Categorieën
Economie Politiek

Voor een neo-leninisme

Oorspronkelijke tekst (Frans): Acta Zone, 11 juni 2021

fotografie: Stéphane Burlot

door Frédéric Lordon

Frédéric Lordon is een Frans econoom en filosoof, en onderzoeksdirecteur aan het Centre européen de sociologie et de science politique in Parijs.

De volgende tekst is een transcriptie van de toespraak van Frédéric Lordon tijdens het openbaar debat met Andreas Malm over het thema ʻecologie en communisme,ʼ dat op zondag 6 juni voor de boekhandel Le Monte-en-l’air werd georganiseerd door ACTA, Extinction Rebellion en uitgeverij La Fabrique. Tegenover de dubbele verleiding van de ʻbeweging om de bewegingʼ en een marginalistische terugtrekking pleit Lordon voor een ʻneo-leninisme,ʼ dat als enige in staat zou zijn een strategisch en macroscopisch alternatief te schetsen voor de kapitalistische overheersing.

Aangezien ik veel minder verstand heb van ecologie dan Andreas, zal ik het over iets anders hebben, in de overtuiging dat onze twee toespraken elkaar eerder zullen aanvullen dan tegenspreken. In ieder geval is het onwaarschijnlijk dat ze elkaar zullen tegenspreken. Ik denk dat we het in feite over ten minste drie dingen – maar wel belangrijke dingen! – eens zijn. Het eerste is waar te beginnen; het tweede is waarheen te gaan; en het derde (voor zover wij daarop een antwoord kunnen geven) is hoe daar te komen.

Waar kunnen we anders beginnen dan constateren dat er een planetaire nood is, die het kapitalisme zonder meer in het beklaagdenbankje zet? De enige consequente politieke doelstelling is dat we eraan moeten ontsnappen, dat we het omver moeten werpen. Hier kunnen ʻwijʼ makkelijk overeenstemming over bereiken – ʻwijʼ van radicaal links, of van emancipatoir links, kortom: van antikapitalistisch links. Maar dan rijzen de moeilijkheden: waar gaan we heen, en hoe komen we daar? Dat is waar de verschillen beginnen. Laten ik meteen maar zeggen dat noch Andreas noch ik in een positie verkeren om op deze vragen een duidelijk en gedetailleerd antwoord te geven – en dat is waarschijnlijk maar goed ook. Het lijkt me dat we allebei in voldoende mate een idee hebben van het probleem om het eens te kunnen worden over de essentie, namelijk een bepaalde manier om ermee om te gaan, een manier die, zoals ik al zei, onenigheid veroorzaakt ter linkerzijde – een onenigheid die al oud is, maar voortdurend wordt bijgewerkt en van nieuwe inhoud wordt voorzien. Als we deze manier een naam moeten geven, zou ik het neo-leninisme willen noemen. Omdat ik het niet over ecologie kan hebben, zou ik willen proberen te verduidelijken wat wij vandaag de dag onder neo-leninisme kunnen verstaan.

Andreas heeft het in een van zijn boeken over ʻoorlogscommunisme.ʼ Men waagt te hopen dat geen enkele lezer zo dwaas zal zijn om deze uitdrukking letterlijk te nemen, met beelden van geweren met bajonetten en mutsen met een rode ster. Welke betekenis kunnen we voor onze tijd geven aan het idee van het oorlogscommunisme? Simpelweg de betekenis van de vitale noodzaak van een antikapitalistische lijn, oftewel een lijn die betekenis geeft aan de planetaire nood. Het neo-leninisme is dan de positie die is opgebouwd vanuit het idee van een oorlogscommunisme dat aldus opnieuw is gedefinieerd.

Maar hoe kunnen we de reflex overwinnen die kreten van afgrijzen teweegbrengt zodra het woord ʻleninismeʼ valt? Niet alleen bij France Inter, Arte of Télérama, maar ook ter linkerzijde. Naar aanleiding van de honderdste verjaardag van 1917 zijn er tal van boeken verschenen waarin ons wordt uitgelegd dat het leninisme verantwoordelijk was voor de Tsjeka, Kronstadt, de Moskou-processen en de Goelag. Dat dit is wat de USSR was, weet iedereen. Sinds het trotskisme van de jaren vijftig is lang en diep over al deze dingen nagedacht. Dus wat heeft het voor zin om deuren zo wijd open te duwen die al zo wijd open staan? Niemand wil dat dát nog eens gebeurt, niemand wil het nog eens proberen. Net als bij het ʻoorlogscommunismeʼ is het daarom noodzakelijk de minimale inspanning te leveren om jezelf los te maken van de gangbare beelden, en naar wegen te zoeken voor een historische actualisering voor onze tijd – er zijn nauwelijks andere wegen dan die van de definitie of conceptualisering, als we willen dat het leninisme vandaag de dag begrepen wordt als iets anders dan wat in 1917 op initiatief van Lenin en onder zijn naam in Rusland is gedaan.

Als je de verschijning Lenin loskoppelt van de historische omstandigheden, en het accent legt op zijn algemene betekenis, zou een mogelijke definitie van het neo-leninisme als volgt kunnen luiden: het leninisme bestaat uit 1) een doelstelling, die 2) macroscopisch is, en 3) een expliciet gebod is van strategische coördinatie in een adequate vorm. Ik hoef nauwelijks te benadrukken hoe groot de problemen zijn die in deze ʻadequate vormʼ-clausule besloten liggen. Waar het hier om gaat is dat het ene gebod tot het andere leidt. De noodzaak van strategische coördinatie vereist dat wordt nagedacht over de juiste vorm ervan. Ik haast me te zeggen dat ik hier nog geen flauw idee van heb. Mijn tijd is beperkt, wat perfect is: daardoor hoef ik er nu niet over te praten…

Maar we kunnen wel iets met de eerste twee punten. In de eerste plaats heeft het leninisme een oogmerk. Het is moeilijk te geloven dat we ons verplicht voelen zoiets triviaals te zeggen. En toch moeten we wel. Dat komt doordat wij ter linkerzijde in een nogal vreemd politiek tijdperk leven, waarin de bevestiging dat jou iets voor ogen staat helemaal niet meer zo vanzelfsprekend is, en zelfs wordt gezien als een beweging die alle ruimte voor wantrouwen biedt. Er is een hele intellectuele en politieke stroming in Frankrijk, die zeer dynamisch en zeer interessant is, maar die vijandig staat tegenover ieder oogmerk, en die politiek louter opvat als iets onbeweeglijks. Dat wil zeggen dat het een beweging is omwille van de beweging, en bovenal dat niemand het in zijn hoofd moet halen om er richting aan te willen geven.

Waar komt dit wantrouwen vandaan? Het vloeit voort uit het feit dat de ene richting de andere kan verbergen. Uit de opvatting van ʻrichting,ʼ hier begrepen als een indicatie van wenselijk beleid, kan altijd de opvatting van ʻrichtingʼ als een bevel voortkomen, waarbij de teugels strak in handen worden genomen – een hachelijk moment inderdaad. De aanduiding ʻleninismeʼ is blijven steken in deze tweede betekenis van ʻrichting,ʼ de richting die leiders aangeven, maar we zijn vergeten dat in het leninisme ook de eerste betekenis bestond, de richting van het gewenste, de richting die zegt wat we willen doen en waar we heen willen.

Op dit punt wil ik twee auteurs citeren. De eerste is Daniel Bensaïd, die sprak over de noodzaak van ʻeen strategische hypothese die is gebaseerd op de ervaringen uit het verleden en die dient als schietlood zonder hetwelk de actie doelloos verstrooid raakt.ʼ De tweede auteur is een zekere Andreas Malm: ʻDe oude trotskistische formule dat “de crisis van de mensheid de crisis van het revolutionaire leiderschap is” moet worden geactualiseerd. De crisis is de afwezigheid, de totale, gapende afwezigheid, van leiderschap.ʼ

Ik kan het net zo goed meteen zeggen: ik ben het hartgrondig eens met deze twee uitspraken. Ik denk dat er geen strijd tegen het kapitalisme mogelijk is zonder een krachtig politiek voorstel, dat wil zeggen: een algemeen en goed gearticuleerde propositie, die in staat is de kapitalistische propositie te weerleggen. En ik denk dat verontschuldigingen voor onbeweeglijkheid een excuus zijn voor politieke onmacht. Hier ligt dus de eerste breuklijn ter linkerzijde. Deze loopt tussen enerzijds de neo-leninistische positie die een richting eist, dat wil zeggen van een propositie, omdat alleen dit constitutief voor een anti-kapitalistische politiek kan zijn, en anderzijds een idee van onbeweeglijkheid waarvan ik vrees dat die gedoemd is te eindigen in anti-politiek.

Als wij iets anders willen dan deze breuk met een droevige blik bekijken, denk ik dat wij het gevoel voor een intellectueel gebaar, dat verloren is gegaan, moeten herwinnen – het dialectische gebaar. Hier bedoel ik niet de dialectiek in Hegeliaans-marxistische gedaante, als een grandioos proces van zelfoverstijging en synthese. Ik denk aan dialectiek als een objectieve antagonistische spanning tussen tegengestelden, een spanning die onoplosbaar is in een synthese, en die dus de noodzaak oproept haar in een bepaalde vorm onder te brengen. Een ander voorbeeld: zonder een strategische lijn, en zonder een minimale organisatie om die te dienen, zal er geen revolutionair proces zijn. Er zullen alleen opstandige uitbarstingen zijn, en deze zullen worden neergeslagen. Maar richting als strategische lijn, gecoördineerd in een minimale organisatievorm, kan altijd aanleiding geven tot richting geven in de vorm van een commando, dat wil zeggen: als afscheiding en uiteindelijk als inbeslagneming. Dat is waar. En als ik zeg ʻdatʼ bedoel ik beide. Beide zijn waar. Dus je hebt met beide te maken. Je moet ze allebei houden, en ze samenhouden in een vorm die altijd onvolmaakt is en altijd herzien moet worden.

Dit is de niet-Hegeliaans-marxistische versie van de dialectiek, een versie die ontdaan is van iedere belofte van een verzoenende synthese, en die alleen de onvolmaakte mogelijkheid overlaat van de accommodatie van tegengestelden, van het reguleren van hun gelijktijdige aanwezigheid, in institutionele constructies. Uit het feit dat de te reguleren antinomieën onherleidbaar zijn tot een of andere ʻoverwinning,ʼ volgt dat de instellingen die hen accommoderen van een wezenlijke onvolmaaktheid zijn, en dat ze daarom een onbepaald proces van herziening vereisen, dat wil zeggen: hun permanente ondervraging en herbewerking. Ik wijs hier slechts terloops op, maar dit is niet anders dan Castoriadisʼ opvatting van democratie. Democratie is niet de combinatie van ʻelectorale slaʼ en ʻvrije persʼ die doorgaans aan ons wordt verkocht. Democratie is het vermogen van een politiek lichaam om zijn eigen instellingen te vormen en deze onder controle te houden om ze permanent te kunnen herwerken. Vandaar dat we, zodra we van doen hebben met een ʻdemocratischeʼ kwibus die ons wil uitleggen dat ʻwe de instellingen moeten verdedigen,ʼ weten dat we te maken hebben met een oplichter. De ʻverdediging van de instellingenʼ is geen democratisch idee, het is een idee voor de politie, voor mensen zoals Didier Lallement, prefect van de Parijse politie, of Macron; het is het idee waarmee de hoofden van de oproerpolitie werden volgepropt toen ze erop uit werden gestuurd om de Gilets Jaunes te verpletteren: ʻJullie zijn het laatste bastion van de instellingen,ʼ ʻjullie moeten de instellingen verdedigen,ʼ – formules bij uitstek van de antidemocratie.

In de eerste plaats dus: herstel van de rechten van het oogmerk als constitutief voor de politiek. Maar het neo-leninisme gaat veel verder dan deze minimale eis. Als het een oogmerk of doel affirmeert, affirmeert het ook het macroscopische karakter ervan. Dit betekent dat het communisme alleen kan worden geconcipieerd op de schaal van een sociale formatie, dat wil zeggen: van een grote groep mensen. Het neo-leninisme is zeker niet ongeïnteresseerd in plaatselijke ervaringen, maar het verwerpt de exclusiviteit ervan als ordenend beginsel. Het is waarschijnlijk dat het voorvoegsel ʻneoʼ hier het nuttigst is. Het is moeilijk om niet toe te geven dat het oude leninisme geen moer gaf om lokale autonomie – als het die al niet probeerde te verpletteren. Een van de pijnlijke lessen van het historische leninisme is dat de vernietiging van ieder autonoom plaatselijk leven een van de rampzalige gevolgen was van de totalitaire centralisatie van de staat – een soort model van wat we niet meer moeten doen. Een neo-leninisme zal daarom de plicht hebben zich te interesseren voor plaatselijke ervaringen, niet uit beleefd respect voor curiosa, maar als bron van zijn eigen vitaliteit. Dan zal het zijn rationele plicht erkennen om deze zo veel mogelijk te laten bloeien. Toch is het van mening dat een sociale formatie iets anders is dan een archipel van communes. Waarom is dat? Omdat alleen een groep van voldoende omvang en integratie in staat is een minimaal noodzakelijke mate van arbeidsdeling in stand te houden.

Natuurlijk zal die mate aanzienlijk lager zijn dan de kapitalistische arbeidsdeling – de planetaire noodtoestand dwingt daartoe –, maar niettemin veel hoger dan wat een communalistische arbeidsdeling zou kunnen zijn. Het kapitalisme verlaten betekent niet dat de categorie van de productiewijze moet worden verworpen. Ook het communisme zal een productiewijze moeten zijn, eenvoudigweg omdat mensen altijd collectief de middelen van hun materiële bestaan zullen moeten voortbrengen, en de middelen van deze productie zullen moeten produceren. En dit is waar een productiewijze om draait. Gemeenten en lokale experimenten, passen perfect in deze productiewijze en de bijbehorende arbeidsdeling. Maar ze kunnen die niet uitputten.

En hier ligt de tweede breuklijn binnen links: na die tussen de affirmatie van een oogmerk en de anti-politiek van de onbeweeglijkheid, of, om het anders te zeggen: tussen het poneren van de noodzaak van een richting en de totale verwerping van iedere richting. Deze tweede breuklijn scheidt de alternatieve, mondiale en macroscopische propositie van de zelfgenoegzaamheid van het lokalistische principe van autonomie. En net zoals onbeweeglijkheid omslaat in onmacht, slaat de exclusiviteit van het locale om in ʻescapisme.ʼ Escapisme is een zeer sterke verleiding voor links vandaag de dag: we deserteren, we laten het kapitalisme achter ons – we trekken ons terug in onszelf. Maar afgezien van alle tautologie: als we het kapitalisme achter ons laten, blijft het kapitalisme juist bestaan, zij het achter ons …

Ik ben tot de overtuiging gekomen dat het escapisme alleen succesvol is geweest als een noodoplossing, als een soort van berusting in het aangezicht van de enorme omvang van het obstakel. Dat wil zeggen: de enige oplossing die overblijft wanneer het idee van de omverwerping van het kapitalisme in de hoofden van de mensen is ingeburgerd als een radicale onmogelijkheid – iedereen kent deze uitdrukking van Frederic Jameson – en wanneer het project in feite wordt opgegeven. Maar wij weten dat de planetaire noodtoestand van dien aard is dat het vermijden ervan door desertie niet langer een optie is. En wij weten ook dat de charme van het leven in hutten, of in bomen – want over al deze dingen horen wij veel poëzie –, deze charme niet tot een productiewijze maakt. Om het prozaïscher te zeggen: als je uit een boom valt en een been breekt, kom je er niet vanaf met een moscompres of een wortelaftreksel. Je eindigt in het plaatselijke ziekenhuis, in een MRI-scanner die waarschijnlijk van het merk General Electric zal zijn.

De vraag is of we het MRI-scannen aan General Electric willen overlaten of niet. Het escapisme laat geen keus. Het communisme van zijn kant zegt nee. En dat is de macroscopische doelstelling van een productiewijze. Maar dan wél van een productiewijze die de kwestie van de productiekrachten in een geheel nieuw historisch regime brengt. Het neo-leninisme is zeker niet ongeïnteresseerd in de kwestie van de productiekrachten. Het weet dat deze op een bepaald niveau gehandhaafd zullen moeten worden, en dat er niet alleen bomenvrienden nodig zijn, maar ook ingenieurs, technici en wetenschappers. Maar het weet ook wat de materiële productie tot dusver met de planeet heeft gedaan, en tot welke extremen zij is doorgevoerd. Het neo-leninisme kan daarom zonder meer worden opgevat als een communisme van de productiekrachten, dat radicaal vijandig staat tegenover het productivisme. Het productivisme is productie die een regime van onbeweeglijkheid is binnengetreden – productie omwille van de productie – en een regime van absolutisme – materiële productie die de totaliteit van de menselijke activiteit opslokt. Daarom verliest het neo-leninisme, als productiewijze, geenszins de nieuwe beperkingen en de nieuwe doeleinden uit het oog waaromheen het is georganiseerd: de beperkingen die voortvloeien uit de planetaire noodtoestand en de doeleinden van de ontwikkeling van de niet-materiële krachten van het menselijk leven.

Met dank aan René ten Bos

Vertaling: Menno Grootveld

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *