chinese staat beschikt.
Sommige
commentatoren stelden zelfs dat de liberale democratieën, omdat ze
dit vermogen om dwang uit te oefenenen ontberen of omdat ze meer zien
in vrijwillige individuele gedragsverandering, niet dezelfde
maatregelen kunnen treffen, wat hun mogelijkheden tot adequaat
optreden tegen de pandemie zou kunnen beperken.
Maar
ik denk dat het een simplificatie is om de situatie voor te stellen
als een dilemma tussen autoritaire biopolitiek en een liberaal
vertrouwen op personen die rationele individuele keuzes kunnen maken.
Het
simpelweg afdoen van volksgezondheidsmaatregelen
als quarantaines of ‘social distancing’ als
biopolitiek impliceert
bovendien dat je het potentiële nut van dergelijke maatregelen over
het hoofd ziet. Bij ontstentenis
van een vaccin of een effectieve anti-virale behandeling kunnen deze
maatregelen, die stammen uit het repertoire van 19e-eeuwse
handleidingen voor de volksgezondheid,
bijdragen aan het verminderen van de last, in het bijzonder voor
kwetsbare groepen.
Dit
is met name urgent als we erkennen dat zelfs in doorontwikkelde
kapitalistische economieën de infrastructuur van de volksgezondheid
aanmerkelijk is verslechterd en dat deze in werkelijkheid niet in
staat is om de piek van de pandemie te weerstaan, tenzij er concrete
maatregelen worden genomen om het uitbreidingstempo ervan in te
dammen.
Contra
Agamben zou je kunnen
zeggen dat
diens concept van het
‘naakte leven’ al met al beter geschikt is ter omschrijving van
een gepensioneerde die, vanwege overbelasting van de capaciteit van
de gezondheidszorg, op
een wachtlijst staat voor een beademingsmachine of een bed met
intensive care-voorzieningen, dan voor de poging om
ons leven praktisch aan
te passen aan de vereisten van social distancing of
quarantainemaatregelen. In het licht van
het bovenstaande zou ik
derhalve
een andersoortige terugkeer naar het
werk van Foucault willen
voorstellen. Ik denk dat we soms geneigd zijn te vergeten dat
Foucault een zeer
relationele
conceptie
van machtspraktijken hanteerde.iv
In deze zin is
het legitiem om ons af te vragen of er een democratische of zelfs een
communistische vorm van biopolitiek mogelijk is.
Om
deze vraag anders te formuleren: is het mogelijk om gebruik te maken
van collectieve praktijken die de gezondheid van een bevolking ten
goede komen, en waar grootschalige aanpassingen van het gedrag deel
van uitmaken, zonder dat er een parallelle uitbreiding hoeft plaats
te vinden van vormen van dwang en surveillance?
Foucault
zelf wijst in zijn latere werk in een dergelijke richting,
georganiseerd rond noties als waarheid, parrhesia
en zorg voor het zelf.v
In deze uiterst originele dialoog met de klassieke filosofie, met
name de Griekse en Romeinse, roept
hij een beeld op van een alternatieve politiek van bios
waarin individuele en collectieve zorg gecombineerd wordt, op basis
van een bepaald soort verplichting en moed om de waarheid te spreken,
in vormen die niet op dwang gebaseerd zijn.
Binnen
zo’n perspectief kunnen beslissingen om in tijden van een epidemie
onze verplaatsingen te beperken en onderlinge afstand te bewaren, om
niet te roken in afgesloten openbare ruimtes of om individuele en
collectieve praktijken te vermijden die de leefomgeving schaden, het
resultaat zijn van democratisch besproken collectieve besluiten die
gebaseerd zijn op de beschikbare kennis en die deel uitmaken van een
collectieve inspanning om zorg voor anderen en onszelf aan de dag te
leggen. Dit betekent dat we ons begeven van simpele discipline naar
verantwoordelijkheid, ten aanzien van anderen en vervolgens van
onszelf, en dat we overgaan van het opschorten van socialiteit naar
de bewuste omvorming daarvan. Bij een dergelijke toestand bewegen we
ons van een permanente geïndividualiseerde vrees, die in potentie
elk besef van sociale cohesie uiteen doet vallen, naar het idee van
een collectieve inspanning, gecoördineerd handelen en solidariteit
in de context van een gezamenlijk gevecht, elementen die bij
noodsituaties op het gebied van de volksgezondheid van zeer groot
belang kunnen zijn voor het medisch ingrijpen.
Dit
biedt ons de mogelijkheid tot een democratische vorm van biopolitiek,
die ook gebaseerd kan zijn op de democratisering van kennis. De
toegenomen toegang tot kennis en de behoefte aan campagnes om die te
populariseren, maken collectieve besluitvormingsprocessen mogelijk
waar kennis en begrip het uitgangspunt vormen, en niet alleen de
autoriteit van deskundigen.
Biopolitiek
van onderaf
Het
gevecht tegen HIV, de bestrijding van het stigma, de poging om ervoor
te zorgen dat mensen begrijpen dat dit niet de ziekte van ‘groepen
met een hoog risicoprofiel’ is, de sociale eis van educatie over
veilige seks, het vrijmaken van middelen voor de ontwikkeling van
behandelingen en toegang tot openbare zorgstelsels – dit alles zou
niet mogelijk zijn geweest zonder de strijd die geleverd is door
bewegingen als ACT UP. Je zou kunnen zeggen dat dit inderdaad een
voorbeeld was van een biopolitiek van onderaf.
De
huidige situatie biedt sociale bewegingen veel
ruimte om een zinnige rol
te
spelen. Zij
kunnen om acute maatregelen vragen,
om ervoor
te zorgen dat
volksgezondheidsstelsels de extra belasting als gevolg van de
pandemie aankunnen.
Zij
kunnen wijzen op de behoefte aan solidariteit en collectieve
zelforganisatie tijdens een crisis als deze, in plaats van
geïndividualiseerde ʻoverlevingspaniek.ʼ
Zij
kunnen eisen dat de macht (en dwang)
van staten wordt ingezet
om middelen van de privésector over te hevelen naar plekken
waar een directe maatschappelijke behoefte bestaat. Zij
kunnen strijd voeren
voor betaald ziekteverlof en voor een einde aan maatregelen als
huisuitzettingen. Zij
kunnen hun collectieve inventiviteit inzetten voor de
grassroots-organisatie van hulp aan ouderen en andere groepen die
geen toegang hebben tot ondersteuning. Zij
kunnen bovendien op alle mogelijke manieren de notie uitdragen dat de
strijd
tegen de pandemie geleverd
wordt door werkende mensen – niet door het
kapitaal, maar door
artsen
en verplegers in slecht bezette publieke
zorginstellingen, door precaire werkers in
de cruciale aanbodketens,
en door
degenen die de basale infrastructuur draaiende houden zolang
de lock-down duurt.
En zij
kunnen concrete maatschappelijke veranderingen
eisen als een noodzakelijke vereiste om levens te redden.
(Deze tekst is een herziene en geannoteerde versie van een tekst die aanvankelijk hier gepubliceerd werd)
ii Zie
Michel Foucault, The
History of Sexuality. Vol. 1,
New York, Panteon Books, 1978, pp. 139-140. Zie ook Michel Foucault,
Society Must Be
Defended. Lectures at the Collège de France 1975-1976,
Picador, New York, 2003, pp. 243-250.
iii Giorgio
Agamben, Homo Sacer:
Sovereign Power and Bare Life,
Stanford,Stanford
University Press, 1998.
iv ‘Macht
is overal; niet omdat het alles in zijn greep heeft, maar omdat het
overal vandaan komt. En “Macht,” voorzover die permanent,
repetitief en inert is en zichzelf reproduceert, is simpelweg het
algehele effect dat opdoemt uit al deze bewegingen, de aaneenvoeging
die op elk daarvan berust en op haar beurt probeert om aan hun
beweging een halt toe te roepen. Dit moeten we ongetwijfeld op een
nominalistische manier benaderen: macht is geen
institutie en geen
structuur; evenmin is het een bepaalde kracht waarmee we uitgerust
zijn; het is de naam die in een specifieke maatschappij gegeven
wordt aan een complexe strategische situatie’ (Foucault, History
of Sexuality.Vol.
I, p. 93) –
vertaling TV.
v Michel
Foucault, The Care
of the Self. Volume 3 of the History of Sexuality,
Pantheon Books, New York 1986; Michel Foucault, Le
gouvernement de soi et des autres. Cours au Collège de France.
1982-1983, Paris,
Gallimard/Seuil, 2008; Michel Foucault, Le
courage de la vérité. Le gouvernement de soi et des autres II,
Paris EHESS/Gallimard/Seuil, 2009.
Jos Scheren werkt samen met Spinoza, over wie hij met Wijnand Duyvendak een boek heeft gepubliceerd bij Starfish Books. De samenwerking betreft vooral de vraag hoe in tijden zoals nu de (politieke) verbeelding intact kan blijven. Het (onder meer door Spinoza ingefluisterde) antwoord : autonomie, de aanval is de beste verdediging.
Voor
Eddy PG (1934-2020)
1 Wat mij raakt is veel, al was het maar omdat ik het op hetzelfde
moment ook aanraak. In het New York van 1855 zegt Walt Whitman
daarom: I am large, I contain multitudes. Dat ik veel ben kan
mij onrustig maken. Ik kan er bang van worden of hoopvol, maar als
het meezit, wordt er iets gemaakt wat er niet nog niet is.
2 Iets wat mij raakt en wat ik weer aanraak, daar heeft Spinoza een woord voor: affect. Even schoolmeesterachtig, maar toch ook vooral praktisch: affect is niet hetzelfde als emotie. Een affect beweegt zich tussen mij en iets anders. Het is niet míjn affect, daarvoor is het te beweeglijk en te eindeloos. Hoe meer ik zelf terugtreed, des te vrijer het affect. Het loopt door me heen.
Vrijheid is overigens bij Spinoza niet allereerst de vrijheid van
meningsuiting. Geloof dat suffe praatje niet. Het is wel wat meer dan
dat. Het is de vrijheid van het affect om zich te ontwikkelen tot aan
de limiet van wat het kan. En als dat niet genoeg zegt, dan helpt
mogelijk dit: het affect wacht maximaal opmerkzaam op een gelegenheid
om zijn potentieel aan verbindingen te verwerkelijken. Nog niet
genoeg? De levende gemeenschappelijkheid die er al is, nog
intensiever te begeren: dat is het affect.
3 Nog even wat voorwerk voordat we komen waar we willen zijn. Of misschien komen we wel ergens anders uit. Hoe dan ook, je overgeven aan je affecten is geloven in de wereld – haar onzekerheid omarmen, zoals Deleuze (Spinoza parle par ma bouche) graag zegt. Ik vertrouw op/in de wereld die ik – de ʻvelen-ikʼ – maak. Op productieve wijze past deze ʻvelen-ikʼ zich aan de wereld aan. Geen ding in de wereld – ik niet, een haai niet, een rots niet – zou zich kunnen aanpassen aan wat er gebeurt, als ik – of de haai, of de rots – geen surplus, geen overvloed zou kennen. Er gebeurt niets zonder de ʻvelen-ik.ʼ
Wat gebeurt, doen wij gebeuren. Wij horen bij de wereld, omdat we
haar op elk ogenblik – echt waar, op elk ogenblik – opnieuw
creëren. Dat hoeven we niet eens te willen, dat doen we gewoon. Nou
ja, gewoon? Dat is wat wij kunnen, wat niemand ons helemaal kan
afnemen, en het is een niet gering voordeel in de huidige COVID
19-tijd: wij hoeven niet te hopen dat de wereld anders wordt. Hoop op
een andere, bij voorkeur betere wereld is niet nodig.
Wat dan ook niet nodig is, is verontwaardiging als het toch niet gaat
zoals ik had gehoopt. Want het zal nooit zo gaan zoals ik hoop.
Daarvoor is hoop te krachteloos en niet vernieuwend. Niet
vernieuwend? Nee, want vernieuwend is de maximale verwezenlijking
van mijn potentiëlen, ons surplus. Hoop, verontwaardiging,
aanklachten daarentegen zijn waarschuwingstekens. Ik moet oppassen
dat ik niet gescheiden dreig te raken van wat ik kan.
4 Onder 2 is gezegd: Spinoza’s affect is niet hetzelfde als
emotie. Dat is niet helemaal waar, zoals alles wat tot nu
toe is gezegd niet helemaal waar is. Het moet zijn: Een emotie is
een affect dat niet tot de limiet van zijn vermogen reikt. Een
emotie is een passie, een dadeloos gevoel, zegt Spinoza in zijn
Ethica – een tekst zo intensief nieuw dat hij blijft vernieuwen,
sub specie aeternitatis, vanuit de eeuwigheid bezien.
Emoties, passies zijn schijnbaar vaste patronen, waarin affecten zo
veel mogelijk geïdentificeerd worden – en ja, ook geneutraliseerd.
Een emotie is tevens de onderbreking van een affect, van zijn
vernieuwend potentieel, of tenslotte – zoals Marx in 1858 in Londen
noteert –: een toe-eigening van het surplus aan levensactiviteit.
Levende arbeid noemt hij dat laatste.
5 Misschien is emotie is een identificatie van een affect: de formulering die het snelst tot meer samenhang voert. Wat meer samenhangt is het beste! Deze zin gaat haast onmerkbaar over in een volgende: in een emotie krijgt het affect een overbekende naam – haat, medelijden, liefde, verontwaardiging, trots – en een drager, een mens van vlees en bloed, zoals dat heet, wiens emoties van alle tijden zouden zijn. Maar het is vooral een mens. Onthoud echter Spinozaʼs militante tegenwerping: de mens is geen rijk in een rijk, zijn menselijke vooroordelen maken hem dat wijs.(1) Daar valt nog heel wat meer over te zeggen, maar laten we nu naar het nu van COVID-19 gaan en naar de emotionele verwarring van dit moment, de verwarring dus door emoties.
6 Wat er ook in deze COVID-19-tijd zal veranderen, ten kwade of ten
goede, als het aan de emoties ligt, blijft alles bij het oude. Je
kunt angstig worden, depressief, hoopvol, verontwaardigd, stoïcijns
over wat er nu gebeurt – en dat gaat allemaal heen en weer, up en
down. Je kunt geloven, zeker weten, vrezen, hopen dat de wereld niet
meer de oude zal worden, zekerheid suggererend waar die niet is.
Alsof je de wereld waarin je leefde door en door hebt gekend en het
nieuwe, onzekere alleen in de toekomst zou liggen. Het verleden, dat
geen verleden is, is echter even onzeker als alles wat op ons af kan
komen. Onzeker vanwege alle crises die nooit tot een oplossing zijn
gekomen en onzeker vanwege al het nu nog virtuele nieuwe dat het
verleden bevat.
7 Hou je maar liever aan je affecten, maak er ruim baan voor. Dan
hoef je tenminste niet alsmaar geëmotioneerd te reageren op het
nieuws dat je overkomt, of op de gebeurtenissen waarvan je
toeschouwer blijft.
Het is beter en werkelijker om over het nieuwe niet te oordelen, maar
om het te maken. Zeg nooit dat iets nieuw is, maar maak het gewoon,
zonder iets te zeggen. Bereid vele vluchtwegen voor, omarm wat er
gebeurt, koester de onzekerheden, maar … interpreteer de wereld
niet, ook niet kritisch. Creëer wat jou aanraakt, zodat dat jou ook
weer maakt, dan ben je immers ʻvelenʼ:
The commonplace I sing;
The common day and night — the common earth and waters,
The democratic wisdom underneath, like solid ground for all.
(Walt Whitman)
8
Tegenwerping: er is onvermijdelijk nieuws dat zich aan je
opdringt, en er zal ook nu en in de komende COVID-19-tijd het nieuwe
zijn van de powers that be dat je overkomt: nog meer
surveillance en neoliberale onteigening. En beslist ook meer
eenzaamheid, die Whitmans multitudes, de ʻvelen-ik,ʼ
zal infecteren. Armzalig zelfbehoud zal je deel zijn. De te omarmen
onwaarschijnlijkheid van je affecten wordt onderbroken. Je zult een
prooi worden van je emoties, de dood zal rondwaren in je geest en in
je lichaam. Het surplus van de common zal worden geprivatiseerd en je
affecten tot emoties worden verarmd. Kortom: je leeft in een
gecontamineerde wereld, maar daar leefde je altijd al in.
9
Tegenwerping op de tegenwerping: realiseer je echter ook dat
de onteigenende en levensvijandige machten, hoe macroscopisch ook,
hun scheuren hebben. Ze zijn gevormd op basis van wat ze moeten
najagen – het surplus van levende arbeid, van productieve lichamen
en dito affecten. De common van dat surplus kan zich niet aan
onteigening onttrekken, maar de onteigening kan anderzijds evenmin
volledig zijn. Zij is parasitair op het surplus dat zij zelf niet is,
zo dicht mogelijk op het spoor ervan, zonder het te kunnen
toe-eigenen en te kunnen identificeren. Maar dat kunnen omgekeerd de
machten van de common, de ʻvelen-ik,ʼ
Whitmans solid ground for all ook niet.
10
Er bestaat een bijzondere kunstvorm, de kunst om in een
gecontamineerde wereld rechtop te blijven lopen. Daarvoor zijn nodig:
ervaring, verbeelding, bindmiddelen, vluchtwegen, nooduitgangen, een
echolood, betrouwbare affecten. Bij het rechtop lopen helpen hoop,
verontwaardiging, klagen en rationaliteit minder goed.
A
propos rechtop lopen: je loopt alleen rechtop als je bijna
valt en als je ook dat vallen weer weet te onderbreken. Je past je
creatief aan de zwaartekracht aan.(2)
Rechtop
lopen is veel moeilijker maar ook effectiever dan hopen, want hoop
speelt zich af zonder te verwerken beperkingen, zonder weerbarstig
materiaal. Hoop kent geen zwaartekracht. Alles is mogelijk als je
hoopt, dus ook niets.
11
De wegen van de common zijn ondoorgrondelijk, al was het maar omdat
telkens delen van zijn surplus in de powers that be, de
onteigenende machten, worden opgenomen. Waardoor een praktisch
probleem voor alle betrokkenen ontstaat: te moeten detecteren hoeveel
van de een in de ander zit. Aftasten hoeveel de ene macht heeft over
de ander, zich erin verplaatsen, zich er gelijk aan maken, maar tot
waar?
12
Niet alles maakt mij passief, dat kan niet. Maar wat mij passief
maakt en blokkeert, dat wil ik voor mijn eigen bestwil begrijpen.
Laten we het kapitaal noemen. Ik kruip in zijn huidlagen. Ik
word kapitaal, incognito, om te zien wat zich erin verbergt. Zonder
het helemaal te doorgronden, want zo door en door rationeel blijkt
het niet te zijn. Het is kapitaal en dat is het – door mijn toedoen
– ook weer niet.
In
feite is het simpel en toch uiterst gecompliceerd: kapitaal is een
relatie, een geheimzinnige relatie tussen de rusteloze
meerwaarde-honger, die zich om het surplus heen slingert, en het
verzet van de levende arbeid daartegen. Dat weet ik ongeveer, maar
ook alleen maar ongeveer – de relatie is het volgende moment alweer
anders. Kan ik kapitaal volledig inlevend begrijpen en kan het
kapitaal mij volledig beheersen? Nee, never nooit!
13
Spinoza acht zelfs in de treurigste passies – haat, ambitie, wraak,
kortom, ressentiment – levensdrang aanwezig. Hij laat weten dat de
meest neerdrukkende vormen van de werkelijkheid nog altijd, zo veel
mogelijk, ontcijferd kunnen worden aan de hand van het
levensdrang-surplus, of – zoals hij zegt – van de actieve,
vreugdevolle affecten. Zo veel mogelijk, tot aan hun limiet. Ook hier
geldt: nooit helemaal. Wat niet wegneemt dat het belangrijkste is dat
ik wat mij blokkeert alleen vanuit mijn macht zo krachtig mogelijk
kan begrijpen.
14
Je kunt je afvragen: ‘Wat gaat er gebeuren door/met deze
COVID-19-pandemie?ʼ Je
zult je ongetwijfeld onzeker, misschien zelfs wel angstig, afvragen
wat er nu veranderen gaat, wat er nieuw zal zijn. Maar bedenk dan in
ieder geval een paar dingen die – wie weet – kunnen helpen:
A
: Er bestaat ook een militante onzekerheid. Dat is niet de
subjectieve onzekerheid, hoe onvermijdelijk ook, van een naar de
randen van de common teruggeworpen individu. Maar de werkelijkheid is
onzeker in haar potenties – objectief onzeker. Er is geen virtuele
werkelijkheid, alle werkelijkheid is virtueel. Je weet niet welke van
haar potenties zich met elkaar verbinden en je weet niet wat jij
daarbij kunt. Je surplus is je onbekend. Hou het zo, dan kan je ook
van je zelf staan te kijken.
B:
B is eigenlijk nog A, iets nieuws is zonder militante onzekerheid
niet mogelijk. Je kunt het nieuwe niet vaststellen en zelf dezelfde
blijven. Het nieuwe kan zich alleen maar met zichzelf vergelijken,
maar of dat nog vergelijken is? Voorspel het nieuwe niet, creëer
het. Wees geen toeschouwer van je eigen wereld.
C:
A en B zijn geen ʻfeel goodʼ-
boodschappen. De objectieve onzekerheid van de wereld kan ook
destructieve verbindingen opleveren, die – eenmaal op drift gekomen
– accelereren naar onbekende vormen van fascismen en andere
sinistere attractors. (3) A en B betekenen slechts dat er geen reden
voor hoop noch voor hopeloosheid is.
11
Wat als een viroloog het COVID-virus kritisch zou benaderen? Als
zij/hij het virus zou doorgronden op de manier waarop bijvoorbeeld
een mâitre-penseur het neoliberalisme of het populisme doorziet. De
viroloog zou zich een beter wezen voelen dan het virus, en verder
vooral herhalen dat het virus maar niet tot inkeer komt en geen beter
wezen wil worden, dus niet wil ophouden een virus te zijn.
Godzijdank
is de viroloog niet kritisch en geen aanklager. Het virus wordt
gerespecteerd, het is tenslotte vele malen ouder dan de mens en er
worden verbindingen mee gelegd. Het virus dat zich op de scheidslijn
van leven en niet-leven bevindt, wordt tot leven gebracht om te weten
wat het kan.
Spinoza
heeft voor de conceptualisering van dit soort processen een woord
bedacht: notiones comunes, ʻgemeenschappelijke
begrippen.ʼ Begrippen die ontstaan
en blijven ontstaan door de ontwikkeling van nieuwe natuurlijke
verbindingen, emerging properties. En Spinoza heeft nog een
aardige toevoeging: gemeenschappelijke begrippen zijn vreugdevol. Zij
leven. Het zijn geen abstracta, ze interpreteren niet.
12
Korte vraag: Is neoliberalisme een levend begrip?
13
Tenslotte: Wij zijn niet in oorlog met COVID-19. De common en de
gemeenschappelijke begrippen sluiten dat uit. Wat wel dreigt is de
infectie van onze verbeeldingskracht, maar die dreigt zowel van de
kant van degenen die het virus de oorlog hebben verklaard als –
laten we eerlijk zijn – niet zelden van onszelf.
ʻMenschlichkeit.ʼ
Wir halten die Tiere nicht für moralische Wesen. Aber
meint ihr denn, dass die Tiere uns für moralische Wesen halten? –
Ein Tier, welches reden konnte, sagt: ʻMenschlichkeit
ist ein Vorurteil, an dem wenigstens wir Tiere nicht leiden.ʼNietzsche, Morgenröte. Köln, 2011, p. 234.
ʻWalking as controlled fallingʼconveys the sense that freedom, or the ability to move forward
and to transit through life, isn’t neccesarily about escaping from
constraints. (…) You move forward by playing with the constraints,
not by avoiding them. Brian Massumi, Politics of affect,
Cambridge, 2015 p. 16
De objectieve onzekerheid van de werkelijkheid sluit herhaling van
oude fascismen uit. Nog afgezien van het feit dat die oude fascismen
uit de twintigste eeuw nog steeds een raadsel zijn en dat ook zullen
blijven. Als de werkelijkheid objectief onzeker is en door en door
virtueel, dan is ze dat ook voor wat betreft haar verleden, dat geen
verleden is.
Jarmo Berkhout werkt bij Het Actiefonds, een Amsterdamse organisatie die wereldwijd activisten ondersteunt. Hij studeerde filosofie aan de UvA, die hij meermaals hielp te bezetten, en is schrijver.
Aan
het begin van de coronacrisis schreef de Italiaanse filosoof Giorgio
Agamben een paar opinieartikelen die hem niet in dank werden
afgenomen. Hij betoogde onder meer dat het wel meeviel met de ernst
van het virus, dat niet veel dodelijker zou zijn dan de griep, en dat
de ongekende inperking van persoonlijke vrijheden en democratische
rechten in feite een vorm van toegenomen staatscontrole was. Als
gevolg van de paniek en de angst voor de dood lukte het de mensen
niet om voorbij het pure lijfsbehoud te kijken, waardoor ze een
algehele reductie van hun bestaan tot het ʻnaakte
levenʼ lieten
plaatsvinden. Op het niveau van het naakte leven zijn mensen slechts
organismen die (willen) voortbestaan, terwijl ze pas werkelijk mens
worden als politiek subject dat deel uitmaakt van een gemeenschap en
dat rechten heeft. Agamben paste hiermee de twee concepten waarom hij
bekend is geworden toe op de huidige crisis: die van de
uitzonderingstoestand, door staten afgekondigd om buiten de
rechtstaat om hun macht aan te kunnen wenden ter controle van de
bevolking (doorgaans met een beroep op de veiligheid), en die van het
naakte leven, de biologische nullijn waarop we bestaan als we (nog)
geen (of niet langer) mens-subject zijn. Met deze analyse probeerde
Agamben te waarschuwen voor het risico dat we uit angst voor de dood
vergeten dat het ons zou moeten gaan om een leven dat uit meer
bestaat dan louter overleven, én, niet minder belangrijk, voor de
ontketende staatsmacht die ons nog lang na de pandemie in zijn greep
zou kunnen houden.
Niettemin
is er met zijn analyse iets geks aan de hand: het is alsof Agamben
zijn eigen werk niet goed begrijpt en het verkeerd toepast. De
verontwaardiging – voornamelijk over zijn bagatellisering van het
virusgevaar – was dan ook groot. Maar het kwam op velen met name
als ongepast over om in de reactie van Europese overheden op de
gezondheidscrisis een doelbewuste poging te zien om de bevolking aan
een kennelijk gewenst verscherpt surveillanceregime te onderwerpen.
Vooral de Sloveense filosoof Slavoj Žižek verweet zijn collega het
omslaan van kritische theorie in linkse paranoia. Want de kritiek dat
er duistere bedoelingen schuilgaan achter de
corona-uitzonderingstoestand vormt op zichzelf geen antwoord op de
bedreiging die wel degelijk van het virus uitgaat. Het
weg-theoretiseren van de dodelijkheid van COVID-19 omwille van het
behoud van onze politieke subjectiviteit vormt geen bescherming van
het leven dat we moeten koesteren, en kan niet het begin zijn van een
werkelijk kritische beschouwing over wat er tijdens deze crisis
gebeurt. Dat begin kan enkel de confrontatie zijn met het feit dat we
ons, collectief en op wereldschaal, in een nooit eerder voorgekomen
crisissituatie bevinden die van beslissende invloed zal zijn op hoe
onze toekomst eruit ziet.
Terug
naar het naakte leven. Het makkelijke antwoord op Agamben is dat het
behoud van het leven ons weliswaar nog niet tot mensen maakt, maar
dat we ook geen mensen zijn zónder ons biologische bestaan: dan zijn
we namelijk dood. Maar er is meer aan de hand. Wat we zien – in
ieder geval in de Europese landen – is dat overheden hun uiterste
best doen om levens te redden, en dat in het kielzog daarvan de
betekenis van het begrip solidariteit is aangepast: het gaat er nu om
de kwetsbaren te behoeden voor infectie. De enorme, bijna militair
aandoende zorgoperatie die daartoe is opgetuigd, de enorme uitgaven
die worden gedaan om burgers van inkomsten te blijven voorzien, het
bijna volledig opschorten van de economie – dit alles kan moeilijk
worden gezien als een gebrek aan zorg om het leven. De reductie tot
het naakte leven is wat de mensen overkomt die niet geholpen
worden, die geen ʻrecht
op rechtenʼ hebben, die
niet toegelaten worden tot de gemeenschap die gered moet worden. Deze
mensen zijn talrijk. Zij bevinden zich grotendeels buiten Europa. Het
zijn de vluchtelingen, de ʻillegalen,ʼ
de onbeschermde ʻessentiëleʼ
arbeiders. Niks anders meer hebben dan het naakte leven betekent een
verhoogde nabijheid tot de dood. Het betekent aan je lot overgelaten
zijn, vernietigd kunnen worden zonder herinneringen na te laten. De
uitzonderingstoestand die Agamben in zijn werken beschrijft treft ons
niet allemaal in gelijke mate: zij duidt op het aanrichten van geweld
waaraan wij (Europese burgers, politieke subjecten) weliswaar
medeplichtig zijn, maar dat toch voornamelijk de Ander treft. Het op
grote schaal redden van mensenlevens – levens die de moeite waard
worden gevonden – vergelijken met de rechteloosheid van de
werkelijk kwetsbaren is, op zijn zachtst gezegd, politiek vrij
bedenkelijk.
Als
Agambens vocabulaire geen verschil kan maken tussen het opschorten
van het grotendeels gerieflijke leven van westerse burgers en de
vogelvrijheid, de ʻwaardeloosheidʼ
van degenen die er niet bij horen, dan hebben we andere termen nodig.
Een crisis – en zeker een crisis met de intensiteit van de huidige
– zet de normale orde op losse schroeven, maar onthult
tegelijkertijd de verborgen aspecten van de normaliteit in al hun
meedogenloosheid. Al vóór de pandemie bestond er een hiërarchie in
de waarde die de levens van verschillende (soorten) mensen
vertegenwoordigen. Die hiërarchie is niet verdwenen. We mogen niet
vergeten dat de kern van het kapitalisme bestaat uit het creëren van
economische waarde die in de vorm van winst belandt bij degenen die
de productiemiddelen bezitten. Als motor van de economische
ontwikkeling bepaalt dit principe onze verhouding tot het systeem, en
daarmee ook in belangrijke mate de manier waarop we mogen leven –
en sterven. Wat gered wordt aan westerse burgers is niet hun naakte
leven, maar de (potentiële) waarde die ze vertegenwoordigen als
consumenten of als hooggekwalificeerde arbeiders. De veelgeroemde
nieuw ontstane ʻtijd en
ruimte voor reflectieʼ
die de quarantaine creëert, zouden we moeten aanwenden voor het
uitwerken van een nieuwe rol, een nieuwe vorm van leven, die anders
is dan de dwang om steeds maar weer bij te dragen aan de reproductie
van een systeem dat voorbeschikt wie we zijn en wat we moeten doen.
Er is anders geen alternatief voor het politieke dilemma dat in de
begindagen van de crisis vroom onderdrukt werd maar tegenwoordig
steeds koppiger terugkeert: het redden van de economie of het redden
van mensenlevens.
Dit
dilemma is al vaak genoeg, en terecht, vals genoemd, en toch bakent
het de horizon af waarbinnen wij – en vooral onze politieke leiders
– nadenken over de omgang op de langere termijn met (de gevolgen
van) de pandemie. De normale toestand die door het coronavirus
drastisch werd onderbroken, was natuurlijk precies die toestand die
het soort ellende waarin we ons nu bevinden überhaupt mogelijk heeft
gemaakt. Kapitalisme op wereldschaal betekent het creëren van een
wereldwijde hiërarchie in de waarde van mensenlevens, al naar gelang
de (potentiële) toevoeging die een mens te bieden heeft aan de
reproductie van dat mondiale systeem. Het heeft geleid tot een
integratie van alles met alles zonder weerga: productieketens, het
circuleren en consumeren van goederen, toerisme, dit alles is
mondiaal geworden tot het punt dat de verste uithoeken van de aarde
met elkaar verbonden zijn. Het doel van die integratie is de creatie
van waarde en de toeëigening daarvan in de vorm van winst. Maar de
gevolgen zijn desastreus. Het economische leven is precair,
geestesziekten zijn alomtegenwoordig, de opwarming van de aarde
dreigt onomkeerbaar te worden, vluchtelingenstromen dijen uit, het
nationalisme (xenofobie, racisme) normaliseert. De kwetsbaarheid voor
pandemieën is daar nu bijgekomen. Wat we nu aanschouwen, met andere
woorden, is een desintegratie van het systeem – een existentiële
bedreiging van de volksgezondheid, grootschalige economische schade –
die juist het gevolg is van de integratie die ons (althans een kleine
minderheid van ons) waarde oplevert. Het huidige overheidsingrijpen
kan daarom beter niet gezien worden als een slinkse poging om extreme
vormen van surveillance en controle door te voeren – al is dit wel
mogelijk – maar eerder als een poging om de schade die de
desintegratie veroorzaakt te beperken. Met andere woorden: de leiders
van met name westerse landen proberen een onmogelijke realiteit af te
dwingen, namelijk een realiteit die wel op kapitalistische wijze
geïntegreerd is, maar tegelijkertijd onkwetsbaar is voor de altijd
weer onvoorspelbare desintegratie die daarmee tegelijkertijd wordt
veroorzaakt. Alleen daarom al voelt het al dan niet voortzetten van
de lockdown als een ʻduivels
dilemma.ʼ Het is een
onmogelijke balanceeract tussen uitzondering en normaliteit, omdat er
geen nieuwe wereld opdoemt achter het huidige crisismanagement,
waartoe de politiek veroordeeld is.
Onder
deze omstandigheden keert de kwestie van de beschikking over leven en
dood onopgemerkt terug in het hart van de economische besluitvorming.
Dat wil zeggen: dit is de werkelijke kern, de ware aard, van elk
politiek systeem, zij het verscholen onder procedures en instituties.
Het is niet zozeer zo dat we zodanig zijn teruggeworpen op ons naakte
bestaan dat we geen politiek meer kunnen bedrijven, maar dat we het
ontwend zijn om politiek te beschouwen als de bij uitstek moderne
manier waarop we collectief betekenis kunnen geven aan het leven én
aan de dood. De onbeschaamdheid waarmee rechtse politici en
opiniemakers – in de V.S., maar ook in Nederland – stellen dat er
offers gemaakt moeten worden, opdat de economie niet ten onder gaat,
heeft dan ook niks te maken met realisme, moed, of ʻzeggen
waar het op staat.ʼ Het
is niets meer of minder dat het uitbesteden van het risico om te
sterven aan groepen die door hun afkomst, leeftijd, gezondheid,
huidskleur of beroep, straffeloos als minderwaardig kunnen worden
gezien. Dit verband kan worden uitgelegd als een gevolg van de manier
waarop ons economische systeem in zijn pre-corona-toestand was
ingericht. Dat systeem eist slachtoffers. De rechtse
mening-verkondigers hebben daarom geen enkele moeite met het dilemma
economie-mensenlevens. Zolang ze maar niet tot de groep behoren die
het niet overleeft (althans, zolang ze dat denken), is de
mogelijkheid van de dood de prijs voor de exploitatie van aarde, dier
en mens, waar ze hun economische welvaart aan te danken hebben,
precies zoals het vóór corona was.
Quasi-diepzinnige
reflecties over het aanvaarden van de dood als iets dat bij het leven
hoort, moeten we van de hand wijzen. Het probleem met de westerse
omgang met de dood is niet dat we het bestaan ervan ontkennen, maar
dat we die dood zien als iets dat alleen de Ander overkomt. Het leven
zelf, geheel in lijn met wat de neoliberale mentaliteit van
concurrentie en zelfverbetering van ons eist, zijn we meer en meer
gaan zien als iets dat we bezitten, als een soort ruw materiaal dat
we tot perfectie moeten zien te dwingen, waarin allerlei waarde
schuilgaat die we er met ʻprojectenʼ
en met de juiste carrièrestappen uit kunnen halen, iets dat we
kunnen en moeten verlengen, omdat ziekte en uiteindelijk de dood een
vorm van kapitaalvernietiging betekenen. De voorstelling van het
leven als iets wilds, ontembaars en onvoorspelbaars, iets dat in
zekere zin sterker is dan wij zelf, verliest het steeds meer van de
kijk op het leven als een zaak van voorspelbare behoeftenbevrediging,
plichtsvervulling en verlenging. Maar dat wil niet zeggen dat we het
bestaan van de dood ontkennen. Alleen is die dood, in zijn
onvoorspelbare en wilde vorm – net zoals het leven – niet meer
voor ons. Vluchtelingen gaan dood, in de Middellandse Zee. Hongerige
Afrikaanse kinderen gaan dood. Moslims in het Midden-Oosten gaan
dood. De ouderen gaan dood, en de eenzamen, de kwetsbaren. En als de
economie het eist, dan ook de armen, degenen zonder toegang tot
gezondheidszorg, de werklozen en de precaire werkers. Maar niet wij.
Wij zijn te veel waard om te sterven, alles houdt op als wij er niet
meer zijn.
De
eis dat we de dood moeten aanvaarden is daarom volkomen gratuit. Het
feit dat er een dodelijk virus rondwaart brengt bij sommigen
kennelijk een morbide berusting teweeg, terwijl het bijna psychotisch
is als je bereid zou zijn om te sterven voor ʻde
economieʼ (sommige
Amerikaanse anti-lockdown-activisten schrijven dit daadwerkelijk op
hun protestborden). In plaats daarvan zouden we moeten beseffen dat
het leven, nog altijd, iets kwetsbaars is. Dat er zorg, liefde
en solidariteit voor nodig zijn om het in stand te houden en tot
bloei te laten komen, en dat niet alleen tijdens een crisis, maar
altijd. Dat we het anders moeten gaan zien dan wat de beperkte
tegenstellingen van het kapitalisme ons toestaan, zoals de Italiaanse
filosoof Franco Berardi schrijft: ʻaccumulatie
is de Ersatz die de dood vervangt door de abstractie van
waarde en de artificiële continuïteit van het leven op de markt,ʼ
terwijl er ook leven zou kunnen zijn dat ontsnapt aan hiërarchieën
en waardebepalingen. Een dergelijke manier van leven vereist een
radicale verandering, écht een revolutie, van de dystopische manier
waarop we de wereld hebben ingericht: één waarin niet het oude,
heerszuchtige, (ver)harde, succesvolle mannelijke subject centraal
staat ten koste van al het andere, ten koste van al het mogelijke,
maar waarin het de taak van elke samenleving wordt om het leven van
mensen, dieren en de aarde zelf permanent te herscheppen tot iets
nieuws en tot iets dat we altijd moeten koesteren. Precies dit kunnen
we niet overlaten aan onze politieke leiders. Het ʻnieuwe
normaalʼ dat ze voor ogen
hebben zal een continuering zijn van het oude normaal, en de kosten
van het uitblijven van verandering – van de repressieve orde die
het evenwicht bewaakt tussen integratie en desintegratie – zullen
voor onze rekening komen. Als we willen leven, en niet alleen maar
willen overleven, mogen we dit niet toestaan.
Marco d’Eramo is een Italiaans journalist. Hij was student van de Franse socioloog Pierre Bourdieu en een van de oprichters van het Italiaanse dagblad Il Manifesto, dat hij in 2012 verliet. Tegenwoordig schrijft hij voor de taz, New Left Review en MicroMega.
‘Er zal geen herstel zijn. Er zal sociale onrust zijn. Er zal
geweld zijn. Er zullen sociaal-economische gevolgen zijn: dramatische
werkloosheid. Burgers zullen vreselijk lijden: sommigen zullen
sterven, anderen zullen zich afschuwelijk voelen.’i
Hier is geen eschatoloog aan het woord, maar Jacob Wallenberg,
afstammeling van een van de machtigste dynastieën van het mondiale
kapitalisme, die een inkrimping van de wereldeconomie met 30 procent
voorziet en een torenhoge werkloosheid, als gevolg van de lockdowns
om het coronavirus in te dammen. Terwijl filosofen bang zijn dat onze
heersers de epidemie uitbuiten om biopolitieke discipline af te
dwingen, lijkt de heersende klasse zelf tegenovergestelde zorgen te
hebben: ‘Ik ben doodsbenauwd voor de gevolgen voor de samenleving …
we moeten de risicoʼs
incalculeren dat het medicijn de patiënt hard
zal treffen.’
Hier herhaalt de Zweedse tycoon de prognose van Trump dat de therapie
de patiënt zal doden. Terwijl de filosofen de
anti-besmettingsmaatregelen – uitgaansverboden, gesloten grenzen,
beperkingen van publieke bijeenkomsten – als een sinister
controlemechanisme zien, zijn de heersers bang dat de lockdowns hun
controle juist zullen doen verslappen.
Bij het beoordelen van de impact van COVID-19 halen de filosofen in kwestie de passages over de pest aan uit Discipline and Punish, waarin Foucault de nieuwe vormen van toezicht en regulering beschrijft die het gevolg waren van de pestuitbraak eind zeventiende eeuw.ii De denker die tot nu toe het helderste standpunt over de pandemie heeft ingenomen is Giorgio Agamben, in een reeks strijdlustige artikelen, beginnend met ‘De uitvinding van een pandemie,’ verschenen in Il Manifesto op 26 februari 2020. In dit stuk beschrijft Agamben de noodmaatregelen die in Italië ten uitvoer zijn gelegd om de verspreiding van het virus tegen te gaan als ‘panisch, irrationeel en absoluut ongegrond.’ ‘De angst voor de pandemie geeft aanleiding tot paniek,’ schrijft hij, ‘en in naam van de veiligheid aanvaarden we maatregelen die de vrijheid ernstig aan banden leggen, waardoor de uitzonderingstoestand wordt gerechtvaardigd.’ Volgens Agamben toont de reactie op het coronavirus ‘een tendens om de uitzonderingstoestand te gebruiken als een normaal bestuursparadigma’ – ‘het is bijna of, nu het terrorisme is uitgeput als legitimatie voor uitzonderlijke maatregelen, de uitvinding van een epidemie het ideale excuus is om dergelijke maatregelen onbeperkt te kunnen verruimen.’ Agamben heeft deze ideeën in twee andere teksten verder uitgewerkt die halverwege maart zijn verschenen op de website van de Italiaanse uitgever Quodlibet.iii
Agamben heeft wél
en niet gelijk; of beter gezegd: hij zit er over het algemeen stevig
naast, maar niet helemaal. Hij heeft ongelijk omdat de feiten hem
weerspreken. Zelfs grote denkers kunnen aan besmettingen bezwijken –
Hegel overleed in 1831 aan de cholera – en filosofen hebben de
plicht om hun mening te herzien als de omstandigheden daarom vragen:
als het in februari misschien nog enigszins mogelijk was om de
corona-pandemie te ontkennen, was dat in maart niet langer vol te
houden. Maar Agamben heeft gelijk dat onze heersers iedere
mogelijkheid zullen aangrijpen om hun macht te consolideren, vooral
in tijden van crisis. Dat het coronavirus wordt misbruikt om de
massale surveillance te versterken is geen geheim. De Zuid-Koreaanse
regering heeft de verspreiding van de besmetting geanalyseerd door de
locatie van haar burgers in kaart te brengen via hun mobiele
telefoons – een beleid dat tot beroering heeft geleid toen er ook
een aantal buitenechtelijke affaires werd blootgelegd. In Israel zal
de Mossad binnenkort zijn eigen versie van deze technologie
implementeren, terwijl de Chinese overheid nog krachtiger heeft
ingezet op video-surveillance en gezichtsherkenningstechnologieën
(de mondiale inlichtingendiensten hebben op het excuus van een
epidemie gewacht om ons digitaal te kunnen gaan schaduwen). Veel
Europese regeringen zijn momenteel aan het beslissen of ze een
voorbeeld willen nemen aan de Zuid-Koreaanse en Chinese programmaʼs,
terwijl het Britse Information Commissioner’s Office deze
technologie al eind maart heeft goedgekeurd. Agamben was niet de
eerste die betoogde dat een van de doelen van de sociale overheersing
de ʻatomiseringʼ
van de overheersten is; Guy Debord schreef in De
Spektakelmaatschappij dat de ontwikkeling van kapitalistische
handelswarenutopiaʼs ons
allemaal zou doen
belanden in ‘perfecte
afzondering.’
*
Aan het einde van
deze crisis zullen de surveillance-bevoegdheden van de regeringen
vertienvoudigd zijn. Maar desondanks – ook al beweert Agamben iets
anders – blijft de besmetting reëel, dodelijk en verwoestend. Dat
veiligheidsdiensten waarschijnlijk van de pandemie zullen gaan
profiteren rechtvaardigt nog geen sprong naar het paranoïde
samenzweringsdenken: de regering-Bush hoefde de Twin Towers niet zelf
te verwoesten om de Patriot Act te kunnen invoeren; Cheney en
Rumsfeld konden ontvoering en marteling eenvoudigweg legitimeren door
gebruik te maken van de kansen die 9/11 hen bood.
Ik noem de aanval op het World Trade Center omdat dit een tweede
zwakte in Agambens werk blootlegt, waarin immers alle technieken van
maatschappelijke controle worden uitgelegd met behulp van het model
van de onderdrukking door de staat van een gewapende opstand. Ook
eind jaren zeventig en begin jaren tachtig legden diverse Europese
landen al eens een uitzonderingstoestand op, zogenaamd om het
terrorisme te bestrijden – en trend die de generatie van Agamben en
haar nakomelingen rechtstreeks heeft beïnvloed. Maar niet alle
uitzonderingstoestanden zijn hetzelfde. Zoals Aristoteles al zei: als
alle katten zoogdieren zijn, betekent dit nog niet dat alle
zoogdieren katten zijn. De uitzonderingstoestand, opgelegd uit naam
van het terrorisme, lijkt op het beleid dat is ontworpen om lepra in
te dammen: d.w.z. het verdelen van de samenleving in twee
afzonderlijke groepen, waarbij de leprozen/terroristen werden
buitengesloten van de grotere gemeenschap van gezonde/wetsgetrouwe
burgers. Daarentegen reproduceert de huidige uitzonderingstoestand in
beginsel het fenomeen waarover Foucault het heeft als het om de pest
gaat, gebaseerd op de controle, immobilisatie en isolatie van de
gehele bevolking.iv
Anders dan het lepra-model maakt dit regime geen onderscheid tussen
goede en slechte burgers. Iedereen is potentieel slecht; wij moeten
allemaal worden gemonitord en onder toezicht worden gesteld. Het
panopticon omvat de hele samenleving, niet slechts de gevangenis of
de kliniek.
Het is waar dat we
getuige zijn van een gigantisch en ongekend experiment in sociale
discipline, met drie miljard mensen die momenteel thuis moeten
blijven; de meesten van hen hebben deze beperkingen van hun vrijheid
geaccepteerd, zonder veel actieve weerstand. Veertig jaar geleden zou
dit ondenkbaar zijn geweest. In veel gevallen vindt dit experiment
blind en op de tast plaats, zoals in India, waar premier Modi het
hele land heeft opgedragen thuis te blijven, ondanks de aanwezigheid
van 120 miljoen zwervende migrantenarbeiders die dikwijls gedwongen
zijn op straat te leven. In een groot deel van de wereld is de
opsluiting in het eigen huis louter denkbaar voor de rijkste laag van
de bevolking, terwijl het voor de meesten rechtstreeks tot
werkloosheid en honger leidt. India is een extreem geval, maar een op
klassenverschil gebaseerd antwoord op de epidemie is zichtbaar in
ieder land. Dit is een ‘witte-boorden-quarantine’, zoals de New
York Times hem omschreef.v
De geprivilegieerden sluiten zichzelf op in huizen met snel internet
en volle koelkasten, terwijl de rest van ons blijft reizen in
overvolle metrotreinen en schouder aan schouder blijft werken in
besmette omgevingen. De voedselindustrie, de energiesector, de
transportdiensten en de telecommunicatiehubs moeten blijven draaien,
naast de productie van cruciale medicijnen en ziekenhuisapparatuur.
Fysieke afzondering is een luxe die velen zich niet kunnen
veroorloven, en de regels voor ‘social distancing’ dienen om de
kloof tussen de klassen te verbreden.
*
Hetgeen ons bij het
voornaamste punt brengt dat Agamben over het hoofd ziet: de
overheersing is niet ééndimensionaal. Het gaat niet alleen maar om
controle en toezicht, maar ook om uitbuiting en extractie. (Een
beetje Marx, bovenop Schmitt, zou zijn analyse geen kwaad doen.) De
serieuze schade die deze epidemie dreigt toe te brengen aan het
kapitaal verklaart de aarzeling bij politici om isolatie en
quarantaine af te dwingen. Boris Johnson (aanvankelijk) en Trump zijn
de opvallendste voorbeelden: zij hebben zich zo lang mogelijk tegen
het aankondigen van een quarantaine verzet en willen die ook weer zo
snel mogelijk opheffen, zelfs als dat ten koste gaat van een paar
honderdduizend doden. In dit geval moet het trage tempo van het
volksgezondheidsbeleid worden gecontrasteerd met de snelheid van het
financiële antwoord. Natuurlijk weerspiegelen de ‘genereuze’
budgettaire maatregelen deels de zorgen van Wallenberg: ze zijn
bedoeld om grote maatschappelijke onrust te vermijden door de werkers
voor het moment genoeg inkomsten te geven om van te leven. Geen
kapitalist wilde in deze Keynesiaanse positie gedwongen worden. Maar
zoals Obama’s stafchef Rahm Emanuel opmerkte: ‘Je mag een
ernstige crisis nooit verloren laten gaan.’ Dus terwijl er sprake
is van spaarzame uitbreidingen van de wettelijke
ziektekostenvergoeding, hebben de staten ook buitengewone maatregelen
getroffen om hun financiële sectoren te steunen, of ‘om de
startbaan voor de banken in gereedheid te brengen,’ zoals de
vroegere Amerikaanse minister van Financiën Timothy Geithner het
heeft verwoord. Tot nu toe hebben de regeringen van de OESO-landen
ruim $5 bln toegezegd, maar dit bedrag zal nog verder stijgen.
Heersers maken ook
gebruik van de pandemie om er beleid doorheen te drukken dat in
normale tijden tot verontwaardiging zou hebben geleid. Trump heeft de
Amerikaanse industrie de vrijheid gegeven om de milieuwetten te
overtreden tijdens de noodtoestand, terwijl Macron een van de
voornaamste verworvenheden van de arbeidersbeweging heeft ontmanteld
door de maximale werkweek uit te breiden naar zestig uur.vi
Toch heeft op een bepaalde manier de kleingeestigheid van deze
wetgevende trucs – te lokaal en te beperkt om een noodlijdende
neoliberale orde te kunnen helpen – aangetoond dat de pandemie de
heersende klassen heeft verrast: zij hebben de recessie die ons wacht
nog niet doorzien, evenmin als het vermogen daarvan om de economische
orthodoxie overhoop te gooien. Net zoals Agamben alle noodtoestanden
beschouwt als anti-terroristisch, zien onze heersers deze
systeemcrisis louter als een financiële: zij reageren op de pandemie
alsof het om een nieuw 2008 gaat, door Bernanke te imiteren en een
Friedman-achtige monetaire expansie voor te schrijven. Als gevangenen
van de monetaire orthodoxie begrijpen ze niet dat deze keer de schok
aan de vraagzijde meer zal inhouden dan een simpele
liquiditeitscrisis.
Al heel snel zullen
hele fortuinen verloren gaan terwijl de kapitalisten hun
bedrijfsactiviteiten (luchtvaartmaatschappijen, bouwbedrijven,
autofabrieken, toeristencircuits, filmproducties) ten onder zien
gaan. Maar in deze context zal Friedmans ‘helikoptergeld’ – de
injectie van astronomische hoeveelheden liquiditeit in de economie –
een grootschalige vernietiging van kapitaal teweegbrengen, omdat dit
nieuw uitgegeven geld geen enkele reële waarde vertegenwoordigt. In
oorlogstijd wordt zowel financieel als materieel kapitaal verwoest:
infrastructuur, fabrieken, bruggen, havens, stations, luchthavens,
gebouwen. Maar zodra de oorlog voorbij is begint een periode van
wederopbouw, en deze wederopbouw brengt een economische opleving
teweeg. De huidige epidemie heeft echter meer weg van een
neutronenbom, die mensen doodt, maar gebouwen, wegen en fabrieken
intact laat (zij het leeg). Dus als de epidemie voorbij is, zal er
niets meer te herbouwen zijn – en bijgevolg ook geen sprake zijn
van herstel.
Nadat de quarantine
is opgeheven zullen mensen niet eenvoudigweg op dezelfde schaal
auto’s en vliegtuigtickets gaan kopen als vóór de crisis. Velen
zullen hun baan kwijtraken, terwijl degenen die hun baan zullen
behouden moeite zullen hebben om klanten te vinden in een economie
waarin weinig geld omgaat. Intussen zal iemand de rekening moeten
betalen voor de enorme uitgaven die zijn gedaan om het virus in te
dammen, vooral als de daaruit voortvloeiende schuldenberg het
vertrouwen bij beleggers wegneemt, op welk punt Wallenbergs angst
voor sociale onrust gerechtvaardigd zou kunnen blijken: de
shocktherapie die zal worden toegepast na de crisis – als, uit naam
van een economische noodzaak, het publiek moet gaan betalen voor deze
‘generositeit’ – kan er inderdaad toe leiden dat mensen in
verzet komen. De epidemie zal de controle en het toezicht van bovenaf
versterken; zij zal van de maatschappij weer een laboratorium voor
disciplinaire technieken maken. Maar in deze situatie zullen onze
heersers wel een tijger moeten leren berijden: degenen die ons willen
controleren zouden dat liever met minder kostbare middelen doen.
Uiteindelijk zal het makkelijk zijn om de quarantaine op te heffen.
Maar het zal problematischer blijken om de economie weer op te
starten.
Rome, 4 april
2020
Vertaling: Menno Grootveld
Noten:
i ‘Coronavirus “medicine” could trigger social breakdown,’ Financial Times, 26 maart 2020.
ii
Michel Foucault, Discipline and Punish: The Birth of the Prison,
London 1995, pp. 195–228.
iii Het artikel van Agamben in Il Manifesto en de daaropvolgende discussie in het Italiaanse online-magazine antinomie – met bijdragen van onder meer Jean-Luc Nancy, Sergio Benvenuto en Roberto Esposito – staan op de website van het European Journal of Psychoanalysis. Andere bijdragen omvatten Alain Badiou, ‘On the Pandemic Situation,’ MicroMega, 25 maart 2020, en Paolo Flores d’Arcais, ‘Philosophy and the Virus: Giorgio Agamben’s Ravings,’ MicroMega, 16 maart 2020.
iv
Voor een historische reality check is het echter de moeite waard om
Daniel Defoe’s Journal of a Plague Year [1722] te
raadplegen, dat de ontelbare manieren beschrijft waarop de door de
pest getroffen Londenaren de gardisten wisten te ontlopen of om te
kopen, en te ontsnappen aan de besmette huizen waar ze in opgesloten
waren – iets wat ontbreekt aan het verhaal van Foucault.
v Noam Scheiber, Nelson Schwartz, Tiffany Hsu, ‘“White-Collar Quarantine” Over Virus Spotlights Class Divide,’ New York Times, 27 maart 2020; Jennifer Valentino-DeVries, Denise Lu, Gabriel Dance, ‘Location Data Says It All: Staying at Home During Coronavirus Is a Luxury,’ New York Times, 3 april 2020.
vi Oliver Milman en Emily Holden, ‘Trump Administration allows companies to break pollution laws during coronavirus pandemic,’ The Guardian, 27 maart 2020; Le Macronomètre, ‘Coronavirus: 60 heures de travail par semaine dans les secteurs essentiels, la bonne décision,’ Le Figaro, 25 maart 2020.
Achille Mbembe is de auteur van Brutalisme (Parijs, 2020). Hij is – samen met Felwine Sarr – mede-oprichter van Ateliers de la pensée in Dakar
Sommigen hebben het al over ʻpost-COVID-19.ʼ En waarom ook niet? Maar voor de meesten van ons, vooral in delen van de wereld waar de gezondheidszorgstelsels zijn verwoest door jaren van georganiseerde verwaarlozing, moet het ergste nog komen. Zonder ziekenhuisbedden, zonder beademingsapparatuur, zonder massale tests, zonder mondkapjes en ontsmettingsmiddelen, en zonder voorzieningen voor het in quarantaine plaatsen van geïnfecteerden, zullen velen het helaas niet halen.
1.
Het is één ding om je zorgen te maken over de dood van anderen in een ver land, en iets heel anders om je plotseling bewust te worden van je eigen rottingsproces, gedwongen te worden om intiem met je eigen dood te leven en dat als een reële mogelijkheid te aanvaarden. Dat is voor velen de terreur die teweeg wordt gebracht door opsluiting: dat je je uiteindelijk moet verantwoorden voor je eigen leven, op je eigen naam.
We moeten hier en nu een antwoord formuleren voor ons leven op aarde met anderen (inclusief virussen) en ons gedeelde lot. Dat is het gebod dat deze pathogene periode aan de mensheid oplegt. Dit is een pathogene, maar ook een katabole1 periode par excellence, met de ontbinding van lichamen, het ordenen en verwijderen van allerlei soorten menselijk afval – de ʻgrote scheidingʼ en de grote opsluiting, teweeggebracht door de verbluffende verspreiding van het virus – en daarmee samenhangend de wijdverbreide digitalisering van de wereld.
Hoe we ook ons best doen om het kwijt te raken, uiteindelijk komt het lichaam telkens terug. We hebben geprobeerd het op andere media te enten, om het in een objectlichaam, een machinelichaam, een digitaal lichaam en een ontofanisch1 lichaam te veranderen. Het komt nu bij ons terug als een gruwelijke, gigantische onderkaak, een voertuig voor besmetting, een vector voor pollen, sporen en schimmels.
We weten dat we niet de enigen zijn die voor deze beproeving staan en dat velen er niet aan zullen ontkomen, maar dat is slechts ijdele troost. Want we hebben nooit geleerd om met alle levende soorten samen te leven, we hebben ons nooit echt zorgen gemaakt over de schade die wij als mensen aan de longen en aan het lichaam van de aarde aanrichten. Daarom hebben we ook nooit geleerd hoe we moeten sterven. Met de komst van de Nieuwe Wereld en, een paar eeuwen later, de verschijning van de ʻgeïndustrialiseerde rassen,ʼ hebben we er in wezen voor gekozen om onze dood aan anderen te delegeren, om van het bestaan zelf een grote offergave te maken via een soort ontologisch vicariaat.
Binnenkort zal het niet langer mogelijk zijn om je dood aan anderen te delegeren. Die ander zal niet meer in onze plaats sterven. We zullen niet alleen veroordeeld zijn om zonder bemiddeling onze eigen ondergang te dragen, maar er zullen ook steeds minder mogelijkheden zijn om afscheid te nemen. Het uur van de autofagie1 staat voor de deur en daarmee de dood van de gemeenschap, omdat er geen gemeenschap is die haar naam waardig is, als het laatste afscheid, het herinneren van de levenden op het moment van de dood, onmogelijk wordt.
De gemeenschap – of liever gezegd het gemeenschappelijke – is niet alleen gebaseerd op de mogelijkheid om afscheid te nemen, dat wil zeggen: om een unieke ontmoeting met anderen te hebben en deze ontmoeting keer op keer te eren. Het gemeenschappelijke is ook gebaseerd op de mogelijkheid om onvoorwaardelijk te delen, door er telkens iets absoluut intrinsieks uit te halen, iets dat niet telbaar, niet te overzien en onbetaalbaar is.
1Katabolisme is het afbreken, via een zogenaamd katabool reactiepad, van grote moleculen in kleinere moleculen in de cel(len) van een organisme (bron: Wikipedia)
1Ontofanie laat zich het best vertalen als zijnsmanifestatie (bron: Het heilige en het dagelijkse bestaan: een onderzoek naar het wezen van religie door Mircea Eliade, uitgeverij Abraxas, 2006)
1Autofagie (letterlijk: het opeten van zichzelf) is het proces waarbij een lichaam eigen celcomponenten begint af te breken, 10 tot 72 uur na de laatste opname van voedsel (bron: Wikipedia)
2.
Het lijdt geen twijfel dat de situatie steeds nijpender wordt. Gevangen in de wurggreep van onrechtvaardigheid en ongelijkheid wordt een groot deel van de mensheid bedreigd door verstikking, nu het gevoel dat onze wereld in een staat van uitstel verkeert zich wijd en zijd verspreidt.
Als er onder deze omstandigheden sprake is van een day after, kan dat niet ten koste gaan van een bepaalde groep – altijd dezelfden – zoals in de Ancienne Économie, de economie die aan deze revolutie voorafging. Het moet noodzakelijkerwijs een dag zijn voor alle bewoners van de aarde, zonder onderscheid naar soort, ras, geslacht, staatsburgerschap, religie of andere onderscheidende kenmerken. Met andere woorden: die day after zal alleen komen via een gigantische breuk, het resultaat van radicale verbeelding.
Een eenvoudige opknapbeurt zal gewoonweg niet volstaan. Diep in deze krater zullen we alles letterlijk opnieuw moeten uitvinden, te beginnen met het sociale. Als werken, winkelen, het nieuws volgen en contacten onderhouden, met elkaar praten en samen delen, drinken, bidden en begrafenissen organiseren alleen nog maar kan plaatsvinden via de interface van het scherm, is het tijd om te erkennen dat we aan alle kanten omgeven zijn door ringen van vuur. Het digitale is voor een groot deel het nieuwe gapende gat dat de aarde doet exploderen. Tegelijkertijd een greppel, een tunnel en een maanlandschap, is het tevens de bunker waar mannen en vrouwen worden uitgenodigd om te schuilen, in isolement.
Men zegt dat het lichaam van vlees en botten, het fysieke en sterfelijke lichaam, door het digitale zal worden bevrijd van zijn gewicht en traagheid. Na deze transfiguratie zal het uiteindelijk in staat zijn om door het kijkglas heen te bewegen, afgesneden van de biologische corruptie en teruggebracht tot een synthetisch universum van stromen. Maar dat is een illusie, want net zoals er geen mensheid is zonder lichamen, zal de mensheid ook nooit in eenzaamheid, buiten de samenleving en de gemeenschap, de vrijheid kennen, en die vrijheid mag ook nooit ten koste gaan van de biosfeer.
3.
We moeten opnieuw beginnen. Om te overleven, moeten we alle levende wezens – inclusief de biosfeer – de ruimte en energie teruggeven die ze nodig hebben. In zijn bedompte onderbuik is de moderniteit een eindeloze oorlog tegen het leven geweest. En die oorlog is nog lang niet voorbij. Een van de belangrijkste modi ervan, die rechtstreeks tot de verarming van de wereld en tot de verdroging van hele delen van de planeet leidt, is de onderwerping aan het digitale.
In de nasleep van deze ramp bestaat het gevaar dat de wereld, in plaats van onderdak te bieden aan alle levende soorten, helaas een nieuwe periode van spanning en wreedheid zal ingaan.[1] Op geopolitiek niveau zal de logica van de macht blijven domineren. Bij gebrek aan een gemeenschappelijke infrastructuur zal een venijnige verdeling van de wereld sterker worden en zullen de scheidslijnen intensiever worden. Veel staten zullen hun grenzen proberen te versterken in de hoop zichzelf tegen de buitenwereld te kunnen beschermen. Zij zullen ook proberen het constitutieve geweld te verbergen dat ze gewoontegetrouw blijven richten op de meest kwetsbaren. Het leven achter schermen en in afgesloten gemeenschappen zal de norm worden.
Vooral in Afrika, maar ook op veel andere plekken in het mondiale zuiden, zullen de energie-intensieve winning van grondstoffen, de uitbreiding van het landbouwarsenaal, de roofzuchtige verkoop van land en de verwoesting van bossen onverminderd doorgaan. Het voeden en koelen van computerchips en supercomputers hangt ervan af. Voor het leveren van de middelen en de energie die nodig zijn voor de wereldwijde computerinfrastructuur zullen verdere beperkingen van de menselijke mobiliteit nodig zijn. Het op afstand houden van de rest van de wereld wordt de norm om allerlei risicoʼs buiten de deur te houden. Maar omdat onze ecologische precariteit niet wordt aangepakt zal deze katabole wereldvisie, geïnspireerd door theorieën over immunisatie en besmetting, weinig doen om uit de planetaire impasse te komen waarin we ons bevinden.
4.
Al deze oorlogen tegen het leven beginnen met het wegnemen van de adem. COVID-19 heeft, omdat het de ademhaling belemmert en de reanimatie van menselijke lichamen en weefsels blokkeert, hetzelfde effect. Wat is immers het doel van ademen, anders dan de opname van zuurstof en de uitstoot van kooldioxide, in een dynamische uitwisseling tussen bloed en weefsels? Maar gezien het tempo waarin het leven op aarde verdwijnt, en tegen de achtergrond van wat er overblijft van de rijkdom van de planeet, is het de vraag hoe ver we écht zijn verwijderd van de tijd dat er meer koolstofdioxide dan zuurstof zal zijn om in te ademen.
Ook vóór dit virus werd de mensheid al met verstikking bedreigd. Als er al oorlog gevoerd moet worden, kan die beter niet zozeer tegen een specifiek virus gericht zijn als wel tegen alles dat de meerderheid van de mensheid dwingt tot een voortijdige stopzetting van het ademhalen, alles dat de luchtwegen fundamenteel aantast, alles dat – in de lange regeerperiode van het kapitalisme – hele segmenten van de wereldbevolking, hele rassen, tot een moeilijk, hijgend ademen en een leven van onderdrukking heeft veroordeeld. Als we aan deze beklemming willen ontsnappen, betekent dit dat we het ademen buiten het puur biologische aspect moeten beschouwen – als datgene dat we gemeen hebben, en als datgene dat zich per definitie aan alle berekeningen onttrekt. Waarmee ik doel op het universele recht om te ademen.
Als datgene dat zowel ongegrond is als onze gemeenschappelijke basis, is het universele recht om te ademen niet kwantificeerbaar en kan het niet worden toegeëigend. Vanuit een universeel perspectief is dit niet alleen het recht van ieder lid van de mensheid, maar van al het leven. Het moet daarom worden begrepen als een fundamenteel bestaansrecht. Bijgevolg kan het niet worden geconfisqueerd en onttrekt het zich aan alle soevereiniteit, waardoor het het soevereine principe par excellence symboliseert. Bovendien is het een onvervalst rechtom te leven op aarde, een recht dat toebehoort aan de universele gemeenschap van aardbewoners, mensen of geen mensen.[2]
Coda
Deze kwestie is al duizend keer aan de orde geweest. We kunnen de aanklacht met gesloten ogen herhalen. Of het nu gaat om de vernietiging van de biosfeer, de overname van de geest door de technowetenschappen, het criminaliseren van verzet, de herhaalde aanvallen op de rede, de algemene onwetendheid of de opkomst van determinismen (genetisch, neuronaal, biologisch of ecologisch), de gevaren waarmee de mensheid wordt geconfronteerd zijn in toenemende mate existentieel van aard.
Van al deze gevaren is het grootste dat alle vormen van leven onmogelijk worden gemaakt. Tussen degenen die ervan dromen ons bewustzijn naar machines te uploaden en degenen die zeker menen te weten dat de volgende mutatie van onze soort erin zal bestaan dat we onszelf zullen kunnen bevrijden van onze biologische schil, is weinig verschil. De eugenetische verleiding is niet verdwenen. Integendeel, zij ligt aan de basis van de recente vooruitgang in wetenschap en technologie.
Dit is het moment waarop deze plotselinge stilstand, deze onderbreking is gearriveerd – niet van de geschiedenis maar van iets dat ons nog steeds ontgaat. Omdat zij ons is opgelegd, vloeit deze stopzetting niet voort uit onze vrije wil. In vele opzichten is zij tegelijkertijd onvoorzien en onvoorspelbaar. Maar wat we nodig hebben is een vrijwillige stopzetting, een bewuste en volledig consensuele onderbreking. Want als dat niet gebeurt zal er geen morgen zijn en zal er straks niets anders meer bestaan dan een eindeloze reeks onvoorziene gebeurtenissen.
Als COVID-19 inderdaad de spectaculaire uitdrukking is van de planetaire impasse waarin de mensheid zich vandaag bevindt, moeten we een bewoonbare aarde reconstrueren om ons allemaal weer te laten ademen. We moeten de longen van onze wereld terugwinnen om nieuwe wegen in te kunnen slaan. De mensheid en de biosfeer zijn één. Op zichzelf heeft de mensheid geen toekomst. Zijn we in staat opnieuw te ontdekken dat ieder van ons tot dezelfde soort behoort, dat we een ondeelbare band hebben met al het leven? Misschien is dat wel de hamvraag voordat we onze laatste adem uitblazen.
Vertaling: Tiers Bakker
[1]
Voortbouwend op de oorsprong van de term als aanduiding van een
architectonische beweging uit het midden van de twintigste eeuw, heb
ik het brutalisme gedefinieerd als een hedendaags proces
waarbij ʻmacht voortaan wordt gevormd, uitgedrukt en
geherconfigureerd, en handelt en zich reproduceert, als een geomorfe
kracht.ʼ Hoe dan? Door processen die ʻbreken en scheuren,ʼ ʻhet
leegmaken van vaten,ʼ ʻborenʼ en ʻhet verdrijven van organisch
materiaalʼ omvatten – in één woord, door wat ik ʻuitputtingʼ
noem (Achille Mbembe, Brutalisme [Parijs, 2020], pp. 9, 10,
11).
[2]
Zie Sarah Vanuxem, La propriété de la Terre (Parijs, 2018)
en Marin Schaffner, Un sol commun. Lutter, habiter, penser
(Parijs, 2019).
Slavoj Zizek (Slovenië, 1949) is een van de bekendste hedendaagse filosofen. Zijn werk is vooral beïnvloed door Hegel, Marx en Lacan. Hij noemt zichzelf een eurocentrisch marxist. Zijn nieuwe boek, ‘Als een dief op klaarlichte dag’, verschijnt in mei bij Starfish Books.
Veel progressieve en linkse commentatoren hebben
opgemerkt hoe de coronavirus-epidemie dient om maatregelen van
controle en toezicht te rechtvaardigen en te legitimeren die in een
westerse democratische samenleving tot nu toe ondenkbaar waren. Is de
totale lockdown in Italië niet een natte droom van totalitaire types
die werkelijkheid is geworden? Geen wonder dat (althans zoals het er
nu uitziet) China, dat al eerder op grote schaal allerlei manieren
van gedigitaliseerde sociale controle heeft uitgeoefend, het best
toegerust bleek te zijn om het hoofd te bieden aan catastrofale
epidemieën. Betekent dit dat China, in ieder geval in sommige
opzichten, onze toekomst is? Komen we in de buurt van een wereldwijde
uitzonderingstoestand? Hebben de analyses van Giorgio Agamben een
nieuwe actualiteit verkregen?
Het is niet verwonderlijk dat Agamben zelf deze conclusie trok: hij reageerde radicaal anders op de coronavirus-epidemie dan de meeste andere commentatoren. Hij betreurde de ʻpanische, irrationele en absoluut ongerechtvaardigde noodmaatregelen voor een vermeende coronavirus-epidemie,ʼ die slechts ʻeen soort griepʼ zou zijn, en vroeg: ʻWaarom doen de media en de autoriteiten hun uiterste best om een klimaat van paniek te creëren, waardoor een echte uitzonderingstoestand ontstaat, met ernstige beperkingen van de bewegingsvrijheid en de opschorting van de normale dagelijkse activiteiten in hele regioʼs als gevolg?ʼ
Agamben ziet de belangrijkste reden voor deze
ʻdisproportionele
reactieʼ in ʻde
groeiende tendens om de uitzonderingstoestand als een normaal
beleidsparadigma te gebruiken.ʼ
De opgelegde maatregelen stellen de regering in staat onze vrijheden
per decreet ernstig in te perken: ʻHet
is overduidelijk dat deze beperkingen niet in verhouding staan tot de
dreiging van wat volgens de NRC een normale griep is, die niet veel
verschilt van die welke ons elk jaar treft. /… / We zouden kunnen
zeggen dat nu het terrorisme is uitgeput als rechtvaardiging voor
uitzonderlijke maatregelen, de uitvinding van een epidemie het ideale
excuus is om dergelijke maatregelen onbeperkt te kunnen verruimen.ʼ
De tweede reden is ʻde
toestand van angst, die zich de laatste jaren heeft verspreid tot in
het individuele bewustzijn van mensen en die zich vertaalt in een
reële behoefte aan een toestand van collectieve paniek, waarvoor de
epidemie opnieuw het ideale excuus biedt.ʼ
Agamben beschrijft een belangrijk aspect van het
functioneren van het staatstoezicht bij actuele epidemieën. Maar er
blijven vragen open: waarom zou de staatsmacht geïnteresseerd zijn
in het bevorderen van een dergelijke paniek, die gepaard gaat met
wantrouwen in de staatsmacht (ʻze
zijn hulpeloos, ze doen niet genoeg…ʼ)
en die de vlotte reproductie van kapitaal verstoort? Is het werkelijk
in het belang van het kapitaal en de staatsmacht om een wereldwijde
economische crisis op gang te brengen teneinde hun heerschappij nieuw
leven in te blazen? Zijn de duidelijke tekenen dat niet alleen gewone
mensen, maar ook de staatsmacht zelf in paniek is, zich volledig
bewust van het feit dat zij de situatie niet onder controle heeft –
zijn deze tekenen werkelijk slechts een list?
Agambens reactie is de extreme vorm van een
wijdverbreide linkse houding van het interpreteren van de ʻoverdreven
paniek,ʼ veroorzaakt
door de verspreiding van het virus, als een mengeling van
machtsuitoefening via sociale controle en elementen van regelrecht
racisme (ʻgeef de schuld
aan de natuur of aan Chinaʼ).
Een dergelijke sociale interpretatie doet de realiteit van de
dreiging echter niet verdwijnen. Dwingt deze realiteit ons om onze
vrijheden effectief te kortwieken? Quarantaines en soortgelijke
maatregelen beperken natuurlijk onze vrijheid, en nieuwe Assanges
zijn hier nodig om mogelijk misbruik aan het licht te brengen. Maar
de dreiging van een virusinfectie heeft ook een enorme impuls gegeven
aan nieuwe vormen van lokale en mondiale solidariteit, en duidelijk
gemaakt dat de macht zelf onder controle moet worden gehouden. De
mensen hebben gelijk als ze de staatsmacht verantwoordelijk stellen:
jullie hebben de macht, laat nu maar eens zien wat jullie kunnen! De
uitdaging waar Europa voor staat, is te bewijzen dat wat China heeft
gedaan ook op een transparantere en meer democratische manier kan:
ʻChina heeft maatregelen ingevoerd die West-Europa en de VS waarschijnlijk niet zullen tolereren, wellicht ten eigen nadele. Om het botweg te zeggen: het is een vergissing om alle vormen van detectie en modellering reflexmatig te interpreteren als ʻtoezichtʼ en actief bestuur als ʻsociale controle.ʼ We hebben een andere en meer genuanceerde woordenschat nodig.ʼ [1]
Alles hangt af van deze ʻmeer
genuanceerde woordenschatʼ:
de maatregelen die nodig zijn om een epidemie in te dammen moeten
niet automatisch worden teruggebracht tot het gebruikelijke paradigma
van toezicht en controle dat door denkers als Foucault werd
gepropageerd. Wat ik vandaag meer vrees dan de maatregelen die door
China (en Italië en…) worden toegepast, is dat deze landen de
maatregelen zullen toepassen op een manier die niet zal werken om de
epidemie in te dammen, terwijl de autoriteiten de ware feiten zullen
manipuleren en verbergen.
Zowel alt-right als nep-links weigeren de
volledige realiteit van de epidemie onder ogen te zien en maken er
een oefening in sociaal-constructivistische reductie van, dat wil
zeggen: ze hekelen haar vanwege haar sociale betekenis. Trump en zijn
aanhangers houden herhaaldelijk staande dat de epidemie een complot
is van de Democraten en China om hem de komende verkiezingen te laten
verliezen, terwijl sommigen ter linkerzijde de door de staat en de
volksgezondheidsinstanties voorgestelde maatregelen aan de kaak
stellen als besmet door xenofobie, en daarom aandringen op het
schudden van de handen, enz. Een dergelijke houding gaat voorbij aan
de volgende paradox: geen handen schudden en in quarantaine gaan
indien nodig, IS de hedendaagse vorm van solidariteit betonen.
Wie kunnen het zich vandaag de dag veroorloven om handen te schudden en elkaar te omhelzen? De bevoorrechten. Boccaccioʼs Decamerone staat vol met verhalen die verteld worden door een groep van zeven jonge vrouwen en drie jonge mannen die in een afgelegen villa net buiten Florence schuilen om te ontsnappen aan de pest die de stad teistert. Ook nu trekt de financiële elite zich terug in afgelegen zones en vermaakt zich daar met het vertellen van verhalen in Decamerone-stijl. (De ultra-rijken vliegen met privé-vliegtuigen naar exclusieve kleine eilanden in het Caribisch gebied). Wij, de gewone mensen, die met virussen zullen moeten zien te leven, worden gebombardeerd met de eindeloos herhaalde formule ʻGeen paniek!ʼ… om vervolgens alle feiten voorgeschoteld te krijgen die alleen maar paniek kunnen veroorzaken. De situatie lijkt op de toestand die ik me herinner uit mijn jeugd in een communistisch land: als overheidsfunctionarissen ons verzekerden dat er geen reden tot paniek was, zagen wij deze geruststelling allemaal als een duidelijk signaal dat zij zelf in paniek waren.
Maar paniek is geen goede manier om een echte
dreiging het hoofd te bieden. Als we op panische wijze reageren,
nemen we de dreiging niet al te serieus, maar bagatelliseren we die
juist. Denk maar eens aan hoe belachelijk het is om buitensporig veel
wc-papier te kopen: alsof het hebben van voldoende wc-papier
belangrijk is als er sprake is van een dodelijke epidemie… Maar wat
is dan wél een gepaste reactie op de coronavirusepidemie? Wat moeten
we leren en wat moeten we doen om die serieus tegemoet te treden?
Toen ik opperde dat de coronavirusepidemie het communisme een nieuwe impuls zou kunnen geven, werd mijn bewering, zoals te verwacht was, belachelijk gemaakt. Hoewel het erop lijkt dat de krachtige aanpak van de crisis door de Chinese staat heeft gewerkt – in ieder geval veel beter dan wat er in Italië is gebeurd – heeft de oude autoritaire logica van communisten die aan de macht zijn ook duidelijk zijn beperkingen laten zien. Een daarvan is dat de angst om de machthebbers (en het publiek) met slecht nieuws te confronteren zwaarder weegt dan de werkelijke feiten. Dit was de reden dat degenen die voor het eerst melding maakten van een nieuw virus werden gearresteerd; inmiddels doen berichten de ronde dat er nu iets dergelijks aan de hand is:
ʻDe
druk om China weer aan het werk te krijgen na de coronavirus-lockdown
brengt een oude verleiding weer tot leven: het manipuleren van de
feiten, zodat de hoge ambtenaren zien wat ze willen zien. Dit
fenomeen doet zich voor in de provincie Zhejiang, een industrieel
knooppunt aan de oostkust, op het gebied van het
elektriciteitsverbruik. Minstens drie steden daar hebben lokale
fabrieken doelstellingen gegeven voor het stroomverbruik; volgens
ingewijden worden de gegevens gebruikt om een heropleving van de
productie te laten zien. Dat heeft sommige bedrijven ertoe aangezet
om hun machines te laten draaien, ook al blijven de fabrieken leeg.ʼ
We kunnen ook wel raden wat er zal gebeuren als de machthebbers dit bedrog opmerken: plaatselijke managers zullen worden beschuldigd van sabotage en zwaar worden gestraft, waardoor deze vicieuze cirkel van wantrouwen in stand wordt gehouden… Hier is een Chinese Julian Assange nodig om het publiek de verborgen kant van de manier waarop China met de epidemie omgaat te laten zien. Maar als dit niet het communisme is dat ik in gedachten heb, wat bedoel ik dan als ik het over communisme heb? Om dit te begrijpen volstaat het om de publieke verklaringen van de WHO te lezen. Hier is een recente:
WHO-directeur dr. Tedros Adhanom Ghebreyesus heeft
donderdag gezegd dat hoewel de volksgezondheidsinstanties over de
hele wereld de mogelijkheid hebben om de verspreiding van het virus
met succes te bestrijden, de organisatie zich zorgen maakt dat in
sommige landen het niveau van de politieke betrokkenheid niet
overeenkomt met het dreigingsniveau. ʻDit
is geen oefening. Dit is niet het moment om het op te geven. Dit is
geen tijd voor excuses. Dit is een tijd om alles uit de kast te
halen. Landen maken al decennia lang plannen voor dit soort
scenarioʼs. Nu is het
tijd om die plannen ten uitvoer te leggen,ʼ
aldus Tedros. ʻDeze
epidemie kan worden teruggedrongen, maar alleen aan de hand van een
collectieve, gecoördineerde en alomvattende aanpak, die de hele
machinerie van de overheid in werking stelt.ʼ
Je zou hieraan kunnen toevoegen dat een dergelijke alomvattende aanpak veel verder moet reiken dan de machinerie van afzonderlijke regeringen: hij zou tevens de lokale mobilisatie van mensen buiten de controle van de staat moeten omvatten, evenals een sterke en efficiënte internationale coördinatie en samenwerking. Als duizenden mensen in het ziekenhuis worden opgenomen voor ademhalingsproblemen, zal een heel groot aantal beademingsapparaten nodig zijn, en om die te kunnen verkrijgen zou de staat direct moeten ingrijpen, op dezelfde manier als wanneer er in oorlogsomstandigheden duizenden geweren nodig zijn. En de staat zou moeten vertrouwen op de samenwerking met andere staten. Net als bij een militaire campagne moet informatie worden gedeeld en moeten plannen volledig worden gecoördineerd – DIT is wat ik bedoel als ik zeg dat we vandaag de dag ʻcommunismeʼ nodig hebben, of zoals Will Hutton het formuleerde: ʻNu is een vorm van ongereguleerde mondialisering, gebaseerd op de vrije markt, met zijn neiging om crises en pandemieën te veroorzaken, duidelijk aan het sterven. Maar een andere vorm, die de onderlinge afhankelijkheid en het primaat van een op bewijzen gebaseerde collectieve actie erkent, wordt geboren.ʼ Wat nu nog overheerst is de houding van ʻieder land voor zichzelfʼ: ʻEr zijn nationale verbodsbepalingen op de export van belangrijke producten zoals medische benodigdheden, terwijl landen terugvallen op hun eigen analyse van de crisis en er sprake is van lokale tekorten en lukrake, primitieve benaderingen van de indamming van het virus.ʼ
De coronavirus-epidemie geeft niet alleen de grens aan van de mondialisering van de markt, maar tevens de nog dodelijker grens van het nationalistische populisme, dat aandringt op volledige staatssoevereiniteit. Het is afgelopen met ʻAmerika (of wie dan ook) eerst!,ʼ aangezien Amerika alleen nog gered kan worden door wereldwijde coördinatie en samenwerking. Op dit punt ben ik geen utopist; ik doe geen beroep op een geïdealiseerde solidariteit tussen mensen. Integendeel, de huidige crisis laat duidelijk zien hoe wereldwijde solidariteit en samenwerking in het belang zijn van het voortbestaan van iedereen en van ieder van ons, en hoe dit het enige rationeel-egoïstische is dat we kunnen doen. En het gaat niet alleen om het coronavirus: China zelf kampte een paar maanden geleden met een enorme uitbraak van de varkenspest, en wordt nu bedreigd door het vooruitzicht van een sprinkhaneninvasie. Plus, zoals Owen Jones heeft opgemerkt: de klimaatcrisis doodt veel meer mensen over de hele wereld dan het coronavirus, maar daar is geen paniek over…
Vanuit een cynisch vitalistisch standpunt zou je geneigd zijn het coronavirus te zien als een heilzame infectie, die de mensheid in staat stelt zich te ontdoen van de ouderen, zieken en zwakkeren, als het uit de grond trekken van half verrot onkruid, waardoor het bijdraagt aan de mondiale gezondheid. De brede communistische benadering die ik voorsta is de enige manier om een dergelijk primitief vitalistisch standpunt achter ons te laten. Tekenen die duiden op het beknotten van de onvoorwaardelijke solidariteit zijn al te zien in de lopende debatten, zoals blijkt uit het volgende bericht over de rol van ʻdrie wijzenʼ als de epidemie een nóg catastrofalere wending neemt in Groot-Brittannië: ʻNHS-patiënten kan levensreddende zorg worden ontzegd tijdens een ernstige uitbraak van het coronavirus in Groot-Brittannië, als intensive care-afdelingen het moeilijk hebben, zo hebben artsen gewaarschuwd. Op grond van het protocol van de ʻdrie wijzenʼ kan in ieder ziekenhuis aan drie consultants gevraagd worden beslissingen te nemen over het rantsoeneren van de zorg, zoals beademingsapparaten en bedden, in het geval dat de ziekenhuizen worden overspoeld met patiënten.ʼ Op welke criteria zullen deze ʻdrie wijzenʼ zich baseren? Het opofferen van de oudsten en zwaksten? En zal deze toestand dan geen ruimte scheppen voor immense corruptie? Wijzen dergelijke procedures er niet op dat we ons opmaken voor de tenuitvoerlegging van de meest meedogenloze logica van de overleving van de sterksten? Dus, nogmaals: de uiteindelijke keuze gaat tussen dít of een nieuwe vorm van het communisme.
Maar de dingen gaan nog veel dieper dan dat. Wat
ik vooral vervelend vind is hoe, als onze media een sluiting of
annulering van iets aankondigen, ze daar in de regel een vaste
tijdsbeperking aan toevoegen, zoals in de formule ʻde
scholen zijn gesloten tot 4 april.ʼ
De verwachting is dat, na de piek die nu snel moet komen, alles weer
normaal zal worden. In die zin werd mij al meegedeeld dat een
universiteitssymposium slechts tot september zou worden uitgesteld…
Het addertje onder het gras is dat, zelfs wanneer het leven
uiteindelijk weer normaal wordt, het nooit meer hetzelfde ʻnormaalʼ
zal zijn als vóór de uitbraak: de dingen waaraan we gewend waren
als onderdeel van ons dagelijks leven zullen niet meer als
vanzelfsprekend worden beschouwd; we zullen moeten leren een veel
fragieler leven te leiden, met constante bedreigingen die om de hoek
op de loer liggen.
Daarom kunnen we verwachten dat virale epidemieën
onze meest elementaire interacties met andere mensen en objecten in
onze omgeving zullen beïnvloeden, inclusief onze eigen lichamen:
raak geen dingen aan die (onzichtbaar) ʻviesʼ
kunnen zijn, raak geen hoeken en deurklinken aan, ga niet op openbare
toiletten zitten of op banken in openbare gelegenheden, omhels
anderen niet en geef hen geen hand… En wees ook voorzichtig hoe je
met je eigen lichaam en je eigen spontane gebaren omgaat: raak je
neus niet aan en wrijf niet in je ogen – kortom, speel niet met
jezelf. Het zijn dus niet alleen de staat en andere instanties die
ons zullen controleren; we moeten leren om onszelf te controleren en
te disciplineren! Misschien zal alleen de virtuele realiteit straks
nog als veilig worden beschouwd, en zal het vrij bewegen in de open
ruimte beperkt blijven tot de eilanden die eigendom zijn van de
ultra-rijken.
Maar zelfs daar, op het niveau van de virtuele
realiteit en het internet, moeten we onszelf eraan herinneren dat de
termen ʻvirusʼ
en ʻhet
viraleʼ de
laatste decennia vooral zijn gebruikt om digitale virussen mee aan te
duiden die onze webruimte besmetten en waarvan we ons niet bewust
waren, althans niet totdat hun vernietigende kracht (om bijvoorbeeld
onze gegevens of onze harde schijf te vernietigen) werd ontketend.
Wat we nu zien is een massale terugkeer naar de oorspronkelijke,
letterlijke betekenis van de term: virale infecties gaan in beide
dimensies, de echte en de virtuele, hand in hand.
We zullen dus onze hele houding tegenover het leven moeten veranderen, en tegenover ons bestaan als levende wezens tussen andere levensvormen. Met andere woorden: als we ʻfilosofieʼ begrijpen als de term voor onze basisoriëntatie in het leven, zullen we een ware filosofische revolutie moeten ervaren. Misschien kunnen we iets leren over onze reacties op de coronavirus-epidemie van Elisabeth Kübler-Ross, die in haar On Death and Dying het beroemde schema van de vijf stadia heeft gepresenteerd van hoe we reageren als we horen dat we een terminale ziekte hebben: ontkenning (je weigert eenvoudigweg het feit te accepteren: ʻDit kan mij niet overkomenʼ); boosheid (die tot uitbarsting komt als we het feit niet langer kunnen ontkennen: ʻHoe kan mij dit nu overkomen?ʼ); onderhandelen (de hoop dat we het feit op de een of andere manier kunnen uitstellen of minder erg kunnen laten zijn: ʻLaat me gewoon leven om mijn kinderen te zien afstuderenʼ); depressie (libidinale desinvestering: ʻIk ga dood, dus waarom zou ik me nog ergens mee bemoeien?ʼ); aanvaarding (ʻIk kan er niet tegen vechten, dus ik kan me er net zo goed op voorbereidenʼ.) Later paste Kübler-Ross dit schema toe op iedere vorm van catastrofaal persoonlijk verlies (werkloosheid, de dood van een geliefde, echtscheiding, drugsverslaving), en benadrukte ze ook dat ze zich niet noodzakelijkerwijs in dezelfde volgorde hoeven voor te doen, en dat niet alle vijf stadia door alle patiënten op dezelfde manier ervaren worden.
Je kunt dezelfde vijf stadia onderscheiden als een
samenleving geconfronteerd wordt met een of andere traumatische
breuk. Laten we de dreiging van een ecologische catastrofe nemen:
eerst hebben we de neiging om die te ontkennen (het is gewoon
paranoia, wat er gebeurt zijn de gebruikelijke schommelingen in de
weerpatronen); dan komt de woede (op de grote bedrijven die ons
milieu vervuilen, op de overheid die de gevaren negeert), gevolgd
door onderhandelen (als we ons afval recyclen, kunnen we misschien
wat tijd kopen; bovendien zitten er ook goede kanten aan: we kunnen
straks groenten op Groenland verbouwen, schepen zullen veel sneller
goederen van China naar de VS kunnen vervoeren via de noordelijke
route, er komt nieuw vruchtbaar land beschikbaar in het noorden van
Siberië door het smelten van de permafrost…), depressie (het is te
laat, we zijn verdoemd…), en, tenslotte, aanvaarding: we hebben te
maken met een ernstige dreiging en we zullen onze hele manier van
leven moeten veranderen!
Hetzelfde geldt voor het toenemende gevaar van
digitale controle over ons leven: eerst hebben we de neiging om die
te ontkennen (het is overdreven, linkse paranoia, geen enkele
instantie kan onze dagelijkse activiteiten controleren…), dan
barsten we uit in woede (op grote bedrijven en geheime
staatsinstanties die ons beter kennen dan wij onszelf en die deze
kennis gebruiken om ons te controleren en te manipuleren), gevolgd
door onderhandelen (de autoriteiten hebben het recht om naar
terroristen te zoeken, maar niet om onze privacy te schenden…),
depressie (het is te laat, onze privacy is verloren, de tijd van
persoonlijke vrijheden is voorbij), en, tenslotte, aanvaarding:
digitale controle is een bedreiging voor onze vrijheid; we moeten het
publiek bewust maken van alle dimensies ervan en ons inzetten voor de
bestrijding!
Zelfs op het gebied van de politiek geldt
hetzelfde voor degenen die getraumatiseerd zijn door het
presidentschap van Trump: eerst was er ontkenning (maak je geen
zorgen, Trump doet alleen maar alsof, er zal niets echt veranderen
als hij aan de macht is), gevolgd door woede (op de duistere krachten
die hem in staat stelden de macht te grijpen, op de populisten die
hem steunen en een bedreiging vormen voor onze morele inhoud…),
onderhandelen (alles is nog niet verloren, misschien kan Trump nog
worden ingedamd, laten we gewoon wat van zijn excessen tolereren…),
depressie (we zijn op de weg naar het fascisme, de democratie gaat
verloren in de VS), en aanvaarding: er is een nieuw politiek regime
in de VS, de goede oude tijd van de Amerikaanse democratie is
voorbij, laten we het gevaar onder ogen zien en rustig plannen hoe we
het populisme van Trump kunnen overwinnen…
In de middeleeuwen reageerde de bevolking van een
getroffen stad op vergelijkbare wijze op de komst van de pest: eerst
ontkenning, dan boosheid (op ons zondige leven waarvoor we gestraft
worden, of zelfs op de wrede God die dit heeft toegestaan), dan
onderhandelen (het is niet zo erg, laten we gewoon degenen die ziek
zijn uit de weg gaan…), dan depressie (ons leven is voorbij…),
vervolgens, interessant genoeg, orgieën (laten we, omdat ons leven
voorbij is, er nog alle mogelijke pleziertjes uit halen – drank,
seks…), en, tenslotte, aanvaarding: Hier zijn we dan, laten we ons
zo veel mogelijk gedragen alsof het normale leven doorgaat…
En is dit niet ook de manier waarop we omgaan met
de coronavirus-epidemie die eind 2019 is uitgebroken? Eerst was er de
ontkenning (er is niets ernstigs aan de hand, een paar
onverantwoordelijke individuen verspreiden alleen maar paniek);
daarna woede (doorgaans in racistische of anti-etatistische vorm: die
smerige Chinezen zijn schuld, onze staat is niet efficiënt…);
vervolgens onderhandelen (okee, er zijn een paar slachtoffers, maar
het is minder ernstig dan SARS, en we kunnen de schade beperken…);
maar als dat niet blijkt te werken, ontstaat er een depressie (laten
we onszelf niet voor de gek houden, we zijn allemaal verdoemd). Maar
hoe zou aanvaarding er kunnen uitzien? Het is vreemd dat de epidemie
een kenmerk gemeen heeft met de jongste ronde van sociale protesten
(in Frankrijk, in Hong Kong…): die komen niet tot uitbarsting en
verdwijnen vervolgens weer; ze blijven juist aanhouden, waardoor ze
permanente angst en kwetsbaarheid in ons leven brengen. Maar deze
aanvaarding kan twee kanten op gaan. Het kan louter de
her-normalisatie van ziekte betekenen: okee, er zullen mensen
sterven, maar het leven zal doorgaan, en misschien zijn er zelfs
enkele goede neveneffecten… Of de aanvaarding kan (en moet) ons
ertoe aanzetten om ons te mobiliseren zonder paniek en illusies, om
te handelen in collectieve solidariteit.
Wat we moeten accepteren, waar we ons mee moeten
verzoenen, is dat er een onderlaag van het leven is – het ondode,
stompzinning repetitieve, pre-seksuele leven van virussen, dat er
altijd al is geweest en dat altijd bij ons zal blijven, als een
donkere schaduw, die een bedreiging vormt voor onze overleving, tot
uitbarsting komend wanneer we het het minst verwachten. En op een nog
algemener niveau herinneren virusepidemieën ons aan de ultieme
toevalligheid en zinloosheid van het leven: het maakt niet uit welke
grootse geestelijke bouwwerken wij als mensheid kunnen optrekken,
want een stompzinnig natuurlijk toeval als een virus of een asteroïde
kan er zo een einde aan maken… Om nog maar te zwijgen van de les
van de ecologie die inhoudt dat wij, als mensheid, ook onbewust
kunnen bijdragen aan dit doel.
Om dit punt te verduidelijken moet ik schaamteloos een populaire definitie citeren: virussen zijn ʻinfectieuze agentia, meestal ultramicroscopisch klein, die bestaan uit nucleïnezuur, RNA of DNA, binnen een omhulsel van eiwit: ze infecteren dieren, planten en bacteriën, en reproduceren zich uitsluitend binnen levende cellen: virussen worden beschouwd als niet-levende chemische eenheden, maar soms ook als levende organismen.ʼ Deze oscillatie tussen leven en dood is cruciaal: virussen zijn noch levend, noch dood in de gebruikelijke zin van het woord. Ze zijn de levende doden: een virus is levend door zijn drang tot replicatie, maar het is wel een soort leven op nulniveau, een biologische karikatuur, niet zozeer in de zin van de drang naar de dood als wel van het leven op het meest stompzinnige niveau van herhaling en vermenigvuldiging. Virussen zijn echter geen elementaire levensvorm waaruit complexere vormen zijn ontstaan. Ze zijn puur parasitair; ze vermenigvuldigen zich door meer ontwikkelde organismen te infecteren (als een virus ons, mensen, infecteert, dienen we gewoon als kopieermachine). Het is in dit toeval der tegengestelden – het elementaire en het parasitaire – dat het mysterie van virussen schuilt: ze zijn een voorbeeld van wat Schelling ʻder nie aufhebbare Restʼ noemde, een restant van de allerlaagste levensvorm die opduikt als een product van het slecht functioneren van hogere vermenigvuldigingsmechanismen en hen blijft achtervolgen (infecteren), een restant dat nooit kan worden gereïntegreerd als het ondergeschikte element van een hoger levensniveau.
Hier stuiten we op wat Hegel ʻspeculatief
oordeelʼ noemt, een
bevestiging van de identiteit van het hoogste en het laagste. Hegels
bekendste voorbeeld is ʻde
Geest als een bot,ʼ
uit zijn analyse van de frenologie in zijn Fenomenologie
van de Geest; ons voorbeeld zou moeten zijn ʻde
Geest als een virusʼ.
Is de menselijke geest niet ook een soort virus dat parasiteert op
het menselijke dier, het uitbuit voor zijn eigen zelf-reproductie en
het soms dreigt te vernietigen? En voor zover het medium van de geest
de taal is, mogen we niet vergeten dat de taal op zijn meest
elementaire niveau ook iets mechanisch is, een kwestie van regels die
we moeten leren en volgen.
Richard Dawkins beweerde dat memes ʻvirussen
van de geestʼ zijn,
parasitaire entiteiten die de menselijke geest ʻkoloniserenʼ
en die gebruiken als een middel om zich te vermenigvuldigen. Het is
een idee waarvan de bedenker niemand minder dan Leo Tolstoj was.
Tolstoj wordt meestal gezien als een veel minder interessante auteur
dan Dostojevski – een hopeloos achterhaalde realist voor wie in
principe geen plaats is in de moderniteit, in tegenstelling tot
Dostojevskiʼs
existentiële angst. Maar misschien is de tijd gekomen om Tolstoj en
zijn unieke theorie over kunst en de mensheid in het algemeen
volledig te rehabiliteren: daarin treffen we echoʼs
aan van Dawkinsʼ notie
van memes. ʻEen persoon
is een hominide met een geïnfecteerd brein, dat miljoenen culturele
symbionten herbergt, en de voornaamste enablers daarvan zijn
de symbiont-systemen die bekend staan als talenʼ[2]
– is deze passage uit Dennett niet puur Tolstoj? De basiscategorie
van Tolstojs antropologie is infectie: een menselijk subject
is een passief, leeg medium dat geïnfecteerd is door affectieve
culturele elementen die zich, net als besmettelijke bacillen, van het
ene individu naar het andere verspreiden. En Tolstoj gaat hier
helemaal tot het naadje: hij stelt tegenover deze verspreiding van
affectieve infecties geen ware spirituele autonomie; hij stelt geen
heldhaftige visie voor van het opvoeden van zichzelf tot een
volwassen autonoom ethisch subject, door middel van het wegwerken van
besmettelijke bacillen. De enige strijd is de strijd tussen goede en
slechte infecties: het christendom zelf is een infectie, zij het –
voor Tolstoj – een weldadige.
Misschien is dit wel het meest verontrustende dat
we kunnen leren van deze virusepidemie: als de natuur ons met
virussen aanvalt, komt dat in zekere zin neer op het retourneren van
onze eigen boodschap. Die boodschap luidt: wat je mij hebt aangedaan,
doe ik jou nu aan.
Giorgio Agamben is een Italiaanse filosoof die vooral bekend is door zijn werk waarin hij de concepten van de uitzonderingstoestand, levensvorm (ontleend aan Ludwig Wittgenstein) en homo sacer onderzoekt. Agambens filosofie is diepgaand beïnvloed door enerzijds Martin Heidegger, bij wie hij colleges volgde en anderzijds Walter Benjamin, wiens werk hij in het Italiaans vertaalde. De bundel A che punto siamo? met zijn corona-essays, waarvan dit het derde is, verschijnt binnenkort bij Starfish Books.
Opmerking van de Engelse vertaler (Adam Kotsko): Giorgio Agamben heeft mij gevraagd dit korte essay te vertalen, dat een indirect antwoord is op de controverse rondom zijn artikel over de Italiaanse reactie op het coronavirus.
Angst
is een slechte raadgever, maar zorgt er wel voor dat je veel dingen
gaat zien waarvan je had voorgewend ze niet te kúnnen zien. Het
eerste dat de golf van paniek die ons land heeft verlamd vooral heel
duidelijk heeft aangetoond is dat onze samenleving niet meer gelooft
in iets anders dan het naakte leven. Het is duidelijk dat de
Italianen bereid zijn vrijwel alles op te offeren – hun normale
levensomstandigheden, sociale relaties, werk, zelfs vriendschappen,
liefdes en religieuze en politieke overtuigingen – om maar niet
ziek te worden. Het naakte leven – en de angst om dat te verliezen
– is niet iets dat mensen verenigt, het verblindt en scheidt hen.
Net als bij de pestepidemie die wordt beschreven in de roman van
Alessandro Manzoni worden andere mensen nu alleen nog maar gezien als
mogelijke verspreiders van de ziekte, die ten koste van alles gemeden
moeten worden en waarvan je minstens een meter afstand moet houden.
De doden – onze doden – hebben geen recht op een begrafenis en
het is niet duidelijk wat er met de lichamen van onze geliefden
gebeurt. Onze buren zijn weggevaagd en het is merkwaardig dat de
kerken zwijgen over deze kwestie. Hoe zullen de menselijke relaties
zich ontwikkelen in een land dat eraan gewend is geraakt om wie weet
hoe lang nog op deze manier te moeten leven? En wat is een
samenleving waard die geen andere waarde kent dan overleven?
Het
andere ding dat door de epidemie naar voren komt is niet minder
verontrustend. Dat is het feit dat de uitzonderingstoestand, waaraan
regeringen ons al lange tijd hebben laten wennen, in wezen de normale
toestand is geworden. Er zijn in het verleden ernstigere epidemieën
geweest, maar niemand heeft er toen ooit aan gedacht een noodtoestand
zoals deze uit te roepen, die ons zelfs verhindert om te bewegen.
Mensen zijn er nu zó aan gewend geraakt in omstandigheden van
voortdurende crisis en in een permanente noodtoestand te leven dat ze
niet meer lijken te beseffen dat hun leven is teruggebracht tot iets
puur biologisch, zonder enige sociale en politieke, laat staan
menselijke en affectieve dimensie. Een samenleving die in een
permanente noodtoestand verkeert kan geen vrije samenleving zijn. We
leven feitelijk in een samenleving die om zogenoemde ʻredenen
van veiligheidʼ
de vrijheid heeft opgeofferd en zichzelf derhalve heeft veroordeeld
tot het leven in een permanente staat van angst en onzekerheid.
Geen
wonder dat er sprake is van een oorlog tegen het virus. De
noodmaatregelen dwingen ons te leven in een staat van beleg. Maar een
oorlog tegen een onzichtbare vijand die in ieder ander mens kan
schuilen, is de meest absurde oorlog die maar mogelijk is. In
werkelijkheid is dit een burgeroorlog. De vijand is niet daarbuiten,
maar zit in ons.
Wat mij zorgen baart is niet alleen het heden, maar vooral ook de toekomst. Net zoals oorlogen ons een reeks onheilspellende technologieën hebben nagelaten, van prikkeldraad tot kerncentrales, is het ook nu meer dan waarschijnlijk dat mensen na deze gezondheidscrisis zullen proberen de experimenten voort te zetten die de regeringen nog niet hebben kunnen uitvoeren: digitale apparatuur zal de plaats innemen van onze fysieke aanwezigheid in scholen en universiteiten, en de publieke ruimte zal – met de nodige voorzorgsmaatregelen – beperkt blijven tot de privé-sfeer van de woning. Met andere woorden, het gaat hier om niets meer of minder dan de afschaffing van iedere vorm van publieke ruimte.
Franco ʻBifoʼ Berardi is een Italiaanse schrijver, filosoof en activist in de autonomistische traditie, wiens werk zich voornamelijk bezighoudt met de rol van de media en de informatietechnologie in het post-industriële kapitalisme.
Plotseling
moet alles wat we de afgelopen vijftig jaar hebben gedacht van de
grond af aan opnieuw worden gedacht. Godzijdank (is God een virus?)
hebben we nu een overvloed aan tijd, omdat al het oude er nu niet
langer meer toe doet.
Ik
ga iets zeggen over drie verschillende onderwerpen. Eén: het einde
van de menselijke geschiedenis, dat zich nu duidelijk voor onze ogen
voltrekt. Twee: de huidige ontworsteling aan het kapitalisme en/of
het dreigende gevaar van het techno-totalitarisme. Drie: de terugkeer
van de dood (eindelijk) op het toneel van het filosofische discours,
na de lange ontkenning ervan in de moderne tijd, en de wederopleving
van het lichaam.
1. Beestjes
Eén:
de filosoof die de huidige virale apocalyps het best heeft voorzien
is Donna Haraway.
In
Staying with the Trouble oppert ze dat de drager van de
evolutie niet langer de mens is, het subject van de Geschiedenis.
De
mens verliest zijn centrale positie in dit chaotische proces, en daar
mogen we niet over wanhopen, zoals de nostalgici van het moderne
humanisme doen. Tegelijkertijd mogen we ook geen troost zoeken in de
waandenkbeelden van een technologische oplossing, zoals de
hedendaagse transhumanistische techno-maniakken doen.
De menselijke geschiedenis is voorbij, en de nieuwe dragers van de geschiedenis zijn de critters (beestjes), in de taal van Haraway. Het woord zelf verwijst naar kleine speelse wezens die rare dingen doen, zoals het uitlokken van mutaties. Ziehier: het virus.
Burroughs
heeft het over virussen als dragers van mutaties: biologische,
culturele en linguïstische mutaties.
Critters
bestaan niet als individuen. Zij verspreiden zich collectief, als een
proliferatieproces.
Het
jaar 2020 moet worden beschouwd als het jaar waarin de menselijke
geschiedenis opgeheven werd – niet omdat de mens verdwijnt van de
planeet aarde, maar omdat die planeet – moe van de arrogantie van
de mens – een micro-campagne heeft gelanceerd om zijn Will zur
Macht te vernietigen.
De
aarde rebelleert tegen de wereld, en de middelen die de aarde daarbij
inzet zijn overstromingen, branden en bovenal critters.
Daarom is de drager van de evolutie niet langer de bewuste, agressieve, wilskrachtige mens – maar moleculaire materie, micro-stromen van oncontroleerbare beestjes die de productiesfeer binnendringen, evenals het domein van het discours, waarbij ze de Geschiedenis (His-story) vervangen door Her-story, de tijd waarin de teleologische Rede wordt vervangen door Sensibiliteit en een zintuiglijk, chaotisch Worden.
Het
humanisme was gebaseerd op de ontologische vrijheid die de Italiaanse
filosofen uit de vroege Renaissance gelijkstelden met de afwezigheid
van theologisch determinisme. Het theologisch determinisme is
voorbij, en het virus heeft de plaats ingenomen van een teleologische
god.
Het einde van de subjectiviteit als de motor van het historische proces impliceert het einde van wat we de ʻGeschiedenisʼ (met een hoofdletter) hebben genoemd, en het begin van een proces waarin bewuste teleologie wordt vervangen door meervoudige proliferatie-strategieën.
Proliferatie,de
verspreiding van moleculaire processen, neemt de plaats in van de
geschiedenis als macro-project.
Denkwerk, kunst en politiek moeten niet langer worden beschouwd als projecten van totalisering (Totalizierung, in de zin van Hegel), maar als proliferatie-processen zonder totaliteit.
2. Nut
Na veertig jaar van neoliberale versnelling is de race van het financiële kapitalisme plotseling stilgevallen. Eén, twee, drie maanden van mondiale lockdown, een lange onderbreking van het productieproces en van de mondiale circulatie van mensen en goederen, een lange periode van afzondering, de tragedie van de pandemie … dit alles zal de kapitalistische dynamiek gaan doorbreken op een manier die onherstelbaar en onomkeerbaar kan zijn. De krachten die het mondiale kapitaal op het politieke en financiële niveau beheren proberen wanhopig de economie te redden, door er enorme geldbedragen in te pompen. Miljarden, miljarden van miljarden … cijfers en bedragen die nu ‘niets’ meer lijken te betekenen.
Plotseling betekent geld niets meer, of heel weinig.
Waarom
geef je geld aan een dood lichaam? Kun je het lichaam van de mondiale
economie een wederopleving doen ondergaan door er geld in te
injecteren? Dat gaat niet. Het punt is dat zowel de aanbod- als de
vraagzijde immuun zijn voor monetaire impulsen, omdat de inzinking
niet het gevolg is van financiële oorzaken (zoals in 2008), maar van
de verwoesting van lichamen, en lichamen niets te maken hebben met
financiële impulsen.
We
passeren een drempel die leidt naar een domein voorbij de cyclus van
arbeid-geld-en-consumptie.
Als
het lichaam op een dag uit de beperking van de quarantaine komt, zal
het probleem niet het opnieuw in evenwicht brengen van de relatie
tussen tijd, werk en geld zijn, of het in evenwicht brengen van
schulden en aflossingen. De Europese Unie is gebroken en verzwakt
door haar obsessie met schulden en balansen, maar mensen gaan dood,
ziekenhuizen komen beademingsapparaten tekort, en artsen worden
overweldigd door vermoeidheid en angst voor een infectie. Op dit
moment kan dit niet worden veranderd door geld, want geld is niet het
probleem. Het probleem is: wat zijn onze concrete behoeften? Wat is
nuttig voor het menselijk leven, voor de collectiviteit, voor een
therapie?
Het
nut van iets, lange tijd verdreven uit het domein van de economie, is
weer helemaal terug, en het nuttige is nu koning.
Geld
kan het vaccin niet kopen dat we niet hebben, kan de mondkapjes niet
kopen die niet zijn geproduceerd, kan de intensive care-units niet
kopen die zijn vernietigd door de neoliberale hervormingen van het
Europese gezondheidszorgstelsel. Nee, geld kan niet kopen wat niet
bestaat. Alleen kennis, alleen intelligente arbeid kan kopen wat niet
bestaat.
Geld is nu dus onmachtig. Slechts sociale solidariteit en wetenschappelijke kennis zijn nog in leven en kunnen politiek sterk worden. Dat is de reden dat ik denk dat we aan het einde van de mondiale quarantaine niet zullen terugkeren naar een ʻnormaleʼ situatie. Het ʻnormaleʼ zal nooit meer terugkomen. Wat na deze crisis zal gebeuren is nog niet bepaald en is niet voorspelbaar.
We
worden geconfronteerd met twee politieke alternatieven: ofwel een
techno-totalitair systeem dat de kapitalistische economie met geweld
opnieuw zal opstarten, of de bevrijding van de menselijke activiteit
van de kapitalistische abstractie en de schepping van een moleculaire
samenleving gebaseerd op nut.
De Chinese regering experimenteert al op grote schaal met het techno-totalitaire kapitalisme. Deze techno-totalitaire oplossing, voorafgegaan door de tijdelijke afschaffing van de individuele vrijheid, kan het dominante systeem van de toekomst worden, zoals Agamben terecht heeft opgemerkt in zijn recente controversiëleteksten.
Maar
wat Agamben zegt is slechts een voor de hand liggende beschrijving
van de huidige noodtoestand en van de waarschijnlijke toekomst. Ik
wil verder gaan dan het waarschijnlijke, omdat ik het mogelijke
interessanter vind. En het mogelijke is vervat in de ineenstorting
van de abstractie, en in de dramatische terugkeer van het concrete
lichaam als drager van concrete behoeften.
Het
nuttige is terug in het sociale domein. Het nut, lang vergeten en
ontkend door het kapitalistische proces van abstracte valorisatie, is
nu koning.
De
lucht is helder in deze dagen van quarantaine en de atmosfeer is vrij
van vervuilende deeltjes, nu de fabrieken dicht zijn en de autoʼs
geen rondjes meer kunnen rijden. Zullen we teruggaan naar de
vervuilende extractieve economie? Zullen we teruggaan naar de normale
gekte van verwoesting ten behoeve van accumulatie, en van nutteloze
acceleratie terwille van handelswaarde? Nee, we moeten voorwaarts
gaan, naar de creatie van een samenleving gebaseerd op de productie
van het nuttige.
Wat
hebben we nu nodig? Nu, in het onmiddellijke nu, hebben we een vaccin
nodig tegen de ziekte, hebben we mondkapjes nodig, en hebben we
intensive care-apparatuur nodig. En op de langere termijn hebben we
voedsel, liefde en plezier nodig, en een nieuwe cultuur van
tederheid, solidariteit en soberheid.
Wat
overblijft van de kapitalistische macht zal proberen een
techno-totalitair systeem van controle aan de samenleving op te
leggen – dat ligt voor de hand. Maar er is ook een alternatief: een
samenleving vrij van de dwang van accumulatie en economische groei.
3. Plezier
Het
derde punt waar ik het over zou willen hebben is de terugkeer van de
sterfelijkheid als het bepalende kenmerk van het menselijk leven. Het
kapitalisme is een fantastische poging geweest om de dood te
overwinnen. Accumulatie is de Ersatz die de dood vervangt
door de abstractie van waarde en de artificiële continuïteit van
het leven op de markt.
De
verschuiving van industriële productie naar info-werk, de
verschuiving van samenzijn naar verbinding in de sfeer van de
communicatie, is het eindpunt van de race naar abstractie, de
voornaamste rode draad in de kapitalistische evolutie.
In
een pandemie is samenzijn verboden – blijf thuis, bezoek geen
vrienden, houd afstand, raak niemand aan. We zijn getuige van enorme
uitbreiding van de tijd die online wordt doorgebracht,
onvermijdelijk, en alle sociale relaties – werk, productie,
onderwijs – zijn verdreven naar deze sfeer die samenzijn verbiedt.
Sociale uitwisseling offline is niet langer mogelijk. Wat zal er na
de weken en maanden dat dit het geval is gebeuren?
Misschien
zullen we, zoals Agamben voorspelt, in de totalitaire hel van een
volledig verbonden levensstijl terechtkomen. Maar er is ook een ander
scenario mogelijk.
Wat als de overdaad aan verbinding de betovering verbreekt? Als de pandemie eindelijk verdwijnt (ervan uitgaande dat dit zal gebeuren) is het mogelijk dat zich een nieuwe psychologische identificatie zal aandienen, waarin het begrip ʻonlineʼ geassocieerd wordt met ziekte. We moeten een beweging van streling bedenken en creëren, die jonge mensen ertoe zal aanzetten hun schermen uit te zetten, omdat die hen herinneren aan een eenzame en angstige tijd. Dit betekent niet dat we terug moeten keren naar de fysieke uitputting van het industriële kapitalisme; het betekent eerder dat we ons voordeel moeten doen met de rijkdom aan tijd die dankzij de automatisering van de fysieke arbeid ontstaat, en dat we die tijd moeten besteden aan lichamelijk en geestelijk plezier.
De
enorme verspreiding van de dood waar we in deze pandemie getuige van
zijn kan ons gevoel voor tijd als genot reactiveren, eerder dan als
het uitstel van genot.
Aan
het einde van de pandemie, aan het einde van de lange periode van
isolatie, kunnen mensen zich natuurlijk eenvoudigweg blijven
verliezen in het eeuwige niets van de virtuele verbinding, van het
bewaren van afstand en van de techno-totalitaire integratie. Dat is
mogelijk en zelfs waarschijnlijk. Maar we mogen ons niet laten
beperken door het waarschijnlijke. We moeten de mogelijkheden
ontdekken die schuilgaan in het heden.
Het
kan zijn dat mensen na maanden van voortdurende online-activiteit hun
huizen en appartementen uit zullen komen, op zoek naar samenzijn. Er
zou een beweging van solidariteit en tederheid kunnen ontstaan, die
mensen naar de bevrijding uit de verbindende dictatuur kan leiden.
De
dood is terug in het centrum van de aandacht: de lang ontkende
mortaliteit die mensen levend maakt.
Bruno Latour is socioloog en filosoof, en de auteur van (onder meer) Les microbes. Guerre et paix en Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime (Octavo, 2018).
Voor degenen die zich achter de frontlinie bevinden en aan wie men uit solidariteit heeft gevraagd om niets te doen is het beslist zeer welkom dat de algehele ʻlockdownʼ toevallig samenvalt met de vastentijd. Dit verplichte vasten, deze seculiere en republikeinse ramadan, biedt hen de kans om te overdenken wat nu eigenlijk wél en wat niet belangrijk is.
Het
zou zomaar kunnen dat de interventie van het virus een soort generale
repetitie is voor de volgende crisis, waarin iedereen een complete
verandering van zijn of haar levensomstandigheden zal ondergaan, in
alle aspecten van het dagelijks bestaan. Net als vele anderen denk ik
dat de coronacrisis een opmaat is voor de klimaatcrisis. Deze
hypothese moet nog wel aan een nadere beproeving onderworpen worden.
Het virus is maar één schakel in een hele keten
Wat het met elkaar in verband brengen van deze twee crises legitimeert is het plotselinge en pijnlijke besef dat de klassieke definitie van een samenleving – het samenzijn van mensen onder elkaar – betekenisloos is geworden. De toestand van de samenleving is op ieder moment afhankelijk van de relaties tussen vele actoren, waarvan de meeste geen menselijke vorm hebben. Dit geldt voor microben – zoals we sinds Pasteur weten – maar ook voor het internet, de wet, de organisatie van onze ziekenhuizen, de capaciteiten van de staat en zelfs voor het klimaat. En ondanks al het gekrakeel over een ʻstaat van oorlogʼ tegen het virus, is dit virus natuurlijk maar één schakel in een hele keten, waarin het voorraadbeheer van maskers of tests, de regulering van eigendomsrechten, allerlei burgerlijke gewoonten en gebaren van solidariteit eveneens meewegen bij het bepalen van de mate van kwaadaardigheid van een besmettelijke ziekte.
Als je eenmaal zicht hebt op het hele netwerk waarvan het virus slechts één onderdeel is, begrijp je dat het virus niet op dezelfde manier te werk gaat in Taiwan, Singapore, New York of Parijs. De pandemie is net zomin een ʻnatuurlijkʼ fenomeen als de hongersnoden uit het verleden of de klimaatcrisis van nu. De samenleving heeft zich al lang geleden buiten de nauwe beperkingen van de sociale sfeer begeven.
De uitbreiding der bevoegdheden en de sirenes van ambulances
Dit gezegd hebbende weet ik niet zeker of we de parallel nog verder kunnen doortrekken. Gezondheidscrises zijn immers niet nieuw, en het snelle en radicale ingrijpen van de staat lijkt tot nu toe niet erg innovatief. Daarvoor hoef je alleen maar naar het enthousiasme te kijken waarmee president Macron zich onlangs de allure van een staatshoofd heeft aangemeten, waar het hem tot nu toe zo pathetisch aan ontbroken heeft. Door de retoriek van ʻwij moeten jullie beschermenʼ en ʻjullie moeten ons beschermenʼ zorgen pandemieën er, zowel voor de machthebbers als voor hun onderdanen, voor dat het gezag van de staat weer versterkt wordt, zodat die staat eisen kan stellen die in iedere andere omstandigheid tot rellen zouden hebben geleid.
Maar deze staat is niet de staat van de 21e eeuw en van de klimaatverandering, maar de staat van de 19e eeuw en de zogenaamde ʻbiopower.ʼ Om met wijlen statisticus Alain Desrosières te spreken, het is de staat van de statistiek: de bevolking wordt binnen een territoriaal kader onder toezicht gesteld en van bovenaf bestuurd met behulp van deskundigen. Dit is het systeem dat we vandaag de dag zien herrijzen – met als enig verschil met vroeger dat het nu stap voor stap wordt geherintroduceerd, totdat het de hele planeet omvat.
De originaliteit van de huidige situatie is volgens mij dat we, door thuis opgesloten te zitten, terwijl we buiten niets anders meer zien en horen dan de uitbreiding van politiebevoegdheden en de sirenes van ambulances, collectief een karikaturale vorm van het spel van de ʻbiopowerʼ opvoeren, die rechtstreeks uit het werk van de filosoof Michel Foucault lijkt te zijn voortgekomen. Zelfs de vele arbeiders die gedwongen zijn te blijven werken, zodat de anderen zich in hun huizen kunnen blijven verstoppen, zijn aan het oog onttrokken – om nog maar te zwijgen van de migranten die helemaal geen onderdak hebben. Maar deze karikatuur is de karikatuur van een tijd die niet meer de onze is.
Een enorme kloof
Er gaapt een enorme kloof tussen de staat die zegt: ʻIk bescherm u tegen de doodʼ (dat wil zeggen: tegen de besmetting door een virus waarvan het spoor alleen bekend is aan wetenschappers en waarvan de gevolgen alleen begrijpelijk zijn door reeksen statistieken te bestuderen) en de staat die dúrft te zeggen: ʻIk bescherm u tegen de dood, omdat ik de bestaansvoorwaarden van alle levende wezens waarvan u afhankelijk bent, in stand wil houden.ʼ
Denk er maar eens over na: stel dat president Macron op dezelfde Churchilliaanse toon een pakket maatregelen bekendgemaakt zou hebben om de gas- en oliereserves in de bodem te laten, de verkoop van pesticiden te stoppen, het ploegen tot op grote diepte uit te bannen en – hoe stoutmoedig! – het gebruik van verwarmingsinstallaties op terrassen te verbieden… Als de benzinebelasting al genoeg was om de beweging van de ʻgele hesjesʼ op gang te brengen, huiver je bij de gedachte aan de rellen die het land in vuur en vlam zouden hebben gezet als hij dat had gedaan. En toch is het in het geval van de klimaatcrisis oneindig veel gerechtvaardigder om de Fransen voor hun eigen bestwil tegen de dood te beschermen dan in het geval van de coronacrisis, omdat die eerste letterlijk iedereen aangaat, en niet slechts een paar duizend mensen – en ook niet voor een tijdje, maar voor altijd.
De
ziekteverwekker waarvan de afschuwelijke kwaadaardigheid de
levensomstandigheden van iedereen verandert, is geen virus, maar de
mens zelf!
Het
is duidelijk dat er geen sprake van is dat deze denkbeeldige staat
bestaat. En het is heel zorgwekkend om te zien hoe de huidige staat
zich op geen enkele manier aan het voorbereiden is op de overgang van
de ene crisis naar de andere. In de coronacrisis speelt de overheid
een zeer klassieke pedagogische rol, en valt haar gezag perfect samen
met de oude nationale grenzen – het archaïsme van de terugkeer
naar de Europese binnengrenzen is daar het pijnlijke bewijs van.
Bij
de klimaatverandering is de relatie omgekeerd: daar moet de overheid
van het volk leren hoe het bestaan in gebieden die volledig
geherdefinieerd worden door de noodzaak om uit het huidige mondiale
productiesysteem te stappen, eruit zou kunnen zien. Hier zou de
overheid volstrekt niet in staat zijn om maatregelen van bovenaf op
te leggen. In de coronacrisis moeten wij allemaal, net als op de
basisschool, weer leren om onze handen te wassen en in onze elleboog
te hoesten, maar bij de klimaatverandering is het de staat die in het
schoolbankje zit.
Bovendien is er nóg een reden waarom de metafoor van de ʻoorlog tegen het virusʼ onbegrijpelijk is: in de coronacrisis is het misschien waar dat de mens en bloc het virus ʻbestrijdtʼ – zelfs degenen die zich normaal gesproken niets van ons aantrekken en altijd maar blijven doorgaan met hun dodelijke werk, of we dat nu willen of niet. Bij de klimaatverandering is de situatie echter op tragische wijze omgekeerd: daar is de ziekteverwekker waarvan de afschuwelijke kwaadaardigheid de levensomstandigheden van alle bewoners van de planeet heeft veranderd helemaal geen virus, maar de mens zelf! En dan niet alle mensen, maar slechts een paar mensen, die oorlog tegen ons voeren zonder die aan ons verklaard te hebben. En op deze oorlog is de nationale staat heel slecht voorbereid, omdat de fronten veelvoudig zijn en ieder van ons kruisen. Het is in die zin dat de ʻalgemene mobilisatieʼ tegen het virus op geen enkele manier bewijst dat we klaar zullen zijn voor de volgende strijd. Het is niet alleen het leger dat altijd achterloopt in een oorlog.
Maar
uiteindelijk – je weet maar nooit – kan een tijd van vasten, ook
al is die seculier en republikeins van aard, tot spectaculaire
veranderingen leiden. Voor het eerst in jaren vinden miljoenen
mensen, die nu thuis vastzitten, een vergeten luxe terug: ze hebben
de tijd om na te denken en te overwegen waar ze voorheen onnodig
opgewonden van raakten. Laten we deze lange en onverwachte vastentijd
te baat nemen.