Brett Scott is een voormalig beursmakelaar en de auteur van The Hereticʼs Guide to Global Finance
Toen ik nog in de financiële wereld werkte, was het een
veelgehoorde grap dat daghandelaren – kleine ʻretail-tradersʼ
– als kevers de stront uitpluizen van de grote fondsen die
de echte drijvende kracht achter de markten zijn. Zij bevinden zich
in een zwakke positie, gezien hun gebrek aan kapitaal en coördinatie,
maar een hele industrie van ʻretail
brokersʼ
(kleine beursmakelaars) – tegenwoordig geïllustreerd door
bedrijven als Robinhood – is bedoeld om de mythe van hun
heldenstatus te cultiveren.
Dat is de reden dat het GameStop-verhaal opvalt. In zijn boek Liarʼs Poker beschreef voormalig Wall Street-broker Michael Lewis machtige handelaren die voor grote investeringsbanken werken als ʻbig swinging dicksʼ (grote zwaaiende lullen), maar de aantrekkingskracht van de GameStop-saga vloeit voort uit het feit dat een zwerm ʻkleine zwaaiende lullenʼ zich schijnbaar heeft verenigd tot één gigantische zwaaiende lul die de zwaartekracht trotseert om de koers van een aandeel ver boven de werkelijke onderliggende waarde te laten uitstijgen.
Aandelenhandelaren zijn er in twee soorten. De eerste soort
bestaat uit detectives, die het bedrijf waar een aandeel betrekking
op heeft bestuderen, een proces dat ʻfundamentele
analyseʼ wordt genoemd.
De tweede soort doet aan ʻtechnische
analyses,ʼ waarbij ze de
acties bestuderen van degenen die aan fundamentele analyses doen.
Daghandelaren zijn berucht om hun voorkeur voor technische analyses,
omdat ze geen toegang hebben tot bedrijven of analistenteams, en dus
gedwongen zijn op fora samen te komen om grafieken te bespreken die
de acties van andere handelaren weergeven.
Dit is waar veel marktsurrealisme ontstaat, want het blijkt dat al
die grafieken waar technische handelaren naar kijken ook de acties
weerspiegelen van andere technische handelaren. Als handelaren naar
handelaren kijken die naar handelaren kijken, in plaats van naar het
bedrijf in kwestie, komt de markt in een schemerzone terecht.
Dat is gebeurd in het geval van GameStop. De aandelenkoers heeft zich bijna volledig losgemaakt van het bedrijf zelf, maar iedereen is zich daar door een merkwaardige speling van het lot bewust van geworden, en in plaats van zich terug te trekken hebben beleggers dit feit met nihilistische uitbundigheid omarmd. De stijging van de aandelenkoers van GameStop stond symbool voor pure ʻirrationaliteitʼ – alles wat volgens de economieboeken niet zou mogen gebeuren. Daarom lijkt het zo symbolisch. Maar waar is het een symbool van?
Een populaire interpretatie op dit moment is dat het om een
David-en-Goliath-achtig gevecht gaat tegen hedgefondsen die hebben
ingezet op een daling van de aandelenkoers door middel van ʻshorten.ʼ
Beschouw shorters als mensen die kaartjes voor een concert lenen, die
aan de deur verkopen aan mensen die proberen binnen te komen,
vervolgens aan iedereen vertellen dat het theater in brand staat, om
daarna buiten te wachten om ze tegen een uitverkoopprijs terug te
kopen, alvorens ze weer terug te geven aan de oorspronkelijke
eigenaren en er met de winst vandoor te gaan.
In dit geval stonden de shorters ʻaan
de theaterdeur te wachtenʼ
om de GameStop-aandelen te kopen waarop ze ʻshort
waren
gegaanʼ
(waartegen ze hadden
gespeculeerd). Citron, het hedgefonds dat in dit verhaal
verwikkeld is geraakt, maakt fundamentele analyses alvorens short te
gaan en verspreidt het nieuws vervolgens luidkeels onder technische
handelaren, in de hoop dat zij naar de uitgang zullen vluchten. Maar
om een of andere reden besefte de kudde nu echter dat Citron en vele
andere short-sellers stonden te popelen om de aandelen terug te
kopen, en in plaats van zich naar de uitgang te haasten om hen in
staat te stellen te cashen, trokken ze zich terug en sloten ze
zichzelf in het theater op, wetende dat de short-sellers zich
uiteindelijk ʻhet
theater inʼ
zouden moeten haasten om de aandelen terug te kopen, wat tot
een zogeheten short squeeze zou leiden.
Het GameStop-verhaal is interessant, omdat het door memes werd
aangedreven. De daghandelaren hebben gebruik gemaakt van de
gilde-achtige, tribale structuren van Reddit en de gemeenschap van
gamers om zichzelf te transformeren in die ʻreusachtige
zwaaiende lulʼ die zich
te weer stelt tegen de grote lullen van de hedgefondsen.
Lul-metaforen zijn toepasselijk, omdat de daghandel altijd een
rijk van mannenbroeders is geweest, en hierin ligt nóg een mogelijke
interpretatie van de gebeurtenissen besloten. Vroeger maakte de
industrie van retail brokers
bijna uitsluitend gebruik van machobeelden om mannelijke handelaren
op pad te sturen om de markten te bevechten, maar sommige platforms
die centraal staan in het GameStop-verhaal zijn een beetje anders.
Robinhood was een van de eerste ʻwokeʼ-handelsapps,
gericht op millennials. Die speelde in op een emo-versie van het
ʻbullshit jobsʼ-verhaal,
dat zegt dat je baan zinloos is: stop met werken voor de man en word
zelf de Man, door naadloos kleine stukjes van allerlei bedrijven op
te kopen.
De laatste jaren is er een spervuur van artikelen verschenen over
het populisme van boze mannen aan wie allerlei dingen zouden zijn
beloofd. Die verhalen zijn meestal metaforisch – er is niet echt
iets beloofd – maar als het op daghandel aankomt, zijn ze heel
letterlijk: de industrie van retail brokers belooft letterlijk
ontsnapping aan de sleur, door mannen te vertellen dat ze voorbestemd
zijn voor grootse marktprestaties.
Deze industrie wordt echter niet voor niets ʻretailʼ
genoemd: grote spelers willen niets te maken hebben met de kleine
man. Zij vertrouwen erop dat de retail-firmaʼs
de daghandelaren in gesloten ecosystemen opsluiten waarin ze elkaar
kunnen bevechten, terwijl die retail-firmaʼs
vergoedingen en rentebetalingen opstrijken, alvorens ze het
resterende risico op de feitelijke markten onderbrengen.
GameStop zou wel eens een reactie kunnen zijn tegen de zinloosheid van de daghandel. In plaats van je te behoeden voor bullshit jobs is die daghandel zelf een bullshit job, en de enige manier om er tijdelijk mee te winnen is niet door jezelf in de strijd te gooien tegen ʻde markt,ʼ maar door samen te werken in een zwerm.
John Joseph Cassidy (geboren in 1963) is een Amerikaanse journalist die stafschrijver is bij The New Yorker. Hij is de auteur van Dot.con: The Greatest Story Ever Sold en How Markets Fail: The Logic of Economic Calamities.
Na het sluiten van de beurs op woensdag 27 januari werd er flink feest gevierd op r/WallStreetBets, het Reddit-messageboard dat populair is bij kleine beleggers die hebben geboden op de aandelen van GameStop, een videogame-retailer die hard is getroffen door de coronavirus-pandemie. Een paar weken geleden werd het aandeel verhandeld voor nog geen twintig dollar. Sindsdien is de koers sterk gestegen, en op woensdag schoot hij ruim honderd procent omhoog, om te sluiten op 347,51 dollar, na het nieuws dat een paar short-sellers – Wall Street-handelaren die gokken op dalende aandelenkoersen – hun negatieve weddenschappen hadden afgewikkeld en grote verliezen hadden geleden. ʻDit is groter dan wij allemaal. Als we klaar zijn met GMEʼ – het aandelensymbool voor GameStop – ʻhalen we heel fuxking Wallstreet onderuit! Get Fxked!,ʼ schreef een Reddit-gebruiker, gebruikmakend van een kortere versie van de denigrerende aanduiding die veel Reddit-gebruikers op ironische wijze op zichzelf toepassen. Een ander schreef: ʻDe markt is gesloten, jongens, haal wat frisse lucht binnen en eet wat groenten. Morgen is er weer een grote dag.ʼ
Er spelen hier twee verhalen door elkaar. Het verhaal dat de
aandacht heeft getrokken van iedereen, van Elon Musk tot Congreslid
Alexandria Ocasio-Cortez, is een David en Goliath-verhaal, waarin
de beleggers in GameStop worden gezien als underdogs die strijden
tegen de reuzen van Wall Street. Door zich te verenigen zijn de
day-traders er onlangs in geslaagd enkele slecht presterende
aandelen, zoals GameStop, Blackberry en AMC Entertainment Holdings,
op te krikken en daardoor enkele short-sellers te verslaan.
ʻIndividuele beleggers
zijn aan de winnende hand – althans voorlopig – en genieten
ervan,ʼ aldus
de Wall Street Journal.
Er zijn genoeg redenen om boos te zijn op Wall Street. Maar wat
voor soort overwinning was dit? Donderdagochtend kelderde de koers
van GameStop met vijftig procent, nadat TD Ameritrade en Robinhood,
de populaire beurs-app, beleggers de mogelijkheid hadden ontnomen om
in bepaalde aandelen te handelen. Het aandeel bleef verhandeld worden
op andere platforms, en de koers veerde vervolgens weer op – rond
het middaguur werd het aandeel tegen een koers van ruim
tweehonderdvijftig dollar verhandeld. Toch zaten sommige mensen die
woensdag hadden ingekocht met aanzienlijke verliezen, die wel eens
groter zouden kunnen worden als ze niet snel verkopen. (Vóór de
afgelopen paar weken was GameStops all-time high ongeveer zestig
dollar). Een gebruiker van Reddit zei: ʻIK
HEB GEEN GELD MEER, BEN 50 PROCENT GEZAKT, EN PROBEER ME STAANDE TE
HOUDEN. WIJ GAAN WINNEN, JONGENS!!!ʼ
Het grotere verhaal is dat de Amerikaanse aandelenmarkt in de
greep is van wat Charles Mackay, een negentiende-eeuwse historicus
van financiële manieën, ʻde
waanzin van de massaʼsʼ
heeft
genoemd. De GameStop short squeeze staat niet op zichzelf.
Al bijna een jaar lang bieden beleggers aandelen in bedrijven als
Tesla, Shopify en Snap op tot koersen die weinig verband meer houden
met de werkelijke winstvooruitzichten van de onderliggende bedrijven.
En het zijn niet alleen kleine beleggers die aan deze waanzin hebben
deelgenomen. Naast de short-sellers, die relatief gering in aantal
zijn, hebben veel professionele beleggers het speculatieve spel
meegespeeld, ook al weten ze dat het waarschijnlijk slecht zal
aflopen.
Bijna twintig jaar geleden schreef ik een boek getiteld ʻDot-Con:
How America Lost Its Mind and Money in the Internet Era.ʼ
Tussen januari 1998 en maart 2000 organiseerden honderden nieuwe
internet-startups een beursgang, en de koersen van veel van deze
bedrijfjes schoten omhoog. In dezelfde periode stegen de koersen op
de Nasdaq-beurs, waar veel van deze aandelen verhandeld werden, met
ongeveer honderdtwintig procent, en gingen grote aantallen gewone
Amerikanen aan daghandel doen om geld te verdienen. Het is deze keer
nog niet zo ver doorgeslagen. Maar vergis je niet: we zijn al een
aardig eind op weg. Sinds medio maart dit jaar, toen de eerste golf
van het coronavirus woedde, zijn de koersen op de Nasdaq met bijna
honderd procent gestegen, ondanks een diepe recessie. (Onlangs heeft
het ministerie van Handel bekendgemaakt dat het bruto binnenlands
product in 2020 met 3,5 procent is gedaald, de grootste daling sinds
1946). In de afgelopen twaalf maanden zijn er meer
I.P.O.ʼs geweest dan
in welke periode ook sinds 1999, en is de daghandel opnieuw populair
geworden. Wat dat laatste betreft, is het belangrijkste verschil deze
keer technologisch van aard. Dankzij handelsapps zoals Robinhood, en
de afschaffing van commissiekosten voor veel online-aandelenhandel,
kunnen mensen van minuut tot minuut speculeren terwijl ze thuis op de
bank zitten, in plaats van gebruik te moeten maken van commerciële
handelsfaciliteiten, zoals eind jaren negentig het geval was.
Voortbouwend op het werk van de econoom Hyman Minsky en de
economisch historicus Charles Kindleberger kunnen we zeggen dat bijna
alle speculatieve manieën in vier fasen verlopen: verandering,
hausse, euforie, en crash. Een verandering doet zich voor als de
verwachtingen van de mensen over hun toekomst een wijziging
ondergaan. In dit geval heeft de pandemie de thuisblijf-economie
gecreëerd en de Federal Reserve (de Fed, het federale stelsel van
Amerikaanse centrale banken) ertoe aangezet de kortetermijnrente tot
bijna nul te verlagen en biljoenen dollars in de financiële markten
te pompen, via een beleid dat bekend staat als kwantitatieve
versoepeling. Sinds maart zitten we in een periode van
hoogconjunctuur, waarbij de prijzen de hoogte in schieten, scepsis
plaats maakt voor hebzucht en steeds meer mensen zich op een
opgeblazen markt storten.
Copycat-gedrag ligt ten grondslag aan speculatieve bubbels. Zien
hoe anderen schijnbaar makkelijk geld verdienen is de beste manier om
mensen ertoe te bewegen risicoʼs
te nemen die ze niet volledig begrijpen. ʻIn
een laat stadium heeft speculatie de neiging zich los te maken van
echt waardevolle objecten en zich te richten op misleidende
objecten,ʼ schreef
Kindleberger in zijn boek ʻManias,
Panics and Crashesʼ
uit 1978. ʻEen steeds
grotere groep mensen probeert rijk te worden zonder echt inzicht in
de processen die hiermee gepaard gaan.ʼ
Sommige mensen die aandelen in GameStop hebben gekocht, gaven blijk
van een verfijnd begrip van de mechanismen van een short squeeze.
Maar alle publiciteit heeft ook veel nieuwelingen aangetrokken. ʻNet
twee aandelen gekocht, mijn eerste belegging ooit, en ik voel me ziek
maar opgewonden; ik heb steun nodig,ʼ
schreef een Reddit-gebruiker. Twee anderen antwoordden: ʻHoud
ze vast en geniet ervan,ʼ
en ʻIk ben er voor je,
broeder.ʼ Dit soort
hand-holding is een van de nieuwe aspecten die de huidige
technologie heeft voortgebracht. Maar er is absoluut geen reden om te
denken dat dit zal kunnen voorkomen dat deze episode van speculatie
eveneens zal eindigen in een kostbare crash.
Een van de lessen van het dot-com tijdperk is dat deze afrekening
langer op zich kan laten wachten dan je zou denken. Toen de
dotcom-zeepbel eind jaren negentig werd opgeblazen, waarschuwden
sommige analisten op Wall Street dat die aandelen overgewaardeerd
waren en gingen sommige professionele beleggers short. Maar toen de
koersen bleven stijgen, verloren veel sceptici hun baan of vielen ze
stil. Uiteindelijk kozen veel beleggers, waaronder enkele grote
hedgefondsen, eieren voor hun geld en probeerden ze ook mee te surfen
op de zeepbel. Iets soortgelijks lijkt nu te gebeuren – en dan heb
ik het niet alleen over de hedgefondsen die hun shorts in GameStop
hebben afgewikkeld. Veel grote institutionele beleggers profiteren nu
al maandenlang van de opmerkelijke koersstijging van tech-aandelen
als Amazon, Apple en Tesla – ondanks de duidelijke risicoʼs
van het beperken van hun portefeuilles tot een klein aantal winnaars.
De afgelopen vijftig jaar stond de gemiddelde koers-winstverhouding voor aandelen in de S&P500-index op ongeveer negentien. Bij de opening van de beurs op donderdag 28 januari werd Amazon gewaardeerd op vijfennegentig keer de verwachte winst, Apple op achtendertig keer de verwachte winst en Tesla op ongeveer dertienhonderdzeventig keer. Geloven al die goedbetaalde fondsbeheerders nu echt dat dit veilige beleggingen zijn? Vermoedelijk niet, maar het momentum achter deze aandelen is fenomenaal geweest. Als je probeert de marktindex op kwartaal- of jaarbasis te verslaan – zoals veel professionele beleggers doen – kan het een fatale stap zijn om deze hoogvliegers te mijden, hoe overgewaardeerd ze ook mogen lijken te zijn op basis van deugdelijkere conventionele maatstaven. Dus je blijft maar kopen in de hoop dat je eruit zult kunnen stappen vóórdat de koersen onderuit gaan. Dit is de eigenaardige logica van het collectieve handelen die ik in het verleden ʻrationele irrationaliteitʼ heb genoemd.
De spreekstalmeester van dit circus is de Federal Reserve, die
primair verantwoordelijk is voor het monetaire en regelgevende
klimaat waarin beleggers – amateurs en professionals – opereren.
Maar vandaag doet de Fed, net als eind jaren negentig, zijn uiterste
best om niet meer dan een toeschouwer te lijken. Tijdens een
persconferentie op woensdag 27 januari, na een vergadering van het
beleidscomité van de centrale bank, weigerde Jerome Powell, de
voorzitter van de Fed, specifiek commentaar te geven op GameStop.
Meer in het algemeen zei
hij: ʻAls je kijkt naar
wat de koersen de laatste maanden echt heeft aangejaagd, dan is dat
niet het monetaire beleid.ʼ
Powell zei ook dat de Fed niet overweegt om de marge-vereisten, die
de hoeveelheid geld beperken die beleggers van beursmakelaars mogen
lenen, te verhogen om speculatie de kop in te drukken.
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Powell overtuigend klinkende
redenen heeft om een afwachtend beleid te voeren. Nu het land nog
steeds gebukt gaat onder het virus en veel mensen zonder werk zitten
of anderszins met financiële problemen kampen, willen hij en zijn
collega’s zoveel mogelijk steun bieden voor het aantrekken van
personeel en het doen van uitgaven. Als zij iets zouden zeggen of
doen dat de aandelenmarkt kan afremmen, zouden hun acties een
negatief effect kunnen hebben op de rest van de economie, althans op
de korte termijn.
Powells bedoelingen mogen dan eerbaar zijn, zijn bewering dat het beleid van de Fed de speculatieve activiteiten niet heeft gevoed, is niet geloofwaardig – en waarschijnlijk ook niet houdbaar. Zoals Powells voorganger Alan Greenspan in het dot-com tijdperk heeft ontdekt, hebben speculatieve bubbels de neiging een eigen leven te gaan leiden. Hoe langer ze worden opgeblazen, des te groter de uiteindelijke ineenstorting, en des te meer negatieve gevolgen er zullen zijn voor de economie – en voor de Amerikanen in het algemeen. Als de voorzitter van de Fed niet nóg meer toekomstige problemen voor ons allemaal wil veroorzaken, zou hij er goed aan doen meer aandacht te besteden aan Reddit.
Bernie Sanders is een Amerikaanse senator uit Vermont. Zijn boek Onze revolutie is in Nederland verschenen bij Starfish Books.
Iedere
dag overlijdt nu een recordaantal van vierduizend Amerikanen aan
Covid-19, terwijl de federale regering klungelt met de productie en
distributie van vaccins, en met het testen en opsporen van mensen. Te
midden van de ergste pandemie in honderd jaar zijn ruim 90 miljoen
Amerikanen onverzekerd of onderverzekerd, en kunnen zij het zich niet
veroorloven naar een dokter te gaan als ze ziek worden. Het isolement
en de angst als gevolg van de pandemie hebben geleid tot een enorme
toename van het aantal geesteszieken.
Ruim
de helft van de Amerikaanse werknemers leeft van loonstrookje tot
loonstrookje, waaronder miljoenen essentiële werknemers die iedere
dag hun leven op het spel zetten. Ruim 24 miljoen Amerikanen zijn
werkloos, hebben te weinig werk of hebben het zoeken naar werk
opgegeven, terwijl de honger in dit land het hoogste niveau in
decennia heeft bereikt.
Door
gebrek aan inkomsten dreigen 40 miljoen Amerikanen uit hun huis te
worden gezet, en zijn veel mensen duizenden euroʼs
aan achterstallige huur verschuldigd. Dit komt bovenop de 500.000
mensen die al dakloos zijn.
Intussen
worden de rijkste mensen in dit land alleen maar rijker en neemt de
inkomens- en vermogensongelijkheid sterk toe. Ongelooflijk genoeg
hebben 650 miljardairs in Amerika tijdens de pandemie hun rijkdom met
meer dan 1 miljard dollar zien toenemen.
Als
gevolg van de pandemie is het onderwijs in dit land, van de
kinderopvang tot de middelbare school, een chaos. De meeste jongeren
hebben hun opleiding ontwricht zien worden, en waarschijnlijk zullen
honderden hogescholen en universiteiten binnenkort ophouden te
bestaan.
De
klimaatverandering teistert de planeet met een ongekend aantal
bosbranden en extreme weersverstoringen. Wetenschappers zeggen dat we
nog maar een paar jaar hebben voordat ons land en de wereld
onherstelbare schade toegebracht zal zijn.
En
te midden van dit alles hebben de fundamenten van de Amerikaanse
democratie te maken met een ongekende aanval. We hebben een president
gehad die koortsachtig heeft gewerkt aan het ondermijnen van die
democratie en heeft aangezet tot geweld tegen de regering en de
grondwet, die hij heeft gezworen te zullen verdedigen. Tegen alle
bewijzen in geloven tientallen miljoenen Amerikanen in de Grote
Leugen van Trump dat hij de verkiezingen met een overweldigende
meerderheid van de stemmen heeft gewonnen, en dat de overwinning hem
en zijn aanhangers is ontstolen. Ter ondersteuning van Trump werden
in het hele land gewapende rechtse milities gemobiliseerd.
In
deze tijd van ongekende crises moeten het Congres en de
regering-Biden reageren met ongekende maatregelen. Geen business as
usual meer. Niet langer hetzelfde oude beleid.
De
Democraten, die nu het Witte Huis, de Senaat en het Huis van
Afgevaardigden controleren, moeten de moed opbrengen om het
Amerikaanse volk te laten zien dat de overheid effectief en snel kan
reageren op hun pijn en bezorgdheid. Als aankomend voorzitter van de
begrotingscommissie van de Senaat is dat precies wat ik van plan ben
te gaan doen.
Wat
betekent dit alles voor de gemiddelde Amerikaan?
Het betekent dat we de pandemie agressief de kop
gaan indrukken en dat we het Amerikaanse volk in staat zullen stellen
terug te keren naar werk en school. Dit vereist een door de federale
overheid geleid noodprogramma om de benodigde hoeveelheid vaccins te
produceren en deze zo snel mogelijk bij de mensen te krijgen.
Het betekent dat we er tijdens de ernstige
economische neergang die we nu doormaken voor moeten zorgen dat alle
Amerikanen de financiële middelen ontvangen die ze nodig hebben om
een waardig leven te kunnen leiden. We moeten de onlangs goedgekeurde
rechtstreekse uitkering van 600 dollar aan iedere volwassene en ieder
kind uit de arbeidersklasse verhogen tot 2000 dollar, het minimumloon
verhogen tot 15 dollar per uur, de werkloosheidsuitkeringen
uitbreiden en huisuitzetting, dakloosheid en honger voorkomen.
Het betekent dat we, tijdens deze razende
pandemie, gezondheidszorg voor iedereen moeten garanderen. We moeten
ook een einde maken aan de internationale schande dat de Verenigde
Staten het enige grote land ter wereld zijn waar werknemers geen
betaald verlof om gezins- of medische redenen genieten.
Het betekent dat voorschools onderwijs en
kinderopvang universeel beschikbaar moeten zijn voor ieder gezin in
Amerika.
Ondanks wat u misschien hebt gehoord, is er geen
reden waarom we niet al deze dingen zouden kunnen doen. Door
middel van ʻbudget
reconciliation,ʼ
een proces waar slechts een eenvoudige meerderheid van stemmen in de
Senaat voor nodig is, kunnen we snel handelen en deze noodwetgeving
goedkeuren.
Maar dat is niet genoeg. Dit jaar moeten we ook
een tweede wet op de ʻbudget
reconciliationʼ aannemen
die betrekking heeft op de grote structurele veranderingen die ons
land dringend nodig heeft. Uiteindelijk moeten we de groteske
inkomens- en vermogensongelijkheid ongedaan maken, en een land
creëren dat werkt voor iedereen en niet slechts voor enkelen.
Amerikanen mogen niet langer verstoken blijven van de economische
basisrechten die in vrijwel ieder ander groot land wel gegarandeerd
worden.
Dit betekent dat die tweede wet op de ʻbudget
reconciliationʼ
moet worden gebruikt om miljoenen goedbetaalde banen te creëren,
teneinde onze afbrokkelende infrastructuur te herstellen en
betaalbare woningen te bouwen, onze scholen te moderniseren, de
klimaatverandering te bestrijden, en massaal te investeren in
energie-efficiëntie en duurzame energie.
Het betekent dat openbare hogescholen,
universiteiten, handelsscholen en historisch zwarte hogescholen en
universiteiten collegegeldvrij moeten worden, en dat de schandalig
hoge studieschulden van werkende gezinnen krachtig moeten worden
aangepakt.
En het betekent dat de rijkste Amerikanen en de
meest winstgevende bedrijven hun eerlijke deel van de belastingen
zullen moeten gaan betalen. We kunnen niet blijven toestaan dat
winstgevende bedrijven zoals Amazon miljarden dollars verdienen en
netto geen federale inkomstenbelasting afdragen. En het kan niet zo
zijn dat miljardairs een lager belastingtarief genieten dan
Amerikanen uit de arbeidersklasse. We hebben een echte
belastinghervorming nodig.
Er is geen reden waarom Joe Biden binnen de eerste
honderd zittingsdagen van het nieuwe Congres niet twee belangrijke
wetsvoorstellen zou kunnen ondertekenen, waarmee de meeste van de
hierboven opgesomde doelstellingen verwezenlijkt kunnen worden. We
kunnen niet toestaan dat Mitch McConnell en de Republikeinse leiders
wetgeving saboteren die het leven van miljoenen werkende Amerikanen
zou verbeteren en razend populair is.
Laten we nooit vergeten dat toen de Republikeinen
de Senaat controleerden, ze het reconciliation budget hebben gebruikt
om biljoenen dollars aan belastingvoordelen door te drukken,
voornamelijk voor de rijkste 1 procent van de bevolking en de
multinationale ondernemingen. Bovendien zagen zij kans binnen zeer
korte tijd de benoeming van drie rechtse rechters in het Amerikaanse
Hooggerechtshof door te drukken, met een eenvoudige meerderheid van
stemmen.
Als de Republikeinen het reconciliation budget wisten te gebruiken om de rijken en machtigen te beschermen, kunnen wij het nu gebruiken om de werkende gezinnen, de zieken, de ouderen, de gehandicapten en de armen te beschermen.
John Naughton is senior research fellow aan het Centre for Research in the Arts, Social Sciences and Humanities (CRASSH) van de Universiteit van Cambridge, waar hij (samen met professor Richard Evans en professor David Runciman) hoofdonderzoeker is van het onderzoeksproject over ʻConspiracy and Democracy.ʼ Hij is tevens emeritus-hoogleraar in het publieke begrip van technologie aan The Open University.
De verbanning van de voormalige Amerikaanse president heeft geleid tot een furieus debat over online-opinies, maar maakt deel uit van een bredere discussie
De afgelopen weken is het griezelig stil geweest op de sociale media. Dat komt doordat Trump en zijn sekteleden ʻin de ban gedaanʼ werden. Door hem te verbannen heeft Twitter in feite de megafoon weggehaald die Trump sinds zijn deelname aan de presidentsverkiezingen van 2016 zo meesterlijk heeft benut. De schok van de aanval op het Capitool van 6 januari was groot genoeg om zelfs Mark Zuckerberg ervan te overtuigen dat de stekker er eindelijk uit moest. En zo geschiedde het, zelfs tot op het punt dat Amazon Web Services de hosting van Parler beëindigde, een Twitter-alternatief voor alt-right extremisten.
De
oorverdovende stilte die volgde op deze maatregelen werd echter
tenietgedaan door een explosie van commentaren over de gevolgen
hiervan voor de vrijheid, de democratie en de toekomst van de
beschaving zoals wij die kennen. Wadend door deze stortvloed van
meningen over het first amendment, de vrijheid van
meningsuiting, censuur, de macht van de technologiebedrijven en de
ʻverantwoordingsplichtʼ
(wat dat ook moge betekenen), was het soms moeilijk je te oriënteren.
Maar wat mij voortdurend te binnen schoot was het scherpzinnige
inzicht van H.L. Mencken dat ʻer
voor ieder complex probleem een antwoord is dat duidelijk,
eenvoudig en fout is.ʼ
De lucht vulde zich met mensen die dergelijke antwoorden aanprezen.
Te
midden van deze discursieve chaos waren er echter een paar algemene
themaʼs te
onderscheiden. Het eerste daarvan benadrukte de culturele
verschillen, vooral die tussen de VS met zijn heilige first
amendment enerzijds, en Europese en andere samenlevingen, met hun
meer ambivalente geschiedenis van het modereren van de vrijheid van
meningsuiting, anderzijds. Het probleem van deze discussie is dat het
first amendment gaat over overheidsregulering van de vrijheid van
meningsuiting en niets te maken heeft met de technologiebedrijven,
die op hun platformen vrij zijn om te doen wat ze willen.
Een tweede thema zag als de hoofdoorzaak van het probleem het soepele toezichtsklimaat in de VS van de afgelopen drie decennia, dat heeft geleid tot de opkomst van een paar gigantische technologiebedrijven die in feite de gastheer zijn geworden voor een groot deel van het publieke domein. Als er veel meer Facebooks, YouTubes en Twitters zouden zijn, zo luidt het tegenargument, zou de censuur minder effectief en problematisch zijn omdat iedereen die de toegang tot één van die platforms geweigerd zou worden altijd ergens anders zijn toevlucht zou kunnen zoeken.
Dan waren er nog argumenten over macht en verantwoordingsplicht. In een democratie moeten degenen die beslissen over de vraag welke uitspraken aanvaardbaar zijn en welke niet, democratisch verantwoordingsplichtig zijn. ʻHet feit dat een CEO de stekker uit de luidspreker van de president van de Verenigde Staten kan trekken zonder enige checks and balances,ʼ fulmineerde EU-commissaris Thierry Breton, ʻis niet alleen een bevestiging van de macht van deze platforms, maar toont ook de diepe zwakheden van de manier waarop onze samenleving in de digitale ruimte is georganiseerd.ʼ Of, anders gezegd: wie heeft de bazen van Facebook, Google, YouTube en Twitter eigenlijk gekozen?
Wat
ontbrak in het discours was de vraag of het probleem dat aan het
licht kwam door de plotselinge verbanning van Trump, zijn medewerkers
en zijn volgers überhaupt wel oplosbaar is – althans op de
manier waarop het tot nu toe is geformuleerd. De paradox dat het
internet een mondiaal systeem is, maar dat het recht territoriaal (en
cultuurgebonden) is, is van oudsher een manier geweest om een einde
te maken aan discussies over hoe de technologie onder democratische
controle gebracht kan worden. En dit heeft de hele tijd een rol
gespeeld in het debat, als een stuk prikkeldraad dat iedereen die
trachtte vooruit te komen in het moeras heeft laten struikelen.
Dit alles duidt erop dat het de moeite waard is een poging te doen het probleem op een meer productieve manier te herformuleren. Een interessante suggestie voor hoe dat zou kunnen deed zich onlangs voor in de vorm van een goed doordachte Twitter-thread van Blayne Haggart, een Canadese politicoloog. Vergeet de vrijheid van meningsuiting even, zo opperde hij, en denk aan een analoog probleem op een ander terrein – dat van het bankwezen. ʻVerschillende samenlevingen gaan op uiteenlopende manieren om met financiële risicoʼs,ʼ schreef hij, ʻmet uiteenlopende regimes op het gebied van het toezicht. Net zoals landen vrij zijn om hun eigen bankregels te bepalen, zouden ze vrij moeten zijn om sterke voorwaarden, waaronder eigendomsregels, op te leggen aan de manier waarop platforms op hun grondgebied functioneren. Beslissingen van een bedrijf in het ene land zouden niet bindend moeten zijn voor de burgers in een ander land.ʼ
In deze zin kan HSBC weliswaar een ʻmondialeʼ bank zijn, maar als zij in het Verenigd Koninkrijk actief is, moet ze zich aan de Britse regels houden. En wanneer zij in de VS actief is, moet ze de regels van die jurisdictie volgen. Als je dit concept naar de technologiesector vertaalt, lijkt het erop dat het tijd is te stoppen met het aanvaarden van de beweringen van de technologiereuzen dat zij hypermondiale bedrijven zijn, terwijl het in feite Amerikaanse bedrijven zijn die in veel rechtsgebieden over de hele wereld actief zijn, zo weinig mogelijk lokale belasting betalen en zich tegen lokale regelgeving verzetten, met alle lobbymiddelen die zij maar kunnen gebruiken. Facebook, YouTube, Google en Twitter kunnen zo schijnheilig blaten als ze willen over de vrijheid van meningsuiting en het first amendment in de VS, maar als ze in onze contreien opereren, bijvoorbeeld als Facebook UK, dan zijn het slechts Britse dochterondernemingen van een Amerikaans bedrijf dat is opgericht in Californië. En deze dochterondernemingen moeten de Britse wetten gehoorzamen inzake laster, haatdragende taal enzovoorts, evenals andere wetten die niets te maken hebben met het first amendment. O ja, en ze moeten belasting betalen over hun lokale inkomsten.
Tom Vilsack is een jaknikker uit het bedrijfsleven
en een voormalig lobbyist met een trieste staat van dienst uit de
tijd van zijn vorige ministerschap
Het is onwaarschijnlijk dat Joe Biden heeft zien aankomen dat, van al zijn kabinetsbenoemingen, zijn keuze als minister van landbouw de grootste reuring zou veroorzaken. Toch is dat precies wat er is gebeurd.
De vroegere én (als het aan Biden ligt, aanstaande) minister Tom Vilsack, een soort draaideur-crimineel, verenigt in zijn persoon zo ongeveer alles wat zo velen frustreert als het over de Democratische partij gaat. Zijn eerdere ministerschap was bezaaid met mislukkingen, die zich uitstrekten van het vervalsen van data over zwarte boeren en discriminatie tot het buigen voor grote bedrijfsconglomeraten.
De benoeming van Vilsack werd ronduit afgewezen
door een deel van de mensen die Biden hebben geholpen Trump te
verslaan: organisaties die zwarte mensen vertegenwoordigen,
progressieve plattelandsorganisaties, boeren met een familiebedrijf
en milieu-activisten. Als het Biden-team op zoek was naar manieren om
de multiraciale arbeidersklasse onder één noemer te verenigen, dan
is het daarin geslaagd – in de vorm van gezamenlijk verzet tegen
deze keuze.
We herinneren ons nog dat Vilsack agrarische gemeenschappen bezocht, en dat hij verwoestende getuigenissen hoorde over de misdadige behandeling van de contractlandbouwers door de grote agrarische bedrijven. Hij gaf uiting aan zijn bezorgdheid, maar er gebeurde niets: het ministerie van Justitie en het ministerie van Landbouw (USDA) lieten hun oren hangen naar lobbyïsten van de agrarische industrie en vertegenwoordigers van grote bedrijven, waardoor ze een gouden kans lieten liggen om de vleesverwerkende monopolies aan banden te leggen.
De nieuwe president had deze misstanden moeten rechtzetten door een gedurfde nieuwe koers uit te stippelen voor de plattelandsgemeenschappen en boeren in Amerika. In plaats daarvan duidde de nominatie van Vilsack op méér van hetzelfde.
ʻDe
Democraten moeten iets groots doen als ze willen dat de mensen op het
platteland hen weer gaan steunen,ʼ
zei Francis Thicke, een boer met een familieboerderij in Fairfield,
Iowa, onlangs tegen ons. ʻDe
status quo werkt niet meer, en dat is een van de redenen dat Vilsack
de verkeerde keuze is.ʼ
Na de overwinning van Trump in 2016 begon de organisatie waar ik leiding aan geef, Peopleʼs Action, met een grootschalig luisterproject. We doorkruisten het platteland van Amerika – van familiebedrijven in Iowa en de Driftless-regio van Wisconsin, tot de Thumb of Michigan en de heuvels van Appalachia. We voerden tienduizend gesprekken met Amerikanen op het platteland. Toen we de mensen die we ontmoetten vroegen wat voor hun gemeenschap de grootste hinderpaal was om te krijgen wat nodig was, luidde het voornaamste antwoord (81 procent) dat de overheid in de zak zat van het bedrijfsleven. De keuze voor Vilsack doet niets om deze zorgen weg te nemen.
Zoals Michael Stovall, de oprichter van Independent Black Farmers, tegen Politico zei: ʻVilsack is niet goed voor de landbouwsector, punt uit. Als het gaat om burgerrechten, de rechten van mensen, is hij niet de juiste figuur.ʼ
Mike Callicrate, een veeboer uit Colorado Springs,
was al even openhartig. ʻVilsack
heeft de grote monopolies van de agro-industrie geholpen het
platteland van Amerika uit te zuigen,ʼ
zei hij tegen ons, ʻwaardoor
de kansen voor jongeren om terug te keren en op onze boerderijen en
ranches te gaan werken sterk zijn afgenomen. Zijn beleid heeft tot
een catastrofale achteruitgang van het platteland geleid, gevolgd
door zelfmoordcijfers die sinds de landbouwcrisis van de jaren
tachtig niet meer zijn voorgekomen.ʼ
Biden had een kans om eindelijk wat misstanden
recht te zetten. Jammer genoeg heeft hij op dit punt de plank
volledig misgeslagen.
Alex Doherty is gastheer van Politics Theory Other, een podcast over allerlei politieke en theoretische zaken. Het doel is het werk van auteurs van radicaal links, dat soms als ʻacademischʼ of ʻmoeilijkʼ wordt gezien, naar een breder publiek te brengen.
Sommige mensen zeggen dat het neoliberalisme niet bestaat – dat het ʻbetekenisloosʼ is, of alleen maar een ʻscheldwoord.ʼ Maar van de financiële crisis van 2008 tot het Brexit-referendum van 2016, en van de opkomst van de alt-right tot de COVID-19-pandemie, kun je onze wereld eigenlijk niet goed begrijpen zonder in te zien hoe het neoliberalisme onze politiek en onze economie beïnvloedt.
Maar wat is het? In grote lijnen kan het neoliberalisme worden gedefinieerd als het geheel van het beleid en het overkoepelende politieke ethos dat de regeringen eind jaren zeventig in staat heeft gesteld zich af te wenden van de door de staat gestuurde economische planning, ten faveure van een economisch model dat concurrerende markten heeft uitgebreid naar alle terreinen van menselijke activiteit en de aanzet heeft gegeven tot de heerschappij van het financiële kapitaal (zoals bedacht in de City of Londen en Wall Street), door de beperkingen op de mobiliteit van dat kapitaal weg te nemen.
Belangrijk is dat het neoliberalisme niet alleen
een beleidsagenda is, maar ook een moreel kader dat individuen leert
zichzelf niet te zien als bijvoorbeeld loontrekkers, maar eerder als
risicominnende ondernemers die de financiële risicoʼs
moeten aanvaarden van hun deelname aan het hoger onderwijs, het
kredietsysteem en de gedereguleerde arbeidsmarkten.
Het neoliberalisme werd in eerste instantie als economisch programma door de regering-Thatcher in Groot-Brittannië en door de regering-Reagan in de Verenigde Staten ingevoerd, maar de principes ervan bleven ook de derde weg-politiek van New Labour en de Clinton-Democraten bepalen. Hoewel centrumlinkse politici de toepasbaarheid van de term op hun beleid afwijzen, toont een schat aan door economen, sociologen en historici geproduceerd wetenschappelijk bewijsmateriaal aan hoe derde-weg politici het neoliberale project vooruit hebben geholpen.
Hoe staat het er vandaag de dag voor met deze ideologie? Sommigen zeggen dat het neoliberale tijdperk zo goed als voorbij is. In de begindagen van de COVID-19-pandemie verklaarde Paul Mason dat de gegevenheden van de crisis inhielden dat de politieke klasse van Groot-Brittannië binnenkort volledig zou bestaan uit ʻenthousiasteʼ of ʻenigszins onwilligeʼ socialisten – de progressieve staatsinterventie stond onvermijdelijk weer op de agenda. Dergelijke beweringen moeten echter met een korreltje zout worden genomen, niet in de laatste plaats omdat soortgelijke voorspellingen de ronde deden na de financiële crisis van 2008, na het Brexit-referendum en de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten. En die voorspellingen bleken er flink naast te zitten.
Zo kondigde Nobelpijswinnaar Joseph Stiglitz op het hoogtepunt van de financiële crisis aan: ʻHet neoliberalisme … is dood.ʼ Toch werd het al snel duidelijk dat dit een voorbarige conclusie was. Het is waar dat de crisis een ernstige bedreiging leek te vormen voor de aanbidding van de markten, omdat overheden gedwongen werden de financiële sector te redden. Maar wetenschappers als Philip Mirowski hebben aangetoond dat de neoliberalen al lang hadden begrepen dat hun project staatsinterventies vergt om markten te creëren en in stand te houden. In plaats van de crisisbestrijding van de overheden in 2008 te zien als een afwijzing van marktvriendelijk beleid, is het nuttiger om het te beschouwen als een extreem voorbeeld van pro-business overheidsingrijpen, dat erop gericht was om het primaat van de markt op de langere termijn te behouden.
Op het eerste gezicht leken de uitslag van het Brexit-referendum en de verkiezing van Trump een breuk met het neoliberalisme in te houden. Maar die diagnose kwam voort uit een gebrek aan inzicht in de manier waarop het neoliberalisme zich kan aanpassen aan elementen van andere ideologieën.
Hoewel de Brexiteers een hekel hebben aan de Europese Unie (een instelling waar neoliberale intellectuelen het al heel lang niet over eens zijn), blijven zij gehecht aan de kern van de neoliberale ideologie. Zo is het Australische, door de Brexiteers zo geliefde, op punten gebaseerde immigratiesysteem volkomen in overeenstemming met de visie van de neoliberalen op de mens als een verzameling van bezittingen (van grotere of kleinere waarde). De opleiding, werkervaring en connecties van de post-Brexit immigrant worden geherdefinieerd als vormen van kapitaal waarvan het al dan niet de moeite waard is om erin te investeren (door die immigranten binnen te laten), om op die manier een toekomstig rendement op deze investering voor de nationale economie veilig te stellen. Op punten gebaseerde immigratiesystemen betekenen met andere woorden geen eenvoudige verschuiving van de neoliberale, op de vrije markt gerichte orthodoxie naar een of ander rechts protectionisme.
Als noch de crises van 2008 noch die van 2016 het einde van het neoliberalisme hebben ingeluid, hoe zit het dan met COVID-19? Vandaag de dag, net als in 2008, zien politici als Rishi Sunak zich gedwongen beleid te voeren dat in tegenspraak lijkt te zijn met hun voorkeur voor de heerschappij van de markt, maar het is opnieuw de bedoeling om zo snel mogelijk terug te kunnen keren naar ʻnormaalʼ en het publiek te verlossen van hun ʻverslavingʼ aan de steun van de staat. Het gefrustreerde verlangen van de regering om de verlofregeling in te perken en haar duidelijke verzet tegen de invoering van een universeel basisinkomen wijzen op een engagement om de kern van het neoliberale welvaartsbeleid in stand te houden. Dit betekent dat men zich verzet tegen royale uitkeringen voor iedereen, die door de neoliberalen als nadelig worden beschouwd voor het bevorderen van de ondernemerszin en het disciplineren van de beroepsbevolking.
In de context van de pandemie en de klimaatcrisis is het nóg verontrustender dat de neoliberale visie op het individu als menselijk kapitaal blijft bestaan, waardoor regeringen bevolkingsgroepen van ʻlage waardeʼ als wegwerpartikel kunnen behandelen. Meer overheidsingrijpen om de inkomens te beschermen is welkom, maar kan door regeringen kunnen worden gebruikt om een soort economische triage uit te voeren, waarbij bevolkingsgroepen die het niet waard worden geacht om te worden ʻgeredʼ worden uitgesloten van overheidssteun. Zoals Michel Feher heeft aangetoond, zijn er al mildere precedenten voor dit soort hervormingen van de verzorgingsstaat uitgevoerd door de belangrijkste politieke partijen van Ierland en Portugal, die de uitkeringen voor de jongere delen van de beroepsbevolking hebben verlaagd om de emigratie te stimuleren en – in het geval van Portugal – om jonge, relatief arme Portugezen in te ruilen voor welvarender gepensioneerden uit het buitenland. In de context van de steeds groter wordende staatsschulden, waarbij migrantenpopulaties worden behandeld als ziekteverspreiders, is het niet moeilijk in te zien hoe een op uitsluiting gebaseerde neoliberale politiek, die investeringen in bepaalde bevolkingsgroepen en desinvesteringen in andere bevolkingsgroepen ondersteunt, aan kracht zou kunnen winnen.
Dit alles wil niet zeggen dat de COVID-19-crisis geen reële bedreiging vormt voor de neoliberale orthodoxie. Fysieke distantie en gedwongen quarantaine hebben de arbeidsmarkt verstoord, waardoor het machtsevenwicht tussen arbeid en kapitaal mogelijk is verschoven ten gunste van de werknemers. De toename van wilde stakingen en de opkomst van onderlinge hulpgroepen zijn zeker bemoedigend. En de verlofregeling heeft de kunstmatigheid van de beperkingen van de overheidsuitgaven tijdelijk aan het licht gebracht. Maar gezien de hardnekkigheid en het aanpassingsvermogen die de neoliberale ideologie gedurende de afgelopen tien jaar aan de dag heeft gelegd moet iedere nuchtere beoordeling van de huidige toestand rekening houden met de mogelijkheid van het voortbestaan (of de succesvolle mutatie) ervan, maar ook met haar mogelijke ondergang.
Frédéric Lordon is een Frans econoom en filosoof, en onderzoeksdirecteur aan het Centre européen de sociologie et de science politique in Parijs.
Na
de near
death experience
een full
death experience?
De door het ʻwhatever it takesʼ van Mario Draghi in 20121 op het nippertje geredde euro had in werkelijkheid alleen maar een beetje tijd gewonnen om zich te kunnen herstellen en de volgende klap te kunnen opvangen. Want het is wel zeker dat die gaat komen, in de vorm van een nieuwe gigantische financiële crisis. Financiële deregulering leidt immers altijd tot crises, met dezelfde regelmaat als die van de seizoenen, vooral omdat de fundamentele problemen van de kapitaalmarkten niet zijn opgelost. Want feitelijk zijn er geen zesendertig oplossingen om de problemen van de financiële markten op te lossen, er is er slechts één: ze moeten worden afgeschaft.
Maar er waren zulke machtige belangen mee gemoeid dat er alle naïviteit van de wereld voor nodig was om te kunnen denken dat er binnen het kader van de politieke instellingen van het neoliberalisme iets serieus tegen zou kunnen worden ondernomen. Obama schijnt een ogenblik te hebben gedacht dat hij kon onderhandelen en had, naar men zegt, de moguls van de financiële wereld in deze bewoordingen op de hoogte gebracht: ʻThe only thing between you and the pitchforks is my administration.ʼ Het feit dat Wall Street zijn campagne had gefinancierd en innig verstrengeld was met de Democraten bracht hem echter snel bij zijn positieven. De affaire eindigde met de Dodd-Frank Act: niet helemaal niets, maar ook niet heel veel, zoals de gebeurtenissen die nog zouden komen inmiddels hebben aangetoond.
Ondertussen
stond
Sarkozy in Europa in Toulon met zijn armpjes te
zwaaien
en wekte
The
Economist
de indruk bang te zijn door zich af te vragen of dit het einde van
het kapitalisme was, maar godzijdank – nee. Eind 2008, begin 2009
zagen we regeringen dingen goedkeuren die afwijken van het Europese
liberale dogma. Er werd aangekondigd dat alles anders zou zijn en dat
niets zo zou blijven als het was. Men dacht heel hard na en zou alles
doen wat nodig was.
Maar medio 2009, nadat de financiële en bancaire klap van de crisis
was opgevangen, waren we weer terug bij af: alle ontstane tekorten
kwamen
voor rekening
van
het lopende boekjaar,
verder niet. Voortaan was het parool:
herstel van de ernst, onze kinderen niet opzadelen met schulden,
noodzakelijke inspanningen (lees: bezuinigingen). Er ontstond een
patroon dat Hegel noch Marx had kunnen voorzien: de eerste keer als
klucht, de tweede keer (waar we nu in zitten) als een enorme klucht.
Van
eendenvijver naar stormachtige zee
Maar
er is een klein verschil: wat ons nu te wachten staat, is van een
omvang die de post-subprime-golf reduceert tot een aangenaam
kabbelend beekje. Nu is het moment aangebroken om te bedenken dat de
euro is verworden tot een wrak in een eendenvijver, zoals binnenkort
zal blijken. Tien jaar lang hebben de Europese instellingen nergens
aan toegegeven – en het heeft geen zin meer
om het
te hebben over een ʻonconventioneelʼ
monetair beleid, over de oprichting van het Europese stabiliteitspact
EMS,2
of over een Potemkin-bankenunie; die hebben namelijk
niets
substantieels
veranderd aan de regels van het economische beleid. Ook dat zullen we
binnenkort zien. Hier komt nog
bij dat
het humanistische alter-Europa ook alles heeft lamgelegd door
uitsluitend te willen debatteren over een andere mogelijke euro.
Natuurlijk democratisch, maar zonder zich af te vragen hoe die
transformatie van een pompoen in een gouden
koets
zich zou moeten voltrekken – ongetwijfeld is het voldoende om het
te willen,
maar dan wel
heel
sterk.
Zonder
een begin te maken met een analyse van de politieke voorwaarden, en
voorzien
van alle
zegeningen van een positieve humanistische houding, zijn we verzekerd
van een volledige immobilisatie van het debat. De beweging DiEM25 van
Yanis Varoufakis, die in 2015 na het bloedbad in Griekenland werd
opgericht,
vond het niet nodig om zich af te vragen hoe zij Duitsland aan haar
ʻdemocratische
euroʼ
kon verbinden, terwijl Duitsland er alles aan deed om zich aan iedere
vorm van democratische besluitvorming te onttrekken – en het
najagen van deze hersenschim was alleen maar goed voor het verspillen
van nog eens tien jaar. Ondertussen produceerden de
sociaaldemocratische herzieners van de Europese verdragen een serie
pamfletten zonder enige zeggingskracht.3
Zij waren druk bezig aan van alles te tornen, maar niet aan de kern
van de ordo-liberale regels die aanleiding hadden gegeven tot het
constitutionele bezuinigingsbeleid, dat de near
death experience
van 2010-2012 had veroorzaakt, en dat vroeg of laat zonder enige
twijfel opnieuw zou gaan
doen.
Alle vragen die destijds werden gesteld over de houdbaarheid van de
meest fundamentele en (logischerwijs) meest onwrikbare regels, over
de gevolgen van een schok die even groot zou zijn als de klap van de
subprime-crisis, al die vragen bleven onbeantwoord – alles wat
buiten de Europees-democratische alternatieven viel. Dit is waar de
weigering om lastige problemen te benoemen toe leidt: tot het jaar
2020, met vóór ons het Antwoord (we weten overigens niet meer of we
verrast moeten zijn door de korte tijd die het nodig had om te
arriveren).
Dus
nu
krijgen
we de full
death.
Want we zien niet in
wat
Europa zou kunnen redden van wat in
aantocht
is, omdat
Europa
tijdens
de miniatuurversie ervan
(tussen 2009 en 2015) er
al bijna
aan was
overleden. In werkelijkheid is de bom al gebarsten en zien we
dezelfde bewonderenswaardige resultaten. Er wordt gezegd dat het
ʻdeze
keer anders is,ʼ
want
het komt niet door de markten, maar door een virus. Dus door een
ʻexogene
schokʼ
– door
onverklaarbare zaken van buiten de economie, die verder perfect
zelfregulerend is. Een soort pech, bij wijze van spreken. Maar
natuurlijk is het virus volstrekt niet exogeen: het is het product
van de kapitalistische verwoesting van het milieu en heeft zijn
perfecte verspreidingskanalen gevonden in onze waanzinnig geworden
mondialisering. Essentieel is echter dat de ramp pas echt
catastrofaal
wordt in en door de motor van de financiële markten, de
fora
waar oordelen over schulden worden geveld – en waar deze oordelen
bij zwaar weer meestal de vorm van een cataclysme krijgen.
Een
muur van schulden (en hypotheses over het einde van de lockdown)
Welnu,
schulden zullen er zeker zijn, zowel private als publieke. Eerst de
private – ondanks de commentaren in de media, waarvoor blijkbaar
alleen de staatsschulden tellen. De ineenstorting van
de economie brengt bedrijven, vooral kleine, in situaties die
variëren van zeer zorgwekkend tot ronduit rampzalig. In de Verenigde
Staten is de Federal Reserve begonnen met een kolossaal
liquiditeitsplan om bedrijven te beschermen tegen faillissementen: de
banken verstrekken leningen die de centrale bank belooft te zullen
opkopen. Maar voor hoe lang? ʻTot
het herstel goed op gang is gekomen,ʼ
zegt Jerome Powell, voorzitter van de Fed. Dus ongeveer zolang als
nodig is. Hiermee geeft hij impliciet een hypothese over de duur van
de crisis. Dus: ʻeen
bepaalde tijd,ʼ waarvan
we niet precies weten hoelang die zal duren, maar waaraan desondanks
ongetwijfeld heel snel een einde zal komen. Oftewel: er zijn nu
inderdaad mensen ziek, maar als ze binnenkort genezen zijn, kunnen ze
weer aan het werk en zullen we ervoor zorgen dat ze gezond zullen
blijven. Er is dus sprake van een gewelddadige maar tijdelijke
crisis, een ʻschone
crisisʼ; de maatregelen
om deze moeilijke tijd door te komen zijn uitzonderlijk maar van
voorbijgaande aard. En dan zal alles weer normaal zijn.
Of
niet. Want het is helemaal niet zeker dat deze epidemiologische
dynamiek zo keurig verloopt als het monetaire beleid graag zou
willen. Ofwel het scenario van de ʻniet
zo schoneʼ beëindiging
van de lockdown: gedeeltelijk, selectief (bijvoorbeeld per regio),
geleidelijk, overal omkeerbaar, met nieuwe, lokale lockdowns als het
virus weer ergens opvlamt, of zelfs landelijk als zich in de herfst
een tweede coronagolf aandient, en het virus mogelijk gemuteerd is
zodat de opgebouwde immuniteit nutteloos is, enz. De ʻslechte
tijd van voorbijgaande aardʼ
is dan niet meer een moment maar bijna permanent – dat van een
verlengde schok in het aanbod (en de vraag), een enigszins bizarre
variatie op een ʻklapʼ:
een ʻpermanente klapʼ
(van wisselende intensiteit). De versoepeling van de lockdown kan
ʻmaanden of misschien
wel een jaarʼ duren,
waarschuwt een Belgische epidemioloog. Nou, nou, nou.
Als
u weet dat de INSEE (het Franse CBS) twee weken lockdown inschat op
een daling van 1,5 procent van het bbp, berekent u dan eens tot welk
verlies een lockdown zal leiden die ʻmisschien
wel een jaarʼ zal duren.
Of
toch maar niet. We gaan niets berekenen. Dat is veel te eng.
De
INSEE heeft zelf een berekening gemaakt van acht weken lockdown. En
die is al erg genoeg: een recessie van 6% (de Banque de France zegt
8%, vergeleken met de 2,2% van 2009 is dit de ergste recessie sinds
1945) en een begrotingstekort van 12% (7,5% in 2009). En dat ondanks
het feit dat deze berekening uitgaat van een ʻschone
crisisʼ en er geen
garantie is dat het goed zal gaan of dat, mochten de acht weken niet
zo goed verlopen, de productie weer normaal zal worden. Als het einde
van de lockdown niet zo ʻschoonʼ
is, of nog erger, als de lockdown voor onbepaalde tijd blijft
bestaan, wellicht ʻmaanden
en misschien wel een jaar,ʼ
dan ontstaat er uiteraard een enigszins ander beeld.
In
het ʻniet zo schoneʼ
scenario zal de overheid in de breedste zin van het woord de economie
bij elkaar proberen te houden (gedeeltelijke werkloosheid, uitstel
van verschillende betalingsverplichtingen aan de staat, ʻopen
barʼ-beleid bij de
centrale bank) gedurende de hele tijd dat het ʻslechte
momentʼ duurt, want
juist als we niet uitsluiten dat dat moment met tussenpozen minder
slecht wordt, zien we dat het … een bepaalde tijd zal gaan duren.
Misschien duurt het wel even voordat het echt weer goed is. En dan is
een bepaalde tijd, als het bijvoorbeeld een jaar wordt, veel te lang
om continu de particuliere sector te steunen.
Voorlopig
beleven de financiële markten, waaraan niets obsceens vreemd is, een
geweldige tijd dankzij de door de Fed opgeworpen
anti-faillissementsdam. Maar de dag waarop de Fed zal aankondigen dat
de deze dam tijdelijk was en zich zal terugtrekken terwijl het tij
blijft stijgen, zou de stemming gevoelig kunnen omslaan. De enorme
omvang van al het cashgeld dat is omgezet in kortlopende schulden zal
op rekening komen van de private banken, zonder dat zij kunnen
onderhandelen over de laatste fase van deze reis: de overname ervan
door de centrale bank. Dan begint het opmaken van de pijnlijke
rekeningen, het registreren van de non-performing loans en van
onbetrouwbare debiteuren. En het tellen van de banken die zullen
omvallen, tenzij laatstgenoemden al anticiperend zelf economische
subjecten gaan loskoppelen van de kredietbeademingsapparatuur en we
daaraan het bloedbad zullen kunnen afmeten.
De
ʻonveranderlijkeʼ
Europese solidariteit
We
noemen de Fed, maar het zou net zo goed de ECB kunnen zijn, die het
nog niet nodig vindt om formeel een garantieboodschap af te kondigen.
Het is trouwens niet zeker dat we daarop zullen uitkomen vóór de
middelpuntvliedende krachten uit de doos komen, in een vorm die veel
gewelddadiger is dan die van 2010-2015. De Engelse taal heeft daar
het begrip to skyrocket voor. Binnenkort zal dat de term zijn
voor alle tekorten en staatsschulden. De Engelse flipperkast kent de
term: same player shoots again. Aangezien de
eurocrisis een extra bal heeft gewonnen, kunnen we ook die gebruiken.
Net
zoals in 2010 nodigt alles in Europa weer uit tot chaos. Vergis je
niet in de uitspraken van Angela Merkel om de ʻgouden
regelʼ op te schorten,
of die van de Europese Commissie om de gebruikelijke criteria (3% en
60%) voorlopig niet al te nauw te nemen. Deze goede bedoelingen
zullen maar even duren, minder lang dan ʻzolang
als nodig is,ʼ en zullen
ongetwijfeld net zo bekrompen zijn als in 2009; dit jaar mág het
vanwege alle emoties, maar daarna zal het parool weer zo snel
mogelijk luiden: Disziplin! Van Villeroy de Galhau bij de
Banque de France tot Lagarde bij de ECB en Le Maire in Bercy: hun
oproep tot inspanningen is erop gericht om ons daar nu al op voor te
bereiden. De tweede keer zal dus komen als een enorme klucht. De
financiële nood van Italië, Spanje en misschien ook Frankrijk
belooft weer bodemloos te worden. Met daartegenover weer de
onverzettelijkheid van de Europese instellingen onder de hegemonie
van het Duitse blok.
De
vergadering van de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin) van
9 april zou zijn afgesloten met een applaus voor
de eigen deelnemers – wat duidt op een mengeling van
zelfgenoegzaamheid,
die eigen is aan isolement,
en een warrig besef dat men niet te veel moet rekenen op applaus van
derden.
De redenen voor dit
applaus
waren
flinterdun.
Het is waar dat het
EMS
heeft
gezegd
bereid te zijn 500 miljard euro ter
beschikking
te stellen, maar er
is
niets losgelaten
over de essentie daarvan,
te weten
de
voorwaarden, dat wil zeggen: de vereiste
ʻaanpassingenʼ
voor
alle begunstigden van het fonds – dezelfde die tot
de
instorting van Griekenland hebben
geleid.
Same
player shoots
again,
zeiden we al,
maar deze keer inzake
een land dat 16% van het bbp
van de eurozone vertegenwoordigt4
(en niet 2%, zoals Griekenland …) en een schuld van 2.400 miljard
euro heeft (en niet 400 miljard5).
Er dan
is
er nog
niets
gezegd over Spanje (11,8%), Frankrijk (19,2%), en
andere landen
…
Intussen is het politieke landschap nog altijd even gunstig. In Italië is de publieke opinie op spectaculaire wijze gedraaid: aanvankelijk het meest pro-Europees, is het land nu ten prooi gevallen aan een gevoel van verlatenheid en walging. En dat is begrijpelijk, want de Europese blindheid is schrijnend geweest. De late verontschuldigingen van de voorzitter van de Europese Commissie, en de gemaakte bevlogenheid ervan – ʻwijstaan achterjullie,ʼ terwijl het omgekeerde werd bedoeld – hadden als enig effect dat de Italianen bevestigd werden in hun idee dat ze in de steek gelaten waren. En dit werd hen opnieuw verteld door de Ecofin-vergadering, luid applaudisserend voor zichzelf – maar dan in technischere termen: 1) we zullen jullie behandelen als Griekenland, 2) als het gaat om euro-obligaties of corona-obligaties kunnen jullie de pot op. Je moet je overigens afvragen of er reden tot klagen is met dit Europa, waarin zelfs de oplossingen die bedoeld zijn als redmiddel een venijnig kantje hebben: die euro-obligaties werden gepresenteerd als een onvoorwaardelijk instrument dat zou openstaan voor iedereen die ze nodig had. Maar natuurlijk komt ʻsolidariteitʼ nooit zonder ʻtegenprestatie.ʼ De corona-obligaties zouden hier waarschijnlijk ook niet aan zijn ontsnapt.
En
aangezien Europa met zijn inerte instellingen tot niets anders in
staat is dan tot tragische herhalingen, zien we soortgelijke
personages alweer dezelfde taferelen opvoeren. Jeroen Dijsselbloem,
de beul van de Grieken bij de Eurogroep, is opgevolgd door de al even
meedogenloze Wopke Hoekstra, de huidige minister van Financiën van
Nederland – aan hem danken we sinds eind maart de torpedering van
het project van de corona-obligaties, vergezeld van een zware
aanklacht tegen Italië, dat werd beticht van een wezenlijk
budgettair onvermogen om de situatie het hoofd te bieden, en dat
binnenkort wel eens een bezoekje van een onderzoekscommissie tegemoet
zou kunnen zien, een van die broederlijke instrumenten waarvan de EU
het geheim bewaart. En we kunnen het eeuwige antwoord al zien
aankomen, het antwoord dat in het afgelopen decennium bijna tot de
begrafenis van de euro heeft geleid en dat deze keer opnieuw zal
doen: ʻWij gaan niet
voor anderen betalen.ʼ
Ieder voor zich – dat is het solidaire Europa. Nederlanders,
Duitsers, Luxemburgers, Finnen enz.: wij betalen niet voor anderen.
Net
als in 2010: de Duitse rots
En
de Duitsers zijn daar beslist minder dan ooit toe bereid. Op het
gebied van de gezondheidszorg lijkt Duitsland het beter te doen dan
welk land dan ook, wat Frankrijk in verlegenheid brengt: voldoende
ic-capaciteit, intensief testbeleid, relatief laag aantal
sterfgevallen, snelle daling van de curve – we mogen niet vergeten
dat Frankrijk nog tot eind juni op zijn mondkapjes moet wachten …
Het einde van de Duitse lockdown is daarom al snel in zicht –
evenals de hervatting van zijn economische activiteiten. De
groeiverliezen, het begrotingstekort, de private en de publieke
schulden zullen lager zijn dan die van andere landen, omdat Duitsland
– niet zonder reden – meent beter georganiseerd te zijn. Dit is
het soort prestatie dat weinig aanleiding geeft tot geduld voor de
achterblijvers en nog minder tot financiële solidariteit. Ieder voor
zich.
Er
zullen geen euro-obligaties
komen en
ook geen
corona-obligaties.
Er zal
geen
solidariteit zijn.
Er zullen wél
kolossale
nationale staatsschulden
zijn, met
enige bereidheid van de
ECB om
ze op te kopen,
teneinde
de ontploffing van de
spreads6
voor
de meest getroffen landen te beperken, niet
zonder plafond deze keer,
want de huidige crisis kent
geen whatever
it takes,
ook al
is er
2.400 miljard euro
op weg
naar
Italië en 1.290 euro
naar
Spanje. Het whatever
lijkt dus
iets te
worden dat
we zullen
moeten
herzien. Om nog maar te zwijgen van het feit dat sommige landen in de
bestuursraad
zullen gaan denken dat de ECB een stofzuiger mag
worden
voor de slechte schulden van anderen. We zullen degenen ʻhelpenʼ
die geholpen moeten worden, maar dan
wel financieel,
dat wil zeggen via de
EMS-procedures,
binnen de grenzen van de middelen … en dan
vooral
door middel van toezicht à la
Griekenland.
Laten
we de dingen bij de naam noemen: landen ter grootte van Italië of
Spanje zien we niet zo gauw buigen voor deze behandeling, nog minder
wanneer rationele oplossingen samengaan met verbittering. Gezien de
enorme omvang van wat ons te wachten staat, zijn er slechts twee
mogelijkheden: 1) directe steun van de centrale bank aan de schatkist
– zoals Groot-Brittannië zojuist in beginsel heeft toegestaan (een
monetaire beleidsrevolutie die onopgemerkt is gebleven); 2) massale
kwijtschelding van schulden door de centrale bank, ten gunste van
zowel de private als de publieke sector. Oftewel twee dingen die
binnen de door Duitsland gedomineerde eurozone verboden zijn.
De
nog verse les van 2009 leert ons
dat de
crisis van het Europese wanbeleid twee vormen kan
aannemen.
Een politieke: de tumultueuze
uittreding van een mishandeld land dat onder druk van zijn
bevolking inziet dat de verdediging van zijn
vitale belangen niet langer verenigbaar is met het lidmaatschap van
de eurozone. En een financiële: een catastrofe op de
obligatiemarkten, als
beleggers
de hoge
staatsschulden
ʻonhoudbaarʼ
achten
en gaan beproeven
wanneer de centrale bank zal
ingrijpen
om het
groter worden
van de spreads
tegen te gaan (waardoor
sprake
zal zijn van een self-fullfilling
prophecy7),
of als
beleggers
ontwrichting beginnen
te
bespeuren
via
een X-exit,
waarbij
X staat
voor een
land dat zijn politieke breekpunt nadert, zoals Griekenland tussen
2011 en 2015 – en daarmee is al aangeven hoe
deze twee vormen perfect kunnen samengaan tot
een nog ergere combinatie.
Het
is dus weer dezelfde rots waarop de euro aan diggelen wordt geslagen,
de rots van de Duitse onverzettelijkheid bij het omgaan met de
reacties op het monetaire beleid waar het land zijn hele geschiedenis
bang voor is geweest. Laten we nogmaals zeggen dat een natie niet
verantwoordelijk kan worden gesteld voor haar collectieve spoken,
want iedereen heeft zo zijn eigen spoken. Maar ook dat het een
krankzinnig project was om een gemeenschappelijke munt te creëren
met een land dat door zulke nachtmerries wordt geteisterd.
Het
is niet zo dat Europa, en daarbinnen Duitsland, sinds 2009 geen
enkele beweging meer heeft gemaakt. Het opschorten van het
begrotingsdogma aan het begin van deze crisis toont een snelle draai
van de ECB met betrekking tot massale aankoopprogrammaʼs
(ook al moest Lagarde er twee keer over nadenken, na een
aanvankelijke weigering) en is niet niets. Maar wat zijn de
realistische op de langere termijn? Op het gebied van de
overheidsfinanciën zal de budgettaire tolerantie niet lang duren en
zal de aanpassingsdruk snel toenemen. Op het monetaire vlak zal de
kwestie van de kwijtschelding van schulden door de ECB – dat wil
zeggen: hun (zeer) grootschalige monetarisering – nog beslissender
zijn. Monetiseren – kwijtschelden. Schulden. De Duitse nachtmerrie
bij uitstek. Maar er is geen andere uitweg dan deze monetaire
strategie.
In
2012 had Duitsland op het laatste moment het ʻwhatever
it takesʼ geslikt –
en liet het Griekenland het honderdvoudige betalen. Bij iedere crisis
wordt de hele onder Duitse invloed staande structuur op zijn
rigiditeit getest. Er is een bijna miraculeuze beweging voor nodig om
die niet te laten breken. Naarmate crises heviger worden, loopt de
structuur altijd vertraging op bij de aanpassing en wordt hij op een
steeds gevoeliger punt getest, waardoor er een steeds spectaculairder
wonder nodig zal zijn. Op een dag komt de maximale belasting. Daar
zijn we nu aangeland.
Om
ervoor te zorgen dat de euro deze keer niet te gronde gaat, is er,
afgezien van ʻwonderen,ʼ
slechts één mogelijkheid: dat ook Duitsland gedwongen zal worden
akkoord te gaan met de oplossing van de kwijtschelding van schulden.
Het enige dat de euro kan redden is dat Duitsland zichzelf niet
langer in staat acht de gigantische schok op te vangen binnen het
kader van de eigen regels. En dat ook Duitsland zich straks in een
situatie zal bevinden waarin het land zal moeten schipperen tussen
het handhaven van de eigen principes en het vasthouden aan zijn
essentiële belangen – het beperken van de economische en sociale
ontwrichting. Wat Duitsland absoluut niet kan – onderhandelen over
zijn principes met anderen – kan het land misschien wel met
zichzelf doen. Dan, en alleen dan, zou de euro nog een laatste,
ultieme kans hebben.
In
werkelijkheid is de gebeurtenis die op het punt staat plaats te
vinden zo enorm dat zij ambivalent is. We zijn weer aangeland bij de
contingentie van de uitkomsten: ofwel het enorme geweld van deze
crisis zal alles stukmaken en de euro naar de vuilnisbak van de
geschiedenis verwijzen, of het Duitse dogma zal (net op tijd)
exploderen zodat de rest behouden blijft.
Ondertussen
wordt Varoufakis met een schok wakker. Hij zegt dat ʻEuropa
het niet verdient om te overlevenʼ
en kondigt in de Italiaanse pers aan dat ʻde
Europese desintegratie is begonnen.ʼ
Het is duidelijk dat hij het seculiere pad volgt – en
misschien heeft hij deze keer wel gelijk.
Over
de revolutie
In
haar Essay over de revolutie bespreekt Hannah Arendt de
merkwaardige paradox dat we de meest ʻconvulsieveʼ
politieke gebeurtenissen als zodanig benoemen. ʻAls
zodanig,ʼ dat was
in de astronomie dus het woord waarmee de onveranderlijke rotatie der
planeten werd aangeduid – het is heel merkwaardig dat het woord
waarmee we in eerste instantie de eeuwige terugkeer van hetzelfde
aanduidden nu de grote breuken in de geschiedenis benoemt. De reden
is volgens Arendt dat het woord ʻrevolutieʼ
in de 17e en 18e eeuw ook de connotatie had van een onoverwinnelijke
fataliteit – het onweerstaanbare werk van krachten elders, waarvan
het onuitwisbare gevolg alleen maar hoefde te worden vastgelegd. De
tijdsgeest van toen dacht dus aan planeten, terwijl de hedendaagse
mogelijk over meer beelden beschikt, bijvoorbeeld die van tsunamiʼs,
ontstaan door een schok duizenden kilometers verderop, maar waarvan
de frontlijn voorbestemd is om op te rukken op een manier waar niets
tegenin te brengen is – hetzelfde beeld van een noodzaak die alleen
maar werkelijkheid kan worden.
Het
lot te slim af zijn of het tij keren is normaal gesproken een zaak
van de politiek. Maar de Europese instellingen zijn zo georganiseerd
dat ze geen echte vrijheid hebben – ook al zijn er soms lokaal en
tijdelijk aanpassingen mogelijk. Zonder de minste bewegingsruimte,
zonder de herpositionering op pijnpunten waar de macht als het ware
ʻpsychischʼ
niet in staat is compromissen te sluiten, en zonder enige
flexibiliteit, zijn deze instellingen gedoemd de klap slechts te
ondergaan en de spanningen te moeten dragen zonder ze te kunnen
opvangen, in de hoop dat ze er niet onder zullen bezwijken. Maar er
zijn grenzen aan wat een rigide structuur aankan. In 2010 waren die
al bijna overschreden door een klap die destijds enorm werd geacht,
maar die niet te vergelijken is met wat ons nu te wachten staat.
We bevinden ons ver van het epicentrum van de beving en voorlopig is er niets concreets zichtbaar. Alles is nog abstract en dus gevoelig voor ontkenning of minimalisering. Maar de onderzeese aardbeving heeft al plaatsgevonden, ze verspreidt haar golf, en de frontlinie van de tsunami is al op weg. Ze nadert ons, en niets lijkt haar te kunnen tegenhouden. Revolutie.
Vertaling: Jael Kraut
1Met
deze drie woorden – whatever
it takes – heeft
Mario Draghi in 2012 de eurocrisis een halt toegeroepen: door aan te
geven dat de ECB alles wat nodig was uit
de kast zou halen om
de liquiditeit van de Europese markten te waarborgen, en de
speculaties over de
uittreding van Griekenland en het uiteenvallen van de eurozone tegen
te gaan.
2Het
Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), een soort Europees Monetair
Fonds, is in 2012 opgericht als instrument voor financiële bijstand
en herstructurering van de staatsschulden van de lidstaten.
3Stéphanie
Hennette, Thomas Piketty, Guillaume Sacriste et Antoine Vauchez,
Pour un traité de démocratisation de l’Europe, Seuil, 2017 ;
Changer l’Europe, c’est possible !, Seuil, 2019.
4Alle cijfers zijn van 2018, bron Insee, Eurostat.
5En nog geen 300 miljard aan het begin van de Griekse crisis.
6Een spread is het verschil tussen de rentetarieven van de diverse staten en een referentierente; in de eurozone is dat de Duitse rente. Dit is een doorslaggevende variabele, want als er vragen rijzen over de houdbaarheid van een staatsschuld, zal er al snel sprake zijn van speculatie en worden de obligaties verkocht, waardoor de rente stijgt (en de spread groter wordt), met als gevolg dat de schuldenlast toeneemt en de financiële situatie van het betrokken land verder verergert.
Ben Tarnoff is schrijver en mede-oprichter van Logic Magazine.
De
geschiedenis beweegt zich over het algemeen langzaam, maar soms ook
heel snel, als een plotselinge golfbeweging. De coronavirus-crisis
heeft ons in dit laatste ritme gekatapulteerd. Het tempo van de
gebeurtenissen is sterk toegenomen, en het verloop ervan is
onmogelijk te voorspellen. Achteraf gezien kan 2020 een 1968 of een
1917 blijken te zijn geweest: een jaar van sprongen en breuklijnen,
of een harde scheidslijn tussen het ene en het andere tijdperk.
Hoe
zouden we het nieuwe tijdperk kunnen karakteriseren? Het is moeilijk
om definitieve conclusies te trekken over een periode die zich nog in
de vroegste fasen van haar ontwikkeling bevindt. Toch is het mogelijk
om ondanks de snelle veranderingen een voorlopige schets te maken.
Zoʼn
schets kan echter alleen van nut zijn als hij, al is het slechts in
grove lijnen, de scherpte van de breuk en de nieuwheid van de
situatie die hierdoor is ontstaan, vastlegt. Zoals Stuart Hall
schreef:
Als
zich een conjunctuurverschuiving voordoet, is er geen ʻweg
terug.ʼ
Dan schakelt de geschiedenis naar een andere versnelling. Het terrein
verandert. Je bent in een nieuw moment terechtgekomen. Je moet ʻmet
geweld,ʼ
met al het ʻpessimisme
van het intellectʼ
dat je tot je beschikking hebt, aandacht schenken aan de ʻdiscipline
van de conjunctuur.ʼ
Een
conjunctuur is iets dat uit andere dingen is opgebouwd, letterlijk
een ʻsamenvoeging.ʼ
Dus een goede manier om te beginnen is het schenken van aandacht aan
de verschillende elementen die tezamen die conjunctuur vormen.
Idealiter zou dit niet alleen een waslijst moeten zijn van
verschillende dingen die gebeuren, maar ook een verslag van hoe ze in
elkaar passen, en een theorie over het complexe, tegenstrijdige
geheel dat wordt gegenereerd door hun interactie.
Dat
is moeilijk werk, en het vereist een langdurige, collectieve
inspanning. Er zijn veel mensen nodig om samen te denken en te
handelen, teneinde dit nieuwe terrein te kunnen doorgronden. Wat
volgt is een eerste poging om daartoe een bijdrage te leveren: een
gedeeltelijke inventarisatie van de omstandigheden in de VS en een
voorlopig beeld van hoe ze in elkaar passen.
De
economie stort in. Economen van Goldman Sachs hebben voor het tweede
kwartaal van 2020 een daling van het bbp met 34 procent op jaarbasis
voorspeld – een implosie zonder historisch precedent. Ter
vergelijking: de ergste jaarlijkse daling van het bbp op jaarbasis
tot nu toe is 13 procent, die zich in 1932 voordeed tijdens de Grote
Depressie. De voorspellingen van Goldman voor de rest van 2020 zijn
ietwat rooskleuriger: een terugkeer naar een groei met dubbele
cijfers in het derde en vierde kwartaal, zodat het bbp op jaarbasis
over het hele jaar 2020 gemiddeld met 6,2 procent zal dalen.
Deze
cijfers zouden uiteindelijk echter te optimistisch kunnen blijken. Ze
gaan ervan uit dat de lockdowns en het social distancing tegen het
einde van het jaar in voldoende mate zullen zijn versoepeld om iets
dat op een normaal leven lijkt te kunnen hervatten. De economen
Warwick McKibbin en Roshen Fernando opperen daarentegen, en dat is
aannemelijker, dat de economische gevolgen van de coronavirus-crisis
ernstiger zullen zijn. Zij vermoeden dat een pandemie die een jaar
duurt en een miljoen mensen doodt – een schatting die binnen het
bereik ligt van de huidige voorspellingen van de Centers for Disease
Control, en misschien zelfs te laag is gezien het huidige
verspreidingstempo van de infectie – het bbp over het hele jaar met
8,4 procent zal doen dalen.
Maar
een abrupte daling van de groei is niet de enige reden tot
bezorgdheid. Het is ook mogelijk dat we binnenkort opnieuw met een
financiële crisis te maken zullen krijgen, wat de situatie er
aanzienlijk pijnlijker op zou maken. Vooral de schuldenlast van
bedrijven is kwetsbaar, mede als gevolg van de manier waarop
overheden de vorige financiële crisis hebben aangepakt. Om de crisis
van 2008 te kunnen bestrijden hebben centrale bankiers het geld
goedkoop gemaakt door de rente te verlagen. Dit heeft bedrijven er
weer toe aangezet om obligaties uit te geven, vooral om er fusies en
overnames en het terugkopen van de eigen aandelen mee te financieren.
Omdat de meeste van deze bedrijven geen grote reserves in contanten
achter de hand hebben, kunnen zelfs kleine verstoringen ervoor zorgen
dat zij hun schulden niet meer kunnen aflossen. Gezien de immense
omvang van deze schulden – de wereldwijde waarde van
niet-financiële bedrijfsobligaties bedroeg eind 2019 13,5 biljoen
dollar – zou een nieuwe crisis het financiële systeem gemakkelijk
kunnen doen instorten, waardoor de kredietmarkten zouden bevriezen en
er een golf van faillissementen onder werkgevers zou kunnen ontstaan.
Het
is dan ook een schrale troost dat beleggers de afgelopen weken
allerlei soorten activa zijn ontvlucht: niet alleen
bedrijfsobligaties, maar ook van oudsher ʻveilige
havensʼ
als goud en schatkistpapier. De Federal Reserve (het federale stelsel
van Amerikaanse centrale banken) heeft agressief gereageerd, met
instrumenten die vergelijkbaar zijn met de instrumenten die zij in
2008 heeft ingezet: het verlagen van de rente en het opkopen van
diverse financiële activa, waaronder bedrijfsobligaties. Toch duidt
het ambivalente antwoord van de markten op deze stappen erop dat dit
misschien nog niet genoeg zal zijn. De aandelenmarkten hebben zich,
in afwachting van de stimuleringsmaatregelen ter waarde van 2,2
biljoen dollar, hersteld en de koerswinst is intact gebleven nadat
het betreffende wetsontwerp werd goedgekeurd. Maar het lijdt geen
twijfel dat er meer onrust in het verschiet ligt.
Als
de snelheid waarmee de economische krimp als gevolg van de pandemie
zich voltrekt één kenmerk is dat onze huidige crisis onderscheidt
van de vorige, dan is een ander kenmerk het specifieke segment van de
economie dat het meest te lijden zal hebben van die krimp: de
dienstensector. Diensten worden doorgaans niet het zwaarst getroffen
tijdens recessies. Dat komt doordat ze niet kunnen worden opgeslagen,
zodat ze meteen moeten worden geconsumeerd.
De
coronavirus-crisis zou dit patroon echter kunnen doorbreken. ʻDit
zal waarschijnlijk de eerste recessie ter wereld zijn die begint in
de dienstensector,ʼ zei
econoom Gabriel Mathy tegen de New York Times. Tijdens een
pandemie zijn diensten buitengewoon kwetsbaar. Zo kunnen de mensen
hun haar niet laten knippen, omdat ze bang zijn om geïnfecteerd te
worden of omdat de overheid heeft verordonneerd dat kapperszaken
gesloten moeten blijven. En omdat je de output van diensten niet kunt
opslaan – een kapper kan geen kapsels in een magazijn opslaan
totdat de vraag weer aantrekt – gaan bedrijven snel failliet en
vallen er al heel snel veel ontslagen.
De
menselijke tol van dergelijke ontslagen zal enorm zijn, want de
dienstensector is de sector waar de meeste Amerikanen werken. Volgens
de laatste schatting van het Bureau of Labor Statistics is 71 procent
van alle niet-landbouwwerknemers – ruim honderd miljoen mensen –
in de VS werkzaam in de dienstensector. Weliswaar is dit een
heterogene categorie, die alles omvat van beursmakelaars tot
fastfood-werknemers. Maar het grootste deel van de groei in de
afgelopen decennia heeft zich aan de onderkant van het loonspectrum
voorgedaan, en dat is ook de plek waar de meeste pijn zal worden
geleden.
Die
pijn wordt al op zeer grote schaal gevoeld. In de week die eindigt op
21 maart hebben 3,3 miljoen mensen in de VS een
werkloosheidsuitkering aangevraagd. De week daarop verdubbelde dit
aantal tot 6,6 miljoen – bijna tien keer het record van 1982. De
ontslagen zijn geconcentreerd in de dienstensector, met name in de
segmenten waar de lonen het laagst zijn. De komende weken zullen
vrijwel zeker nog meer slecht nieuws brengen. Goldman Sachs verwacht
dat het werkloosheidscijfer in de VS op 15 procent zal uitkomen; de
St. Louis Fed zegt dat het kan oplopen tot 32,1 procent.
Deze
cijfers weerspiegelen het wegvallen van een centrale pijler onder het
Amerikaanse economische model. De dienstensector heeft decennialang
een essentiële rol gespeeld bij het stabiliseren van de
arbeidsmarkt. Omdat diensten moeilijker te automatiseren zijn – het
is lastiger om de productie van een kapsel te automatiseren dan de
productie van een auto – kennen ze een lagere productiviteitsgroei,
wat inhoudt dat er meer arbeid voor nodig is. Dit is wat de
dienstensector in staat heeft gesteld de werknemers te absorberen die
de productiesector in de jaren zeventig begon af te stoten als gevolg
van een wereldwijde overcapaciteitscrisis. De dienstensector kan niet
net als voorheen de industrie als de groeimotor van de economie
dienen, zoals blijkt uit de steeds slechtere prestaties van de
Amerikaanse economie sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Maar
ze heeft wel gezorgd voor een gestaag aanbod van banen.
De
pandemie sluit deze veiligheidsklep af. Nu de dienstensector in een
vrije val is geraakt, is er geen plaats meer voor het overschot aan
arbeidskrachten dat door tientallen jaren van economische stagnatie
is gegenereerd.
Natuurlijk
zullen sommige van de ontslagen werknemers uiteindelijk wel weer een
nieuwe baan vinden, vooral als de opleving na de crisis de meer
optimistische scenarioʼs
zal volgen. Maar de economie waarin zij terugkeren zal voorgoed zijn
veranderd. Kleine bedrijven, die momenteel bijna de helft van de
particuliere beroepsbevolking van het land in dienst hebben, zullen
worden gedecimeerd. Reuzen als Amazon en Walmart zullen hun greep op
de consumentenbestedingen verstevigen.
Amazon
en zijn collega-bedrijven zullen profiteren van de manier waarop de
crisis het gedrag van de consument herprogrammeert. De pandemie is nu
al een zegen voor de e-commerce, omdat mensen met een minimum aan
sociale interactie proberen de dingen te kopen die ze nodig hebben.
Amazon heeft onlangs aangekondigd dat het honderdduizend nieuwe
werknemers in dienst wil nemen als gevolg van de toenemende vraag;
Instacart, een online boodschappendienst, voegt daar nog eens
driehonderdduizend arbeidsplaatsen aan toe. Deze trend zou heel goed
permanent kunnen worden. De consument zou er de voorkeur aan kunnen
geven om zijn boodschappen te laten bezorgen in plaats van naar de
supermarkt te gaan, bijvoorbeeld uit gewoonte, gemak of aanhoudende
angst voor besmetting. De werkgelegenheid van de toekomst zal zich
dus waarschijnlijk concentreren bij het transport en de opslag van
goederen. Een groeiend deel van de Amerikaanse arbeidersklasse zal
een (schamel, precair) bestaan kunnen ontlenen aan het verpakken en
afleveren van de goederen die mensen in een langdurig isolement nodig
hebben om te overleven.
Het
overlevingsvraagstuk brengt ons bij een ander kernthema van de
coronavirus-crisis: de sociale reproductie. Sociale reproductie
verwijst naar de verschillende systemen – formeel en informeel,
betaald en onbetaald – die het kapitalisme mogelijk maken door het
opvoeden, socialiseren, opvoeden, genezen, huisvesten en op een
andere manier ondersteunen van de werknemers van wier arbeid dat
kapitalisme afhankelijk is. Deze systemen staan in de VS al heel lang
onder zware druk. Stagnerende lonen en armzalige sociale
voorzieningen hebben het grootste deel van de Amerikaanse
arbeidersklasse aan de rand van het faillissement gebracht, waardoor
bijna 80 procent van de Amerikanen over geen enkele financiële
reserve beschikt.
De
pandemie maakt een einde aan dit gammele arrangement. De toenemende
vraag naar werkloosheidsuitkeringen en voedselbonnen duwt de zuinige
Amerikaanse verzorgingsstaat ver over het breekpunt heen. Intussen is
de fragiele toestand van het sterk gefinancialiseerde
gezondheidszorgsysteem van het land – dat de afgelopen tien jaar
dankzij fusies en overnames de leidinggevenden en investeerders heeft
verrijkt – in een schril perspectief geplaatst.
Maar
de pandemie verergert niet alleen een bestaande crisis van de sociale
reproductie. De pandemie wordt op haar beurt ook weer versterkt door
deze crisis. De slechte kwaliteit van de sociaal-reproducerende
systemen in de VS heeft de ideale omstandigheden voor besmetting
gecreëerd. Zo kwamen verpleeghuizen al vroeg als hotspots naar
voren. Een groot deel van de schuld daarvoor ligt bij een golf van
particuliere investeringen in de verpleeghuissector in het afgelopen
decennium, waardoor voorzieningen in het hele land gedwongen werden
om op de kosten te besparen en zo meer winst te maken. Veel
verpleeginrichtingen zijn hierdoor extreem onhygiënisch geworden;
bij overheidscontroles zijn ontstellende gevallen van misbruik en
verwaarlozing aan het licht gekomen, en inmiddels zijn het grote
infectiehaarden geworden.
Een
virus is niet alleen een biologisch, maar ook een sociaal fenomeen.
De kwetsbaarheden waar het gebruik van maakt om zich te verspreiden
zijn niet alleen eigenschappen van menselijke cellen, maar ook van de
manier waarop menselijke samenlevingen zijn georganiseerd. Als die
zijn georganiseerd rond de accumulatie van kapitaal – dat wil
zeggen: kapitalistische samenlevingen – brengen ze zichzelf in
gevaar, vooral samenlevingen zoals die van de VS, waar de accumulatie
een bijzonder meedogenloze vorm heeft aangenomen.
Er
is hier sprake van een tegenstrijdigheid: door de sociale reproductie
te ondermijnen, ondermijnt het kapitalisme zijn eigen stabiliteit.
Het leegknijpen van het proletariaat voedt de motor van het kapitaal
tot een bepaald punt – maar vervolgens zorgt het ervoor dat de
machinerie wordt lamgelegd, zoals de feministische theoreticus Nancy
Fraser heeft uitgelegd. De coronavirus-crisis biedt een levendige
illustratie van deze dynamiek. De extreme druk die het kapitaal heeft
uitgeoefend op de sociale reproductie in de VS heeft een gastvrije
omgeving gecreëerd voor een pandemie die de economie vernietigt. De
kapitalisten die winst hebben gemaakt op de verpleging van ouderen
hebben een situatie helpen creëren waarin veel van hun
collega-kapitalisten niet meer in staat zullen zijn om het kapitaal
in beweging te brengen.
Om
de accumulatie weer normaal te laten verlopen, moet het virus onder
controle worden gebracht: de robuustheid van het Chinese antwoord is
bijvoorbeeld niet alleen ingegeven door de wens om de politieke
legitimiteit van de communistische partij overeind te houden, maar
ook door de wens om de industriële productie weer op gang te
brengen. In de VS zal de terugkeer naar een normale gang van zaken
onder meer een bescheiden toename van de publieke steun voor sociale
reproductie vereisen. Dit kan verklaren dat het Congres erin is
geslaagd om in de eerste week van de pandemie zo snel een
wetsvoorstel aan te nemen dat een deel van de werknemers in de VS
tien dagen betaald ziekteverlof gunde. Werknemers ziek laten worden
en laten sterven is aanvaardbaar; werknemers ziek laten worden en
daardoor het accumulatieproces in gevaar brengen is niet
aanvaardbaar.
In
het industriële tijdperk wist de factor arbeid concessies van het
kapitaal af te dwingen op grond van een fundamentele wederzijdse
afhankelijkheid: kapitalisten hadden arbeiders nodig om de fabrieken
te runnen. De economische groeivertraging sinds de jaren zeventig van
de vorige eeuw heeft deze afhankelijkheid verminderd, waarbij de
afname van de productie een tijdperk van stagnatie inluidde dat
gekenmerkt werd door een aanhoudend lage vraag naar arbeid, waardoor
het machtsevenwicht in het voordeel van het kapitaal is gekanteld. De
pandemie zou deze ontwikkeling gedeeltelijk kunnen keren. Werknemers
hebben als arbeiders misschien minder invloed op het
accumulatieproces, maar ze kunnen dit proces nu in gevaar brengen als
vectoren van virusoverdracht. Misschien biedt dit een nieuwe basis
voor het afdwingen van concessies.
Natuurlijk
kunnen werknemers ook op de ouderwetse manier problemen maken: door
zich in te zetten voor ontwrichtende acties op hun werkplek en in hun
gemeenschap. De ruimte voor dergelijke acties zal de komende weken en
maanden waarschijnlijk drastisch toenemen. Stelt u zich een nabije
toekomst voor van 30 procent werkloosheid, wijdverbreide voedsel- en
huisvestingsonzekerheid en miljoenen doden door de pandemie en door
de toegenomen sterfte als gevolg van een overweldigd
gezondheidszorgsysteem. Dit zijn in feite oorlogsomstandigheden. Het
zijn de omstandigheden waaronder een revolutie op zijn minst denkbaar
wordt, zo niet waarschijnlijk.
Tijdens
een crisis breiden de parameters van de politieke mogelijkheden zich
uit. Tientallen gemeenten hebben huisuitzettingen en het afsluiten
van nutsvoorzieningen stopgezet. Trump heeft het ministerie van
Volkshuisvesting en Stedelijke Ontwikkeling geïnstrueerd om
huisuitzettingen van eigenaren met een door de federale overheid
gegarandeerde hypotheek op te schorten. Californië is van plan om
duizenden daklozen naar hotels te verplaatsen, in sommige gevallen
door het opkopen van die hotels. New York City, Houston en Detroit
hebben de lokale busdiensten gratis gemaakt.
Maar
dit is pas het begin. Door druk van onderaf kunnen deze scheuren
groter worden gemaakt; het overleven van een aanzienlijk aantal
mensen hangt er waarschijnlijk van af. Met dit doel voor ogen wil
Bernie Sanders dat de federale overheid ieder huishouden $2000 per
maand stuurt, de Defense Production Act gebruikt om particuliere
bedrijven ertoe te dwingen cruciale goederen als mondkapjes en
beademingsapparatuur te produceren, en een nationaal moratorium
instelt op huisuitzettingen en het afsluiten van nutsvoorzieningen,
naast andere maatregelen.
Gezien
het tempo waarin de gebeurtenissen zich nu voltrekken kunnen zelfs
deze eisen binnen korte tijd een gematigde indruk maken. Onder
socialisten heeft deze crisis geleid tot hernieuwde oproepen tot het
nationaliseren van diverse sectoren. De gezondheidszorg lijkt een
voor de hand liggende kandidaat, vooral gezien de komende stortvloed
van faillissementen van ziekenhuizen, de behoefte aan rationele
coördinatie die de markten die niet kunnen bieden, en de morele
verplichting om te zorgen voor de vele miljoenen Amerikanen die
onverzekerd of onderverzekerd zijn.
Maar
een concrete analyse van de concrete situatie vergt ook nog iets
anders. Socialisten hebben er een handje van om strijdmodellen uit
vroegere tijden op te pakken en die ongewijzigd toe te passen op de
problemen van het huidige tijdsgewricht. Deze verleiding neemt toe in
tijden van crisis, omdat een verzwakking van de status quo
mogelijkheden schept om oude socialistische ideeën een bredere
verspreiding te geven. Maar tijden van crisis bieden ook kansen om
nieuwe socialistische ideeën te genereren: nieuwe manieren van
organiseren, nieuwe horizonten voor sociale transformatie. De
socialistische traditie is een waardevolle bron van inspiratie en
inzicht. Maar zij omvat niet alle antwoorden op iedere vraag die door
welke conjunctuur dan ook kan worden gesteld, om de eenvoudige reden
dat iedere nieuwe conjunctuur weer nieuwe vragen oproept.
Marx
geloofde dat de antwoorden op dergelijke vragen moeten worden
gevonden in de strijd van de arbeidersklasse. De arbeidersklasse was
niet alleen de enige sociale kracht die in staat was om het
socialisme op te bouwen – het was ook de enige sociale kracht die
in staat was om te bepalen hoe het socialisme eruit zou zien. Dit
proces moest worden vormgegeven door de praktijk, dat wil zeggen:
door de ontelbare botsingen en weerstanden van de klassenstrijd. ʻHet
communisme,ʼ zo schreven
hij en Engels, ʻis geen
ideaal waaraan de werkelijkheid zich zal moeten aanpassen,ʼ
maar ʻde werkelijke
beweging die een einde zal maken aan de huidige stand van zaken.ʼ
De taak van socialisten vandaag de dag is om de trillingen van deze
beweging te lokaliseren en de impliciete inhoud ervan uit te tekenen:
om de grondstoffen ervan te verfijnen tot nieuwe strategieën,
programmaʼs en mogelijke
toekomsten.
Er
zal binnenkort geen gebrek aan materiaal zijn om mee te werken, zodra
de pandemie een cyclus van proletarische zelfwerkzaamheid op gang zal
hebben gebracht. Overal hebben werknemers nu een urgente kwestie –
hun gezondheid – om rond te agiteren, en ze zijn zich al aan het
organiseren op basis daarvan. Er zijn wilde stakingen uitgebroken
onder vuilnismannen, arbeiders in de auto-industrie, werknemers in de
pluimveesector, magazijnmedewerkers en buschauffeurs. Amazon is
geconfronteerd met een golf van militantisme, waardoor het management
zich gedwongen heeft gezien om betere gezondheidsbescherming te
beloven en al zijn werknemers betaald verlof te gunnen. Werknemers
van Instacart en Whole Foods hebben arbeidsprotesten in scène gezet.
Georganiseerde verpleegkundigen hebben zich aaneengesloten om te
protesteren tegen de tekorten. De werknemers van General Electric
hebben geëist dat er beademingsapparaten worden geproduceerd in de
fabrieken voor straalmotoren. Er zijn hulpgroepen ontstaan om
boodschappendiensten en kinderopvang te coördineren. Huurders in het
hele land organiseren huurstakingen. In Los Angeles bezetten dakloze
gezinnen leegstaande huizen.
Dit zijn overlevingsstrategieën, maar het zijn mogelijk ook de kiemen van een nieuwe wereld: plekken van sociale macht waar mensen zich collectief de middelen verschaffen die ze nodig hebben om rechtstreeks te kunnen deelnemen aan beslissingen die hen aangaan. Het is op deze plekken en in deze praktijken dat de contouren van het volgende socialistische project kunnen worden aangetroffen. Wil dit project geloofwaardig zijn voor de mensen van wie het afhankelijk is, dan moet het gelijkwaardig zijn aan de radicaliteit van onze werkelijkheid. Het moet een socialisme zijn dat geen tak van het progressivisme of een vleugel van de Democratische Partij is, maar een werkelijk anti-systemisch alternatief – een alternatief dat, hoe onwaarschijnlijk ook, een einde belooft aan de doodscultus van het kapitaal. Het moet de verheffing van de menselijke gezondheid, waardigheid en zelfbeschikking tot de hoogste ordenende principes van ons gemeenschappelijk leven uitdragen.
Jarmo Berkhout werkt bij Het Actiefonds, een Amsterdamse organisatie die wereldwijd activisten ondersteunt. Hij studeerde filosofie aan de UvA, die hij meermaals hielp te bezetten, en is schrijver.
Aan
het begin van de coronacrisis schreef de Italiaanse filosoof Giorgio
Agamben een paar opinieartikelen die hem niet in dank werden
afgenomen. Hij betoogde onder meer dat het wel meeviel met de ernst
van het virus, dat niet veel dodelijker zou zijn dan de griep, en dat
de ongekende inperking van persoonlijke vrijheden en democratische
rechten in feite een vorm van toegenomen staatscontrole was. Als
gevolg van de paniek en de angst voor de dood lukte het de mensen
niet om voorbij het pure lijfsbehoud te kijken, waardoor ze een
algehele reductie van hun bestaan tot het ʻnaakte
levenʼ lieten
plaatsvinden. Op het niveau van het naakte leven zijn mensen slechts
organismen die (willen) voortbestaan, terwijl ze pas werkelijk mens
worden als politiek subject dat deel uitmaakt van een gemeenschap en
dat rechten heeft. Agamben paste hiermee de twee concepten waarom hij
bekend is geworden toe op de huidige crisis: die van de
uitzonderingstoestand, door staten afgekondigd om buiten de
rechtstaat om hun macht aan te kunnen wenden ter controle van de
bevolking (doorgaans met een beroep op de veiligheid), en die van het
naakte leven, de biologische nullijn waarop we bestaan als we (nog)
geen (of niet langer) mens-subject zijn. Met deze analyse probeerde
Agamben te waarschuwen voor het risico dat we uit angst voor de dood
vergeten dat het ons zou moeten gaan om een leven dat uit meer
bestaat dan louter overleven, én, niet minder belangrijk, voor de
ontketende staatsmacht die ons nog lang na de pandemie in zijn greep
zou kunnen houden.
Niettemin
is er met zijn analyse iets geks aan de hand: het is alsof Agamben
zijn eigen werk niet goed begrijpt en het verkeerd toepast. De
verontwaardiging – voornamelijk over zijn bagatellisering van het
virusgevaar – was dan ook groot. Maar het kwam op velen met name
als ongepast over om in de reactie van Europese overheden op de
gezondheidscrisis een doelbewuste poging te zien om de bevolking aan
een kennelijk gewenst verscherpt surveillanceregime te onderwerpen.
Vooral de Sloveense filosoof Slavoj Žižek verweet zijn collega het
omslaan van kritische theorie in linkse paranoia. Want de kritiek dat
er duistere bedoelingen schuilgaan achter de
corona-uitzonderingstoestand vormt op zichzelf geen antwoord op de
bedreiging die wel degelijk van het virus uitgaat. Het
weg-theoretiseren van de dodelijkheid van COVID-19 omwille van het
behoud van onze politieke subjectiviteit vormt geen bescherming van
het leven dat we moeten koesteren, en kan niet het begin zijn van een
werkelijk kritische beschouwing over wat er tijdens deze crisis
gebeurt. Dat begin kan enkel de confrontatie zijn met het feit dat we
ons, collectief en op wereldschaal, in een nooit eerder voorgekomen
crisissituatie bevinden die van beslissende invloed zal zijn op hoe
onze toekomst eruit ziet.
Terug
naar het naakte leven. Het makkelijke antwoord op Agamben is dat het
behoud van het leven ons weliswaar nog niet tot mensen maakt, maar
dat we ook geen mensen zijn zónder ons biologische bestaan: dan zijn
we namelijk dood. Maar er is meer aan de hand. Wat we zien – in
ieder geval in de Europese landen – is dat overheden hun uiterste
best doen om levens te redden, en dat in het kielzog daarvan de
betekenis van het begrip solidariteit is aangepast: het gaat er nu om
de kwetsbaren te behoeden voor infectie. De enorme, bijna militair
aandoende zorgoperatie die daartoe is opgetuigd, de enorme uitgaven
die worden gedaan om burgers van inkomsten te blijven voorzien, het
bijna volledig opschorten van de economie – dit alles kan moeilijk
worden gezien als een gebrek aan zorg om het leven. De reductie tot
het naakte leven is wat de mensen overkomt die niet geholpen
worden, die geen ʻrecht
op rechtenʼ hebben, die
niet toegelaten worden tot de gemeenschap die gered moet worden. Deze
mensen zijn talrijk. Zij bevinden zich grotendeels buiten Europa. Het
zijn de vluchtelingen, de ʻillegalen,ʼ
de onbeschermde ʻessentiëleʼ
arbeiders. Niks anders meer hebben dan het naakte leven betekent een
verhoogde nabijheid tot de dood. Het betekent aan je lot overgelaten
zijn, vernietigd kunnen worden zonder herinneringen na te laten. De
uitzonderingstoestand die Agamben in zijn werken beschrijft treft ons
niet allemaal in gelijke mate: zij duidt op het aanrichten van geweld
waaraan wij (Europese burgers, politieke subjecten) weliswaar
medeplichtig zijn, maar dat toch voornamelijk de Ander treft. Het op
grote schaal redden van mensenlevens – levens die de moeite waard
worden gevonden – vergelijken met de rechteloosheid van de
werkelijk kwetsbaren is, op zijn zachtst gezegd, politiek vrij
bedenkelijk.
Als
Agambens vocabulaire geen verschil kan maken tussen het opschorten
van het grotendeels gerieflijke leven van westerse burgers en de
vogelvrijheid, de ʻwaardeloosheidʼ
van degenen die er niet bij horen, dan hebben we andere termen nodig.
Een crisis – en zeker een crisis met de intensiteit van de huidige
– zet de normale orde op losse schroeven, maar onthult
tegelijkertijd de verborgen aspecten van de normaliteit in al hun
meedogenloosheid. Al vóór de pandemie bestond er een hiërarchie in
de waarde die de levens van verschillende (soorten) mensen
vertegenwoordigen. Die hiërarchie is niet verdwenen. We mogen niet
vergeten dat de kern van het kapitalisme bestaat uit het creëren van
economische waarde die in de vorm van winst belandt bij degenen die
de productiemiddelen bezitten. Als motor van de economische
ontwikkeling bepaalt dit principe onze verhouding tot het systeem, en
daarmee ook in belangrijke mate de manier waarop we mogen leven –
en sterven. Wat gered wordt aan westerse burgers is niet hun naakte
leven, maar de (potentiële) waarde die ze vertegenwoordigen als
consumenten of als hooggekwalificeerde arbeiders. De veelgeroemde
nieuw ontstane ʻtijd en
ruimte voor reflectieʼ
die de quarantaine creëert, zouden we moeten aanwenden voor het
uitwerken van een nieuwe rol, een nieuwe vorm van leven, die anders
is dan de dwang om steeds maar weer bij te dragen aan de reproductie
van een systeem dat voorbeschikt wie we zijn en wat we moeten doen.
Er is anders geen alternatief voor het politieke dilemma dat in de
begindagen van de crisis vroom onderdrukt werd maar tegenwoordig
steeds koppiger terugkeert: het redden van de economie of het redden
van mensenlevens.
Dit
dilemma is al vaak genoeg, en terecht, vals genoemd, en toch bakent
het de horizon af waarbinnen wij – en vooral onze politieke leiders
– nadenken over de omgang op de langere termijn met (de gevolgen
van) de pandemie. De normale toestand die door het coronavirus
drastisch werd onderbroken, was natuurlijk precies die toestand die
het soort ellende waarin we ons nu bevinden überhaupt mogelijk heeft
gemaakt. Kapitalisme op wereldschaal betekent het creëren van een
wereldwijde hiërarchie in de waarde van mensenlevens, al naar gelang
de (potentiële) toevoeging die een mens te bieden heeft aan de
reproductie van dat mondiale systeem. Het heeft geleid tot een
integratie van alles met alles zonder weerga: productieketens, het
circuleren en consumeren van goederen, toerisme, dit alles is
mondiaal geworden tot het punt dat de verste uithoeken van de aarde
met elkaar verbonden zijn. Het doel van die integratie is de creatie
van waarde en de toeëigening daarvan in de vorm van winst. Maar de
gevolgen zijn desastreus. Het economische leven is precair,
geestesziekten zijn alomtegenwoordig, de opwarming van de aarde
dreigt onomkeerbaar te worden, vluchtelingenstromen dijen uit, het
nationalisme (xenofobie, racisme) normaliseert. De kwetsbaarheid voor
pandemieën is daar nu bijgekomen. Wat we nu aanschouwen, met andere
woorden, is een desintegratie van het systeem – een existentiële
bedreiging van de volksgezondheid, grootschalige economische schade –
die juist het gevolg is van de integratie die ons (althans een kleine
minderheid van ons) waarde oplevert. Het huidige overheidsingrijpen
kan daarom beter niet gezien worden als een slinkse poging om extreme
vormen van surveillance en controle door te voeren – al is dit wel
mogelijk – maar eerder als een poging om de schade die de
desintegratie veroorzaakt te beperken. Met andere woorden: de leiders
van met name westerse landen proberen een onmogelijke realiteit af te
dwingen, namelijk een realiteit die wel op kapitalistische wijze
geïntegreerd is, maar tegelijkertijd onkwetsbaar is voor de altijd
weer onvoorspelbare desintegratie die daarmee tegelijkertijd wordt
veroorzaakt. Alleen daarom al voelt het al dan niet voortzetten van
de lockdown als een ʻduivels
dilemma.ʼ Het is een
onmogelijke balanceeract tussen uitzondering en normaliteit, omdat er
geen nieuwe wereld opdoemt achter het huidige crisismanagement,
waartoe de politiek veroordeeld is.
Onder
deze omstandigheden keert de kwestie van de beschikking over leven en
dood onopgemerkt terug in het hart van de economische besluitvorming.
Dat wil zeggen: dit is de werkelijke kern, de ware aard, van elk
politiek systeem, zij het verscholen onder procedures en instituties.
Het is niet zozeer zo dat we zodanig zijn teruggeworpen op ons naakte
bestaan dat we geen politiek meer kunnen bedrijven, maar dat we het
ontwend zijn om politiek te beschouwen als de bij uitstek moderne
manier waarop we collectief betekenis kunnen geven aan het leven én
aan de dood. De onbeschaamdheid waarmee rechtse politici en
opiniemakers – in de V.S., maar ook in Nederland – stellen dat er
offers gemaakt moeten worden, opdat de economie niet ten onder gaat,
heeft dan ook niks te maken met realisme, moed, of ʻzeggen
waar het op staat.ʼ Het
is niets meer of minder dat het uitbesteden van het risico om te
sterven aan groepen die door hun afkomst, leeftijd, gezondheid,
huidskleur of beroep, straffeloos als minderwaardig kunnen worden
gezien. Dit verband kan worden uitgelegd als een gevolg van de manier
waarop ons economische systeem in zijn pre-corona-toestand was
ingericht. Dat systeem eist slachtoffers. De rechtse
mening-verkondigers hebben daarom geen enkele moeite met het dilemma
economie-mensenlevens. Zolang ze maar niet tot de groep behoren die
het niet overleeft (althans, zolang ze dat denken), is de
mogelijkheid van de dood de prijs voor de exploitatie van aarde, dier
en mens, waar ze hun economische welvaart aan te danken hebben,
precies zoals het vóór corona was.
Quasi-diepzinnige
reflecties over het aanvaarden van de dood als iets dat bij het leven
hoort, moeten we van de hand wijzen. Het probleem met de westerse
omgang met de dood is niet dat we het bestaan ervan ontkennen, maar
dat we die dood zien als iets dat alleen de Ander overkomt. Het leven
zelf, geheel in lijn met wat de neoliberale mentaliteit van
concurrentie en zelfverbetering van ons eist, zijn we meer en meer
gaan zien als iets dat we bezitten, als een soort ruw materiaal dat
we tot perfectie moeten zien te dwingen, waarin allerlei waarde
schuilgaat die we er met ʻprojectenʼ
en met de juiste carrièrestappen uit kunnen halen, iets dat we
kunnen en moeten verlengen, omdat ziekte en uiteindelijk de dood een
vorm van kapitaalvernietiging betekenen. De voorstelling van het
leven als iets wilds, ontembaars en onvoorspelbaars, iets dat in
zekere zin sterker is dan wij zelf, verliest het steeds meer van de
kijk op het leven als een zaak van voorspelbare behoeftenbevrediging,
plichtsvervulling en verlenging. Maar dat wil niet zeggen dat we het
bestaan van de dood ontkennen. Alleen is die dood, in zijn
onvoorspelbare en wilde vorm – net zoals het leven – niet meer
voor ons. Vluchtelingen gaan dood, in de Middellandse Zee. Hongerige
Afrikaanse kinderen gaan dood. Moslims in het Midden-Oosten gaan
dood. De ouderen gaan dood, en de eenzamen, de kwetsbaren. En als de
economie het eist, dan ook de armen, degenen zonder toegang tot
gezondheidszorg, de werklozen en de precaire werkers. Maar niet wij.
Wij zijn te veel waard om te sterven, alles houdt op als wij er niet
meer zijn.
De
eis dat we de dood moeten aanvaarden is daarom volkomen gratuit. Het
feit dat er een dodelijk virus rondwaart brengt bij sommigen
kennelijk een morbide berusting teweeg, terwijl het bijna psychotisch
is als je bereid zou zijn om te sterven voor ʻde
economieʼ (sommige
Amerikaanse anti-lockdown-activisten schrijven dit daadwerkelijk op
hun protestborden). In plaats daarvan zouden we moeten beseffen dat
het leven, nog altijd, iets kwetsbaars is. Dat er zorg, liefde
en solidariteit voor nodig zijn om het in stand te houden en tot
bloei te laten komen, en dat niet alleen tijdens een crisis, maar
altijd. Dat we het anders moeten gaan zien dan wat de beperkte
tegenstellingen van het kapitalisme ons toestaan, zoals de Italiaanse
filosoof Franco Berardi schrijft: ʻaccumulatie
is de Ersatz die de dood vervangt door de abstractie van
waarde en de artificiële continuïteit van het leven op de markt,ʼ
terwijl er ook leven zou kunnen zijn dat ontsnapt aan hiërarchieën
en waardebepalingen. Een dergelijke manier van leven vereist een
radicale verandering, écht een revolutie, van de dystopische manier
waarop we de wereld hebben ingericht: één waarin niet het oude,
heerszuchtige, (ver)harde, succesvolle mannelijke subject centraal
staat ten koste van al het andere, ten koste van al het mogelijke,
maar waarin het de taak van elke samenleving wordt om het leven van
mensen, dieren en de aarde zelf permanent te herscheppen tot iets
nieuws en tot iets dat we altijd moeten koesteren. Precies dit kunnen
we niet overlaten aan onze politieke leiders. Het ʻnieuwe
normaalʼ dat ze voor ogen
hebben zal een continuering zijn van het oude normaal, en de kosten
van het uitblijven van verandering – van de repressieve orde die
het evenwicht bewaakt tussen integratie en desintegratie – zullen
voor onze rekening komen. Als we willen leven, en niet alleen maar
willen overleven, mogen we dit niet toestaan.
Anton Jäger (1994) is afgestudeerd in de ideeëngeschiedenis aan de Universiteit van Cambridge. Hij schrijft voor De Groene Amsterdammer, De Morgen, Sabzian, rekto:verso, Apache, Lava en DeWereldMorgen.be.
In een tijd waarin
de coronavirus-crisis de mondiale waardeketens verstoort, is de
metafoor van de oorlogseconomie alomtegenwoordig – en niet zonder
reden, ondanks de gebreken ervan. Deze crisis vraagt inderdaad om
gericht overheidsingrijpen, en in deze context is het moeilijk om de
grillige aanpassingen van vraag en aanbod, zoals die zich in
ʻnormaleʼ
economische tijden voordoen, op te vangen. De staat faalt soms, en
dit kan leiden tot kritiek van libertariërs. Niettemin is het
waarschijnlijk dat het krediet van de staat, in zijn rol van
beheerder van de economie, zal worden versterkt.
Om deze situatie te
doorgronden kan het nuttig zijn ons te wenden tot filosoof en econoom
Otto Neurath, zowel een van de oprichters van de Wiener Kreis als een
oorspronkelijke socialistische figuur. Hij was een van de eersten die
de oorlogseconomie in een reeks artikelen conceptualiseerde, nog vóór
de Eerste Wereldoorlog, en die probeerde daaruit alle consequenties
te trekken.
ʻDit
is onze voornaamste bevinding. Oorlog dwingt een land om meer
aandacht te schenken aan de hoeveelheid goederen die het tot zijn
beschikking heeft, en minder aan de hoeveelheid geld die beschikbaar
is. Veel meer dan in tijden van vrede wordt in tijden van oorlog
duidelijk dat superioriteit een uitvloeisel is van de bewapening, de
voedselvoorziening en het transport (al kan financiële superioriteit
soms een militaire nederlaag compenseren). Het wordt steeds
duidelijker dat geld slechts een middel is om goederen te verkrijgen.
De staat eigent zich dit instrument meestal energieker toe in tijden
van nood en gebruikt het dan om in zijn behoeften te voorzien. Als
geld nutteloos blijkt te zijn, aarzelt de regering niet om de
economische orde te veranderen. Als de productiecapaciteit intact is,
maar de monetaire arrangementen niet, blijft er nog een laatste optie
over – de economie in natura.ʼi
Neurath schreef deze woorden in 1909, bijna vier jaar vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Ze vormen de afsluiting van een reeks artikelen over oorlogsplanning en economie in natura. Op dat moment had hij zijn scriptie over de ʻeconomieën in naturaʼ uit het verleden al afgerond, onder leiding van Eduard Meyer en Gustav Schmoller, decanen van de Duitse geschiedkundige school.
In de jaren twintig van de vorige eeuw creëerde Otto Neurath de Weense Methode van Beeldstatistieken, de voorvader van de Isotype, die sindsdien op grote schaal wordt gebruikt. Deze foto is, net als de volgende, afkomstig uit Gesellschaft und Wirtschaft. Bildstatistisches Elementarwerk, gepubliceerd in 1930.
De terugkeer van de gebruikswaarde
In 1918, toen de
revolutie zich over de Oude Wereld verspreidde, werd hij een
autoriteit op dit gebied. Zijn onderzoek naar het ʻeconomische
equivalent van de oorlog,ʼ
om William James te parafraseren, was nu beroemd geworden. Volgens
hem kon ʻhet grootste
succes worden bereikt door niet rechtstreeks tegen de oorlog te
vechten, maar eerder tegen bepaalde tekortkomingen in onze
economische orde die tot gevolg hebben dat de gruwelijkheid van de
oorlog wordt verminderd en de voordelen ervan worden vergroot.ʼ
Zijn conclusie luidde als volgt:
ʻIn
onze economie worden in tijden van vrede niet alle energieën
volledig benut. Integendeel, daar is soms een oorlog voor nodig. De
reden is dat in tijden van oorlog de productiviteit belangrijker is
dan de winstgevendheid, en dat de organisatie van het verkeer van
mensen, goederen en diensten wordt bevrijd van de beperkingen die
anders gebruikelijk zijn. Ook moet worden opgemerkt dat het relatieve
bevolkingsoverschot [de werklozen] dat door onze economische orde
wordt gecreëerd, dan volledig wordt geabsorbeerd.ʼ
Neuraths visie op
oorlogseconomieën was even simpel als meedogenloos: ze schortten de
normale werking van de markt op en ʻstuurden
de ruilwaarde op vakantie,ʼ
zoals William Davies het onlangs verwoordde. Ze dwongen de staat om
zich met de economie bezig te houden. De kapitalistische samenleving
bewoog zich immers toch al in deze ʻsocialeʼ
richting. Vóór de oorlog waren de Britse conservatieven zich al
zorgen gaan maken over de industriële schaarste, om de eenvoudige
reden dat de Britse samenleving niet genoeg capabele mannen creëerde
om oorlog te voeren. De industrie had de arbeidersklasse al
ʻgemilitariseerd,ʼ
zoals Marx in de zestiger jaren van de 19e eeuw had
voorspeld; nu verspreidde deze militarisering zich langzaam door de
hele maatschappij.
Dit proces is
gepaard gegaan met een reeks belangrijke veranderingen in de
structuren van de kapitalistische concurrentie. Heroïsche
ondernemers werden als basiseenheden van de kapitalistische markt
vervangen door kartels en trusts, die werden gerund door
planningsafdelingen en bureaucraten in plaats van door risicominnende
zakenlieden. Dit was de basis van het ʻsocialisatiedebatʼ
dat de marxisten in de Tweede Internationale vóór de Eerste
Wereldoorlog in beroering had gebracht, onder leiding van denkers als
Rudolf Hilferding en Charles Steinmetz, die allemaal in het nieuwe
bedrijfskapitalisme een individualistische erfenis zagen die op het
punt stond te verdwijnen.
Veel socialistische auteurs hoopten dat de op handen zijnde socialisatie van het kapitaal door de grote bedrijven een revolutionaire machtsovername mogelijk zou maken. In zijn boek America and the New Society uit 1916 stelde Steinmetz bijvoorbeeld dat de opkomst van de grote onderneming niets meer of minder was dan ʻde rationele reorganisatie en centralisatie van de productiemiddelen, en dus een noodzakelijke opmaat voor het socialismeʼ; ʻop haar hoogtepunt aangekomen,ʼ zei hij, zou de bedrijfseconomie snel ʻten val komenʼ en zou er een wereldrevolutie volgen. Volgens Neurath was de oorlogseconomie een andere modaliteit van deze immanente socialisatie van het kapitalisme; al vóór de oorlog hadden de monopolies een toenemende staatsinterventie noodzakelijk gemaakt; Neuraths vader sprak van een ʻpan-cartelisme,ʼ waarin de economie zou worden gerund door een klein aantal dominante bedrijven.
Socialisme in de praktijk
De wereldbrand van 1914-1918 versterkte de hypothese van Neurath alleen maar. De staten hadden planningsafdelingen ingericht en hun economieën tot het meest essentiële teruggebracht. De ʻproductie voor de gebruikswaardeʼ werd opnieuw noodzaak, en geweren, schepen en kanonnen gingen allemaal deel uitmaken van de oorlogsinspanning – hoe vreselijk die noodzaak ook mocht zijn.
Neurath had kennis
genomen van deze ontwikkelingen. Hij had tijdens de oorlog aan het
front gediend en was later overgeplaatst naar de keizerlijke
oorlogsbureaucratie. Daar had hij de ʻorganisatorische
kwestiesʼ die gepaard
gingen met de oorlog, de kiem van de ʻovergangseconomieʼ
waarop hij zijn proefschrift had gebaseerde, op de voet gevolgd. Na
zijn aanstelling bij het Oostenrijkse ministerie van Oorlog werd
Neurath door de nieuwe Münchense Radenrepubliek, die uit de Duitse
spartakistenopstand was voortgekomen, uitgenodigd om een plan voor
ʻsocialisatieʼ
(Vergesellschaftlichung) op te stellen, dat de productiecapaciteit
van de regio onder publieke controle zou brengen. In die tijd
publiceerde hij een bloemlezing van zijn artikelen over de
oorlogseconomie, waarvan het socialisme het gevolg zou zijn.
Maar de ervaring zou
geen lang leven beschoren zijn. Na een maand viel het vrijkorps
Ritter von Epp de stad binnen, waardoor Duitsland een eerste
voorproefje van de nazi-terreur kreeg. De wetenschappelijke reputatie
van Neurath heeft er ook onder geleden. Max Weber stelt dat ʻNeuraths
werk over de economische geschiedenis van de oudheid altijd in hoog
aanzien heeft gestaan,ʼ
maar beschouwt zijn Beierse avontuur als een ʻamateuristische,
objectief onverantwoordelijke dwaasheid die het “socialisme”
honderd jaar lang in diskrediet had kunnen brengen, waardoor alles
wat had kunnen ontstaan in de afgrond van een stupide reactie
gesleurd had kunnen worden.ʼ
Neurath besloot zijn
geluk elders te beproeven. In de jaren twintig van de vorige eeuw
vluchtte hij naar Oostenrijk en vestigde hij zich in het
administratieve hoofdkwartier van het Rode Wenen.i
Hij werd een prominent lid van de Wiener Kreis, die een variant van
het linkse positivisme vertegenwoordigde die afstand zou nemen van de
orthodoxie van Carnap. Het geheel was een overblijfsel van waar de
sociaaldemocratie ooit voor had gestaan; in het debat over
socialisatie was alles niet verloren gegaan.
Neo-liberale en libertaire kritiek
Neurath maakte ook
vijanden in zijn tijd als bestuurder van het Rode Wenen. Het was de
stad van Friedrich Hayek, die in de jaren twintig van de vorige eeuw
zijn polemiek tegen de positivistische wetenschapsvisie lanceerde,
die hij star en totaliserend vond, en in staat tot volledige
integratie. Hij, die de economie zag als een zwarte doos die nooit
geopend mocht worden, was geschokt door Neuraths ode aan de
universele leesbaarheid, die terug te vinden is in zijn beroemde
Isotype en zijn reprise van Diderots Encyclopedie. Volgens Hayek
konden economieën niet in kaart worden gebracht of leesbaar worden
gemaakt; het waren eerder bovenmenselijke ordes die niet onderhevig
waren aan collectieve menselijke actie en zich niet leenden voor een
epistemische interpretatie. Hayeks ʻsublieme
economieʼ – zoals
Quinn Slobodian die noemt – was dus de tegenhanger van de
Neurath-economie met zijn planning, kartels en bedrijfsbeheerders.
Het is niet overdreven om te zeggen dat Neurath de belangrijkste
Nemesis van het primitieve neoliberalisme was; ʻalle
fouten van het socialisme verenigd in één persoon,ʼ
aldus Hayek.
Maar Neurath had ook
geen blijvende vrienden ter linkerzijde. Eind jaren twintig ging hij
in dialoog met Max Horkheimer en de eerste Frankfurter Schule. Hij
schreef artikelen in het Zeitschrift für Sozialforschung en
streefde naar eenzelfde synthese van wetenschap en filosofie ʻdie
door het materialisme van Marx werd geëist,ʼ
in de woorden van Horkheimer. Maar Horkheimer keerde zich later tegen
Neurath en maakte van hem een onttoveringsfilosoof, een apostel van
het dorre rationalisme wiens doctrine de weg vrijmaakte voor de
ʻtotaal
beheerde samenlevingʻ
(Adorno) van de naoorlogse periode.
De tendens die
Neurath aan het werk had gezien in het primitieve
monopoliekapitalisme en de oorlogseconomie was volgens Adorno en
Horkheimer reëel genoeg, maar zou niet tot het socialisme leiden.
Het was het nazisme dat het Duitse kapitaal had geherstructureerd en
de oorlogsplanning had doen herleven. Ten koste van de menselijke
waardigheid zelf.
Het nieuwe links en het nieuwe rechts, Horkheimer en Hayek, bewogen zich dus in de richting van dezelfde scepsis jegens het ʻgeorganiseerde kapitalismeʼ dat Neurath in de jaren dertig van de vorige eeuw had bepleit, waarin kartels en trusts nieuwe corporatistische afspraken met de georganiseerde arbeid mogelijk maakten. Het ʻgeorganiseerde kapitalismeʼ was weliswaar georganiseerd, maar nog steeds niet vrij. De geschiedenis had Neurath dus ingehaald, zo lijkt het, toen de filosoof in 1945 in Oxford overleed. In zijn dagboek had hij een opmerkelijke afspraak genoteerd: een debat met Hayek, waarschijnlijk om diens De weg naar slavernij (1944) te bespreken. Die kans is hem ontglipt.
En nu?
Dit verhaal heeft
ook een ironische kant. Na enkele decennia van intellectuele
hegemonie, die gedeeld werd tussen nieuw rechts en nieuw links, is de
wereld vandaag de dag getuige van een belangrijke herconfiguratie van
de capaciteit van staten en, als gevolg daarvan, van een reeks
politieke herschikkingen. Langzaam maar zeker nemen staten afstand
van de theorie van het met zachte hand sturen van de economie van de
afgelopen dertig jaar; ze gaan die nu weer steeds nadrukkelijker
beheren. De productie voor de gebruikswaarde van Neurath zou weer
werkelijkheid kunnen worden; Wallonië heeft nieuwe fabrieken voor
beademingsapparaten opgezet, terwijl Duitsland van plan is een aantal
van zijn toeleveringsketens in te korten. Zodra deze ingrepen zijn
gestabiliseerd, zal het moeilijk zijn om de geest weer terug in de
fles te krijgen.
Neuraths voorbeeld kan echter ook misleidend zijn. Samen met anderen van de Tweede Internationale zag hij in de oorlogseconomie van 1914-1918 het bewijs voor de theorie dat de staat de productie van de gebruikswaarde kon plannen. Maar Neurath en zijn generatie opereerden in de marge van een grote socialistische beweging, georganiseerd in partijen, raden en vakbonden, die de socialisatie van een kapitalisme dat zich al aan het socialiseren was, wilde voltooien. Dat kun je vandaag de dag moeilijk zeggen.
Vertaling: Menno Grootveld
i Otto
Neurath, ʻWar
economy,ʼ in
Economic writings selections 1904-1945, Uebel en Cohen, New
York, Kluwer, 2005, p. 193. Neuraths eigen bloemlezing uit 1919
heeft een suggestieve titel: Durch die Kriegswirtschaft zu
Naturalwirtschaft (Van de oorlogseconomie naar de natuurlijke
economie).
i Deze
gemeente werd van 1918 tot 1934 bestuurd door de sociaal-democraten.