Julian Borger is redacteur van The Guardian. Voorheen was hij correspondent in de VS, het Midden-Oosten, Oost-Europa en de Balkan. Zijn boek over de opsporing en arrestatie van oorlogsmisdadigers op de Balkan, The Butcher’s Trail, is verschenen bij Other Press.
De president heeft alles uit de kast gehaald om aan de macht te blijven. Het is hem niet gelukt, maar hoe zal het gaan als de verkiezingsuitslag een volgende keer minder duidelijk is?
Volgens een functionaris van het Witte Huis zal dit waarschijnlijk
de grootste concessie blijken waartoe Trump bereid zal zijn, maar de
overgangsmachinerie is niettemin in een stroomversnelling geraakt. De
aantredende regering van Joe Biden heeft inmiddels een officieel
internetdomein, zij wordt geïnformeerd door overheidsinstanties en
krijgt federale financiering.
Ook het Pentagon maakte al snel bekend steun te zullen verlenen
aan de machtsoverdracht. En één voor één erkennen hoge
Republikeinen – een bijzonder schuchtere groep mensen – nu de
verkiezingsuitslag.
Maar de Amerikaanse democratie is ongetwijfeld langs de rand van
de afgrond gegleden. Nu de onmiddellijke dreiging is verdwenen, is
het tijd om de ingewikkelde werking van het kiesstelsel onder de loep
te nemen om vast te stellen of dat stelsel wel zo robuust is als de
pleitbezorgers ervan hadden gehoopt – en of de natie deze keer niet
gewoon geluk heeft gehad.
ʻIk bevond mij lange
tijd in het kamp van de mensen die geloven dat de vangrails van de
democratie naar behoren functioneren,ʼ
aldus Katrina Mulligan, een voormalige hoge ambtenaar van de afdeling
nationale veiligheid op het ministerie van Justitie. ʻMaar
mijn mening is de laatste paar weken veranderd, toen ik zag hoe het
er werkelijk aan toeging. Nu denk ik dat we veel te afhankelijk zijn
van kwetsbare onderdelen van onze democratie, en dat we verwachten
dat individuen, in plaats van instellingen, het werk doen dat die
instellingen zouden moeten doen.ʼ
Trump maakte al vóór de verkiezingen geen geheim van zijn strategie, en sinds de verkiezingen is die strategie met de dag duidelijker geworden: twijfel zaaien over de betrouwbaarheid van de per post uitgebrachte stemmen, op verkiezingsavond de overwinning claimen, nog vóórdat de meeste stemmen zijn geteld, en vervolgens genoeg verwarring zaaien via beschuldigingen, onderzoeken door het ministerie van Justitie en straatoproer van extreem-rechtse milities om de bevestiging van de resultaten uit te stellen.
Een dergelijk uitstel zou de parlementen in een aantal cruciale
staten met Republikeinse meerderheden de kans geven om tussenbeide te
komen en eigen kiesmannen te selecteren voor het college van
kiesmannen, dat formeel beslist wie de nieuwe president wordt. Dat
zou een constitutionele crisis veroorzaken die uiteindelijk zou
moeten worden beslecht door het Hooggerechtshof, waar conservatieve
Republikeinen met zes tegen drie in de meerderheid zijn. Om het plan
te laten slagen was politieke loyaliteit nodig om feitelijk
uitgebrachte stemmen terzijde te kunnen schuiven, maar op
verschillende belangrijke punten is daar geen sprake van geweest.
Het belangrijkste ingrediënt voor een klassieke staatsgreep – een politiek gemotiveerde krijgsmacht – was van meet af aan afwezig, zij het niet omdat Trump het erbij heeft laten zitten. Hij heeft getracht om deze zomer het leger in te zetten teneinde de protesten van Black Lives Matter-betogers de kop in te drukken, maar zijn minister van Defensie, Mark Esper, weigerde daaraan mee te werken.
Nadat Esper in de nasleep van de verkiezingen werd ontslagen en Trump-aanhangers werden benoemd op hoge posten in het leger, maakte de voorzitter van de gezamenlijke chefs van staven, generaal Mark Milley, gebruik van een al eerder gepland openbaar optreden, tijdens de inwijding van een militair museum, om een duidelijke boodschap af te geven.
ʻWij
hebben trouw gezworen aan de grondwet,ʼ
aldus Milley, ʻen niet aan
een koning of een koningin, een tiran of een dictator.ʼ
Deze uitspraak werd met enige opluchting begroet, maar wat het
meest opvallend was, was dat dit überhaupt gezegd moest worden.
Het openen van dergelijke onderzoeken zou complottheorieën een enorme impuls hebben gegeven en Republikeinen op staatsniveau meer dekking hebben verschaft om de bevestiging van de uitslag te vertragen. Maar de aanklagers zijn in opstand gekomen. De functionaris die belast was met het onderzoek naar dit soort zaken, Richard Pilger, nam ontslag en anderen kwamen eveneens met hun bezwaren naar buiten.
ʻMeer dan de meeste
instellingen wordt het ministerie van Justitie bemand door mensen die
een gezond begrip hebben van wat een democratie inhoudt en waarom het
de moeite waard is om die te redden,ʼ
aldus Mulligan, nu directeur nationale veiligheid bij het Center for
American Progress. Zij voegt eraan toe dat de duidelijkheid van de
overwinning van Biden het nóg minder waarschijnlijk maakt dat
functionarissen van het ministerie van Justitie zich zullen inlaten
met zoʼn
dubieuze onderneming.
De volgende verdedigingslinie van Trump bestond uit Republikeinse functionarissen op staatsniveau, die betrokken zijn bij het certificeren van de uitslag. Zij kwamen onder intense druk te staan en werden in een aantal gevallen zelfs door de president zelf gebeld. Soms bogen ze onder die druk, met name in Michigan, maar in de meeste staten hielden ze voet bij stuk, zoals in het geval van de minister van Binnenlandse Zaken van Georgia, Brad Raffensperger, die de kleine voorsprong van Biden bevestigde en daardoor een paria werd in zijn eigen partij.
ʻSommige mensen
verdienen een medaille,ʼ
aldus Rebecca Ingber, een voormalig juridisch adviseur van het
ministerie van Binnenlandse Zaken, nu hoogleraar aan de
rechtenfaculteit van Cardozo. ʻDit
is een verhaal over goed functionerende vangrails, maar het is ook
een waarschuwing voor de kwetsbaarheid van die vangrails.
Uiteindelijk hebben we het wel over mensen, niet over robots.ʼ
Het is mogelijk dat bedrevener samenzweerders meer schade hadden kunnen aanrichten. Trump lijkt pas na de verkiezingen een juridisch team bij elkaar te hebben geroepen, en de controle daarover te hebben overgelaten aan zijn zeer loyale, maar grillige en onfortuinlijke persoonlijke advocaat, Rudy Giuliani.
Uiteindelijk bleek Bidens overwinningsmarge (ruim 6 miljoen méér
stemmen landelijk, en tienduizenden méér in de meeste swingstates)
zó duidelijk, en het bewijs van fraude zó gering, dat de juridische
route zelfs met betere advocaten vrijwel onmogelijk zou zijn geweest.
Maar de ervaringen van 2020 hebben tot bezorgdheid geleid over hoe
de Amerikaanse democratie een verkiezingsuitslag met kleinere
verschillen zou doorstaan, als een meer gedisciplineerde groep
vastbesloten zou zijn om de macht van de staten te misbruiken om de
overwinning te stelen. De milities, die niet gecoördineerd genoeg
waren om als de intimiderende macht te kunnen fungeren waar Trump op
hoopte, zouden bij een volgende gelegenheid wel eens sterker kunnen
zijn.
ʻDe retoriek van president Trump die deze groepen aanspreekt, is vanaf de eerste dag van zijn campagne gevaarlijk geweest, omdat hij hen stilzwijgend heeft gesteund bij hun illegale activiteiten. En de lankmoedige reactie van de wetshandhavers op het openbare geweld van deze groepen heeft dit probleem nog verergerd,ʼ aldus Michael German, een fellow van het Brennan Center for Justice, die als FBI-agent de opdracht kreeg om extremistische groeperingen te infiltreren. ʻHun vermogen om zich te organiseren en aanhangers te werven, en om hun tactieken en netwerken te testen, is sterker geworden. Dus als er eenmaal een poging wordt ondernomen om ze onder controle te brengen, zal dat veel moeilijker zijn.ʼ
De verkiezingen van 2020 hebben ook een zich snel verspreidende
rot in de fundamenten van het systeem blootgelegd… Zoʼn
70% van de Republikeinen gelooft, ondanks de duidelijk bevestigde
uitslag, dat er bij de verkiezingen massaal is gefraudeerd.
ʻIk denk dat we geluk hebben gehad,ʼ zegt Susan Hennessey, een voormalig jurist bij het National Security Agency en redacteur bij de Lawfare-blog. ʻEr is niets ernstigs gebeurd, maar dat kwam niet doordat het niet is geprobeerd, en als de omstandigheden een beetje anders waren geweest, en de marges een beetje kleiner, denk ik dat we moeten constateren dat normatieve beperkingen niet zullen voorkomen dat mensen zeer ondemocratische maatregelen kunnen nemen.ʼ
Thomas Frank is de auteur van The People, No: A Brief History of Anti-Populism. Hij is ook columnist bij de Guardian US.
Ding-dong,
de eikel is verdwenen. Eindelijk is er een einde gekomen aan Donald
Trumps extreme wanbestuur. De kiezers hebben korte metten gemaakt met
wat alleen maar beschouwd kan worden als het botste, ijdelste, domste
en meest disfunctionele leiderschap dat dit land ooit heeft gekend.
Mijn felicitaties voor Joe Biden, omdat hij heeft gedaan wat Hillary Clinton niet voor elkaar kreeg, en omdat hij er op de een of andere manier in is geslaagd om dit te doen zonder geweld, zonder tegenslagen, zonder geestdrift, zonder richting en zelfs zonder een echt doel voor ogen te hebben.
We
mogen dit vieren. Laten we God prijzen voor deze overwinning, hoe
mager en ondermaats die ook mag zijn. Maar laten we ook enige
nederigheid tonen in onze triomf. Voordat we gaan meedoen aan het
meezingen van het Hallelujah, dring ik er bij u op aan om even na te
denken over hoe we op dit punt terecht zijn gekomen en waar we nu
heen moeten.
We
weten dat 2020 het jaar is geweest van de afrekening met ons
racistische verleden, waarin iconen zijn stukgeslagen, voormalige
helden zijn neergehaald en de confrontatie is aangegaan met de
historische waanideeën die ons dit belabberde heden hebben bezorgd.
In de geest van deze moderne beeldenstorm wil ik mijn eigen suggestie doen voor de afrekening die nu moet volgen, hopelijk nog voordat Biden zijn intrek neemt in het Witte Huis: de Democraten moeten hun eigen verleden onder ogen zien en erkennen hoe hun eigen beslissingen door de jaren heen het Trumpisme mogelijk hebben gemaakt.
Ik
weet het: dit was de verkiezing van de ontkrachting, en wat aan de
kant geschoven werd was de waanzin van MAGA (Make America Great
Again). De Democraten hebben gewonnen. Maar Joe Biden moet nu onze
koers uitstippelen, en dus is het Biden die onze situatie koelbloedig
moet doorgronden en een antwoord moet zien te vinden op de meest
brandende vraag van vandaag de dag: hoe kan een herhaling van het
Trumpisme worden voorkomen?
Bidens
instinct zal uiteraard zijn om te gaan regeren zoals hij altijd heeft
geopereerd: als een man van het midden, die samenwerkt met de
Republikeinen om kleinschalige, bedrijfsvriendelijke maatregelen door
te voeren. Bidens naam is immers vrijwel synoniem met de
Washington-consensus. Zijn jaren in de Amerikaanse Senaat overlappen
bijna exact met de beroemde wending van zijn partij naar rechts, de
zogenoemde ʻderde weg,ʼ en Biden heeft persoonlijk een leidende rol
gespeeld in veel van de kenmerkende initiatieven van die tijd: de
Nafta-achtige handelsovereenkomsten, de lucratieve gunsten voor de
banken, de harde maatregelen tegen de misdaad, en zelfs de
voorgenomen bezuinigingen op de sociale zekerheid.
Wat
Biden nu echter moet begrijpen is dat het juist deze draai, deze
wending naar rechts in de jaren tachtig en negentig is geweest die de
weg heeft vrijgemaakt voor het Trumpisme.
Laten
we even in herinnering brengen hoe die wending eruitzag. De
Democraten zouden niet langer de partij zijn van de werkende mensen,
werd ons destijds verteld. Ze waren nu de ʻnieuwe
Democraten,ʼ
die bekwaamheid predikten in plaats van ideologie en nieuwe kiezers
wilden aanspreken: de verlichte inwoners van de buitenwijken, de
werkers in de digitale sector, de zogenoemde ʻlearning
classʼ
(onderwijs-professionals) en de winnaars in onze nieuwe,
postindustriële samenleving.
Jarenlang
werd deze koerswending gezien als een groot succes. Bill Clinton
bracht ons marktvriendelijke hervormingen van de bankregels, de
handelsbetrekkingen en de verzorgingsstaat. Hij en zijn opvolger
Barack Obama regelden grote en sierlijke deals tussen meerdere
partijen en voerden inkomensafhankelijke subsidies en doelgerichte
belastingkredieten in, maar kwamen ook met harde maatregelen tegen de
misdaad en met sociale programmaʼs
die soms zo complex waren dat zelfs hun ontwerpers ze niet aan ons
konden uitleggen.
Onder invloed van deze nieuwe liberalen werd de vooraanstaande rol van de middenklasse – de oude ʻhuishoudgodʼ van de Democratische partij – overgenomen door de meritocratie, niet alleen die van de briljante economen die het beleid ontwierpen, maar ook die van de financiers en technologen waar het nieuwe liberalisme voor was bedoeld, evenals die van de hoogopgeleide professionals die inmiddels de meest gewaardeerde kiezers waren. In 2016 verloor Hillary Clinton de presidentsverkiezingen in de voormalige productieregioʼs van het land, ook al zou ze later pochen dat ze wel had gewonnen op ʻdie plekken die tweederde van het bruto binnenlands product van Amerika vertegenwoordigen … de plekken die optimistisch, divers en dynamisch zijn, en die de vooruitgang belichamen.ʼ
Er zijn echter gevolgen als de linkse partij in een tweepartijensysteem ervoor kiest om zichzelf op deze manier te begrijpen. Zoals we hebben geleerd van het experiment van de Democraten zal zoʼn partij weinig begrip kunnen opbrengen voor de grieven van de arbeiders, mensen die – per definitie – niet de ladder van de meritocratie hebben beklommen. En denk eens aan alle schokkende gegevens die de afgelopen twaalf jaar aan ons voorbij zijn getrokken – hoe de winsten van onze economie worden opgeslokt door de 1 procent; hoe gewone mensen zich geen nieuwe auto meer kunnen veroorloven; hoe jongeren direct na hun studie enorme schuldenlasten moeten torsen; en nog duizenden andere vreselijke dingen. Dit zijn allemaal directe of indirecte gevolgen van het politieke experiment waar ik het over heb.
Biden kan ons niet terugbrengen naar de onbezorgde geestesgesteldheid van het centristische tijdperk, zelfs als hij dat zou willen, want veel van de gevierde beleidsverworvenheden liggen inmiddels in puin. Zelfs Paul Krugman is niet langer enthousiast over Nafta-achtige handelsovereenkomsten. Het initiatief tot hervorming van de verzorgingsstaat van Bill Clinton was in feite een capitulatie voor racistische vooroordelen en heeft een explosie van extreme armoede teweeggebracht. De enorme uitbreiding van het gevangeniswezen uit 1994 was een grote stap in het bestendigen van de rassensegregatie. En de grootste tekortkoming van Obamaʼs Affordable Care Act – het feit dat de werkgevers de ziektekostenverzekeringen van hun werknemers moesten regelen – is pijnlijk duidelijk geworden in dit tijdperk van massale werkloosheid en massale besmettingen.
Maar
met het grootste gevolg van het armzalige experiment van de
Democraten moeten we nog steeds zien af te rekenen: die van het
samengevallen met een periode van steeds conservatiever bestuur. Het
blijkt dat wanneer de linkse partij haar populistische tradities in
de steek laat voor een soort hooggestemde
witteboorden-rechtschapenheid, de weg wordt vrijgemaakt voor een
extreem giftige vorm van rechtse demagogie. Het is geen toeval dat,
toen de Democraten hun op de professionele klasse geënte ʻderde
wegʼ
gingen nastreven, de Republikeinen steeds stoutmoediger werden in hun
belachelijke bewering een ʻarbeiderspartijʼ
te zijn die de aspiraties van het gewone volk vertegenwoordigt.
Toen de Democraten met andere woorden hun majoritaire traditie lieten varen, haastten de Republikeinen zich om daar hun eigen aanspraak op te maken. De afgelopen dertig jaar is het rechts, niet links, geweest dat tegen de ʻelitesʼ is uitgevaren en onze huis-tuin-en-keuken-waarden heeft verdedigd tegen de beroemdheden die er de spot mee dreven. Tijdens de financiële crisis van 2008 hebben de conservatieven in feite een protestbeweging gelanceerd vanaf de vloer van de Chicago Board of Trade; in de campagne van 2016 beschreven ze hun grofgebekte kampioen Trump als een ʻblauwe-boorden-miljardair,ʼ verwant aan en beschermer van gewone mensen – dat wil zeggen: gewone witte mensen.
Donald
Trumps wonderbaarlijke geknoei met de Covid-pandemie heeft hem zijn
presidentschap gekost, en heeft gezorgd voor een pauze in de lange
mars naar rechts. Nogmaals: daar moeten we hem voor bedanken. Maar
laten we niet vergeten dat de Republikeinen niet definitief zijn
verslagen. Hun leider is ten onder gegaan, maar het giftig soort
arbeiderisme waar hij voor stond zal spoedig terugkeren, zodat de
bezitslozen en armen opnieuw de zaak van de machtigen zullen gaan
dienen. En dat zal ook gelden voor de dwaze cultuuroorlogen, met hun
eindeloze doses bedwelmende zelfingenomenheid, in de aderen van de
natie gespoten door de sociale media of Fox News.
Ik
heb een groot deel van mijn volwassen leven verhaald over de
rodeltocht van ons land naar de hel, en ik kan bevestigen dat de
triomf van Biden op zichzelf niet genoeg zal zijn om daar een einde
aan te maken. Die tocht zal pas ten einde komen als een Democratische
president de fouten van zijn partij onder ogen ziet en het onwaardige
experiment van de afgelopen vier decennia een halt toeroept.
Als Joe Biden daarin slaagt, zal hij misschien in staat zijn om tot het inzicht te komen dat hij een moment van grote Democratische mogelijkheden voor zich heeft. Dit land is de plutocratie namelijk beu. Wij vinden het niet leuk meer om alles wat we verdienen op de bankrekeningen van een paar dozijn miljardairs terecht te zien komen. We willen een gezondheidszorg die werkt en een economie waarin gewone mensen kunnen floreren, ook mensen die niet naar een chique universiteit zijn gegaan. Als Biden zijn ogen opent en zijn verleden overwint, kan hij ontdekken dat het in zijn vermogen ligt om onze sociale solidariteit weer op te bouwen, de belofte van de middenklasse weer waar te maken en rabiaat rechts terug te slaan. En dat ook nog eens allemaal tegelijk.
Timothy Snyder, hoogleraar geschiedenis aan de Yale Universiteit, is de auteur van On Tyranny: Twenty Lessons From the Twentieth Century en, recentelijk, Our Malady: Lessons in Liberty From a Hospital Diary.
Je vastklampen aan de macht door te beweren dat je het slachtoffer bent van interne vijanden is een zeer gevaarlijke tactiek. Onderschat niet waar dit op uit kan lopen.
Als je verliest, is het goed en gezond om te weten waarom. In de Eerste Wereldoorlog, het conflict dat onze moderne wereld heeft vormgegeven, leden de Duitsers een nederlaag door de overweldigende kracht die hun vijanden aan het Westelijk Front wisten te verzamelen. Toen de Amerikanen aan de oorlog gingen deelnemen was de Duitse nederlaag slechts een kwestie van tijd. Toch vonden de Duitse bevelhebbers het na de oorlog nuttig om in plaats hiervan te spreken van een ʻdolksteek in de rugʼ door toedoen van linksen en joden. Deze grote leugen was een probleem voor de nieuwe Duitse democratie, omdat erdoor werd gesuggereerd dat de grootste politieke partij, de sociaal-democraten, en een nationale minderheid, de joden, buiten de nationale gemeenschap stonden. De leugen werd overgenomen door de naziʼs, en nadat ze aan de macht waren gekomen tot een centraal element van hun versie van de geschiedenis gemaakt. De schuld lag elders.
Het is altijd verleidelijk om anderen de schuld te geven van jouw
nederlaag. Maar als een nationale leider dat doet en een grote leugen
in het systeem injecteert, brengt hij de democratie in groot gevaar.
Anderen uitsluiten van de nationale gemeenschap maakt de democratie
theoretisch onmogelijk, en weigeren een nederlaag te aanvaarden maakt
die democratie praktisch onmogelijk. Wat we nu in de Verenigde Staten
zien is een nieuwe, Amerikaanse incarnatie van de oude leugen: de
nederlaag van Donald Trump is niet wat het lijkt, en stemmen die op
hem zijn uitgebracht zijn gestolen door interne vijanden – door een
linkse partij. ʻWaar
het ertoe deed, hebben ze gestolen wat ze moesten stelen,ʼ
tweette hij. Trump beweert dat de stemmen die op hem zijn uitgebracht
allemaal ʻLegal
Votesʼ waren, alsof
die op zijn tegenstander dat per definitie niet waren.
Het onderschatten van Donald Trump is een fout die mensen niet
moeten blijven maken. Hij verdwijnt niet als je hem uitlacht. Als dat
wel zo was, was hij tientallen jaren geleden al verdwenen. Ook zullen
reeds
lang bestaande normen over hoe presidenten zich dienen te
gedragen hem niet doen verdwijnen. Hij is een acteur en zal zich aan
zijn tekst houden: het was allemaal bedrog, en hij heeft
ʻruimschootsʼ
gewonnen. Hij is nooit verslagen, zo luidt het verhaal, hij
was het slachtoffer van een samenzwering. Deze mythe van de dolksteek
in de rug kan een vast onderdeel van de Amerikaanse politiek worden,
althans zolang Trump een megafoon in handen heeft, of dat nu Fox is
of RT (voorheen Rusland Today) – of, ook al vinden de Democraten
dit ondenkbaar, als hij als ongekozen president aan de macht blijft.
Want beweren dat een verkiezing onwettig is geweest, is een claim
op het behoud van de macht. Er is een staatsgreep aan de gang en het
aantal deelnemers slinkt niet, maar neemt juist toe. Weinig
vooraanstaande Republikeinen hebben tot nu toe erkend dat de race
voorbij is. Sleutelfiguren, zoals Mitch McConnell en Mike
Pompeo, lijken aan de kant van de staatsgreep te staan. We denken
misschien dat dit allemaal een strategie is om een
uitweg te vinden voor de president, maar wellicht is dat wishful
thinking. Het transitiebureau weigert zijn werk te beginnen. De
minister van defensie, die niet wilde dat het leger burgers zou
aanvallen, werd ontslagen. Het ministerie van Justitie is buiten zijn
boekje getreden en heeft toestemming gegeven voor een onderzoek naar
het tellen van de stemmen. De talkshows van Fox spreken nu het nieuws
tegen dat Fox vorige week zelf bracht. Republikeinse parlementariërs
verzinnen telkens weer nieuwe verbale formuleringen die de beweringen
van Trump direct of indirect ondersteunen. Hoe langer dit doorgaat,
des te groter het gevaar is voor de republiek.
Wat
Trump zegt is onwaar, en de Republikeinse politici weten dat. Als
de stemmen die tegen de president zijn uitgebracht frauduleus waren,
dan waren de Republikeinse overwinningen in het Huis en de Senaat ook
frauduleus: die stemmen stonden immers op dezelfde stembiljetten.
Maar complottheorieën, zoals die van de dolksteek in de rug, gaan
aan alle logica voorbij. Ze laten een wereld vol bewijzen voor wat
die is en verwijzen naar een wereld vol angsten. Uit psychologisch
onderzoek blijkt dat burgers juist ten tijde van verkiezingen
bijzonder kwetsbaar zijn voor complottheorieën. Trump begrijpt dit,
en daarom komt hij met complottheorieën die vol staan met
hoofdletters en ontdaan zijn van alle feiten. Hij kijkt wel uit om te
proberen iets te bewijzen. Zijn bondgenoot Newt Gingrich neigt tot
het allerergste als hij
een rijke jood de schuld geeft van iets dat helemaal niet gebeurd
is.
De geschiedenis laat zien waar dit toe kan leiden. Als mensen
geloven dat verkiezingen zijn gestolen, maakt dat de nieuwe
president tot een usurpator. In Polen behaalde in 1922 een
centrumkandidaat een krappe overwinning bij de
presidentsverkiezingen. Hij werd door de rechtse pers uitgemaakt voor
agent van de joden, om na twee weken in functie te zijn geweest
vermoord
te worden. Zelfs als het effect niet zo direct is, kunnen de
sluimerende gevolgen van een mythe van slachtofferschap, van het idee
van een dolksteek in de rug, diepgaand zijn. De Duitse
dolksteek-mythe heeft de Duitse democratie niet onmiddellijk om zeep
geholpen, maar de complottheorie stelde de naziʼs
wel in staat om te beweren dat sommige Duitsers geen echte leden van
de natie waren en dat een echte nationale regering niet democratisch
kon zijn.
De democratie kan door een grote leugen worden ondermijnd.
Natuurlijk zal het einde van de democratie in Amerika een eigen,
Amerikaanse vorm aannemen. In 2020 heeft Trump openlijk erkend
wat al decennialang steeds duidelijker wordt: de Republikeinse Partij
streeft er niet zozeer naar om verkiezingen te winnen, als wel om ze
te manipuleren. Deze strategie heeft zo haar verleidingen: hoe meer
je je bekommert om het beperken van het kiesrecht, des te minder je
je hoeft te bekommeren om wat de kiezers echt willen. En hoe minder
je je bekommert om wat de kiezers willen, des te dichter je bij het
autoritarisme komt. Trump heeft nu de volgende logische stap gezet:
hij probeert de kiezers nu ook na de verkiezingen hun rechten te
ontnemen.
De uitslag van de verkiezingen van 2020 kan zó worden
geïnterpreteerd dat de Republikeinen, in het geval van bepaalde
problemen, beslist in staat zijn om te vechten en te winnen. Maar het
frauduleus noemen van de uitslag zal de Republikeinen, en het hele
land, op een heel ander spoor zetten: door een wolk van magisch
denken leidt dat uiteindelijk tot geweld.
Als je in de rug bent gestoken, is alles toegestaan. Als je
beweert dat eerlijke verkiezingen oneerlijk zijn verlopen, kun je je
gaan voorbereiden op verkiezingen die daadwerkelijk oneerlijk zijn.
Als je je kiezers ervan weet te overtuigen dat de andere partij
bedrog heeft gepleegd, beloof je ze in feite dat je de volgende keer
zelf ook bedrog zult plegen. Als je de regels eenmaal hebt verbogen,
zul je ze vervolgens moeten breken. De geschiedenis toont het gevaar
hiervan, in het bekende voorbeeld van Hitler. Wanneer politici de
democratie breken, zoals de conservatieven begin
jaren dertig in Weimar-Duitsland deden, hebben ze het mis als ze
denken dat ze controle zullen behouden over wat er daarna gebeurt. Er
zal dan iemand opduiken die beter is opgewassen tegen de chaos en
daar gebruik van weet te maken op een manier die ze niet willen of
niet verwachten. De mythe van het slachtofferschap steekt de kop op
en eist zijn slachtoffers.
Dit is niet het moment om een blad voor de mond te nemen. In het belang van de republiek en van hun eigen partij moeten de Republikeinen de verkiezingsuitslag accepteren.
Adam Tooze is hoogleraar geschiedenis aan de Columbia Universiteit
Wat verder ook uit de Amerikaanse verkiezingen van 2020 naar voren mag komen, één ding is zeker: er heeft geen grootschalige afrekening met Donald Trump plaatsgevonden. De schok van 2016 is niet ongedaan gemaakt. In de uitslag zit niets dat kan worden beschouwd als het helen van alle vernederingen, en van de schandelijk vulgaire en illegale beleidsdaden van de afgelopen vier jaar. Zelfs als Joe Biden uiteindelijk wordt beëdigd als president, is het feit dat Trump niet met zijn staart tussen zijn benen van het grootste toneel in de wereldpolitiek is verjaagd voor Bidens aanhangers moeilijk te verteren. Dit is niet alleen voor de VS een ongemakkelijke waarheid, maar ook voor de rest van de wereld.
In plaats van dat Trump is weggestemd, heeft de verkiezingsuitslag slechts gezorgd voor een kleine herschikking van de fijnmazige en diep gepolariseerde configuratie die in de Amerikaanse politiek sinds de dagen van Bill Clinton in de jaren negentig van de vorige eeuw de boventoon voert. Net als in 2016 verloor Trump de zogenoemde ʻpopular vote,ʼ maar geniet hij nog steeds overweldigende steun in de kleine stadjes en op het platteland van het witte Amerika. Ondanks zijn giftige vijandigheid jegens immigranten, heeft Trump opmerkelijke winst geboekt onder de vrij diverse groep die wordt aangeduid met de term ʻLatino.ʼ Verwarrend genoeg deed hij het niet alleen goed bij de anti-socialistische gemeenschappen van Cubanen en Venezolanen in Miami, maar ook bij Mexicaans-Amerikanen in Texas. En hij heeft opnieuw een meerderheid van de stemmen vergaard onder witte vrouwen en mannen uit alle lagen van de bevolking.
Intussen mag niemand, binnen of buiten het land, ook maar enige illusie koesteren over de omvang van het nationalistische en xenofobe kiesblok. De Republikeinse partij is opgeschoven in de richting van Viktor Orbán en Recep Tayyip Erdogan, maar kan niettemin bogen op stevige steun. Voor een aanzienlijke minderheid van het electoraat is het immers juist de schrilheid van Trump en de Republikeinse partij die aanspreekt. Deze kiezers houden van de agressieve stijl van Trump en van zijn vrolijke slachting van progressieve heilige koeien. Nu hij het voorbeeld heeft gegeven, zullen er genoeg anderen zijn die dat zullen willen volgen.
In
een verdeeld land wordt vrijwel ieder facet van de werkelijkheid door
een partijdige lens bezien. Het was beslist niet onredelijk dat de
Democraten hebben geprobeerd van de verkiezingen een referendum te
maken over de aanpak van de coronavirus-crisis door Trump. Maar dat
bleek geen winnende strategie. Bijna de helft van de Amerikanen was
het er niet mee eens dat de rampzalige en onverantwoordelijke
prestaties van Trump hem voor een hernieuwd presidentschap
diskwalificeerden. Dit voorspelt weinig goeds voor de pogingen om de
pandemie in te dammen, wat de eerste taak van een regering-Biden zou
moeten zijn.
Als
er geen collectieve wil is om preventief op te treden, blijft alles
afhankelijk van een magische kogel: een vaccin. Maar zelfs dat is
geen garantie voor succes. Opiniepeilingen duiden erop dat slechts
een kleine meerderheid zal instemmen met vaccinatie, terwijl vooral
Republikeinse Amerikanen zich daartegen zullen verzetten. De
implicatie is dat de VS voort zullen blijven strompelen, het virus
niet effectief in bedwang zullen kunnen houden en herhaaldelijk
lockdowns zullen moeten afkondigen. De gevolgen voor gemeenschappen
en kleine bedrijven zullen vermoedelijk verwoestend zijn.
Zelfs als we ervan uitgaan dat het virus wél onder controle gebracht kan worden, heeft een regering-Biden een zware politieke strijd voor de boeg. Haar geduchte vijanden zijn de Republikeinen in het Congres, onder leiding van Mitch McConnell, de duivelse baas van de Republikeinen in de Senaat. Vóór de verkiezingen, surfend op een golf van overdreven optimisme over de waarschijnlijke uitslag, heeft Nancy Pelosi gevaarlijk spel gespeeld. De speaker van het Huis van Afgevaardigden bepleitte een gigantisch tweede stimuleringspakket van ruim 2 biljoen dollar, maar er is geen ʻblauwe golfʼ gekomen die de Democraten aan een meerderheid in het Congres heeft geholpen.
Nu
zal Pelosi met een geslonken meerderheid naar de onderhandelingstafel
moeten terugkeren om met McConnell te onderhandelen. Tot genoegen van
Wall Street heeft McConnell aangekondigd dat hij bereid is een
overeenkomst te sluiten, maar dat is een onheilspellend teken. Van
ieder pakket waarmee McConnell zal instemmen is het immers min of
meer zeker dat het geen oplossing zal zijn voor de sociale crisis die
tientallen miljoenen werkloze Amerikanen en worstelende steden en
staten in het hele land heeft getroffen. Maar om de economie voor een
ramp te behoeden, zouden de Democraten zich gedwongen kunnen zien om
de voorwaarden van McConnell te accepteren.
Hoe
noodzakelijk ook, iedere deal met McConnell moet worden beschouwd als
een gifpil. Elk punt van Bidens progressieve agenda – op het gebied
van de gezondheidszorg, de kinderopvang en het onderwijs – zou ter
discussie worden gesteld. De rest van de wereld is misschien blij als
een regering-Biden het besluit van Trump om uit het klimaatakkoord
van Parijs te stappen terugdraait. Maar iedere poging om tot een
Green New Deal te komen zal waarschijnlijk in de kiem worden
gesmoord. De Republikeinen praten graag over infrastructuur, maar in
vier jaar tijd is Trump met geen enkel investeringsprogramma gekomen.
Als de Republikeinen in de Senaat voor een groen energieplan van
Biden gewonnen kunnen worden, kunt u er zeker van zijn dat het op
maat zal zijn gesneden voor het bedrijfsleven. Er is geen enkele kans
dat de Senaat Biden de formele ratificatie van het akkoord van Parijs
zal toestaan, een juridische overwinning die ook aan Barack Obama
werd ontzegd, evenals aan Bill Clinton ten tijde van het
Kyoto-protocol.
Hierdoor
zouden de Verenigde Staten niet in staat zijn zich op geloofwaardige
wijze in te zetten voor koolstofneutraliteit. De technologische
vooruitgang en de dalende kosten van duurzame energie kunnen
misschien wel enig soelaas bieden, maar een technische oplossing kent
zo haar beperkingen. Het op grote schaal afstand nemen van de
koolstofeconomie kan te zijner tijd de deur openen naar een nieuw
groen groeimodel. Maar op de middellange termijn is er een pijnlijke
structurele verandering voor nodig, die van bovenaf moet worden
geïnitieerd.
Iedere vooruitgang de komende vier jaar zal bestaan uit noodoplossingen en pijnlijke compromissen. De regering-Obama vertegenwoordigde bovenal een masterclass in de mogelijkheden en beperkingen van dit soort bestuur. Een regering-Biden zou ongetwijfeld van deze ervaringen profiteren, maar tevens geconfronteerd worden met wat misschien wel de meest geduchte erfenis van Trump is: een rechtssysteem dat op elk niveau vol zit met rechters die pro-business en anti-regelgeving zijn. In één enkele ambtstermijn is Trump erin geslaagd een kwart van de federale rechters te benoemen, die zijn agenda voor de komende decennia zullen blijven uitvoeren.
Geconfronteerd
met obstructie van alle kanten mogen we niet verbaasd zijn als de
feitelijke leiding over het economisch beleid niet bij de gekozen
uitvoerende macht zal komen te liggen, maar bij de Federal Reserve.
De voorzitter van de Fed, Jay (Jerome) Powell, heeft zich tot nu toe
vooral inschikkelijk betoond. En vanuit het oogpunt van de rest van
de wereld is het leiderschap van de Fed misschien niet eens zoʼn
slechte zaak. Goedkope dollars verlichten immers de druk op de
wereldeconomie. Maar er zijn duidelijke grenzen aan wat een centrale
bank kan doen om te reageren op de economische schok die door het
virus wordt veroorzaakt. En een eindeloos expansief monetair beleid
kent giftige neveneffecten, met name in de vorm van het opblazen van
speculatieve bubbels die ten goede komen aan de gefortuneerde
minderheid die aandelen bezit.
Wat de Fed niet kan leveren is wat de VS hard nodig heeft: een belangrijke upgrade van de openbare diensten, te beginnen met de electorale machinerie, de kinderopvang, de gezondheidszorg en de infrastructuur voor de 21e eeuw. Bij ontstentenis hiervan zal de impasse van een verdeelde Amerikaanse samenleving en een disfunctionele politiek voortduren. Dat is het vooruitzicht waar de rest van de wereld zich de meeste zorgen over zou moeten maken. In plaats van het boek van de afgelopen vier jaar te sluiten, zelfs als de zittende president in het Witte Huis zou worden vervangen, dreigt deze verkiezing de giftige status-quo te bevestigen en te versterken.
Judith Butler is hoogleraar aan de faculteit voor vergelijkende literatuurwetenschappen en bij het programma voor kritische theorie aan de Universiteit van Californië te Berkeley. Haar laatste boek is The Force of Nonviolence (Verso).
Er hoefde nooit aan getwijfeld te worden dat Donald Trump er niet in zou slagen om gracieus en snel van het toneel te verdwijnen. Voor velen van ons was de enige vraag hoe destructief hij zou worden tijdens zijn val. Ik weet dat het woord ʻvalʼ meestal is voorbehouden aan koningen en tirannen, maar dat is dan ook het theater waar we ons in bevinden, zij het dat de koning hier tegelijkertijd de clown is, en de man aan de macht een kind dat wordt overmand door woedeaanvallen zonder dat er volwassenen in de buurt zijn.
We
weten dat Trump zal proberen alles te doen om aan de macht te
blijven, om die ultieme catastrofe in het leven te vermijden dat hij
ʻeen
verliezerʼ
wordt. Hij heeft laten zien dat hij bereid is het kiesstelsel te
manipuleren en te vernietigen als dat nodig is. Wat minder duidelijk
is, is of hij kan doen waarmee hij nu dreigt, of dat die ʻdreigingʼ
in de lucht zal blijven hangen als een machteloos gebaar. Als houding
is zijn dreiging om een einde te maken aan het stemmen of om de
verkiezingen ongeldig te laten verklaren een soort spektakel, in
elkaar gezet voor consumptie door zijn achterban. Maar als het als
een juridische strategie wordt gezien door een team van advocaten, en
dan ook nog eens advocaten die voor de overheid werken, vormt het een
ernstig gevaar voor de democratie. Zoals zo vaak tijdens het
presidentschap van Trump vragen we ons af of hij bluft, plannetjes
smeedt, acteert (een show opvoert) of zal doen wat hij zegt (en echte
schade zal aanrichten). Het is één ding om je op te stellen als de
man die onnoemelijke schade kan toebrengen aan de democratie om aan
de macht te blijven; het is iets heel anders om die show in de
praktijk te brengen en de rechtszaken aan te spannen die de
verkiezingsnormen en -wetten die het stemrecht garanderen zouden
ontmantelen, waardoor het raamwerk van de Amerikaanse democratie in
gevaar komt.
Toen
we naar de stembus gingen, stemden we niet zozeer voor Joe
Biden/Kamala Harris (centristen die de meest progressieve
gezondheidszorg- en financiële plannen van zowel Bernie Sanders als
Elizabeth Warren afwezen) als wel voor de mogelijkheid om überhaupt
te kunnen stemmen, voor het behoud van de electorale democratie.
Degenen onder ons die niet in de gevangenis zaten, hadden het gevoel
dat wij duurzame kieswetten bezaten, als onderdeel van een
constitutioneel raamwerk dat ons gevoel voor politiek richting geeft.
Velen van degenen die nog niet eerder van hun kiesrecht waren
beroofd, beseften niet eens dat hun leven berustte op een
fundamenteel vertrouwen in het juridische raamwerk. Maar het concept
van het recht als iets dat onze rechten waarborgt en ons handelen
stuurt, is getransformeerd in dat van een juridisch slagveld. Er is
geen wettelijke norm waartegen onder Trump niet kan worden
geprocedeerd. Een wet is er niet om geëerbiedigd of gehoorzaamd te
worden, maar een potentiële aanleiding voor een rechtszaak.
Procederen wordt het ultieme juridische domein, en alle andere
soorten recht, zelfs grondrechten, worden nu gereduceerd tot zaken
waarover onderhandeld kan worden binnen dat domein.
Hoewel
sommigen Trump verwijten dat hij regeren ziet als een bedrijfsmodel,
waarbij hij geen grenzen in acht neemt als het gaat om de zaken
waarover hij kan onderhandelen om winst te behalen, is het van belang
om in de gaten te houden dat veel van zijn zakelijke deals zijn
uitgemond in rechtszaken (vanaf 2016 is hij betrokken geweest bij
meer dan 3500 rechtszaken). Hij gaat naar de rechter om de uitspraak
af te dwingen die hij wil. Als de fundamentele wetten die ten
grondslag liggen aan verkiezingen worden betwist, als iedere
wettelijke bescherming frauduleus wordt verklaard en als een
instrument wordt gezien waarvan degenen die zich tegen hem verzetten
profiteren, dan blijft er geen wet over die kan verhinderen dat
juridische procedures de democratische normen kunnen vernietigen.
Wanneer hij oproept om een einde te maken aan het tellen van de
stemmen (net als zijn oproep om een einde te maken aan het testen op
COVID), probeert hij te voorkomen dat een realiteit werkelijkheid
wordt en tracht hij de controle te behouden over wat als waar of
onwaar moet worden gezien. De enige reden dat de pandemie in de VS zo
huishoudt, aldus Trump, is dat er testen zijn die numerieke
resultaten opleveren. Als er geen manier zou zijn om te weten hoe
slecht het gaat, dan kan het blijkbaar gewoon niet slecht gaan.
In
de vroege uren van 3 november riep Trump op om een einde te maken aan
het tellen van de stembiljetten in de belangrijkste staten waar hij
vreesde te gaan verliezen. Als het tellen zou doorgaan, zou Biden
immers wel eens kunnen winnen (dat is inmiddels ook gebeurd – noot
vertaler). Om die uitkomst te vermijden, wilde hij het tellen laten
stoppen, zelfs als burgers op die manier het recht werd ontnomen om
hun stem te laten meetellen. In de VS heeft het tellen van de stemmen
altijd enige tijd in beslag genomen: dat is de geaccepteerde norm.
Dus waarom nu zoʼn
haast? Als Trump zeker had gewonnen als het tellen van de stemmen zou
zijn gestopt, hadden we kunnen begrijpen waarom hij dat wilde. Maar
waarom zou hij er een eind aan hebben willen maken, gezien het feit
dat hij de winst op dat moment nog niet binnen had? Als een
rechtszaak om het tellen te laten stoppen gepaard gaat met een
rechtszaak waarin wordt beweerd dat er sprake is geweest van fraude
(zonder dat daar enige basis voor is), dan kan hij voor wantrouwen in
het systeem zorgen, een wantrouwen dat, als het maar diep genoeg is,
uiteindelijk de beslissing zal overlaten aan de rechtbanken, die hij
heeft volgepakt met degenen waarvan hij denkt dat ze hem aan de macht
zullen houden. Die rechtbanken zouden dan, samen met de
vice-president, een plutocratische macht vormen die de vernietiging
van de electorale politiek zoals wij die kennen in werking zou
stellen. Het probleem is echter dat deze machten, ook al steunen ze
hem over het algemeen, de grondwet niet noodzakelijkerwijs uit
loyaliteit jegens hem zullen willen vernietigen.
Sommigen
van ons zijn geschokt dat hij bereid is zo ver te gaan, maar dit is
vanaf het begin van zijn politieke carrière zijn werkwijze geweest.
We beven nog steeds bij de gedachte dat we de kwetsbaarheid hebben
gezien van de wetten die ons als democratie grondvesten en
oriënteren. Maar wat altijd kenmerkend is geweest voor het
Trump-regime, is dat de uitvoerende macht consequent de wetten van
het land heeft aangevallen, op hetzelfde moment dat hij beweert wet
en orde te vertegenwoordigen. De enige manier waarop die tegenspraak
kan kloppen, is als wet en orde uitsluitend door hem worden
belichaamd. Een merkwaardige hedendaagse vorm van door de media
gestuurd narcisme verandert zo in een dodelijke vorm van tirannie.
Degene die het rechtsregime vertegenwoordigt gaat ervan uit dat hij
de wet is, dat hij de wet kan maken en breken zoals hij wil, en
daardoor wordt hij uit naam van de wet een machtige misdadiger.
Fascisme
en tirannie kunnen vele vormen aannemen, zoals door wetenschappers is
aangetoond, en ik ben het niet eens met degenen die beweren dat het
nationaalsocialisme het model blijft waaraan alle andere vormen van
fascisme moeten worden afgemeten. En hoewel Trump geen Hitler is, en
electorale politiek niet bepaald hetzelfde is als een militaire
oorlog (en ook nog geen burgeroorlog, tot nu toe), is er sprake van
een algemene logica van vernietiging die in werking treedt als de val
van de tiran bijna zeker lijkt. In maart 1945, toen zowel de
geallieerden als het Rode Leger ieder nazi-verdedigingsbolwerk hadden
ingenomen, besloot Hitler de natie zelf te vernietigen, en gaf hij
opdracht tot de vernietiging van transport- en communicatiesystemen,
industrieterreinen en openbare nutsvoorzieningen. Als hij ten onder
ging, dan moest de natie ook maar ten onder gaan. Hitlers missive
heette ʻDestructieve
Maatregelen binnen het Territorium van het Reich,ʼ
maar zij ging de geschiedenis in als het ʻNero-decreet,ʼ
indachtig de Romeinse keizer die familie en vrienden doodde, en
degenen die als ontrouw werden gezien strafte, in zijn meedogenloze
verlangen om de macht vast te houden. Terwijl zijn aanhangers
begonnen te vluchten, pleegde Nero zelfmoord. Zijn vermeende laatste
woorden: ʻWelk
een kunstenaar sterft in mij!ʼ
Trump was geen Hitler en ook geen Nero, maar wel een zeer slechte kunstenaar die door zijn aanhangers is beloond voor zijn ellendige optredens. Zijn aantrekkingskracht op bijna de helft van het land berustte op het cultiveren van een praktijk die een opgewekte vorm van sadisme toestaat, bevrijd van alle ketenen van morele schaamte of ethische verplichtingen. Deze praktijk heeft zijn perverse bevrijding niet helemaal volbracht. Niet alleen heeft ruim de helft van het land gereageerd met afschuw of afwijzing, maar het schaamteloze spektakel is altijd afhankelijk geweest van het schetsen van een luguber beeld van links, dat moralistisch, repressief en veroordelend zou zijn, en bereid om de algemene bevolking te beroven van elk gewoon plezier en iedere vrijheid. Op die manier nam de schaamte een permanente en noodzakelijke plaats in in het Trumpiaanse scenario, in zoverre dat het geëxternaliseerd en ondergebracht werd bij links: links wil dat u zich schaamt voor uw vuurwapens, uw racisme, uw seksuele geweldplegingen, en uw xenofobie! De opgewonden fantasie van zijn aanhangers was dat hun schaamte dankzij Trump overwonnen zou worden, dat ze bevrijd zouden worden van links en van de repressie van hun vrijheid van meningsuiting en hun gedrag, en dat ze een vrijbrief zouden krijgen om eindelijk alle milieuregelgeving en internationale akkoorden aan hun laars te lappen, racistische gal te spuwen en openlijk hardnekkige vormen van misogynie te botvieren. Terwijl Trump campagne voerde bij mensenmenigten die opgetogen waren over racistisch geweld, beloofde hij hen ook bescherming tegen de dreiging van een communistisch regime (Biden?) dat hun inkomens zou herverdelen, hun vlees zou afnemen en uiteindelijk een ʻmonsterlijkeʼ en radicale zwarte vrouw als president zou installeren (Harris?).
De verslagen president zegt echter dat hij heeft gewonnen, hoewel iedereen weet dat dat niet zo is, althans nóg niet. Zelfs Fox accepteert zijn claim niet, en zelfs Pence zegt dat iedere stem moet worden geteld. De tiran, die zich in een neerwaartse spiraal bevindt, vraagt om een einde aan het testen, aan het tellen, aan de wetenschap en zelfs aan de kieswet, aan al die vervelende methodes om na te gaan wat wel en wat niet waar is, teneinde de waarheid nog een keer te kunnen verdraaien. Als hij dan toch moet verliezen, zal hij proberen de democratie in zijn val mee te nemen.
Maar als de president zichzelf tot winnaar uitroept, en door iedereen wordt uitgelachen, en zelfs door zijn vrienden een dwaas wordt genoemd, dan staat hij uiteindelijk alleen met zijn waandenkbeeld van zichzelf als machtige vernietiger. Hij kan procederen zoveel hij wil, maar als de juristen hun biezen pakken en de vermoeide rechtbanken niet meer naar hem luisteren, zal hij alleen nog maar heersen over het eiland genaamd Trump, als in een soort reality-show. Misschien krijgen we dan eindelijk de kans om Trump te laten uitgroeien tot een voorbijgaand spektakel van een president die, in zijn streven om de wetten die de democratie ondersteunen te vernietigen, de grootste bedreiging van die democratie is geworden, zodat de weg nu vrij is voor wat rust, na iets wat op een eindeloze uitputtingsslag leek. Laat het nu maar eens zien, Sleepy Joe!
Wendy Brown is hoogleraar politieke filosofie aan de universiteit van Californië te Berkeley.
Ik schrijf dit
terwijl we nog steeds wachten op de uitslag van de Amerikaanse
presidentsverkiezingen van 2020. Drie cruciale staten – North
Carolina, Georgia en Pennsylvania – zijn nog niet klaar met het
tellen van de stemmen, en dat tellen kan nog wel enkele dagen duren.
Sommige staten, zoals North Carolina, staan zelfs toe dat
poststemmen, die op of voor de verkiezingsdag zijn verstuurd, nog tot
12 november door de stembureaus worden verwerkt.
Nu Bidens pad naar
de overwinning smal is en dat van Trump zelfs nog smaller, hebben we
ook nog te maken met een andere onzekerheid: wat zal er gebeuren met
alle rechtszaken die de Trump-campagne heeft aangespannen? Deze
rechtszaken hebben onder meer ten doel de legitimiteit te ondergraven
van het stemmen per post, een reeds lang bestaande en geaccepteerde
manier om te stemmen, die dit jaar door tientallen miljoenen mensen
is gebruikt in verband met de COVID-19-pandemie.
Er is dus veel dat
we nog niet weten. Maar er zijn ook een paar dingen die we al wél
weten, en waar we rekening mee moeten houden, wat de uitslag van de
verkiezingen ook zal zijn.
Van de ongeveer 155
miljoen kiezers, ongeveer driekwart van de volwassen bevolking van de
VS, hebben tussen de 72 en 75 miljoen mensen voor de herverkiezing
van Donald Trump gestemd. Dat is een flinke stijging ten opzichte van
de 63 miljoen kiezers die Trump in 2016 aan de macht hebben geholpen.
Trump is dus niet alleen slechts weinig aanhangers kwijtgeraakt, maar
is er ook in geslaagd steun te verwerven onder nieuwe kiezers, vooral
onder zwarten, Latinoʼs
en witte jongeren. Bijna een derde van de Amerikaanse kiezers
verdedigt zijn presidentschap en wil er meer van, of op zijn minst
ten koste van alles een presidentschap van Biden zien te vermijden.
Wat weten we over
hen?
Deze kiezers kan het
niets schelen dat deze president niets doet om de natie te leiden of
bij elkaar te brengen, en in plaats daarvan blaft, opschept, scheldt
en aanvalt als een kleingeestige pestkop op het schoolplein.
Deze kiezers kan het
niets schelen dat Trump minder belasting betaalt dan werkende mensen
en bijna een half miljard dollar aan schulden heeft bij onbekende
schuldeisers.
Het kan ze niets
schelen dat hij zijn verkiezingsbeloften uit 2016 niet is nagekomen:
er is geen nieuw plan voor de ziektekostenverzekering, geen
herindustrialisatie van het Midwesten, geen grensmuur betaald door
Mexico, en geen bestrijding van de opioïdencrisis.
Het kan ze niets
schelen dat hij haatdragende groepen zoals witte nationalisten en
gewapende rechtse milities, of gevaarlijke complottheorieën en hun
dreigementen van extreem burgergeweld aanmoedigt.
Het kan ze niets
schelen dat hij door ruim twee dozijn vrouwen op geloofwaardige wijze
is beschuldigd van seksuele intimidatie of aanranding, en dat hij
regelmatig zijn gesprekspartners of tegenstanders aanvalt met
vrouwonvriendelijke beledigingen.
Het kan ze niets
schelen dat hij de COVID-19-pandemie met bijna totale
onverschilligheid tegemoet is getreden, zonder rekening te houden met
gezondheids- en medische voorschriften, zelfs niet nu de besmettings-
en sterftecijfers in de Verenigde Staten ook stijgen in de regioʼs
die hem welgezind zijn, cijfers die die van ieder ander
geïndustrialiseerd land overtreffen – een houding die heeft
bijgedragen aan de verslechtering van de economie en waarvan wordt
verwacht dat ze binnenkort het toch al overbelaste Amerikaanse
gezondheidszorgsysteem zal verbrijzelen.
Het kan ze niets
schelen dat het enige federale reddingspakket dat tijdens de
COVID-19-pandemie in stelling is gebracht, de Cares Act, de benarde
situatie van de werkende klasse en de middenklasse niet heeft
verzacht, maar neerkwam op de grootste opwaartse herverdeling van de
welvaart in de geschiedenis van het kapitalisme, door middel van
belastingverlagingen voor de rijken en goedkope, onbeperkte leningen
aan bedrijven.
Het kan ze niets
schelen dat de ontkenning van de klimaatcrisis en de daarmee
samenhangende ecologische crises alles wat met de toekomst te maken
heeft bedreigt.
Maar misschien wel
het ernstigste is dat het deze kiezers niets kan schelen dat de
president louter minachting heeft voor democratische instellingen,
normen en praktijken. Zij bevestigen, of zijn onverschillig voor het
feit, dat zijn regime alle kenmerken draagt van een nieuw fascisme,
hetgeen
tijdens een tweede ambtstermijn waarschijnlijk alleen
maar erger zou zijn geworden. Naast Trumps eigen
dictatoriale persoonlijkheid – die op klaarlichte dag werd
tentoongespreid toen hij zichzelf op de verkiezingsavond zonder enige
grond tot winnaar van de verkiezingen uitriep – horen daar tevens
bij: pogingen om greep te krijgen op de rechtbanken en onafhankelijke
overheidsinstellingen; de bestraffing van wetgevers, gouverneurs en
hele staten wegens ontrouw; de meedogenloze aanval op media,
specialisten en intellectuelen; de verspreiding van propaganda vanuit
het kantoor van de president; het gebruik van het leger en de politie
om het verzet te ontmoedigen en te smoren, en natuurlijk het
aanvechten van de gevestigde verkiezingsprocedures en de
verkiezingsuitslag.
Maar – afgezien
van degenen die zeggen dat ze al het bovenstaande werkelijk
waarderen, en die mensen bestaan écht – hoe zit het met degenen
die zeggen dat het ze gewoon niets kan schelen zolang het
Trump-regime hen iets geeft dat ze van vitaal belang achten? Hun
houding is niet te herleiden tot één enkel onderwerp en is ook niet
monolithisch te analyseren. Voor sommigen is het enige dat telt hun
beleggingsportefeuille of hun belastingaanslag. Voor anderen is het
de heiligheid van het heteroseksuele huwelijk of de ongeëvenaarde
onschuld van de foetus. Voor sommigen is het Jeruzalem of de
nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, en voor weer anderen is
het het recht om een vuurwapen te hebben. En natuurlijk is het voor
velen hun recht op de witte en mannelijke suprematie, die zij als
bedreigd beschouwen.
Voor bijna iedereen
staat echter een bepaalde vorm van vrijheid op het spel. In bijna
ieder gesprek met Trump-kiezers vóór de verkiezingen werden Biden
en de Democratische Partij geassocieerd met het socialisme, en Trump
met de vrijheid. De campagnes van de Republikeinen voor het Congres
hamerden voortdurend op dit thema: het stemmen tegen een
Democratische kandidaat zou helpen een socialistische overname van de
natie te voorkomen door de ʻSquadʼ
van vier vrouwen van
allochtone herkomst in de
Senaat, de zogenaamd Marxistische organisatoren van Black Lives
Matter, en de zwarte vice-presidentskandidate die in het verleden
haar steun heeft uitgesproken voor Medicare for All.
Het zou makkelijk
zijn om te beweren dat dit alles opgewarmde Koude Oorlogsretoriek is,
hoewel dit thema ongetwijfeld de steun voor Trump in Miami, Florida,
heeft versterkt, waar miljoenen Cubanen nog steeds wrok koesteren
tegen de revolutie van 1959. Toch speelde de Koude Oorlog vrijwel
geen rol in het verlangen om de kandidatuur van Biden-Harris als
socialistisch te bestempelen. Het werkelijke gevaar waar het om
draait, is het gevaar dat Hayek in The Road to Servitude
en Friedman in Capitalism and Freedom hebben beschreven. Dat
is het socialistische schrikbeeld dat volgens rechts op de loer ligt
in iedere agenda voor sociale rechtvaardigheid (door rechts ʻsocial
engineeringʼ genoemd),
dat wil zeggen: in elke poging om de systemische en langdurige
ongelijkheid van de toegang tot huisvesting, bankwezen, onderwijs,
werkgelegenheid en zelfs het stemmen aan te pakken, en in elke
belofte om regressieve belastingen te vervangen door progressieve
belastingen op inkomen en vermogen.
Obamacare wordt
beschouwd als socialisme. Fox News verwijst regelmatig naar het
socialisme van de Democratische Partij. En de rechtse nieuwssite
Breitbart heeft ʻKameraad
Kamalaʼ met het
communisme gelijkgesteld, nadat zij een campagnevideo had
gepubliceerd waarin gelijkheid werd voorgesteld als het principe dat
iedereen een wedstrijd begint vanaf dezelfde startlijn en deelneemt
volgens dezelfde regels. Wanneer Democraten op deze manier worden
beschreven, is het niet het schrikbeeld van politieke repressie dat
wordt opgeworpen (hoewel dat wel gebeurt met het schrikbeeld van het
opleggen van ʻpolitieke
correctheidʼ), maar het
schrikbeeld van sociale uitkeringen en herverdeling ter vervanging
van de pure (gemanipuleerde) markteconomie, die de aanhangers van
Trump zien als de plaats waar hun zelfbeschikkingsrecht tot uiting
komt. En het maakt niet uit dat ze financieel op het randje van de
afgrond staan, dat ze te maken hebben met opioïdenverslaving in hun
gezinnen en gemeenschappen, dat ze hun kinderen naar slechte scholen
sturen, en dat ze hoger onderwijs als materieel ontoegankelijk
beschouwen. De socialistische mantra doet hen vrezen het weinige te
zullen verliezen dat ze nu nog hebben door toedoen van een Green New
Deal, een nog uitgebreidere Obamacare, een bredere toegang tot hoger
onderwijs, de hervorming van de immigratie en het inrichten van een
natie die niet alleen minder hardvochtig is jegens buitenlanders,
maar ook jegens haar eigen burgers die veracht worden wegens hun
raciale en etnische achtergrond.
Natuurlijk, wat
sommige Trump-kiezers drijft is zelfs nog meer primair van aard:
hartgrondig racisme en xenofobie; haat tegen feministen,
milieuactivisten en kustelites; wrok tegen wat zij ervaren als
minachting van de kant van hoogopgeleide, kosmopolitische Amerikanen;
liefde voor een tiran die grijpt en aanvalt waar en hoe hij dat wil.
De hartstocht van alle aanhangers van Trump kan alleen worden
verklaard door het neoliberalisme. Maar het slimste wat de
Republikeinse Partij en de met haar sympathiserende media hebben
gedaan om de prestaties van Trump te verdoezelen is het bestempelen
van de Democraten als socialisten en het gelijkstellen van Trump met
de vrijheid. De vrijheid om zich te verzetten tegen
anti-COVID-voorschriften, om de belastingen voor de rijken te
verlagen, om de macht en rechten van bedrijven uit te breiden, om te
proberen te vernietigen wat er nog over is van een toezichthoudende
en sociale staat. Van deze versie van het vrijheidsbegrip was de hele
neoliberale anti-overheids- en antidemocratische cultuur al
doordrongen; het enige wat de Republikeinse Partij nog hoefde te doen
was deze te consolideren.
Er rest ons niets anders dan ons af te vragen hoe het anders had kunnen zijn. Als ze toch al als socialisten werden bestempeld, zou het dan niet in het belang van de Democraten zijn geweest om een echte socialistische democraat als kandidaat te kiezen in plaats van Biden? Zou dat geen mooie gelegenheid zijn geweest om Amerika te informeren over wat het democratisch socialisme werkelijk inhoudt (en over de vrijheid die daarmee gepaard gaat!)? Zou het geen mooie gelegenheid zijn geweest om de kleptocratie van de trumpisten, en niet alleen van de man zelf, openlijk aan de kaak te stellen? En zou het geen mooie gelegenheid zijn geweest om de tientallen miljoenen millennials te mobiliseren, die het jaar 2020 als een keerpunt zagen in hun strijd om de planeet te redden en hun eigen welvaartsperspectieven te verbeteren? Biden baseerde zijn campagne op fatsoen, maar toch kan niet worden gezegd dat deze verouderde deugd aan het begin van de 21e eeuw hoog op de prioriteitenlijst van de meeste mensen staat. Een betere toekomst wel.
Kun
je je de tijd herinneren dat het internet nog leuk was? Whitney
Phillips wel. De digitale antropologe keek onlangs door een enorme
reeks beelden die een jaar of tien geleden op Reddit waren gepost.
Het eerste begeleidende commentaar beschreef het tijdperk als ʻeen
eenvoudiger tijd,ʼ en de plaatjes waren inderdaad raar, grappig en
creatief. Pratende koeien. Katten die videospelletjes spelen. Een
beer op een golfbaan. Een man wiens ogen met Photoshop in monden
waren veranderd.
Maar plotseling vond ze iets anders. Iets verontrustends. De thread begon, zo schreef ze onlangs, ʻmet een luchthartige meme over Hitler.ʼ Daarna was er een ʻontmenselijkende grap over een kind met een handicap. En nog een grap over een oude man die aan een zuurstoftank vastzat. En grappen over verkrachting. En geweld tegen dieren. En grappen over dikke mensen. En homofobie. En racisme. En pedofilie. En hoe hilarisch 9/11 was.ʼ
Iedereen
die ooit wat tijd online heeft doorgebracht is vast wel eens gestuit
op de esthetiek en wellicht ook de ethiek van ʻmeme cultureʼ of
ʻinternet culture.ʼ Dat is de benaming van de wirwar aan beelden,
jargon en volkskunst die tien jaar geleden uit sites als 4chan,
Reddit en Tumblr is gegutst. Het zag er destijds allemaal lo-fi en
absurdistisch uit, en de toon was cynisch en zelfbewust. Blokkerige
witte bijschriften op fotoʼs van overdreven gelaatsuitdrukkingen.
ʻHALP,ʼ ʻOHRLY,ʼ ʻKTHXBYE.ʼ Schattige katten-GIFʼs.
In
de eerste vijftien jaar van deze eeuw maakte Phillips deel uit van
een groep wetenschappers, activisten en intellectuelen die memes
onderzochten en het idee van het web als een ruimte voor
onbelemmerde, anarchistische creatie propageerden. De revolutie
zou door de gebruiker worden gegenereerd. (De oprichters van
sociale netwerken – voornamelijk jonge, zorgeloze witte Amerikanen
uit de middenklasse – waren het daarmee eens). Oké, zo luidde de
consensus, er scholen ook duisterder elementen in al deze
creativiteit, maar dat maakte deel uit van de countercultural
charm ervan. Het terloopse sadisme van de trollen was gewoon
ʻlulz,ʼ iets dat niet serieus genomen moest worden. Seksisme,
racisme en andere haatgevoelens figureerden hier louter vanwege hun
shock value. Het was gewoon ironie, duh.
In
2009 woonde Phillips
een live-show bij die Meme
Factory heette en tot
doel had deze nieuwe taal van het internet uit te leggen. Drie jonge
mannen zaten achter microfoons, spraken met
opzet heel snel en
projecteerden af en toe plaatjes
op het scherm achter hen. Er waren ʻfailsʼ
en er waren ʻownsʼ;
de kijkers hoefden niet lang na te denken over de mensen die het
doelwit van de grappen waren. De eerste Meme Factory-show
begon
met een disclaimer over de beledigende inhoud ervan, vóór een foto
van een witte kat met een bijschrift dat in die tijd populair was:
Internet. Serious
Business. Phillips
herinnert zich dat ze een
jaar later tot tranen toe moest
lachen. Er werd verondersteld dat iedereen in de zaal begreep met wie
de draak gestoken werd – de racisten en de homofoben – en dat
alles alleen maar voor de ʻlulzʼ
was.
Maar
de stortvloed aan memes liet geen tijd om onderscheid te maken tussen
het schattige en het beledigende, het onschuldige en het hatelijke.
Eén sectie, zo herinnert Phillips zich, toonde ʻdiverse jonge witte
vrouwen, beroemdheden van het internet, die aanleiding hadden gegeven
tot allerlei online-grappen.ʼ Zulke vrouwen, zo legden de drie
mannen uit, werden ʻcamwhoresʼ genoemd. Toen de foto van één van
hen het scherm op flitste, joelde de menigte. Een man in het publiek
riep: ʻDood haar!ʼ
Phillips,
een universitair docent communicatie aan de universiteit van
Syracuse, denkt inmiddels dat ze het destijds allemaal verkeerd
begrepen heeft. Al dat ironische racisme voelt nu helemaal niet meer
zo ironisch aan. ʻIk weet niet precies meer wanneer het beeld
gekanteld is,ʼ zegt ze, vanuit haar geel geschilderde woonkamer in
Syracuse, New York, terwijl haar handen zenuwachtig om haar gezicht
fladderen als we elkaar spreken via Zoom. ʻWat leuk en grappig leek,
bleek uiteindelijk als een Trojaans paard te fungeren voor
wit-nationalistische, gewelddadige ideologieën, die door de poort
konden sluipen zonder als zodanig herkend te worden.ʼ
De
eerste tien jaren van deze eeuw waren het decennium waarin de
internetcultuur het echte leven opat, waarbij de grens tussen ʻIn
Real Lifeʼ en ʻop het internetʼ vervaagde. Tegen het einde van het
decennium moest een bepaald soort progressieven toegeven dat we veel
te zelfgenoegzaam waren geweest over hoe duister de politiek kon
worden, en dat de zogenaamd ironisch getinte delen van het internet
geholpen hadden dit te laten gebeuren. Vele anderen hebben dezelfde
route afgelegd als Phillips. Wat ooit werd afgedaan als ʻtrollenʼ
wordt nu herkend als intimidatie en misbruik; waar flat earthers
(mensen die denken dat de aarde plat is) en 9/11-truthers
(mensen die denken dat de Amerikaanse overheid zelf de hand heeft
gehad in de aanslagen van 9/11) ooit de lachers op hun hand hadden,
plegen sommige complottheoretici van vandaag de dag gewelddaden.
Als
je die Meme Factory-video een decennium later opnieuw bekijkt, ziet
wat ooit iets weg had van onschuldige, speelse transgressie er nu
giftig uit. De kreet ʻDood haar!,ʼ die vooruitliep op het seksisme
van Gamergate, is bijzonder angstaanjagend. ʻTe velen van ons
zagen het gewoon niet, of als we het wel zagen, dachten we dat het
niet echt om misogynie ging,ʼ zegt Phillips. De mystiek van lulz, de
lol van lulz, was gewoonweg te verlammend.ʼ
Echte-onverdraagzaamheid-gecamoufleerd-als-ironische-onverdraagzaamheid lijkt een nieuw fenomeen, misschien zelfs wel een typisch 21e-eeuws fenomeen, een mengeling van consumentisme en popcultuur en het ʻVeelvuldig Online zijn.ʼ Modern extremisme gaat vaak gepaard met elementen van dwaasheid en belachelijkheid. Kijk maar naar de ʻboogalooʼ-beweging, een militie die is vernoemd naar de obscure film Breakinʼ 2: Electric Boogaloo uit de jaren tachtig, waarvan de aanhangers een tweede burgeroorlog in de Verenigde Staten verwachten. Ze bereiden zich voor op die eventualiteit door het bijwonen van anti-lockdown-protesten en betogingen voor het recht om wapens te dragen, in parmantige Hawaï-shirts onder kogelwerende vesten, met hun wapens in de aanslag. Kijk maar naar de merkwaardige ideeën van QAnon-complotdenkers, over de sekshandel van satanisten die in familierestaurants actief zouden zijn. Kijk maar naar Pepe de cartoonkikker, een symbool dat witte nationalisten overnamen van de maker, die ooit met het schaamrood op de kaken heeft uitgelegd dat Pepe zo heette omdat het klonk als pee-pee. Om The Big Lebowski verkeerd te citeren: je kunt zeggen wat je wilt over de grondbeginselen van het nationaal-socialisme, maar de naziʼs namen zichzelf tenminste serieus.
Toch klopt deze indruk niet – onverdraagzaamheid en absurditeit zijn al veel langer met elkaar verweven. De Ku Klux Klan nam expres een belachelijke naam aan, en de Klansmen beweerden dat ze van de maan kwamen, schrijft historica Elaine Frantz Parsons in Ku-Klux. Ze probeerden ʻde volledig rationele angst van hun slachtoffers voor het fysieke geweld af te schilderen als bijgeloof of goedgelovigheid. Het slachtoffer zou er niet in geslaagd zijn “de grap te begrijpen,” en zich hebben laten afschrikken door “geesten” of “duivels”.ʼ Dit patroon herhaalde zich in de 20e eeuw. ʻDe naziʼs waren toegewijde trollen die hun onoprechtheid bewapenden om te profiteren van liberale samenlevingen die slecht waren toegerust om de confrontatie met hen aan te gaan,ʼ zoals mijn collega Adam Serwer het heeft geformuleerd.
Die vergelijking wordt ook gemaakt door Robert Evans, een journalist van de onderzoekswebsite Bellingcat. Toen ik hem op een avond laat had bereikt, nadat hij de dag had doorgebracht met het verslaan van de protesten in Portland, Oregon, was zijn toon apocalyptisch en zijn dictie staccato. Hij vertelde me het verhaal van Hans Litten, een joodse advocaat die nazi-paramilitairen had aangeklaagd wegens een aanval op een danszaal in 1931, en daardoor in staat was geweest om Hitler te ondervragen. In een tijd waarin buitenlandse correspondenten en diplomaten nog grappen maakten over de clowneske, vulgaire en oververhitte retorische stijl van de toekomstige dictator, en beweerden dat zijn openlijke antisemitisme, zijn minachting voor de wet en zijn pleidooi voor geweld slechts een tactiek waren om zijn basis te verstevigen, nam Litten Hitler serieus. Hij ondervroeg hem zorgvuldig en wist zijn tweeledige strategie bloot te leggen: straatgeweld om een leger van boeventuig te organiseren, overdekt met een vernislaagje van plausibele zachtmoedigheid om kiezers uit de middenklasse aan te trekken.
Litten wist Hitler in verlegenheid te brengen, maar won de zaak niet. En toen Hitler in 1933 aan de macht was gekomen, werd de advocaat gearresteerd. Na vijf jaar van martelingen en dwangarbeid pleegde Litten zelfmoord in Dachau.
Evans ontwaarde parallellen tussen de weigering van de wereld om acht te slaan op Littens waarschuwingen en zijn eigen pogingen om te berichten over gewelddadige milities in de Verenigde Staten. Hij was bezorgd omdat extreemrechtse extremisten – waarvan hij er een aantal in Portland had gezien, nadat de regering-Trump gewapende agenten uit een allegaartje aan federale diensten op pad had gestuurd om de protesten in die stad de kop in te drukken – zich in alle openheid manifesteerden en gebruik maakten van de plausibele ontkenning die door de ironie werd ingegeven. Neem het ʻOKʼ-handgebaar. Volgens sommige zelfverklaarde trollen was het een goede grap om de mainstream media wijs te maken dat zoiets onschuldigs als dat handgebaar een wit-nationalistisch symbool kon zijn. (Vindt u dat grappig?) Maar toen maakte een themapark-medewerker in Orlando, Florida, het teken terwijl hij poseerde voor een foto met een zesjarig zwart meisje. (Vindt u dat nog steeds grappig?) En vervolgens maakte een massamoordenaar het teken in de beklaagdenbank na het vermoorden van 49 mensen in Nieuw-Zeeland met een geweer waarin het cijfer 14 was gegraveerd, nadat hij een manifest had achtergelaten over ʻde grote vervangingʼ van het witte ras. (Vindt u dat nog steeds grappig?)
Extremisten
ʻjutten mensen op door deze symbolen te gebruiken en vervolgens te
ontkennen dat er iets racistisch aan is,ʼ aldus Evans. ʻHet doel is
om mensen die op deze shit letten gek over te laten komen op mensen
die er niet genoeg aandacht aan hebben besteed.ʼ
Met andere woorden: laat je niet afleiden door die rare cartoon-kikker die extremisten zich hebben toegeëigend; maak je zorgen over het bestaan van zoveel extremisten die Pepe-memes plaatsen. Kijk niet naar de bontgekleurde aloha-shirts die de milities dragen; kijk naar de serieuze wapens die zij bij zich hebben. Richt je niet op het feit dat QAnon haar aanhangers vraagt te geloven dat Donald Trump onze enige verdediging is tegen kannibalistische satanisten; richt je op hoe ze zullen reageren als hij in november de verkiezingen verliest.
Het verhaal van Litten deed me denken aan een ander rechtbankdrama, uit 2013. Daarbij ging het om de veroordeling van Andrew Auernheimer, een hacker die ook wel bekend stond als ʻweevʼ en een beveiligingslek bij het telecombedrijf AT&T had blootgelegd. Destijds werd hij beurtelings omschreven als een ʻtrol,ʼ een ʻklootzak,ʼ ʻde beste vreselijke persoon op het internetʼ en ʻgewoon een painintheonlineass.ʼ
Je kunt hem ook op een andere manier omschrijven: als een neonazi. Sinds zijn ontslag uit de gevangenis is Auernheimer de webmaster van The Daily Stormer, een expliciete nazi-website. Hij heeft een hakenkruis-tatoeage op zijn borst. In geschriften die hij op het internet heeft verspreid, geeft hij advies over het radicaliseren van linkse mensen en progressieven, waarin hij opschept dat ʻhij slechts negen berichtjes nodig heeft om een Bernie Sanders-aanhanger zo ver te krijgen dat hij vraagt waar hij zich kan aanmelden voor de rassenoorlog.ʼ
Niet dat je dit zou kunnen destilleren uit de verslagen van Auernheimers veroordeling. In 2014 beschreef zijn vriendin Quinn Norton, een andere kampioen van de internetcultuur, hem in een stuk voor Medium als ʻverre van onschuldig,ʼ ʻgeen held,ʼ en ʻeen heks voor deze eeuw.ʼ De woorden racist en nazi komen er echter niet in voor, hoewel ze toegeeft dat ʻzijn huid bleek is, en hij vaak praat als een witte nationalist, tenminste als hij in de buurt is van mensen die waarschijnlijk op zulke dingen zullen reageren.ʼ Het is een veelzeggende constructie, waarbij Auernheimers openlijke racisme wordt afgeschilderd als een houding – een cover-up voor degenen die niet slim genoeg zijn om het opzettelijk beledigende taalgebruik van trollen te begrijpen, het soort normies dat aanstoot neemt aan de naam van zijn organisatie, GNAA, waarvan de tweede letter staat voor het N-woord.
Ik
confronteer Norton hiermee: haar vriend praatte niet alleen ʻals een
witte nationalistʼ; hij was een witte nationalist. De normies
die met afgrijzen reageerden hadden gelijk, en de nerds die het van
zich af lieten glijden hadden het mis. Ze laat zich niet zo makkelijk
vastpinnen, en begint in plaats daarvan een verhaal te vertellen over
de belegering van Münster, Duitsland, in verband met de opkomst van
het verspreiden van pamfletten in het middeleeuwse Europa. ʻHet
internet is van geen van al deze problemen de oorzaak,ʼ antwoordt ze
via WhatsApp. ʻHet intensiveert dingen alleen maar … Toen ik in
2011 met [de hackersgroep] Anonymous werkte, was het taalgebruik
beledigend, maar niets daarvan was persoonlijk, en dat was het hele
punt. De witte nationalisten kunnen zich erachter verschuilen, maar
het is niet hun eigenlijke ding.ʼ
De
meme-cultuur is oorspronkelijk ontstaan op het bulletin board 4-chan,
net als Anonymous. De sfeer van die site is moeilijk te omschrijven:
het is een
uitzinnige reeks
vooroordelen,
pornofilmpjes,
inside jokes en willekeurige gesprekken. Iedereen is anoniem, wat
vreemde resultaten oplevert. Het is voor buitenstaanders ongelooflijk
moeilijk om te begrijpen wat hier
gebeurt,
en iedere gebruiker wordt verondersteld een jonge Amerikaanse witte
man te zijn. (Twee veel voorkomende frases vatten deze houding samen:
ʻEr
zijn geen meisjes op internetʼ
en ʻTieten
of GTFOʼ
(Get The Fuck Out of here). De hieruit
voortvloeiende cultuur had weinig geduld met progressieve politiek,
waarvan de aanhangers een slachtoffermentaliteit zouden
hebben, en – erger nog – geen gevoel voor humor. Te veel vrouwen
en minderheden hingen aan de ʻidentiteitspolitiek,ʼ
terwijl het zijn van een
witte man niet zomaar een
identiteit was, maar de standaardgesteldheid
van de mensheid. Als je
je niet beledigd voelde
door seksisme was dat het
bewijs dat
je erbij
hoorde.
Degenen die Auernheimer vóór zijn veroordeling als een ʻtricksterʼ op handen droegen, zeggen dat de gevangenis hem heeft veranderd. Dit betoog wordt weersproken door spelontwikkelaar Kathy Sierra, die al vijf jaar vóór de AT&T-zaak het slachtoffer was van een van zijn intimidatiecampagnes – hij heeft haar adres en haar sociale zekerheidsgegevens online gezet. Ze kreeg ook doodsbedreigingen. Volgens haar maakte het bagatelliseren van de seksistische intimidatie van Auernheimer de weg vrij voor het bagatelliseren van zijn andere meningen. ʻPas toen zijn racisme té schaamteloos werd om te negeren, begonnen zijn voormalige pleitbezorgers zich terug te trekken,ʼ aldus Sierra in een e-mailtje. ʻDe gruwelijke dingen die hij vrouwen aandeed hadden weinig impact.ʼ
De ironie, de shockerende humor en de plausibele ontkenningen die Auernheimer in trollenkringen heeft geleerd te cultiveren, worden nu gebruikt bij de rekrutering van witte nationalisten. In 2017 kreeg HuffPost de stijlgids voor The Daily Stormer in handen. ʻIn het algemeen moet het gebruik van racistische scheldwoorden,ʼ zo adviseert de gids, ʻoverkomen als een halve grap – zoals een racistische grap waar iedereen om lacht, omdat die waar is. Dit is in lijn met de over het algemeen lichte toon van de site. Het mag niet overkomen als racistisch vitriool. Daar knapt de overgrote meerderheid van de mensen op af.ʼ De site moet mensen aantrekken door middel van ʻondeugende humor,ʼ zodat ze langzaam ʻwakker gemaakt kunnen worden voor de realiteit,ʼ zo voegt de gids eraan toe. Aspirant-schrijvers wordt aangeraden hoofdstuk zes van Mein Kampf te lezen.
Het
was dat boek – Hitlers politieke memoires – dat ervoor heeft
gezorgd dat Evans besefte hoe serieus de overtuigingen van sommige
gebruikers van 4chans politieke board, /pol/, waren. Tussen
ʻironische Holocaust meme-threadsʼ vond hij lange betogen
over ʻverschillende vertalingen van Mein Kampf, en welke
daarvan het meest getrouw waren aan de geest van wat Hitler probeerde
over te brengen. Dat is wel iets anders dan een beetje rondklooien,
nietwaar?ʼ
Trouwens, wie was aanwezig geweest bij die allereerste Meme Factory-voorstelling, kijkend naar de menigte die moest lachen om een satirische deconstructie van witte suprematie? Inderdaad, Andrew Auernheimer.
Wanneer
was de lol er uiteindelijk vanaf? Als ik met Phillipsʼ vaste
medewerker Ryan Milner spreek, herinnert hij zich dat hij in 2013 een
artikel over memes naar een tijdschrift had gestuurd. Een van de
redacteuren berispte hem wegens het terloops in het artikel opnemen
van fotoʼs van mensen die er niet in hadden toegestemd het doelwit
van duizenden virale grappen te zijn. ʻHij noemde me lichtzinnig,ʼ
vertelt hij me over de telefoon. ʻEn ik dacht: man,
die redacteur heeft gelijk.ʼ
Milner besefte dat hij de memes had bekeken met een ʻgefetisjeerde blik,ʼ een term die hij had ontleend aan Marx, die beschrijft hoe we ons fixeren op het object vóór ons en negeren hoe dat is geproduceerd. Het is ditzelfde proces dat ons in staat stelt om naar een goedkoop kledingstuk te kijken en te weigeren erover na te denken hoe het voor zo weinig geld kon worden gemaakt. In 2010, toen de ʻBed Intruderʼ-meme 147 miljoen keer werd bekeken op YouTube, lachten mensen op het hele internet om de grappige remix van de woorden van een man die door een verslaggever werd geïnterviewd: ʻVerstop je kinderen, verstop je vrouw … Ze verkrachten iedereen hier.ʼ Maar de man in kwestie had het gehad over een poging tot verkrachting van zijn zus. Wat vond hij zelf van die virale spotternij? En hoe voelde zij zich? Grappen over verkrachting waren een belangrijk onderdeel van de meme-cultuur, gebaseerd op het idee dat het schokkend was om grappen te maken over het ergste wat je kon overkomen. Maar voor een Amerikaanse man die niet in de gevangenis zat was het natuurlijk niet zo waarschijnlijk dat het hem zou overkomen.
Het
gebeurde wél met Phillips. Zij werd in 2010 verkracht, zo vertelt ze
me, ʻanderhalve meter van de plek waar ik elke avond zat en al mijn
gegevens vergaarde om mijn proefschrift te schrijven, wat
uiteindelijk mijn boek zou worden.ʼ (Ze deed geen aangifte omdat ze
niet bereid was om het openbaar te maken, en omdat ze bang was dat de
trollen die ze volgde erachter zouden komen.) Haar verkrachter
gebruikte de taal van lulz om zijn gedrag te rechtvaardigen: als
vrienden de blauwe plekken op haar armen zouden zien, zou hij het
afdoen als het gevolg van een stoeipartij. Als ik Phillips vraag of
ze het goed vindt dat ik over haar verkrachting schrijf, zegt ze ja.
Ze wil benadrukken hoe dit trauma haar leven en werk heeft beïnvloed.
ʻIk kan je niet zeggen hoezeer het me spijt dat ik eerst zelf geweld
moest ondergaan voordat ik kon begrijpen wat geweld voor anderen
betekende,ʼ voegt ze eraan toe.
Mike
Rugnetta, een van de schrijvers achter Meme Factory, vertelt me dat
hij nu ook spijt heeft van het uitvergroten van de bekendheid van
ʻhaatdragende gemeenschappen op plekken als 4chan en Reddit, bij het
uitdragen van de meer positieve aspecten van user-generated
content.ʼ De manier waarop de show beledigende inhoud ʻvan zich
liet afglijden,ʼ zo voegt hij eraan toe, ʻmoet – moet –
een deel van ons publiek hebben gekwetst. Die gedachte alleen al is
genoeg om mijn maag zich te laten omdraaien.ʼ
Voor veel anderen kwam het keerpunt later, met de verkiezing van Trump. Wat hij verder ook mocht zijn, de kandidaat-president was grappig. Hij maakte shockerende opmerkingen – tam volgens de normen van 4chan, maar verbijsterend volgens de nuchtere normen van de mainstream-politiek – over het gewicht van Rosie OʼDonnell, het uiterlijk van de vrouw van Ted Cruz en de gevangenschap van John McCain in Vietnam. Hij gedroeg zich vaak, tijdens de debatten met Hillary Clinton, als een provocateur. Zelfs nu nog brengt hij regelmatig een hem onsympathiek publiek aan het lachen: toen hem onlangs door een Witte Huis-verslaggever werd gevraagd of hij echt bezig was de wereld te redden van ʻpedofiele kannibalen,ʼ antwoordde hij broodnuchter: ʻIs dat dan slecht?ʼ
Sociale-rechtvaardigheidsactivisten hadden daarentegen wel iets weg van buzzkills. De opkomst van de sociale media heeft de angst om ʻiets verkeerds te zeggenʼ vergroot, en een meerderheid van de Amerikanen (inclusief raciale minderheden) meent dat ʻde politieke correctheid te ver is gegaan.ʼ In dit klimaat worden beledigende grappen op een ander niveau herhaald: het doelwit bestaat nu niet alleen meer uit onderdrukte minderheden, maar ook uit een kleine groep progressieve elites die de wereld willen laten praten als een strenge e-mail van de HR-afdeling.
In
2016 hadden verslaggevers het moeilijk met deze onzichtbare prikkels.
Wie wil nu de indruk wekken het contact met het ʻechte Amerikaʼ te
zijn kwijtgeraakt of overkomen als een vreugdeloze zeurpiet? Jonge
journalisten, die verslag deden van de internet-cultuur, pompten
vrolijk de meest bedompte pro-Trump-memes rond, zelfs toen hun
collegaʼs van de politieke en de opinieredacties moesten grinniken
om de rammelende toespraken van Trump, zijn met vreemde hoofdletters
gevulde tweets en zijn tegenstrijdige uitspraken. De toon was cynisch
en zelfbewust. We snappen de grap.
Naarmate de campagne vorderde, ontspon zich een discussie over de vraag of Trump, net als de trollen, ʻserieusʼ of ʻletterlijkʼ moest worden genomen, en of zijn racisme en lankmoedigheid over geweld op campagnebijeenkomsten echt te duiden waren als ʻsinisterʼ of als het gedrag van een politieke entertainer die zijn basis bespeelde. Wat gaf het als hij Mexicanen verkrachters noemde, alleen maar voor de lulz, als een provocatie om progressieven te choqueren? Maar het effect – het verzwakken van taboes en democratische normen – was reëel.
De overwinning van Trump heeft geleid tot een zelfonderzoek naar wat internet-hipsters nu precies allemaal hadden getolereerd, en naar de pedante, zelfgenoegzame toon die de media hadden aangeslagen bij het behandelen van ʻironischeʼ hate speech. Voormalige voorvechters van de internetcultuur voelden de kilte van een nieuwe consensus. Nortons avonturen tussen de trollen deden haar carrière geen goed. In 2018 werd ze binnen zes uur door The New York Timesingehuurd en weer ontslagen. De krant zei zich niet bewust te zijn geweest van tweets zoals die uit 2013 waarin Norton een tegenstander omschreef als een ʻstront-etende, overgevoelige kleine huilebalk van een homo.ʼ Ze beweerde dat ze zich, om in hacker-kringen te kunnen doordringen, had moeten bedienen van de taal die in die kringen gebruikelijk was, en dat ze als pacifiste niet in staat was geweest om Auernheimers vriendschap af te wijzen, ook al verafschuwde ze zijn standpunten.
De stemming was veranderd. Na een pauze van zes jaar keerde de Meme Factory in 2017 terug met een eenmalige show, waarin de rol van memes bij het voeden van racisme en de ʻalt-rightʼ aan de kaak werd gesteld. De show heette ʻHet internet was een vergissing.ʼ
Vorig jaar waarschuwde de FBI voor de terreurdreiging die uitging van ʻmarginale complottheorieën.ʼ Eén daarvan is QAnon, dat het grootste antisemitische tractaat dat ooit is gepubliceerd – De protocollen van de Ouderen van Zion – opnieuw heeft bewerkt voor het internettijdperk. Oude vooroordelen zijn herleefd, maar in plaats van de joden openlijk te beschuldigen van het drinken van het bloed van niet-joodse kinderen, worden er nu diverse eufemismen gebruikt: ʻKustelites,ʼ ʻHollywood,ʼ en ʻGeorge Sorosʼ zouden een chemische stof oogsten, die adrenochroom wordt genoemd, teneinde hun levensduur te verlengen. In juli legde Twitter beperkingen op aan 150.000 accounts, verbonden met QAnon. Een maand later schrapte Facebook een QAnon group met 200,000 leden als onderdeel van een breder optreden. TikTok heeft QAnon-gerelateerde hashtags geblokkeerd in de zoekresultaten.
Maar omdat veel van de discussie in gesloten groepen plaatsvindt, kunnen reguliere internetgebruikers net doen alsof hun neus bloedt. Er zijn al verschillende gewelddadigheden in verband gebracht met QAnon, en sommige aanhangers spreken in apocalyptische bewoordingen over de verkiezingen. Een vrouw die onlangs door Time werd geïnterviewd zegt dat ze zó bezorgd is over kinderhandel door ʻde bendeʼ dat als Joe Biden de presidentsverkiezingen wint, ʻik waarschijnlijk met mijn kinderen in de garage ga zitten en mijn auto start, en dat het dan voorbij zou zijn.ʼ Sommigen zouden hun angst naar buiten kunnen keren, tegen de wereld. Evans van Bellingcat schat dat er ʻeen paar miljoenʼ Amerikanen zijn die het fascisme steunen. Andere deskundigen zijn het daar niet mee eens – Joseph Uscinski, die QAnon onderzoekt, gelooft dat nog geen vijf procent van de Amerikanen bereid is geweld tegen de regering te steunen. ʻWie kent het percentage mensen die eigenlijk Naziʼs zijn?ʼ vraagt Phillips zich af, verwijzend naar sites als 4chan en de opvolgers daarvan, 8chan en 8kun. ʻMaar wat je kunt zeggen is dat de mensen die dat soort ruimtes bezoeken er zeker voor open staan.ʼ
Het is niet moeilijk om deskundigen te vinden die denken dat de Amerikaanse veiligheidsdiensten de dreiging van extreemrechtse extremisten in de jaren na 9/11 hebben genegeerd, omdat ze zo gefocust waren op islamistische terreur. Nu worden de bakens eindelijk verzet. In februari vertelde Jill Sanborn van de FBI aan het Congres dat ʻde grootste dreiging waar we vandaag de dag in eigen land mee te maken hebben de dreiging is die uitgaat van eenzame mensen die online geradicaliseerd zijn en met makkelijk verkrijgbare wapens zachte doelwitten willen aanvallen.ʼ
Vandaag de dag kunnen we niet langer net doen alsof wat er online gebeurt, ook online blijft. De gevolgen ervan zijn ons dagelijks leven binnengedrngen: een SWAT-officier werd met een QAnon-badge afgebeeld naast vice-president Mike Pence; een QAnon-aanhanger won de Republikeinse voorverkiezing in Georgia. Vrouwelijke en minderheidspolitici worden aangevallen met taalgebruik dat tien jaar geleden ondenkbaar zou zijn geweest.
Phillips vertelt me dat ze het trauma van haar verkrachting en haar onderdompeling in sadistische trollengemeenschappen heeft verwerkt door zich te dissociëren. De Britse instelling voor geestelijke gezondheidszorg Mind beschrijft dissociatie als het gevoel ʻlos te staan van je lichaam … alsof de wereld om je heen onwerkelijk is.ʼ Dat is helaas ook een goede omschrijving van het online zijn, vooral het soort online zijn waarbij de uren die worden doorgebracht in een digitaal konijnenhol échter beginnen te lijken dan de driedimensionale wereld. Het terloopse misbruik van Twitter, de consumptie van memes waarin grappen worden gemaakt die ten koste gaan van hun slachtoffers en het ʻironischeʼ gebruik van haatdragende taal maken het internet tot een gigantische machine die iedere vorm van empathie platwalst. We moeten onze banden met andere mensen weer opbouwen. ʻJe moet denken vanuit het perspectief van het slachtoffer,ʼ aldus Milner.
Het
berouw van de kampioenen van de internetcultuur maakt deel uit van
een breder verhaal van progressieve ontgoocheling. Slechts weinigen
zouden nu nog durven beweren, zoals Barack Obama deed in zijn
overwinningstoespraak in 2008, in navolging van dr. Martin Luther
King, dat ʻde boog van de geschiedenis lang is, maar zich uitstrekt
in de richting van gerechtigheid.ʼ De anarchisten, intellectuelen en
nerds die dachten dat taboes voor normies waren, zagen de slang in
het gras over het hoofd, omdat ze dachten dat hij niet gogtig meer
was. Het was een onstuimige mix van voorrechten en naïviteit,
gebouwd op de belofte van het internet als een ruimte zonder
repercussies.
ʻIk
maakte deel uit van die kringen,ʼ zegt Phillips. ʻDus ik ga niet
met de vinger naar andere mensen wijzen en zeggen dat ze slecht
waren. Dit was mijn eigen persoonlijke falen, in de context van veel
andere structurele, systemische mislukkingen … We hoefden niet na
te denken over de gevolgen.ʼ
Maar nu denkt Phillips de hele tijd aan de gevolgen. Die gevolgen hebben het leven van vrouwen geruïneerd. Die gevolgen hebben gezinnen in restaurants en gelovigen in synagogen doodsbang gemaakt. Die gevolgen bevinden zich (nu nog) in het Witte Huis.
Arlie Hochschild is emeritus-hoogleraar in de sociologie aan de universiteit van Californië te Berkeley, en de auteur van Strangers in Their Own Land: Anger and Mourning on the American Right
Er wordt gezegd dat
iedere man met een hamer denkt dat de wereld er als een spijker
uitziet. Zo komt een conflict op iedere bullebak over als een
vechtpartij en een debat als een wedstrijd wie het hardst kan
schreeuwen, en biedt zelfs een pandemie gelegenheid om de waarheid
geweld aan te doen. Dat blijkt ook het geval te zijn met de president
van de Verenigde Staten.
Ik vermoed dat zowel Donald Trump als Joe Biden als kind gekoeioneerd werden, Trump door zijn veeleisende vader en Biden door zijn schoolgenootjes wegens zijn gestotter. Als dat zo is, hebben de twee hun gedeelde probleem op vrijwel tegengestelde wijze aangepakt, met grote gevolgen voor het soort mens dat ieder van hen is geworden en voor de natie die nu tussen hen moet kiezen.
De meeste peilingen
suggereren dat Biden de presidentsverkiezingen in de VS zal winnen,
hoewel niemand het effect van Trumps intimidaties in het recente
tv-debat werkelijk heeft onderzocht, evenmin als Bidens ontoereikende
verweer daartegen of het effect van Trumps grootspraak nadien. Maar
nu de burgers zo gestrest zijn – door COVID-19, banenverlies,
bosbranden, overstromingen, stedelijke onrust en wat niet al – is
het van belang ons af te vragen wat de kiezers in een leider zoeken.
Willen sommige Amerikanen echt een bullebak als president?
Veel onderzoeken
hebben aangetoond dat Republikeinen verlangen naar een ʻsterke
leider,ʼ een ʻvechter;ʼ
dit kan hen doen aarzelen om Trumps intimidaties te veroordelen. Ik
heb Sharon Galicia leren kennen, een alleenstaande moeder en
verkoopster van ziektekostenverzekeringen uit Louisiana, toen ik
onderzoek deed voor mijn boek uit 2016 over rechtse Amerikanen,
Strangers in Their Own Land. ʻDe
man die door progressieven wordt beschouwd als een arrogante
bullebak,ʼ zei ze tegen
me, ʻzien
conservatieven als Rocky Balboa.ʼ
Veel goedmoedige
arbeiders, met bumperstickers van de Amerikaanse vlag op hun
pick-ups, hebben afgestemd op Trump, op een frequentie die seculiere
progressieven niet kunnen horen. Waar de meeste progressieven
intimidaties denken te bespeuren, horen de Trump-aanhangers: ʻIk
ben jullie man. Alles wat ik doe, doe ik voor jullie, en ik maak mijn
woorden waar.ʼ Waar
progressieven iemand ontwaren die anderen steevast in de rede valt,
horen veel conservatieven, als Trump spreekt: ʻMijn
vijanden – de deepstate, klokkenluiders,
impeachment-bepleiters, de mainstream media, de Democraten,
COVID-19-critici – intimideren mij. Ik lijd voor jullie. Blijf
achter me staan als ik terug treiter.ʼ
Iemand intimideren
is proberen een ander die als kwetsbaar wordt ervaren schade toe te
brengen of tot iets te dwingen. Volgens het National Center Against
Bullying zijn er vele soorten intimidaties. Terugkijkend kunnen wij
progressieven ons de momenten herinneren waarop Trump ze bijna
allemaal heeft gebruikt. Er is het fysieke intimideren – laten
struikelen, schoppen, slaan; denk aan zijn oproepen uit 2016 om Black
Lives Matter-betogers op de ʻouderwetse
manierʼ hun vet te geven
(met zijn vuist in zijn handpalm). Er is het verbale intimideren –
het geven van bijnamen aan zijn vijanden (Sleepy Joe, Crooked
Hillary, Little Mario). Er is het spotten door middel van nabootsing.
Denk aan zijn lachende imitatie van een gehandicapte verslaggever,
schuddend met zijn zogenaamd verlamde armen en handen. Dan is er de
sociale intimidatie – het tonen van minachting voor iemands sociale
reputatie (denk aan de Gold Star-ouders, Khizr en Ghazala Khan,
belachelijk gemaakt wegens de stilte van de rouwende moeder).
De bredere gevolgen van deze aanpak zijn enorm. De manier waarop Trump te werk gaat is eerst het bevorderen van geweld en vervolgens het poseren als het law and order-antwoord op dat geweld. Bij ontstentenis van andere manieren om de sociale onrust als gevolg van de dood van George Floyd in goede banen te leiden, en als gevolg van zijn voortdurende weigering om gewapende witte nationalisten te veroordelen, heeft hij – in Bidens woorden – ʻde vlammen van de haat aangewakkerdʼ en ʻop roekeloze wijze het geweld aangemoedigdʼ in Oregon en Michigan (waar extremisten plannen maakten om de gouverneur te ontvoeren). ʻStand back and stand byʼ (ʻWees paraatʼ) zei Trump tegen de Proud Boys, een militante extreem-rechtse groep, die deze zinsnede al snel voor zijn logo gebruikte. Trump zorgt ervoor dat de storm op gang komt en deelt vervolgens Trump-parapluʼs uit.
Als hij op
onheilspellende wijze verklaart dat de enige eerlijke verkiezing er
een is waarbij hij zelf wint, zijn velen bang dat hij van plan is
zich een tweede termijn in te ellebogen, terwijl hij inmiddels
vrijuit speculeert over een derde. Velen vragen zich nu dus af
wanneer de intimidaties ophouden en wat er voor nodig is om ze te
laten stoppen.
Waar moeten we bij
Biden naar tekenen van kracht zoeken om deze president te bestrijden?
Hij herinnert zich dat hij als kind, toen zijn vader zijn baan
verloor en er weinig geld voor het gezin overbleef, bij zijn
grootouders moest gaan wonen. Toen zijn eerste vrouw en dertien
maanden oude dochter omkwamen bij een auto-ongeluk, en veel later,
toen zijn volwassen zoon Beau aan een hersentumor overleed,
openbaarde zich bij hem een stalen maar niet gevoelloze veerkracht.
Nu Amerika een reeks klappen ondergaat op het gebied van zijn
gezondheid, zijn economie en zijn ziel, is dit misschien precies de
veerkracht die we nodig hebben.
Maar naast
veerkracht moet een goede leider ook in staat zijn om het bestaan van
een nationale dreiging te onderkennen en er de confrontatie mee aan
te gaan, zoals Biden dat heeft gedaan. Hoewel hij zich al vroeg tot
opperbevelhebber liet uitroepen van de oorlog tegen COVID-19, is
Trump zijn troepen nooit onder ogen gekomen en heeft hij hen nooit
verteld wanneer of hoe de ʻvijandʼ
zou arriveren. Hij heeft alleen gezegd dat die vijand ook weer
ʻals bij toverslagʼ
zou kunnen verdwijnen. Hij heeft toespraken gehouden voor
mensenmassaʼs zonder
mondkapjes, heeft ook zelf stelselmatig geweigerd er een te dragen,
en heeft Biden tijdens een van zijn 128 debat-interrupties bespot
wegens de grootte van zijn mondkapje. Hij heeft burgers aangemoedigd
om de voorschriften van hun (Democratische) gouverneurs over
voorzorgsmaatregelen te negeren, alsof er geen vijand op komst was en
alsof het iets voor mietjes was om zich in te beelden dat er wel een
vijand bestond. Hij heeft te weinig wapentuig ter bestrijding van die
vijand ter beschikking gesteld en zijn eigen wapens uiteindelijk op
zijn medische adviseurs gericht.
Kortom, en om vast
te houden aan de krijgshaftige beeldspraak: Trump heeft de troepen
opdracht gegeven het slagveld te verlaten toen de raketten nog door
de lucht vlogen. En sommige daarvan bleken voltreffers. Twintig
Congresleden en 120 medewerkers van Capitol Hill, waaronder veertig
leden van de Capitol Hill-politie, zijn gediagnosticeerd met
COVID-19. Een personeelslid van een Republikeins Congreslid is
overleden aan COVID. Maar alsof alle intimidaties hun werk hadden
gedaan, bleef Trump bij zijn verklaring aan het Amerikaanse volk:
ʻWees niet bang voor
COVID.ʼ
Nu de natie voor de enorme uitdagingen staat – op het gebied van de werkgelegenheid, klimaatverandering, automatisering, raciale gerechtigheid, drugsverslaving en COVID-19 – is de waarheid dat de hamer van de bullebak veel meer problemen veroorzaakt dan dat hij uit de weg ruimt. Bullebakken lossen problemen niet op. Leiders doen dat wel.
Aruna Chandrasekhar is een onafhankelijke journalist uit India. Ze is momenteel verbonden aan het Environmental Change Institute van de universiteit van Oxford.
De dissonantie, de afwezigheid van enige samenhang, is genoeg om mij ertoe te brengen Twitter van mijn telefoon te verwijderen. Misschien is het ʻmedelevensmoeheid,ʼ misschien komt het gewoon doordat het 2020 is. Maar als ik eerlijk ben tegen mezelf, gaat het om een levensgroot verschil in de manier waarop we de klimaatnoodtoestand waarnemen op de verschillende tijdlijnen waar ik gebruik van maak. Op de ene feed wordt iedereen – Amerikaan of niet – gedwongen zich bezig te houden met het klimaatbeleid van beide presidentskandidaten, omdat het electorale lot van de VS onlosmakelijk verbonden is met de toekomst van de planeet. Op de andere feed, afkomstig uit mijn land van herkomst, India, worden veertig nieuwe kolenmijnen in de laatste grote salbossen aangeboden aan iedere bieder die er maar in geïnteresseerd is, terwijl burgerrechtenactivisten uit een ander tijdperk van het milieuactivisme wegkwijnen in de gevangenis, waar hun gezondheid zienderogen verslechtert.
Wij bevinden ons op een keerpunt in de klimaatpolitiek, nu sommige
regeringen plannen maken voor een koolstofneutrale toekomst over
dertig tot veertig jaar, terwijl andere het komende decennium in
willen gaan met toezeggingen die al vijf jaar oud zijn. Intussen
hebben de mensen die altijd al de klos zijn geweest te kampen met de
gevolgen van onze passiviteit in het hier en nu. We moeten deze twee
tijdlijnen op elkaar afstemmen en onze definitie van
klimaatrechtvaardigheid verbreden, als we enige mate van
gerechtigheid voor de meest kwetsbaren willen bereiken. Maar als we
dat willen doen, moeten we accepteren dat de klimaatpolitiek niet
meer zo zwart-wit is.
Terwijl ik langs schilderachtige Oxford-huizen loop met Extinction Rebellion-vlaggen voor hun ramen, ben ik bang dat velen van ons met de luidste stemmen – comfortabele activisten in de rijke landen van de wereld – proberen hoop te ontlenen aan klimaatbeloften zonder tanden. Misschien brengt dit sommige regeringen ertoe verdergaande beloftes te doen, maar we weten maar al te goed dat zij alle eerdere doelen hebben gemist, de cijfers hebben gemanipuleerd en weinig respect hebben getoond voor de rechtsstaat. Om de beroemde eis die XR aan regeringen stelt te parafraseren: welke ʻwaarheidʼ verwachten we dan dat ze gaan vertellen?
De westerse klimaatbeweging roept op tot ʻvertrouwen in de wetenschap,ʼ maar ik vraag me af of de overweldigende nadruk daarop onze solidariteit niet misantropischer en a-politieker maakt. Meestal lijkt het makkelijker om je toevlucht te nemen tot grafieken die het voortbestaan van methaan als broeikasgas in de komende twee eeuwen tot in detail weergeven dan de rommeligheid van menselijke relaties of urgente mensenrechtenschendingen aan de orde te stellen. Ik staar naar de breuken in de Kaya identiteit, een formule die de koolstofuitstoot uitdrukt als een product van vier factoren: bbp per hoofd van de bevolking, energie-intensiteit, koolstofintensiteit en bevolkingsdruk. Ik vraag me af of er een breuk is die ik kan gebruiken om te berekenen hoe we de wereld ten goede kunnen keren, nu de stampende laarzen van de anti-wetenschappelijke, extreem-rechtse regeringen ten oosten en ten westen van mij weerklinken. Maar daar bestaat geen makkelijke formule voor.
Toen XR werd besmeurd met het ʻextremismeʼ-label, of toen Priti Patel (de Britse minister van Binnenlandse Zaken) de XR-activisten omschreef als ʻcriminelen,ʼ nadat ze door middel van directe actie publicaties die de klimaatverandering ontkennen hadden tegengehouden, was er opschudding bij delen van de Britse pers. Maar ik had weer last van die dissonante déja vu. Als iemand die er getuige van is geweest hoe milieubewegingen in het mondiale zuiden – wellicht de geboorteplaats van de niet-gewelddadige directe actie – de afgelopen jaren als extremistische groeperingen zijn weggezet, zou ik eigenlijk alleen maar willen zeggen: welkom in de rest van de wereld. De EU mag dan nóg ambitieuzere doelstellingen hebben aangekondigd, in veel delen van de wereld waar zij haar uitstoot naar toe exporteert is de pandemie aanleiding voor een laatste wanhopig herstelplan op basis van fossiele brandstoffen.
Intussen juichen velen van ons de klimaatbeloften van landen als
China zonder meer toe, deels vanwege de grootschalige verandering die
ze beloven, deels omdat deze landen geopolitieke uitdagingen voor de
westerse macht vertegenwoordigen die ons niet bevallen, terwijl we er
tegelijkertijd aan voorbijgaan dat lokale stemmen hen nauwelijks ter
verantwoording mogen roepen. Sommigen van ons hopen misschien zelfs
heimelijk dat de afwezigheid van democratische oppositie deze
klimaatplannen makkelijker uitvoerbaar zou kunnen maken.
Dan is er de overheersende neiging om al het leven te reduceren tot koolstof, om alle koolstof als gelijkwaardig te zien en te hopen dat we met voldoende trucs, druk op beleggers en nog te ontwikkelen technologie de aanslagen op het klimaat uiteindelijk zullen kunnen compenseren. Volgens mij gaat deze aanpak ten koste van de diversiteit, complexiteit, echte ervaringen en daadwerkelijke systeemverandering. Black Lives Matter en Dalit Lives Matter (de beweging die opkomt voor de rechten van de ʻonaanraakbarenʼ in India) zouden ons moeten dwingen om de barsten in de fundamenten van het kapitalisme zoals we dat kennen aan te pakken: om toe te geven dat we leven in een wereldwijde extractie-economie die is gebaseerd op machtsmisbruik langs de lijnen van kaste en klasse, ras en religie, noord en zuid. Als we een nieuwe wereld willen, zullen we verder moeten kijken dan de symbolische diversiteit en moeten erkennen dat er geen sprake kan zijn van een economische heropleving of ʻgreen dealʼ zonder een begeleidend plan voor de arbeiders van kleur, van wier onderdrukking en ontheemding we allemaal profiteren; dit plan moet korte metten maken met de historische kwesties van grond, toegang tot de commons en gerechtigheid.
De klimaatcrisis is dan misschien niet wat de meesten van ons ʼs nachts wakker houdt, maar blaast wel alles op dat altijd al gebrekkig was. Er zijn geen makkelijke antwoorden, maar wel veel moeilijke vragen. Alles moet opnieuw worden opgebouwd, en daarin schuilt de noodzaak voor ons om zo menselijk en creatief mogelijk te zijn, en het breedste net uit te werpen. Er is behoefte aan langetermijndenken, net zoals we aandacht zullen moeten hebben voor lastige waarheden die niet binnen onze bestaande politiek passen. De noodtoestanden zijn werkelijkheid geworden en vermenigvuldigen zich; we moeten alleen wel onze oogkleppen afdoen en niet langer onderscheid maken tussen kleine groepjes gezichtsloze ʻklimaatslachtoffersʼ en de rest van ons. We moeten ons gaan bezighouden met deze grijze gebieden en de klimaatrechtvaardigheid rond burgerrechten en het leven, in al zijn rommeligheid, aan de orde gaan stellen. Het is tijd om de mensheid en het leven, en niet alleen koolstof, tot het middelpunt te maken van de klimaatcrisis en onze solidariteit.
René ten Bos is een Nederlands filosoof en columnist. Hij is hoogleraar filosofie aan de Faculteit der Managementwetenschappen aan de Radboud Universiteit en dean van het Honours Programma aldaar.
Ongeveer een half jaar geleden waren de meeste experts nog uitermate sceptisch over de effectiviteit van mondkapjes als bestrijdingsmiddel tegen de verspreiding van het coronavirus. Burgers die een mondkapje droegen moesten niet denken dat ze risicovrij waren. Tegelijkertijd moesten ze ook niet denken dat ze door het dragen van zo’n kapje anderen niet konden infecteren. Ik kan me een interessante uitspraak herinneren van Lothar Wieler, de baas van het Robert Koch Institut (de Duitse variant op het RIVM): “Niets zou een groter misverstand zijn dan te denken dat mondkapjes veiligheid bieden.” Hij zei dat eind maart. Ook andere experts, waaronder onze eigen Jaap van Dissel, uitten grote twijfel over mondkapjes. Ook de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) twijfelde en vond het dragen van mondkapjes niet nodig. Let wel, aan andere maatregelen, zoals afstand houden of oogbescherming, werd onder de experts veel minder getwijfeld.
Ergens is in de afgelopen maanden een wending gekomen in dat min of meer unaniem weifelende oordeel over mondmaskers. Doorslaggevend hierbij was een metastudie naar de effectiviteit van afstand houden, mondkapjes en oogbescherming, die eind juni in het gezaghebbende medische tijdschrift The Lancet verscheen (zie: https://www.thelancet.com/journals/lancet/article/PIIS0140-6736(20)31142-9/fulltext). De auteurs lazen 172 artikelen, zogenoemde ‘observatiestudies’ die zijn gedaan in 16 landen, en kwamen kennelijk tot de bevinding dat zich langzaam maar zeker toch een wetenschappelijke consensus lijkt af te tekenen over de effectiviteit van mondkapjes. (Ik laat hier discussies over afstand houden en oogbescherming verder achterwege.)
Wie
echter het overzichtsartikel goed leest, ziet in één oogopslag dat
de mitsen en maren allesbehalve zijn verdwenen. Als er al sprake is
van een wending in het oordeel over mondmaskers, dan is deze
allesbehalve radicaal te noemen. De twijfel blijft vigeren.
Laat ik een paar bevindingen noemen. Er is unanimiteit over de effectiviteit van mondkapjes in de gezondheidszorg. In principe is er ook unanimiteit over de effectiviteit van mondkapjes buiten de gezondheidszorg. Tussen het gebruik binnen de gezondheidszorg en het gebruik buiten de gezondheidszorg, zo zeggen de auteurs, zijn er met andere woorden geen “opvallende verschillen.” Dat zou betekenen dat men het er over eens is dat mondkapjes overal helpen. Maar zo simpel is het toch niet. Het grote probleem waar de auteurs op wijzen, is dat het non-klinische gebruik (in de supermarkt, op drukke straten en pleinen of in het openbaar vervoer) niet hetzelfde zal zijn als het klinische gebruik (in zieken- of verpleegtehuizen). Mensen die niet in de gezondheidszorg werken, gebruiken die mondkapjes niet op dezelfde, optimale wijze als in de gezondheidszorg. Zo zouden mensen het mondkapje, nadat ze het één keer gebruikt hebben, eigenlijk weg moeten gooien. Dat gebeurt natuurlijk niet. Misschien dat ik daarom de eerste internetpublicaties al ben tegengekomen die mensen uitleggen dat mondkapjes zonder al teveel problemen weggefrommeld kunnen worden in een broekzak.
Het afroepen van een mondkapjesplicht, zo luidt de indringende boodschap van de auteurs, verplicht de overheid ook op grote schaal goede en effectieve mondkapjes ter beschikking te stellen. Dat gaat echter moeilijk worden: in de eerste plaats is het ene mondkapje het andere niet. Er zijn grote kwaliteitsverschillen tussen de zogenoemde N95-kapjes en andere kapjes, waarbij men niet mag vergeten dat ook de bescherming van die hoge kwaliteitskapjes nooit volledig is (ze houden inderdaad 95% van de ‘deeltjes’ tegen, maar geenszins dampen of gassen). Hoe dan ook, de kosten van (een optimaal gebruik van) kwaliteitsmondkapjes zijn hoog. Bovendien zou je in de tweede plaats ook de beste mondkapjes onder ideale omstandigheden maar één keer moeten gebruiken, hetgeen de vraag ernaar verder omhoog stuwt (om over de nu al waarneembare mondkapjesvervuiling nog maar te zwijgen). In diverse onderzoeken wordt gewaarschuwd voor schaarste die het gevolg zal zijn van massaal gebruik. Dat heeft in de eerste plaats impact op vooral medewerkers in de gezondheidszorg. In diverse landen is hen al gevraagd om kapjes te hergebruiken, hetgeen de veiligheid en die van hun patiënten compromitteert. Kortom, de auteurs zeggen het niet met zoveel woorden, maar de optimale omstandigheden, die bij elkaar gefantaseerd worden, lopen vast op economische en praktische realiteiten.
Dit
is ongeveer de stand van zaken volgens de auteurs van het
geruchtmakende artikel in The
Lancet.
Zoals te doen gebruikelijk in wetenschappelijk onderzoek wijzen de
auteurs aan het einde van het stuk op sterkten en zwakten van hun
onderzoek. Sterkten hebben onder meer betrekking op de systematische,
op AI gestoelde reviewmethodes, de inschattingen van bias
in alle gelezen artikelen of de openheid die betracht is naar andere
dan alleen Engelse taalgebieden. De auteurs wijzen erop dat ze ook
relatief veel Chinese studies hebben meegenomen. Daartegenover staan
zwakten. Ik zal ze niet allemaal noemen, maar in het geval van
mondkapjes gaat het erom dat de auteurs bij het doorlezen van al die
artikelen niet altijd konden inschatten of belangrijke aspecten als
de tijd die mensen met mondkapjes op met elkaar doorbrengen
meegenomen zijn in het onderzoek. En steeds weer kom je dit tegen:
directe evidentie is er niet. Natuurlijk, sterker wordt de evidentie
als er optimaal gebruik is. Voor het overige (dat wil zeggen: onder
niet optimale condities) moet het onderzoek natuurlijk voortgezet
worden om “het probleem van gebrekkig bewijs” beter aan te
pakken.
Ik blijf zolang bij dit artikel stilstaan omdat het algemeen gezien wordt als het stuk dat de meeste experts anders heeft laten nadenken over mondkapjes. Als ik het goed kan inschatten, denk ik dat de meesten van hen langzamerhand zijn gaan denken dat we die mondkapjes maar het voordeel van de twijfel moeten gunnen. De scepsis, die een kenmerkend aspect is van alle wetenschappen die zich met complexe situaties bezighouden, verdwijnt echter als sneeuw voor de zon als het gaat om beleidsmaatregelen rondom mondkapjes. Soms komen ook de experts zelf in de verleiding beleid voor te stellen. Niet alleen roept de Amerikaanse hoofdimmunoloog Anthony Fauci de Nederlanders op om onverwijld mondkapjes te gaan dragen, maar ook hier te lande twittert iemand als Wim Schellekens, voormalig huisarts en inspecteur bij het IGZ, dat het gebruik van mondkapjes een “no brainer” is. Ik hoorde hem dat ook tijdens een radio-interview (voor NPO1) in de ochtend van 29 september zeggen. Schellekens, een zelfverklaard kritisch volger van het kabinetsbeleid, vond al die twijfel maar onverstandig en irrationeel. Het gezonde verstand moet prevaleren en dat betekent dat we allemaal aan het kapje moeten. Niet dat het veel helpt, maar het helpt in ieder geval een beetje. En alle beetjes helpen, zo verordonneert het gezonde verstand, in de strijd tegen een vijand die we er koste wat het kost onder moeten krijgen.
Laat ik hier even stil blijven staan bij de toch wel merkwaardige uitdrukking die Schellekens gebruikte. Een ‘no brainer’ is een ‘fluitje van een cent,’ een ‘appeltje, eitje,’ een ‘makkie,’ kortom, iets wat zo evident is dat je er verder niet over hoeft na te denken. Dat de effectiviteit van mondkapjes vooral bij suboptimaal gebruik allesbehalve evident is, wordt met een beroep op het gezond verstand weggedacht. Wat zit er toch achter die voortdurende pretentie van redelijkheid en gezond verstand van sommige experts en autoriteiten? Is men moe van de eeuwige scepsis die onvermijdelijk bij complexiteitswetenschappen hoort? Wil men deze fatigue vervangen door daadkracht? Moet het stoere geblèr, dat je overal tegenkomt, de eigen onzekerheid verhullen?
Van de Zuid-Afrikaanse wetenschapsfilosoof Alex Broadbent, die een paar jaar geleden een filosofisch boek over epidemiologie schreef, leerde ik dat het juist in deze wetenschap om tolerantie en pluralisme zou moeten gaan. Dat hing volgens hem vooral samen met de gedachte dat epidemieën nooit één enkele oorzaak hebben en dat er daarom ook nooit simpele oplossingen zijn. Ik lees in de meeste studies niets over de morele of sociaalpsychologische gevolgen van het dragen van mondkapjes. Het enige wat ik lees of hoor, is dat we ons gedrag dienen bij te stellen en dat we dat ding moeten gaan dragen. Zo eenvoudig is het, althans volgens mensen als Fauci en Schellekens. Er is geen tijd meer voor bedenkingen. Onder het mom van gezond verstand en rationaliteit worden we meegesleurd in een eenzijdig radicalisme dat twijfel niet langer ziet als intelligentie, maar als iets wat neerkomt op een soort verraad in tijden van oorlog.
Want we zijn in oorlog met het virus. Daar laten de gezaghebbers ook geen twijfel over bestaan. Hoe vaak hoor ik wel niet dat we het virus, zoals ik hierboven al zei, eronder moeten krijgen, of dat we het volledig moeten elimineren? Dat tal van wetenschappers en zelfs de WHO al hebben opgeroepen dat we moeten leren leven met het virus in plaats van dat we het willen vernietigen wordt niet alleen door politici maar ook in toenemende mate door sommige experts zelf genegeerd. Hetzelfde geldt voor het inzicht dat ook landen die al een tijdje geleden een relatief strenge mondkapjesplicht hebben ingevoerd, zoals Spanje en Frankrijk, niet bepaald indrukwekkende resultaten boeken als het gaat om de reductie van het aantal besmettingen. Men beweert de wetenschap aan zijn kant te hebben, maar waarop dat gebaseerd is, is uitermate vaag. Men beroept zich op verstand en rede, maar het is moeilijk in te zien waar beide blijven als tolerantie voor andere ideeën en inzichten verdwijnt.
Geen
wonder dus dat het mondkapje op dit moment niet anders kan
verschijnen dan als het symbool van de gemuilkorfde scepsis en het
bijgevolg weggevaagde verstand. Dat hoort ook bij een oorlog. Het
mondkapje zegt niets over de epidemie, maar alles over hoe we omgaan
met andersdenkenden, met vrijheid van meningsuiting en vooral met
twijfel. In tijden van oorlog, ook al is het maar een oorlog met een
virus, is voor zulke zaken geen plaats.
Shakespeare suggereerde ooit dat onze twijfels onze verraders zijn. Ze zorgen ervoor dat we zó bang zijn om iets daadwerkelijk te proberen dat we al tevoren afzien van het goede dat we hadden kunnen krijgen. Je zou Shakespeare willen corrigeren: in deze pandemische tijden is iedere vorm van twijfel verraad omdat ze ervan wordt verdacht het goede helemaal niet te willen. De geveinsde zekerheid en daadkracht die achter dit nieuwe medische radicalisme zitten, gaan ons nog lelijk opbreken.