Oorspronkelijke tekst (Engels): Ecology of Fear (Verso Books, 2022)

door Mike Davis
Michael Ryan Davis (10 maart 1946 – 25 oktober 2022) was een Amerikaanse schrijver, politiek activist, stadstheoreticus en historicus uit Zuid-Californië. Hij stond vooral bekend om zijn analyses van macht en sociale klassen, zoals in zijn invloedrijke werken City of Quartz en Late Victorian Holocausts. Zijn laatste twee non-fictieboeken waren Set the Night on Fire: L.A. in the Sixties, geschreven samen met Jon Wiener, en The Monster Enters: COVID-19, Avian Flu, and the Plagues of Capitalism.
Dit is het eerste deel van het hoofdstuk The Case for Letting Malibu Burn uit Ecology of Fear
Van eind augustus tot begin oktober beleeft Los Angeles zijn helse seizoen. De binnenstad is vaak gehuld in een gele, bijtende smog, terwijl de hittegolven over Wilshire Boulevard razen. Buiten de met airconditioning gekoelde wolkenkrabbers schuilen daklozen ellendig in elke schaduwplek die ze kunnen vinden. Iets verderop, in slecht geventileerde kledingfabrieken, happen duizenden naaisters naar adem achter hun naaimachines. Bazige opzichters, hun overhemden doorweekt van het zweet, schreeuwen onophoudelijk bevelen in het Spaans, Armeens, Koreaans of Kantonees.
Aan de overkant van de Harbor Freeway liggen de overvolle woonkazernes van het Westlake-district – het Spanish Harlem van Los Angeles – die in de verzengende hitte veranderen in ondraaglijke ovens. Verstikkend in hun kleine kamers zoeken immigrantengezinnen verkoeling op brandtrappen, stoepen en trottoirs. Bezorgde moeders deppen het voorhoofd van hun baby’s met water, terwijl oudere kinderen met tranende ogen van de smog smeken om paletas — het kleurrijke schaafijs dat wordt verkocht door handkarverkopers. Jongemannen zonder shirt, sommigen met indrukwekkende biceps en tatoeages van de Maagd van Guadeloupe die als muurschilderingen hun rug bedekken, domineren de schaarse schaduw onder de luifels van de tienda. In dit gebied, omgeven door honderden hectaren gesmolten asfalt en beton, is nauwelijks een grasspriet te vinden, laat staan een gazon of een boom.
Vijftig kilometer verderop, aan de kust van Malibu, waar hyperbool en branding samenkomen, ziet de wereld er totaal anders uit. De temperatuur is er een aangename dertig graden (zo’n zeven graden koeler dan in de binnenstad), en de kobaltblauwe lucht is helder genoeg om de grillige contouren van het eiland Santa Barbara te onderscheiden, bijna tachtig kilometer uit de kust. Bij Zuma surfen waaghalzen door de golven onder de bewonderende blikken van hun persoonlijke zonnegodinnen, terwijl op Topanga Beach paardentrainers hun Appaloosa’s over het natte zand laten galopperen. Verder langs de kust genieten naakte scenarioschrijvers van hun jacuzzi’s in Point Dume, wisselen au pairs onder het genot van cappuccino’s op Malibu Colony Plaza Franse roddels uit (quelles familles bizarres!), en verdwalen toeristen in de heuvels op zoek naar een glimp van Streisands ongrijpbare paleis. Ongeïnteresseerd in de ellende van het ‘vasteland’ beleven de inwoners van Malibu weer een saaie, maar perfecte dag.
Het moge duidelijk zijn dat de levensomstandigheden in de sloppenwijken en aan de ‘gouden kust’ op ieder moment extreem veel van elkaar verschillen. Maar aan het einde van de zomer, wanneer het seizoen van de bosbranden in Zuid-Californië begint, delen Westlake en Malibu een gemeenschappelijk lot: verwoestende branden.
Volgens recente schattingen heeft Westlake, samen met aangrenzende delen van de binnenstad, het hoogste aantal stadsbranden in het land. In 1993 werd een van de twee brandweerkazernes daar overspoeld met maar liefst twintigduizend noodoproepen.1 Sommige huurflats en appartementenhotels kennen een onafgebroken geschiedenis van branden die teruggaat tot hun bouw aan het begin van de twintigste eeuw. Zo heeft het beruchte Hotel St. George te maken gehad met fatale branden in 1912, 1952 en 1983. Daarnaast hebben bijna alle dodelijke branden in huurflats in Los Angeles sinds 1945 plaatsgevonden binnen een straal van anderhalve kilometer van de kruising van Wilshire en Figueroa in de binnenstad.
Malibu is inmiddels de hoofdstad van de natuurbranden in Noord-Amerika, en misschien zelfs wel wereldwijd. Hier volgen de branden een meedogenloos staccato-ritme, afgewisseld met aardverschuivingen en overstromingen. De ruige kustlijn van 35 kilometer wordt gemiddeld eens in de tweeënhalf jaar getroffen door een grote brand (van ruim duizend hectare), en het volledige oppervlak van de westelijke Santa Monica Mountains is deze eeuw al drie keer volledig afgebrand.
Minstens eens per decennium escaleert een brand in de chaparral tot een angstaanjagende vuurstorm die honderden huizen verwoest in een onstuitbare opmars van de bergen naar de zee. Sinds 1970 hebben vijf van deze verwoestende branden ruim duizend luxe woningen in de as gelegd en voor meer dan een miljard dollar aan schade veroorzaakt. Sommige ongelukkige huiseigenaren zijn binnen één generatie al twee keer hun huis kwijtgeraakt door brand. Er zijn zelfs specifieke kust- en berggebieden, vooral tussen Point Dume en Tuna Canyon, die sinds 1930 al acht keer zijn afgebrand.2
Met andere woorden, als je aan de monding van Malibu Canyon staat of overnacht in Hotel St. George, zul je vroeg of laat de vlammen zien. Het is slechts een kwestie van tijd – een statistische zekerheid. Ironisch genoeg vertonen de rijkste en armste gebieden van Zuid-Californië een vergelijkbare frequentie van brandcatastrofes. Dit werd op tragische wijze duidelijk in 1993: in mei brak er een brand uit in een huurwoning in Westlake waarbij drie moeders en zeven kinderen omkwamen. Later dat jaar, eind oktober, volgden 21 bosbranden, die op 2 november uitgroeiden tot een allesverwoestende vuurstorm die de evacuatie van bijna heel Malibu noodzakelijk maakte.
Maar de twee soorten branden zijn elkaars spiegelbeeld. De rijke huiseigenaren van Malibu, die in 1993 werden beschermd door het grootste leger brandweerlieden in de Amerikaanse geschiedenis, profiteerden daarnaast van een uitzonderlijk pakket aan subsidies op het gebied van verzekeringen, landgebruik en rampenbestrijding. Toch geven de meeste experts ruiterlijk toe dat periodieke vuurstormen van deze omvang onvermijdelijk blijven zolang woningbouw in de brandgevoelige ecologie van de Santa Monica Mountains wordt toegestaan.
Aan de andere kant hadden de meeste van de 119 dodelijke slachtoffers van branden in huurflats in de wijken Westlake en Downtown voorkomen kunnen worden als huisjesmelkers zich ten minste aan minimale veiligheidseisen voor hun gebouwen hadden gehouden. Terwijl enorme middelen zijn ingezet — vaak vergeefs — om de onstuitbare krachten van de natuur aan de kust van Malibu te bestrijden, is er schandalig weinig aandacht besteed aan de door mensen veroorzaakte en oplosbare brandproblematiek in de binnenstad.
1 DE VUURKUST
Huizen zullen hier uiteraard bij duizenden verrijzen. Op menige piek zal een kasteel staan.
John Russell McCarthy, Deze wachtende heuvels (1923)
Van meet af aan heeft vuur Malibu in de Amerikaanse verbeelding gedefinieerd. In Two Years Before the Mast beschreef Richard Henry Dana hoe hij in 1826 van San Pedro naar Santa Barbara noordwaarts zeilde en langs de kust van José Tapia’s Rancho Topanga Malibu Sequit een enorme vuurzee zag. Ondanks – of, zoals we zullen zien, waarschijnlijk dankzij – het Spaanse verbod op het jaarlijkse gecontroleerde verbranden van struiken door de Chumash- en Tongva-indianen, werden de bergen rondom Malibu in de negentiende eeuw herhaaldelijk getroffen door verwoestende branden.3
Tijdens de grote grondhausse aan het eind van de jaren tachtig van de negentiende eeuw werd het hele latifundio voor tien dollar per acre verkocht aan de miljonair Frederick Rindge uit Boston. In zijn memoires beschreef Rindge zijn voortdurende strijd tegen krakers, veedieven en vooral de steeds terugkerende bosbranden. De grote brand van 1903, die in enkele uren van Calabasas naar de zee raasde, vernietigde Rindge’s droomranch in Malibu Canyon en dwong hem te verhuizen naar Los Angeles, waar hij in 1905 overleed.4
Al in de tijd van de Tapia-familie beseften de eigenaren van Rancho Malibu dat het uitzonderlijke brandgevaar in de regio grotendeels werd veroorzaakt door de onheilspellende uitlijning van de kustkloven met de jaarlijkse ‘vuurwinden’ uit het noorden: de beruchte Santa Ana-winden, die voornamelijk waaien tussen Labor Day en Thanksgiving, vlak voor de eerste regenval.5 Deze Santa Ana-winden, die ontstaan uit hogedrukgebieden boven het Great Basin en het Colorado Plateau, worden heet en droog terwijl ze als lawines neerdalen naar Zuid-Californië. De San Fernando Valley fungeert daarbij als een gigantische blaasbalg, die de Santa Ana’s soms opstuwt tot orkaansnelheid wanneer ze zeewaarts door de smalle kloven en ruige afgronden van de Santa Monica Mountains razen.*
(* Diezelfde ravijnen zorgen er echter ook voor dat koele oceaanlucht de vervuilde San Fernando Valley binnenstroomt en de luchtkwaliteit verbetert. Volgens luchtkwaliteitsonderzoekers vormen de Santa Monica Mountains de belangrijkste ‘luchtcorridor’ voor het grootstedelijk gebied van Los Angeles.)
In zulke omstandigheden is slechts een enkele vonk voldoende om de dichtbegroeide, kurkdroge vegetatie te ontsteken, waarna de hellingen veranderen in een onbeheersbare vuurzee. ‘De snelheid en de intensiteit van het vuur zijn zó groot dat brandweerlieden alleen kunnen proberen de zijwaartse verspreiding ervan te beperken, terwijl ze wachten tot de wind gaat liggen of de brandstof opraakt.’6
Vroeger werd minder goed begrepen dat de dominante vegetatie van de Santa Monica Mountains – adenostoma (een soort roos), witte salie en eikenbossen – in wezen afhankelijk is van de natuurlijke cyclus van bosbranden. Decennia van onderzoek, vooral in het San Dimas Experimental Forest in de San Gabriel Mountains, hebben eind twintigste eeuw geleid tot een dieper inzicht in de complexe en uiteindelijk nuttige rol van vuur bij het recyclen van voedingsstoffen en het bevorderen van zaadkieming in de verschillende vuurafhankelijke flora van Zuid-Californië.7
Daarnaast heeft onderzoek aangetoond dat de ophoping van biomassa een veel belangrijkere factor is in de verwoestende werking van vuur dan de frequentie van de ontvlamming. Richard Minnich, een wereldautoriteit op het gebied van bosbranden in chaparralgebieden, verwoordt het als volgt: ‘Branden ontstaan door brandstof, niet door ontvlamming. Je kunt een brandstichter naar Death Valley sturen, maar hij zal daar nooit gearresteerd worden.’8
Een belangrijke ontdekking was de niet-lineaire relatie tussen de leeftijd van de vegetatie en de intensiteit van de branden. Botanici en brandgeografen stelden vast dat ‘de kans op een intense, snel verlopende brand sterk toeneemt wanneer de vegetatie ouder is dan twintig jaar.’ Zo blijkt dat chaparral van vijftig jaar oud — zwaar beladen met dode biomassa — volgens berekeningen vijftig keer intenser brandt dan chaparral van twintig jaar oud. Anders gezegd, één hectare oude chaparral bevat qua brandstof ongeveer evenveel energie als vijfenzeventig vaten ruwe olie. Deze berekeningen extrapolerend zou een grote vuurstorm in Malibu evenveel hitte kunnen genereren als drie miljoen vaten brandende olie, met temperaturen die oplopen tot elfhonderd graden.9
Het beleid van ‘totale brandonderdrukking,’ dat sinds 1919 officieel wordt gevoerd in de bergen van Zuid-Californië, is een tragische vergissing gebleken, omdat het heeft geleid tot de opbouw van enorme hoeveelheden brandstof.10 De extreme branden die uiteindelijk ontstaan, kunnen zelfs de chemische structuur van de bodem veranderen. De vervluchtiging van bepaalde plantenchemicaliën creëert een waterafstotende laag in de bovenste bodemlaag. Deze laag belemmert de waterdoorlaatbaarheid, wat vervolgens de kans op overstromingen en erosie drastisch vergroot. Een eenzijdige focus op het beheersen van brandhaarden in plaats van het aanpakken van de ophoping van chaparral maakt verwoestende vuurstormen en de daaropvolgende grote overstromingen vrijwel onvermijdelijk.*
* Minnich heeft de brandgeschiedenissen van Zuid-Californië en het naburige Baja California tot in detail met elkaar vergeleken. In de steeds verder verstedelijkte bergen van Zuid-Californië zijn honderden miljoenen dollars uitgegeven aan brandbestrijding, terwijl in de wilde noordelijke hooglanden van Baja California vrijwel geen brandbeheer bestaat. Het verschil in aanpak leidt tot opvallende contrasten: alleen Zuid-Californië wordt geteisterd door terugkerende en verwoestende ‘vuurstormen.’ In Baja California komen bosbranden daarentegen vaker voor, maar blijven ze kleiner, en zijn ze fragmentarisch van aard en nooit catastrofaal.11
1Volgens gegevens van het kantoor van gemeenteraadslid Michael Hernandez van Los Angeles, tot wiens district Westlake behoort.
2David Weide, ‘The Geography of Fire in the Santa Monica Mountains,’ M.A. thesis, Department of Geography, California State University, Los Angeles, 1968, pp. 1–2, 87, 91; Klaus Radtke, Arthur Arndt, and Ronald Wakimoto, ‘Fire History of the Santa Monica Mountains,’ in Symposium on the Dynamics and Management of the Mediterranean Type Ecosystems (Berkeley, 1982), pp. 440–441; and Jerry Meehan, ‘Avoiding Déjà Vu: The Historic Wildfire Corridor,’ American Fire Journal, May 1991, pp. 14–15.
3Voor een recent overzicht van aboriginal ‘fire farming,’ zie Thomas Blackburn en Kat Anderson (eds.), Before the Wilderness: Environmental Management by Native Californians (Menlo Park, 1993).
4W. W. Robinson, Rancho Topanga Malibu Sequit: An Historical Approach (Los Angeles, 1958); en Frederick Hastings Rindge, Happy Days in Southern California (Cambridge, Mass., 1898).
5Het door de Santa Ana-winden aangedreven patroon van branden in de Santa Monica Mountains, dat van oktober tot december piekt, staat in contrast met het brandseizoen in de binnenlanden, waar de intensiteit in juli zijn hoogtepunt bereikt (Weide, ‘Geography of Fire,’ pp. 34-35).
6Environmental Protection Agency (Region IX), Final EIS/EIR: Las VirgenesLriunfo, Malibu-Lopanga – Area Wide Facilities Plan (San Francisco, 1977), pp. 2/1122/115.
7Er is een uitgebreide hoeveelheid literatuur over dit onderwerp beschikbaar, maar zie met name Sterling Keeley (red.), The California Chaparral: Paradigms Reexamined (Los Angeles, 1989).
8Citaat uit een brief van 2 september 1994. Zie ook zijn artikel ‘Fire Behavior in Southern California Chaparral before Fire Control: The Mount Wilson Burns at the Turn of the Century,’ gepubliceerd in Annals of the Association of American Geographers 77, nr. 4 (1987); en ‘Fuel-Driven Fire Regimes of the California Chaparral,’ in druk.
9Michael Rogers, ‘Fire Management in Southern California,’ in Symposium, pp. 496–98.
10Zie voor de geschiedenis van brandonderdrukking in de bergen van Zuid-Californië Ronald Lockmann, Guarding the Forests of Southern California (Glendale, 1981) en C. R. Clar, California Government and Forestry (Sacramento, 1959).
11Richard Minnich, The Biogeography of Fire in the San Bernardino Mountains of California, University of California Publications in Geography, vol. 28 (Berkeley, 1988), pp. 5–6.
Vertaling: Menno Grootveld
