Categorieën
Economie Politiek

Centrale banken zijn niet meer wat ze waren – en dat is maar goed ook

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 10 februari 2021

fotografie: Centre for International Governance Innovation

door Barry Eichengreen

Barry Eichengreen is hoogleraar economie aan de Universiteit van Californië te Berkeley en een voormalig senior beleidsadviseur bij het IMF

Banken pakken nu uiteenlopende problemen aan, of het nu gaat om Covid-19, klimaatverandering of ongelijkheid. Puristen zijn het er misschien niet mee eens, maar er is geen andere optie

We zijn eraan gewend om te denken dat de opdracht van de centrale banken beperkt blijft tot het handhaven van de prijsstabiliteit, of hoogstens gericht is op de inflatie, en dat ze tegelijkertijd moeten zorgdragen voor een soepele werking van het betalingssysteem. Maar met de wereldwijde financiële crisis van 2008 en nu Covid-19 hebben we gezien dat de centrale banken actief interveniëren om een groeiend aantal markten en activiteiten te ondersteunen, waarbij ze instrumenten gebruiken die veel verder gaan dan rentetarieven en transacties op de open markt.

Een voorbeeld is de Paycheck Protection Program Liquidity Facility van de Amerikaanse Federal Reserve (de Fed, het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken), in het kader waarvan de Fed liquiditeit verstrekt aan kredietverleners die geld lenen aan kleine bedrijven die als gevolg van de pandemie in nood verkeren. Dit is duidelijk niet uw oude vertrouwde centrale bank.

Inmiddels horen we oproepen om dit toepassingsgebied nog verder uit te breiden. De president van de Europese Centrale Bank, Christine Lagarde en Fed-bestuurslid Lael Brainard hebben er allebei bij de centrale banken op aangedrongen de klimaatverandering aan te pakken. Tegen de achtergrond van de Black Lives Matter-beweging heeft afgevaardigde Maxine Waters uit Californië Fed-voorzitter Jerome Powell opgeroepen meer te doen tegen de ongelijkheid, in het bijzonder de raciale ongelijkheid.

Dergelijke oproepen verontrusten de puristen, die waarschuwen dat het opzadelen van de centrale banken met deze extra verantwoordelijkheden hen dreigt af te leiden van hun primaire doelstelling, de inflatiebeheersing. Zij waarschuwen dat het monetair beleid een bot instrument is om klimaatverandering en ongelijkheid aan te pakken; die zouden effectiever kunnen worden bestreden door het belasten van koolstofemissies of het versterken van sociale huisvestingswetten.

Bovenal vrezen de critici dat het nastreven van deze bijkomende doelstellingen de onafhankelijkheid van de centrale banken in gevaar zal brengen. De centrale banken genieten operationele onafhankelijkheid om een specifiek mandaat na te streven, omdat men het erover eens is dat de gemandateerde doelstellingen het best uit handen kunnen worden gehouden van gekozen functionarissen. Maar onafhankelijkheid betekent niet dat de centrale bankiers geen verantwoording verschuldigd zijn aan politici en de publieke opinie. Zij moeten hun daden verantwoorden en uitleggen hoe hun beleidsbeslissingen de gemandateerde doelstellingen bevorderen. Hun succes of falen kan worden beoordeeld aan de hand van de vraag of de centrale bank al dan niet haar onafhankelijk controleerbare doelstellingen heeft bereikt.

Met een sterk uitgebreid mandaat zou de relatie tussen beleidsinstrumenten en doelstellingen complexer worden. De motivering van beleidsbeslissingen zou moeilijker over te brengen zijn. Succes of falen zou lastiger te beoordelen zijn. Aangezien het monetaire beleid slechts een beperkte invloed heeft op de klimaatverandering of de ongelijkheid, zou het nastreven van dergelijke variabelen ervoor zorgen dat de centrale bank faalt in het bereiken van haar doelstellingen. En de frustratie over dat falen zou politici ertoe kunnen brengen de operationele onafhankelijkheid van de centrale bank te heroverwegen.

Deze argumenten zijn niet onzinnig. Tegelijkertijd mogen de centrale bankiers niet rustig in een hoekje gaan zitten slapen, terwijl we geconfronteerd worden met een noodsituatie waarin het alle hens aan dek is. Oproepen aan de centrale banken om de klimaatverandering en de ongelijkheid aan te pakken weerspiegelen het besef dat deze problemen het niveau van existentiële crises hebben bereikt. Als centrale bankiers ze niettemin zouden negeren, of zouden zeggen: ʻDeze dringende problemen kunnen het best door iemand anders worden aangepakt,ʼ zou hun reactie worden gezien als een hooghartig en gevaarlijk vertoon van onverschilligheid. Op dat moment zou hun onafhankelijkheid pas werkelijk in gevaar zijn.

Dus: wat te doen? Centrale banken beschikken als toezichthouders over instrumenten om de klimaatverandering aan te pakken, en hun verantwoordelijkheid om de integriteit en stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen geeft beleidsmakers het mandaat om die instrumenten ook te gebruiken. Zij kunnen uitgebreidere klimaatgerelateerde financiële informatieverplichtingen eisen. Zij kunnen strengere kapitaal- en liquiditeitsvereisten opleggen aan financiële instellingen, waarvan de activaportefeuilles hen blootstellen aan klimaatrisicoʼs. Dergelijke instrumenten zullen het financiële systeem ontmoedigen om ʻbruineʼ beleggingen te waarborgen.

Het probleem bij het begrijpen van de risicoʼs van de klimaatverandering voor de financiële stabiliteit is dat klimaatgebeurtenissen onregelmatig en niet-lineair zijn. Bij het modelleren ervan is het belangrijk dat de centrale banken de fouten vermijden die zij maakten bij het modelleren van Covid-19. Die problemen ontstonden omdat economen en epidemiologen in hun eigen siloʼs werkten. Men kan dus aan pleitbezorgers als Lagarde en Brainard vragen: Hoeveel klimaatwetenschappers hebben de centrale banken in dienst genomen? Wanneer zullen zij met hun werk beginnen?

Wat de ongelijkheid betreft hebben sommige centrale banken nu al het relevante mandaat. In de Verenigde Staten draagt de Community Reinvestment Act uit 1977 de toezichthouders, waaronder de Fed, op ervoor te zorgen dat gezinnen met een laag of gemiddeld inkomen voldoende toegang krijgen tot krediet. De Fed heeft deze verantwoordelijkheid gedelegeerd aan haar 12 regionale reservebanken, die zich elk op verschillende manieren van deze taak kwijten. Strengere richtlijnen van de Federal Reserve Board over hoe de gelijke toegang tot krediet precies moet worden verzekerd, met expliciete aandacht voor raciale ongelijkheid, zou de bestaande inspanningen versterken.

Voor andere centrale banken, zoals de ECB, zou het iets nieuws zijn om de toegang tot krediet voor minderheids- en kansarme groepen aan te pakken. Maar het Europees Parlement kan daartoe opdracht geven. En de Raad van Bestuur van de ECB kan samenwerken met de nationale instellingen die samen het Europees Stelsel van Centrale Banken vormen om aan deze oproep tegemoet te komen.

Het monetair beleid heeft gevolgen voor andere zaken dan inflatie en betalingen, zoals de klimaatverandering en de ongelijkheid. Het zou oneerlijk en zelfs gevaarlijk zijn als de centrale bankiers deze verbanden zouden ontkennen of zouden volhouden dat anderen deze problemen maar moeten oplossen. De beste weg voorwaarts voor de centrale bankiers is het monetaire beleid te gebruiken om inflatie tegen te gaan, terwijl ze hun toezichthoudende bevoegdheden richten op andere dringende problemen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie

Waarom de GameStop-affaire een perfect voorbeeld is van ʻplatformpopulismeʼ


Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 3 februari 2021

fotografie: Annette Hornischer

door Evgeny Morozov

Evgeny Morozov is de oprichter van de Syllabus, en de auteur van verschillende boeken over technologie en politiek

Net als Uber, Airbnb of WeWork biedt de beursmakelaarsapp Robinhood slechts een illusie van democratie

De GameStop-saga is, ondanks alle verwoestingen die zij op de wereldmarkten heeft aangericht, niet alleen een verhaal van idealistische individuele beleggers die een stel arrogante hedgefondsen hebben vernederd. Hoe dan ook voelt het als een onaangekondigd vervolg op de rellen van 6 januari op Capitol Hill: in beide gevallen ging het om een horde woedende, grofgebekte socialemedia-verslaafden die de heiligste instellingen van het diepgaand verafschuwde establishment belegerden.

Maar terwijl de relschoppers in Washington alom werden veroordeeld, is het degenen die de virtuele kruistocht tegen Wall Street ondernamen veel beter vergaan. Door de aandelen van stoffige, worstelende bedrijven te verdedigen tegen hebzuchtige hedgefondsen, hebben zij enige sympathie losgemaakt door het hele politieke spectrum heen.

De voornaamste les van de twee rellen, althans voor de digitale tegencultuur, lijkt duidelijk. De ware sjamanen van de anti-establishment-rebellie moeten vandaag de dag de kunst beheersen van het handelen in aandelenopties en derivaten, en niet die van het beklimmen van muren en het zwaaien met Confederatie-vlaggen. De revolutie mag dan gelivestreamd, getweet en uitgezonden worden, het is waarschijnlijk nog steeds een goed idee om een back-up te maken van die Excel-spreadsheet.

Dat de kruistocht van GameStop waardig lijkt, heeft deels te maken met de – op zijn zachtst gezegd – nogal controversiële reputatie van de hedgefondssector. Er is echter nog een andere, minder voor de hand liggende reden voor de bijval in de publieke sfeer: velen van ons zijn betoverd door de retoriek van ʻdemocratiseringʼ die gepaard is gegaan met de opkomst van goedkope online beursmakelaarsplatforms.

Eén zoʼn platform – Robinhood – heeft gezorgd voor de cruciale digitale infrastructuur achter de GameStop-rebellie, door gewone mensen in staat te stellen via hun telefoon voor kleine bedragen aandelen in bedrijven te kopen. De missie van het platform, die de oprichters de afgelopen jaren bijna ad nauseam hebben herhaald, is het ʻdemocratiseren van de financiële sector.ʼ

Op het eerste gezicht lijkt dit een natuurlijk uitvloeisel van de verheven missie van indexfondsen zoals Vanguard uit het begin van de jaren zeventig. In die tijd ging het om het idee om veilige financiële instrumenten te creëren, die het voor gewone mensen heel eenvoudig – en goedkoop – zouden maken om in de aandelenmarkt te beleggen, zonder veel voorkennis of expertise te hoeven vergaren.

Robinhood ziet zichzelf echter niet als het zoveelste saaie en volstrekt verwaarloosbare beursmakelaarskantoor op Wall Street. Het wil eerder gezien worden als een revolutionaire, ontwrichtende kracht uit Silicon Valley. Als je als zoʼn digitaal platform wordt gezien, doet dat wonderen voor je waardering: de benchmark is Amazon, niet een of ander onbekend beleggingsfonds.

Robinhoods democratiseringsretoriek moet dus in een ander licht worden gezien. De stamboom van Robinhood wijst eerder in de richting van Uber, Airbnb en WeWork dan in die van Vanguard of BlackRock. Al deze digitale bedrijven beloofden het een of het ander te zullen ʻdemocratiserenʼ – het vervoer, huisvesting, kantoorruimte – en dat ook snel te zullen doen.

Al spoedig kon deze ontluikende industrie, met haar zoete belofte van democratie als dienst, zich niet meer inhouden: het wereldwijde streven naar de democratisering van het uitlaten van honden, babysitten, sapmaken en de was doen was begonnen. Deze doelen werden nagestreefd met behulp van durfkapitalisten en diverse institutionele beleggers die, onder druk gezet door de lage rente als gevolg van de wereldwijde financiële crisis, steeds minder goed wisten waar ze hun geld konden parkeren.

Dit was echter niet het hele verhaal: de drang om alles te democratiseren werd ook aangewakkerd door onwrikbare bakens van de liberale democratie als de regering van Saoedi-Arabië. Door een partnerschap aan te gaan met de Japanse SoftBank financierde Saoedi-Arabië deze mythe door miljarden te pompen in bedrijven als Uber en WeWork.

Deze enorme toevloed van geld, in combinatie met werkelijk nieuwe bedrijfsmodellen die bepaalde diensten waar voorheen voor betaald moest worden nominaal gratis maakten, creëerde een illusie van vooruitgang en sociale mobiliteit. Veel digitale platforms werden zwaar gesubsidieerd door hun kapitaalkrachtige geldschieters of brachten helemaal niets in rekening; de gederfde inkomsten moesten worden gecompenseerd door gebruikersgegevens en meer geavanceerde diensten te gelde te maken.

Het onvermijdelijke proces van ʻdemocratisering,ʼ dat door alle platforms werd aangeprezen als bewijs van hun eigen sociaal-progressieve aard, was dikwijls het resultaat van eenvoudige rekensommetjes. In gevallen als WeWork klopten die rekensommetjes niet eens. Of Robinhood, dat nu in grote haast 1 miljard dollar extra heeft binnengehaald, meer geluk zal hebben, valt nog te bezien.

Voor de meeste van deze bedrijven hebben de zoete beloften van ʻdemocratiseringʼ dergelijke wiskunde irrelevant gemaakt, althans op de korte termijn. Dit verklaart waarom de tech-industrie is uitgegroeid tot de belangrijkste leverancier van populisme over de hele wereld.

Dit lijkt misschien een overdrijving. We zijn geneigd het gevreesde P-woord te reserveren voor de Bannons, Orbáns en Erdoğans van deze wereld, maar moeten we Bezos of Zuckerberg – en het in aandelen handelende Robinhood-leger – niet eveneens in deze termen benoemen?

Dat kunnen we en dat zouden we ook moeten doen. Nu alle ogen gericht zijn op het Trump-populisme – primitief, giftig, nativistisch – hebben we de rol van de platforms in de opkomst van een ander, nogal afwijkend type populisme volledig over het hoofd gezien: dat populisme is verfijnd, kosmopolitisch en stedelijk. Dit ʻplatform-populisme,ʼ dat zijn oorsprong vindt in Silicon Valley, heeft zich kunnen ontwikkelen door verborgen, reactionaire krachten te ontwrichten die vooruitgang en ʻdemocratiseringʼ in de weg staan – door de krachten van digitale technologieën te ontketenen.

Het platformpopulisme wordt aangedreven door de bijna samenzweerderige overtuiging dat de wereld niet is wat hij lijkt. De gevestigde bedrijven – taxiʼs, hotels, hedgefondsen – zouden de regels van het spel zodanig veranderd hebben dat hun eigen belangen worden bevoordeeld. Alleen door ze te ontwrichten kan men hopen alle voordelen te oogsten die digitale technologieën mogelijk maken. Met dit doel voor ogen beloven de platforms de krachten van het kapitalisme te ontketenen om deze woeste overblijfselen van de vroegere, pre-digitale cultuur te beschaven.

Een groot deel van de rigiditeit van de pre-digitale gevestigde machten zou het gevolg zijn van de regelgeving die door democratische (zij het kapitalistische) staten is opgelegd. Maar in de omgekeerde wereld van het platform-populisme is het verzet tegen democratische regelgeving, door de onderwerping daarvan aan de aanhoudende economische druk van de kapitalistische concurrentie, een onweerlegbaar bewijs voor ʻdemocratisering.ʼ Vandaar het verzet van sommige van deze bedrijven tegen wetgeving die is bedoeld om hen ertoe te bewegen hun gig economy-werknemers als echte werknemers te behandelen.

Dat veel van de retoriek van het platformpopulisme vals is en dat de uiteindelijke winnaars partijen als SoftBank en Saoedi-Arabië zullen zijn, doet er niet veel toe. Bij het platformpopulisme, dat geen eigen coherente politieke ideologie heeft, gaat het om het proces, niet om de resultaten. Het doel is om te bewijzen dat, ondanks alle machinaties van overheidsbureaucraten met hun vervelende regelgeving, onze individuele daadkracht nog steeds springlevend is. Het is zeker niet de bedoeling deze daadkracht in te zetten voor de verwezenlijking van een bepaalde politieke agenda op de langere termijn.

Veel van de boze kruisvaarders die het opnemen tegen de hedgefondssector zijn zich er dus zeker van bewust dat hun winsten tijdelijk en vluchtig zullen zijn. Maar wie kan hen het plezier ontzeggen van het bevestigen van hun eigen macht door ʻde man een oor aan te naaien,ʼ terwijl ze weten dat de enige langetermijnwinst van dit proces andere hedgefondsen ten goede zal komen, zoals BlackRock, dat naar schatting miljarden heeft verdiend aan de stormloop op GamesStop? In plaats van een welgemeende poging om de democratie te verdiepen blijkt het platformpopulisme een kluchtige – zij het zeer winstgevende – theatervoorstelling.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Corruptie voor iedereen!

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Spectator, 1 februari 2021

fotografie: Ulf Andersen

door Slavoj Zizek

Slavoj Zizek is cultuurfilosoof. Hij is senior onderzoeker aan het Instituut voor Sociologie en Filosofie van de Universiteit van Ljubljana, Global Distinguished Professor of German aan de Universiteit van New York, en internationaal directeur van het Birkbeck Institute for the Humanities van de Universiteit van Londen.
Zijn boek ‘Als een dief op klaarlichte dag‘ is onlangs verschenen bij onze uitgeverij Starfish Books.

Wat het verhaal van wallstreetbets ons vertelt

Toen de Kroatische filmregisseur Dario Jurican meedeed aan de presidentsverkiezingen van 2019 in zijn land, beloofde zijn campagneslogan – ʻcorruptie voor iedereenʼ – dat ook normale mensen zouden kunnen profiteren van de vriendjespolitiek. De mensen reageerden enthousiast, hoewel ze wisten dat het een grap was. Een soortgelijke dynamiek doet zich nu voor bij de wallstreetbets subreddit, die het financiële systeem ondermijnt door zich er te veel mee te identificeren of, beter gezegd, door het te universaliseren en zo de ingebouwde absurditeit ervan aan het licht te brengen.

Het verhaal is welbekend, maar laten we het even kort samenvatten. Wallstreetbets (WSB) is een online groep waarin miljoenen deelnemers de handel in aandelen en opties bespreken. Hij valt op door zijn godslasterlijke aard en de promotie van agressieve handelsstrategieën. De meeste leden zijn jonge amateurs die fundamentele beleggingspraktijken en risicobeheertechnieken negeren, zodat hun activiteit als gokken kan worden aangemerkt. De leden hebben onlangs massaal belegd (en anderen aangemoedigd om dit te doen) in de aandelen van GameStop (een bedrijf dat op de markt aan waarde had ingeboet), waardoor de koers van GameStop is gestegen en er nog meer paniek en schommelingen op de markt zijn ontstaan.

Het besluit om in GameStop te beleggen werd niet zozeer ingegeven door wat er met het bedrijf aan de hand was, maar eerder door de mogelijkheid om tijdelijk de waarde van de aandelen te verhogen en vervolgens met de koersschommelingen te spelen. Dit betekent dat er sprake is van een soort zelfreflexiviteit, die kenmerkend is voor wallstreetbets: wat er gebeurt in de bedrijven in wier aandelen de deelnemers beleggen is van secundair belang. De deelnemers rekenen in de eerste plaats op de gevolgen van hun eigen activiteiten (het massaal kopen of verkopen van de aandelen van een onderneming) voor de markt.

Critici zien in een dergelijke houding een duidelijk teken van nihilisme, van het reduceren van de aandelenhandel tot gokken – of, zoals een van de WSB-deelnemers het uitdrukte: ʻIk ben van een rationele belegger veranderd in een zieke, irrationele, wanhopige gokker.ʼ Dit nihilisme wordt het best geïllustreerd door de term ʻyoloʼ (You Only Live Once) die in deze gemeenschap wordt gebruikt om mensen aan te duiden die hun hele portefeuille riskeren aan de handel in één enkel aandeel of één enkele optie.

Maar het is niet eenvoudigweg nihilisme dat de deelnemers motiveert: hun nihilisme duidt op onverschilligheid ten aanzien van het eindresultaat – of, zoals Jeremy Blackburn, een universitair docent computerwetenschappen aan de Universiteit van Binghamton, het formuleerde: ʻHet is niet eens het doel dat telt. Het zijn de middelen. Het is het feit dat je deze weddenschap kunt aangaan, dat is waar de waarde van dit alles in schuilt. Natuurlijk, je kunt geld winnen, of je kunt blut raken, maar hoe dan ook heb je het spel gespeeld, en je hebt dat op een gekke manier gedaan.ʼ

In zijn psychoanalytische theorie maakt Jacques Lacan onderscheid tussen direct genot (van het object dat we willen) en surplus-genot. Veel mensen genieten bijvoorbeeld meer van de activiteit van het winkelen dan van wat ze daadwerkelijk kopen. De leden van wallstreetbets hebben dit surplus-genot van gokken op de effectenbeurs aan de oppervlakte gebracht.

De aantrekkingskracht van wallstreetbets houdt in dat miljoenen gewone mensen eraan deelnemen. Er is een nieuw front geopend in Amerikaʼs klassenstrijd – zoals Robert Reich tweette: ʻDus als ik het goed begrijp: Redditors die GameStop op de korrel nemen is marktmanipulatie, maar hedgefondsmiljardairs die short gaan in een aandeel is gewoon een beleggingsstrategie?ʼ Wie had dat nou verwacht – een klassenstrijd die is veranderd in een conflict tussen aandelenbeleggers en -handelaars zelf?

Het is dus opnieuw ʻkill the normies,ʼ om de titel van Angela Nagleʼs boek nog maar eens aan te halen. In dit geval zijn de ʻnormiesʼ de zogenaamde rationele beleggers en hedgefondsbeheerders. Maar deze keer moeten de normies daadwerkelijk worden ʻgedoodʼ (geëlimineerd). We bevinden ons in een situatie waarin Wall Street, het toonbeeld van corrupte speculatie en handel met voorkennis, dat zich altijd per definitie verzet tegen staatsinterventie en regulering, zich nu keert tegen oneerlijke concurrentie en oproept tot staatsinterventie. Kortom, wallstreetbets doet openlijk wat Wall Street decennialang in het geheim heeft gedaan.

De utopie van het populistisch kapitalisme – het ideaal van miljoenen mensen die overdag gewone arbeiders of studenten zijn en ʼs avonds met beleggingen spelen – is natuurlijk onmogelijk te verwezenlijken; het kan alleen maar uitlopen op een zelfvernietigende chaos. Maar ligt het niet in de aard van het kapitalisme om periodiek in crises terecht te komen – de Grote van 1928 en de financiële ineenstorting van 2008, om de twee bekendste voorbeelden te noemen – en daar zelfs nog sterker uit tevoorschijn te komen?

In al die oude gevallen was (en is) het echter onmogelijk om via marktmechanismen het evenwicht te herstellen, omdat de prijs te hoog is, zodat een massieve externe (staats)interventie nodig is. Kan de staat het spel dan weer controleren en de door wallstreetbets verwoeste normaliteit herstellen?

Wat is de oplossing? De excessen van wallstreetbets hebben de latente irrationaliteit van de beurs zelf aan het licht gebracht. Het is geen opstand tegen Wall Street, maar iets wat in potentie veel gevaarlijker is: het ondermijnt het systeem door zich ermee te over-identificeren, net als die presidentskandidaat in Kroatië dat deed met zijn plakkaat.

Ja, wat de leden van wallstreetbets doen is nihilistisch, maar het is een nihilisme dat inherent is aan de beurs zelf, een nihilisme dat in Wall Street al werkzaam is. Om dit nihilisme te overwinnen, zullen we uit het spel van de effectenbeurs moeten stappen. Het moment van socialisme ligt op de loer, wachtend om te worden aangegrepen, aangezien het centrum van het wereldwijde kapitalisme zelf uit elkaar begint te vallen.

Zal dit ook echt gebeuren? Vrijwel zeker niet, maar wat ons zorgen moet baren is dat deze jongste crisis een nieuwe onverwachte bedreiging is voor een systeem dat al van meerdere kanten wordt aangevallen (door de pandemie, de opwarming van de aarde, sociale protesten…). Bovendien komt deze bedreiging uit het hart van het systeem zelf en niet van buitenaf. Er is een explosief mengsel in de maak, en hoe langer de explosie wordt uitgesteld, hoe verwoestender zij kan zijn.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie

De GameStop-zeepbel is een les in de absurditeit en nutteloosheid van de aandelenmarkt

Oorspronkelijke tekst (Engels): Jacobin, 27 januari 2021

fotografie: Behind The News

door Doug Henwood

Doug Henwood redigeert Left Business Observer en is de gastheer van Behind the News. Zijn jongste boek is My Turn.

De online-grappenmakers achter de grote GameStop-zeepbel van 2021 gaan waarschijnlijk veel geld verliezen. Maar ze hebben de wereld een dienst bewezen door ons te herinneren aan de volslagen nutteloosheid van de aandelenmarkt, een institutie die geen ander doel dient dan een klein aantal mensen rijk maken die dat niet verdienen.

Wie had gedacht dat GameStop zelf zoʼn spelletje zou worden?

Afgelopen zomer werd de videogamewinkel gezien als een wegkwijnend bedrijf. Het verloor geld, de omzet was al jaren aan het dalen en de aandelen werden verhandeld voor ongeveer 4 dollar per stuk. Op het moment dat ik dit schrijf worden de aandelen verhandeld voor 339 dollar per stuk. Eén dag geleden was dat nog 148 dollar. Geen slecht rendement binnen één etmaal, 129 procent. Drie dagen eerder stond het op aandeel nog op 38 dollar. In een week tijd is de koers bijna vertienvoudigd. Maar waarom?

Om dat te kunnen beantwoorden moet ik het concept van short selling uitleggen, dat de meeste burgers bijna onbegrijpelijk vinden. Een shorttransactie is een weddenschap dat een aandeel (of een ander speculatief activum, zoals een obligatie of goud) in prijs zal dalen. Maar om die weddenschap aan te gaan, moet je iets verkopen dat je nog niet bezit, wat geen normaal gedrag is. Om dit te verwezenlijken moet je de aandelen lenen van iemand die ze wel bezit. Zoals bij elke lening moet je rente betalen over het geleende goed. En je moet ook wat onderpand in bewaring geven bij je beursmakelaar, als garantie dat je het geld kunt terugbetalen. De hoop is dat de koers zal dalen, en dat je de aandelen tegen een lagere koers zult kunnen kopen. Je winst is het verschil tussen de oorspronkelijke verkoopprijs en de uiteindelijke aankoopprijs, minus de rente die je op het geleende goed hebt betaald.

Maar wat als je het mis hebt en de koers stijgt? Dan zit je in de problemen. Wanneer je een aandeel koopt, loopt je altijd het risico dat je de volledige aankoopprijs zult verliezen – maar nooit méér dan dat. Bij short selling is er, als je ongelijk blijkt te hebben, geen vooraf bepaalde limiet aan wat je kunt verliezen als de koers blijft stijgen. En als de koers blijft stijgen, zal je makelaar meer onderpand eisen in de vorm van echt geld. Je hebt dan de keuze tussen opgeven – je shortpositie afdekken en je verlies nemen – of meer onderpand in een verliesgevende positie blijven steken, in de hoop dat de zaken tenslotte in je voordeel zullen veranderen.

Terug naar GameStop. In augustus vorig jaar begon belegger Ryan Cohen, die de online dierenvoedingshandel Chewy oprichtte en met een mooie winst verkocht, GameStop-aandelen te kopen. Hij zei tegen het bedrijf dat het mee moest gaan met het digitale tijdperk, veel winkels moest sluiten en online moest gaan. Beleggers, die een betere toekomst verwachtten voor de kwakkelende detailhandelaar, kochten de aandelen, waardoor de koers eind november verdrievoudigd was. Dat was wellicht ongerechtvaardigd optimisme, maar niet buitensporig. Maar sommige hedgefondsen, met name Melvin Capital Management, begonnen GameStop te shorten, omdat ze dachten dat de verhalen over het herstel niet klopten.

En toen verschenen de habitués van subreddit Wall Street Bets ten tonele, met een gebruiker die bekend is onder de naam DeepFuckingValue als een van de aanvoerders, die het aandeel begonnen op te hemelen en aandelen begonnen te kopen. Ze werden niet alleen gemotiveerd door het vooruitzicht om geld te verdienen, maar ook door het plezier (de ʻlulzʼ) van het failliet laten gaan van een paar hedgefondsen. Ze begonnen het aandeel in grote hoeveelheden op te kopen. De daaropvolgende koersstijging dwong shorters zoals Melvin om zich in te dekken. Hun vraag naar het aandeel deed de koers exploderen.

GameStop is daardoor een van de grootste zeepbellen van onze tijd geworden. Op dinsdag 26 januari werden er meer aandelen van GameStop verhandeld dan van Apple, het duurste bedrijf ter wereld, met een totale marktwaarde die 108 keer hoger ligt dan die van de detailhandelaar. Zoals James Mackintosh van de Wall Street Journal het formuleerde, duiden de koersstijging en het handelsvolume samen op ʻwijdverspreide verstoringen van het oordeelsvermogen van mensen.ʼ

Zeepbellen zoals deze eindigen altijd in een crash, en de Reddit-gebruikers die hun aandelen nog niet verkocht hebben zullen achterblijven met een lege portemonnee. (Verrassend genoeg lijkt het nieuws dat Melvin zijn short-positie op de avond van dinsdag 26 januari heeft afgewikkeld de feestelijkheden niet te hebben getemperd. Een zeepbel houdt meestal veel langer aan dan de meeste rationalisten kunnen voorspellen). Intussen is het grappig om sommige Wall Streeters te zien klagen dat er iets oneerlijks in deze actie schuilt, omdat dit het soort spelletjes is dat zijzelf voortdurend met elkaar en met het grote publiek spelen. Ze praten aandelen omhoog of omlaag, afhankelijk van hun belangen, en spannen voortdurend samen tegen wat zij zien als zwakke of kwetsbare spelers. De speculanten met namen als DeepFuckingValue, die hen nu pijn laten lijden, zijn in hun ogen alleen het verkeerde soort mensen, want ze wonen niet in Greenwich, in een huis met een garage voor twintig autoʼs.

Nog amusanter zijn de serieuze types die denken dat deze spelletjes op de een of andere manier de werking van de aandelenmarkt verstoren. Zoals columnist Josh Barro van Business Insider op Twitter verklaarde: ʻIk weet dat mensen denken dat dit leuk is, maar – waarom hebben we een aandelenmarkt? Zodat productieve bedrijven kapitaal kunnen ophalen om nuttige dingen te doen. Als de aandelenprijs losgekoppeld is van de fundamentele waarde (Gamestop is nu bijna evenveel waard als Best Buy), dienen de markten de reële economie slechter.ʼ

Wat grappig is aan deze opmerkingen, afgezien van hun serieusheid temidden van alle kolder, is dat de aandelenmarkt bijna niets te maken heeft met het aantrekken van geld voor productieve investeringen. Bijna alle aandelen die op de markt verhandeld worden, inclusief die van GameStock, zijn al jaren geleden uitgegeven, wat betekent dat bedrijven geen dubbeltje van de dagelijkse aandelenhandel zien. Bedrijven geven af en toe aandelen uit, bij zogenaamde beursintroducties (IPOʼs), maar volgens de data van hoogleraar financiën Jay Ritter hebben IPOʼs de afgelopen twintig jaar in totaal 657 miljard dollar opgebracht, nog geen 2 procent van de totale bedrijfsinvesteringen in zaken als gebouwen en apparatuur in diezelfde periode. In tegenstelling tot Barroʼs voorstelling van zaken financieren bedrijven in de echte wereld bijna al hun investeringsmiddelen intern, via de winst. In plaats van geld bij de aandeelhouders op te halen, bezorgen bedrijven die aandeelhouders juist grote hoeveelheden geld. Sinds 2000 hebben de vijfhonderd grote bedrijven die samen de Standard & Poor’s 500-index vormen, 8,3 biljoen dollar uitgegeven aan het opkopen van hun eigen aandelen om de koers ervan op te drijven – ruim de helft van hun winst in die periode, en gelijk aan bijna 20 procent van de bedrijfsinvesteringen in die twee decennia. Het terugkopen van aandelen maakt niet alleen de aandeelhouders gelukkig, maar vult ook de salarissen van de CEOʼs aan, aangezien bazen tegenwoordig voornamelijk in aandelen worden betaald.

Afgezien van de ʻlulzʼ is dit drama, net als de schijnbaar eindeloze stijging van de aandelenkoersen sinds 2009, die slechts kort werd onderbroken door de COVID-19-paniek van afgelopen maart, een teken van een financieel systeem dat totaal geen voeling meer heeft met de economische realiteit. Biljoenen aan overheidssteun aan bedrijven en injecties van de Federal Reserve (het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken) in de financiële markten hebben een monsterlijke geldstroom op gang gebracht, die nergens anders heen kan dan naar speculatieve activa, op een moment dat de ICʼs overbelast zijn en 24 miljoen mensen aan enquêteurs van het Census Bureau vertellen dat ze moeite hebben om genoeg te eten te krijgen. Barro zou er beter aan doen zich dáár zorgen over te maken.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie

De echte les van het GameStop-verhaal is de kracht van de zwerm

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 30 januari 2021

fotografie: Advaya

door Brett Scott

Brett Scott is een voormalig beursmakelaar en de auteur van The Hereticʼs Guide to Global Finance

Toen ik nog in de financiële wereld werkte, was het een veelgehoorde grap dat daghandelaren – kleine ʻretail-tradersʼ – als kevers de stront uitpluizen van de grote fondsen die de echte drijvende kracht achter de markten zijn. Zij bevinden zich in een zwakke positie, gezien hun gebrek aan kapitaal en coördinatie, maar een hele industrie van ʻretail brokersʼ (kleine beursmakelaars) – tegenwoordig geïllustreerd door bedrijven als Robinhood – is bedoeld om de mythe van hun heldenstatus te cultiveren.

Dat is de reden dat het GameStop-verhaal opvalt. In zijn boek Liarʼs Poker beschreef voormalig Wall Street-broker Michael Lewis machtige handelaren die voor grote investeringsbanken werken als ʻbig swinging dicksʼ (grote zwaaiende lullen), maar de aantrekkingskracht van de GameStop-saga vloeit voort uit het feit dat een zwerm ʻkleine zwaaiende lullenʼ zich schijnbaar heeft verenigd tot één gigantische zwaaiende lul die de zwaartekracht trotseert om de koers van een aandeel ver boven de werkelijke onderliggende waarde te laten uitstijgen.

Aandelenhandelaren zijn er in twee soorten. De eerste soort bestaat uit detectives, die het bedrijf waar een aandeel betrekking op heeft bestuderen, een proces dat ʻfundamentele analyseʼ wordt genoemd. De tweede soort doet aan ʻtechnische analyses,ʼ waarbij ze de acties bestuderen van degenen die aan fundamentele analyses doen. Daghandelaren zijn berucht om hun voorkeur voor technische analyses, omdat ze geen toegang hebben tot bedrijven of analistenteams, en dus gedwongen zijn op fora samen te komen om grafieken te bespreken die de acties van andere handelaren weergeven.

Dit is waar veel marktsurrealisme ontstaat, want het blijkt dat al die grafieken waar technische handelaren naar kijken ook de acties weerspiegelen van andere technische handelaren. Als handelaren naar handelaren kijken die naar handelaren kijken, in plaats van naar het bedrijf in kwestie, komt de markt in een schemerzone terecht.

Dat is gebeurd in het geval van GameStop. De aandelenkoers heeft zich bijna volledig losgemaakt van het bedrijf zelf, maar iedereen is zich daar door een merkwaardige speling van het lot bewust van geworden, en in plaats van zich terug te trekken hebben beleggers dit feit met nihilistische uitbundigheid omarmd. De stijging van de aandelenkoers van GameStop stond symbool voor pure ʻirrationaliteitʼ – alles wat volgens de economieboeken niet zou mogen gebeuren. Daarom lijkt het zo symbolisch. Maar waar is het een symbool van?

Een populaire interpretatie op dit moment is dat het om een David-en-Goliath-achtig gevecht gaat tegen hedgefondsen die hebben ingezet op een daling van de aandelenkoers door middel van ʻshorten.ʼ Beschouw shorters als mensen die kaartjes voor een concert lenen, die aan de deur verkopen aan mensen die proberen binnen te komen, vervolgens aan iedereen vertellen dat het theater in brand staat, om daarna buiten te wachten om ze tegen een uitverkoopprijs terug te kopen, alvorens ze weer terug te geven aan de oorspronkelijke eigenaren en er met de winst vandoor te gaan.

In dit geval stonden de shorters ʻaan de theaterdeur te wachtenʼ om de GameStop-aandelen te kopen waarop ze ʻshort waren gegaanʼ (waartegen ze hadden gespeculeerd). Citron, het hedgefonds dat in dit verhaal verwikkeld is geraakt, maakt fundamentele analyses alvorens short te gaan en verspreidt het nieuws vervolgens luidkeels onder technische handelaren, in de hoop dat zij naar de uitgang zullen vluchten. Maar om een of andere reden besefte de kudde nu echter dat Citron en vele andere short-sellers stonden te popelen om de aandelen terug te kopen, en in plaats van zich naar de uitgang te haasten om hen in staat te stellen te cashen, trokken ze zich terug en sloten ze zichzelf in het theater op, wetende dat de short-sellers zich uiteindelijk ʻhet theater inʼ zouden moeten haasten om de aandelen terug te kopen, wat tot een zogeheten short squeeze zou leiden.

Het GameStop-verhaal is interessant, omdat het door memes werd aangedreven. De daghandelaren hebben gebruik gemaakt van de gilde-achtige, tribale structuren van Reddit en de gemeenschap van gamers om zichzelf te transformeren in die ʻreusachtige zwaaiende lulʼ die zich te weer stelt tegen de grote lullen van de hedgefondsen.

Lul-metaforen zijn toepasselijk, omdat de daghandel altijd een rijk van mannenbroeders is geweest, en hierin ligt nóg een mogelijke interpretatie van de gebeurtenissen besloten. Vroeger maakte de industrie van retail brokers bijna uitsluitend gebruik van machobeelden om mannelijke handelaren op pad te sturen om de markten te bevechten, maar sommige platforms die centraal staan in het GameStop-verhaal zijn een beetje anders. Robinhood was een van de eerste ʻwokeʼ-handelsapps, gericht op millennials. Die speelde in op een emo-versie van het ʻbullshit jobsʼ-verhaal, dat zegt dat je baan zinloos is: stop met werken voor de man en word zelf de Man, door naadloos kleine stukjes van allerlei bedrijven op te kopen.

De laatste jaren is er een spervuur van artikelen verschenen over het populisme van boze mannen aan wie allerlei dingen zouden zijn beloofd. Die verhalen zijn meestal metaforisch – er is niet echt iets beloofd – maar als het op daghandel aankomt, zijn ze heel letterlijk: de industrie van retail brokers belooft letterlijk ontsnapping aan de sleur, door mannen te vertellen dat ze voorbestemd zijn voor grootse marktprestaties.

Deze industrie wordt echter niet voor niets ʻretailʼ genoemd: grote spelers willen niets te maken hebben met de kleine man. Zij vertrouwen erop dat de retail-firmaʼs de daghandelaren in gesloten ecosystemen opsluiten waarin ze elkaar kunnen bevechten, terwijl die retail-firmaʼs vergoedingen en rentebetalingen opstrijken, alvorens ze het resterende risico op de feitelijke markten onderbrengen.

GameStop zou wel eens een reactie kunnen zijn tegen de zinloosheid van de daghandel. In plaats van je te behoeden voor bullshit jobs is die daghandel zelf een bullshit job, en de enige manier om er tijdelijk mee te winnen is niet door jezelf in de strijd te gooien tegen ʻde markt,ʼ maar door samen te werken in een zwerm.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie

Het sprookje van GameStop is levensgevaarlijk

Oorspronkelijke tekst (Engels): The New Yorker, 28 januari 2021

fotografie: Institute for New Economic Thinking

door John Cassidy

John Joseph Cassidy (geboren in 1963) is een Amerikaanse journalist die stafschrijver is bij The New Yorker. Hij is de auteur van Dot.con: The Greatest Story Ever Sold en How Markets Fail: The Logic of Economic Calamities.

Na het sluiten van de beurs op woensdag 27 januari werd er flink feest gevierd op r/WallStreetBets, het Reddit-messageboard dat populair is bij kleine beleggers die hebben geboden op de aandelen van GameStop, een videogame-retailer die hard is getroffen door de coronavirus-pandemie. Een paar weken geleden werd het aandeel verhandeld voor nog geen twintig dollar. Sindsdien is de koers sterk gestegen, en op woensdag schoot hij ruim honderd procent omhoog, om te sluiten op 347,51 dollar, na het nieuws dat een paar short-sellers – Wall Street-handelaren die gokken op dalende aandelenkoersen – hun negatieve weddenschappen hadden afgewikkeld en grote verliezen hadden geleden. ʻDit is groter dan wij allemaal. Als we klaar zijn met GMEʼ – het aandelensymbool voor GameStop – ʻhalen we heel fuxking Wallstreet onderuit! Get Fxked!,ʼ schreef een Reddit-gebruiker, gebruikmakend van een kortere versie van de denigrerende aanduiding die veel Reddit-gebruikers op ironische wijze op zichzelf toepassen. Een ander schreef: ʻDe markt is gesloten, jongens, haal wat frisse lucht binnen en eet wat groenten. Morgen is er weer een grote dag.ʼ

Er spelen hier twee verhalen door elkaar. Het verhaal dat de aandacht heeft getrokken van iedereen, van Elon Musk tot Congreslid Alexandria Ocasio-Cortez, is een David en Goliath-verhaal, waarin de beleggers in GameStop worden gezien als underdogs die strijden tegen de reuzen van Wall Street. Door zich te verenigen zijn de day-traders er onlangs in geslaagd enkele slecht presterende aandelen, zoals GameStop, Blackberry en AMC Entertainment Holdings, op te krikken en daardoor enkele short-sellers te verslaan. ʻIndividuele beleggers zijn aan de winnende hand – althans voorlopig – en genieten ervan,ʼ aldus de Wall Street Journal.

Er zijn genoeg redenen om boos te zijn op Wall Street. Maar wat voor soort overwinning was dit? Donderdagochtend kelderde de koers van GameStop met vijftig procent, nadat TD Ameritrade en Robinhood, de populaire beurs-app, beleggers de mogelijkheid hadden ontnomen om in bepaalde aandelen te handelen. Het aandeel bleef verhandeld worden op andere platforms, en de koers veerde vervolgens weer op – rond het middaguur werd het aandeel tegen een koers van ruim tweehonderdvijftig dollar verhandeld. Toch zaten sommige mensen die woensdag hadden ingekocht met aanzienlijke verliezen, die wel eens groter zouden kunnen worden als ze niet snel verkopen. (Vóór de afgelopen paar weken was GameStops all-time high ongeveer zestig dollar). Een gebruiker van Reddit zei: ʻIK HEB GEEN GELD MEER, BEN 50 PROCENT GEZAKT, EN PROBEER ME STAANDE TE HOUDEN. WIJ GAAN WINNEN, JONGENS!!!ʼ

Het grotere verhaal is dat de Amerikaanse aandelenmarkt in de greep is van wat Charles Mackay, een negentiende-eeuwse historicus van financiële manieën, ʻde waanzin van de massaʼsʼ heeft genoemd. De GameStop short squeeze staat niet op zichzelf. Al bijna een jaar lang bieden beleggers aandelen in bedrijven als Tesla, Shopify en Snap op tot koersen die weinig verband meer houden met de werkelijke winstvooruitzichten van de onderliggende bedrijven. En het zijn niet alleen kleine beleggers die aan deze waanzin hebben deelgenomen. Naast de short-sellers, die relatief gering in aantal zijn, hebben veel professionele beleggers het speculatieve spel meegespeeld, ook al weten ze dat het waarschijnlijk slecht zal aflopen.

Bijna twintig jaar geleden schreef ik een boek getiteld ʻDot-Con: How America Lost Its Mind and Money in the Internet Era.ʼ Tussen januari 1998 en maart 2000 organiseerden honderden nieuwe internet-startups een beursgang, en de koersen van veel van deze bedrijfjes schoten omhoog. In dezelfde periode stegen de koersen op de Nasdaq-beurs, waar veel van deze aandelen verhandeld werden, met ongeveer honderdtwintig procent, en gingen grote aantallen gewone Amerikanen aan daghandel doen om geld te verdienen. Het is deze keer nog niet zo ver doorgeslagen. Maar vergis je niet: we zijn al een aardig eind op weg. Sinds medio maart dit jaar, toen de eerste golf van het coronavirus woedde, zijn de koersen op de Nasdaq met bijna honderd procent gestegen, ondanks een diepe recessie. (Onlangs heeft het ministerie van Handel bekendgemaakt dat het bruto binnenlands product in 2020 met 3,5 procent is gedaald, de grootste daling sinds 1946). In de afgelopen twaalf maanden zijn er meer I.P.O.ʼs geweest dan in welke periode ook sinds 1999, en is de daghandel opnieuw populair geworden. Wat dat laatste betreft, is het belangrijkste verschil deze keer technologisch van aard. Dankzij handelsapps zoals Robinhood, en de afschaffing van commissiekosten voor veel online-aandelenhandel, kunnen mensen van minuut tot minuut speculeren terwijl ze thuis op de bank zitten, in plaats van gebruik te moeten maken van commerciële handelsfaciliteiten, zoals eind jaren negentig het geval was.

Voortbouwend op het werk van de econoom Hyman Minsky en de economisch historicus Charles Kindleberger kunnen we zeggen dat bijna alle speculatieve manieën in vier fasen verlopen: verandering, hausse, euforie, en crash. Een verandering doet zich voor als de verwachtingen van de mensen over hun toekomst een wijziging ondergaan. In dit geval heeft de pandemie de thuisblijf-economie gecreëerd en de Federal Reserve (de Fed, het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken) ertoe aangezet de kortetermijnrente tot bijna nul te verlagen en biljoenen dollars in de financiële markten te pompen, via een beleid dat bekend staat als kwantitatieve versoepeling. Sinds maart zitten we in een periode van hoogconjunctuur, waarbij de prijzen de hoogte in schieten, scepsis plaats maakt voor hebzucht en steeds meer mensen zich op een opgeblazen markt storten.

Copycat-gedrag ligt ten grondslag aan speculatieve bubbels. Zien hoe anderen schijnbaar makkelijk geld verdienen is de beste manier om mensen ertoe te bewegen risicoʼs te nemen die ze niet volledig begrijpen. ʻIn een laat stadium heeft speculatie de neiging zich los te maken van echt waardevolle objecten en zich te richten op misleidende objecten,ʼ schreef Kindleberger in zijn boek ʻManias, Panics and Crashesʼ uit 1978. ʻEen steeds grotere groep mensen probeert rijk te worden zonder echt inzicht in de processen die hiermee gepaard gaan.ʼ Sommige mensen die aandelen in GameStop hebben gekocht, gaven blijk van een verfijnd begrip van de mechanismen van een short squeeze. Maar alle publiciteit heeft ook veel nieuwelingen aangetrokken. ʻNet twee aandelen gekocht, mijn eerste belegging ooit, en ik voel me ziek maar opgewonden; ik heb steun nodig,ʼ schreef een Reddit-gebruiker. Twee anderen antwoordden: ʻHoud ze vast en geniet ervan,ʼ en ʻIk ben er voor je, broeder.ʼ Dit soort hand-holding is een van de nieuwe aspecten die de huidige technologie heeft voortgebracht. Maar er is absoluut geen reden om te denken dat dit zal kunnen voorkomen dat deze episode van speculatie eveneens zal eindigen in een kostbare crash.

Een van de lessen van het dot-com tijdperk is dat deze afrekening langer op zich kan laten wachten dan je zou denken. Toen de dotcom-zeepbel eind jaren negentig werd opgeblazen, waarschuwden sommige analisten op Wall Street dat die aandelen overgewaardeerd waren en gingen sommige professionele beleggers short. Maar toen de koersen bleven stijgen, verloren veel sceptici hun baan of vielen ze stil. Uiteindelijk kozen veel beleggers, waaronder enkele grote hedgefondsen, eieren voor hun geld en probeerden ze ook mee te surfen op de zeepbel. Iets soortgelijks lijkt nu te gebeuren – en dan heb ik het niet alleen over de hedgefondsen die hun shorts in GameStop hebben afgewikkeld. Veel grote institutionele beleggers profiteren nu al maandenlang van de opmerkelijke koersstijging van tech-aandelen als Amazon, Apple en Tesla – ondanks de duidelijke risicoʼs van het beperken van hun portefeuilles tot een klein aantal winnaars.

De afgelopen vijftig jaar stond de gemiddelde koers-winstverhouding voor aandelen in de S&P500-index op ongeveer negentien. Bij de opening van de beurs op donderdag 28 januari werd Amazon gewaardeerd op vijfennegentig keer de verwachte winst, Apple op achtendertig keer de verwachte winst en Tesla op ongeveer dertienhonderdzeventig keer. Geloven al die goedbetaalde fondsbeheerders nu echt dat dit veilige beleggingen zijn? Vermoedelijk niet, maar het momentum achter deze aandelen is fenomenaal geweest. Als je probeert de marktindex op kwartaal- of jaarbasis te verslaan – zoals veel professionele beleggers doen – kan het een fatale stap zijn om deze hoogvliegers te mijden, hoe overgewaardeerd ze ook mogen lijken te zijn op basis van deugdelijkere conventionele maatstaven. Dus je blijft maar kopen in de hoop dat je eruit zult kunnen stappen vóórdat de koersen onderuit gaan. Dit is de eigenaardige logica van het collectieve handelen die ik in het verleden ʻrationele irrationaliteitʼ heb genoemd.

De spreekstalmeester van dit circus is de Federal Reserve, die primair verantwoordelijk is voor het monetaire en regelgevende klimaat waarin beleggers – amateurs en professionals – opereren. Maar vandaag doet de Fed, net als eind jaren negentig, zijn uiterste best om niet meer dan een toeschouwer te lijken. Tijdens een persconferentie op woensdag 27 januari, na een vergadering van het beleidscomité van de centrale bank, weigerde Jerome Powell, de voorzitter van de Fed, specifiek commentaar te geven op GameStop. Meer in het algemeen zei hij: ʻAls je kijkt naar wat de koersen de laatste maanden echt heeft aangejaagd, dan is dat niet het monetaire beleid.ʼ Powell zei ook dat de Fed niet overweegt om de marge-vereisten, die de hoeveelheid geld beperken die beleggers van beursmakelaars mogen lenen, te verhogen om speculatie de kop in te drukken.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Powell overtuigend klinkende redenen heeft om een afwachtend beleid te voeren. Nu het land nog steeds gebukt gaat onder het virus en veel mensen zonder werk zitten of anderszins met financiële problemen kampen, willen hij en zijn collega’s zoveel mogelijk steun bieden voor het aantrekken van personeel en het doen van uitgaven. Als zij iets zouden zeggen of doen dat de aandelenmarkt kan afremmen, zouden hun acties een negatief effect kunnen hebben op de rest van de economie, althans op de korte termijn.

Powells bedoelingen mogen dan eerbaar zijn, zijn bewering dat het beleid van de Fed de speculatieve activiteiten niet heeft gevoed, is niet geloofwaardig – en waarschijnlijk ook niet houdbaar. Zoals Powells voorganger Alan Greenspan in het dot-com tijdperk heeft ontdekt, hebben speculatieve bubbels de neiging een eigen leven te gaan leiden. Hoe langer ze worden opgeblazen, des te groter de uiteindelijke ineenstorting, en des te meer negatieve gevolgen er zullen zijn voor de economie – en voor de Amerikanen in het algemeen. Als de voorzitter van de Fed niet nóg meer toekomstige problemen voor ons allemaal wil veroorzaken, zou hij er goed aan doen meer aandacht te besteden aan Reddit.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Gezondheid Politiek

Joe Biden moet het anders gaan aanpakken

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 20 januari 2021

fotografie: WikiPedia

door Bernie Sanders

Bernie Sanders is een Amerikaanse senator uit Vermont. Zijn boek Onze revolutie is in Nederland verschenen bij Starfish Books.

Iedere dag overlijdt nu een recordaantal van vierduizend Amerikanen aan Covid-19, terwijl de federale regering klungelt met de productie en distributie van vaccins, en met het testen en opsporen van mensen. Te midden van de ergste pandemie in honderd jaar zijn ruim 90 miljoen Amerikanen onverzekerd of onderverzekerd, en kunnen zij het zich niet veroorloven naar een dokter te gaan als ze ziek worden. Het isolement en de angst als gevolg van de pandemie hebben geleid tot een enorme toename van het aantal geesteszieken.

Ruim de helft van de Amerikaanse werknemers leeft van loonstrookje tot loonstrookje, waaronder miljoenen essentiële werknemers die iedere dag hun leven op het spel zetten. Ruim 24 miljoen Amerikanen zijn werkloos, hebben te weinig werk of hebben het zoeken naar werk opgegeven, terwijl de honger in dit land het hoogste niveau in decennia heeft bereikt.

Door gebrek aan inkomsten dreigen 40 miljoen Amerikanen uit hun huis te worden gezet, en zijn veel mensen duizenden euroʼs aan achterstallige huur verschuldigd. Dit komt bovenop de 500.000 mensen die al dakloos zijn.

Intussen worden de rijkste mensen in dit land alleen maar rijker en neemt de inkomens- en vermogensongelijkheid sterk toe. Ongelooflijk genoeg hebben 650 miljardairs in Amerika tijdens de pandemie hun rijkdom met meer dan 1 miljard dollar zien toenemen.

Als gevolg van de pandemie is het onderwijs in dit land, van de kinderopvang tot de middelbare school, een chaos. De meeste jongeren hebben hun opleiding ontwricht zien worden, en waarschijnlijk zullen honderden hogescholen en universiteiten binnenkort ophouden te bestaan.

De klimaatverandering teistert de planeet met een ongekend aantal bosbranden en extreme weersverstoringen. Wetenschappers zeggen dat we nog maar een paar jaar hebben voordat ons land en de wereld onherstelbare schade toegebracht zal zijn.

En te midden van dit alles hebben de fundamenten van de Amerikaanse democratie te maken met een ongekende aanval. We hebben een president gehad die koortsachtig heeft gewerkt aan het ondermijnen van die democratie en heeft aangezet tot geweld tegen de regering en de grondwet, die hij heeft gezworen te zullen verdedigen. Tegen alle bewijzen in geloven tientallen miljoenen Amerikanen in de Grote Leugen van Trump dat hij de verkiezingen met een overweldigende meerderheid van de stemmen heeft gewonnen, en dat de overwinning hem en zijn aanhangers is ontstolen. Ter ondersteuning van Trump werden in het hele land gewapende rechtse milities gemobiliseerd.

In deze tijd van ongekende crises moeten het Congres en de regering-Biden reageren met ongekende maatregelen. Geen business as usual meer. Niet langer hetzelfde oude beleid.

De Democraten, die nu het Witte Huis, de Senaat en het Huis van Afgevaardigden controleren, moeten de moed opbrengen om het Amerikaanse volk te laten zien dat de overheid effectief en snel kan reageren op hun pijn en bezorgdheid. Als aankomend voorzitter van de begrotingscommissie van de Senaat is dat precies wat ik van plan ben te gaan doen.

Wat betekent dit alles voor de gemiddelde Amerikaan?

Het betekent dat we de pandemie agressief de kop gaan indrukken en dat we het Amerikaanse volk in staat zullen stellen terug te keren naar werk en school. Dit vereist een door de federale overheid geleid noodprogramma om de benodigde hoeveelheid vaccins te produceren en deze zo snel mogelijk bij de mensen te krijgen.

Het betekent dat we er tijdens de ernstige economische neergang die we nu doormaken voor moeten zorgen dat alle Amerikanen de financiële middelen ontvangen die ze nodig hebben om een waardig leven te kunnen leiden. We moeten de onlangs goedgekeurde rechtstreekse uitkering van 600 dollar aan iedere volwassene en ieder kind uit de arbeidersklasse verhogen tot 2000 dollar, het minimumloon verhogen tot 15 dollar per uur, de werkloosheidsuitkeringen uitbreiden en huisuitzetting, dakloosheid en honger voorkomen.

Het betekent dat we, tijdens deze razende pandemie, gezondheidszorg voor iedereen moeten garanderen. We moeten ook een einde maken aan de internationale schande dat de Verenigde Staten het enige grote land ter wereld zijn waar werknemers geen betaald verlof om gezins- of medische redenen genieten.

Het betekent dat voorschools onderwijs en kinderopvang universeel beschikbaar moeten zijn voor ieder gezin in Amerika.

Ondanks wat u misschien hebt gehoord, is er geen reden waarom we niet al deze dingen zouden kunnen doen. Door middel van ʻbudget reconciliation,ʼ een proces waar slechts een eenvoudige meerderheid van stemmen in de Senaat voor nodig is, kunnen we snel handelen en deze noodwetgeving goedkeuren.

Maar dat is niet genoeg. Dit jaar moeten we ook een tweede wet op de ʻbudget reconciliationʼ aannemen die betrekking heeft op de grote structurele veranderingen die ons land dringend nodig heeft. Uiteindelijk moeten we de groteske inkomens- en vermogensongelijkheid ongedaan maken, en een land creëren dat werkt voor iedereen en niet slechts voor enkelen. Amerikanen mogen niet langer verstoken blijven van de economische basisrechten die in vrijwel ieder ander groot land wel gegarandeerd worden.

Dit betekent dat die tweede wet op de ʻbudget reconciliationʼ moet worden gebruikt om miljoenen goedbetaalde banen te creëren, teneinde onze afbrokkelende infrastructuur te herstellen en betaalbare woningen te bouwen, onze scholen te moderniseren, de klimaatverandering te bestrijden, en massaal te investeren in energie-efficiëntie en duurzame energie.

Het betekent dat openbare hogescholen, universiteiten, handelsscholen en historisch zwarte hogescholen en universiteiten collegegeldvrij moeten worden, en dat de schandalig hoge studieschulden van werkende gezinnen krachtig moeten worden aangepakt.

En het betekent dat de rijkste Amerikanen en de meest winstgevende bedrijven hun eerlijke deel van de belastingen zullen moeten gaan betalen. We kunnen niet blijven toestaan dat winstgevende bedrijven zoals Amazon miljarden dollars verdienen en netto geen federale inkomstenbelasting afdragen. En het kan niet zo zijn dat miljardairs een lager belastingtarief genieten dan Amerikanen uit de arbeidersklasse. We hebben een echte belastinghervorming nodig.

Er is geen reden waarom Joe Biden binnen de eerste honderd zittingsdagen van het nieuwe Congres niet twee belangrijke wetsvoorstellen zou kunnen ondertekenen, waarmee de meeste van de hierboven opgesomde doelstellingen verwezenlijkt kunnen worden. We kunnen niet toestaan dat Mitch McConnell en de Republikeinse leiders wetgeving saboteren die het leven van miljoenen werkende Amerikanen zou verbeteren en razend populair is.

Laten we nooit vergeten dat toen de Republikeinen de Senaat controleerden, ze het reconciliation budget hebben gebruikt om biljoenen dollars aan belastingvoordelen door te drukken, voornamelijk voor de rijkste 1 procent van de bevolking en de multinationale ondernemingen. Bovendien zagen zij kans binnen zeer korte tijd de benoeming van drie rechtse rechters in het Amerikaanse Hooggerechtshof door te drukken, met een eenvoudige meerderheid van stemmen.

Als de Republikeinen het reconciliation budget wisten te gebruiken om de rijken en machtigen te beschermen, kunnen wij het nu gebruiken om de werkende gezinnen, de zieken, de ouderen, de gehandicapten en de armen te beschermen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

We moeten de macht van de technologiereuzen inperken

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 16 januari 2021

fotografie: WikiPedia

door John Naughton

John Naughton is senior research fellow aan het Centre for Research in the Arts, Social Sciences and Humanities (CRASSH) van de Universiteit van Cambridge, waar hij (samen met professor Richard Evans en professor David Runciman) hoofdonderzoeker is van het onderzoeksproject over ʻConspiracy and Democracy.ʼ Hij is tevens emeritus-hoogleraar in het publieke begrip van technologie aan The Open University.

De verbanning van de voormalige Amerikaanse president heeft geleid tot een furieus debat over online-opinies, maar maakt deel uit van een bredere discussie

De afgelopen weken is het griezelig stil geweest op de sociale media. Dat komt doordat Trump en zijn sekteleden ʻin de ban gedaanʼ werden. Door hem te verbannen heeft Twitter in feite de megafoon weggehaald die Trump sinds zijn deelname aan de presidentsverkiezingen van 2016 zo meesterlijk heeft benut. De schok van de aanval op het Capitool van 6 januari was groot genoeg om zelfs Mark Zuckerberg ervan te overtuigen dat de stekker er eindelijk uit moest. En zo geschiedde het, zelfs tot op het punt dat Amazon Web Services de hosting van Parler beëindigde, een Twitter-alternatief voor alt-right extremisten.

De oorverdovende stilte die volgde op deze maatregelen werd echter tenietgedaan door een explosie van commentaren over de gevolgen hiervan voor de vrijheid, de democratie en de toekomst van de beschaving zoals wij die kennen. Wadend door deze stortvloed van meningen over het first amendment, de vrijheid van meningsuiting, censuur, de macht van de technologiebedrijven en de ʻverantwoordingsplichtʼ (wat dat ook moge betekenen), was het soms moeilijk je te oriënteren. Maar wat mij voortdurend te binnen schoot was het scherpzinnige inzicht van H.L. Mencken dat ʻer voor ieder complex probleem een antwoord is dat duidelijk, eenvoudig en fout is.ʼ De lucht vulde zich met mensen die dergelijke antwoorden aanprezen.

Te midden van deze discursieve chaos waren er echter een paar algemene themaʼs te onderscheiden. Het eerste daarvan benadrukte de culturele verschillen, vooral die tussen de VS met zijn heilige first amendment enerzijds, en Europese en andere samenlevingen, met hun meer ambivalente geschiedenis van het modereren van de vrijheid van meningsuiting, anderzijds. Het probleem van deze discussie is dat het first amendment gaat over overheidsregulering van de vrijheid van meningsuiting en niets te maken heeft met de technologiebedrijven, die op hun platformen vrij zijn om te doen wat ze willen.

Een tweede thema zag als de hoofdoorzaak van het probleem het soepele toezichtsklimaat in de VS van de afgelopen drie decennia, dat heeft geleid tot de opkomst van een paar gigantische technologiebedrijven die in feite de gastheer zijn geworden voor een groot deel van het publieke domein. Als er veel meer Facebooks, YouTubes en Twitters zouden zijn, zo luidt het tegenargument, zou de censuur minder effectief en problematisch zijn omdat iedereen die de toegang tot één van die platforms geweigerd zou worden altijd ergens anders zijn toevlucht zou kunnen zoeken.

Dan waren er nog argumenten over macht en verantwoordingsplicht. In een democratie moeten degenen die beslissen over de vraag welke uitspraken aanvaardbaar zijn en welke niet, democratisch verantwoordingsplichtig zijn. ʻHet feit dat een CEO de stekker uit de luidspreker van de president van de Verenigde Staten kan trekken zonder enige checks and balances,ʼ fulmineerde EU-commissaris Thierry Breton, ʻis niet alleen een bevestiging van de macht van deze platforms, maar toont ook de diepe zwakheden van de manier waarop onze samenleving in de digitale ruimte is georganiseerd.ʼ Of, anders gezegd: wie heeft de bazen van Facebook, Google, YouTube en Twitter eigenlijk gekozen?

Wat ontbrak in het discours was de vraag of het probleem dat aan het licht kwam door de plotselinge verbanning van Trump, zijn medewerkers en zijn volgers überhaupt wel oplosbaar is – althans op de manier waarop het tot nu toe is geformuleerd. De paradox dat het internet een mondiaal systeem is, maar dat het recht territoriaal (en cultuurgebonden) is, is van oudsher een manier geweest om een einde te maken aan discussies over hoe de technologie onder democratische controle gebracht kan worden. En dit heeft de hele tijd een rol gespeeld in het debat, als een stuk prikkeldraad dat iedereen die trachtte vooruit te komen in het moeras heeft laten struikelen.

Dit alles duidt erop dat het de moeite waard is een poging te doen het probleem op een meer productieve manier te herformuleren. Een interessante suggestie voor hoe dat zou kunnen deed zich onlangs voor in de vorm van een goed doordachte Twitter-thread van Blayne Haggart, een Canadese politicoloog. Vergeet de vrijheid van meningsuiting even, zo opperde hij, en denk aan een analoog probleem op een ander terrein – dat van het bankwezen. ʻVerschillende samenlevingen gaan op uiteenlopende manieren om met financiële risicoʼs,ʼ schreef hij, ʻmet uiteenlopende regimes op het gebied van het toezicht. Net zoals landen vrij zijn om hun eigen bankregels te bepalen, zouden ze vrij moeten zijn om sterke voorwaarden, waaronder eigendomsregels, op te leggen aan de manier waarop platforms op hun grondgebied functioneren. Beslissingen van een bedrijf in het ene land zouden niet bindend moeten zijn voor de burgers in een ander land.ʼ

In deze zin kan HSBC weliswaar een ʻmondialeʼ bank zijn, maar als zij in het Verenigd Koninkrijk actief is, moet ze zich aan de Britse regels houden. En wanneer zij in de VS actief is, moet ze de regels van die jurisdictie volgen. Als je dit concept naar de technologiesector vertaalt, lijkt het erop dat het tijd is te stoppen met het aanvaarden van de beweringen van de technologiereuzen dat zij hypermondiale bedrijven zijn, terwijl het in feite Amerikaanse bedrijven zijn die in veel rechtsgebieden over de hele wereld actief zijn, zo weinig mogelijk lokale belasting betalen en zich tegen lokale regelgeving verzetten, met alle lobbymiddelen die zij maar kunnen gebruiken. Facebook, YouTube, Google en Twitter kunnen zo schijnheilig blaten als ze willen over de vrijheid van meningsuiting en het first amendment in de VS, maar als ze in onze contreien opereren, bijvoorbeeld als Facebook UK, dan zijn het slechts Britse dochterondernemingen van een Amerikaans bedrijf dat is opgericht in Californië. En deze dochterondernemingen moeten de Britse wetten gehoorzamen inzake laster, haatdragende taal enzovoorts, evenals andere wetten die niets te maken hebben met het first amendment. O ja, en ze moeten belasting betalen over hun lokale inkomsten.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Bidens keuze als minister van landbouw stuit op weerstand

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 21 december 2020

fotografie: People’s Action

door George Goehl

George Goehl is directeur van People’s Action

Tom Vilsack is een jaknikker uit het bedrijfsleven en een voormalig lobbyist met een trieste staat van dienst uit de tijd van zijn vorige ministerschap

Het is onwaarschijnlijk dat Joe Biden heeft zien aankomen dat, van al zijn kabinetsbenoemingen, zijn keuze als minister van landbouw de grootste reuring zou veroorzaken. Toch is dat precies wat er is gebeurd.

De vroegere én (als het aan Biden ligt, aanstaande) minister Tom Vilsack, een soort draaideur-crimineel, verenigt in zijn persoon zo ongeveer alles wat zo velen frustreert als het over de Democratische partij gaat. Zijn eerdere ministerschap was bezaaid met mislukkingen, die zich uitstrekten van het vervalsen van data over zwarte boeren en discriminatie tot het buigen voor grote bedrijfsconglomeraten.

De benoeming van Vilsack werd ronduit afgewezen door een deel van de mensen die Biden hebben geholpen Trump te verslaan: organisaties die zwarte mensen vertegenwoordigen, progressieve plattelandsorganisaties, boeren met een familiebedrijf en milieu-activisten. Als het Biden-team op zoek was naar manieren om de multiraciale arbeidersklasse onder één noemer te verenigen, dan is het daarin geslaagd – in de vorm van gezamenlijk verzet tegen deze keuze.

We herinneren ons nog dat Vilsack agrarische gemeenschappen bezocht, en dat hij verwoestende getuigenissen hoorde over de misdadige behandeling van de contractlandbouwers door de grote agrarische bedrijven. Hij gaf uiting aan zijn bezorgdheid, maar er gebeurde niets: het ministerie van Justitie en het ministerie van Landbouw (USDA) lieten hun oren hangen naar lobbyïsten van de agrarische industrie en vertegenwoordigers van grote bedrijven, waardoor ze een gouden kans lieten liggen om de vleesverwerkende monopolies aan banden te leggen.

We herinneren ons nog dat Vilsacks USDA zwarte boeren dwarsboomde die klachten hadden geuit over rassendiscriminatie, en dat het ministerie de eigen staat van dienst op het gebied van de burgerrechten mooier deed voorkomen dan die in werkelijkheid was. Dat kwam bovenop het aan de dijk zetten van Shirley Sherrod, een zwarte, vrouwelijke USDA-ambtenaar, nadat extreemrechtse media een vals artikel hadden gepubliceerd, waardoor zij zich gedwongen zag haar ontslag in te dienen.

We herinneren ons nog dat Vilsack zijn baan bij de USDA een week te vroeg vaarwel zei om lobbyist te worden, als directeur van de US Dairy Export Council. Hij kreeg een miljoenensalaris om hetzelfde mislukte beleid als dat van zijn ministerschap uit te voeren en de wensen van de zuivelmonopolies in te willigen. Ondanks het feit dat hij nu weer genomineerd is om leiding te geven aan de USDA, wordt hij nog steeds betaald als lobbyist.

De nieuwe president had deze misstanden moeten rechtzetten door een gedurfde nieuwe koers uit te stippelen voor de plattelandsgemeenschappen en boeren in Amerika. In plaats daarvan duidde de nominatie van Vilsack op méér van hetzelfde.

ʻDe Democraten moeten iets groots doen als ze willen dat de mensen op het platteland hen weer gaan steunen,ʼ zei Francis Thicke, een boer met een familieboerderij in Fairfield, Iowa, onlangs tegen ons. ʻDe status quo werkt niet meer, en dat is een van de redenen dat Vilsack de verkeerde keuze is.ʼ

Na de overwinning van Trump in 2016 begon de organisatie waar ik leiding aan geef, Peopleʼs Action, met een grootschalig luisterproject. We doorkruisten het platteland van Amerika – van familiebedrijven in Iowa en de Driftless-regio van Wisconsin, tot de Thumb of Michigan en de heuvels van Appalachia. We voerden tienduizend gesprekken met Amerikanen op het platteland. Toen we de mensen die we ontmoetten vroegen wat voor hun gemeenschap de grootste hinderpaal was om te krijgen wat nodig was, luidde het voornaamste antwoord (81 procent) dat de overheid in de zak zat van het bedrijfsleven. De keuze voor Vilsack doet niets om deze zorgen weg te nemen.

Zoals Michael Stovall, de oprichter van Independent Black Farmers, tegen Politico zei: ʻVilsack is niet goed voor de landbouwsector, punt uit. Als het gaat om burgerrechten, de rechten van mensen, is hij niet de juiste figuur.ʼ

Mike Callicrate, een veeboer uit Colorado Springs, was al even openhartig. ʻVilsack heeft de grote monopolies van de agro-industrie geholpen het platteland van Amerika uit te zuigen,ʼ zei hij tegen ons, ʻwaardoor de kansen voor jongeren om terug te keren en op onze boerderijen en ranches te gaan werken sterk zijn afgenomen. Zijn beleid heeft tot een catastrofale achteruitgang van het platteland geleid, gevolgd door zelfmoordcijfers die sinds de landbouwcrisis van de jaren tachtig niet meer zijn voorgekomen.ʼ

Biden had een kans om eindelijk wat misstanden recht te zetten. Jammer genoeg heeft hij op dit punt de plank volledig misgeslagen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Het neoliberalisme is nog lang niet dood

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 16 mei 2020

bron foto: Twitter

door Alex Doherty

Alex Doherty is gastheer van Politics Theory Other, een podcast over allerlei politieke en theoretische zaken. Het doel is het werk van auteurs van radicaal links, dat soms als ʻacademischʼ of ʻmoeilijkʼ wordt gezien, naar een breder publiek te brengen.

Sommige mensen zeggen dat het neoliberalisme niet bestaat – dat het ʻbetekenisloosʼ is, of alleen maar een ʻscheldwoord.ʼ Maar van de financiële crisis van 2008 tot het Brexit-referendum van 2016, en van de opkomst van de alt-right tot de COVID-19-pandemie, kun je onze wereld eigenlijk niet goed begrijpen zonder in te zien hoe het neoliberalisme onze politiek en onze economie beïnvloedt.

Maar wat is het? In grote lijnen kan het neoliberalisme worden gedefinieerd als het geheel van het beleid en het overkoepelende politieke ethos dat de regeringen eind jaren zeventig in staat heeft gesteld zich af te wenden van de door de staat gestuurde economische planning, ten faveure van een economisch model dat concurrerende markten heeft uitgebreid naar alle terreinen van menselijke activiteit en de aanzet heeft gegeven tot de heerschappij van het financiële kapitaal (zoals bedacht in de City of Londen en Wall Street), door de beperkingen op de mobiliteit van dat kapitaal weg te nemen.

Belangrijk is dat het neoliberalisme niet alleen een beleidsagenda is, maar ook een moreel kader dat individuen leert zichzelf niet te zien als bijvoorbeeld loontrekkers, maar eerder als risicominnende ondernemers die de financiële risicoʼs moeten aanvaarden van hun deelname aan het hoger onderwijs, het kredietsysteem en de gedereguleerde arbeidsmarkten.

Het neoliberalisme werd in eerste instantie als economisch programma door de regering-Thatcher in Groot-Brittannië en door de regering-Reagan in de Verenigde Staten ingevoerd, maar de principes ervan bleven ook de derde weg-politiek van New Labour en de Clinton-Democraten bepalen. Hoewel centrumlinkse politici de toepasbaarheid van de term op hun beleid afwijzen, toont een schat aan door economen, sociologen en historici geproduceerd wetenschappelijk bewijsmateriaal aan hoe derde-weg politici het neoliberale project vooruit hebben geholpen.

Hoe staat het er vandaag de dag voor met deze ideologie? Sommigen zeggen dat het neoliberale tijdperk zo goed als voorbij is. In de begindagen van de COVID-19-pandemie verklaarde Paul Mason dat de gegevenheden van de crisis inhielden dat de politieke klasse van Groot-Brittannië binnenkort volledig zou bestaan uit ʻenthousiasteʼ of ʻenigszins onwilligeʼ socialisten – de progressieve staatsinterventie stond onvermijdelijk weer op de agenda. Dergelijke beweringen moeten echter met een korreltje zout worden genomen, niet in de laatste plaats omdat soortgelijke voorspellingen de ronde deden na de financiële crisis van 2008, na het Brexit-referendum en de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten. En die voorspellingen bleken er flink naast te zitten.

Zo kondigde Nobelpijswinnaar Joseph Stiglitz op het hoogtepunt van de financiële crisis aan: ʻHet neoliberalisme … is dood.ʼ Toch werd het al snel duidelijk dat dit een voorbarige conclusie was. Het is waar dat de crisis een ernstige bedreiging leek te vormen voor de aanbidding van de markten, omdat overheden gedwongen werden de financiële sector te redden. Maar wetenschappers als Philip Mirowski hebben aangetoond dat de neoliberalen al lang hadden begrepen dat hun project staatsinterventies vergt om markten te creëren en in stand te houden. In plaats van de crisisbestrijding van de overheden in 2008 te zien als een afwijzing van marktvriendelijk beleid, is het nuttiger om het te beschouwen als een extreem voorbeeld van pro-business overheidsingrijpen, dat erop gericht was om het primaat van de markt op de langere termijn te behouden.

Op het eerste gezicht leken de uitslag van het Brexit-referendum en de verkiezing van Trump een breuk met het neoliberalisme in te houden. Maar die diagnose kwam voort uit een gebrek aan inzicht in de manier waarop het neoliberalisme zich kan aanpassen aan elementen van andere ideologieën.

Hoewel de Brexiteers een hekel hebben aan de Europese Unie (een instelling waar neoliberale intellectuelen het al heel lang niet over eens zijn), blijven zij gehecht aan de kern van de neoliberale ideologie. Zo is het Australische, door de Brexiteers zo geliefde, op punten gebaseerde immigratiesysteem volkomen in overeenstemming met de visie van de neoliberalen op de mens als een verzameling van bezittingen (van grotere of kleinere waarde). De opleiding, werkervaring en connecties van de post-Brexit immigrant worden geherdefinieerd als vormen van kapitaal waarvan het al dan niet de moeite waard is om erin te investeren (door die immigranten binnen te laten), om op die manier een toekomstig rendement op deze investering voor de nationale economie veilig te stellen. Op punten gebaseerde immigratiesystemen betekenen met andere woorden geen eenvoudige verschuiving van de neoliberale, op de vrije markt gerichte orthodoxie naar een of ander rechts protectionisme.

Als noch de crises van 2008 noch die van 2016 het einde van het neoliberalisme hebben ingeluid, hoe zit het dan met COVID-19? Vandaag de dag, net als in 2008, zien politici als Rishi Sunak zich gedwongen beleid te voeren dat in tegenspraak lijkt te zijn met hun voorkeur voor de heerschappij van de markt, maar het is opnieuw de bedoeling om zo snel mogelijk terug te kunnen keren naar ʻnormaalʼ en het publiek te verlossen van hun ʻverslavingʼ aan de steun van de staat. Het gefrustreerde verlangen van de regering om de verlofregeling in te perken en haar duidelijke verzet tegen de invoering van een universeel basisinkomen wijzen op een engagement om de kern van het neoliberale welvaartsbeleid in stand te houden. Dit betekent dat men zich verzet tegen royale uitkeringen voor iedereen, die door de neoliberalen als nadelig worden beschouwd voor het bevorderen van de ondernemerszin en het disciplineren van de beroepsbevolking.

In de context van de pandemie en de klimaatcrisis is het nóg verontrustender dat de neoliberale visie op het individu als menselijk kapitaal blijft bestaan, waardoor regeringen bevolkingsgroepen van ʻlage waardeʼ als wegwerpartikel kunnen behandelen. Meer overheidsingrijpen om de inkomens te beschermen is welkom, maar kan door regeringen kunnen worden gebruikt om een soort economische triage uit te voeren, waarbij bevolkingsgroepen die het niet waard worden geacht om te worden ʻgeredʼ worden uitgesloten van overheidssteun. Zoals Michel Feher heeft aangetoond, zijn er al mildere precedenten voor dit soort hervormingen van de verzorgingsstaat uitgevoerd door de belangrijkste politieke partijen van Ierland en Portugal, die de uitkeringen voor de jongere delen van de beroepsbevolking hebben verlaagd om de emigratie te stimuleren en – in het geval van Portugal – om jonge, relatief arme Portugezen in te ruilen voor welvarender gepensioneerden uit het buitenland. In de context van de steeds groter wordende staatsschulden, waarbij migrantenpopulaties worden behandeld als ziekteverspreiders, is het niet moeilijk in te zien hoe een op uitsluiting gebaseerde neoliberale politiek, die investeringen in bepaalde bevolkingsgroepen en desinvesteringen in andere bevolkingsgroepen ondersteunt, aan kracht zou kunnen winnen.

Dit alles wil niet zeggen dat de COVID-19-crisis geen reële bedreiging vormt voor de neoliberale orthodoxie. Fysieke distantie en gedwongen quarantaine hebben de arbeidsmarkt verstoord, waardoor het machtsevenwicht tussen arbeid en kapitaal mogelijk is verschoven ten gunste van de werknemers. De toename van wilde stakingen en de opkomst van onderlinge hulpgroepen zijn zeker bemoedigend. En de verlofregeling heeft de kunstmatigheid van de beperkingen van de overheidsuitgaven tijdelijk aan het licht gebracht. Maar gezien de hardnekkigheid en het aanpassingsvermogen die de neoliberale ideologie gedurende de afgelopen tien jaar aan de dag heeft gelegd moet iedere nuchtere beoordeling van de huidige toestand rekening houden met de mogelijkheid van het voortbestaan (of de succesvolle mutatie) ervan, maar ook met haar mogelijke ondergang.

Vertaling: Menno Grootveld