Categorieën
Klimaat Politiek

Ecologisch leninisme

Oorspronkelijke tekst (Engels): Verso, 18 november 2021

fotografie: Wikipedia

door Adam Tooze

Adam Tooze is hoogleraar geschiedenis aan de Columbia Universiteit

Adam Tooze over Andreas Malms post-pandemische klimaatpolitiek

De koolstofklok tikt door. Regeringen en officiële instanties verzekeren ons dat alles goed zal komen en dat zij de risicoʼs onder controle kunnen houden. Sommigen houden vol dat de technologie ons zal redden. We hebben al eerder het onmogelijke bereikt, dat zal ons opnieuw lukken. Maar waarom zouden we hen geloven? De vooruitgang op weg naar een koolstofarme economie is beperkt gebleven. De belangen van de fossielebrandstoffenindustrie zijn nog steeds verweven met mondiale machtsnetwerken die rechtstreeks stammen uit het tijdperk van het imperialisme. Hun politieke voorvechters mogen dan cynische horken zijn, de publieke steun voor de status quo op het gebied van fossiele brandstoffen is maar al te reëel. De koolstofcoalitie lijkt van doodsdrang doordrongen, het advies van deskundigen negerend. Centristische liberalen uiten luidkeels hun verontwaardiging, maar deinzen terug als het erop aankomt. Er zijn periodieke golven van protest. Kinderen boycotten school. Er zijn eisen voor een nieuw sociaal contract en een rechtvaardige transitie. Een minderheid, nu nog klein, roept op tot rebellie.

Met slechts kleine aanpassingen zou dit het portret kunnen zijn van een natie die afglijdt naar een nederlaag in een grote oorlog: meedogenloze tijdsdruk; beperkte middelen die snel uitgeput raken; overmoedige technocraten; beloften van wonderwapens; pro- en anti-oorlogsfacties die met elkaar overhoop liggen; wanhopige jongeren die roepen om een einde te maken aan de waanzin. Oorlog blijft een cruciale manier om na te denken over collectief gevaar en over de mogelijkheden om dat gevaar het hoofd te bieden; in de klimaatpolitiek is de retoriek van oorlog en mobilisatie in oorlogstijd gemeengoed. Amerikaanse voorstanders van de Green New Deal riepen op tot een reprise van de duizelingwekkende industriële productie die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd bereikt. In het Verenigd Koninkrijk blijven de herinneringen aan de naoorlogse verzorgingsstaat voortleven. Er wordt gesproken over het Marshallplan.

Maar is dit allemaal niet een beetje té makkelijk? Een ‘goede oorlog,’ uitgevochten door democratieën, eindigend in een spectaculaire overwinning, en vervolgens het begin van een gouden tijdperk van economische groei en de komst van de verzorgingsstaat. De recente golf van publicaties – drie boeken in een jaar tijd – van historicus en klimaatactivist Andreas Malm kan worden beschouwd als een aanhoudende uitdaging aan deze zelfgenoegzame historische framing van onze huidige toestand. De historische analogie die hij het liefst trekt is die met de Eerste Wereldoorlog en de nasleep daarvan, een wereld die werd bepaald door de onrust van revoluties en het geweld van het fascisme – het begin, niet het einde van een tijdperk van crisis.

Wie de Tweede Wereldoorlog en het ontstaan van de moderne interventionistische verzorgingsstaat voor ogen heeft, oriënteert zich op denkers als Maynard Keynes, met zijn belofte dat ‘alles wat we feitelijk kunnen doen, we ons ook kunnen veroorloven.’ De Eerste Wereldoorlog en de jaren erna roepen een andere cast van personages op. Malms eigen politieke achtergrond ligt in het trotskisme, en hij betoont zich nu een ecologisch leninist. Zijn co-auteurs van White Skin, Black Fuel noemen zichzelf het Zetkin Collective, naar de Duitse communiste en feministe Clara Zetkin, op wier interpretatie van het fascisme zij zich baseren en wier as in 1933 naast de muur van het Kremlin werd bijgezet.

Sommigen zullen Malm ervan betichten ‘revolutietje’ te willen spelen terwijl de planeet in brand staat. Maar zijn standpunt is er eigenlijk een van tragisch realisme. Zoals hij en zijn collega’s in White Skin, Black Fuel betogen, is het bepalende feit van de klimaatverandering dat het ‘een revolutionair probleem zonder revolutionair subject’ is. De milieubeweging mag zich dan hebben aangesloten bij het activisme voor sociale rechtvaardigheid, zij is er niet in geslaagd ‘het kapitalisme uit te dagen met iets wat ook maar in de buurt komt van de kracht die ooit werd getoond door de Derde Internationale of de nationale bevrijdingsbewegingen, of zelfs de sociaal-democratische partijen van de Tweede Internationale; ze is een kreupele opvolger, ze heeft geen Vietnam-oorlog gewonnen en geen equivalent van de verzorgingsstaat opgebouwd.’

De brug tussen onze werkelijkheid en die van de revolutionairen van een eeuw geleden is het besef van een dreigend onheil. De revolutionairen van begin twintigste eeuw waren de negentiende-eeuwse belofte van onvermijdelijke vooruitgang als leeg gaan beschouwen of, zoals Walter Benjamin het zag, als catastrofaal. Geconfronteerd met een totale oorlog vonden zij dat actie essentieel was om een ramp te voorkomen. Zoals Marx en Engels in het Communistisch Manifest hadden gewaarschuwd, zou de strijd tussen de onderdrukker en de onderdrukten eindigen ‘ofwel in een revolutionaire herinrichting van de maatschappij in haar geheel, ofwel in de gemeenschappelijke ondergang van de strijdende klassen’ – ‘socialisme of barbarij,’ zoals Rosa Luxemburg het uitdrukte. Wat is onze situatie nu, een eeuw later? Hoewel de heersende klassen over een klimaatcrisis praten, zegt Malm, verraden hun daden hen:

Ze zijn niet verontrust door de geur van de brandende bomen. Ze maken zich geen zorgen bij het zien van zinkende eilanden; ze rennen niet weg voor het gebulder van naderende orkanen; hun vingers hoeven nooit de stengels van verdorde oogsten aan te raken; hun monden worden niet plakkerig en droog na een dag niets te hebben gedronken … Na de afgelopen drie decennia kan er geen twijfel over bestaan dat de heersende klassen grondwettelijk niet in staat zijn op een andere manier op de catastrofe te reageren dan door haar te bespoedigen; uit eigen beweging, op instigatie van hun innerlijke dwang, kunnen zij niets anders doen dan zich een weg naar het einde branden.

De vraag die Malm in zijn pamflet Corona, Climate, Chronic Emergency stelt, is of de pandemie iets heeft veranderd.* Voor velen ter linkerzijde was de crisis van vorig jaar verbijsterend maar, althans in eerste instantie, ook bemoedigend. Op klimaatgebied leek er geen vooruitgang mogelijk, maar in het aanzicht van de pandemie leek de staat zich te hebben losgemaakt van de belangen die hij gewoonlijk dient. ‘Covid-19 kwam als een onmiddellijke en totale verzadiging van alles,’ schrijft Malm. ‘Als een windvlaag die de getinte ramen van een wolkenkrabber wegblaast, werd de staat uitgekleed tot zijn meest naakte relatieve autonomie.’ Plotseling was de staat vrij om onafhankelijk van het grootkapitaal te handelen.

De regeringen in het Mondiale Noorden bevonden zich in de zeldzame positie om het welzijn van hun kapitalistische economieën op te offeren voor het leven van hun oudere en mogelijk ook jongere onderdanen. Men zou dit moment kunnen beschouwen als het beste wat de moderne burgerlijke democratieën te bieden hebben, waarbij het respect voor het leven het wint van het respect voor eigendom, een overwinning voor de egalitaire premisse waarop de democratie gebaseerd is.

Malm laaft zich kortstondig aan het idee dat dramatisch ingrijpen de klimaatcrisis zou kunnen oplossen, maar wijst dit daarna onmiddellijk van de hand: ‘Het contrast tussen de waakzaamheid voor het coronavirus en de zelfgenoegzaamheid over het klimaat is illusoir. Er werd al jaren gewaarschuwd voor het overspringen van ziekten van dieren op mensen, en staten hebben net zoveel gedaan om dit te voorkomen als ze hebben gedaan om de antropogene klimaatverandering te voorkomen: niets.’ Toen de crisis toesloeg, zou Malm daaraan hebben kunnen toevoegen, was het overheidsoptreden voor een groot deel gericht op het bestendigen van de bestaande eigendomsverhoudingen en de bestaande verdeling van welvaart en inkomen. De interventies waren gigantisch, maar overwegend conservatief in hun bedoelingen en effecten.

Wat voor soort overheidsapparaat zou betere resultaten kunnen opleveren? Links roept op tot een Green New Deal, of wat Daniela Gabor de ‘grote groene staat’ heeft genoemd, maar er is geen garantie dat een ambitieuzere versie van staatsinterventie verandering teweeg zal brengen. Het is nauwelijks bemoedigend dat de Green New Dealers de Tweede Wereldoorlog als hun model zien. De Keynesiaanse macro-economie mag dan tijdens de oorlog op de voorgrond zijn getreden, de overheidsmachinerie zelf werd in die tijd steeds meer in beslag genomen door zakelijke belangen. Plannen voor een interventionistisch industriebeleid en intensieve regulering werden op de lange baan geschoven. Maar waar zouden we dan wél kunnen zoeken naar alternatieve modellen van noodbestuur? Wat als, zoals Malm suggereert, het juiste model voor een klimaatactivistische staat niet de New Deal is, maar een oorlogsregime dat veel wanhopiger en soberder was? Wat als het model dat we nodig hebben dat van het oorlogscommunisme is?

Het is een gewaagd idee. De korte periode van het oorlogscommunisme tussen 1920 en 1921 is een van de meest omstreden periodes in de Russische revolutionaire geschiedenis. De meningen lopen uiteen over de vraag of het een wanhopige improvisatie was of een oprechte poging tot radicale verandering. Er bestaat echter geen verschil van mening over het feit dat dit een periode van vreselijk geweld was. Voor historici als Sheila Fitzpatrick en Ronald Suny, die in grote lijnen sympathiek staan tegenover de revolutie, is het de fase waarin het regime verhardde tot een autoritaire en, waar nodig, terroristische dictatuur. Het oorlogscommunisme is wel het allerlaatste wat je zou voorstellen als model voor economische transformatie. De economie van het voormalige tsaristische rijk was op de knieën; de samenleving was aan het deïndustrialiseren; er was een rampzalige verzuiling van de uitwisseling tussen het platteland en wat er van de steden over was. De hongersnood die daarop volgde bracht de bolsjewieken dicht bij de overgave.

Malm is zich van dit alles bewust, maar blijft onversaagd:

Laten we zeggen dat het inroepen van het oorlogscommunisme niet betekent dat we standrechtelijke executies zouden moeten invoeren, voedseldetachementen naar het platteland zouden moeten sturen of de arbeid zouden moeten militariseren, net zoals niemand die de Tweede Wereldoorlog ziet als een model voor klimaatmobilisatie nog een atoombom op Hiroshima wil laten vallen. Veel van de vermeende noodzakelijkheden die de bolsjewieken in deugden veranderden, kunnen wij makkelijk als ondeugden herkennen. Maar omgekeerd kunnen we sommige dingen die zij als hun zwakheden zagen, juist als hun sterke punten beschouwen.

Wat Malm fascineert aan het oorlogscommunisme is de scherpe correctie die het biedt op iedere overoptimistische visie op de toekomst. In Trotskiʼs eigen woorden was de positie van de revolutie in 1920 ʻin de hoogste mate tragisch.ʼ Radicale vernieuwing werd door harde noodzaak afgedwongen. De bolsjewistische zone, beperkt tot een deel van het Russische rijk, had een nijpend tekort aan voedsel, kolen en olie. Een hardvochtig vorderingssysteem maakte het mogelijk het leger te voeden, maar er was een meer innovatieve oplossing nodig om het wanhopige tekort aan steenkool aan te pakken. Afgesneden van fossiele brandstoffen, maakte Trotski gebruik van hout. De gepantserde treinen van het Rode Leger werden gestookt met boomstammen. Tegen 1921, aldus Malm, had een geïmproviseerd organisch energieregime gezegevierd over de gecombineerde fossiele-brandstof-krachten van de reactie. Malm daagt ons uit ons een beweging voor te stellen tegen het fossiele kapitalisme, waarin een groep energierevolutionairen zich losmaakt van het mondiale rijk van olie en gas, zoals de bolsjewieken tussen 1917 en 1922 deden, om een nieuwe politiek, een nieuwe economie en een nieuw energieregime te smeden. Zoals Malm opmerkt, zullen de oorlogscommunisten van vandaag tenminste zonne- en windenergie hebben.

Laten we ervan uitgaan dat Malm geen voorstel tot actie doet, maar eerder een radicaal gedachte-experiment onderneemt. Als we zijn historische analogie zouden vertalen in gewone beleidspraatjes, zou het punt vermoedelijk zijn dat iedere serieuze poging tot energietransitie, naast prijsstelling en onderhandeling, een combinatie van nationalisatie, regulering en verbod met zich mee zal brengen die niet alleen naar de letter van de wet zal worden gehandhaafd, maar met militante energie. De vraag is wat voor soort politieke formatie nodig zou zijn om dit voor elkaar te krijgen. Het oorlogscommunisme werd toegepast door een revolutionaire partij die verwikkeld was in een strijd op leven en dood. Dat is niet onze situatie, althans nóg niet.

Een meer veelbelovende route wordt gesuggereerd in White Skin, Black Fuel. Een van de organiserende verschillen van dit massieve collectieve werk is die tussen sectoren van de economie die onherleidbaar afhankelijk zijn van de winning van fossiele brandstoffen, en sectoren die fossiele energie gebruiken maar er niet existentieel mee verstrengeld zijn. Met de eerste categorie kan geen compromis worden gesloten: overleven hangt af van het sluiten van deze sectoren. De laatstgenoemden daarentegen zijn de actoren die moeten worden gerecruteerd als een Green New Deal-strategie wil slagen. De grote vraag voor iedere vermeende ʻgrote groene staatʼ is wat voor strijd de fossielebrandstofsector zal gaan voeren.

De opkomst van extreem-rechtse partijen in Europa en de presidentschappen van Donald Trump en Jair Bolsonaro hebben een golf van debatten over een heropleving van het fascisme op gang gebracht. Trump en Bolsonaro zijn tevens klimaatontkenners. Malm en zijn co-auteurs betogen in White Skin, Black Fuel dat dit geen toeval is. In de eerste plaats merken zij op dat de verdedigers van de winning van fossiele brandstoffen de afgelopen twintig jaar van tactiek zijn veranderd. In de jaren negentig was de ontkenning van de klimaatverandering een openlijke en duidelijk op eigenbelang gerichte leugen, een samenzwering tegen de wetenschap; tegenwoordig ligt de nadruk op brede bewegingen die de manier van leven op basis van fossiele brandstoffen agressief verdedigen. Zelfs met aanzienlijke financiering uit het bedrijfsleven werd het moeilijk om de grote leugen vol te houden; Exxon en BP erkennen nu het bestaan van de klimaatverandering. In reactie daarop heeft het verzet tegen het klimaatactivisme de meer indirecte mechanismen van de hegemonie overgenomen. Trump en Bolsonaro steunen steenkool, olie en gas, maar in plaats van te proberen wetenschappelijke argumenten aan te dragen, spuien ze gewoon soundbites. Om hun achterban aan te spreken, hoeven ze alleen maar vooroordelen tegen de elites op te roepen, en de galm van oude klimaatsceptische memes doet de rest.

Dat wil niet zeggen dat het klimaat expliciet de kern van hun agenda vormt; het is een uitvloeisel van hun beroep op het tegen de elites gerichte arbeidersnationalisme. White Skin, Black Fuel probeert aan te geven op welke manieren het benzineslurpende consumentisme, de verslaving aan fossiele brandstoffen, het kolonialisme en raciale machtsstructuren historisch met elkaar verweven zijn. Er is een soortgelijk verband tussen fossiele brandstoffen en historisch fascisme. De fascisten in Duitsland bevonden zich in een betere positie dan de oorlogscommunisten. Zij hadden steenkool. Maar ze moesten ook een manier bedenken om de greep van olie, de basis van de Anglo-Amerikaanse macht, te breken. Het chemische conglomeraat IG Farben bedacht een manier om olie en rubber te maken uit Midden-Europese steenkool. Niet toevallig stond een enorme fabriek voor synthetische chemicaliën in het hart van het kampcomplex Auschwitz.

De band tussen autoritarisme en fossiele brandstoffen heeft niet alleen historische en ideologische dimensies, maar werkt volgens Malm en het Zetkin Collective ook door op een dieper psychologisch niveau. In navolging van wat Herbert Marcuse in zijn interpretatie van de fascistische massapsychologie omschreef als het verlangen om aan te vallen, te splijten en te verpulveren, prees Trump de arbeiders die ʻdoor rotswanden heen breken, de diepten van de aarde ontginnen en door de oceaanbodem reiken, om ieder grammetje energie in onze huizen en handel en in ons leven te brengen.ʼ Het is niet alleen ʻDrill, baby, drillʼ waarin het verband schuilt. De cognitieve dissonantie van de liberale mainstream is een sleutelcomponent in het psychogram van een stervende fossiele brandstofbeschaving zoals die door Malm en het collectief wordt geschetst. In een echo van Clara Zetkins argument dat het fascisme de wraak van de geschiedenis is voor het uitblijven van een socialistische revolutie, zien zij de hypocrisie en inconsistentie van het mainstream klimaatbeleid als zaken die de kiezers naar uiterst rechts drijven. Zeuren over de klimaatcrisis en er tegelijkertijd niets aan doen, is op den duur onverdraaglijk. Het falen van de liberalen doet Trump eerlijk lijken. Hij mag dan de wetenschap ontkennen, hij is tenminste eerlijk tegen zichzelf.

Het is tegen de achtergrond van dit portret van samenlevingen die in een impasse verkeren dat we Malms nieuwste provocatie, How to Blow up a Pipeline, moeten lezen. Hoewel het boek een algemeen pleidooi is voor militante actie, kan het het best worden begrepen als een interventie in een specifieke conjunctuur. De Duitse beweging Ende Gelände, aan de protesten waarvan Malm deelnam, had tussen 2015 en 2018 opmerkelijk succes met het mobiliseren van directe actie tegen Duitslands bruinkoolmijnen en rook uitbrakende elektriciteitscentrales. Maar de beweging kreeg een zware tegenslag te verwerken toen de regering-Merkel een deal sloot met de kolenindustrie en de vakbonden om de uitstap uit steenkool uit te stellen tot 2038, een belachelijke termijn die zelfs niet strookt met de bescheiden toezeggingen in het kader van het klimaatverdrag van Parijs. Dit was een keerpunt voor de klimaatbeweging in Duitsland.

De militante activisten van Ende Gelände waren getraind in de directe actietechnieken van de anti-kernenergiebeweging, maar nu was het de mobilisatie van schoolkinderen, geïnspireerd door Greta Thunberg en Fridays for Future, die het voortouw nam. Een schoolstaking van 1,4 miljoen mensen – het grootste gecoördineerde jongerenprotest in de geschiedenis – vond plaats op 15 maart 2019. Dit werd op de voet gevolgd door een reeks protesten in het hele Verenigd Koninkrijk door Extinction Rebellion. In september 2019 telde de vrijdagstakingsbeweging wereldwijd vier miljoen betogers, waarvan een derde in Duitsland. Maar tot frustratie van Malm en velen in de Ende Gelände-beweging toonde Fridays for Future geen interesse in directe actie. De protesterende schoolkinderen hielden vast aan de traditie van luidruchtige straatdemonstraties. In het Verenigd Koninkrijk volgde XR, zoals Malm opmerkt, de recente mobilisaties in de VS door zich tegen gewelddadige actie te keren.

De vraag die ten grondslag ligt aan How to Blow up a Pipeline is waarom de nieuwe protestbewegingen in 2019, ondanks hun omvang en dynamiek, hebben geweigerd de technieken van fysieke obstructie en ontwrichting over te nemen die met succes door Ende Gelände zijn beproefd. Een deel van het antwoord is van morele aard. Met name de Amerikaanse beweging heeft zich een geweldloze methode eigen gemaakt. Sommigen meenden dat aanvallen op eigendommen alleen maar een pijnlijke en repressieve reactie zouden opleveren, en deze zomer werd Jessica Reznicek, die samen met Ruby Montoya een sabotagecampagne tegen de Dakota Access-pijpleiding had opgezet, inderdaad veroordeeld tot acht jaar federale gevangenisstraf. Maar, zo betoogt Malm, deze bekende tactische zorgen zijn in de huidige fase van de klimaatbeweging versterkt door een eigenaardige lezing van de geschiedenis, waarin de kracht van zelfbeheersing en geweldloosheid wordt gefetisjeerd. De nieuwe bewegingen, schrijft hij, kijken naar ʻhistorische precedenten – mensen die hopeloze tegenslagen overwonnen, groot kwaad dat plotseling tot staan werd gebracht – die de greep van apathie kunnen brekenʼ:

Als zíj konden zegevieren, zo luidt de redenering, dan kunnen wíj dat ook. Als zíj de wereld met alle middelen, behalve geweld, wisten te veranderen, dan kunnen wíj haar ook redden. Analogisme is de belangrijkste wijze van argumenteren en de belangrijkste bron van strategisch denken geworden – het meest zichtbaar in XR, de uitzonderlijke organisatie die zichzelf definieert als het resultaat van historische studie. Merk op dat het argument niet is dat geweld op dit moment slecht zou zijn – bijvoorbeeld omdat het niveau van de klassenstrijd in het mondiale Noorden zo laag is dat avonturistische acties alleen maar een boomerang-effect zouden hebben en de strijd verder zouden tegenwerken: woorden die nooit de lippen van XR zouden passeren – noch dat geweld alleen maar zinvol zou zijn onder omstandigheden van ernstige onderdrukking. In plaats daarvan stelt het analogistische strategische pacifisme dat geweld in alle omstandigheden slecht is, omdat de geschiedenis dat nu eenmaal heeft uitgewezen. Succes behoort toe aan de vreedzamen. De lijst van historische analogieën begint met de slavernij.

Maar de toe-eigening van de geschiedenis door de klimaatbeweging is, zoals Malm opmerkt, eenzijdig geweest. Hoe kun je de suffragettenbeweging serieus behandelen zonder de nadruk te leggen op haar gebruik van directe actie en sabotage? Nog grotesker is de voorstelling van de afschaffing van de slavernij, alsof die werd bereikt door het hoge moralisme van Quaker ʻNGOʼs,ʼ in plaats van door slavenopstanden of het radicale voorbeeld van militante abolitionisten.

Door directe actie uit te sluiten berooft de klimaatbeweging zichzelf volgens Malm van haar enige serieuze pressiemiddel. Wat nodig is, zo betoogt hij, is niet de langzame beïnvloeding van de publieke opinie en electorale resultaten, maar een meer omvattende ʻtheorie van veranderingʼ:

Dit is wat deze miljoenenbeweging om te beginnen zou moeten doen: het verbod afkondigen en handhaven. Beschadig en vernietig nieuwe CO2-uitstotende apparaten. Stel ze buiten werking, haal ze uit elkaar, sloop ze, verbrand ze, blaas ze op. Laat de kapitalisten die blijven investeren in het vuur weten dat hun eigendommen met de grond gelijk gemaakt zullen worden. ʻWíj zijn het investeringsrisico,ʼ luidt een slogan van Ende Gelände, maar het risico moet duidelijk groter zijn dan één of twee dagen onderbroken productie per jaar. ‘Als we geen serieuze koolstofbelasting kunnen bevechten bij een corrupt Congres, kunnen we er de facto een opleggen met onze lichamen,’ heeft Bill McKibben betoogd, maar een koolstofbelasting is zó gedateerd. Als we geen verbod kunnen bewerkstelligen, kunnen we er de facto een opleggen met onze lichamen en alle andere noodzakelijke middelen.

Malm is zich ervan bewust dat een dergelijke tactiek het risico met zich meebrengt de bevolking van zich te vervreemden; de media kunnen de zaak veroordelen en er kan massale repressie worden uitgelokt. Zoals hij zegt: ‘Klimaatstrijdbaarheid moeten worden gekoppeld aan een bredere antikapitalistische vloedgolf, net als bij eerdere veranderingen in de productiewijzen, toen fysieke aanvallen op heersende klassen slechts een klein onderdeel vormden van een de hele maatschappij omvattende reorganisatie. Hoe dat kan gebeuren? Dat kun je niet van tevoren weten. Het kan alleen worden ervaren door onderdompeling in de praktijk.’ Dit zijn de woorden van een revolutionair kaderlid dat zijn positie indekt.

Aangezien het doel van een alomvattende decarbonisatie nog ver weg is, is het niet zozeer de doelstelling als wel de manier van politiek bedrijven die van belang is. Gezien de realiteit van het onderliggende conflict moeten verdeeldheid en strijd niet worden betreurd, maar omarmd – als een essentiële leninistische les. Een antagonistische houding aannemen is niets anders dan adequaat reageren op de situatie. Zoals Malm en het collectief in White Skin, Black Fuel concluderen: ‘Hoe dan ook zou de anti-klimaatpolitiek van extreem-rechts iedere resterende illusie dat fossiele brandstoffen kunnen worden opgegeven door middel van een soepele, beredeneerde transitie, aan diggelen moeten slaan … Een transitie zal plaatsvinden door intense polarisatie en confrontatie, of helemaal niet.’ Vanuit dit gezichtspunt is het niet de vraag of liberale activisten wel of niet aan sabotage willen doen. Als we vasthouden aan onze huidige koers, komt er sowieso sabotage. Als die niet van bovenaf wordt aangestuurd, zal zij van onderaf opborrelen. De vraag is of de mainstream klimaatbeweging zich kan voorbereiden op de kwellende dilemmaʼs die komen gaan. Kan zij haar samenhang en momentum behouden in het licht van crisis, geweld, verdeeldheid en, heel waarschijnlijk, een nederlaag?

Op dit punt keren de dramaʼs van de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis terug in Malms toekomstvisie – niet als een inspiratie voor revolutie, maar als een manier om betekenis te geven aan verzet dat uiteindelijk misschien tevergeefs zal blijken. Stel je eens voor dat we niet meer in de wereld van schoolstakingen en VN-conferenties leven. Stel je eens voor dat, na het smelten van de ijskappen en een dramatische ineenstorting van de beschaving, een groepje mensen op de noordelijke breedtegraden een nieuw bestaan aan het opbouwen is. Wat zullen zij hun kinderen over de ramp vertellen? Zullen ze zeggen dat ‘de mensheid in perfecte harmonie het einde van de wereld heeft bewerkstelligd? Dat iedereen vrijwillig in de rij ging staan voor de ovens? Of dat sommige mensen vochten als joden die wisten dat ze gedood zouden worden?’

De ‘joden’ die Malm hier oproept zijn de verzetsstrijders uit het getto van Warschau en de kampen, die heldhaftig maar tot mislukken gedoemd in opstand kwamen tegen de nazi’s. En hij neemt deze buitengewone analogie serieus: ‘Als het te laat is om verzet te plegen binnen een calculus van onmiddellijk nut, is de tijd gekomen om de fundamentele waarden van het leven te verdedigen, zelfs als dat alleen maar betekent dat je het naar de hemel uitschreeuwt.’ Hij citeert RevolutionaryYiddishland van Alain Brossat en Sylvie Klingberg: ‘Hun strijd ging om de geschiedenis, om de herinnering … Deze bevestiging van het leven door opoffering en strijd, zonder uitzicht op de overwinning, is een tragische paradox die alleen kan worden begrepen als een daad van geloof in de geschiedenis.’ ‘Beter te sterven tijdens het opblazen van een pijpleiding,’ concludeert Malm, ‘dan te verbranden nadat je niets hebt ondernomen.’ Zo keert het beeld van het opblazen van een pijpleiding terug, nu niet meer als een sabotagedaad, maar als een daad van zelfopoffering. Op dit kruispunt van een monumentaal verleden en een duistere toekomst, komen we bij een doodlopende weg.

Eerder in How to Blow up a Pipeline komt Malm met een alternatief. Stel je voor, schrijft hij, dat de massamobilisaties van de laatste protestcyclus onmogelijk te negeren worden.

De heersende klassen voelen zich zó onder druk gezet – misschien smelt hun hart zelfs een beetje bij het zien van al die kinderen met handgeschreven plakkaten – dat hun onverzettelijkheid afneemt. Er worden nieuwe politici verkozen, met name van groene partijen in Europa, die hun verkiezingsbeloften wél nakomen. De druk wordt van onderaf opgevoerd. Er worden moratoria op nieuwe infrastructuur voor fossiele brandstoffen ingesteld. Duitsland begint met de onmiddellijke stopzetting van de steenkoolproductie, Nederland met de stopzetting van de gasproductie, Noorwegen met de stopzetting van de olieproductie, en de VS met de stopzetting van alle drie; er komt wetgeving en planning voor het terugdringen van de uitstoot met ten minste 10 procent per jaar; duurzame energie en openbaar vervoer worden uitgebreid, plantaardige voeding wordt bevorderd, en er wordt een algemeen verbod op fossiele brandstoffen voorbereid.

Mocht dit gebeuren, zo stelt Malm, ‘dan moet de beweging de kans krijgen om dit scenario tot een goed einde te brengen.’

De meerderheid van de klimaatactivisten heeft zijn hoop gevestigd op deze hervormingsgezinde visie, en daar moeten we inderdaad aan vasthouden. Maar laten we ook toegeven dat hoewel deze regels nog maar enkele maanden geleden werden geschreven, ze nu al achterhaald lijken. En Malm geeft ons al snel een visie die veel dichter ligt bij hoe de wereld er vandaag de dag uitziet. Stel je voor dat ‘de kinderen van de Thunberg-generatie en de rest van ons een paar jaar na nu op een ochtend wakker worden en beseffen dat business-as-usual nog steeds doorgaat, ondanks alle stakingen, alle wetenschap, alle pleidooien, en alle miljoenen die met kleurrijke outfits en spandoeken de straat zijn opgegaan … Wat doen we dan?’

De centrist zal adviseren geduld te hebben. Alles wat we daadwerkelijk kunnen doen, kunnen we ons veroorloven, zei Keynes. Op dezelfde manier, zo voegde hij eraan toe in een radiotoespraak in het voorjaar van 1942, kunnen we ons alles veroorloven wat we kunnen doen, mits we geduldig blijven en de nodige tijd nemen. Dat is een veelzeggende kwalificatie. Zoals Malm opmerkt, is het een fundamenteel uitgangspunt van de sociaal-democratie dat zij de geschiedenis en de tijd aan haar zijde heeft. Maar te denken dat dit nog steeds het geval is, en te praten alsof we veilig onderscheid kunnen maken tussen de korte, de middellange en de lange termijn, is een van de meest verraderlijke vormen van zachte ontkenning die vandaag de dag aan het werk zijn. We mogen er niet langer aan toegeven.

Zoals Malm opmerkt, heeft het neoliberalisme herhaaldelijk manieren gevonden om over zijn eigen schaduw heen te springen teneinde een crisis aan te kunnen pakken op de schaal en in het tempo die door de situatie werden vereist. De reactie op de pandemie is precies zo’n demonstratie van flexibiliteit. Maar vertrouwen op dat soort politiek als het gaat om de klimaatverandering is het recept voor een planetaire ramp. Malm dwingt ons een cruciale vraag onder ogen te zien: wat is de sociaal-democratische politiek van de noodtoestand? Als zijn versie van ecologisch leninisme moet worden afgewezen, wat is dan onze logica van handelen in het aangezicht van een ramp? Wat zijn onze politieke opties als er alle reden is om te denken dat we nog maar heel weinig tijd hebben? Zoals Daniel Bensaïd ons in herinnering brengt, in een door Malm geciteerd essay, maakte Lenin in 1914 een aantekening in de marge van Hegels De wetenschap van de logica: ‘Breuken in de geleidelijkheid … Geleidelijkheid kan niets verklaren zonder sprongen. Sprongen! Sprongen! Sprongen!’

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Klimaat Politiek

Een klimaatplan voor een wereld in vlammen

Oorspronkelijke tekst (Engels, betaalmuur): Financial Times, 20 augustus 2021

fotografie: Sean Curtin

door Kim Stanley Robinson

Kim Stanley Robinson is science fiction-schrijver. Zijn The Ministry for the Future verschijnt volgend jaar in Nederlandse vertaling bij Starfish Books. De auteur zal in november spreken op de VN-klimaatconferentie COP26 in Glasgow.

De mensheid staat op de drempel van een ramp. Maar met creatief denken en collectieve wil hebben we misschien nog tijd om een catastrofe af te wenden.

Hoe voelt het om aan de vooravond te staan van een grote historische verandering? Het voelt als het nu. Dat klinkt natuurlijk hyperbolisch, en misschien zelfs paniekerig, maar ik denk dat het echt zo is. Niet dat een sciencefictionschrijver de toekomst beter kan zien dan wie dan ook; heel vaak juist slechter. Maar te midden van een pandemie, steeds sneller achter elkaar optredende extreme weersverschijnselen, en de opeenstapeling van gegevens en analyses uit de wetenschappelijke gemeenschap, is het een makkelijk verhaal geworden. Een paar weken geleden reden mijn vrouw en ik van oost naar west door de VS. In Wyoming stuitten we op een rookgordijn van bosbranden, zo dik dat we de bergen op een paar kilometer afstand aan weerszijden van de weg niet konden zien. Zo ging het vijftienhonderd kilometer lang. Toen kwamen we in Californië aan, net op tijd voor het laatste rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change van de VN, dat in minutieus detail de ware omvang van het klimaatprobleem documenteert. De mensheid staat nu niet alleen aan de vooravond van grote veranderingen, maar ook van een ramp. En omdat we die kunnen zien aankomen, even duidelijk als een zwarte storm aan de horizon, zullen onze pogingen om die ramp te vermijden en een gezonde relatie met ons enige thuis tot stand te brengen, enorme veranderingen teweegbrengen in onze gewoonten, wetten, instellingen en technologieën. Dit alles is nu zichtbaar voor ons. In tegenstelling tot de mensen die in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog leefden, zullen wij niet door catastrofes worden overvallen. De jaren twintig van deze eeuw zullen niet vol verrassingen zitten – behalve misschien als het gaat om de snelheid en de intensiteit van de veranderingen die op ons afkomen. Met zijn sfeer van onheilspellende voorgevoelens lijkt onze tijd meer op de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog, toen iedereen het gevoel had hulpeloos van een gladde helling af te glijden en van een klif af te storten.

Maar historische analogieën helpen ons slechts in beperkte mate om onze huidige situatie te begrijpen, aangezien we nooit eerder in staat zijn geweest onze eigen bestaansmiddelen te vernietigen. Wetenschappers hebben de naam Antropoceen bedacht om aan te geven dat dit moment in de geschiedenis ongekend is. Wij zijn met zovelen, onze technologieën zijn zó machtig en onze sociale systemen zijn zó achteloos ten aanzien van de gevolgen, dat onze schade aan de biosfeer van de aarde met verbluffende snelheid is toegenomen. Veel historici noemen de periode na de Tweede wereldoorlog de Grote Versnelling, en de schadelijke aspecten van de veranderingen die we in gang hebben gezet hebben een immense biologische en geofysische impuls gekregen. We kunnen niet gewoon onze diplomaten verzamelen en het afblazen, de vrede met de biosfeer uitroepen. Ook al hebben we dat wel gedaan, in 2015, met het verdrag van Parijs. Maar dat was een overeenkomst om een veranderingsproces op gang te brengen, dat we nu moeten naleven als het écht wat wil worden. We hebben namelijk afgesproken onze beschaving over de hele linie koolstofvrij te maken: bij de energieopwekking, het vervoer, de bouw – alles. Maar aangezien al deze activiteiten grotendeels door de verbranding van fossiele brandstoffen tot stand kwamen, is deze verandering een enorme uitdaging, vergelijkbaar met de mobilisaties in de twintigste eeuw om wereldoorlogen uit te vechten.

Of we dat soort intensieve inspanningen nu weer kunnen opbrengen, is een open vraag. Nog niet iedereen is ervan overtuigd dat zoʼn inspanning nodig is, en er zijn gevestigde belangen – niet alleen particulieren of bedrijven, maar ook veel van de machtigste landen op aarde – die er alles aan gelegen is fossiele brandstoffen te blijven verbranden. Het verdrag van Parijs zou dus kunnen eindigen als de Volkenbond, een leuk idee dat mislukte. Maar als we deze keer falen, kunnen de gevolgen nog veel erger zijn dan die van de grote oorlogen van de twintigste eeuw. Nogmaals, dit klinkt hyperbolisch, maar de feiten in de hand ondersteunen de gedachte, alarmerend als die is. We zitten in vreselijke problemen, maar niet iedereen is het daarmee eens; nooit zal iedereen het erover eens zijn, ook al komen de droogtes en de branden, de stormen en de overstromingen sneller dan ooit.

Ieder moment in de geschiedenis heeft zijn eigen ʻgevoelsstructuur,ʼ zoals de cultuurtheoreticus Raymond Williams het uitdrukte; deze verandert als er nieuwe dingen gebeuren. Als ik verhalen schrijf die zich afspelen in de komende decennia, probeer ik me die verschuiving in de gevoelsstructuur voor te stellen, maar dat is erg moeilijk omdat de huidige structuur zelfs dat soort speculaties vormgeeft. Op dit moment voelen de dingen enorm verankerd, maar ook fragiel. We kunnen niet doorgaan, maar we kunnen ook niet veranderen. Ook al zijn we één soort op één planeet, er lijkt geen kans op algemene overeenstemming of wereldwijde solidariteit. Het beste waarop kan worden gehoopt is een werkende politieke meerderheid die dagelijks opnieuw wordt samengesteld, in een poging de noodzakelijke dingen te doen voor onszelf en de generaties na ons. Het is een zware uitdaging die nooit zal verdwijnen. Het is makkelijk om te wanhopen. Toch zijn er de laatste tijd enkele dingen gebeurd die mij reden tot hoop geven. Ik schreef mijn roman The Ministry for the Future in 2019. Dat jaar heeft mijn visie zeker vertroebeld, want verschillende belangrijke ontwikkelingen – die ik in mijn roman beschreef als zich afspelend in de jaren dertig van deze eeuw – zie ik nu al stevig op gang komen. Mijn tijdlijn was volledig verkeerd; de gebeurtenissen zijn opnieuw versneld.

Een deel van die versnelling werd veroorzaakt door Covid-19. Het was een klap in het gezicht, een onmiskenbare demonstratie dat we op één planeet leven in één beschaving, die op dodelijke manieren kan worden ontwricht. En het ging niet alleen om mensen die overal aan dezelfde ziekte bezweken, maar ook om onze reacties op die schokkende realiteit. De bevoorradingsketens waarop we vertrouwen voor het leven zelf kunnen worden verstoord door hamsteren, dat wil zeggen door verlies van vertrouwen in onze systemen. In de VS ging het om toiletpapier en schoonmaakmiddelen – maar als het om voedsel was gegaan, dan was er sprake geweest van paniek, ineenstorting, hongersnood, en een oorlog van allen tegen allen. Zó fragiel is de beschaving, zózeer moeten individuen elkaar vertrouwen om te kunnen overleven. Dit is inderdaad een prisoner’sdilemma: wij zijn allemaal samen opgesloten op deze ene planeet. We doen het samen óf we zijn de klos: dat is de wet van Franklin. Een andere les van de pandemie, een les die we al eerder tot ons hadden moeten nemen, is dat de wetenschap oppermachtig is. We moeten leren er beter gebruik van te maken dan we nu doen, maar als we dat doen, zullen er veel goede dingen uit voortvloeien. Richting geven aan de wetenschap is het werk van de menswetenschappen en de kunsten, en van de politiek en het recht. We moeten als beschaving beslissen welke taken we nu het belangrijkst vinden.

Een derde les die we in 2020 hebben geleerd, betrof het medische nieuws dat de mens langdurige blootstelling aan extreem hoge combinaties van hitte en vochtigheid niet kan overleven. Dit besef, dat al enigszins bekend was maar nog niet als een existentieel probleem werd onderkend, had de optimistische commentatoren het zwijgen moeten opleggen die beweerden dat de mens zich gewoon kan aanpassen aan welk klimaat we ook maar zouden creëren. ʻGewoon aanpassen!,ʼ zeiden deze zelfverzekerde mensen. Dus wat als we een stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur van 3 of 4 graden Celsius veroorzaken? We moeten ons gewoon aanpassen. Mensen kunnen zich immers overal aan aanpassen!

Maar nee dus. Mensen kunnen niet leven in omstandigheden boven het hitte-indexcijfer van 35 graden Celsius, een maat voor de luchttemperatuur plus vochtigheid. We zijn niet ingesteld op zulke omstandigheden en als ze zich voordoen, raken we snel oververhit en sterven we aan hyperthermie. In juli van dit jaar werd in Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten kortstondig dit hitte-indexcijfer van 35 graden gemeten. Als we fossiele brandstoffen blijven verbranden, zal de gemiddelde temperatuur wereldwijd blijven stijgen, en zal deze dodelijke combinatie van hitte en vochtigheid zich vaker voordoen. En niet alleen in de tropen, waar meer dan drie miljard mensen wonen; het temperatuurrecord van British Columbia overtrof deze zomer dat van Las Vegas. Het beperken van de klimaatverandering door het snel terugdringen van broeikasgassen is dus niet alleen een goed idee, maar een overlevingsnoodzaak.

Het verdrag Parijs kan dienen als een manier om deze massale inspanning te organiseren. We hebben dit nodig omdat, hoewel ons probleem mondiaal is, we leven in een systeem van natiestaten waarin de vertegenwoordigers van iedere natie belast zijn met het verdedigen van de belangen van die natie. Bij iedere waargenomen discrepantie tussen de belangen van iemands natie en die van de wereld in het algemeen, zullen sommige mensen voor hun natie kiezen. Dit schept veel problemen van het prisonerʼs dilemma-type. Als het op deugdzaam handelen aankomt, wie doet dat dan als eerste? De landen die het eerst handelen kunnen in de toekomst voordelen voor zichzelf creëren, maar veel mensen zijn te kortzichtig om dat in te zien, en dus komen er een aantal zeer moeilijke keuzes aan. Bijvoorbeeld: we kunnen nog ongeveer 900 gigaton koolstof verbranden voordat we de gemiddelde mondiale temperatuurstijging van 2°C overschrijden die ons in echt gevaarlijk gebied zal brengen. Maar we hebben al duizenden gigatonnen fossiele brandstoffen over de hele wereld gelokaliseerd. De meeste daarvan, die gewoon in de grond moeten blijven als we willen voorkomen dat de biosfeer wordt gekookt, zijn eigendom van nationale regeringen, die deze reserves beschouwen als onderdeel van hun nationale activa. Ze zijn al onderpand, en een gestage bron van inkomsten en vormen, voor heel wat van deze naties, een groot deel van hun rijkdom.

Dus hoewel bijna ieder land het verdrag van Parijs heeft ondertekend en in theorie heeft ingestemd met het principe van snelle emissiereducties, hebben landen als Saoedi-Arabië, Rusland, Canada, Brazilië, Nigeria, Australië, Mexico, China, Venezuela, Noorwegen en de VS – om nog maar te zwijgen van diverse andere landen – in het kader van het verdrag van Parijs beloften gedaan die hen vele biljoenen dollars aan gederfde inkomsten zullen kosten.

Natuurlijk zullen er in deze regeringen gekozen functionarissen en ambtenaren zijn die hun best zullen doen om nog een paar laatste biljoenen van deze bezittingen te verbranden. Zij zullen dit zien als hun patriottische en fiduciaire plicht. Dus als we geen andere regelingen treffen, zal dit staan te gebeuren.

Dit betekent dat één groot aspect van het probleem waar we voor staan, van financiële aard is. Denken over geld, en het sturen van geld, zijn de sleutel tot het succesvol doorkomen van deze crisiseeuw. We moeten manieren bedenken om onszelf te betalen om zo snel mogelijk koolstofvrij te worden, en om al het andere werk te doen dat nodig is om een duurzame beschaving tot stand te brengen. Zorgen dat de oliestaten niet failliet gaan en wanhopige dingen gaan doen zal deel moeten uitmaken van dit nieuwe arrangement, hoe lastig dat ook zal zijn. Kortingen, amortisatie, het opgeven van het uiten van beschuldigingen en het eisen van gerechtigheid, grote bezuinigingen – dit alles zal een rol gaan spelen.

En denk niet dat de markt dit allemaal zelf zal doen, want dat zal niet gebeuren. Het hele idee van heerschappij door de markt was een rampzalig voorbeeld van ʻmonocausotaxophilia,ʼ de liefde voor enkelvoudige oorzaken die alles verklaren, Ernst Pöppels grappige neologisme voor een neiging die bij ons allemaal voorkomt. Deze zwakte in ons denken, de vergeefse hoop op een betrouwbaar algoritme, of een monarch, moet ten allen tijde worden weerstaan, maar vooral bij de opbouw van een wereldeconomie. Het is niet waar dat alles goed geregeld zal zijn als we de financiën aan de markt overlaten, zoals de afgelopen veertig jaar is gebleken. De markt berekent dingen systematisch verkeerd door een onjuiste discontering van de toekomst, valse externaliteiten en vele andere roofzuchtige misrekeningen, die tot grote ongelijkheid en vernietiging van de biosfeer hebben geleid. En toch is het op dit moment de manier van de wereld, de wet van het land. Kapitaal investeert in het hoogste rendement – dat is wat de markt vereist. Maar het redden van de biosfeer levert niet het hoogste rendement op (een duidelijk bewijs van een andere misrekening van de markt), omdat voor die redding het grootste deel van onze infrastructuur moet worden vervangen, terwijl er ook een soort planetair rioleringssysteem moet worden aangelegd om het afval dat wij in de atmosfeer hebben gedumpt op te vangen en te verwijderen. Niemand beschouwt dit als een investering met een hoog rendement, want niemand wil duizenden miljarden tonnen droog ijs. Zoveel kooldioxide uit de atmosfeer halen is gewoon een kostenpost – wat het kost om te overleven –, maar het is niet het hoogste rendement. Particulier kapitaal zal er dus niet in investeren, en als we dat oordeel overeind laten, zijn we de klos.

Maar financiën is ook een technologie: het is de software van de beschaving. Het is uiterst belangrijke software, omdat het de manier is waarop wij ons eigen werk waarderen; en omdat het een menselijk systeem betreft, staat het ons vrij het te verbeteren door middel van diverse wijzigingen en aanpassingen. En nu zullen we wel moeten. Gelukkig voelen veel mensen die de centrale banken van de wereld bemannen deze noodzaak, en kijken zij naar innovaties. Hun betrokkenheid is van cruciaal belang, want geen enkele cryptocurrency zal het werk doen. Sterker nog, sommige van deze nieuwe cryptocurrencies, zoals bitcoin, verergeren het probleem alleen maar. En hoe dan ook, geen enkele cryptocurrency is feitelijk geld; het zijn net tulpen, of een andere speculatieve zeepbel. Geld is een ruilmiddel, een opslagplaats van waarde, en – van cruciaal belang – een teken van sociaal vertrouwen. En in het systeem van de natiestaat is geld datgene dat we vertrouwen, het geld dat nationaal wordt ondersteund. Hoe rijker het land, des te meer we het geld ervan vertrouwen. Dus dit ʻfiatgeldʼ is wat we nodig hebben om de existentiële noodtoestand het hoofd te kunnen bieden die de klimaatverandering representeert.

Waar dit op duidt is dat we binnenkort gaan uittesten hoeveel biljoenen dollars onze centrale banken per jaar kunnen creëren, zonder het vertrouwen van de mensen in geld aan te tasten. Dit zal een experiment zijn, een improvisatie. De kwantitatieve versoepelingen van 2008-ʼ11 en 2020-ʼ21 leverden sterke aanwijzingen op dat ieder jaar een vrij grote hoeveelheid nieuw geld kan worden gecreëerd zonder negatieve gevolgen. De nieuwe wending die aan deze bevinding kan worden toegevoegd, is het idee om nieuw gecreëerd geld allereerst te besteden aan decarbonisatie en andere biosfeervriendelijke activiteiten. Dit wordt ook wel ʻcarbon quantitative easingʼ genoemd, en is iets wat veel centrale banken inmiddeld aan het onderzoeken zijn.

Het Network for Greening the Financial System, een organisatie van 89 van de grootste centrale banken ter wereld, heeft onlangs een document gepubliceerd waarin mogelijke methodes voor deze financiële innovatie worden geschetst. Voorgesteld werd dat landen, bedrijven en individuen die koolstof aan de atmosfeer onttrekken, daarvoor rechtstreeks kunnen worden betaald. Mogelijk kunnen oliestaten worden gecompenseerd voor de fossiele brandstoffen die zij in de grond houden. Mogelijk kunnen oliemaatschappijen worden betaald om koolstof uit de lucht te zuigen en vervolgens weer in de grond te pompen; mogelijk kunnen zij ook worden betaald om water op te pompen van onder de grote gletsjers van Antarctica en Groenland, die momenteel de zee in glijden op nog maar onlangs gesmolten ondergrondse waterglijbanen.

Natuurlijk zullen wetgevende lichamen en burgers er bij hun centrale banken op moeten aandringen, en hen uiteindelijk moeten instrueren of opdragen, om deze dingen te doen. Maar het goede nieuws is dat we met deze nieuwe strategieën in de hand, zelfs in onze huidige politieke economie, die op zijn zachtst gezegd niet bijzonder geschikt is voor de taak die voor ons ligt, onszelf misschien kunnen betalen om de noodzakelijke dingen te doen, en dat we zo de dreigende massa-extinctie misschien nog kunnen ontlopen.

Dit is niet de totale oplossing; ik wil zelf niet ten prooi vallen aan monocausotaxofilie. Er zal veel meer nodig zijn dan ʻcarbon quantitative easingʼ om de komende jaren voorspoedig te laten verlopen. We zullen opnieuw woeste gronden moeten aanleggen om de biodiversiteit in stand te houden, zoals in de verschillende ʻ30×30ʼ-plannen wordt voorgesteld; we zouden kunnen beginnen met het kweken van voedsel in vaten uit micro-organismen, zodat land vrijkomt voor andere doeleinden; we zullen onze steden moeten vergroenen; we zullen een groot deel van onze infrastructuur moeten vervangen; enzovoorts. Dit alles brengt een enorme hoeveelheid werk met zich mee, dat allemaal betaald zal moeten worden.

ʻCarbon quantitative easingʼ zal niet genoeg zijn om dit allemaal te bewerkstelligen, maar in combinatie met regelgeving en belastingen die particulier kapitaal naar nuttige, op overleving gerichte projecten sluizen, zullen we het misschien nét redden. En – tussen haakjes – volledige werkgelegenheid is zeer impliciet in dit alles; er zal zó veel werk gedaan moeten worden. Kunnen we al dat noodzakelijke werk gebruiken om klimaatgelijkheid tussen naties tot stand te brengen en de groteske ongelijkheid tussen arm en rijk te verminderen? Het lijkt erop dat dit mogelijk is. Deze reeks nieuwe beleidsmaatregelen betekent een terugkeer naar een soort Keynesiaans evenwicht tussen publiek en privaat. Goed. Dat hebben we nodig. Maar deze grote verschuiving draagt natuurlijk ook bij aan ons gevoel van angst in deze tijd. Wat – een nieuwe politieke economie? Heeft zoʼn verandering zich niet voor het laatst voorgedaan in 1980, of in 1945, of tijdens de grote democratische revoluties van de achttiende eeuw? Dat is nu toch onmogelijk geworden? Is het niet makkelijker om je het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van het kapitalisme? Nee, toch niet. De tijd is gekomen om toe te geven dat wij onze economie moeten sturen ten bate van het algemeen welzijn. Dit besef is altijd van cruciaal belang, maar vooral nu we een massale uitsterving moeten zien te voorkomen. De onzichtbare hand van de markt zal hier nooit voor kunnen zorgen; daarom moeten we het stuur nu zelf ter hand nemen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Klimaat Politiek

Wat westerse samenlevingen kunnen leren van inheemse gemeenschappen

Oorspronkelijke tekst (Engels): New York Times, 10 juli 2021

fotografie: Everipedia

door Rachel Cernansky

Rachel Cernansky is freelance journalist en duurzaamheidsredacteur bij Vogue Business. Ze schrijft regelmatig over het milieu en sociale rechtvaardigheid.

Toen de Nieuw-Zeelandse snelwegautoriteiten bijna twintig jaar geleden plannen maakten voor de Waikato Expressway, tekenden mensen van de Māori-stam Ngāti Naho bezwaar aan. Die snelweg zou een gebied binnendringen dat volgens de Māori-traditie werd beheerd door een waterbewonend wezen, een taniwha.

De autoriteiten hielden rekening met deze bezwaren en verlegden de weg om het gebied in kwestie te ontzien. Het resultaat was dat de weg een jaar later, toen het gebied door een grote overstroming werd getroffen, ongedeerd bleef.

ʻIk wacht nog steeds op de krantenkop “Mythisch wezen bespaart de belastingbetaler miljoenen”,ʼ zegt Dan Hikuroa, universitair hoofddocent Māori-studies aan de Universiteit van Auckland en lid van de Ngāti Maniapoto-stam. Toen de overstroming eenmaal had plaatsgevonden, vroeg hij zich af of het technische team later niet had gezegd: ʻWaarom zeiden jullie niet gewoon dat dit een overstromingsrisicogebied is?ʼ

Zoals veel inheemse volkeren over de hele wereld hebben de Māori hun begrip van hun omgeving ontwikkeld door het landschap en de gedragingen ervan in de loop van vele generaties van nabij te observeren. Nu zoekt de New Zealand Environmental Protection Agency regelmatig naar manieren om de traditionele Māori-kennis, of mātauranga, te integreren in haar besluitvorming. Hikuroa is benoemd tot cultuurcommissaris voor UNESCO Nieuw Zeeland, een rol die volgens hem in het teken staat van het integreren van Māori-kennis in het werk van UNESCO.

In het Westen opgeleide onderzoekers en regeringen onderkennen in toenemende mate de rijkdom van de kennis die inheemse gemeenschappen hebben vergaard door gedurende honderden of zelfs duizenden jaren met hun omgeving samen te leven en deze te beschermen. In wetenschappelijke tijdschriften zijn studies gepubliceerd die aantonen dat de biodiversiteit over de hele wereld in gebieden die door de inheemse bevolking worden beheerd veel groter is dan in andere gebieden, zelfs in gebieden die voor natuurbehoud zijn gereserveerd.

Het omarmen van de kennis van de inheemse bevolking, zoals Nieuw-Zeeland probeert te doen, kan de manier waarop federale overheden ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen beheren verbeteren. Het kan ook het inzicht van westerse wetenschappers in hun eigen onderzoek verdiepen, door alternatieve perspectieven en benaderingen aan te reiken om hun werkgebied te begrijpen. Dit wordt steeds urgenter, vooral nu de klimaatcrisis zich verder uitbreidt. ʻHet zijn de veerkracht en het wereldbeeld van de inheemse bevolking waar elke regering, elk land en elke gemeenschap van kan leren, zodat we ons land, onze wateren en onze hulpbronnen beter kunnen beheren, niet alleen door de begrotingsjaren heen, maar ook door de generaties heen,ʼ aldus de Amerikaanse minister van Binnenlandse Zaken Deb Haaland, afkomstig uit de Laguna Pueblo in New Mexico en Amerikaʼs eerste inheemse minister, in een toespraak tot de Verenigde Naties.

Inheemse wetenschappers waarschuwen echter dat traditionele kennis weliswaar kan worden gebruikt om de wereld voordeel te brengen, maar ook verkeerd kan worden ingezet of kan worden uitgebuit. Dominique David Chavez, een afstammeling van de Arawak Taíno in het Caribisch gebied, en onderzoeker aan het Native Nations Institute van de Universiteit van Arizona en de National Science Foundation, zegt dat westerse wetenschappers ʻgetraind zijn om naar gemeenschappen te gaan, hun kennis te vergaren, terug te gaan naar onze instellingen en die kennis te verspreiden in wetenschappelijke tijdschriften.ʼ Dat kan het delen van traditionele kennis, van de ene generatie op de andere, ontwrichten, zegt ze, terwijl dat juist de prioriteit zou moeten zijn: ervoor zorgen dat inheemse kennissystemen behouden blijven in en ter ondersteuning van de gemeenschappen die ze hebben ontwikkeld. In Puerto Rico, dat bij de inheemse bevolking bekend staat als Borikén, bestudeert mevrouw Chavez manieren om de banden en de traditionele kennisoverdrachtspatronen tussen ouderen en jongeren te herstellen.

Een brug slaan tussen de inheemse en westerse wetenschap betekent ook respect hebben voor het ecosysteem van waarden waarin de kennissystemen zijn ingebed. De praktijk van het planten van een verscheidenheid aan gewassen en het opbouwen van een gezonde bodem voor het vasthouden van water – tegenwoordig bekend als ʻregeneratieve landbouwʼ – bestaat bijvoorbeeld al sinds mensenheugenis in inheemse gemeenschappen over de hele wereld. Toch is de toenemende drang om elders regeneratieve landbouwpraktijken toe te passen vaak selectief, waarbij bijvoorbeeld industriële bestrijdingsmiddelen worden gebruikt of het welzijn van de mensen die het land bewerken buiten beschouwing wordt gelaten.

ʻIn inheemse wetenschappen is het niet mogelijk om kennis te scheiden van de ethiek van de verantwoordelijkheid voor die kennis – terwijl we dat in de westerse wetenschap voortdurend doen,ʼ zegt Robin Wall Kimmerer, directeur van het Center for Native Peoples and the Environment aan de State University van New York in Syracuse en lid van de Citizen Potawatomi Nation. De wetenschappelijke methode is ontworpen om onverschillig te staan tegenover moraal of waarden, voegt ze eraan toe. ʻInheemse kennis stelt die juist weer centraal.ʼ

In het ideale geval kan het gedeelde gebruik van inheemse kennis helpen om de verbroken relaties tussen inheemse en westerse gemeenschappen te herstellen.

In het noorden van New York wijst Kimmerer op sweetgrass, een inheemse plant die gebruikt wordt voor traditioneel mandenvlechten. Zij werd benaderd door een stam die bezorgd was over de achteruitgang van de plant en op zoek was naar een oplossing.

Overheidsvoorschriften hadden de oogst al beperkt. ʻMensen denken vaak dat er te veel geoogst wordt,ʼ aldus Kimmerer. Zij hielp bij het uitvoeren van studies die uiteindelijk aantoonden dat het oogsten van sweetgrass, volgens inheemse protocollen, juist datgene is wat het helpt om te gedijen. ʻAls je het gewoon met rust laat, begint het af te nemen.ʼ

Volgens haar duidt dit op een kernfout in de westerse benadering van landbeheer: de overtuiging dat menselijke interactie per definitie schadelijk is voor ecosystemen. ʻDat is een van de redenen waarom inheemse volken systematisch zijn verwijderd uit wat nu nationale parken zijn, vanwege het idee dat mensen en natuur niet op een goede manier naast elkaar kunnen bestaan.ʼ Maar de kennis van de inheemse bevolking, aldus Kimmerer, luidt feitelijk alleen maar: ʻOh ja, dat kunnen we wel, en we cultiveren praktijken die dat mogelijk maken.ʼ

Bij het bestrijden van de bosbranden vorig jaar maakten de Australische autoriteiten gebruik van Aboriginal-praktijken. Onderzoekers hebben de hevigheid van die branden in verband gebracht met de klimaatverandering, maar Kimmerer voegt eraan toe dat de manier waarop het land in Australië in de moderne tijd werd beheerd ook een rol kan hebben gespeeld. De Aboriginals hebben dat land ʻal duizenden jaren lang beheerd als een vuurlandschap,ʼ zegt ze. ʻHet feit dat de inheemse wetenschap is genegeerd is een factor die heeft bijgedragen aan de branden daar.ʼ

Nu de wereld steeds meer de prestaties van vele inheemse gemeenschappen erkent die met succes samenleven met ecosystemen, kan de westerse samenleving daar nog veel van leren.

ʻWe hebben het idee dat de westerse wetenschap de weg naar de waarheid is. We houden niet eens rekening met de mogelijkheid dat de waarheid ergens anders vandaan zou kunnen komen,ʼ aldus Kimmerer. ʻResource managers en landbeheerders moeten begrijpen dat er meerdere manieren van weten zijn.ʼ

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Klimaat Politiek

Stel de mens centraal in de strijd tegen de klimaatverandering

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 9 oktober 2020

fotografie: https://www.arunacsekhar.com/

door Aruna Chandrasekhar

Aruna Chandrasekhar is een onafhankelijke journalist uit India. Ze is momenteel verbonden aan het Environmental Change Institute van de universiteit van Oxford.

De dissonantie, de afwezigheid van enige samenhang, is genoeg om mij ertoe te brengen Twitter van mijn telefoon te verwijderen. Misschien is het ʻmedelevensmoeheid,ʼ misschien komt het gewoon doordat het 2020 is. Maar als ik eerlijk ben tegen mezelf, gaat het om een levensgroot verschil in de manier waarop we de klimaatnoodtoestand waarnemen op de verschillende tijdlijnen waar ik gebruik van maak. Op de ene feed wordt iedereen – Amerikaan of niet – gedwongen zich bezig te houden met het klimaatbeleid van beide presidentskandidaten, omdat het electorale lot van de VS onlosmakelijk verbonden is met de toekomst van de planeet. Op de andere feed, afkomstig uit mijn land van herkomst, India, worden veertig nieuwe kolenmijnen in de laatste grote salbossen aangeboden aan iedere bieder die er maar in geïnteresseerd is, terwijl burgerrechtenactivisten uit een ander tijdperk van het milieuactivisme wegkwijnen in de gevangenis, waar hun gezondheid zienderogen verslechtert.

Wij bevinden ons op een keerpunt in de klimaatpolitiek, nu sommige regeringen plannen maken voor een koolstofneutrale toekomst over dertig tot veertig jaar, terwijl andere het komende decennium in willen gaan met toezeggingen die al vijf jaar oud zijn. Intussen hebben de mensen die altijd al de klos zijn geweest te kampen met de gevolgen van onze passiviteit in het hier en nu. We moeten deze twee tijdlijnen op elkaar afstemmen en onze definitie van klimaatrechtvaardigheid verbreden, als we enige mate van gerechtigheid voor de meest kwetsbaren willen bereiken. Maar als we dat willen doen, moeten we accepteren dat de klimaatpolitiek niet meer zo zwart-wit is.

Terwijl ik langs schilderachtige Oxford-huizen loop met Extinction Rebellion-vlaggen voor hun ramen, ben ik bang dat velen van ons met de luidste stemmen – comfortabele activisten in de rijke landen van de wereld – proberen hoop te ontlenen aan klimaatbeloften zonder tanden. Misschien brengt dit sommige regeringen ertoe verdergaande beloftes te doen, maar we weten maar al te goed dat zij alle eerdere doelen hebben gemist, de cijfers hebben gemanipuleerd en weinig respect hebben getoond voor de rechtsstaat. Om de beroemde eis die XR aan regeringen stelt te parafraseren: welke ʻwaarheidʼ verwachten we dan dat ze gaan vertellen?

De westerse klimaatbeweging roept op tot ʻvertrouwen in de wetenschap,ʼ maar ik vraag me af of de overweldigende nadruk daarop onze solidariteit niet misantropischer en a-politieker maakt. Meestal lijkt het makkelijker om je toevlucht te nemen tot grafieken die het voortbestaan van methaan als broeikasgas in de komende twee eeuwen tot in detail weergeven dan de rommeligheid van menselijke relaties of urgente mensenrechtenschendingen aan de orde te stellen. Ik staar naar de breuken in de Kaya identiteit, een formule die de koolstofuitstoot uitdrukt als een product van vier factoren: bbp per hoofd van de bevolking, energie-intensiteit, koolstofintensiteit en bevolkingsdruk. Ik vraag me af of er een breuk is die ik kan gebruiken om te berekenen hoe we de wereld ten goede kunnen keren, nu de stampende laarzen van de anti-wetenschappelijke, extreem-rechtse regeringen ten oosten en ten westen van mij weerklinken. Maar daar bestaat geen makkelijke formule voor.

Toen XR werd besmeurd met het ʻextremismeʼ-label, of toen Priti Patel (de Britse minister van Binnenlandse Zaken) de XR-activisten omschreef als ʻcriminelen,ʼ nadat ze door middel van directe actie publicaties die de klimaatverandering ontkennen hadden tegengehouden, was er opschudding bij delen van de Britse pers. Maar ik had weer last van die dissonante déja vu. Als iemand die er getuige van is geweest hoe milieubewegingen in het mondiale zuiden – wellicht de geboorteplaats van de niet-gewelddadige directe actie – de afgelopen jaren als extremistische groeperingen zijn weggezet, zou ik eigenlijk alleen maar willen zeggen: welkom in de rest van de wereld. De EU mag dan nóg ambitieuzere doelstellingen hebben aangekondigd, in veel delen van de wereld waar zij haar uitstoot naar toe exporteert is de pandemie aanleiding voor een laatste wanhopig herstelplan op basis van fossiele brandstoffen.

Intussen juichen velen van ons de klimaatbeloften van landen als China zonder meer toe, deels vanwege de grootschalige verandering die ze beloven, deels omdat deze landen geopolitieke uitdagingen voor de westerse macht vertegenwoordigen die ons niet bevallen, terwijl we er tegelijkertijd aan voorbijgaan dat lokale stemmen hen nauwelijks ter verantwoording mogen roepen. Sommigen van ons hopen misschien zelfs heimelijk dat de afwezigheid van democratische oppositie deze klimaatplannen makkelijker uitvoerbaar zou kunnen maken.

Dan is er de overheersende neiging om al het leven te reduceren tot koolstof, om alle koolstof als gelijkwaardig te zien en te hopen dat we met voldoende trucs, druk op beleggers en nog te ontwikkelen technologie de aanslagen op het klimaat uiteindelijk zullen kunnen compenseren. Volgens mij gaat deze aanpak ten koste van de diversiteit, complexiteit, echte ervaringen en daadwerkelijke systeemverandering. Black Lives Matter en Dalit Lives Matter (de beweging die opkomt voor de rechten van de ʻonaanraakbarenʼ in India) zouden ons moeten dwingen om de barsten in de fundamenten van het kapitalisme zoals we dat kennen aan te pakken: om toe te geven dat we leven in een wereldwijde extractie-economie die is gebaseerd op machtsmisbruik langs de lijnen van kaste en klasse, ras en religie, noord en zuid. Als we een nieuwe wereld willen, zullen we verder moeten kijken dan de symbolische diversiteit en moeten erkennen dat er geen sprake kan zijn van een economische heropleving of ʻgreen dealʼ zonder een begeleidend plan voor de arbeiders van kleur, van wier onderdrukking en ontheemding we allemaal profiteren; dit plan moet korte metten maken met de historische kwesties van grond, toegang tot de commons en gerechtigheid.

De klimaatcrisis is dan misschien niet wat de meesten van ons ʼs nachts wakker houdt, maar blaast wel alles op dat altijd al gebrekkig was. Er zijn geen makkelijke antwoorden, maar wel veel moeilijke vragen. Alles moet opnieuw worden opgebouwd, en daarin schuilt de noodzaak voor ons om zo menselijk en creatief mogelijk te zijn, en het breedste net uit te werpen. Er is behoefte aan langetermijndenken, net zoals we aandacht zullen moeten hebben voor lastige waarheden die niet binnen onze bestaande politiek passen. De noodtoestanden zijn werkelijkheid geworden en vermenigvuldigen zich; we moeten alleen wel onze oogkleppen afdoen en niet langer onderscheid maken tussen kleine groepjes gezichtsloze ʻklimaatslachtoffersʼ en de rest van ons. We moeten ons gaan bezighouden met deze grijze gebieden en de klimaatrechtvaardigheid rond burgerrechten en het leven, in al zijn rommeligheid, aan de orde gaan stellen. Het is tijd om de mensheid en het leven, en niet alleen koolstof, tot het middelpunt te maken van de klimaatcrisis en onze solidariteit.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Filosofie Klimaat

De coronacrisis als opmaat voor de klimaatcrisis

Oorspronkelijke tekst (Frans): Le Monde, 25 maart 2020

fotografie: Manuel Braun

door Bruno Latour

Bruno Latour is socioloog en filosoof, en de auteur van (onder meer) Les microbes. Guerre et paix en Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime (Octavo, 2018).

Voor degenen die zich achter de frontlinie bevinden en aan wie men uit solidariteit heeft gevraagd om niets te doen is het beslist zeer welkom dat de algehele ʻlockdownʼ toevallig samenvalt met de vastentijd. Dit verplichte vasten, deze seculiere en republikeinse ramadan, biedt hen de kans om te overdenken wat nu eigenlijk wél en wat niet belangrijk is.

Het zou zomaar kunnen dat de interventie van het virus een soort generale repetitie is voor de volgende crisis, waarin iedereen een complete verandering van zijn of haar levensomstandigheden zal ondergaan, in alle aspecten van het dagelijks bestaan. Net als vele anderen denk ik dat de coronacrisis een opmaat is voor de klimaatcrisis. Deze hypothese moet nog wel aan een nadere beproeving onderworpen worden.

Het virus is maar één schakel in een hele keten

Wat het met elkaar in verband brengen van deze twee crises legitimeert is het plotselinge en pijnlijke besef dat de klassieke definitie van een samenleving – het samenzijn van mensen onder elkaar – betekenisloos is geworden. De toestand van de samenleving is op ieder moment afhankelijk van de relaties tussen vele actoren, waarvan de meeste geen menselijke vorm hebben. Dit geldt voor microben – zoals we sinds Pasteur weten – maar ook voor het internet, de wet, de organisatie van onze ziekenhuizen, de capaciteiten van de staat en zelfs voor het klimaat. En ondanks al het gekrakeel over een ʻstaat van oorlogʼ tegen het virus, is dit virus natuurlijk maar één schakel in een hele keten, waarin het voorraadbeheer van maskers of tests, de regulering van eigendomsrechten, allerlei burgerlijke gewoonten en gebaren van solidariteit eveneens meewegen bij het bepalen van de mate van kwaadaardigheid van een besmettelijke ziekte.

Als je eenmaal zicht hebt op het hele netwerk waarvan het virus slechts één onderdeel is, begrijp je dat het virus niet op dezelfde manier te werk gaat in Taiwan, Singapore, New York of Parijs. De pandemie is net zomin een ʻnatuurlijkʼ fenomeen als de hongersnoden uit het verleden of de klimaatcrisis van nu. De samenleving heeft zich al lang geleden buiten de nauwe beperkingen van de sociale sfeer begeven.

De uitbreiding der bevoegdheden en de sirenes van ambulances

Dit gezegd hebbende weet ik niet zeker of we de parallel nog verder kunnen doortrekken. Gezondheidscrises zijn immers niet nieuw, en het snelle en radicale ingrijpen van de staat lijkt tot nu toe niet erg innovatief. Daarvoor hoef je alleen maar naar het enthousiasme te kijken waarmee president Macron zich onlangs de allure van een staatshoofd heeft aangemeten, waar het hem tot nu toe zo pathetisch aan ontbroken heeft. Door de retoriek van ʻwij moeten jullie beschermenʼ en ʻjullie moeten ons beschermenʼ zorgen pandemieën er, zowel voor de machthebbers als voor hun onderdanen, voor dat het gezag van de staat weer versterkt wordt, zodat die staat eisen kan stellen die in iedere andere omstandigheid tot rellen zouden hebben geleid.

Maar deze staat is niet de staat van de 21e eeuw en van de klimaatverandering, maar de staat van de 19e eeuw en de zogenaamde ʻbiopower.ʼ Om met wijlen statisticus Alain Desrosières te spreken, het is de staat van de statistiek: de bevolking wordt binnen een territoriaal kader onder toezicht gesteld en van bovenaf bestuurd met behulp van deskundigen. Dit is het systeem dat we vandaag de dag zien herrijzen – met als enig verschil met vroeger dat het nu stap voor stap wordt geherintroduceerd, totdat het de hele planeet omvat.

De originaliteit van de huidige situatie is volgens mij dat we, door thuis opgesloten te zitten, terwijl we buiten niets anders meer zien en horen dan de uitbreiding van politiebevoegdheden en de sirenes van ambulances, collectief een karikaturale vorm van het spel van de ʻbiopowerʼ opvoeren, die rechtstreeks uit het werk van de filosoof Michel Foucault lijkt te zijn voortgekomen. Zelfs de vele arbeiders die gedwongen zijn te blijven werken, zodat de anderen zich in hun huizen kunnen blijven verstoppen, zijn aan het oog onttrokken – om nog maar te zwijgen van de migranten die helemaal geen onderdak hebben. Maar deze karikatuur is de karikatuur van een tijd die niet meer de onze is.

Een enorme kloof

Er gaapt een enorme kloof tussen de staat die zegt: ʻIk bescherm u tegen de doodʼ (dat wil zeggen: tegen de besmetting door een virus waarvan het spoor alleen bekend is aan wetenschappers en waarvan de gevolgen alleen begrijpelijk zijn door reeksen statistieken te bestuderen) en de staat die dúrft te zeggen: ʻIk bescherm u tegen de dood, omdat ik de bestaansvoorwaarden van alle levende wezens waarvan u afhankelijk bent, in stand wil houden.ʼ

Denk er maar eens over na: stel dat president Macron op dezelfde Churchilliaanse toon een pakket maatregelen bekendgemaakt zou hebben om de gas- en oliereserves in de bodem te laten, de verkoop van pesticiden te stoppen, het ploegen tot op grote diepte uit te bannen en – hoe stoutmoedig! – het gebruik van verwarmingsinstallaties op terrassen te verbieden… Als de benzinebelasting al genoeg was om de beweging van de ʻgele hesjesʼ op gang te brengen, huiver je bij de gedachte aan de rellen die het land in vuur en vlam zouden hebben gezet als hij dat had gedaan. En toch is het in het geval van de klimaatcrisis oneindig veel gerechtvaardigder om de Fransen voor hun eigen bestwil tegen de dood te beschermen dan in het geval van de coronacrisis, omdat die eerste letterlijk iedereen aangaat, en niet slechts een paar duizend mensen – en ook niet voor een tijdje, maar voor altijd.

De ziekteverwekker waarvan de afschuwelijke kwaadaardigheid de levensomstandigheden van iedereen verandert, is geen virus, maar de mens zelf!

Het is duidelijk dat er geen sprake van is dat deze denkbeeldige staat bestaat. En het is heel zorgwekkend om te zien hoe de huidige staat zich op geen enkele manier aan het voorbereiden is op de overgang van de ene crisis naar de andere. In de coronacrisis speelt de overheid een zeer klassieke pedagogische rol, en valt haar gezag perfect samen met de oude nationale grenzen – het archaïsme van de terugkeer naar de Europese binnengrenzen is daar het pijnlijke bewijs van.

Bij de klimaatverandering is de relatie omgekeerd: daar moet de overheid van het volk leren hoe het bestaan in gebieden die volledig geherdefinieerd worden door de noodzaak om uit het huidige mondiale productiesysteem te stappen, eruit zou kunnen zien. Hier zou de overheid volstrekt niet in staat zijn om maatregelen van bovenaf op te leggen. In de coronacrisis moeten wij allemaal, net als op de basisschool, weer leren om onze handen te wassen en in onze elleboog te hoesten, maar bij de klimaatverandering is het de staat die in het schoolbankje zit.

Bovendien is er nóg een reden waarom de metafoor van de ʻoorlog tegen het virusʼ onbegrijpelijk is: in de coronacrisis is het misschien waar dat de mens en bloc het virus ʻbestrijdtʼ – zelfs degenen die zich normaal gesproken niets van ons aantrekken en altijd maar blijven doorgaan met hun dodelijke werk, of we dat nu willen of niet. Bij de klimaatverandering is de situatie echter op tragische wijze omgekeerd: daar is de ziekteverwekker waarvan de afschuwelijke kwaadaardigheid de levensomstandigheden van alle bewoners van de planeet heeft veranderd helemaal geen virus, maar de mens zelf! En dan niet alle mensen, maar slechts een paar mensen, die oorlog tegen ons voeren zonder die aan ons verklaard te hebben. En op deze oorlog is de nationale staat heel slecht voorbereid, omdat de fronten veelvoudig zijn en ieder van ons kruisen. Het is in die zin dat de ʻalgemene mobilisatieʼ tegen het virus op geen enkele manier bewijst dat we klaar zullen zijn voor de volgende strijd. Het is niet alleen het leger dat altijd achterloopt in een oorlog.

Maar uiteindelijk – je weet maar nooit – kan een tijd van vasten, ook al is die seculier en republikeins van aard, tot spectaculaire veranderingen leiden. Voor het eerst in jaren vinden miljoenen mensen, die nu thuis vastzitten, een vergeten luxe terug: ze hebben de tijd om na te denken en te overwegen waar ze voorheen onnodig opgewonden van raakten. Laten we deze lange en onverwachte vastentijd te baat nemen.

vertaling Menno Grootveld