Categorieën
Economie Politiek

We moeten de macht van de technologiereuzen inperken

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 16 januari 2021

fotografie: WikiPedia

door John Naughton

John Naughton is senior research fellow aan het Centre for Research in the Arts, Social Sciences and Humanities (CRASSH) van de Universiteit van Cambridge, waar hij (samen met professor Richard Evans en professor David Runciman) hoofdonderzoeker is van het onderzoeksproject over ʻConspiracy and Democracy.ʼ Hij is tevens emeritus-hoogleraar in het publieke begrip van technologie aan The Open University.

De verbanning van de voormalige Amerikaanse president heeft geleid tot een furieus debat over online-opinies, maar maakt deel uit van een bredere discussie

De afgelopen weken is het griezelig stil geweest op de sociale media. Dat komt doordat Trump en zijn sekteleden ʻin de ban gedaanʼ werden. Door hem te verbannen heeft Twitter in feite de megafoon weggehaald die Trump sinds zijn deelname aan de presidentsverkiezingen van 2016 zo meesterlijk heeft benut. De schok van de aanval op het Capitool van 6 januari was groot genoeg om zelfs Mark Zuckerberg ervan te overtuigen dat de stekker er eindelijk uit moest. En zo geschiedde het, zelfs tot op het punt dat Amazon Web Services de hosting van Parler beëindigde, een Twitter-alternatief voor alt-right extremisten.

De oorverdovende stilte die volgde op deze maatregelen werd echter tenietgedaan door een explosie van commentaren over de gevolgen hiervan voor de vrijheid, de democratie en de toekomst van de beschaving zoals wij die kennen. Wadend door deze stortvloed van meningen over het first amendment, de vrijheid van meningsuiting, censuur, de macht van de technologiebedrijven en de ʻverantwoordingsplichtʼ (wat dat ook moge betekenen), was het soms moeilijk je te oriënteren. Maar wat mij voortdurend te binnen schoot was het scherpzinnige inzicht van H.L. Mencken dat ʻer voor ieder complex probleem een antwoord is dat duidelijk, eenvoudig en fout is.ʼ De lucht vulde zich met mensen die dergelijke antwoorden aanprezen.

Te midden van deze discursieve chaos waren er echter een paar algemene themaʼs te onderscheiden. Het eerste daarvan benadrukte de culturele verschillen, vooral die tussen de VS met zijn heilige first amendment enerzijds, en Europese en andere samenlevingen, met hun meer ambivalente geschiedenis van het modereren van de vrijheid van meningsuiting, anderzijds. Het probleem van deze discussie is dat het first amendment gaat over overheidsregulering van de vrijheid van meningsuiting en niets te maken heeft met de technologiebedrijven, die op hun platformen vrij zijn om te doen wat ze willen.

Een tweede thema zag als de hoofdoorzaak van het probleem het soepele toezichtsklimaat in de VS van de afgelopen drie decennia, dat heeft geleid tot de opkomst van een paar gigantische technologiebedrijven die in feite de gastheer zijn geworden voor een groot deel van het publieke domein. Als er veel meer Facebooks, YouTubes en Twitters zouden zijn, zo luidt het tegenargument, zou de censuur minder effectief en problematisch zijn omdat iedereen die de toegang tot één van die platforms geweigerd zou worden altijd ergens anders zijn toevlucht zou kunnen zoeken.

Dan waren er nog argumenten over macht en verantwoordingsplicht. In een democratie moeten degenen die beslissen over de vraag welke uitspraken aanvaardbaar zijn en welke niet, democratisch verantwoordingsplichtig zijn. ʻHet feit dat een CEO de stekker uit de luidspreker van de president van de Verenigde Staten kan trekken zonder enige checks and balances,ʼ fulmineerde EU-commissaris Thierry Breton, ʻis niet alleen een bevestiging van de macht van deze platforms, maar toont ook de diepe zwakheden van de manier waarop onze samenleving in de digitale ruimte is georganiseerd.ʼ Of, anders gezegd: wie heeft de bazen van Facebook, Google, YouTube en Twitter eigenlijk gekozen?

Wat ontbrak in het discours was de vraag of het probleem dat aan het licht kwam door de plotselinge verbanning van Trump, zijn medewerkers en zijn volgers überhaupt wel oplosbaar is – althans op de manier waarop het tot nu toe is geformuleerd. De paradox dat het internet een mondiaal systeem is, maar dat het recht territoriaal (en cultuurgebonden) is, is van oudsher een manier geweest om een einde te maken aan discussies over hoe de technologie onder democratische controle gebracht kan worden. En dit heeft de hele tijd een rol gespeeld in het debat, als een stuk prikkeldraad dat iedereen die trachtte vooruit te komen in het moeras heeft laten struikelen.

Dit alles duidt erop dat het de moeite waard is een poging te doen het probleem op een meer productieve manier te herformuleren. Een interessante suggestie voor hoe dat zou kunnen deed zich onlangs voor in de vorm van een goed doordachte Twitter-thread van Blayne Haggart, een Canadese politicoloog. Vergeet de vrijheid van meningsuiting even, zo opperde hij, en denk aan een analoog probleem op een ander terrein – dat van het bankwezen. ʻVerschillende samenlevingen gaan op uiteenlopende manieren om met financiële risicoʼs,ʼ schreef hij, ʻmet uiteenlopende regimes op het gebied van het toezicht. Net zoals landen vrij zijn om hun eigen bankregels te bepalen, zouden ze vrij moeten zijn om sterke voorwaarden, waaronder eigendomsregels, op te leggen aan de manier waarop platforms op hun grondgebied functioneren. Beslissingen van een bedrijf in het ene land zouden niet bindend moeten zijn voor de burgers in een ander land.ʼ

In deze zin kan HSBC weliswaar een ʻmondialeʼ bank zijn, maar als zij in het Verenigd Koninkrijk actief is, moet ze zich aan de Britse regels houden. En wanneer zij in de VS actief is, moet ze de regels van die jurisdictie volgen. Als je dit concept naar de technologiesector vertaalt, lijkt het erop dat het tijd is te stoppen met het aanvaarden van de beweringen van de technologiereuzen dat zij hypermondiale bedrijven zijn, terwijl het in feite Amerikaanse bedrijven zijn die in veel rechtsgebieden over de hele wereld actief zijn, zo weinig mogelijk lokale belasting betalen en zich tegen lokale regelgeving verzetten, met alle lobbymiddelen die zij maar kunnen gebruiken. Facebook, YouTube, Google en Twitter kunnen zo schijnheilig blaten als ze willen over de vrijheid van meningsuiting en het first amendment in de VS, maar als ze in onze contreien opereren, bijvoorbeeld als Facebook UK, dan zijn het slechts Britse dochterondernemingen van een Amerikaans bedrijf dat is opgericht in Californië. En deze dochterondernemingen moeten de Britse wetten gehoorzamen inzake laster, haatdragende taal enzovoorts, evenals andere wetten die niets te maken hebben met het first amendment. O ja, en ze moeten belasting betalen over hun lokale inkomsten.

Vertaling: Menno Grootveld

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *