Categorieën
Economie Politiek

Centrale banken zijn niet meer wat ze waren – en dat is maar goed ook

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 10 februari 2021

fotografie: Centre for International Governance Innovation

door Barry Eichengreen

Barry Eichengreen is hoogleraar economie aan de Universiteit van Californië te Berkeley en een voormalig senior beleidsadviseur bij het IMF

Banken pakken nu uiteenlopende problemen aan, of het nu gaat om Covid-19, klimaatverandering of ongelijkheid. Puristen zijn het er misschien niet mee eens, maar er is geen andere optie

We zijn eraan gewend om te denken dat de opdracht van de centrale banken beperkt blijft tot het handhaven van de prijsstabiliteit, of hoogstens gericht is op de inflatie, en dat ze tegelijkertijd moeten zorgdragen voor een soepele werking van het betalingssysteem. Maar met de wereldwijde financiële crisis van 2008 en nu Covid-19 hebben we gezien dat de centrale banken actief interveniëren om een groeiend aantal markten en activiteiten te ondersteunen, waarbij ze instrumenten gebruiken die veel verder gaan dan rentetarieven en transacties op de open markt.

Een voorbeeld is de Paycheck Protection Program Liquidity Facility van de Amerikaanse Federal Reserve (de Fed, het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken), in het kader waarvan de Fed liquiditeit verstrekt aan kredietverleners die geld lenen aan kleine bedrijven die als gevolg van de pandemie in nood verkeren. Dit is duidelijk niet uw oude vertrouwde centrale bank.

Inmiddels horen we oproepen om dit toepassingsgebied nog verder uit te breiden. De president van de Europese Centrale Bank, Christine Lagarde en Fed-bestuurslid Lael Brainard hebben er allebei bij de centrale banken op aangedrongen de klimaatverandering aan te pakken. Tegen de achtergrond van de Black Lives Matter-beweging heeft afgevaardigde Maxine Waters uit Californië Fed-voorzitter Jerome Powell opgeroepen meer te doen tegen de ongelijkheid, in het bijzonder de raciale ongelijkheid.

Dergelijke oproepen verontrusten de puristen, die waarschuwen dat het opzadelen van de centrale banken met deze extra verantwoordelijkheden hen dreigt af te leiden van hun primaire doelstelling, de inflatiebeheersing. Zij waarschuwen dat het monetair beleid een bot instrument is om klimaatverandering en ongelijkheid aan te pakken; die zouden effectiever kunnen worden bestreden door het belasten van koolstofemissies of het versterken van sociale huisvestingswetten.

Bovenal vrezen de critici dat het nastreven van deze bijkomende doelstellingen de onafhankelijkheid van de centrale banken in gevaar zal brengen. De centrale banken genieten operationele onafhankelijkheid om een specifiek mandaat na te streven, omdat men het erover eens is dat de gemandateerde doelstellingen het best uit handen kunnen worden gehouden van gekozen functionarissen. Maar onafhankelijkheid betekent niet dat de centrale bankiers geen verantwoording verschuldigd zijn aan politici en de publieke opinie. Zij moeten hun daden verantwoorden en uitleggen hoe hun beleidsbeslissingen de gemandateerde doelstellingen bevorderen. Hun succes of falen kan worden beoordeeld aan de hand van de vraag of de centrale bank al dan niet haar onafhankelijk controleerbare doelstellingen heeft bereikt.

Met een sterk uitgebreid mandaat zou de relatie tussen beleidsinstrumenten en doelstellingen complexer worden. De motivering van beleidsbeslissingen zou moeilijker over te brengen zijn. Succes of falen zou lastiger te beoordelen zijn. Aangezien het monetaire beleid slechts een beperkte invloed heeft op de klimaatverandering of de ongelijkheid, zou het nastreven van dergelijke variabelen ervoor zorgen dat de centrale bank faalt in het bereiken van haar doelstellingen. En de frustratie over dat falen zou politici ertoe kunnen brengen de operationele onafhankelijkheid van de centrale bank te heroverwegen.

Deze argumenten zijn niet onzinnig. Tegelijkertijd mogen de centrale bankiers niet rustig in een hoekje gaan zitten slapen, terwijl we geconfronteerd worden met een noodsituatie waarin het alle hens aan dek is. Oproepen aan de centrale banken om de klimaatverandering en de ongelijkheid aan te pakken weerspiegelen het besef dat deze problemen het niveau van existentiële crises hebben bereikt. Als centrale bankiers ze niettemin zouden negeren, of zouden zeggen: ʻDeze dringende problemen kunnen het best door iemand anders worden aangepakt,ʼ zou hun reactie worden gezien als een hooghartig en gevaarlijk vertoon van onverschilligheid. Op dat moment zou hun onafhankelijkheid pas werkelijk in gevaar zijn.

Dus: wat te doen? Centrale banken beschikken als toezichthouders over instrumenten om de klimaatverandering aan te pakken, en hun verantwoordelijkheid om de integriteit en stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen geeft beleidsmakers het mandaat om die instrumenten ook te gebruiken. Zij kunnen uitgebreidere klimaatgerelateerde financiële informatieverplichtingen eisen. Zij kunnen strengere kapitaal- en liquiditeitsvereisten opleggen aan financiële instellingen, waarvan de activaportefeuilles hen blootstellen aan klimaatrisicoʼs. Dergelijke instrumenten zullen het financiële systeem ontmoedigen om ʻbruineʼ beleggingen te waarborgen.

Het probleem bij het begrijpen van de risicoʼs van de klimaatverandering voor de financiële stabiliteit is dat klimaatgebeurtenissen onregelmatig en niet-lineair zijn. Bij het modelleren ervan is het belangrijk dat de centrale banken de fouten vermijden die zij maakten bij het modelleren van Covid-19. Die problemen ontstonden omdat economen en epidemiologen in hun eigen siloʼs werkten. Men kan dus aan pleitbezorgers als Lagarde en Brainard vragen: Hoeveel klimaatwetenschappers hebben de centrale banken in dienst genomen? Wanneer zullen zij met hun werk beginnen?

Wat de ongelijkheid betreft hebben sommige centrale banken nu al het relevante mandaat. In de Verenigde Staten draagt de Community Reinvestment Act uit 1977 de toezichthouders, waaronder de Fed, op ervoor te zorgen dat gezinnen met een laag of gemiddeld inkomen voldoende toegang krijgen tot krediet. De Fed heeft deze verantwoordelijkheid gedelegeerd aan haar 12 regionale reservebanken, die zich elk op verschillende manieren van deze taak kwijten. Strengere richtlijnen van de Federal Reserve Board over hoe de gelijke toegang tot krediet precies moet worden verzekerd, met expliciete aandacht voor raciale ongelijkheid, zou de bestaande inspanningen versterken.

Voor andere centrale banken, zoals de ECB, zou het iets nieuws zijn om de toegang tot krediet voor minderheids- en kansarme groepen aan te pakken. Maar het Europees Parlement kan daartoe opdracht geven. En de Raad van Bestuur van de ECB kan samenwerken met de nationale instellingen die samen het Europees Stelsel van Centrale Banken vormen om aan deze oproep tegemoet te komen.

Het monetair beleid heeft gevolgen voor andere zaken dan inflatie en betalingen, zoals de klimaatverandering en de ongelijkheid. Het zou oneerlijk en zelfs gevaarlijk zijn als de centrale bankiers deze verbanden zouden ontkennen of zouden volhouden dat anderen deze problemen maar moeten oplossen. De beste weg voorwaarts voor de centrale bankiers is het monetaire beleid te gebruiken om inflatie tegen te gaan, terwijl ze hun toezichthoudende bevoegdheden richten op andere dringende problemen.

Vertaling: Menno Grootveld

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.