Categorieën
Economie

De echte les van het GameStop-verhaal is de kracht van de zwerm

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 30 januari 2021

fotografie: Advaya

door Brett Scott

Brett Scott is een voormalig beursmakelaar en de auteur van The Hereticʼs Guide to Global Finance

Toen ik nog in de financiële wereld werkte, was het een veelgehoorde grap dat daghandelaren – kleine ʻretail-tradersʼ – als kevers de stront uitpluizen van de grote fondsen die de echte drijvende kracht achter de markten zijn. Zij bevinden zich in een zwakke positie, gezien hun gebrek aan kapitaal en coördinatie, maar een hele industrie van ʻretail brokersʼ (kleine beursmakelaars) – tegenwoordig geïllustreerd door bedrijven als Robinhood – is bedoeld om de mythe van hun heldenstatus te cultiveren.

Dat is de reden dat het GameStop-verhaal opvalt. In zijn boek Liarʼs Poker beschreef voormalig Wall Street-broker Michael Lewis machtige handelaren die voor grote investeringsbanken werken als ʻbig swinging dicksʼ (grote zwaaiende lullen), maar de aantrekkingskracht van de GameStop-saga vloeit voort uit het feit dat een zwerm ʻkleine zwaaiende lullenʼ zich schijnbaar heeft verenigd tot één gigantische zwaaiende lul die de zwaartekracht trotseert om de koers van een aandeel ver boven de werkelijke onderliggende waarde te laten uitstijgen.

Aandelenhandelaren zijn er in twee soorten. De eerste soort bestaat uit detectives, die het bedrijf waar een aandeel betrekking op heeft bestuderen, een proces dat ʻfundamentele analyseʼ wordt genoemd. De tweede soort doet aan ʻtechnische analyses,ʼ waarbij ze de acties bestuderen van degenen die aan fundamentele analyses doen. Daghandelaren zijn berucht om hun voorkeur voor technische analyses, omdat ze geen toegang hebben tot bedrijven of analistenteams, en dus gedwongen zijn op fora samen te komen om grafieken te bespreken die de acties van andere handelaren weergeven.

Dit is waar veel marktsurrealisme ontstaat, want het blijkt dat al die grafieken waar technische handelaren naar kijken ook de acties weerspiegelen van andere technische handelaren. Als handelaren naar handelaren kijken die naar handelaren kijken, in plaats van naar het bedrijf in kwestie, komt de markt in een schemerzone terecht.

Dat is gebeurd in het geval van GameStop. De aandelenkoers heeft zich bijna volledig losgemaakt van het bedrijf zelf, maar iedereen is zich daar door een merkwaardige speling van het lot bewust van geworden, en in plaats van zich terug te trekken hebben beleggers dit feit met nihilistische uitbundigheid omarmd. De stijging van de aandelenkoers van GameStop stond symbool voor pure ʻirrationaliteitʼ – alles wat volgens de economieboeken niet zou mogen gebeuren. Daarom lijkt het zo symbolisch. Maar waar is het een symbool van?

Een populaire interpretatie op dit moment is dat het om een David-en-Goliath-achtig gevecht gaat tegen hedgefondsen die hebben ingezet op een daling van de aandelenkoers door middel van ʻshorten.ʼ Beschouw shorters als mensen die kaartjes voor een concert lenen, die aan de deur verkopen aan mensen die proberen binnen te komen, vervolgens aan iedereen vertellen dat het theater in brand staat, om daarna buiten te wachten om ze tegen een uitverkoopprijs terug te kopen, alvorens ze weer terug te geven aan de oorspronkelijke eigenaren en er met de winst vandoor te gaan.

In dit geval stonden de shorters ʻaan de theaterdeur te wachtenʼ om de GameStop-aandelen te kopen waarop ze ʻshort waren gegaanʼ (waartegen ze hadden gespeculeerd). Citron, het hedgefonds dat in dit verhaal verwikkeld is geraakt, maakt fundamentele analyses alvorens short te gaan en verspreidt het nieuws vervolgens luidkeels onder technische handelaren, in de hoop dat zij naar de uitgang zullen vluchten. Maar om een of andere reden besefte de kudde nu echter dat Citron en vele andere short-sellers stonden te popelen om de aandelen terug te kopen, en in plaats van zich naar de uitgang te haasten om hen in staat te stellen te cashen, trokken ze zich terug en sloten ze zichzelf in het theater op, wetende dat de short-sellers zich uiteindelijk ʻhet theater inʼ zouden moeten haasten om de aandelen terug te kopen, wat tot een zogeheten short squeeze zou leiden.

Het GameStop-verhaal is interessant, omdat het door memes werd aangedreven. De daghandelaren hebben gebruik gemaakt van de gilde-achtige, tribale structuren van Reddit en de gemeenschap van gamers om zichzelf te transformeren in die ʻreusachtige zwaaiende lulʼ die zich te weer stelt tegen de grote lullen van de hedgefondsen.

Lul-metaforen zijn toepasselijk, omdat de daghandel altijd een rijk van mannenbroeders is geweest, en hierin ligt nóg een mogelijke interpretatie van de gebeurtenissen besloten. Vroeger maakte de industrie van retail brokers bijna uitsluitend gebruik van machobeelden om mannelijke handelaren op pad te sturen om de markten te bevechten, maar sommige platforms die centraal staan in het GameStop-verhaal zijn een beetje anders. Robinhood was een van de eerste ʻwokeʼ-handelsapps, gericht op millennials. Die speelde in op een emo-versie van het ʻbullshit jobsʼ-verhaal, dat zegt dat je baan zinloos is: stop met werken voor de man en word zelf de Man, door naadloos kleine stukjes van allerlei bedrijven op te kopen.

De laatste jaren is er een spervuur van artikelen verschenen over het populisme van boze mannen aan wie allerlei dingen zouden zijn beloofd. Die verhalen zijn meestal metaforisch – er is niet echt iets beloofd – maar als het op daghandel aankomt, zijn ze heel letterlijk: de industrie van retail brokers belooft letterlijk ontsnapping aan de sleur, door mannen te vertellen dat ze voorbestemd zijn voor grootse marktprestaties.

Deze industrie wordt echter niet voor niets ʻretailʼ genoemd: grote spelers willen niets te maken hebben met de kleine man. Zij vertrouwen erop dat de retail-firmaʼs de daghandelaren in gesloten ecosystemen opsluiten waarin ze elkaar kunnen bevechten, terwijl die retail-firmaʼs vergoedingen en rentebetalingen opstrijken, alvorens ze het resterende risico op de feitelijke markten onderbrengen.

GameStop zou wel eens een reactie kunnen zijn tegen de zinloosheid van de daghandel. In plaats van je te behoeden voor bullshit jobs is die daghandel zelf een bullshit job, en de enige manier om er tijdelijk mee te winnen is niet door jezelf in de strijd te gooien tegen ʻde markt,ʼ maar door samen te werken in een zwerm.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie

Het sprookje van GameStop is levensgevaarlijk

Oorspronkelijke tekst (Engels): The New Yorker, 28 januari 2021

fotografie: Institute for New Economic Thinking

door John Cassidy

John Joseph Cassidy (geboren in 1963) is een Amerikaanse journalist die stafschrijver is bij The New Yorker. Hij is de auteur van Dot.con: The Greatest Story Ever Sold en How Markets Fail: The Logic of Economic Calamities.

Na het sluiten van de beurs op woensdag 27 januari werd er flink feest gevierd op r/WallStreetBets, het Reddit-messageboard dat populair is bij kleine beleggers die hebben geboden op de aandelen van GameStop, een videogame-retailer die hard is getroffen door de coronavirus-pandemie. Een paar weken geleden werd het aandeel verhandeld voor nog geen twintig dollar. Sindsdien is de koers sterk gestegen, en op woensdag schoot hij ruim honderd procent omhoog, om te sluiten op 347,51 dollar, na het nieuws dat een paar short-sellers – Wall Street-handelaren die gokken op dalende aandelenkoersen – hun negatieve weddenschappen hadden afgewikkeld en grote verliezen hadden geleden. ʻDit is groter dan wij allemaal. Als we klaar zijn met GMEʼ – het aandelensymbool voor GameStop – ʻhalen we heel fuxking Wallstreet onderuit! Get Fxked!,ʼ schreef een Reddit-gebruiker, gebruikmakend van een kortere versie van de denigrerende aanduiding die veel Reddit-gebruikers op ironische wijze op zichzelf toepassen. Een ander schreef: ʻDe markt is gesloten, jongens, haal wat frisse lucht binnen en eet wat groenten. Morgen is er weer een grote dag.ʼ

Er spelen hier twee verhalen door elkaar. Het verhaal dat de aandacht heeft getrokken van iedereen, van Elon Musk tot Congreslid Alexandria Ocasio-Cortez, is een David en Goliath-verhaal, waarin de beleggers in GameStop worden gezien als underdogs die strijden tegen de reuzen van Wall Street. Door zich te verenigen zijn de day-traders er onlangs in geslaagd enkele slecht presterende aandelen, zoals GameStop, Blackberry en AMC Entertainment Holdings, op te krikken en daardoor enkele short-sellers te verslaan. ʻIndividuele beleggers zijn aan de winnende hand – althans voorlopig – en genieten ervan,ʼ aldus de Wall Street Journal.

Er zijn genoeg redenen om boos te zijn op Wall Street. Maar wat voor soort overwinning was dit? Donderdagochtend kelderde de koers van GameStop met vijftig procent, nadat TD Ameritrade en Robinhood, de populaire beurs-app, beleggers de mogelijkheid hadden ontnomen om in bepaalde aandelen te handelen. Het aandeel bleef verhandeld worden op andere platforms, en de koers veerde vervolgens weer op – rond het middaguur werd het aandeel tegen een koers van ruim tweehonderdvijftig dollar verhandeld. Toch zaten sommige mensen die woensdag hadden ingekocht met aanzienlijke verliezen, die wel eens groter zouden kunnen worden als ze niet snel verkopen. (Vóór de afgelopen paar weken was GameStops all-time high ongeveer zestig dollar). Een gebruiker van Reddit zei: ʻIK HEB GEEN GELD MEER, BEN 50 PROCENT GEZAKT, EN PROBEER ME STAANDE TE HOUDEN. WIJ GAAN WINNEN, JONGENS!!!ʼ

Het grotere verhaal is dat de Amerikaanse aandelenmarkt in de greep is van wat Charles Mackay, een negentiende-eeuwse historicus van financiële manieën, ʻde waanzin van de massaʼsʼ heeft genoemd. De GameStop short squeeze staat niet op zichzelf. Al bijna een jaar lang bieden beleggers aandelen in bedrijven als Tesla, Shopify en Snap op tot koersen die weinig verband meer houden met de werkelijke winstvooruitzichten van de onderliggende bedrijven. En het zijn niet alleen kleine beleggers die aan deze waanzin hebben deelgenomen. Naast de short-sellers, die relatief gering in aantal zijn, hebben veel professionele beleggers het speculatieve spel meegespeeld, ook al weten ze dat het waarschijnlijk slecht zal aflopen.

Bijna twintig jaar geleden schreef ik een boek getiteld ʻDot-Con: How America Lost Its Mind and Money in the Internet Era.ʼ Tussen januari 1998 en maart 2000 organiseerden honderden nieuwe internet-startups een beursgang, en de koersen van veel van deze bedrijfjes schoten omhoog. In dezelfde periode stegen de koersen op de Nasdaq-beurs, waar veel van deze aandelen verhandeld werden, met ongeveer honderdtwintig procent, en gingen grote aantallen gewone Amerikanen aan daghandel doen om geld te verdienen. Het is deze keer nog niet zo ver doorgeslagen. Maar vergis je niet: we zijn al een aardig eind op weg. Sinds medio maart dit jaar, toen de eerste golf van het coronavirus woedde, zijn de koersen op de Nasdaq met bijna honderd procent gestegen, ondanks een diepe recessie. (Onlangs heeft het ministerie van Handel bekendgemaakt dat het bruto binnenlands product in 2020 met 3,5 procent is gedaald, de grootste daling sinds 1946). In de afgelopen twaalf maanden zijn er meer I.P.O.ʼs geweest dan in welke periode ook sinds 1999, en is de daghandel opnieuw populair geworden. Wat dat laatste betreft, is het belangrijkste verschil deze keer technologisch van aard. Dankzij handelsapps zoals Robinhood, en de afschaffing van commissiekosten voor veel online-aandelenhandel, kunnen mensen van minuut tot minuut speculeren terwijl ze thuis op de bank zitten, in plaats van gebruik te moeten maken van commerciële handelsfaciliteiten, zoals eind jaren negentig het geval was.

Voortbouwend op het werk van de econoom Hyman Minsky en de economisch historicus Charles Kindleberger kunnen we zeggen dat bijna alle speculatieve manieën in vier fasen verlopen: verandering, hausse, euforie, en crash. Een verandering doet zich voor als de verwachtingen van de mensen over hun toekomst een wijziging ondergaan. In dit geval heeft de pandemie de thuisblijf-economie gecreëerd en de Federal Reserve (de Fed, het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken) ertoe aangezet de kortetermijnrente tot bijna nul te verlagen en biljoenen dollars in de financiële markten te pompen, via een beleid dat bekend staat als kwantitatieve versoepeling. Sinds maart zitten we in een periode van hoogconjunctuur, waarbij de prijzen de hoogte in schieten, scepsis plaats maakt voor hebzucht en steeds meer mensen zich op een opgeblazen markt storten.

Copycat-gedrag ligt ten grondslag aan speculatieve bubbels. Zien hoe anderen schijnbaar makkelijk geld verdienen is de beste manier om mensen ertoe te bewegen risicoʼs te nemen die ze niet volledig begrijpen. ʻIn een laat stadium heeft speculatie de neiging zich los te maken van echt waardevolle objecten en zich te richten op misleidende objecten,ʼ schreef Kindleberger in zijn boek ʻManias, Panics and Crashesʼ uit 1978. ʻEen steeds grotere groep mensen probeert rijk te worden zonder echt inzicht in de processen die hiermee gepaard gaan.ʼ Sommige mensen die aandelen in GameStop hebben gekocht, gaven blijk van een verfijnd begrip van de mechanismen van een short squeeze. Maar alle publiciteit heeft ook veel nieuwelingen aangetrokken. ʻNet twee aandelen gekocht, mijn eerste belegging ooit, en ik voel me ziek maar opgewonden; ik heb steun nodig,ʼ schreef een Reddit-gebruiker. Twee anderen antwoordden: ʻHoud ze vast en geniet ervan,ʼ en ʻIk ben er voor je, broeder.ʼ Dit soort hand-holding is een van de nieuwe aspecten die de huidige technologie heeft voortgebracht. Maar er is absoluut geen reden om te denken dat dit zal kunnen voorkomen dat deze episode van speculatie eveneens zal eindigen in een kostbare crash.

Een van de lessen van het dot-com tijdperk is dat deze afrekening langer op zich kan laten wachten dan je zou denken. Toen de dotcom-zeepbel eind jaren negentig werd opgeblazen, waarschuwden sommige analisten op Wall Street dat die aandelen overgewaardeerd waren en gingen sommige professionele beleggers short. Maar toen de koersen bleven stijgen, verloren veel sceptici hun baan of vielen ze stil. Uiteindelijk kozen veel beleggers, waaronder enkele grote hedgefondsen, eieren voor hun geld en probeerden ze ook mee te surfen op de zeepbel. Iets soortgelijks lijkt nu te gebeuren – en dan heb ik het niet alleen over de hedgefondsen die hun shorts in GameStop hebben afgewikkeld. Veel grote institutionele beleggers profiteren nu al maandenlang van de opmerkelijke koersstijging van tech-aandelen als Amazon, Apple en Tesla – ondanks de duidelijke risicoʼs van het beperken van hun portefeuilles tot een klein aantal winnaars.

De afgelopen vijftig jaar stond de gemiddelde koers-winstverhouding voor aandelen in de S&P500-index op ongeveer negentien. Bij de opening van de beurs op donderdag 28 januari werd Amazon gewaardeerd op vijfennegentig keer de verwachte winst, Apple op achtendertig keer de verwachte winst en Tesla op ongeveer dertienhonderdzeventig keer. Geloven al die goedbetaalde fondsbeheerders nu echt dat dit veilige beleggingen zijn? Vermoedelijk niet, maar het momentum achter deze aandelen is fenomenaal geweest. Als je probeert de marktindex op kwartaal- of jaarbasis te verslaan – zoals veel professionele beleggers doen – kan het een fatale stap zijn om deze hoogvliegers te mijden, hoe overgewaardeerd ze ook mogen lijken te zijn op basis van deugdelijkere conventionele maatstaven. Dus je blijft maar kopen in de hoop dat je eruit zult kunnen stappen vóórdat de koersen onderuit gaan. Dit is de eigenaardige logica van het collectieve handelen die ik in het verleden ʻrationele irrationaliteitʼ heb genoemd.

De spreekstalmeester van dit circus is de Federal Reserve, die primair verantwoordelijk is voor het monetaire en regelgevende klimaat waarin beleggers – amateurs en professionals – opereren. Maar vandaag doet de Fed, net als eind jaren negentig, zijn uiterste best om niet meer dan een toeschouwer te lijken. Tijdens een persconferentie op woensdag 27 januari, na een vergadering van het beleidscomité van de centrale bank, weigerde Jerome Powell, de voorzitter van de Fed, specifiek commentaar te geven op GameStop. Meer in het algemeen zei hij: ʻAls je kijkt naar wat de koersen de laatste maanden echt heeft aangejaagd, dan is dat niet het monetaire beleid.ʼ Powell zei ook dat de Fed niet overweegt om de marge-vereisten, die de hoeveelheid geld beperken die beleggers van beursmakelaars mogen lenen, te verhogen om speculatie de kop in te drukken.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Powell overtuigend klinkende redenen heeft om een afwachtend beleid te voeren. Nu het land nog steeds gebukt gaat onder het virus en veel mensen zonder werk zitten of anderszins met financiële problemen kampen, willen hij en zijn collega’s zoveel mogelijk steun bieden voor het aantrekken van personeel en het doen van uitgaven. Als zij iets zouden zeggen of doen dat de aandelenmarkt kan afremmen, zouden hun acties een negatief effect kunnen hebben op de rest van de economie, althans op de korte termijn.

Powells bedoelingen mogen dan eerbaar zijn, zijn bewering dat het beleid van de Fed de speculatieve activiteiten niet heeft gevoed, is niet geloofwaardig – en waarschijnlijk ook niet houdbaar. Zoals Powells voorganger Alan Greenspan in het dot-com tijdperk heeft ontdekt, hebben speculatieve bubbels de neiging een eigen leven te gaan leiden. Hoe langer ze worden opgeblazen, des te groter de uiteindelijke ineenstorting, en des te meer negatieve gevolgen er zullen zijn voor de economie – en voor de Amerikanen in het algemeen. Als de voorzitter van de Fed niet nóg meer toekomstige problemen voor ons allemaal wil veroorzaken, zou hij er goed aan doen meer aandacht te besteden aan Reddit.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Gezondheid Politiek

Joe Biden moet het anders gaan aanpakken

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 20 januari 2021

fotografie: WikiPedia

door Bernie Sanders

Bernie Sanders is een Amerikaanse senator uit Vermont. Zijn boek Onze revolutie is in Nederland verschenen bij Starfish Books.

Iedere dag overlijdt nu een recordaantal van vierduizend Amerikanen aan Covid-19, terwijl de federale regering klungelt met de productie en distributie van vaccins, en met het testen en opsporen van mensen. Te midden van de ergste pandemie in honderd jaar zijn ruim 90 miljoen Amerikanen onverzekerd of onderverzekerd, en kunnen zij het zich niet veroorloven naar een dokter te gaan als ze ziek worden. Het isolement en de angst als gevolg van de pandemie hebben geleid tot een enorme toename van het aantal geesteszieken.

Ruim de helft van de Amerikaanse werknemers leeft van loonstrookje tot loonstrookje, waaronder miljoenen essentiële werknemers die iedere dag hun leven op het spel zetten. Ruim 24 miljoen Amerikanen zijn werkloos, hebben te weinig werk of hebben het zoeken naar werk opgegeven, terwijl de honger in dit land het hoogste niveau in decennia heeft bereikt.

Door gebrek aan inkomsten dreigen 40 miljoen Amerikanen uit hun huis te worden gezet, en zijn veel mensen duizenden euroʼs aan achterstallige huur verschuldigd. Dit komt bovenop de 500.000 mensen die al dakloos zijn.

Intussen worden de rijkste mensen in dit land alleen maar rijker en neemt de inkomens- en vermogensongelijkheid sterk toe. Ongelooflijk genoeg hebben 650 miljardairs in Amerika tijdens de pandemie hun rijkdom met meer dan 1 miljard dollar zien toenemen.

Als gevolg van de pandemie is het onderwijs in dit land, van de kinderopvang tot de middelbare school, een chaos. De meeste jongeren hebben hun opleiding ontwricht zien worden, en waarschijnlijk zullen honderden hogescholen en universiteiten binnenkort ophouden te bestaan.

De klimaatverandering teistert de planeet met een ongekend aantal bosbranden en extreme weersverstoringen. Wetenschappers zeggen dat we nog maar een paar jaar hebben voordat ons land en de wereld onherstelbare schade toegebracht zal zijn.

En te midden van dit alles hebben de fundamenten van de Amerikaanse democratie te maken met een ongekende aanval. We hebben een president gehad die koortsachtig heeft gewerkt aan het ondermijnen van die democratie en heeft aangezet tot geweld tegen de regering en de grondwet, die hij heeft gezworen te zullen verdedigen. Tegen alle bewijzen in geloven tientallen miljoenen Amerikanen in de Grote Leugen van Trump dat hij de verkiezingen met een overweldigende meerderheid van de stemmen heeft gewonnen, en dat de overwinning hem en zijn aanhangers is ontstolen. Ter ondersteuning van Trump werden in het hele land gewapende rechtse milities gemobiliseerd.

In deze tijd van ongekende crises moeten het Congres en de regering-Biden reageren met ongekende maatregelen. Geen business as usual meer. Niet langer hetzelfde oude beleid.

De Democraten, die nu het Witte Huis, de Senaat en het Huis van Afgevaardigden controleren, moeten de moed opbrengen om het Amerikaanse volk te laten zien dat de overheid effectief en snel kan reageren op hun pijn en bezorgdheid. Als aankomend voorzitter van de begrotingscommissie van de Senaat is dat precies wat ik van plan ben te gaan doen.

Wat betekent dit alles voor de gemiddelde Amerikaan?

Het betekent dat we de pandemie agressief de kop gaan indrukken en dat we het Amerikaanse volk in staat zullen stellen terug te keren naar werk en school. Dit vereist een door de federale overheid geleid noodprogramma om de benodigde hoeveelheid vaccins te produceren en deze zo snel mogelijk bij de mensen te krijgen.

Het betekent dat we er tijdens de ernstige economische neergang die we nu doormaken voor moeten zorgen dat alle Amerikanen de financiële middelen ontvangen die ze nodig hebben om een waardig leven te kunnen leiden. We moeten de onlangs goedgekeurde rechtstreekse uitkering van 600 dollar aan iedere volwassene en ieder kind uit de arbeidersklasse verhogen tot 2000 dollar, het minimumloon verhogen tot 15 dollar per uur, de werkloosheidsuitkeringen uitbreiden en huisuitzetting, dakloosheid en honger voorkomen.

Het betekent dat we, tijdens deze razende pandemie, gezondheidszorg voor iedereen moeten garanderen. We moeten ook een einde maken aan de internationale schande dat de Verenigde Staten het enige grote land ter wereld zijn waar werknemers geen betaald verlof om gezins- of medische redenen genieten.

Het betekent dat voorschools onderwijs en kinderopvang universeel beschikbaar moeten zijn voor ieder gezin in Amerika.

Ondanks wat u misschien hebt gehoord, is er geen reden waarom we niet al deze dingen zouden kunnen doen. Door middel van ʻbudget reconciliation,ʼ een proces waar slechts een eenvoudige meerderheid van stemmen in de Senaat voor nodig is, kunnen we snel handelen en deze noodwetgeving goedkeuren.

Maar dat is niet genoeg. Dit jaar moeten we ook een tweede wet op de ʻbudget reconciliationʼ aannemen die betrekking heeft op de grote structurele veranderingen die ons land dringend nodig heeft. Uiteindelijk moeten we de groteske inkomens- en vermogensongelijkheid ongedaan maken, en een land creëren dat werkt voor iedereen en niet slechts voor enkelen. Amerikanen mogen niet langer verstoken blijven van de economische basisrechten die in vrijwel ieder ander groot land wel gegarandeerd worden.

Dit betekent dat die tweede wet op de ʻbudget reconciliationʼ moet worden gebruikt om miljoenen goedbetaalde banen te creëren, teneinde onze afbrokkelende infrastructuur te herstellen en betaalbare woningen te bouwen, onze scholen te moderniseren, de klimaatverandering te bestrijden, en massaal te investeren in energie-efficiëntie en duurzame energie.

Het betekent dat openbare hogescholen, universiteiten, handelsscholen en historisch zwarte hogescholen en universiteiten collegegeldvrij moeten worden, en dat de schandalig hoge studieschulden van werkende gezinnen krachtig moeten worden aangepakt.

En het betekent dat de rijkste Amerikanen en de meest winstgevende bedrijven hun eerlijke deel van de belastingen zullen moeten gaan betalen. We kunnen niet blijven toestaan dat winstgevende bedrijven zoals Amazon miljarden dollars verdienen en netto geen federale inkomstenbelasting afdragen. En het kan niet zo zijn dat miljardairs een lager belastingtarief genieten dan Amerikanen uit de arbeidersklasse. We hebben een echte belastinghervorming nodig.

Er is geen reden waarom Joe Biden binnen de eerste honderd zittingsdagen van het nieuwe Congres niet twee belangrijke wetsvoorstellen zou kunnen ondertekenen, waarmee de meeste van de hierboven opgesomde doelstellingen verwezenlijkt kunnen worden. We kunnen niet toestaan dat Mitch McConnell en de Republikeinse leiders wetgeving saboteren die het leven van miljoenen werkende Amerikanen zou verbeteren en razend populair is.

Laten we nooit vergeten dat toen de Republikeinen de Senaat controleerden, ze het reconciliation budget hebben gebruikt om biljoenen dollars aan belastingvoordelen door te drukken, voornamelijk voor de rijkste 1 procent van de bevolking en de multinationale ondernemingen. Bovendien zagen zij kans binnen zeer korte tijd de benoeming van drie rechtse rechters in het Amerikaanse Hooggerechtshof door te drukken, met een eenvoudige meerderheid van stemmen.

Als de Republikeinen het reconciliation budget wisten te gebruiken om de rijken en machtigen te beschermen, kunnen wij het nu gebruiken om de werkende gezinnen, de zieken, de ouderen, de gehandicapten en de armen te beschermen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

We moeten de macht van de technologiereuzen inperken

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 16 januari 2021

fotografie: WikiPedia

door John Naughton

John Naughton is senior research fellow aan het Centre for Research in the Arts, Social Sciences and Humanities (CRASSH) van de Universiteit van Cambridge, waar hij (samen met professor Richard Evans en professor David Runciman) hoofdonderzoeker is van het onderzoeksproject over ʻConspiracy and Democracy.ʼ Hij is tevens emeritus-hoogleraar in het publieke begrip van technologie aan The Open University.

De verbanning van de voormalige Amerikaanse president heeft geleid tot een furieus debat over online-opinies, maar maakt deel uit van een bredere discussie

De afgelopen weken is het griezelig stil geweest op de sociale media. Dat komt doordat Trump en zijn sekteleden ʻin de ban gedaanʼ werden. Door hem te verbannen heeft Twitter in feite de megafoon weggehaald die Trump sinds zijn deelname aan de presidentsverkiezingen van 2016 zo meesterlijk heeft benut. De schok van de aanval op het Capitool van 6 januari was groot genoeg om zelfs Mark Zuckerberg ervan te overtuigen dat de stekker er eindelijk uit moest. En zo geschiedde het, zelfs tot op het punt dat Amazon Web Services de hosting van Parler beëindigde, een Twitter-alternatief voor alt-right extremisten.

De oorverdovende stilte die volgde op deze maatregelen werd echter tenietgedaan door een explosie van commentaren over de gevolgen hiervan voor de vrijheid, de democratie en de toekomst van de beschaving zoals wij die kennen. Wadend door deze stortvloed van meningen over het first amendment, de vrijheid van meningsuiting, censuur, de macht van de technologiebedrijven en de ʻverantwoordingsplichtʼ (wat dat ook moge betekenen), was het soms moeilijk je te oriënteren. Maar wat mij voortdurend te binnen schoot was het scherpzinnige inzicht van H.L. Mencken dat ʻer voor ieder complex probleem een antwoord is dat duidelijk, eenvoudig en fout is.ʼ De lucht vulde zich met mensen die dergelijke antwoorden aanprezen.

Te midden van deze discursieve chaos waren er echter een paar algemene themaʼs te onderscheiden. Het eerste daarvan benadrukte de culturele verschillen, vooral die tussen de VS met zijn heilige first amendment enerzijds, en Europese en andere samenlevingen, met hun meer ambivalente geschiedenis van het modereren van de vrijheid van meningsuiting, anderzijds. Het probleem van deze discussie is dat het first amendment gaat over overheidsregulering van de vrijheid van meningsuiting en niets te maken heeft met de technologiebedrijven, die op hun platformen vrij zijn om te doen wat ze willen.

Een tweede thema zag als de hoofdoorzaak van het probleem het soepele toezichtsklimaat in de VS van de afgelopen drie decennia, dat heeft geleid tot de opkomst van een paar gigantische technologiebedrijven die in feite de gastheer zijn geworden voor een groot deel van het publieke domein. Als er veel meer Facebooks, YouTubes en Twitters zouden zijn, zo luidt het tegenargument, zou de censuur minder effectief en problematisch zijn omdat iedereen die de toegang tot één van die platforms geweigerd zou worden altijd ergens anders zijn toevlucht zou kunnen zoeken.

Dan waren er nog argumenten over macht en verantwoordingsplicht. In een democratie moeten degenen die beslissen over de vraag welke uitspraken aanvaardbaar zijn en welke niet, democratisch verantwoordingsplichtig zijn. ʻHet feit dat een CEO de stekker uit de luidspreker van de president van de Verenigde Staten kan trekken zonder enige checks and balances,ʼ fulmineerde EU-commissaris Thierry Breton, ʻis niet alleen een bevestiging van de macht van deze platforms, maar toont ook de diepe zwakheden van de manier waarop onze samenleving in de digitale ruimte is georganiseerd.ʼ Of, anders gezegd: wie heeft de bazen van Facebook, Google, YouTube en Twitter eigenlijk gekozen?

Wat ontbrak in het discours was de vraag of het probleem dat aan het licht kwam door de plotselinge verbanning van Trump, zijn medewerkers en zijn volgers überhaupt wel oplosbaar is – althans op de manier waarop het tot nu toe is geformuleerd. De paradox dat het internet een mondiaal systeem is, maar dat het recht territoriaal (en cultuurgebonden) is, is van oudsher een manier geweest om een einde te maken aan discussies over hoe de technologie onder democratische controle gebracht kan worden. En dit heeft de hele tijd een rol gespeeld in het debat, als een stuk prikkeldraad dat iedereen die trachtte vooruit te komen in het moeras heeft laten struikelen.

Dit alles duidt erop dat het de moeite waard is een poging te doen het probleem op een meer productieve manier te herformuleren. Een interessante suggestie voor hoe dat zou kunnen deed zich onlangs voor in de vorm van een goed doordachte Twitter-thread van Blayne Haggart, een Canadese politicoloog. Vergeet de vrijheid van meningsuiting even, zo opperde hij, en denk aan een analoog probleem op een ander terrein – dat van het bankwezen. ʻVerschillende samenlevingen gaan op uiteenlopende manieren om met financiële risicoʼs,ʼ schreef hij, ʻmet uiteenlopende regimes op het gebied van het toezicht. Net zoals landen vrij zijn om hun eigen bankregels te bepalen, zouden ze vrij moeten zijn om sterke voorwaarden, waaronder eigendomsregels, op te leggen aan de manier waarop platforms op hun grondgebied functioneren. Beslissingen van een bedrijf in het ene land zouden niet bindend moeten zijn voor de burgers in een ander land.ʼ

In deze zin kan HSBC weliswaar een ʻmondialeʼ bank zijn, maar als zij in het Verenigd Koninkrijk actief is, moet ze zich aan de Britse regels houden. En wanneer zij in de VS actief is, moet ze de regels van die jurisdictie volgen. Als je dit concept naar de technologiesector vertaalt, lijkt het erop dat het tijd is te stoppen met het aanvaarden van de beweringen van de technologiereuzen dat zij hypermondiale bedrijven zijn, terwijl het in feite Amerikaanse bedrijven zijn die in veel rechtsgebieden over de hele wereld actief zijn, zo weinig mogelijk lokale belasting betalen en zich tegen lokale regelgeving verzetten, met alle lobbymiddelen die zij maar kunnen gebruiken. Facebook, YouTube, Google en Twitter kunnen zo schijnheilig blaten als ze willen over de vrijheid van meningsuiting en het first amendment in de VS, maar als ze in onze contreien opereren, bijvoorbeeld als Facebook UK, dan zijn het slechts Britse dochterondernemingen van een Amerikaans bedrijf dat is opgericht in Californië. En deze dochterondernemingen moeten de Britse wetten gehoorzamen inzake laster, haatdragende taal enzovoorts, evenals andere wetten die niets te maken hebben met het first amendment. O ja, en ze moeten belasting betalen over hun lokale inkomsten.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Bidens keuze als minister van landbouw stuit op weerstand

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 21 december 2020

fotografie: People’s Action

door George Goehl

George Goehl is directeur van People’s Action

Tom Vilsack is een jaknikker uit het bedrijfsleven en een voormalig lobbyist met een trieste staat van dienst uit de tijd van zijn vorige ministerschap

Het is onwaarschijnlijk dat Joe Biden heeft zien aankomen dat, van al zijn kabinetsbenoemingen, zijn keuze als minister van landbouw de grootste reuring zou veroorzaken. Toch is dat precies wat er is gebeurd.

De vroegere én (als het aan Biden ligt, aanstaande) minister Tom Vilsack, een soort draaideur-crimineel, verenigt in zijn persoon zo ongeveer alles wat zo velen frustreert als het over de Democratische partij gaat. Zijn eerdere ministerschap was bezaaid met mislukkingen, die zich uitstrekten van het vervalsen van data over zwarte boeren en discriminatie tot het buigen voor grote bedrijfsconglomeraten.

De benoeming van Vilsack werd ronduit afgewezen door een deel van de mensen die Biden hebben geholpen Trump te verslaan: organisaties die zwarte mensen vertegenwoordigen, progressieve plattelandsorganisaties, boeren met een familiebedrijf en milieu-activisten. Als het Biden-team op zoek was naar manieren om de multiraciale arbeidersklasse onder één noemer te verenigen, dan is het daarin geslaagd – in de vorm van gezamenlijk verzet tegen deze keuze.

We herinneren ons nog dat Vilsack agrarische gemeenschappen bezocht, en dat hij verwoestende getuigenissen hoorde over de misdadige behandeling van de contractlandbouwers door de grote agrarische bedrijven. Hij gaf uiting aan zijn bezorgdheid, maar er gebeurde niets: het ministerie van Justitie en het ministerie van Landbouw (USDA) lieten hun oren hangen naar lobbyïsten van de agrarische industrie en vertegenwoordigers van grote bedrijven, waardoor ze een gouden kans lieten liggen om de vleesverwerkende monopolies aan banden te leggen.

We herinneren ons nog dat Vilsacks USDA zwarte boeren dwarsboomde die klachten hadden geuit over rassendiscriminatie, en dat het ministerie de eigen staat van dienst op het gebied van de burgerrechten mooier deed voorkomen dan die in werkelijkheid was. Dat kwam bovenop het aan de dijk zetten van Shirley Sherrod, een zwarte, vrouwelijke USDA-ambtenaar, nadat extreemrechtse media een vals artikel hadden gepubliceerd, waardoor zij zich gedwongen zag haar ontslag in te dienen.

We herinneren ons nog dat Vilsack zijn baan bij de USDA een week te vroeg vaarwel zei om lobbyist te worden, als directeur van de US Dairy Export Council. Hij kreeg een miljoenensalaris om hetzelfde mislukte beleid als dat van zijn ministerschap uit te voeren en de wensen van de zuivelmonopolies in te willigen. Ondanks het feit dat hij nu weer genomineerd is om leiding te geven aan de USDA, wordt hij nog steeds betaald als lobbyist.

De nieuwe president had deze misstanden moeten rechtzetten door een gedurfde nieuwe koers uit te stippelen voor de plattelandsgemeenschappen en boeren in Amerika. In plaats daarvan duidde de nominatie van Vilsack op méér van hetzelfde.

ʻDe Democraten moeten iets groots doen als ze willen dat de mensen op het platteland hen weer gaan steunen,ʼ zei Francis Thicke, een boer met een familieboerderij in Fairfield, Iowa, onlangs tegen ons. ʻDe status quo werkt niet meer, en dat is een van de redenen dat Vilsack de verkeerde keuze is.ʼ

Na de overwinning van Trump in 2016 begon de organisatie waar ik leiding aan geef, Peopleʼs Action, met een grootschalig luisterproject. We doorkruisten het platteland van Amerika – van familiebedrijven in Iowa en de Driftless-regio van Wisconsin, tot de Thumb of Michigan en de heuvels van Appalachia. We voerden tienduizend gesprekken met Amerikanen op het platteland. Toen we de mensen die we ontmoetten vroegen wat voor hun gemeenschap de grootste hinderpaal was om te krijgen wat nodig was, luidde het voornaamste antwoord (81 procent) dat de overheid in de zak zat van het bedrijfsleven. De keuze voor Vilsack doet niets om deze zorgen weg te nemen.

Zoals Michael Stovall, de oprichter van Independent Black Farmers, tegen Politico zei: ʻVilsack is niet goed voor de landbouwsector, punt uit. Als het gaat om burgerrechten, de rechten van mensen, is hij niet de juiste figuur.ʼ

Mike Callicrate, een veeboer uit Colorado Springs, was al even openhartig. ʻVilsack heeft de grote monopolies van de agro-industrie geholpen het platteland van Amerika uit te zuigen,ʼ zei hij tegen ons, ʻwaardoor de kansen voor jongeren om terug te keren en op onze boerderijen en ranches te gaan werken sterk zijn afgenomen. Zijn beleid heeft tot een catastrofale achteruitgang van het platteland geleid, gevolgd door zelfmoordcijfers die sinds de landbouwcrisis van de jaren tachtig niet meer zijn voorgekomen.ʼ

Biden had een kans om eindelijk wat misstanden recht te zetten. Jammer genoeg heeft hij op dit punt de plank volledig misgeslagen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Het neoliberalisme is nog lang niet dood

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 16 mei 2020

bron foto: Twitter

door Alex Doherty

Alex Doherty is gastheer van Politics Theory Other, een podcast over allerlei politieke en theoretische zaken. Het doel is het werk van auteurs van radicaal links, dat soms als ʻacademischʼ of ʻmoeilijkʼ wordt gezien, naar een breder publiek te brengen.

Sommige mensen zeggen dat het neoliberalisme niet bestaat – dat het ʻbetekenisloosʼ is, of alleen maar een ʻscheldwoord.ʼ Maar van de financiële crisis van 2008 tot het Brexit-referendum van 2016, en van de opkomst van de alt-right tot de COVID-19-pandemie, kun je onze wereld eigenlijk niet goed begrijpen zonder in te zien hoe het neoliberalisme onze politiek en onze economie beïnvloedt.

Maar wat is het? In grote lijnen kan het neoliberalisme worden gedefinieerd als het geheel van het beleid en het overkoepelende politieke ethos dat de regeringen eind jaren zeventig in staat heeft gesteld zich af te wenden van de door de staat gestuurde economische planning, ten faveure van een economisch model dat concurrerende markten heeft uitgebreid naar alle terreinen van menselijke activiteit en de aanzet heeft gegeven tot de heerschappij van het financiële kapitaal (zoals bedacht in de City of Londen en Wall Street), door de beperkingen op de mobiliteit van dat kapitaal weg te nemen.

Belangrijk is dat het neoliberalisme niet alleen een beleidsagenda is, maar ook een moreel kader dat individuen leert zichzelf niet te zien als bijvoorbeeld loontrekkers, maar eerder als risicominnende ondernemers die de financiële risicoʼs moeten aanvaarden van hun deelname aan het hoger onderwijs, het kredietsysteem en de gedereguleerde arbeidsmarkten.

Het neoliberalisme werd in eerste instantie als economisch programma door de regering-Thatcher in Groot-Brittannië en door de regering-Reagan in de Verenigde Staten ingevoerd, maar de principes ervan bleven ook de derde weg-politiek van New Labour en de Clinton-Democraten bepalen. Hoewel centrumlinkse politici de toepasbaarheid van de term op hun beleid afwijzen, toont een schat aan door economen, sociologen en historici geproduceerd wetenschappelijk bewijsmateriaal aan hoe derde-weg politici het neoliberale project vooruit hebben geholpen.

Hoe staat het er vandaag de dag voor met deze ideologie? Sommigen zeggen dat het neoliberale tijdperk zo goed als voorbij is. In de begindagen van de COVID-19-pandemie verklaarde Paul Mason dat de gegevenheden van de crisis inhielden dat de politieke klasse van Groot-Brittannië binnenkort volledig zou bestaan uit ʻenthousiasteʼ of ʻenigszins onwilligeʼ socialisten – de progressieve staatsinterventie stond onvermijdelijk weer op de agenda. Dergelijke beweringen moeten echter met een korreltje zout worden genomen, niet in de laatste plaats omdat soortgelijke voorspellingen de ronde deden na de financiële crisis van 2008, na het Brexit-referendum en de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten. En die voorspellingen bleken er flink naast te zitten.

Zo kondigde Nobelpijswinnaar Joseph Stiglitz op het hoogtepunt van de financiële crisis aan: ʻHet neoliberalisme … is dood.ʼ Toch werd het al snel duidelijk dat dit een voorbarige conclusie was. Het is waar dat de crisis een ernstige bedreiging leek te vormen voor de aanbidding van de markten, omdat overheden gedwongen werden de financiële sector te redden. Maar wetenschappers als Philip Mirowski hebben aangetoond dat de neoliberalen al lang hadden begrepen dat hun project staatsinterventies vergt om markten te creëren en in stand te houden. In plaats van de crisisbestrijding van de overheden in 2008 te zien als een afwijzing van marktvriendelijk beleid, is het nuttiger om het te beschouwen als een extreem voorbeeld van pro-business overheidsingrijpen, dat erop gericht was om het primaat van de markt op de langere termijn te behouden.

Op het eerste gezicht leken de uitslag van het Brexit-referendum en de verkiezing van Trump een breuk met het neoliberalisme in te houden. Maar die diagnose kwam voort uit een gebrek aan inzicht in de manier waarop het neoliberalisme zich kan aanpassen aan elementen van andere ideologieën.

Hoewel de Brexiteers een hekel hebben aan de Europese Unie (een instelling waar neoliberale intellectuelen het al heel lang niet over eens zijn), blijven zij gehecht aan de kern van de neoliberale ideologie. Zo is het Australische, door de Brexiteers zo geliefde, op punten gebaseerde immigratiesysteem volkomen in overeenstemming met de visie van de neoliberalen op de mens als een verzameling van bezittingen (van grotere of kleinere waarde). De opleiding, werkervaring en connecties van de post-Brexit immigrant worden geherdefinieerd als vormen van kapitaal waarvan het al dan niet de moeite waard is om erin te investeren (door die immigranten binnen te laten), om op die manier een toekomstig rendement op deze investering voor de nationale economie veilig te stellen. Op punten gebaseerde immigratiesystemen betekenen met andere woorden geen eenvoudige verschuiving van de neoliberale, op de vrije markt gerichte orthodoxie naar een of ander rechts protectionisme.

Als noch de crises van 2008 noch die van 2016 het einde van het neoliberalisme hebben ingeluid, hoe zit het dan met COVID-19? Vandaag de dag, net als in 2008, zien politici als Rishi Sunak zich gedwongen beleid te voeren dat in tegenspraak lijkt te zijn met hun voorkeur voor de heerschappij van de markt, maar het is opnieuw de bedoeling om zo snel mogelijk terug te kunnen keren naar ʻnormaalʼ en het publiek te verlossen van hun ʻverslavingʼ aan de steun van de staat. Het gefrustreerde verlangen van de regering om de verlofregeling in te perken en haar duidelijke verzet tegen de invoering van een universeel basisinkomen wijzen op een engagement om de kern van het neoliberale welvaartsbeleid in stand te houden. Dit betekent dat men zich verzet tegen royale uitkeringen voor iedereen, die door de neoliberalen als nadelig worden beschouwd voor het bevorderen van de ondernemerszin en het disciplineren van de beroepsbevolking.

In de context van de pandemie en de klimaatcrisis is het nóg verontrustender dat de neoliberale visie op het individu als menselijk kapitaal blijft bestaan, waardoor regeringen bevolkingsgroepen van ʻlage waardeʼ als wegwerpartikel kunnen behandelen. Meer overheidsingrijpen om de inkomens te beschermen is welkom, maar kan door regeringen kunnen worden gebruikt om een soort economische triage uit te voeren, waarbij bevolkingsgroepen die het niet waard worden geacht om te worden ʻgeredʼ worden uitgesloten van overheidssteun. Zoals Michel Feher heeft aangetoond, zijn er al mildere precedenten voor dit soort hervormingen van de verzorgingsstaat uitgevoerd door de belangrijkste politieke partijen van Ierland en Portugal, die de uitkeringen voor de jongere delen van de beroepsbevolking hebben verlaagd om de emigratie te stimuleren en – in het geval van Portugal – om jonge, relatief arme Portugezen in te ruilen voor welvarender gepensioneerden uit het buitenland. In de context van de steeds groter wordende staatsschulden, waarbij migrantenpopulaties worden behandeld als ziekteverspreiders, is het niet moeilijk in te zien hoe een op uitsluiting gebaseerde neoliberale politiek, die investeringen in bepaalde bevolkingsgroepen en desinvesteringen in andere bevolkingsgroepen ondersteunt, aan kracht zou kunnen winnen.

Dit alles wil niet zeggen dat de COVID-19-crisis geen reële bedreiging vormt voor de neoliberale orthodoxie. Fysieke distantie en gedwongen quarantaine hebben de arbeidsmarkt verstoord, waardoor het machtsevenwicht tussen arbeid en kapitaal mogelijk is verschoven ten gunste van de werknemers. De toename van wilde stakingen en de opkomst van onderlinge hulpgroepen zijn zeker bemoedigend. En de verlofregeling heeft de kunstmatigheid van de beperkingen van de overheidsuitgaven tijdelijk aan het licht gebracht. Maar gezien de hardnekkigheid en het aanpassingsvermogen die de neoliberale ideologie gedurende de afgelopen tien jaar aan de dag heeft gelegd moet iedere nuchtere beoordeling van de huidige toestand rekening houden met de mogelijkheid van het voortbestaan (of de succesvolle mutatie) ervan, maar ook met haar mogelijke ondergang.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

De euro: het wonder of de dood

Oorspronkelijke tekst (Frans): Le Monde Diplomatique, 21 april 2020

fotografie: Stéphane Burlot

door Frédéric Lordon

Frédéric Lordon is een Frans econoom en filosoof, en onderzoeksdirecteur aan het Centre européen de sociologie et de science politique in Parijs.

Na de near death experience een full death experience?

De door het ʻwhatever it takesʼ van Mario Draghi in 20121 op het nippertje geredde euro had in werkelijkheid alleen maar een beetje tijd gewonnen om zich te kunnen herstellen en de volgende klap te kunnen opvangen. Want het is wel zeker dat die gaat komen, in de vorm van een nieuwe gigantische financiële crisis. Financiële deregulering leidt immers altijd tot crises, met dezelfde regelmaat als die van de seizoenen, vooral omdat de fundamentele problemen van de kapitaalmarkten niet zijn opgelost. Want feitelijk zijn er geen zesendertig oplossingen om de problemen van de financiële markten op te lossen, er is er slechts één: ze moeten worden afgeschaft.

Maar er waren zulke machtige belangen mee gemoeid dat er alle naïviteit van de wereld voor nodig was om te kunnen denken dat er binnen het kader van de politieke instellingen van het neoliberalisme iets serieus tegen zou kunnen worden ondernomen. Obama schijnt een ogenblik te hebben gedacht dat hij kon onderhandelen en had, naar men zegt, de moguls van de financiële wereld in deze bewoordingen op de hoogte gebracht: ʻThe only thing between you and the pitchforks is my administration.ʼ Het feit dat Wall Street zijn campagne had gefinancierd en innig verstrengeld was met de Democraten bracht hem echter snel bij zijn positieven. De affaire eindigde met de Dodd-Frank Act: niet helemaal niets, maar ook niet heel veel, zoals de gebeurtenissen die nog zouden komen inmiddels hebben aangetoond.

Ondertussen stond Sarkozy in Europa in Toulon met zijn armpjes te zwaaien en wekte The Economist de indruk bang te zijn door zich af te vragen of dit het einde van het kapitalisme was, maar godzijdank – nee. Eind 2008, begin 2009 zagen we regeringen dingen goedkeuren die afwijken van het Europese liberale dogma. Er werd aangekondigd dat alles anders zou zijn en dat niets zo zou blijven als het was. Men dacht heel hard na en zou alles doen wat nodig was. Maar medio 2009, nadat de financiële en bancaire klap van de crisis was opgevangen, waren we weer terug bij af: alle ontstane tekorten kwamen voor rekening van het lopende boekjaar, verder niet. Voortaan was het parool: herstel van de ernst, onze kinderen niet opzadelen met schulden, noodzakelijke inspanningen (lees: bezuinigingen). Er ontstond een patroon dat Hegel noch Marx had kunnen voorzien: de eerste keer als klucht, de tweede keer (waar we nu in zitten) als een enorme klucht.

Van eendenvijver naar stormachtige zee

Maar er is een klein verschil: wat ons nu te wachten staat, is van een omvang die de post-subprime-golf reduceert tot een aangenaam kabbelend beekje. Nu is het moment aangebroken om te bedenken dat de euro is verworden tot een wrak in een eendenvijver, zoals binnenkort zal blijken. Tien jaar lang hebben de Europese instellingen nergens aan toegegeven – en het heeft geen zin meer om het te hebben over een ʻonconventioneelʼ monetair beleid, over de oprichting van het Europese stabiliteitspact EMS,2 of over een Potemkin-bankenunie; die hebben namelijk niets substantieels veranderd aan de regels van het economische beleid. Ook dat zullen we binnenkort zien. Hier komt nog bij dat het humanistische alter-Europa ook alles heeft lamgelegd door uitsluitend te willen debatteren over een andere mogelijke euro. Natuurlijk democratisch, maar zonder zich af te vragen hoe die transformatie van een pompoen in een gouden koets zich zou moeten voltrekken – ongetwijfeld is het voldoende om het te willen, maar dan wel heel sterk.

Zonder een begin te maken met een analyse van de politieke voorwaarden, en voorzien van alle zegeningen van een positieve humanistische houding, zijn we verzekerd van een volledige immobilisatie van het debat. De beweging DiEM25 van Yanis Varoufakis, die in 2015 na het bloedbad in Griekenland werd opgericht, vond het niet nodig om zich af te vragen hoe zij Duitsland aan haar ʻdemocratische euroʼ kon verbinden, terwijl Duitsland er alles aan deed om zich aan iedere vorm van democratische besluitvorming te onttrekken – en het najagen van deze hersenschim was alleen maar goed voor het verspillen van nog eens tien jaar. Ondertussen produceerden de sociaaldemocratische herzieners van de Europese verdragen een serie pamfletten zonder enige zeggingskracht.3 Zij waren druk bezig aan van alles te tornen, maar niet aan de kern van de ordo-liberale regels die aanleiding hadden gegeven tot het constitutionele bezuinigingsbeleid, dat de near death experience van 2010-2012 had veroorzaakt, en dat vroeg of laat zonder enige twijfel opnieuw zou gaan doen. Alle vragen die destijds werden gesteld over de houdbaarheid van de meest fundamentele en (logischerwijs) meest onwrikbare regels, over de gevolgen van een schok die even groot zou zijn als de klap van de subprime-crisis, al die vragen bleven onbeantwoord – alles wat buiten de Europees-democratische alternatieven viel. Dit is waar de weigering om lastige problemen te benoemen toe leidt: tot het jaar 2020, met vóór ons het Antwoord (we weten overigens niet meer of we verrast moeten zijn door de korte tijd die het nodig had om te arriveren).

Dus nu krijgen we de full death. Want we zien niet in wat Europa zou kunnen redden van wat in aantocht is, omdat Europa tijdens de miniatuurversie ervan (tussen 2009 en 2015) er al bijna aan was overleden. In werkelijkheid is de bom al gebarsten en zien we dezelfde bewonderenswaardige resultaten. Er wordt gezegd dat het ʻdeze keer anders is,ʼ want het komt niet door de markten, maar door een virus. Dus door een ʻexogene schokʼ – door onverklaarbare zaken van buiten de economie, die verder perfect zelfregulerend is. Een soort pech, bij wijze van spreken. Maar natuurlijk is het virus volstrekt niet exogeen: het is het product van de kapitalistische verwoesting van het milieu en heeft zijn perfecte verspreidingskanalen gevonden in onze waanzinnig geworden mondialisering. Essentieel is echter dat de ramp pas echt catastrofaal wordt in en door de motor van de financiële markten, de fora waar oordelen over schulden worden geveld – en waar deze oordelen bij zwaar weer meestal de vorm van een cataclysme krijgen.

Een muur van schulden (en hypotheses over het einde van de lockdown)

Welnu, schulden zullen er zeker zijn, zowel private als publieke. Eerst de private – ondanks de commentaren in de media, waarvoor blijkbaar alleen de staatsschulden tellen. De ineenstorting van de economie brengt bedrijven, vooral kleine, in situaties die variëren van zeer zorgwekkend tot ronduit rampzalig. In de Verenigde Staten is de Federal Reserve begonnen met een kolossaal liquiditeitsplan om bedrijven te beschermen tegen faillissementen: de banken verstrekken leningen die de centrale bank belooft te zullen opkopen. Maar voor hoe lang? ʻTot het herstel goed op gang is gekomen,ʼ zegt Jerome Powell, voorzitter van de Fed. Dus ongeveer zolang als nodig is. Hiermee geeft hij impliciet een hypothese over de duur van de crisis. Dus: ʻeen bepaalde tijd,ʼ waarvan we niet precies weten hoelang die zal duren, maar waaraan desondanks ongetwijfeld heel snel een einde zal komen. Oftewel: er zijn nu inderdaad mensen ziek, maar als ze binnenkort genezen zijn, kunnen ze weer aan het werk en zullen we ervoor zorgen dat ze gezond zullen blijven. Er is dus sprake van een gewelddadige maar tijdelijke crisis, een ʻschone crisisʼ; de maatregelen om deze moeilijke tijd door te komen zijn uitzonderlijk maar van voorbijgaande aard. En dan zal alles weer normaal zijn.

Of niet. Want het is helemaal niet zeker dat deze epidemiologische dynamiek zo keurig verloopt als het monetaire beleid graag zou willen. Ofwel het scenario van de ʻniet zo schoneʼ beëindiging van de lockdown: gedeeltelijk, selectief (bijvoorbeeld per regio), geleidelijk, overal omkeerbaar, met nieuwe, lokale lockdowns als het virus weer ergens opvlamt, of zelfs landelijk als zich in de herfst een tweede coronagolf aandient, en het virus mogelijk gemuteerd is zodat de opgebouwde immuniteit nutteloos is, enz. De ʻslechte tijd van voorbijgaande aardʼ is dan niet meer een moment maar bijna permanent – dat van een verlengde schok in het aanbod (en de vraag), een enigszins bizarre variatie op een ʻklapʼ: een ʻpermanente klapʼ (van wisselende intensiteit). De versoepeling van de lockdown kan ʻmaanden of misschien wel een jaarʼ duren, waarschuwt een Belgische epidemioloog. Nou, nou, nou.

Als u weet dat de INSEE (het Franse CBS) twee weken lockdown inschat op een daling van 1,5 procent van het bbp, berekent u dan eens tot welk verlies een lockdown zal leiden die ʻmisschien wel een jaarʼ zal duren.

Of toch maar niet. We gaan niets berekenen. Dat is veel te eng.

De INSEE heeft zelf een berekening gemaakt van acht weken lockdown. En die is al erg genoeg: een recessie van 6% (de Banque de France zegt 8%, vergeleken met de 2,2% van 2009 is dit de ergste recessie sinds 1945) en een begrotingstekort van 12% (7,5% in 2009). En dat ondanks het feit dat deze berekening uitgaat van een ʻschone crisisʼ en er geen garantie is dat het goed zal gaan of dat, mochten de acht weken niet zo goed verlopen, de productie weer normaal zal worden. Als het einde van de lockdown niet zo ʻschoonʼ is, of nog erger, als de lockdown voor onbepaalde tijd blijft bestaan, wellicht ʻmaanden en misschien wel een jaar,ʼ dan ontstaat er uiteraard een enigszins ander beeld.

In het ʻniet zo schoneʼ scenario zal de overheid in de breedste zin van het woord de economie bij elkaar proberen te houden (gedeeltelijke werkloosheid, uitstel van verschillende betalingsverplichtingen aan de staat, ʻopen barʼ-beleid bij de centrale bank) gedurende de hele tijd dat het ʻslechte momentʼ duurt, want juist als we niet uitsluiten dat dat moment met tussenpozen minder slecht wordt, zien we dat het … een bepaalde tijd zal gaan duren. Misschien duurt het wel even voordat het echt weer goed is. En dan is een bepaalde tijd, als het bijvoorbeeld een jaar wordt, veel te lang om continu de particuliere sector te steunen.

Voorlopig beleven de financiële markten, waaraan niets obsceens vreemd is, een geweldige tijd dankzij de door de Fed opgeworpen anti-faillissementsdam. Maar de dag waarop de Fed zal aankondigen dat de deze dam tijdelijk was en zich zal terugtrekken terwijl het tij blijft stijgen, zou de stemming gevoelig kunnen omslaan. De enorme omvang van al het cashgeld dat is omgezet in kortlopende schulden zal op rekening komen van de private banken, zonder dat zij kunnen onderhandelen over de laatste fase van deze reis: de overname ervan door de centrale bank. Dan begint het opmaken van de pijnlijke rekeningen, het registreren van de non-performing loans en van onbetrouwbare debiteuren. En het tellen van de banken die zullen omvallen, tenzij laatstgenoemden al anticiperend zelf economische subjecten gaan loskoppelen van de kredietbeademingsapparatuur en we daaraan het bloedbad zullen kunnen afmeten.

De ʻonveranderlijkeʼ Europese solidariteit

We noemen de Fed, maar het zou net zo goed de ECB kunnen zijn, die het nog niet nodig vindt om formeel een garantieboodschap af te kondigen. Het is trouwens niet zeker dat we daarop zullen uitkomen vóór de middelpuntvliedende krachten uit de doos komen, in een vorm die veel gewelddadiger is dan die van 2010-2015. De Engelse taal heeft daar het begrip to skyrocket voor. Binnenkort zal dat de term zijn voor alle tekorten en staatsschulden. De Engelse flipperkast kent de term: same player shoots again. Aangezien de eurocrisis een extra bal heeft gewonnen, kunnen we ook die gebruiken.

Net zoals in 2010 nodigt alles in Europa weer uit tot chaos. Vergis je niet in de uitspraken van Angela Merkel om de ʻgouden regelʼ op te schorten, of die van de Europese Commissie om de gebruikelijke criteria (3% en 60%) voorlopig niet al te nauw te nemen. Deze goede bedoelingen zullen maar even duren, minder lang dan ʻzolang als nodig is,ʼ en zullen ongetwijfeld net zo bekrompen zijn als in 2009; dit jaar mág het vanwege alle emoties, maar daarna zal het parool weer zo snel mogelijk luiden: Disziplin! Van Villeroy de Galhau bij de Banque de France tot Lagarde bij de ECB en Le Maire in Bercy: hun oproep tot inspanningen is erop gericht om ons daar nu al op voor te bereiden. De tweede keer zal dus komen als een enorme klucht. De financiële nood van Italië, Spanje en misschien ook Frankrijk belooft weer bodemloos te worden. Met daartegenover weer de onverzettelijkheid van de Europese instellingen onder de hegemonie van het Duitse blok.

De vergadering van de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin) van 9 april zou zijn afgesloten met een applaus voor de eigen deelnemers – wat duidt op een mengeling van zelfgenoegzaamheid, die eigen is aan isolement, en een warrig besef dat men niet te veel moet rekenen op applaus van derden. De redenen voor dit applaus waren flinterdun. Het is waar dat het EMS heeft gezegd bereid te zijn 500 miljard euro ter beschikking te stellen, maar er is niets losgelaten over de essentie daarvan, te weten de voorwaarden, dat wil zeggen: de vereiste ʻaanpassingenʼ voor alle begunstigden van het fonds – dezelfde die tot de instorting van Griekenland hebben geleid. Same player shoots again, zeiden we al, maar deze keer inzake een land dat 16% van het bbp van de eurozone vertegenwoordigt4 (en niet 2%, zoals Griekenland …) en een schuld van 2.400 miljard euro heeft (en niet 400 miljard5). Er dan is er nog niets gezegd over Spanje (11,8%), Frankrijk (19,2%), en andere landen …

Intussen is het politieke landschap nog altijd even gunstig. In Italië is de publieke opinie op spectaculaire wijze gedraaid: aanvankelijk het meest pro-Europees, is het land nu ten prooi gevallen aan een gevoel van verlatenheid en walging. En dat is begrijpelijk, want de Europese blindheid is schrijnend geweest. De late verontschuldigingen van de voorzitter van de Europese Commissie, en de gemaakte bevlogenheid ervan – ʻwijstaan achterjullie,ʼ terwijl het omgekeerde werd bedoeld – hadden als enig effect dat de Italianen bevestigd werden in hun idee dat ze in de steek gelaten waren. En dit werd hen opnieuw verteld door de Ecofin-vergadering, luid applaudisserend voor zichzelf – maar dan in technischere termen: 1) we zullen jullie behandelen als Griekenland, 2) als het gaat om euro-obligaties of corona-obligaties kunnen jullie de pot op. Je moet je overigens afvragen of er reden tot klagen is met dit Europa, waarin zelfs de oplossingen die bedoeld zijn als redmiddel een venijnig kantje hebben: die euro-obligaties werden gepresenteerd als een onvoorwaardelijk instrument dat zou openstaan voor iedereen die ze nodig had. Maar natuurlijk komt ʻsolidariteitʼ nooit zonder ʻtegenprestatie.ʼ De corona-obligaties zouden hier waarschijnlijk ook niet aan zijn ontsnapt.

En aangezien Europa met zijn inerte instellingen tot niets anders in staat is dan tot tragische herhalingen, zien we soortgelijke personages alweer dezelfde taferelen opvoeren. Jeroen Dijsselbloem, de beul van de Grieken bij de Eurogroep, is opgevolgd door de al even meedogenloze Wopke Hoekstra, de huidige minister van Financiën van Nederland – aan hem danken we sinds eind maart de torpedering van het project van de corona-obligaties, vergezeld van een zware aanklacht tegen Italië, dat werd beticht van een wezenlijk budgettair onvermogen om de situatie het hoofd te bieden, en dat binnenkort wel eens een bezoekje van een onderzoekscommissie tegemoet zou kunnen zien, een van die broederlijke instrumenten waarvan de EU het geheim bewaart. En we kunnen het eeuwige antwoord al zien aankomen, het antwoord dat in het afgelopen decennium bijna tot de begrafenis van de euro heeft geleid en dat deze keer opnieuw zal doen: ʻWij gaan niet voor anderen betalen.ʼ Ieder voor zich – dat is het solidaire Europa. Nederlanders, Duitsers, Luxemburgers, Finnen enz.: wij betalen niet voor anderen.

Net als in 2010: de Duitse rots

En de Duitsers zijn daar beslist minder dan ooit toe bereid. Op het gebied van de gezondheidszorg lijkt Duitsland het beter te doen dan welk land dan ook, wat Frankrijk in verlegenheid brengt: voldoende ic-capaciteit, intensief testbeleid, relatief laag aantal sterfgevallen, snelle daling van de curve – we mogen niet vergeten dat Frankrijk nog tot eind juni op zijn mondkapjes moet wachten … Het einde van de Duitse lockdown is daarom al snel in zicht – evenals de hervatting van zijn economische activiteiten. De groeiverliezen, het begrotingstekort, de private en de publieke schulden zullen lager zijn dan die van andere landen, omdat Duitsland – niet zonder reden – meent beter georganiseerd te zijn. Dit is het soort prestatie dat weinig aanleiding geeft tot geduld voor de achterblijvers en nog minder tot financiële solidariteit. Ieder voor zich.

Er zullen geen euro-obligaties komen en ook geen corona-obligaties. Er zal geen solidariteit zijn. Er zullen wél kolossale nationale staatsschulden zijn, met enige bereidheid van de ECB om ze op te kopen, teneinde de ontploffing van de spreads6 voor de meest getroffen landen te beperken, niet zonder plafond deze keer, want de huidige crisis kent geen whatever it takes, ook al is er 2.400 miljard euro op weg naar Italië en 1.290 euro naar Spanje. Het whatever lijkt dus iets te worden dat we zullen moeten herzien. Om nog maar te zwijgen van het feit dat sommige landen in de bestuursraad zullen gaan denken dat de ECB een stofzuiger mag worden voor de slechte schulden van anderen. We zullen degenen ʻhelpenʼ die geholpen moeten worden, maar dan wel financieel, dat wil zeggen via de EMS-procedures, binnen de grenzen van de middelen … en dan vooral door middel van toezicht à la Griekenland.

Laten we de dingen bij de naam noemen: landen ter grootte van Italië of Spanje zien we niet zo gauw buigen voor deze behandeling, nog minder wanneer rationele oplossingen samengaan met verbittering. Gezien de enorme omvang van wat ons te wachten staat, zijn er slechts twee mogelijkheden: 1) directe steun van de centrale bank aan de schatkist – zoals Groot-Brittannië zojuist in beginsel heeft toegestaan (een monetaire beleidsrevolutie die onopgemerkt is gebleven); 2) massale kwijtschelding van schulden door de centrale bank, ten gunste van zowel de private als de publieke sector. Oftewel twee dingen die binnen de door Duitsland gedomineerde eurozone verboden zijn.

De nog verse les van 2009 leert ons dat de crisis van het Europese wanbeleid twee vormen kan aannemen. Een politieke: de tumultueuze uittreding van een mishandeld land dat onder druk van zijn bevolking inziet dat de verdediging van zijn vitale belangen niet langer verenigbaar is met het lidmaatschap van de eurozone. En een financiële: een catastrofe op de obligatiemarkten, als beleggers de hoge staatsschulden ʻonhoudbaarʼ achten en gaan beproeven wanneer de centrale bank zal ingrijpen om het groter worden van de spreads tegen te gaan (waardoor sprake zal zijn van een self-fullfilling prophecy7), of als beleggers ontwrichting beginnen te bespeuren via een X-exit, waarbij X staat voor een land dat zijn politieke breekpunt nadert, zoals Griekenland tussen 2011 en 2015 – en daarmee is al aangeven hoe deze twee vormen perfect kunnen samengaan tot een nog ergere combinatie.

Het is dus weer dezelfde rots waarop de euro aan diggelen wordt geslagen, de rots van de Duitse onverzettelijkheid bij het omgaan met de reacties op het monetaire beleid waar het land zijn hele geschiedenis bang voor is geweest. Laten we nogmaals zeggen dat een natie niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor haar collectieve spoken, want iedereen heeft zo zijn eigen spoken. Maar ook dat het een krankzinnig project was om een gemeenschappelijke munt te creëren met een land dat door zulke nachtmerries wordt geteisterd.

Het is niet zo dat Europa, en daarbinnen Duitsland, sinds 2009 geen enkele beweging meer heeft gemaakt. Het opschorten van het begrotingsdogma aan het begin van deze crisis toont een snelle draai van de ECB met betrekking tot massale aankoopprogrammaʼs (ook al moest Lagarde er twee keer over nadenken, na een aanvankelijke weigering) en is niet niets. Maar wat zijn de realistische op de langere termijn? Op het gebied van de overheidsfinanciën zal de budgettaire tolerantie niet lang duren en zal de aanpassingsdruk snel toenemen. Op het monetaire vlak zal de kwestie van de kwijtschelding van schulden door de ECB – dat wil zeggen: hun (zeer) grootschalige monetarisering – nog beslissender zijn. Monetiseren – kwijtschelden. Schulden. De Duitse nachtmerrie bij uitstek. Maar er is geen andere uitweg dan deze monetaire strategie.

In 2012 had Duitsland op het laatste moment het ʻwhatever it takesʼ geslikt – en liet het Griekenland het honderdvoudige betalen. Bij iedere crisis wordt de hele onder Duitse invloed staande structuur op zijn rigiditeit getest. Er is een bijna miraculeuze beweging voor nodig om die niet te laten breken. Naarmate crises heviger worden, loopt de structuur altijd vertraging op bij de aanpassing en wordt hij op een steeds gevoeliger punt getest, waardoor er een steeds spectaculairder wonder nodig zal zijn. Op een dag komt de maximale belasting. Daar zijn we nu aangeland.

Om ervoor te zorgen dat de euro deze keer niet te gronde gaat, is er, afgezien van ʻwonderen,ʼ slechts één mogelijkheid: dat ook Duitsland gedwongen zal worden akkoord te gaan met de oplossing van de kwijtschelding van schulden. Het enige dat de euro kan redden is dat Duitsland zichzelf niet langer in staat acht de gigantische schok op te vangen binnen het kader van de eigen regels. En dat ook Duitsland zich straks in een situatie zal bevinden waarin het land zal moeten schipperen tussen het handhaven van de eigen principes en het vasthouden aan zijn essentiële belangen – het beperken van de economische en sociale ontwrichting. Wat Duitsland absoluut niet kan – onderhandelen over zijn principes met anderen – kan het land misschien wel met zichzelf doen. Dan, en alleen dan, zou de euro nog een laatste, ultieme kans hebben.

In werkelijkheid is de gebeurtenis die op het punt staat plaats te vinden zo enorm dat zij ambivalent is. We zijn weer aangeland bij de contingentie van de uitkomsten: ofwel het enorme geweld van deze crisis zal alles stukmaken en de euro naar de vuilnisbak van de geschiedenis verwijzen, of het Duitse dogma zal (net op tijd) exploderen zodat de rest behouden blijft.

Ondertussen wordt Varoufakis met een schok wakker. Hij zegt dat ʻEuropa het niet verdient om te overlevenʼ en kondigt in de Italiaanse pers aan dat ʻde Europese desintegratie is begonnen.ʼ Het is duidelijk dat hij het seculiere pad volgt – en misschien heeft hij deze keer wel gelijk.

Over de revolutie

In haar Essay over de revolutie bespreekt Hannah Arendt de merkwaardige paradox dat we de meest ʻconvulsieveʼ politieke gebeurtenissen als zodanig benoemen. ʻAls zodanig,ʼ dat was in de astronomie dus het woord waarmee de onveranderlijke rotatie der planeten werd aangeduid – het is heel merkwaardig dat het woord waarmee we in eerste instantie de eeuwige terugkeer van hetzelfde aanduidden nu de grote breuken in de geschiedenis benoemt. De reden is volgens Arendt dat het woord ʻrevolutieʼ in de 17e en 18e eeuw ook de connotatie had van een onoverwinnelijke fataliteit – het onweerstaanbare werk van krachten elders, waarvan het onuitwisbare gevolg alleen maar hoefde te worden vastgelegd. De tijdsgeest van toen dacht dus aan planeten, terwijl de hedendaagse mogelijk over meer beelden beschikt, bijvoorbeeld die van tsunamiʼs, ontstaan door een schok duizenden kilometers verderop, maar waarvan de frontlijn voorbestemd is om op te rukken op een manier waar niets tegenin te brengen is – hetzelfde beeld van een noodzaak die alleen maar werkelijkheid kan worden.

Het lot te slim af zijn of het tij keren is normaal gesproken een zaak van de politiek. Maar de Europese instellingen zijn zo georganiseerd dat ze geen echte vrijheid hebben – ook al zijn er soms lokaal en tijdelijk aanpassingen mogelijk. Zonder de minste bewegingsruimte, zonder de herpositionering op pijnpunten waar de macht als het ware ʻpsychischʼ niet in staat is compromissen te sluiten, en zonder enige flexibiliteit, zijn deze instellingen gedoemd de klap slechts te ondergaan en de spanningen te moeten dragen zonder ze te kunnen opvangen, in de hoop dat ze er niet onder zullen bezwijken. Maar er zijn grenzen aan wat een rigide structuur aankan. In 2010 waren die al bijna overschreden door een klap die destijds enorm werd geacht, maar die niet te vergelijken is met wat ons nu te wachten staat.

We bevinden ons ver van het epicentrum van de beving en voorlopig is er niets concreets zichtbaar. Alles is nog abstract en dus gevoelig voor ontkenning of minimalisering. Maar de onderzeese aardbeving heeft al plaatsgevonden, ze verspreidt haar golf, en de frontlinie van de tsunami is al op weg. Ze nadert ons, en niets lijkt haar te kunnen tegenhouden. Revolutie.

Vertaling: Jael Kraut

1Met deze drie woorden – whatever it takes – heeft Mario Draghi in 2012 de eurocrisis een halt toegeroepen: door aan te geven dat de ECB alles wat nodig was uit de kast zou halen om de liquiditeit van de Europese markten te waarborgen, en de speculaties over de uittreding van Griekenland en het uiteenvallen van de eurozone tegen te gaan.

2Het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), een soort Europees Monetair Fonds, is in 2012 opgericht als instrument voor financiële bijstand en herstructurering van de staatsschulden van de lidstaten.

3Stéphanie Hennette, Thomas Piketty, Guillaume Sacriste et Antoine Vauchez, Pour un traité de démocratisation de l’Europe, Seuil, 2017 ; Changer l’Europe, c’est possible !, Seuil, 2019.

4Alle cijfers zijn van 2018, bron Insee, Eurostat.

5En nog geen 300 miljard aan het begin van de Griekse crisis.

6Een spread is het verschil tussen de rentetarieven van de diverse staten en een referentierente; in de eurozone is dat de Duitse rente. Dit is een doorslaggevende variabele, want als er vragen rijzen over de houdbaarheid van een staatsschuld, zal er al snel sprake zijn van speculatie en worden de obligaties verkocht, waardoor de rente stijgt (en de spread groter wordt), met als gevolg dat de schuldenlast toeneemt en de financiële situatie van het betrokken land verder verergert.

7Zie vorige voetnoot

Categorieën
Economie Politiek

Er zijn omstandigheden waarin een revolutie denkbaar wordt

Oorspronkelijke tekst (Engels): Commune, 7 april 2020

bron foto: The Star

door Ben Tarnoff

Ben Tarnoff is schrijver en mede-oprichter van Logic Magazine.

De geschiedenis beweegt zich over het algemeen langzaam, maar soms ook heel snel, als een plotselinge golfbeweging. De coronavirus-crisis heeft ons in dit laatste ritme gekatapulteerd. Het tempo van de gebeurtenissen is sterk toegenomen, en het verloop ervan is onmogelijk te voorspellen. Achteraf gezien kan 2020 een 1968 of een 1917 blijken te zijn geweest: een jaar van sprongen en breuklijnen, of een harde scheidslijn tussen het ene en het andere tijdperk.

Hoe zouden we het nieuwe tijdperk kunnen karakteriseren? Het is moeilijk om definitieve conclusies te trekken over een periode die zich nog in de vroegste fasen van haar ontwikkeling bevindt. Toch is het mogelijk om ondanks de snelle veranderingen een voorlopige schets te maken. Zoʼn schets kan echter alleen van nut zijn als hij, al is het slechts in grove lijnen, de scherpte van de breuk en de nieuwheid van de situatie die hierdoor is ontstaan, vastlegt. Zoals Stuart Hall schreef:

Als zich een conjunctuurverschuiving voordoet, is er geen ʻweg terug.ʼ Dan schakelt de geschiedenis naar een andere versnelling. Het terrein verandert. Je bent in een nieuw moment terechtgekomen. Je moet ʻmet geweld,ʼ met al het ʻpessimisme van het intellectʼ dat je tot je beschikking hebt, aandacht schenken aan de ʻdiscipline van de conjunctuur.ʼ

Een conjunctuur is iets dat uit andere dingen is opgebouwd, letterlijk een ʻsamenvoeging.ʼ Dus een goede manier om te beginnen is het schenken van aandacht aan de verschillende elementen die tezamen die conjunctuur vormen. Idealiter zou dit niet alleen een waslijst moeten zijn van verschillende dingen die gebeuren, maar ook een verslag van hoe ze in elkaar passen, en een theorie over het complexe, tegenstrijdige geheel dat wordt gegenereerd door hun interactie.

Dat is moeilijk werk, en het vereist een langdurige, collectieve inspanning. Er zijn veel mensen nodig om samen te denken en te handelen, teneinde dit nieuwe terrein te kunnen doorgronden. Wat volgt is een eerste poging om daartoe een bijdrage te leveren: een gedeeltelijke inventarisatie van de omstandigheden in de VS en een voorlopig beeld van hoe ze in elkaar passen.

De economie stort in. Economen van Goldman Sachs hebben voor het tweede kwartaal van 2020 een daling van het bbp met 34 procent op jaarbasis voorspeld – een implosie zonder historisch precedent. Ter vergelijking: de ergste jaarlijkse daling van het bbp op jaarbasis tot nu toe is 13 procent, die zich in 1932 voordeed tijdens de Grote Depressie. De voorspellingen van Goldman voor de rest van 2020 zijn ietwat rooskleuriger: een terugkeer naar een groei met dubbele cijfers in het derde en vierde kwartaal, zodat het bbp op jaarbasis over het hele jaar 2020 gemiddeld met 6,2 procent zal dalen.

Deze cijfers zouden uiteindelijk echter te optimistisch kunnen blijken. Ze gaan ervan uit dat de lockdowns en het social distancing tegen het einde van het jaar in voldoende mate zullen zijn versoepeld om iets dat op een normaal leven lijkt te kunnen hervatten. De economen Warwick McKibbin en Roshen Fernando opperen daarentegen, en dat is aannemelijker, dat de economische gevolgen van de coronavirus-crisis ernstiger zullen zijn. Zij vermoeden dat een pandemie die een jaar duurt en een miljoen mensen doodt – een schatting die binnen het bereik ligt van de huidige voorspellingen van de Centers for Disease Control, en misschien zelfs te laag is gezien het huidige verspreidingstempo van de infectie – het bbp over het hele jaar met 8,4 procent zal doen dalen.

Maar een abrupte daling van de groei is niet de enige reden tot bezorgdheid. Het is ook mogelijk dat we binnenkort opnieuw met een financiële crisis te maken zullen krijgen, wat de situatie er aanzienlijk pijnlijker op zou maken. Vooral de schuldenlast van bedrijven is kwetsbaar, mede als gevolg van de manier waarop overheden de vorige financiële crisis hebben aangepakt. Om de crisis van 2008 te kunnen bestrijden hebben centrale bankiers het geld goedkoop gemaakt door de rente te verlagen. Dit heeft bedrijven er weer toe aangezet om obligaties uit te geven, vooral om er fusies en overnames en het terugkopen van de eigen aandelen mee te financieren. Omdat de meeste van deze bedrijven geen grote reserves in contanten achter de hand hebben, kunnen zelfs kleine verstoringen ervoor zorgen dat zij hun schulden niet meer kunnen aflossen. Gezien de immense omvang van deze schulden – de wereldwijde waarde van niet-financiële bedrijfsobligaties bedroeg eind 2019 13,5 biljoen dollar – zou een nieuwe crisis het financiële systeem gemakkelijk kunnen doen instorten, waardoor de kredietmarkten zouden bevriezen en er een golf van faillissementen onder werkgevers zou kunnen ontstaan.

Het is dan ook een schrale troost dat beleggers de afgelopen weken allerlei soorten activa zijn ontvlucht: niet alleen bedrijfsobligaties, maar ook van oudsher ʻveilige havensʼ als goud en schatkistpapier. De Federal Reserve (het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken) heeft agressief gereageerd, met instrumenten die vergelijkbaar zijn met de instrumenten die zij in 2008 heeft ingezet: het verlagen van de rente en het opkopen van diverse financiële activa, waaronder bedrijfsobligaties. Toch duidt het ambivalente antwoord van de markten op deze stappen erop dat dit misschien nog niet genoeg zal zijn. De aandelenmarkten hebben zich, in afwachting van de stimuleringsmaatregelen ter waarde van 2,2 biljoen dollar, hersteld en de koerswinst is intact gebleven nadat het betreffende wetsontwerp werd goedgekeurd. Maar het lijdt geen twijfel dat er meer onrust in het verschiet ligt.

Als de snelheid waarmee de economische krimp als gevolg van de pandemie zich voltrekt één kenmerk is dat onze huidige crisis onderscheidt van de vorige, dan is een ander kenmerk het specifieke segment van de economie dat het meest te lijden zal hebben van die krimp: de dienstensector. Diensten worden doorgaans niet het zwaarst getroffen tijdens recessies. Dat komt doordat ze niet kunnen worden opgeslagen, zodat ze meteen moeten worden geconsumeerd.

De coronavirus-crisis zou dit patroon echter kunnen doorbreken. ʻDit zal waarschijnlijk de eerste recessie ter wereld zijn die begint in de dienstensector,ʼ zei econoom Gabriel Mathy tegen de New York Times. Tijdens een pandemie zijn diensten buitengewoon kwetsbaar. Zo kunnen de mensen hun haar niet laten knippen, omdat ze bang zijn om geïnfecteerd te worden of omdat de overheid heeft verordonneerd dat kapperszaken gesloten moeten blijven. En omdat je de output van diensten niet kunt opslaan – een kapper kan geen kapsels in een magazijn opslaan totdat de vraag weer aantrekt – gaan bedrijven snel failliet en vallen er al heel snel veel ontslagen.

De menselijke tol van dergelijke ontslagen zal enorm zijn, want de dienstensector is de sector waar de meeste Amerikanen werken. Volgens de laatste schatting van het Bureau of Labor Statistics is 71 procent van alle niet-landbouwwerknemers – ruim honderd miljoen mensen – in de VS werkzaam in de dienstensector. Weliswaar is dit een heterogene categorie, die alles omvat van beursmakelaars tot fastfood-werknemers. Maar het grootste deel van de groei in de afgelopen decennia heeft zich aan de onderkant van het loonspectrum voorgedaan, en dat is ook de plek waar de meeste pijn zal worden geleden.

Die pijn wordt al op zeer grote schaal gevoeld. In de week die eindigt op 21 maart hebben 3,3 miljoen mensen in de VS een werkloosheidsuitkering aangevraagd. De week daarop verdubbelde dit aantal tot 6,6 miljoen – bijna tien keer het record van 1982. De ontslagen zijn geconcentreerd in de dienstensector, met name in de segmenten waar de lonen het laagst zijn. De komende weken zullen vrijwel zeker nog meer slecht nieuws brengen. Goldman Sachs verwacht dat het werkloosheidscijfer in de VS op 15 procent zal uitkomen; de St. Louis Fed zegt dat het kan oplopen tot 32,1 procent.

Deze cijfers weerspiegelen het wegvallen van een centrale pijler onder het Amerikaanse economische model. De dienstensector heeft decennialang een essentiële rol gespeeld bij het stabiliseren van de arbeidsmarkt. Omdat diensten moeilijker te automatiseren zijn – het is lastiger om de productie van een kapsel te automatiseren dan de productie van een auto – kennen ze een lagere productiviteitsgroei, wat inhoudt dat er meer arbeid voor nodig is. Dit is wat de dienstensector in staat heeft gesteld de werknemers te absorberen die de productiesector in de jaren zeventig begon af te stoten als gevolg van een wereldwijde overcapaciteitscrisis. De dienstensector kan niet net als voorheen de industrie als de groeimotor van de economie dienen, zoals blijkt uit de steeds slechtere prestaties van de Amerikaanse economie sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Maar ze heeft wel gezorgd voor een gestaag aanbod van banen.

De pandemie sluit deze veiligheidsklep af. Nu de dienstensector in een vrije val is geraakt, is er geen plaats meer voor het overschot aan arbeidskrachten dat door tientallen jaren van economische stagnatie is gegenereerd.

Natuurlijk zullen sommige van de ontslagen werknemers uiteindelijk wel weer een nieuwe baan vinden, vooral als de opleving na de crisis de meer optimistische scenarioʼs zal volgen. Maar de economie waarin zij terugkeren zal voorgoed zijn veranderd. Kleine bedrijven, die momenteel bijna de helft van de particuliere beroepsbevolking van het land in dienst hebben, zullen worden gedecimeerd. Reuzen als Amazon en Walmart zullen hun greep op de consumentenbestedingen verstevigen.

Amazon en zijn collega-bedrijven zullen profiteren van de manier waarop de crisis het gedrag van de consument herprogrammeert. De pandemie is nu al een zegen voor de e-commerce, omdat mensen met een minimum aan sociale interactie proberen de dingen te kopen die ze nodig hebben. Amazon heeft onlangs aangekondigd dat het honderdduizend nieuwe werknemers in dienst wil nemen als gevolg van de toenemende vraag; Instacart, een online boodschappendienst, voegt daar nog eens driehonderdduizend arbeidsplaatsen aan toe. Deze trend zou heel goed permanent kunnen worden. De consument zou er de voorkeur aan kunnen geven om zijn boodschappen te laten bezorgen in plaats van naar de supermarkt te gaan, bijvoorbeeld uit gewoonte, gemak of aanhoudende angst voor besmetting. De werkgelegenheid van de toekomst zal zich dus waarschijnlijk concentreren bij het transport en de opslag van goederen. Een groeiend deel van de Amerikaanse arbeidersklasse zal een (schamel, precair) bestaan kunnen ontlenen aan het verpakken en afleveren van de goederen die mensen in een langdurig isolement nodig hebben om te overleven.

Het overlevingsvraagstuk brengt ons bij een ander kernthema van de coronavirus-crisis: de sociale reproductie. Sociale reproductie verwijst naar de verschillende systemen – formeel en informeel, betaald en onbetaald – die het kapitalisme mogelijk maken door het opvoeden, socialiseren, opvoeden, genezen, huisvesten en op een andere manier ondersteunen van de werknemers van wier arbeid dat kapitalisme afhankelijk is. Deze systemen staan in de VS al heel lang onder zware druk. Stagnerende lonen en armzalige sociale voorzieningen hebben het grootste deel van de Amerikaanse arbeidersklasse aan de rand van het faillissement gebracht, waardoor bijna 80 procent van de Amerikanen over geen enkele financiële reserve beschikt.

De pandemie maakt een einde aan dit gammele arrangement. De toenemende vraag naar werkloosheidsuitkeringen en voedselbonnen duwt de zuinige Amerikaanse verzorgingsstaat ver over het breekpunt heen. Intussen is de fragiele toestand van het sterk gefinancialiseerde gezondheidszorgsysteem van het land – dat de afgelopen tien jaar dankzij fusies en overnames de leidinggevenden en investeerders heeft verrijkt – in een schril perspectief geplaatst.

Maar de pandemie verergert niet alleen een bestaande crisis van de sociale reproductie. De pandemie wordt op haar beurt ook weer versterkt door deze crisis. De slechte kwaliteit van de sociaal-reproducerende systemen in de VS heeft de ideale omstandigheden voor besmetting gecreëerd. Zo kwamen verpleeghuizen al vroeg als hotspots naar voren. Een groot deel van de schuld daarvoor ligt bij een golf van particuliere investeringen in de verpleeghuissector in het afgelopen decennium, waardoor voorzieningen in het hele land gedwongen werden om op de kosten te besparen en zo meer winst te maken. Veel verpleeginrichtingen zijn hierdoor extreem onhygiënisch geworden; bij overheidscontroles zijn ontstellende gevallen van misbruik en verwaarlozing aan het licht gekomen, en inmiddels zijn het grote infectiehaarden geworden.

Een virus is niet alleen een biologisch, maar ook een sociaal fenomeen. De kwetsbaarheden waar het gebruik van maakt om zich te verspreiden zijn niet alleen eigenschappen van menselijke cellen, maar ook van de manier waarop menselijke samenlevingen zijn georganiseerd. Als die zijn georganiseerd rond de accumulatie van kapitaal – dat wil zeggen: kapitalistische samenlevingen – brengen ze zichzelf in gevaar, vooral samenlevingen zoals die van de VS, waar de accumulatie een bijzonder meedogenloze vorm heeft aangenomen.

Er is hier sprake van een tegenstrijdigheid: door de sociale reproductie te ondermijnen, ondermijnt het kapitalisme zijn eigen stabiliteit. Het leegknijpen van het proletariaat voedt de motor van het kapitaal tot een bepaald punt – maar vervolgens zorgt het ervoor dat de machinerie wordt lamgelegd, zoals de feministische theoreticus Nancy Fraser heeft uitgelegd. De coronavirus-crisis biedt een levendige illustratie van deze dynamiek. De extreme druk die het kapitaal heeft uitgeoefend op de sociale reproductie in de VS heeft een gastvrije omgeving gecreëerd voor een pandemie die de economie vernietigt. De kapitalisten die winst hebben gemaakt op de verpleging van ouderen hebben een situatie helpen creëren waarin veel van hun collega-kapitalisten niet meer in staat zullen zijn om het kapitaal in beweging te brengen.

Om de accumulatie weer normaal te laten verlopen, moet het virus onder controle worden gebracht: de robuustheid van het Chinese antwoord is bijvoorbeeld niet alleen ingegeven door de wens om de politieke legitimiteit van de communistische partij overeind te houden, maar ook door de wens om de industriële productie weer op gang te brengen. In de VS zal de terugkeer naar een normale gang van zaken onder meer een bescheiden toename van de publieke steun voor sociale reproductie vereisen. Dit kan verklaren dat het Congres erin is geslaagd om in de eerste week van de pandemie zo snel een wetsvoorstel aan te nemen dat een deel van de werknemers in de VS tien dagen betaald ziekteverlof gunde. Werknemers ziek laten worden en laten sterven is aanvaardbaar; werknemers ziek laten worden en daardoor het accumulatieproces in gevaar brengen is niet aanvaardbaar.

In het industriële tijdperk wist de factor arbeid concessies van het kapitaal af te dwingen op grond van een fundamentele wederzijdse afhankelijkheid: kapitalisten hadden arbeiders nodig om de fabrieken te runnen. De economische groeivertraging sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw heeft deze afhankelijkheid verminderd, waarbij de afname van de productie een tijdperk van stagnatie inluidde dat gekenmerkt werd door een aanhoudend lage vraag naar arbeid, waardoor het machtsevenwicht in het voordeel van het kapitaal is gekanteld. De pandemie zou deze ontwikkeling gedeeltelijk kunnen keren. Werknemers hebben als arbeiders misschien minder invloed op het accumulatieproces, maar ze kunnen dit proces nu in gevaar brengen als vectoren van virusoverdracht. Misschien biedt dit een nieuwe basis voor het afdwingen van concessies.

Natuurlijk kunnen werknemers ook op de ouderwetse manier problemen maken: door zich in te zetten voor ontwrichtende acties op hun werkplek en in hun gemeenschap. De ruimte voor dergelijke acties zal de komende weken en maanden waarschijnlijk drastisch toenemen. Stelt u zich een nabije toekomst voor van 30 procent werkloosheid, wijdverbreide voedsel- en huisvestingsonzekerheid en miljoenen doden door de pandemie en door de toegenomen sterfte als gevolg van een overweldigd gezondheidszorgsysteem. Dit zijn in feite oorlogsomstandigheden. Het zijn de omstandigheden waaronder een revolutie op zijn minst denkbaar wordt, zo niet waarschijnlijk.

Tijdens een crisis breiden de parameters van de politieke mogelijkheden zich uit. Tientallen gemeenten hebben huisuitzettingen en het afsluiten van nutsvoorzieningen stopgezet. Trump heeft het ministerie van Volkshuisvesting en Stedelijke Ontwikkeling geïnstrueerd om huisuitzettingen van eigenaren met een door de federale overheid gegarandeerde hypotheek op te schorten. Californië is van plan om duizenden daklozen naar hotels te verplaatsen, in sommige gevallen door het opkopen van die hotels. New York City, Houston en Detroit hebben de lokale busdiensten gratis gemaakt.

Maar dit is pas het begin. Door druk van onderaf kunnen deze scheuren groter worden gemaakt; het overleven van een aanzienlijk aantal mensen hangt er waarschijnlijk van af. Met dit doel voor ogen wil Bernie Sanders dat de federale overheid ieder huishouden $2000 per maand stuurt, de Defense Production Act gebruikt om particuliere bedrijven ertoe te dwingen cruciale goederen als mondkapjes en beademingsapparatuur te produceren, en een nationaal moratorium instelt op huisuitzettingen en het afsluiten van nutsvoorzieningen, naast andere maatregelen.

Gezien het tempo waarin de gebeurtenissen zich nu voltrekken kunnen zelfs deze eisen binnen korte tijd een gematigde indruk maken. Onder socialisten heeft deze crisis geleid tot hernieuwde oproepen tot het nationaliseren van diverse sectoren. De gezondheidszorg lijkt een voor de hand liggende kandidaat, vooral gezien de komende stortvloed van faillissementen van ziekenhuizen, de behoefte aan rationele coördinatie die de markten die niet kunnen bieden, en de morele verplichting om te zorgen voor de vele miljoenen Amerikanen die onverzekerd of onderverzekerd zijn.

Maar een concrete analyse van de concrete situatie vergt ook nog iets anders. Socialisten hebben er een handje van om strijdmodellen uit vroegere tijden op te pakken en die ongewijzigd toe te passen op de problemen van het huidige tijdsgewricht. Deze verleiding neemt toe in tijden van crisis, omdat een verzwakking van de status quo mogelijkheden schept om oude socialistische ideeën een bredere verspreiding te geven. Maar tijden van crisis bieden ook kansen om nieuwe socialistische ideeën te genereren: nieuwe manieren van organiseren, nieuwe horizonten voor sociale transformatie. De socialistische traditie is een waardevolle bron van inspiratie en inzicht. Maar zij omvat niet alle antwoorden op iedere vraag die door welke conjunctuur dan ook kan worden gesteld, om de eenvoudige reden dat iedere nieuwe conjunctuur weer nieuwe vragen oproept.

Marx geloofde dat de antwoorden op dergelijke vragen moeten worden gevonden in de strijd van de arbeidersklasse. De arbeidersklasse was niet alleen de enige sociale kracht die in staat was om het socialisme op te bouwen – het was ook de enige sociale kracht die in staat was om te bepalen hoe het socialisme eruit zou zien. Dit proces moest worden vormgegeven door de praktijk, dat wil zeggen: door de ontelbare botsingen en weerstanden van de klassenstrijd. ʻHet communisme,ʼ zo schreven hij en Engels, ʻis geen ideaal waaraan de werkelijkheid zich zal moeten aanpassen,ʼ maar ʻde werkelijke beweging die een einde zal maken aan de huidige stand van zaken.ʼ De taak van socialisten vandaag de dag is om de trillingen van deze beweging te lokaliseren en de impliciete inhoud ervan uit te tekenen: om de grondstoffen ervan te verfijnen tot nieuwe strategieën, programmaʼs en mogelijke toekomsten.

Er zal binnenkort geen gebrek aan materiaal zijn om mee te werken, zodra de pandemie een cyclus van proletarische zelfwerkzaamheid op gang zal hebben gebracht. Overal hebben werknemers nu een urgente kwestie – hun gezondheid – om rond te agiteren, en ze zijn zich al aan het organiseren op basis daarvan. Er zijn wilde stakingen uitgebroken onder vuilnismannen, arbeiders in de auto-industrie, werknemers in de pluimveesector, magazijnmedewerkers en buschauffeurs. Amazon is geconfronteerd met een golf van militantisme, waardoor het management zich gedwongen heeft gezien om betere gezondheidsbescherming te beloven en al zijn werknemers betaald verlof te gunnen. Werknemers van Instacart en Whole Foods hebben arbeidsprotesten in scène gezet. Georganiseerde verpleegkundigen hebben zich aaneengesloten om te protesteren tegen de tekorten. De werknemers van General Electric hebben geëist dat er beademingsapparaten worden geproduceerd in de fabrieken voor straalmotoren. Er zijn hulpgroepen ontstaan om boodschappendiensten en kinderopvang te coördineren. Huurders in het hele land organiseren huurstakingen. In Los Angeles bezetten dakloze gezinnen leegstaande huizen.

Dit zijn overlevingsstrategieën, maar het zijn mogelijk ook de kiemen van een nieuwe wereld: plekken van sociale macht waar mensen zich collectief de middelen verschaffen die ze nodig hebben om rechtstreeks te kunnen deelnemen aan beslissingen die hen aangaan. Het is op deze plekken en in deze praktijken dat de contouren van het volgende socialistische project kunnen worden aangetroffen. Wil dit project geloofwaardig zijn voor de mensen van wie het afhankelijk is, dan moet het gelijkwaardig zijn aan de radicaliteit van onze werkelijkheid. Het moet een socialisme zijn dat geen tak van het progressivisme of een vleugel van de Democratische Partij is, maar een werkelijk anti-systemisch alternatief – een alternatief dat, hoe onwaarschijnlijk ook, een einde belooft aan de doodscultus van het kapitaal. Het moet de verheffing van de menselijke gezondheid, waardigheid en zelfbeschikking tot de hoogste ordenende principes van ons gemeenschappelijk leven uitdragen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Filosofie Gezondheid

Over leven en dood in tijden van corona

fotografie: Martijn Gijsbertsen

door Jarmo Berkhout

Jarmo Berkhout werkt bij Het Actiefonds, een Amsterdamse organisatie die wereldwijd activisten ondersteunt. Hij studeerde filosofie aan de UvA, die hij meermaals hielp te bezetten, en is schrijver.

Aan het begin van de coronacrisis schreef de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben een paar opinieartikelen die hem niet in dank werden afgenomen. Hij betoogde onder meer dat het wel meeviel met de ernst van het virus, dat niet veel dodelijker zou zijn dan de griep, en dat de ongekende inperking van persoonlijke vrijheden en democratische rechten in feite een vorm van toegenomen staatscontrole was. Als gevolg van de paniek en de angst voor de dood lukte het de mensen niet om voorbij het pure lijfsbehoud te kijken, waardoor ze een algehele reductie van hun bestaan tot het ʻnaakte levenʼ lieten plaatsvinden. Op het niveau van het naakte leven zijn mensen slechts organismen die (willen) voortbestaan, terwijl ze pas werkelijk mens worden als politiek subject dat deel uitmaakt van een gemeenschap en dat rechten heeft. Agamben paste hiermee de twee concepten waarom hij bekend is geworden toe op de huidige crisis: die van de uitzonderingstoestand, door staten afgekondigd om buiten de rechtstaat om hun macht aan te kunnen wenden ter controle van de bevolking (doorgaans met een beroep op de veiligheid), en die van het naakte leven, de biologische nullijn waarop we bestaan als we (nog) geen (of niet langer) mens-subject zijn. Met deze analyse probeerde Agamben te waarschuwen voor het risico dat we uit angst voor de dood vergeten dat het ons zou moeten gaan om een leven dat uit meer bestaat dan louter overleven, én, niet minder belangrijk, voor de ontketende staatsmacht die ons nog lang na de pandemie in zijn greep zou kunnen houden.

Niettemin is er met zijn analyse iets geks aan de hand: het is alsof Agamben zijn eigen werk niet goed begrijpt en het verkeerd toepast. De verontwaardiging – voornamelijk over zijn bagatellisering van het virusgevaar – was dan ook groot. Maar het kwam op velen met name als ongepast over om in de reactie van Europese overheden op de gezondheidscrisis een doelbewuste poging te zien om de bevolking aan een kennelijk gewenst verscherpt surveillanceregime te onderwerpen. Vooral de Sloveense filosoof Slavoj Žižek verweet zijn collega het omslaan van kritische theorie in linkse paranoia. Want de kritiek dat er duistere bedoelingen schuilgaan achter de corona-uitzonderingstoestand vormt op zichzelf geen antwoord op de bedreiging die wel degelijk van het virus uitgaat. Het weg-theoretiseren van de dodelijkheid van COVID-19 omwille van het behoud van onze politieke subjectiviteit vormt geen bescherming van het leven dat we moeten koesteren, en kan niet het begin zijn van een werkelijk kritische beschouwing over wat er tijdens deze crisis gebeurt. Dat begin kan enkel de confrontatie zijn met het feit dat we ons, collectief en op wereldschaal, in een nooit eerder voorgekomen crisissituatie bevinden die van beslissende invloed zal zijn op hoe onze toekomst eruit ziet.

Terug naar het naakte leven. Het makkelijke antwoord op Agamben is dat het behoud van het leven ons weliswaar nog niet tot mensen maakt, maar dat we ook geen mensen zijn zónder ons biologische bestaan: dan zijn we namelijk dood. Maar er is meer aan de hand. Wat we zien – in ieder geval in de Europese landen – is dat overheden hun uiterste best doen om levens te redden, en dat in het kielzog daarvan de betekenis van het begrip solidariteit is aangepast: het gaat er nu om de kwetsbaren te behoeden voor infectie. De enorme, bijna militair aandoende zorgoperatie die daartoe is opgetuigd, de enorme uitgaven die worden gedaan om burgers van inkomsten te blijven voorzien, het bijna volledig opschorten van de economie – dit alles kan moeilijk worden gezien als een gebrek aan zorg om het leven. De reductie tot het naakte leven is wat de mensen overkomt die niet geholpen worden, die geen ʻrecht op rechtenʼ hebben, die niet toegelaten worden tot de gemeenschap die gered moet worden. Deze mensen zijn talrijk. Zij bevinden zich grotendeels buiten Europa. Het zijn de vluchtelingen, de ʻillegalen,ʼ de onbeschermde ʻessentiëleʼ arbeiders. Niks anders meer hebben dan het naakte leven betekent een verhoogde nabijheid tot de dood. Het betekent aan je lot overgelaten zijn, vernietigd kunnen worden zonder herinneringen na te laten. De uitzonderingstoestand die Agamben in zijn werken beschrijft treft ons niet allemaal in gelijke mate: zij duidt op het aanrichten van geweld waaraan wij (Europese burgers, politieke subjecten) weliswaar medeplichtig zijn, maar dat toch voornamelijk de Ander treft. Het op grote schaal redden van mensenlevens – levens die de moeite waard worden gevonden – vergelijken met de rechteloosheid van de werkelijk kwetsbaren is, op zijn zachtst gezegd, politiek vrij bedenkelijk.

Als Agambens vocabulaire geen verschil kan maken tussen het opschorten van het grotendeels gerieflijke leven van westerse burgers en de vogelvrijheid, de ʻwaardeloosheidʼ van degenen die er niet bij horen, dan hebben we andere termen nodig. Een crisis – en zeker een crisis met de intensiteit van de huidige – zet de normale orde op losse schroeven, maar onthult tegelijkertijd de verborgen aspecten van de normaliteit in al hun meedogenloosheid. Al vóór de pandemie bestond er een hiërarchie in de waarde die de levens van verschillende (soorten) mensen vertegenwoordigen. Die hiërarchie is niet verdwenen. We mogen niet vergeten dat de kern van het kapitalisme bestaat uit het creëren van economische waarde die in de vorm van winst belandt bij degenen die de productiemiddelen bezitten. Als motor van de economische ontwikkeling bepaalt dit principe onze verhouding tot het systeem, en daarmee ook in belangrijke mate de manier waarop we mogen leven – en sterven. Wat gered wordt aan westerse burgers is niet hun naakte leven, maar de (potentiële) waarde die ze vertegenwoordigen als consumenten of als hooggekwalificeerde arbeiders. De veelgeroemde nieuw ontstane ʻtijd en ruimte voor reflectieʼ die de quarantaine creëert, zouden we moeten aanwenden voor het uitwerken van een nieuwe rol, een nieuwe vorm van leven, die anders is dan de dwang om steeds maar weer bij te dragen aan de reproductie van een systeem dat voorbeschikt wie we zijn en wat we moeten doen. Er is anders geen alternatief voor het politieke dilemma dat in de begindagen van de crisis vroom onderdrukt werd maar tegenwoordig steeds koppiger terugkeert: het redden van de economie of het redden van mensenlevens.

Dit dilemma is al vaak genoeg, en terecht, vals genoemd, en toch bakent het de horizon af waarbinnen wij – en vooral onze politieke leiders – nadenken over de omgang op de langere termijn met (de gevolgen van) de pandemie. De normale toestand die door het coronavirus drastisch werd onderbroken, was natuurlijk precies die toestand die het soort ellende waarin we ons nu bevinden überhaupt mogelijk heeft gemaakt. Kapitalisme op wereldschaal betekent het creëren van een wereldwijde hiërarchie in de waarde van mensenlevens, al naar gelang de (potentiële) toevoeging die een mens te bieden heeft aan de reproductie van dat mondiale systeem. Het heeft geleid tot een integratie van alles met alles zonder weerga: productieketens, het circuleren en consumeren van goederen, toerisme, dit alles is mondiaal geworden tot het punt dat de verste uithoeken van de aarde met elkaar verbonden zijn. Het doel van die integratie is de creatie van waarde en de toeëigening daarvan in de vorm van winst. Maar de gevolgen zijn desastreus. Het economische leven is precair, geestesziekten zijn alomtegenwoordig, de opwarming van de aarde dreigt onomkeerbaar te worden, vluchtelingenstromen dijen uit, het nationalisme (xenofobie, racisme) normaliseert. De kwetsbaarheid voor pandemieën is daar nu bijgekomen. Wat we nu aanschouwen, met andere woorden, is een desintegratie van het systeem – een existentiële bedreiging van de volksgezondheid, grootschalige economische schade – die juist het gevolg is van de integratie die ons (althans een kleine minderheid van ons) waarde oplevert. Het huidige overheidsingrijpen kan daarom beter niet gezien worden als een slinkse poging om extreme vormen van surveillance en controle door te voeren – al is dit wel mogelijk – maar eerder als een poging om de schade die de desintegratie veroorzaakt te beperken. Met andere woorden: de leiders van met name westerse landen proberen een onmogelijke realiteit af te dwingen, namelijk een realiteit die wel op kapitalistische wijze geïntegreerd is, maar tegelijkertijd onkwetsbaar is voor de altijd weer onvoorspelbare desintegratie die daarmee tegelijkertijd wordt veroorzaakt. Alleen daarom al voelt het al dan niet voortzetten van de lockdown als een ʻduivels dilemma.ʼ Het is een onmogelijke balanceeract tussen uitzondering en normaliteit, omdat er geen nieuwe wereld opdoemt achter het huidige crisismanagement, waartoe de politiek veroordeeld is.

Onder deze omstandigheden keert de kwestie van de beschikking over leven en dood onopgemerkt terug in het hart van de economische besluitvorming. Dat wil zeggen: dit is de werkelijke kern, de ware aard, van elk politiek systeem, zij het verscholen onder procedures en instituties. Het is niet zozeer zo dat we zodanig zijn teruggeworpen op ons naakte bestaan dat we geen politiek meer kunnen bedrijven, maar dat we het ontwend zijn om politiek te beschouwen als de bij uitstek moderne manier waarop we collectief betekenis kunnen geven aan het leven én aan de dood. De onbeschaamdheid waarmee rechtse politici en opiniemakers – in de V.S., maar ook in Nederland – stellen dat er offers gemaakt moeten worden, opdat de economie niet ten onder gaat, heeft dan ook niks te maken met realisme, moed, of ʻzeggen waar het op staat.ʼ Het is niets meer of minder dat het uitbesteden van het risico om te sterven aan groepen die door hun afkomst, leeftijd, gezondheid, huidskleur of beroep, straffeloos als minderwaardig kunnen worden gezien. Dit verband kan worden uitgelegd als een gevolg van de manier waarop ons economische systeem in zijn pre-corona-toestand was ingericht. Dat systeem eist slachtoffers. De rechtse mening-verkondigers hebben daarom geen enkele moeite met het dilemma economie-mensenlevens. Zolang ze maar niet tot de groep behoren die het niet overleeft (althans, zolang ze dat denken), is de mogelijkheid van de dood de prijs voor de exploitatie van aarde, dier en mens, waar ze hun economische welvaart aan te danken hebben, precies zoals het vóór corona was.

Quasi-diepzinnige reflecties over het aanvaarden van de dood als iets dat bij het leven hoort, moeten we van de hand wijzen. Het probleem met de westerse omgang met de dood is niet dat we het bestaan ervan ontkennen, maar dat we die dood zien als iets dat alleen de Ander overkomt. Het leven zelf, geheel in lijn met wat de neoliberale mentaliteit van concurrentie en zelfverbetering van ons eist, zijn we meer en meer gaan zien als iets dat we bezitten, als een soort ruw materiaal dat we tot perfectie moeten zien te dwingen, waarin allerlei waarde schuilgaat die we er met ʻprojectenʼ en met de juiste carrièrestappen uit kunnen halen, iets dat we kunnen en moeten verlengen, omdat ziekte en uiteindelijk de dood een vorm van kapitaalvernietiging betekenen. De voorstelling van het leven als iets wilds, ontembaars en onvoorspelbaars, iets dat in zekere zin sterker is dan wij zelf, verliest het steeds meer van de kijk op het leven als een zaak van voorspelbare behoeftenbevrediging, plichtsvervulling en verlenging. Maar dat wil niet zeggen dat we het bestaan van de dood ontkennen. Alleen is die dood, in zijn onvoorspelbare en wilde vorm – net zoals het leven – niet meer voor ons. Vluchtelingen gaan dood, in de Middellandse Zee. Hongerige Afrikaanse kinderen gaan dood. Moslims in het Midden-Oosten gaan dood. De ouderen gaan dood, en de eenzamen, de kwetsbaren. En als de economie het eist, dan ook de armen, degenen zonder toegang tot gezondheidszorg, de werklozen en de precaire werkers. Maar niet wij. Wij zijn te veel waard om te sterven, alles houdt op als wij er niet meer zijn.

De eis dat we de dood moeten aanvaarden is daarom volkomen gratuit. Het feit dat er een dodelijk virus rondwaart brengt bij sommigen kennelijk een morbide berusting teweeg, terwijl het bijna psychotisch is als je bereid zou zijn om te sterven voor ʻde economieʼ (sommige Amerikaanse anti-lockdown-activisten schrijven dit daadwerkelijk op hun protestborden). In plaats daarvan zouden we moeten beseffen dat het leven, nog altijd, iets kwetsbaars is. Dat er zorg, liefde en solidariteit voor nodig zijn om het in stand te houden en tot bloei te laten komen, en dat niet alleen tijdens een crisis, maar altijd. Dat we het anders moeten gaan zien dan wat de beperkte tegenstellingen van het kapitalisme ons toestaan, zoals de Italiaanse filosoof Franco Berardi schrijft: ʻaccumulatie is de Ersatz die de dood vervangt door de abstractie van waarde en de artificiële continuïteit van het leven op de markt,ʼ terwijl er ook leven zou kunnen zijn dat ontsnapt aan hiërarchieën en waardebepalingen. Een dergelijke manier van leven vereist een radicale verandering, écht een revolutie, van de dystopische manier waarop we de wereld hebben ingericht: één waarin niet het oude, heerszuchtige, (ver)harde, succesvolle mannelijke subject centraal staat ten koste van al het andere, ten koste van al het mogelijke, maar waarin het de taak van elke samenleving wordt om het leven van mensen, dieren en de aarde zelf permanent te herscheppen tot iets nieuws en tot iets dat we altijd moeten koesteren. Precies dit kunnen we niet overlaten aan onze politieke leiders. Het ʻnieuwe normaalʼ dat ze voor ogen hebben zal een continuering zijn van het oude normaal, en de kosten van het uitblijven van verandering – van de repressieve orde die het evenwicht bewaakt tussen integratie en desintegratie – zullen voor onze rekening komen. Als we willen leven, en niet alleen maar willen overleven, mogen we dit niet toestaan.

Categorieën
Economie Politiek

De terugkeer van de gebruikswaarde?

Oorspronkelijke tekst (Frans): Le Grand Continent, 21 april 2020

fotografie: Ronald Giebel

door Anton Jäger

Anton Jäger (1994) is afgestudeerd in de ideeëngeschiedenis aan de Universiteit van Cambridge. Hij schrijft voor De Groene Amsterdammer, De Morgen, Sabzian, rekto:verso, Apache, Lava en DeWereldMorgen.be.

In een tijd waarin de coronavirus-crisis de mondiale waardeketens verstoort, is de metafoor van de oorlogseconomie alomtegenwoordig – en niet zonder reden, ondanks de gebreken ervan. Deze crisis vraagt inderdaad om gericht overheidsingrijpen, en in deze context is het moeilijk om de grillige aanpassingen van vraag en aanbod, zoals die zich in ʻnormaleʼ economische tijden voordoen, op te vangen. De staat faalt soms, en dit kan leiden tot kritiek van libertariërs. Niettemin is het waarschijnlijk dat het krediet van de staat, in zijn rol van beheerder van de economie, zal worden versterkt.

Om deze situatie te doorgronden kan het nuttig zijn ons te wenden tot filosoof en econoom Otto Neurath, zowel een van de oprichters van de Wiener Kreis als een oorspronkelijke socialistische figuur. Hij was een van de eersten die de oorlogseconomie in een reeks artikelen conceptualiseerde, nog vóór de Eerste Wereldoorlog, en die probeerde daaruit alle consequenties te trekken.

ʻDit is onze voornaamste bevinding. Oorlog dwingt een land om meer aandacht te schenken aan de hoeveelheid goederen die het tot zijn beschikking heeft, en minder aan de hoeveelheid geld die beschikbaar is. Veel meer dan in tijden van vrede wordt in tijden van oorlog duidelijk dat superioriteit een uitvloeisel is van de bewapening, de voedselvoorziening en het transport (al kan financiële superioriteit soms een militaire nederlaag compenseren). Het wordt steeds duidelijker dat geld slechts een middel is om goederen te verkrijgen. De staat eigent zich dit instrument meestal energieker toe in tijden van nood en gebruikt het dan om in zijn behoeften te voorzien. Als geld nutteloos blijkt te zijn, aarzelt de regering niet om de economische orde te veranderen. Als de productiecapaciteit intact is, maar de monetaire arrangementen niet, blijft er nog een laatste optie over – de economie in natura.ʼi

Neurath schreef deze woorden in 1909, bijna vier jaar vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Ze vormen de afsluiting van een reeks artikelen over oorlogsplanning en economie in natura. Op dat moment had hij zijn scriptie over de ʻeconomieën in naturaʼ uit het verleden al afgerond, onder leiding van Eduard Meyer en Gustav Schmoller, decanen van de Duitse geschiedkundige school.

In de jaren twintig van de vorige eeuw creëerde Otto Neurath de Weense Methode van Beeldstatistieken, de voorvader van de Isotype, die sindsdien op grote schaal wordt gebruikt. Deze foto is, net als de volgende, afkomstig uit Gesellschaft und Wirtschaft. Bildstatistisches Elementarwerk, gepubliceerd in 1930.
De terugkeer van de gebruikswaarde

In 1918, toen de revolutie zich over de Oude Wereld verspreidde, werd hij een autoriteit op dit gebied. Zijn onderzoek naar het ʻeconomische equivalent van de oorlog,ʼ om William James te parafraseren, was nu beroemd geworden. Volgens hem kon ʻhet grootste succes worden bereikt door niet rechtstreeks tegen de oorlog te vechten, maar eerder tegen bepaalde tekortkomingen in onze economische orde die tot gevolg hebben dat de gruwelijkheid van de oorlog wordt verminderd en de voordelen ervan worden vergroot.ʼ Zijn conclusie luidde als volgt:

ʻIn onze economie worden in tijden van vrede niet alle energieën volledig benut. Integendeel, daar is soms een oorlog voor nodig. De reden is dat in tijden van oorlog de productiviteit belangrijker is dan de winstgevendheid, en dat de organisatie van het verkeer van mensen, goederen en diensten wordt bevrijd van de beperkingen die anders gebruikelijk zijn. Ook moet worden opgemerkt dat het relatieve bevolkingsoverschot [de werklozen] dat door onze economische orde wordt gecreëerd, dan volledig wordt geabsorbeerd.ʼ

Neuraths visie op oorlogseconomieën was even simpel als meedogenloos: ze schortten de normale werking van de markt op en ʻstuurden de ruilwaarde op vakantie,ʼ zoals William Davies het onlangs verwoordde. Ze dwongen de staat om zich met de economie bezig te houden. De kapitalistische samenleving bewoog zich immers toch al in deze ʻsocialeʼ richting. Vóór de oorlog waren de Britse conservatieven zich al zorgen gaan maken over de industriële schaarste, om de eenvoudige reden dat de Britse samenleving niet genoeg capabele mannen creëerde om oorlog te voeren. De industrie had de arbeidersklasse al ʻgemilitariseerd,ʼ zoals Marx in de zestiger jaren van de 19e eeuw had voorspeld; nu verspreidde deze militarisering zich langzaam door de hele maatschappij.

Dit proces is gepaard gegaan met een reeks belangrijke veranderingen in de structuren van de kapitalistische concurrentie. Heroïsche ondernemers werden als basiseenheden van de kapitalistische markt vervangen door kartels en trusts, die werden gerund door planningsafdelingen en bureaucraten in plaats van door risicominnende zakenlieden. Dit was de basis van het ʻsocialisatiedebatʼ dat de marxisten in de Tweede Internationale vóór de Eerste Wereldoorlog in beroering had gebracht, onder leiding van denkers als Rudolf Hilferding en Charles Steinmetz, die allemaal in het nieuwe bedrijfskapitalisme een individualistische erfenis zagen die op het punt stond te verdwijnen.

Veel socialistische auteurs hoopten dat de op handen zijnde socialisatie van het kapitaal door de grote bedrijven een revolutionaire machtsovername mogelijk zou maken. In zijn boek America and the New Society uit 1916 stelde Steinmetz bijvoorbeeld dat de opkomst van de grote onderneming niets meer of minder was dan ʻde rationele reorganisatie en centralisatie van de productiemiddelen, en dus een noodzakelijke opmaat voor het socialismeʼ; ʻop haar hoogtepunt aangekomen,ʼ zei hij, zou de bedrijfseconomie snel ʻten val komenʼ en zou er een wereldrevolutie volgen. Volgens Neurath was de oorlogseconomie een andere modaliteit van deze immanente socialisatie van het kapitalisme; al vóór de oorlog hadden de monopolies een toenemende staatsinterventie noodzakelijk gemaakt; Neuraths vader sprak van een ʻpan-cartelisme,ʼ waarin de economie zou worden gerund door een klein aantal dominante bedrijven.

Socialisme in de praktijk

De wereldbrand van 1914-1918 versterkte de hypothese van Neurath alleen maar. De staten hadden planningsafdelingen ingericht en hun economieën tot het meest essentiële teruggebracht. De ʻproductie voor de gebruikswaardeʼ werd opnieuw noodzaak, en geweren, schepen en kanonnen gingen allemaal deel uitmaken van de oorlogsinspanning – hoe vreselijk die noodzaak ook mocht zijn.

Neurath had kennis genomen van deze ontwikkelingen. Hij had tijdens de oorlog aan het front gediend en was later overgeplaatst naar de keizerlijke oorlogsbureaucratie. Daar had hij de ʻorganisatorische kwestiesʼ die gepaard gingen met de oorlog, de kiem van de ʻovergangseconomieʼ waarop hij zijn proefschrift had gebaseerde, op de voet gevolgd. Na zijn aanstelling bij het Oostenrijkse ministerie van Oorlog werd Neurath door de nieuwe Münchense Radenrepubliek, die uit de Duitse spartakistenopstand was voortgekomen, uitgenodigd om een plan voor ʻsocialisatieʼ (Vergesellschaftlichung) op te stellen, dat de productiecapaciteit van de regio onder publieke controle zou brengen. In die tijd publiceerde hij een bloemlezing van zijn artikelen over de oorlogseconomie, waarvan het socialisme het gevolg zou zijn.

Maar de ervaring zou geen lang leven beschoren zijn. Na een maand viel het vrijkorps Ritter von Epp de stad binnen, waardoor Duitsland een eerste voorproefje van de nazi-terreur kreeg. De wetenschappelijke reputatie van Neurath heeft er ook onder geleden. Max Weber stelt dat ʻNeuraths werk over de economische geschiedenis van de oudheid altijd in hoog aanzien heeft gestaan,ʼ maar beschouwt zijn Beierse avontuur als een ʻamateuristische, objectief onverantwoordelijke dwaasheid die het “socialisme” honderd jaar lang in diskrediet had kunnen brengen, waardoor alles wat had kunnen ontstaan in de afgrond van een stupide reactie gesleurd had kunnen worden.ʼ

Neurath besloot zijn geluk elders te beproeven. In de jaren twintig van de vorige eeuw vluchtte hij naar Oostenrijk en vestigde hij zich in het administratieve hoofdkwartier van het Rode Wenen.i Hij werd een prominent lid van de Wiener Kreis, die een variant van het linkse positivisme vertegenwoordigde die afstand zou nemen van de orthodoxie van Carnap. Het geheel was een overblijfsel van waar de sociaaldemocratie ooit voor had gestaan; in het debat over socialisatie was alles niet verloren gegaan.

Neo-liberale en libertaire kritiek

Neurath maakte ook vijanden in zijn tijd als bestuurder van het Rode Wenen. Het was de stad van Friedrich Hayek, die in de jaren twintig van de vorige eeuw zijn polemiek tegen de positivistische wetenschapsvisie lanceerde, die hij star en totaliserend vond, en in staat tot volledige integratie. Hij, die de economie zag als een zwarte doos die nooit geopend mocht worden, was geschokt door Neuraths ode aan de universele leesbaarheid, die terug te vinden is in zijn beroemde Isotype en zijn reprise van Diderots Encyclopedie. Volgens Hayek konden economieën niet in kaart worden gebracht of leesbaar worden gemaakt; het waren eerder bovenmenselijke ordes die niet onderhevig waren aan collectieve menselijke actie en zich niet leenden voor een epistemische interpretatie. Hayeks ʻsublieme economieʼ – zoals Quinn Slobodian die noemt – was dus de tegenhanger van de Neurath-economie met zijn planning, kartels en bedrijfsbeheerders. Het is niet overdreven om te zeggen dat Neurath de belangrijkste Nemesis van het primitieve neoliberalisme was; ʻalle fouten van het socialisme verenigd in één persoon,ʼ aldus Hayek.

Maar Neurath had ook geen blijvende vrienden ter linkerzijde. Eind jaren twintig ging hij in dialoog met Max Horkheimer en de eerste Frankfurter Schule. Hij schreef artikelen in het Zeitschrift für Sozialforschung en streefde naar eenzelfde synthese van wetenschap en filosofie ʻdie door het materialisme van Marx werd geëist,ʼ in de woorden van Horkheimer. Maar Horkheimer keerde zich later tegen Neurath en maakte van hem een onttoveringsfilosoof, een apostel van het dorre rationalisme wiens doctrine de weg vrijmaakte voor de ʻtotaal beheerde samenlevingʻ (Adorno) van de naoorlogse periode.

De tendens die Neurath aan het werk had gezien in het primitieve monopoliekapitalisme en de oorlogseconomie was volgens Adorno en Horkheimer reëel genoeg, maar zou niet tot het socialisme leiden. Het was het nazisme dat het Duitse kapitaal had geherstructureerd en de oorlogsplanning had doen herleven. Ten koste van de menselijke waardigheid zelf.

Het nieuwe links en het nieuwe rechts, Horkheimer en Hayek, bewogen zich dus in de richting van dezelfde scepsis jegens het ʻgeorganiseerde kapitalismeʼ dat Neurath in de jaren dertig van de vorige eeuw had bepleit, waarin kartels en trusts nieuwe corporatistische afspraken met de georganiseerde arbeid mogelijk maakten. Het ʻgeorganiseerde kapitalismeʼ was weliswaar georganiseerd, maar nog steeds niet vrij. De geschiedenis had Neurath dus ingehaald, zo lijkt het, toen de filosoof in 1945 in Oxford overleed. In zijn dagboek had hij een opmerkelijke afspraak genoteerd: een debat met Hayek, waarschijnlijk om diens De weg naar slavernij (1944) te bespreken. Die kans is hem ontglipt.

En nu?

Dit verhaal heeft ook een ironische kant. Na enkele decennia van intellectuele hegemonie, die gedeeld werd tussen nieuw rechts en nieuw links, is de wereld vandaag de dag getuige van een belangrijke herconfiguratie van de capaciteit van staten en, als gevolg daarvan, van een reeks politieke herschikkingen. Langzaam maar zeker nemen staten afstand van de theorie van het met zachte hand sturen van de economie van de afgelopen dertig jaar; ze gaan die nu weer steeds nadrukkelijker beheren. De productie voor de gebruikswaarde van Neurath zou weer werkelijkheid kunnen worden; Wallonië heeft nieuwe fabrieken voor beademingsapparaten opgezet, terwijl Duitsland van plan is een aantal van zijn toeleveringsketens in te korten. Zodra deze ingrepen zijn gestabiliseerd, zal het moeilijk zijn om de geest weer terug in de fles te krijgen.

Neuraths voorbeeld kan echter ook misleidend zijn. Samen met anderen van de Tweede Internationale zag hij in de oorlogseconomie van 1914-1918 het bewijs voor de theorie dat de staat de productie van de gebruikswaarde kon plannen. Maar Neurath en zijn generatie opereerden in de marge van een grote socialistische beweging, georganiseerd in partijen, raden en vakbonden, die de socialisatie van een kapitalisme dat zich al aan het socialiseren was, wilde voltooien. Dat kun je vandaag de dag moeilijk zeggen.

Vertaling: Menno Grootveld

i Otto Neurath, ʻWar economy,ʼ in Economic writings selections 1904-1945, Uebel en Cohen, New York, Kluwer, 2005, p. 193. Neuraths eigen bloemlezing uit 1919 heeft een suggestieve titel: Durch die Kriegswirtschaft zu Naturalwirtschaft (Van de oorlogseconomie naar de natuurlijke economie).

i Deze gemeente werd van 1918 tot 1934 bestuurd door de sociaal-democraten.