Giorgio Agamben is een Italiaanse filosoof die vooral bekend is door zijn werk waarin hij de concepten van de uitzonderingstoestand, levensvorm (ontleend aan Ludwig Wittgenstein) en homo sacer onderzoekt. Agambens filosofie is diepgaand beïnvloed door enerzijds Martin Heidegger, bij wie hij colleges volgde en anderzijds Walter Benjamin, wiens werk hij in het Italiaans vertaalde. De bundel A che punto siamo? met zijn corona-essays, waarvan dit het derde is, verschijnt binnenkort bij Starfish Books.
Opmerking van de Engelse vertaler (Adam Kotsko): Giorgio Agamben heeft mij gevraagd dit korte essay te vertalen, dat een indirect antwoord is op de controverse rondom zijn artikel over de Italiaanse reactie op het coronavirus.
Angst
is een slechte raadgever, maar zorgt er wel voor dat je veel dingen
gaat zien waarvan je had voorgewend ze niet te kúnnen zien. Het
eerste dat de golf van paniek die ons land heeft verlamd vooral heel
duidelijk heeft aangetoond is dat onze samenleving niet meer gelooft
in iets anders dan het naakte leven. Het is duidelijk dat de
Italianen bereid zijn vrijwel alles op te offeren – hun normale
levensomstandigheden, sociale relaties, werk, zelfs vriendschappen,
liefdes en religieuze en politieke overtuigingen – om maar niet
ziek te worden. Het naakte leven – en de angst om dat te verliezen
– is niet iets dat mensen verenigt, het verblindt en scheidt hen.
Net als bij de pestepidemie die wordt beschreven in de roman van
Alessandro Manzoni worden andere mensen nu alleen nog maar gezien als
mogelijke verspreiders van de ziekte, die ten koste van alles gemeden
moeten worden en waarvan je minstens een meter afstand moet houden.
De doden – onze doden – hebben geen recht op een begrafenis en
het is niet duidelijk wat er met de lichamen van onze geliefden
gebeurt. Onze buren zijn weggevaagd en het is merkwaardig dat de
kerken zwijgen over deze kwestie. Hoe zullen de menselijke relaties
zich ontwikkelen in een land dat eraan gewend is geraakt om wie weet
hoe lang nog op deze manier te moeten leven? En wat is een
samenleving waard die geen andere waarde kent dan overleven?
Het
andere ding dat door de epidemie naar voren komt is niet minder
verontrustend. Dat is het feit dat de uitzonderingstoestand, waaraan
regeringen ons al lange tijd hebben laten wennen, in wezen de normale
toestand is geworden. Er zijn in het verleden ernstigere epidemieën
geweest, maar niemand heeft er toen ooit aan gedacht een noodtoestand
zoals deze uit te roepen, die ons zelfs verhindert om te bewegen.
Mensen zijn er nu zó aan gewend geraakt in omstandigheden van
voortdurende crisis en in een permanente noodtoestand te leven dat ze
niet meer lijken te beseffen dat hun leven is teruggebracht tot iets
puur biologisch, zonder enige sociale en politieke, laat staan
menselijke en affectieve dimensie. Een samenleving die in een
permanente noodtoestand verkeert kan geen vrije samenleving zijn. We
leven feitelijk in een samenleving die om zogenoemde ʻredenen
van veiligheidʼ
de vrijheid heeft opgeofferd en zichzelf derhalve heeft veroordeeld
tot het leven in een permanente staat van angst en onzekerheid.
Geen
wonder dat er sprake is van een oorlog tegen het virus. De
noodmaatregelen dwingen ons te leven in een staat van beleg. Maar een
oorlog tegen een onzichtbare vijand die in ieder ander mens kan
schuilen, is de meest absurde oorlog die maar mogelijk is. In
werkelijkheid is dit een burgeroorlog. De vijand is niet daarbuiten,
maar zit in ons.
Wat mij zorgen baart is niet alleen het heden, maar vooral ook de toekomst. Net zoals oorlogen ons een reeks onheilspellende technologieën hebben nagelaten, van prikkeldraad tot kerncentrales, is het ook nu meer dan waarschijnlijk dat mensen na deze gezondheidscrisis zullen proberen de experimenten voort te zetten die de regeringen nog niet hebben kunnen uitvoeren: digitale apparatuur zal de plaats innemen van onze fysieke aanwezigheid in scholen en universiteiten, en de publieke ruimte zal – met de nodige voorzorgsmaatregelen – beperkt blijven tot de privé-sfeer van de woning. Met andere woorden, het gaat hier om niets meer of minder dan de afschaffing van iedere vorm van publieke ruimte.
Paolo Gerbaudo is politiek theoreticus en de directeur van het Centre for Digital Culture aan King’s College London. Hij is de auteur van The Digital Party (Pluto Press, 2018)
Populistisch rechts heeft zijn electorale kracht gebaseerd op luidruchtigheid en arrogant zelf-vertrouwen. Maar temidden van de coronavirus-pandemie lijken figuren als Donald Trump, Boris Johnson en Jair Bolsonaro in verwarring. Ze houden ofwel wanhopig vast aan de schijn van normaliteit (het is maar een griepje), of hebben zich al gedwongen gezien om beschamende U-bochten te maken door de ernst van de crisis alsnog te erkennen.
Boris Johnson moest de strategie van de ʻgroepsimmuniteitʼ van zijn regering loslaten toen uit nieuw wetenschappelijk bewijsmateriaal was gebleken wat de verschrikkelijke kosten aan mensenlevens zouden kunnen zijn. Hij bleek onlangs zelf met het virus besmet, en wordt nu beticht van zelfgenoegzaamheid en gebrek aan leiderschap. In Italië lijkt Matteo Salvini, de leider van de extreem-rechtse Liga en voormalig vice-premier, uit het veld geslagen nu hij niet in staat is zich voor te doen als de verantwoordelijke staatsman waar deze crisis om vraagt; zijn ongezouten kritiek op de regering heeft hem zelfs de benaming ʻonpatriottischʼ opgeleverd. In Frankrijk lijkt Marine Le Pen geheel en al uit de media te zijn verdwenen, terwijl de vasthoudendheid van Bolsonaro bij het ontkennen van de crisis hem in een steeds geïsoleerdere positie heeft doen belanden.
In de VS heeft Trump een zigzag-strategie gevoerd. Na het belang van het virus wekenlang gebagatelliseerd te hebben, zag hij zich gedwongen een nationale noodtoestand uit te roepen. Nadat hij vorige week op zijn schreden was teruggekeerd en had beweerd dat de ʻlockdownʼ met Pasen zou eindigen om schade aan de economie te voorkomen, heeft hij nu toegegeven dat het zeker tot eind april zal duren voor het zover is. Het is waar dat zijn populariteit is gestegen, net zoals dat met George W Bush is gebeurd na 11 september 2001. Maar Trump maakt zich duidelijk zorgen over de electorale gevolgen van een enorme hoeveelheid sterfgevallen en een recessie met een werkloosheid van mogelijk ruim 20%.
De problemen waarmee
de nationale populisten kampen zijn geen verrassing als we bedenken
dat zij weinig op hebben met de domeinen die de kern van deze crisis
uitmaken: die van de gezondheidszorg, de sociale voorzieningen en de
wetenschap. Op het front van de gezondheidszorg legt de crisis de
dwaasheid bloot van tientallen jaren van onderfinanciering en
privatisering van het gezondheidszorgstelsel. Trump, Johnson en
Salvini moeten beschamende vragen beantwoorden als het gaat om hun
staat van dienst als vijanden van de openbare gezondheidszorg.
Bovendien vraagt de crisis om een grote verandering van het
economisch beleid, die op gespannen voet staat met de ideologische
uitgangspunten van het nationaal-populisme, waarin chauvinisme op het
culturele front wordt gecombineerd met een ultra-neoliberaal beleid
op het economische front.
De overduidelijke behoefte aan staatsbescherming voor strategische nationale bedrijfstakken, te beginnen met die voor medische apparatuur en farmaceutische producten, is geen anathema voor nationaal-populisten, die het handelsprotectionisme al hebben omarmd. Maar populistisch rechts heeft zich krachtig gekeerd tegen allerlei sociale voorzieningen, die nu noodzakelijk zijn om een sociale catastrofe te voorkomen. Nadat ze deze voorzieningen herhaaldelijk hebben gebrandmerkt als ʻgevaarlijkʼ en ʻanti-patriottischʼ bevinden deze politici zich inmiddels in de netelige positie om ze te moeten omarmen.
Een ander lijk in de
kast is de minachting van de nationaal-populisten voor de wetenschap.
De coronacrisis confronteert ons met een dreiging die het best kan
worden begrepen en op waarde kan worden geschat via de lens van de
wetenschap. Epidemiologen en virologen figureren prominent in de
media, en het publiek volgt lijdzaam hun aanbevelingen op. Het is
onduidelijk of dit zal leiden tot groter publiek vertrouwen in de
wetenschap en een erosie van de anti-wetenschappelijke houding waar
nationaal-populistische leiders mee hebben gespeeld. Maar het is te
verwachten dat burgers meer notie zullen nemen van de risicoʼs
die door wetenschappers zijn
gesignaleerd, inclusief die
van de klimaatcrisis, die
eveneens de verspreiding van ziekten zal bespoedigen.
Nationaal-populisten staan erom bekend dat ze de angsten van mensen aanwakkeren. Maar de angsten die nu de boventoon voeren zijn niet het soort angsten die deze leiders het best weten te exploiteren. Doordat de problemen op het gebied van de gezondheidszorg en de economie zo urgent zijn is de migratie – de grootste vijand van populistisch rechts – op de prioriteitenlijst gedaald. Reisverboden, en het feit dat Europa en de VS de huidige brandhaard van de pandemie zijn, leiden tot een daling van de migratie naar deze regioʼs. In feite zijn we nu getuige van een historische ommekeer, waarbij Mexico erop uit is om de grens met de VS te sluiten en Afrikaanse landen vluchten uit Europa opschorten, terwijl Britse boeren chartervluchten organiseren om landarbeiders uit Oost-Europa binnen te halen om te voorkomen dat hun groente en fruit niet kan worden geoogst. Maar als de mondiale crisis resulteert in een nieuwe migratiegolf zoals die van 2015, kan dit scenario drastisch veranderen – de nationaal-populisten zullen dan proberen hun verhaal van kosmopolitische mondialisering te rechtvaardigen als een gevaarlijke oorzaak van allerlei soorten kwaden.
Als de coronacrisis populistisch rechts tijdelijk in verwarring heeft gebracht, betekent dit nog niet dat deze stroming nu is verslagen. Het zou een grote vergissing van links zijn om te geloven dat deze crisis in haar voordeel zal uitwerken. De coronacrisis zal zeker worden gevolgd door een diepe economische crisis, die meer zal lijken op de Grote Depressie van de jaren dertig van de vorige eeuw dan op de financiële crisis van 2008. Populistisch rechts heeft al aangetoond in staat te zijn misbruik te maken van de wanhoop van mensen en zondebokken te vinden voor economische kwalen. Verwacht mag worden dat het nu dezelfde kant zal opgaan, als het al niet nóg venijniger zal worden.
De autoritaire maatregelen die op maandag 30 maart door Viktor Orbán in Hongarije zijn afgekondigd, via de opschorting van het parlement en de invoering van een bewind via decreten, zouden een voorbode kunnen zijn van wat ons te wachten staat. In Italië had Salvini er geen enkele moeite mee de stap van Orbán toe te juichen. We zullen vermoedelijk ook een verscherping van de anti-Chinese retoriek gaan zien. Trump heeft geen verontschuldigingen aangeboden voor het feit dat hij Covid-19 ʻhet Chinese virusʼ heeft genoemd, terwijl Steve Bannon heeft betoogd dat Covid-19 een ʻvirus van de Chinese Communistische Partijʼ is. Salvini heeft gesteld dat ʻals de Chinese regering [van het virus] afwist en dat niet in de openbaarheid heeft gebracht, zij een misdaad tegen de mensheid heeft gepleegd,ʼ en zijn bondgenoten in Brazilië en Spanje houden er soortgelijke opvattingen op na.
Gezien de banden tussen de diverse nationaal-populisten, inclusief hun mislukte poging om een ʻnationalistische internationaleʼ op te richten onder auspiciën van Bannons Movement, mag deze synchrone gang van zaken niet als een toevalligheid worden gezien. Het heeft veel weg van een gecoördineerde strategie om de woede en wanhoop over het menselijke en economische leed van deze crisis te richten op een raciale en ideologische vijand die gemakshalve geïdentificeerd wordt met de Chinese regering. Samen met de zelfverklaarde socialisten zullen alle tegenstanders waarschijnlijk worden afgeschilderd als ʻcollaborateurs met Chinaʼ: de centristische Amerikaanse presidentskandidaat Joe Biden is al ʻChina’s choice for presidentʼ genoemd door de conservatieve National Review.
Wat dus in het
verschiet ligt zou wel eens iets veel ernstigers kunnen zijn dan het
populistisch rechts van het afgelopen decennium: een extreem-rechts
dat het hele arsenaal, uiteenlopend van de angst voor links tot het
propageren van rechts autoritarisme, van stal haalt om tegenstanders
te intimideren en zijn belangen te beschermen tegen eisen voor een
betekenisvolle economische herverdeling. Hoewel het door de crisis is
overvallen, is populistisch rechts geenszins uitgeschakeld. Het
ondergaat slechts een mutatie.
Franco ʻBifoʼ Berardi is een Italiaanse schrijver, filosoof en activist in de autonomistische traditie, wiens werk zich voornamelijk bezighoudt met de rol van de media en de informatietechnologie in het post-industriële kapitalisme.
Plotseling
moet alles wat we de afgelopen vijftig jaar hebben gedacht van de
grond af aan opnieuw worden gedacht. Godzijdank (is God een virus?)
hebben we nu een overvloed aan tijd, omdat al het oude er nu niet
langer meer toe doet.
Ik
ga iets zeggen over drie verschillende onderwerpen. Eén: het einde
van de menselijke geschiedenis, dat zich nu duidelijk voor onze ogen
voltrekt. Twee: de huidige ontworsteling aan het kapitalisme en/of
het dreigende gevaar van het techno-totalitarisme. Drie: de terugkeer
van de dood (eindelijk) op het toneel van het filosofische discours,
na de lange ontkenning ervan in de moderne tijd, en de wederopleving
van het lichaam.
1. Beestjes
Eén:
de filosoof die de huidige virale apocalyps het best heeft voorzien
is Donna Haraway.
In
Staying with the Trouble oppert ze dat de drager van de
evolutie niet langer de mens is, het subject van de Geschiedenis.
De
mens verliest zijn centrale positie in dit chaotische proces, en daar
mogen we niet over wanhopen, zoals de nostalgici van het moderne
humanisme doen. Tegelijkertijd mogen we ook geen troost zoeken in de
waandenkbeelden van een technologische oplossing, zoals de
hedendaagse transhumanistische techno-maniakken doen.
De menselijke geschiedenis is voorbij, en de nieuwe dragers van de geschiedenis zijn de critters (beestjes), in de taal van Haraway. Het woord zelf verwijst naar kleine speelse wezens die rare dingen doen, zoals het uitlokken van mutaties. Ziehier: het virus.
Burroughs
heeft het over virussen als dragers van mutaties: biologische,
culturele en linguïstische mutaties.
Critters
bestaan niet als individuen. Zij verspreiden zich collectief, als een
proliferatieproces.
Het
jaar 2020 moet worden beschouwd als het jaar waarin de menselijke
geschiedenis opgeheven werd – niet omdat de mens verdwijnt van de
planeet aarde, maar omdat die planeet – moe van de arrogantie van
de mens – een micro-campagne heeft gelanceerd om zijn Will zur
Macht te vernietigen.
De
aarde rebelleert tegen de wereld, en de middelen die de aarde daarbij
inzet zijn overstromingen, branden en bovenal critters.
Daarom is de drager van de evolutie niet langer de bewuste, agressieve, wilskrachtige mens – maar moleculaire materie, micro-stromen van oncontroleerbare beestjes die de productiesfeer binnendringen, evenals het domein van het discours, waarbij ze de Geschiedenis (His-story) vervangen door Her-story, de tijd waarin de teleologische Rede wordt vervangen door Sensibiliteit en een zintuiglijk, chaotisch Worden.
Het
humanisme was gebaseerd op de ontologische vrijheid die de Italiaanse
filosofen uit de vroege Renaissance gelijkstelden met de afwezigheid
van theologisch determinisme. Het theologisch determinisme is
voorbij, en het virus heeft de plaats ingenomen van een teleologische
god.
Het einde van de subjectiviteit als de motor van het historische proces impliceert het einde van wat we de ʻGeschiedenisʼ (met een hoofdletter) hebben genoemd, en het begin van een proces waarin bewuste teleologie wordt vervangen door meervoudige proliferatie-strategieën.
Proliferatie,de
verspreiding van moleculaire processen, neemt de plaats in van de
geschiedenis als macro-project.
Denkwerk, kunst en politiek moeten niet langer worden beschouwd als projecten van totalisering (Totalizierung, in de zin van Hegel), maar als proliferatie-processen zonder totaliteit.
2. Nut
Na veertig jaar van neoliberale versnelling is de race van het financiële kapitalisme plotseling stilgevallen. Eén, twee, drie maanden van mondiale lockdown, een lange onderbreking van het productieproces en van de mondiale circulatie van mensen en goederen, een lange periode van afzondering, de tragedie van de pandemie … dit alles zal de kapitalistische dynamiek gaan doorbreken op een manier die onherstelbaar en onomkeerbaar kan zijn. De krachten die het mondiale kapitaal op het politieke en financiële niveau beheren proberen wanhopig de economie te redden, door er enorme geldbedragen in te pompen. Miljarden, miljarden van miljarden … cijfers en bedragen die nu ‘niets’ meer lijken te betekenen.
Plotseling betekent geld niets meer, of heel weinig.
Waarom
geef je geld aan een dood lichaam? Kun je het lichaam van de mondiale
economie een wederopleving doen ondergaan door er geld in te
injecteren? Dat gaat niet. Het punt is dat zowel de aanbod- als de
vraagzijde immuun zijn voor monetaire impulsen, omdat de inzinking
niet het gevolg is van financiële oorzaken (zoals in 2008), maar van
de verwoesting van lichamen, en lichamen niets te maken hebben met
financiële impulsen.
We
passeren een drempel die leidt naar een domein voorbij de cyclus van
arbeid-geld-en-consumptie.
Als
het lichaam op een dag uit de beperking van de quarantaine komt, zal
het probleem niet het opnieuw in evenwicht brengen van de relatie
tussen tijd, werk en geld zijn, of het in evenwicht brengen van
schulden en aflossingen. De Europese Unie is gebroken en verzwakt
door haar obsessie met schulden en balansen, maar mensen gaan dood,
ziekenhuizen komen beademingsapparaten tekort, en artsen worden
overweldigd door vermoeidheid en angst voor een infectie. Op dit
moment kan dit niet worden veranderd door geld, want geld is niet het
probleem. Het probleem is: wat zijn onze concrete behoeften? Wat is
nuttig voor het menselijk leven, voor de collectiviteit, voor een
therapie?
Het
nut van iets, lange tijd verdreven uit het domein van de economie, is
weer helemaal terug, en het nuttige is nu koning.
Geld
kan het vaccin niet kopen dat we niet hebben, kan de mondkapjes niet
kopen die niet zijn geproduceerd, kan de intensive care-units niet
kopen die zijn vernietigd door de neoliberale hervormingen van het
Europese gezondheidszorgstelsel. Nee, geld kan niet kopen wat niet
bestaat. Alleen kennis, alleen intelligente arbeid kan kopen wat niet
bestaat.
Geld is nu dus onmachtig. Slechts sociale solidariteit en wetenschappelijke kennis zijn nog in leven en kunnen politiek sterk worden. Dat is de reden dat ik denk dat we aan het einde van de mondiale quarantaine niet zullen terugkeren naar een ʻnormaleʼ situatie. Het ʻnormaleʼ zal nooit meer terugkomen. Wat na deze crisis zal gebeuren is nog niet bepaald en is niet voorspelbaar.
We
worden geconfronteerd met twee politieke alternatieven: ofwel een
techno-totalitair systeem dat de kapitalistische economie met geweld
opnieuw zal opstarten, of de bevrijding van de menselijke activiteit
van de kapitalistische abstractie en de schepping van een moleculaire
samenleving gebaseerd op nut.
De Chinese regering experimenteert al op grote schaal met het techno-totalitaire kapitalisme. Deze techno-totalitaire oplossing, voorafgegaan door de tijdelijke afschaffing van de individuele vrijheid, kan het dominante systeem van de toekomst worden, zoals Agamben terecht heeft opgemerkt in zijn recente controversiëleteksten.
Maar
wat Agamben zegt is slechts een voor de hand liggende beschrijving
van de huidige noodtoestand en van de waarschijnlijke toekomst. Ik
wil verder gaan dan het waarschijnlijke, omdat ik het mogelijke
interessanter vind. En het mogelijke is vervat in de ineenstorting
van de abstractie, en in de dramatische terugkeer van het concrete
lichaam als drager van concrete behoeften.
Het
nuttige is terug in het sociale domein. Het nut, lang vergeten en
ontkend door het kapitalistische proces van abstracte valorisatie, is
nu koning.
De
lucht is helder in deze dagen van quarantaine en de atmosfeer is vrij
van vervuilende deeltjes, nu de fabrieken dicht zijn en de autoʼs
geen rondjes meer kunnen rijden. Zullen we teruggaan naar de
vervuilende extractieve economie? Zullen we teruggaan naar de normale
gekte van verwoesting ten behoeve van accumulatie, en van nutteloze
acceleratie terwille van handelswaarde? Nee, we moeten voorwaarts
gaan, naar de creatie van een samenleving gebaseerd op de productie
van het nuttige.
Wat
hebben we nu nodig? Nu, in het onmiddellijke nu, hebben we een vaccin
nodig tegen de ziekte, hebben we mondkapjes nodig, en hebben we
intensive care-apparatuur nodig. En op de langere termijn hebben we
voedsel, liefde en plezier nodig, en een nieuwe cultuur van
tederheid, solidariteit en soberheid.
Wat
overblijft van de kapitalistische macht zal proberen een
techno-totalitair systeem van controle aan de samenleving op te
leggen – dat ligt voor de hand. Maar er is ook een alternatief: een
samenleving vrij van de dwang van accumulatie en economische groei.
3. Plezier
Het
derde punt waar ik het over zou willen hebben is de terugkeer van de
sterfelijkheid als het bepalende kenmerk van het menselijk leven. Het
kapitalisme is een fantastische poging geweest om de dood te
overwinnen. Accumulatie is de Ersatz die de dood vervangt
door de abstractie van waarde en de artificiële continuïteit van
het leven op de markt.
De
verschuiving van industriële productie naar info-werk, de
verschuiving van samenzijn naar verbinding in de sfeer van de
communicatie, is het eindpunt van de race naar abstractie, de
voornaamste rode draad in de kapitalistische evolutie.
In
een pandemie is samenzijn verboden – blijf thuis, bezoek geen
vrienden, houd afstand, raak niemand aan. We zijn getuige van enorme
uitbreiding van de tijd die online wordt doorgebracht,
onvermijdelijk, en alle sociale relaties – werk, productie,
onderwijs – zijn verdreven naar deze sfeer die samenzijn verbiedt.
Sociale uitwisseling offline is niet langer mogelijk. Wat zal er na
de weken en maanden dat dit het geval is gebeuren?
Misschien
zullen we, zoals Agamben voorspelt, in de totalitaire hel van een
volledig verbonden levensstijl terechtkomen. Maar er is ook een ander
scenario mogelijk.
Wat als de overdaad aan verbinding de betovering verbreekt? Als de pandemie eindelijk verdwijnt (ervan uitgaande dat dit zal gebeuren) is het mogelijk dat zich een nieuwe psychologische identificatie zal aandienen, waarin het begrip ʻonlineʼ geassocieerd wordt met ziekte. We moeten een beweging van streling bedenken en creëren, die jonge mensen ertoe zal aanzetten hun schermen uit te zetten, omdat die hen herinneren aan een eenzame en angstige tijd. Dit betekent niet dat we terug moeten keren naar de fysieke uitputting van het industriële kapitalisme; het betekent eerder dat we ons voordeel moeten doen met de rijkdom aan tijd die dankzij de automatisering van de fysieke arbeid ontstaat, en dat we die tijd moeten besteden aan lichamelijk en geestelijk plezier.
De
enorme verspreiding van de dood waar we in deze pandemie getuige van
zijn kan ons gevoel voor tijd als genot reactiveren, eerder dan als
het uitstel van genot.
Aan
het einde van de pandemie, aan het einde van de lange periode van
isolatie, kunnen mensen zich natuurlijk eenvoudigweg blijven
verliezen in het eeuwige niets van de virtuele verbinding, van het
bewaren van afstand en van de techno-totalitaire integratie. Dat is
mogelijk en zelfs waarschijnlijk. Maar we mogen ons niet laten
beperken door het waarschijnlijke. We moeten de mogelijkheden
ontdekken die schuilgaan in het heden.
Het
kan zijn dat mensen na maanden van voortdurende online-activiteit hun
huizen en appartementen uit zullen komen, op zoek naar samenzijn. Er
zou een beweging van solidariteit en tederheid kunnen ontstaan, die
mensen naar de bevrijding uit de verbindende dictatuur kan leiden.
De
dood is terug in het centrum van de aandacht: de lang ontkende
mortaliteit die mensen levend maakt.
Het kapitalisme staat voor minstens drie grote crises. Een door de pandemie op gang gebrachte crisis in de volksgezondheid heeft in rap tempo een economische crisis op gang gebracht, met nog onbekende gevolgen voor de financiële stabiliteit, en dit alles speelt zich af tegen de achtergrond van een klimaatcrisis die niet met ʻbusiness as usualʼ tegemoet kan worden getreden. Nog maar twee maanden geleden waren de nieuwsmedia gevuld met angstaanjagende beelden van overweldigde brandweerlieden, niet van overweldigde gezondheidszorgwerkers.
Deze drievoudige crisis heeft diverse problemen aan het licht gebracht met hoe we met het kapitalisme omgaan, die allemaal moeten worden opgelost, op hetzelfde moment dat we de onmiddellijke crisis in de gezondheidszorg aanpakken. Anders zullen we eenvoudigweg op de ene plek problemen oplossen, terwijl we op de andere plek weer nieuwe problemen creëren. Dat gebeurde ook na de financiële crisis van 2008. Beleidsmakers overspoelden de wereld met geld, zonder dat geld naar goede investeringsmogelijkheden te sluizen. Als gevolg daarvan kwam het geld weer terug in een financiële sector die daar niet voor bedoeld was (en is).
De COVID-19-crisis legt nog meer tekortkomingen bloot in onze economische structuren, niet in de laatste plaats de toenemende precariteit van werk, als gevolg van de opkomst van de zogenoemde ʻgig-economieʼ en een decennialange uitholling van de onderhandelingsmacht van de factor arbeid. Telewerken is voor de meeste werknemers eenvoudigweg geen optie, en hoewel overheden nu wel enige hulp verschaffen aan werknemers die over een regulier contract beschikken kunnen zzpʼers zich straks flink in de steek gelaten voelen.
Erger nog: overheden verstrekken nu leningen aan bedrijven in een tijd dat de particuliere schulden al een historisch hoogtepunt hebben bereikt. In de Verenigde Staten bedroeg de totale schuld van de huishoudens net vóór de huidige crisis al $14,15 bln, wat $1,5 bln hoger is dan in 2008 (in nominale termen). We mogen niet vergeten dat het hoge particuliere schulden zijn geweest die de mondiale financiële crisis hebben veroorzaakt.
Het afgelopen decennium hebben veel landen helaas bezuinigingen doorgevoerd, alsof de publieke schulden het probleem waren. Het gevolg is dat juist de instellingen in de publieke sector zijn afgebrokkeld die we nodig hebben om crises als de coronavirus-pandemie te kunnen overwinnen. Sinds 2015 heeft Groot-Brittannië de budgetten voor de volksgezondheid met £1 mrd gekort, waardoor de lasten voor artsen in opleiding zijn toegenomen (van wie velen de National Health Service helemaal de rug toe hebben gekeerd); de langetermijninvesteringen zijn verminderd die nodig zijn om te kunnen garanderen dat patiënten in veilige, moderne en volledig bemensde faciliteiten worden behandeld. En in de VS – dat nooit een adequaat gefinancierd gezondheidszorgsysteem heeft gekend – heeft de regering-Trump voortdurend getracht de financiering en de capaciteit van de Centers for Disease Control and Prevention, naast die van andere cruciale instellingen, te kortwieken.
Bovenop deze zelf-toegebrachte verwondingen heeft een overmatig ʻgefinancialiseerdeʼ zakelijke sector waarde uit de economie weggesluisd door aandeelhouders te belonen via aandelenterugkopen, in plaats van de langetermijngroei te schragen door te investeren in onderzoek en ontwikkeling, lonen en de training van werknemers. Als gevolg daarvan zijn de huishoudens hun financiële buffers kwijtgeraakt, waardoor het lastiger is geworden zich basale zaken als huisvesting en onderwijs te kunnen veroorloven.
Het slechte nieuws is dat de COVID-19-crisis al deze problemen
verergert. Het goede nieuws is dat we de huidige noodtoestand kunnen
benutten om een meer inclusieve en duurzame economie te gaan
opbouwen. Het punt is dat we de overheidssteun niet moeten uitstellen
of blokkeren, maar dat we die op de juiste manier moeten
structureren. We moeten de fouten uit het tijdperk na 2008 vermijden,
toen baillouts de bedrijven in staat hebben gesteld zelfs nog hogere
winsten te boeken toen de crisis eenmaal voorbij was, maar geen
fundament hebben gelegd voor een robuust en inclusief herstel.
Ditmaal zullen de reddingsmaatregelen beslist vergezeld moeten
gaan van voorwaarden. Nu de staat weer een leidende rol kan spelen,
moet hij als de held worden gecast en niet als een wat naïeve
handlanger. Dit betekent dat er onmiddellijke oplossingen
tevoorschijn moeten worden getoverd, maar dat die zó moeten worden
ontworpen dat ze het publieke belang op de langere termijn dienen.
Er kunnen bijvoorbeeld voorwaarden worden gesteld aan de staatssteun voor bedrijven. Aan bedrijven die bailouts krijgen moet worden gevraagd hun werknemers in dienst te houden, en te garanderen dat ze zodra de crisis voorbij is zullen investeren in de opleiding van hun werknemers en in de verbetering van de arbeidsomstandigheden. Beter nog: net als in Denemarken moet de overheid bedrijven steunen om de lonen te blijven doorbetalen, zelfs als de werknemers niet werken – waardoor tegelijkertijd huishoudens worden geholpen hun inkomsten op peil te houden, het virus ervan wordt weerhouden zich te verspreiden en het bedrijven makkelijker wordt gemaakt om de productie te hervatten als de crisis eenmaal voorbij is.
Bovendien moeten de bailouts zó worden vormgegeven dat ze de grotere bedrijven ertoe verleiden waardecreatie te belonen in plaats van waarde-extractie, door aandelenterugkopen tegen te gaan, en de investeringen te bevorderen in duurzame groei en een verminderde koolstofvoetafdruk. Nadat zij vorig jaar heeft verklaard een stakeholderswaarde-model te zullen omarmen, is dit dé kans voor de Business Roundtable om haar woorden met daden te ondersteunen. Als het Amerikaanse bedrijfsleven lijkt terug te krabbelen, moeten wij het aan zijn woord houden.
Wat de huishoudens aangaat moeten regeringen naast leningen kijken naar de mogelijkheid van schuldkwijtscheldingen, vooral gezien de huidige hoge niveaus van de particuliere schulden. Op zʼn minst moeten de betalingen aan schuldeisers worden bevroren, totdat de onmiddellijke economische crisis achter de rug is, en moeten er rechtstreekse cash-injecties komen voor de huishoudens die dat het hardst nodig hebben.
En de VS moeten
overheidsgaranties afgeven voor de betaling van 80 tot 100% van de
lonen van werknemers van bedrijven in nood, zoals Groot-Brittannië
en veel landen van de Europese Unie en uit Azië dat hebben gedaan.
Het is ook tijd om de publiek-private partnerschappen opnieuw te gaan overdenken. Maar al te vaak zijn deze arrangementen minder symbiotisch dan parasitair gebleken. De pogingen om een vaccin tegen COVID-19 te ontwikkelen kunnen wéér een zaak van eenrichtingsverkeer worden, waarbij bedrijven grote winsten kunnen boeken door aan het publiek een product te verkopen dat het resultaat was van door de belastingbetalers gefinancierd onderzoek. Ondanks de aanzienlijke publieke investeringen van de Amerikaanse belastingbetalers in de ontwikkeling van vaccins heeft de Amerikaanse minister voor Gezondheid en Menselijke Diensten, Alex Azar, toegegeven dat onlangs ontwikkelde COVID-19-therapieën of vaccins misschien niet voor alle Amerikanen betaalbaar zullen zijn.
We hebben wanhopig veel behoefte aan ondernemende staten die meer in innovatie willen investeren – van kunstmatige intelligentie tot volksgezondheid tot duurzame energiebronnen. Maar deze crisis herinnert ons er ook aan dat we staten nodig hebben die weten hoe je moet onderhandelen, zodat de voordelen van publieke investeringen weer aan het publiek ten goede komen.
Een dodelijk virus heeft grote zwakheden blootgelegd in de
westerse kapitalistische economieën. Nu de overheden in oorlogsstand
staan, hebben we de mogelijkheid om het systeem te repareren. Als we
dat niet doen, zullen we geen kans maken tegen de derde grote crisis
– een steeds onbewoonbaarder planeet – en alle kleinere crises
die daar de komende jaren en decennia uit zullen voortvloeien.
Daniela Gabor is hoogleraar economie en macrofinanciering aan de University of the West of England te Bristol. In deze bijdrage, die vooral over de ECB gaat, legt ze uit waarom het nu een goed moment zou zijn voor de centrale banken om veel van hun op marktdiscipline gerichte maatregelen als ‘margin calls’ en ‘haircuts’ te laten varen. Dit stuk verscheen op 26 maart 2020 in de Financial Times.
De
corona-crisis herinnert ons eraan dat het op het marktmechanisme
gebaseerde systeem van de centrale banken als noodkredietverstrekkers
niet langer aan zijn doelstellingen voldoet. De afhankelijkheid van
de centrale banken van marktwaarderingen en zogenoemde ‘haircuts’
is bedoeld om de marktdiscipline te handhaven. In werkelijkheid
verscherpt dit mechanisme in potentie juist de druk die door
buitengewone actie van de centrale banken zou moeten worden
tegengegaan.
Neem
de dollarnoodkredieten van de Europese Centrale Bank aan haar
bankensysteem als voorbeeld.
Op 20 maart kondigden de centrale banken van ʼs wereld grootste financiële systemen – de C6, bestaande uit de Amerikaanse Federal Reserve, de Bank of England, de Europese Centrale Bank, de Bank of Japan (BoJ), de Zwitserse Nationale Bank en de Bank of Canada (C6) – aan dat ze de noodverstrekking van Amerikaanse dollars via zogenoemde ‘central bank swaps’ zouden uitbreiden. Om dat te doen boden ze vanaf 23 maart op dagelijkse basis in dollars gedenomineerde ‘repo-leningen’ aan met een looptijd van zeven dagen, bovenop de wekelijkse leningen met een looptijd van 84 dagen.
Hoewel
de blootstelling van de ECB gering is vergeleken met wat zij was in
2008, vooral in vergelijking met andere centrale banken zoals de BoJ,
loopt zij nog steeds het risico dat ze tot potentieel systemische
implicaties kan leiden. Dat komt doordat de ECB, net als veel andere
centrale banken, leningen op dagelijkse basis monitort en van een
zogenoemde ‘margin’ voorziet, wat in wisselvallige tijden hun
effectiviteit kan ondermijnen, zo niet tot extra marktdruk kan
leiden.
Hoe
het werkt
Europese
banken hebben dollarfinanciering nodig voor hun dollarbezittingen
(leningen, obligaties, derivaten, enz.) of voor hun cliënten. In
tijden dat er geen crisis is krijgen ze hun dollars doorgaans via de
zogenoemde ‘dollar repo markten,’ andere grote
financieringsmarkten of via zogenoemde ‘valuta-swap markten.’ In
tijden van crisis neemt de bereidheid op de particuliere markten af
om dollarfinanciering ter beschikking te stellen. Sommige Europese
banken kunnen rechtstreeks van de Federal Reserve (de Fed, het
federale stelsel van Amerikaanse centrale banken) lenen, maar de
meeste zijn afhankelijk van de ECB.
De
‘swap line’-overeenkomst tussen de Fed en de ECB is een kwestie
van wederzijds belang: de Fed wil de integriteit en de veerkracht van
de dollar als internationale reservemunt overeind houden, terwijl de
ECB de stabiliteit van haar financiële systeem wil beschermen.
In
de eerste fase van de ‘swap’ ‘lenen’ de centrale banken
elkaar hun eigen valuta. De ECB heeft een dollar-depositorekening bij
de Fed, en die rekening wordt gevuld met het overeengekomen bedrag,
tegen een van te voren afgesproken wisselkoers en voor een van te
voren afgesproken periode. De ECB betaalt rente en creëert tevens
een euro-faciliteit voor de rekening van de Fed bij de ECB.
Als de wisselkoers fluctueert tijdens de duur van de ‘swap’ moet de centrale bank waarvan de munt minder waard wordt de andere bank betalen via wat een ‘margin call’ heet. Het IMF heeft een goede uitleg van hoe dit werkt. Deze periodieke ‘margin calls’ dekken het verschil tussen de feitelijke en de afgesproken wisselkoers, waardoor kredietrisico ontstaat tussen de twee centrale banken. De ‘margins’ worden op een aparte rekening gestort en teruggegeven aan het einde van de looptijd van de ‘swap.’ Als de centrale banken verwachten dat de dollarkoers gaat stijgen, geven ze er misschien de voorkeur aan eerst hun eigen dollarreserves aan te spreken, voordat ze bij de Fed aankloppen. Tot nu toe heeft alleen de ECB gebruik gemaakt van deze regeling; op 18 maart stond $45 mrd uit.
Hoe
‘leent’ de ECB de dollars die op zijn deposito-rekening bij de
Fed staan uit? Zij leent iedere week dollars aan Europese banken, via
driemaandelijkse ‘repo’-leningen, tegen onderpand. Om toegang te
verkrijgen tot deze leningen moeten banken waardepapier in euro’s
of dollars als onderpand ter beschikking stellen.
Deze
‘repo’-leningen hebben een bijzondere boekhoudkundige en
juridische structuur: het zijn verkoop- en terugkoopcontracten
(vandaar de naam ‘repo,’ van het Engelse ‘repossession’).
Particuliere banken ‘verkopen’ onderpand aan de ECB en beloven
dat binnen 84 dagen terug te kopen. De ECB geeft de voorkeur aan dit
arrangement – wijdverbreid in Europa – omdat zij een juridische
claim krijgt op het onderpand en dat kan verkopen, mocht de
particuliere bank in gebreke blijven.
De duivel schuilt zoals gewoonlijk in de waardering die de ECB aan het
onderpand hecht. Het mechanisme kent drie componenten.
De
‘FX haircut’
De
ECB vraagt om een zogenoemde ‘FX haircut’ van twaalf procent om
zichzelf te beschermen tegen het valutarisico. Dit betekent dat de
banken voor iedere $100 dollar die ze lenen $120 aan onderpand moeten
inbrengen, in de vorm van waardepapier in euro’s of dollars, of in
contanten (de reserves), tegen de marktwaarde. ‘Haircuts’ zijn
een soort buffers die de partijen beschermen tegen nadelige
bewegingen van de wisselkoers.
Omdat
de kosten van de dollarfinanciering door de ‘haircut’ toenemen,
is dit arrangement ook bedoeld om de Europese banken ertoe aan te
zetten zo snel mogelijk naar de particuliere markten voor
dollarfinanciering terug te keren. Het is, met andere woorden, een
soort strafmaatregel.
Valutamarkt-gerelateerde
‘margin calls’
Maar
wisselkoersen kunnen in een periode van drie maanden met meer dan twaalf
procent fluctueren. Om zichzelf verder te beschermen heeft de ECB
derhalve besloten de waarde in euroʼs
van de dollarleningen iedere acht dagen te actualiseren. Als de
dollar in waarde stijgt, doet de ECB een ‘margin call’: zij
vraagt de banken om hun onderpandpositie aan te passen aan de nieuwe
wisselkoers door meer onderpand in te brengen (en andersom voor de
euro-waardering).
Deze
valutamarkt-gerelateerde ‘margin calls’ voor de banken vergroten
de druk op de dollarfinanciering van de banken. Als een bank niet kan
voldoen aan zoʼn
‘margin call,’ kan zij gedwongen worden dollar- of
eurobezittingen te verkopen. Dit pro-cyclische aspect van het
raamwerk van ‘dollar-repo’-onderpanden van de ECB maakt van de
dollar-equivalent van leningen – in termen van financieringsdruk –
een ‘repo’ met een looptijd van zeven dagen. Uiteraard moeten
deze misschien vernieuwd worden tegen de wisselkoers van die dag,
maar ze bieden de banken meer vrijheid om hun balansen aan te passen
in reactie op eventuele drastische bewegingen op de valutamarkt.
Onderpand-gerelateerde
‘margin calls’
Voor
iedere ‘repo’-lening weegt de ECB het onderpand dagelijks af op
basis van de marktwaarde. Als de koers van het waardepapier daalt,
vraagt de ECB de bank om het verschil goed te maken (een nieuwe
‘margin call’). Deze ‘margin’ is bedoeld om de ECB te
beschermen tegen het risico dat de tegenpartij failliet gaat of als
zij het onderpand moet verkopen.
Kortom:
de ‘repo’-leningen in dollars hebben drie belangrijke bewegende
onderdelen: de valutamarkt-gerelateerde ‘haircut,’ de wekelijkse
‘margin calls’ op valutamarkt-bewegingen voor leningen met een
looptijd van meer dan zeven dagen, en de dagelijkse ‘margin calls’
op onderpand in dollars of euroʼs.
Hierdoor wordt pro-cycliciteit in de structuur gebracht, d.w.z. dat
de posities blootstaan aan verdere verslechtering naarmate de markten
zich in precies die richting bewegen die het arrangement moest
proberen op te vangen. Slechts de dagelijkse veilingen bij een
looptijd van zeven dagen verminderen één vorm van pro-cyclische
druk door de banken meer flexibiliteit te geven bij het aanpassen van
hun balans in reactie op de druk van de opwaardering van de dollar.
Dit
werpt een belangrijke vraag op: waarom heeft de ECB, die immers een
noodkredietverstrekker is, bescherming nodig tegen
onderpand-/valutamarktrisicoʼs?
Het
snelle antwoord luidt dat het onderpand-waarderingsregime er is om
ervoor te zorgen dat wanneer de debiteur in gebreke blijft, de
‘repo’-crediteur het waardepapier dat hij wettelijk bezit kan
verkopen om zijn geld terug te krijgen. Een dagelijkse waardering is
bedoeld om de marktwaarde van dit waardepapier gelijk te houden aan
het geleende geld. Maar deze dagelijkse herijking kan leiden tot het
soort liquiditeitsproblematiek dat van de ineenstorting van Lehman
Brothers in 2008 een mondiale systeemcrash heeft gemaakt.
We weten al dat het onderpandregime van de ECB ten aanzien van haar ‘repo’-leningen met een lange looptijd tijdens de staatsschuldencrisis hetzelfde effect dreigde te hebben, totdat Mario Draghi beloofde te zullen doen ‘wat ook maar nodig was.’ Deze actie hielp de liquiditeit van het onderpand op (Italiaanse) staatsobligaties overeind te houden, en daarmee de integriteit van de ‘repo’-financieringsmarkten van de eurozone.
Christine Lagarde, de president van de ECB, heeft de belofte van Draghi in een recent artikel voor de Financial Times herhaald. Maar als de centrale banken er zijn om de liquiditeit te beschermen, zoals zij betoogt, is het inroepen van ‘margins’ bij banken uit naam van de marktdiscipline of ‘moral hazard’ een te bot instrument. Lagarde moet overwegen een stap verder te gaan. Het huidige onderpandwaarderingsregime is slechts een recente uitvinding. Voordat de euro werd ingevoerd heeft geen van de centrale banken van het eurosysteem het onderpand aan de marktwaarde aangepast of dagelijkse ‘margin calls’ gemaakt.
Het
zou goed zijn om nu naar dat regime terug te keren.
Het
is goed om te zien dat de ECB de boodschap misschien al begrepen
heeft. De bestuursraad van de bank heeft de centrale bankiers in de
eurozone gevraagd maatregelen te onderzoeken om het onderpandregime
te versoepelen in verband met een paar van haar aanbiedingen van
goedkope centralebank-kredieten.
Wat we op dit moment nodig hebben is dat we afstand nemen van de op de markt gebaseerde bescherming van de balansen van de centrale banken, en een stap zetten in de richting van echte verlies-absorptiecapaciteit.
Bruno Latour is socioloog en filosoof, en de auteur van (onder meer) Les microbes. Guerre et paix en Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime (Octavo, 2018).
Voor degenen die zich achter de frontlinie bevinden en aan wie men uit solidariteit heeft gevraagd om niets te doen is het beslist zeer welkom dat de algehele ʻlockdownʼ toevallig samenvalt met de vastentijd. Dit verplichte vasten, deze seculiere en republikeinse ramadan, biedt hen de kans om te overdenken wat nu eigenlijk wél en wat niet belangrijk is.
Het
zou zomaar kunnen dat de interventie van het virus een soort generale
repetitie is voor de volgende crisis, waarin iedereen een complete
verandering van zijn of haar levensomstandigheden zal ondergaan, in
alle aspecten van het dagelijks bestaan. Net als vele anderen denk ik
dat de coronacrisis een opmaat is voor de klimaatcrisis. Deze
hypothese moet nog wel aan een nadere beproeving onderworpen worden.
Het virus is maar één schakel in een hele keten
Wat het met elkaar in verband brengen van deze twee crises legitimeert is het plotselinge en pijnlijke besef dat de klassieke definitie van een samenleving – het samenzijn van mensen onder elkaar – betekenisloos is geworden. De toestand van de samenleving is op ieder moment afhankelijk van de relaties tussen vele actoren, waarvan de meeste geen menselijke vorm hebben. Dit geldt voor microben – zoals we sinds Pasteur weten – maar ook voor het internet, de wet, de organisatie van onze ziekenhuizen, de capaciteiten van de staat en zelfs voor het klimaat. En ondanks al het gekrakeel over een ʻstaat van oorlogʼ tegen het virus, is dit virus natuurlijk maar één schakel in een hele keten, waarin het voorraadbeheer van maskers of tests, de regulering van eigendomsrechten, allerlei burgerlijke gewoonten en gebaren van solidariteit eveneens meewegen bij het bepalen van de mate van kwaadaardigheid van een besmettelijke ziekte.
Als je eenmaal zicht hebt op het hele netwerk waarvan het virus slechts één onderdeel is, begrijp je dat het virus niet op dezelfde manier te werk gaat in Taiwan, Singapore, New York of Parijs. De pandemie is net zomin een ʻnatuurlijkʼ fenomeen als de hongersnoden uit het verleden of de klimaatcrisis van nu. De samenleving heeft zich al lang geleden buiten de nauwe beperkingen van de sociale sfeer begeven.
De uitbreiding der bevoegdheden en de sirenes van ambulances
Dit gezegd hebbende weet ik niet zeker of we de parallel nog verder kunnen doortrekken. Gezondheidscrises zijn immers niet nieuw, en het snelle en radicale ingrijpen van de staat lijkt tot nu toe niet erg innovatief. Daarvoor hoef je alleen maar naar het enthousiasme te kijken waarmee president Macron zich onlangs de allure van een staatshoofd heeft aangemeten, waar het hem tot nu toe zo pathetisch aan ontbroken heeft. Door de retoriek van ʻwij moeten jullie beschermenʼ en ʻjullie moeten ons beschermenʼ zorgen pandemieën er, zowel voor de machthebbers als voor hun onderdanen, voor dat het gezag van de staat weer versterkt wordt, zodat die staat eisen kan stellen die in iedere andere omstandigheid tot rellen zouden hebben geleid.
Maar deze staat is niet de staat van de 21e eeuw en van de klimaatverandering, maar de staat van de 19e eeuw en de zogenaamde ʻbiopower.ʼ Om met wijlen statisticus Alain Desrosières te spreken, het is de staat van de statistiek: de bevolking wordt binnen een territoriaal kader onder toezicht gesteld en van bovenaf bestuurd met behulp van deskundigen. Dit is het systeem dat we vandaag de dag zien herrijzen – met als enig verschil met vroeger dat het nu stap voor stap wordt geherintroduceerd, totdat het de hele planeet omvat.
De originaliteit van de huidige situatie is volgens mij dat we, door thuis opgesloten te zitten, terwijl we buiten niets anders meer zien en horen dan de uitbreiding van politiebevoegdheden en de sirenes van ambulances, collectief een karikaturale vorm van het spel van de ʻbiopowerʼ opvoeren, die rechtstreeks uit het werk van de filosoof Michel Foucault lijkt te zijn voortgekomen. Zelfs de vele arbeiders die gedwongen zijn te blijven werken, zodat de anderen zich in hun huizen kunnen blijven verstoppen, zijn aan het oog onttrokken – om nog maar te zwijgen van de migranten die helemaal geen onderdak hebben. Maar deze karikatuur is de karikatuur van een tijd die niet meer de onze is.
Een enorme kloof
Er gaapt een enorme kloof tussen de staat die zegt: ʻIk bescherm u tegen de doodʼ (dat wil zeggen: tegen de besmetting door een virus waarvan het spoor alleen bekend is aan wetenschappers en waarvan de gevolgen alleen begrijpelijk zijn door reeksen statistieken te bestuderen) en de staat die dúrft te zeggen: ʻIk bescherm u tegen de dood, omdat ik de bestaansvoorwaarden van alle levende wezens waarvan u afhankelijk bent, in stand wil houden.ʼ
Denk er maar eens over na: stel dat president Macron op dezelfde Churchilliaanse toon een pakket maatregelen bekendgemaakt zou hebben om de gas- en oliereserves in de bodem te laten, de verkoop van pesticiden te stoppen, het ploegen tot op grote diepte uit te bannen en – hoe stoutmoedig! – het gebruik van verwarmingsinstallaties op terrassen te verbieden… Als de benzinebelasting al genoeg was om de beweging van de ʻgele hesjesʼ op gang te brengen, huiver je bij de gedachte aan de rellen die het land in vuur en vlam zouden hebben gezet als hij dat had gedaan. En toch is het in het geval van de klimaatcrisis oneindig veel gerechtvaardigder om de Fransen voor hun eigen bestwil tegen de dood te beschermen dan in het geval van de coronacrisis, omdat die eerste letterlijk iedereen aangaat, en niet slechts een paar duizend mensen – en ook niet voor een tijdje, maar voor altijd.
De
ziekteverwekker waarvan de afschuwelijke kwaadaardigheid de
levensomstandigheden van iedereen verandert, is geen virus, maar de
mens zelf!
Het
is duidelijk dat er geen sprake van is dat deze denkbeeldige staat
bestaat. En het is heel zorgwekkend om te zien hoe de huidige staat
zich op geen enkele manier aan het voorbereiden is op de overgang van
de ene crisis naar de andere. In de coronacrisis speelt de overheid
een zeer klassieke pedagogische rol, en valt haar gezag perfect samen
met de oude nationale grenzen – het archaïsme van de terugkeer
naar de Europese binnengrenzen is daar het pijnlijke bewijs van.
Bij
de klimaatverandering is de relatie omgekeerd: daar moet de overheid
van het volk leren hoe het bestaan in gebieden die volledig
geherdefinieerd worden door de noodzaak om uit het huidige mondiale
productiesysteem te stappen, eruit zou kunnen zien. Hier zou de
overheid volstrekt niet in staat zijn om maatregelen van bovenaf op
te leggen. In de coronacrisis moeten wij allemaal, net als op de
basisschool, weer leren om onze handen te wassen en in onze elleboog
te hoesten, maar bij de klimaatverandering is het de staat die in het
schoolbankje zit.
Bovendien is er nóg een reden waarom de metafoor van de ʻoorlog tegen het virusʼ onbegrijpelijk is: in de coronacrisis is het misschien waar dat de mens en bloc het virus ʻbestrijdtʼ – zelfs degenen die zich normaal gesproken niets van ons aantrekken en altijd maar blijven doorgaan met hun dodelijke werk, of we dat nu willen of niet. Bij de klimaatverandering is de situatie echter op tragische wijze omgekeerd: daar is de ziekteverwekker waarvan de afschuwelijke kwaadaardigheid de levensomstandigheden van alle bewoners van de planeet heeft veranderd helemaal geen virus, maar de mens zelf! En dan niet alle mensen, maar slechts een paar mensen, die oorlog tegen ons voeren zonder die aan ons verklaard te hebben. En op deze oorlog is de nationale staat heel slecht voorbereid, omdat de fronten veelvoudig zijn en ieder van ons kruisen. Het is in die zin dat de ʻalgemene mobilisatieʼ tegen het virus op geen enkele manier bewijst dat we klaar zullen zijn voor de volgende strijd. Het is niet alleen het leger dat altijd achterloopt in een oorlog.
Maar
uiteindelijk – je weet maar nooit – kan een tijd van vasten, ook
al is die seculier en republikeins van aard, tot spectaculaire
veranderingen leiden. Voor het eerst in jaren vinden miljoenen
mensen, die nu thuis vastzitten, een vergeten luxe terug: ze hebben
de tijd om na te denken en te overwegen waar ze voorheen onnodig
opgewonden van raakten. Laten we deze lange en onverwachte vastentijd
te baat nemen.
Mike Davis is de auteur van het boek The Monster at Our Door uit 2005, dat in Nederland als Vogelgriep – Achtergronden van de dreigende pandemie is verschenen bij Mets & Schilt. In dit artikel gaat hij vooral in op de situatie in de VS.
COVID-19 is eindelijk het monster dat bij ons voor de deur staat. Onderzoekers werken dag en nacht om het virus karakteriseren, maar ze worden geconfronteerd met drie grote problemen.
In
de eerste plaats heeft het aanhoudende tekort aan testkits alle hoop
op indamming in rook doen opgaan. Bovendien kunnen er nu geen
nauwkeurige inschattingen van belangrijke parameters worden gemaakt,
zoals de reproductiesnelheid van het virus, de omvang van de
geïnfecteerde populatie en het aantal goedaardige besmettingen. Het
resultaat is een chaos van getallen.
In
andere landen zijn echter betrouwbaardere gegevens voorhanden over de
impact van het virus op bepaalde bevolkingsgroepen. En die zijn heel
verontrustend. Italië en Groot-Brittannië melden bijvoorbeeld een
sterftecijfer dat relatief veel hoger is onder 65-plussers. De
ʻcoronagriepʼ
die Trump aanvankelijk bagatelliseerde, is een ongekend gevaar voor
oudere bevolkingsgroepen, met een dodental dat mogelijk in de
miljoenen zal lopen.
In
de tweede plaats muteert dit virus, net als het jaarlijkse
griepvirus, op zijn reis door populaties met een verschillende
leeftijdssamenstelling en verworven immuniteit. De variëteit waar de
Amerikanen mee te maken hebben verschilt waarschijnlijk al enigszins
van die van de oorspronkelijke uitbraak in Wuhan. Verdere mutaties
kunnen onbetekenend zijn, maar kunnen ook tot veranderingen leiden in
de distributie van ernstige ziekteverschijnselen, zoals
longontstekingen met dodelijk afloop, die veel vaker voorkomen bij
ouderen dan bij babyʼs
en kleine kinderen.
In
de derde plaats kan, zelfs als het virus stabiel blijft en het weinig
muteert, het effect ervan op leeftijdsgroepen onder de 65 jaar
radicaal anders zijn in arme landen en in een context van grote
armoede. Denk aan de wereldwijde ervaringen met de Spaanse griep van
1918-ʼ19,
die naar schatting 1 tot 2 procent van de mensheid heeft gedood. In
tegenstelling tot het coronavirus was die griep het dodelijkst voor
jongvolwassenen, en dit wordt vaak verklaard uit hun relatief
sterkere immuunsysteem, dat overreageerde op de besmetting door
dodelijke ʻcytokine-stormenʼ
tegen de longcellen te ontketenen. Het oorspronkelijke H1N1-virus
nestelde zich in legerkampen en loopgraven op de slagvelden van de
Eerste Wereldoorlog, waar het tienduizenden jonge soldaten het leven
kostte. De ineenstorting van het grote Duitse lenteoffensief van
1918, en daarmee de uitkomst van de oorlog, wordt toegeschreven aan
het feit dat de geallieerden, in tegenstelling tot hun vijand, hun
zieke legers konden aanvullen met nieuw aangekomen Amerikaanse
troepen.
Het
wordt echter zelden gememoreerd dat 60 procent van de wereldwijde
sterfte niet in het Westen maar in West-India plaatsvond, waar de
graanexport naar Groot-Brittannië en de meedogenloze
invorderingspraktijken samenvielen met een grote droogte. De daaruit
voortvloeiende voedseltekorten dreven miljoenen arme mensen naar de
rand van de hongerdood. Zij werden het slachtoffer van een sinistere
synergie van ondervoeding, waardoor hun immuunreactie op de
besmetting werd onderdrukt, en ongebreidelde bacteriële en virale
longontstekingen. In het door de Britten bezette Iran hebben enkele
jaren van droogte, cholera en voedseltekorten, gevolgd door een
wijdverbreide malaria-uitbraak, de dood van naar schatting een vijfde
van de bevolking tot gevolg gehad.
Deze
geschiedenis – en vooral de onbekende gevolgen van de interacties
tussen ondervoeding en infecties – zou ons moeten waarschuwen dat
COVID-19 een zeer dodelijke weg kan inslaan in de sloppenwijken van
Afrika en Zuid-Azië. Het gevaar voor de armen in de wereld is tot nu
toe bijna volledig genegeerd door journalisten en westerse
regeringen. Het enige gepubliceerde stuk dat ik heb gezien beweert
dat – omdat de stedelijke bevolking van West-Afrika de jongste ter
wereld is – de pandemie daar slechts een milde impact zou moeten
hebben. In het licht van de ervaringen van 1918 is dit een dwaze
extrapolatie. Niemand weet wat er de komende weken in Lagos, Nairobi,
Karachi of Kolkata zal gaan gebeuren. De enige zekerheid is dat rijke
landen en rijke klassen zich zullen richten op het redden van
zichzelf, met uitsluiting van de internationale solidariteit en
medische hulp. Muren in plaats van vaccins: kan er nog een
kwaadaardiger sjabloon zijn voor de toekomst?
Over
een jaar kijken we misschien met bewondering terug op de successen
van China bij het indammen van de pandemie, maar met afschuw naar het
falen van de VS. (Ik maak de heroïsche veronderstelling dat Chinaʼs
berichtgeving over de snel afnemende transmissie van het virus min of
meer accuraat is). Het onvermogen van onze instellingen om de Doos
van Pandora gesloten te houden is natuurlijk geen verrassing. Sinds
2000 hebben we herhaaldelijk storingen gezien in de
eerstelijnsgezondheidszorg.
Zo
heeft het griepseizoen van 2018 de ziekenhuizen in de hele VS
overweldigd, waardoor het schokkende tekort aan ziekenhuisbedden na
twintig jaar van bezuinigingen op de ziekenhuiscapaciteit (de versie
die in deze sector wordt toegepast van het ʻjust-in-timeʼ
voorraadbeheer) aan het licht is gekomen. De sluiting van
particuliere en charitatieve ziekenhuizen, en de tekorten in de
verpleging, die eveneens door de logica van de markt zijn
afgedwongen, hebben de gezondheidsdiensten in armere gemeenschappen
en op het platteland verwoest, waardoor de lasten zijn verlegd naar
de ondergefinancierde openbare ziekenhuizen en de voorzieningen voor
veteranen. De IC-faciliteiten in dergelijke instellingen zijn nu al
niet in staat om het hoofd te bieden aan de seizoensgebonden
infecties, dus hoe moeten ze zo meteen omgaan met de dreigende
overbelasting als gevolg van al die kritieke gevallen?
We
zitten in het beginstadium van een medische Katrina. Ondanks de
jarenlange waarschuwingen over vogelgriep en andere pandemieën, is
de voorraad elementaire noodvoorzieningen als beademingsapparatuur
niet voldoende om de verwachte stortvloed aan kritieke gevallen op te
vangen. Militante vakbonden van verpleegkundigen in Californië en
andere staten zorgen ervoor dat we allemaal de ernstige gevaren
begrijpen die zijn ontstaan door ontoereikende voorraden van
essentiële beschermende middelen, zoals N95-gezichtsmaskers. Nog
kwetsbaarder, omdat ze onzichtbaar zijn, zijn de honderdduizenden
laagbetaalde en overwerkte hulpverleners in de thuiszorg en de
verpleegtehuizen.
Deze sector, die voor 2,5 miljoen bejaarde Amerikanen zorgt – van wie de meesten afhankelijk zijn van Medicare – is al lange tijd een nationaal schandaal. Volgens de New York Times sterven ieder jaar 380.000 patiënten van verpleeginrichtingen als gevolg van de verwaarlozing van de basisvoorschriften voor infectiebestrijding. Veel tehuizen – vooral in de zuidelijke staten van de VS – vinden het goedkoper om boetes te betalen voor overtredingen van deze voorschriften dan om extra personeel in te huren en hen een goede opleiding te geven. Zoals uit het voorbeeld van Seattle* blijkt zullen nu tientallen, misschien wel honderden andere verpleeginrichtingen coronavirus-hotspots worden; hun werknemers met een minimumloon zullen er rationeel voor kiezen om hun eigen families te beschermen door thuis te blijven. In zoʼn geval zou het systeem kunnen instorten en hoeven we niet te verwachten dat de Nationale Garde de bedpannen zal legen.
De uitbraak heeft onmiddellijk de grimmige kloof tussen de klassen in de gezondheidszorg blootgelegd: mensen met een goede ziektekostenverzekering die ook thuis kunnen werken of lesgeven zijn comfortabel geïsoleerd, mits ze zo voorzichting zijn om de voorzorgsmaatregelen op te volgen. Ambtenaren en georganiseerde werknemers met een fatsoenlijke ziektekostendekking zullen moeilijke keuzes moeten maken tussen inkomen en bescherming. Ondertussen zullen miljoenen laagbetaalde werknemers in de dienstensector, werknemers in de landbouw, onverzekerde deeltijdwerkers, werklozen en daklozen voor de wolven worden gegooid. Zelfs als Washington uiteindelijk het testfiasco weet op te lossen en voor voldoende testkits kan zorgen, zullen de onverzekerden nog steeds artsen of ziekenhuizen moeten betalen voor het uitvoeren van die tests. De medische rekeningen van gezinnen zullen zo hoog oplopen dat miljoenen werknemers hun baan en hun door de werkgever betaalde ziektekostenverzekering zullen verliezen. Is er een krachtiger en urgenter pleidooi mogelijk ten gunste van Medicare for All?**
Maar
universele dekking is slechts een eerste stap. Het is op zijn zachtst
gezegd teleurstellend dat noch Sanders, noch Warren tijdens de
primary-debatten heeft benadrukt dat Big Pharma afstand heeft gedaan
van onderzoek en ontwikkeling van nieuwe antibiotica en antivirale
middelen. Van de 18 grootste farmaceutische bedrijven in de VS hebben
er 15 dit terrein volledig verlaten. Hartmedicijnen, verslavende
kalmerende middelen en behandelingen voor mannelijke impotentie zijn
winstgevende producten, niet de verdedigingsmiddelen tegen
ziekenhuisinfecties, nieuwe ziekten en de traditionele moordenaars
uit de tropen. Een universeel vaccin tegen griep – dat wil zeggen:
een vaccin dat zich richt op de onveranderlijke delen van de
oppervlakte-eiwitten van het virus – is al tientallen jaren
mogelijk, maar nooit een winstgevende prioriteit geweest.
Naarmate
de antibiotica-revolutie wordt teruggedrongen zullen oude ziekten
weer de kop opsteken, naast nieuwe infecties, en zullen ziekenhuizen
knekelhuizen worden. Zelfs Trump kan zo nu en dan op opportunistische
wijze tegen de absurde kosten van de medische zorg tekeer gaan, maar
we hebben een gedurfdere visie nodig die de geneesmiddelenmonopolies
probeert te doorbreken en zal voorzien in de publieke productie van
levensreddende geneesmiddelen. (Vroeger was dit wél het geval:
tijdens de Tweede Wereldoorlog schakelde het leger Jonas Salk en
andere onderzoekers in om het eerste griepvaccin te ontwikkelen).
Zoals ik vijftien jaar geleden schreef in mijn boek The Monster at
Our Door – The Global Threat of Avian Flu: de toegang tot
levensreddende medicijnen, waaronder vaccins, antibiotica en
antivirale middelen, zou een mensenrecht moeten zijn dat universeel
beschikbaar is, zonder kosten. Als de markten geen impulsen kunnen
bieden om dergelijke geneesmiddelen goedkoop te produceren, zullen
overheden en non-profitorganisaties de verantwoordelijkheid voor de
productie en distributie ervan op zich moeten nemen. Het overleven
van de armen moet ten allen tijde een hogere prioriteit krijgen dan
de winst van Big Pharma.
De huidige pandemie onderstreept dit betoog: de kapitalistische mondialisering lijkt nu biologisch onhoudbaar te zijn, bij ontstentenis van een echte internationale volksgezondheidsinfrastructuur. Maar zoʼn infrastructuur zal nooit bestaan, totdat de volksbewegingen de macht van Big Pharma en de gezondheidszorg met winstoogmerk doorbreken.
vertaling Menno Grootveld
* Een verzorgingstehuis in Seattle was een van de eerste plekken in de VS waar het corona-virus uitbrak; inmiddels zijn 35 personen die daar woonden of werkten aan het virus overleden
** Medicare for All is het voorstel om Medicare, het sociale verzekeringsprogramma voor ouderen en personen met een beperking, uit te breiden tot een verplichte ziektekostenverzekering voor alle Amerikanen; dit is een van de belangrijkste punten in het verkiezingsprogramma van de Democratische presidentskandidaat Bernie Sanders
Slavoj Zizek (Slovenië, 1949) is een van de bekendste hedendaagse filosofen. Zijn werk is vooral beïnvloed door Hegel, Marx en Lacan. Hij noemt zichzelf een eurocentrisch marxist. Zijn nieuwe boek, ‘Als een dief op klaarlichte dag’, verschijnt in mei bij Starfish Books.
Een ʻperfecte stormʼ doet zich voor als een zeldzame combinatie van uiteenlopende omstandigheden tot een extreem gewelddadige gebeurtenis leidt:
In zoʼn geval ontketent een synergie van krachten een energie die veel groter is dan de som van de individuele componenten. De term werd gepopulariseerd door de nonfictie-bestseller van Sebastian Junger uit 1997 over een combinatie van meteorologische verschijnselen die eens in de honderd jaar voorkomt en in 1991 de Noord-Atlantische oostkust van de VS trof: een hogedruksysteem van de Grote Meren botste met stormwinden boven een eiland in de Atlantische Oceaan (Sable Island) en met een weersysteem dat afkomstig was uit de Caraïben (orkaan Grace). Het verslag van Junger concentreert zich op de bemanning van de vissersboot Andrea Gaildie verdween in een hoge golf.
Als gevolg van haar mondiale karakter ontlokt de huidige corona-epidemie ons dikwijls het commentaar dat wij nu allemaal in hetzelfde schuitje zitten. Maar er zijn tekenen die erop wijzen dat de boot die Europa heet veel dichter dan andere schepen in de buurt dreigt te komen van het lot dat de Andrea Gail ten deel is gevallen. Drie stormen verenigen zich momenteel om hun krachten boven Europa te ontladen. De eerste twee zijn niet specifiek voor dit continent: de coronavirus-epidemie in haar rechtstreekse fysieke impact (quarantaines, lijden en dood) en haar economische gevolgen, die in Europa erger zullen zijn dan elders omdat Europa toch al stagneert en ook afhankelijker is dan andere delen van de wereld van import en export (de auto-industrie is de ruggengraat van de Duitse economie, en de export van luxe-autoʼs naar China is al tot stilstand gekomen, enz.). Aan deze twee stormen moeten we nu een derde toevoegen, die we het ʻPoetogan-virusʼ zullen noemen: de nieuwe explosie van geweld in Syrië tussen Turkije en het regime van Assad (rechtstreeks gesteund door Rusland). Beide kampen exploiteren ijskoud het lijden van miljoenen ontheemden voor hun eigen politieke profijt.
Toen Turkije duizenden vluchtelingen opriep om naar Europa te vertrekken en hun transport naar de grens met Griekenland organiseerde, rechtvaardigde Erdogan deze maatregel met pragmatische humanitaire redenen: Turkije zou niet langer het stijgende aantal vluchtelingen kunnen onderhouden… Dit excuus getuigt van een adembenemend cynisme: het gaat volledig voorbij aan het feit dat Turkije zelf deelneemt aan de Syrische burgeroorlog, door de ene factie tegen de andere uit te spelen, waardoor het land zelf een zware verantwoordelijkheid draagt voor de instroom van vluchtelingen. Nu wil Turkije dat Europa de last van de vluchtelingen deelt, d.w.z. de prijs betaalt voor zijn meedogenloze politiek. De valse ʻoplossingʼ voor de crisis met de Koerden in Syrië – Turkije en Rusland die de ʻvredeʼ opleggen, zodat beide partijen ieder een deel van het gebied kunnen beheersen – is nu uiteengevallen, maar Rusland en Turkije blijven in een ideale positie verkeren om druk uit te oefenen op Europa: de twee landen controleren de olietoevoer naar Europa, evenals de vluchtelingenstroom, zodat zij die allebei kunnen gebruiken als een manier om Europa te chanteren.
De
duivelsdans van conflict naar alliantie en andersom tussen Erdogan en
Poetin mag ons geen zand in de ogen strooien: beide uitersten zijn
onderdeel van hetzelfde geopolitieke spel ten koste van het Syrische
volk. Niet alleen hebben beide partijen geen enkele boodschap aan het
lijden van dat volk, ze exploiteren het juist actief. Wat opvalt zijn
de overeenkomsten tussen Poetin en Erdogan, die steeds meer lijken op
twee versies van hetzelfde politieke regime – twee belichamingen
van dezelfde figuur, die we voortaan ʻPoetoganʼ
zullen noemen.
We
moeten dus vermijden de vraag te stellen wie meer
verantwoordelijkheid draagt, Erdogan of Assad met Poetin – ze zijn
allemaal heel erg verantwoordelijk voor wat er gaande is en moeten
worden behandeld voor wat ze zijn, oorlogsmisdadigers die misbruik
maken van het lijden van miljoenen en een land verwoesten in het
meedogenloos nastreven van hun doelen, waarvan er één de
vernietiging van een verenigd Europa is. Bovendien doen ze dit
tijdens een mondiale epidemie (waarbij ze de angst voor deze epidemie
misbruiken als middel om hun militaire doelen na te streven), d.w.z.
in een tijd dat mondiale samenwerking urgenter is dan ooit. In een
wereld met een minimaal gevoel voor rechtvaardigheid zouden ze allang
naar Den Haag zijn overgebracht.
Nu kunnen we zien hoe de combinatie van deze drie stormen tot een perfecte storm kan leiden: een nieuwe golf vluchtelingen, georganiseerd door Turkije, kan rampzalige gevolgen hebben in deze tijd van een coronavirus-epidemie. Een van de goede dingen aan de epidemie (afgezien van het feit dat die ons bewust heeft gemaakt van de noodzaak tot mondiale samenwerking) was dat deze aanvankelijk niet werd toegeschreven aan immigranten en vluchtelingen – het racisme deed zijn werk vooral in de perceptie van sommigen dat de dreiging afkomstig was van de Oriëntale Ander. Maar als deze twee zaken bij elkaar komen, als de indruk gaat ontstaan dat vluchtelingen verbonden zijn met epidemieën (en er zullen zich zeker coronavirus-besmettingen voordoen onder de vluchtelingen – denk maar eens aan de erbarmelijke omstandigheden in de overvolle kampen in Griekenland), dan zullen de racistische populisten victorie kraaien: zij zullen dan de buitensluiting van buitenlanders kunnen rechtvaardigen op grond van ʻwetenschappelijkeʼ medische redenen. Iedere verleiding om à la Merkel de instroom van vluchtelingen te verwelkomen zal dan leiden tot een reactie van paniek en angst, waardoor (zoals Orban in zijn recente toespraak al beweerde) Hongarije een model zal zijn dat door heel Europa gevolgd gaat worden…
Om deze ramp te voorkomen is het eerste wat we moeten doen iets dat bijna onmogelijk is: het versterken van Europaʼs operationele eenheid, vooral de onderlinge coördinatie tussen Frankrijk en Duitsland. En vervolgens zou Europa, op basis van deze eenheid, zonder schaamte moeten HANDELEN. In een recent televisiedebat gaf Gregor Gysi, een sleutelfiguur van de Duitse partij Die Linke, een goed antwoord op een opmerking van een tegenstander van immigratie, die op agressieve wijze betoogde dat hij geen verantwoordelijkheid voelde voor de armoede en gruwelen in Derde Wereldlanden – in plaats van geld uit te geven om die landen te helpen, zouden onze staten alleen verantwoordelijkheid moeten nemen voor het welzijn van hun eigen burgers. De kern van Gysi’s antwoord was: als we geen verantwoordelijkheid aanvaarden voor de armen in de Derde Wereld (en op basis daarvan handelen), zullen zij hierheen komen, naar ons toe… (wat precies is waar de anti-immigratiepartijen furieus tegen zijn). Hoe cynisch en onethisch dit antwoord ook mag lijken, het is veel toepasselijker dan alle abstracte medemenselijkheid: het humanitaire beroep op onze generositeit en schuld (ʻwe moeten onze harten voor hen openstellen, ook omdat de uiteindelijke oorzaak van hun lijden het Europese racisme en kolonialisme is’) is een wanhopige poging om helemaal niets te hoeven veranderen, om dezelfde orde te kunnen handhaven, zij het met een menselijk gezicht. Vandaag de dag is echter veel méér nodig.
Giorgio Agamben is een Italiaanse filosoof die vooral bekend is door zijn werk waarin hij de concepten van de uitzonderingstoestand, levensvorm (ontleend aan Ludwig Wittgenstein) en homo sacer onderzoekt. Agambens filosofie is diepgaand beïnvloed door enerzijds Martin Heidegger, bij wie hij colleges volgde en anderzijds Walter Benjamin, wiens werk hij in het Italiaans vertaalde. De bundel A che punto siamo? met zijn corona-essays, waarvan dit het eerste is, verschijnt binnenkort bij Starfish Books.
Om
de panische, irrationele en absoluut ongefundeerde noodmaatregelen
voor een vermeende coronavirus-epidemie te kunnen begrijpen, moeten
we uitgaan van de verklaringen van de Italiaanse Nationale
Onderzoeksraad (CNR) van 22 februari 2020, die niet alleen zeggen dat
er ʻgeen epidemie van
SARS-CoV2 in Italië is,ʼ
maar ook dat ʻde
infectie, op basis van de epidemiologische gegevens die op dit moment
beschikbaar zijn en die gebaseerd zijn op tienduizenden gevallen, in
80 tot 90 procent van die gevallen slechts milde tot gematigde
symptomen (een soort griep) veroorzaakt. In 10 tot 15 procent van de
gevallen kan een longontsteking ontstaan, maar die heeft in de
meerderheid daarvan een goedaardig verloop. Naar schatting heeft
slechts 4 procent van de patiënten een opname op de intensive care
nodig.ʼ
Als
dit de werkelijke situatie is, waarom werken de media en de
autoriteiten dan aan de verspreiding van een klimaat van paniek,
waardoor een echte uitzonderingssituatie ontstaat, met ernstige
beperkingen van de bewegingsvrijheid en een opschorting van de
normale leef- en werkomstandigheden in hele regioʼs
als gevolg?
Twee
factoren kunnen een dergelijke disproportionele reactie helpen
verklaren. In de eerste plaats blijkt hier opnieuw sprake te zijn van
de groeiende tendens om de uitzonderingstoestand als een normaal
bestuursparadigma te gebruiken. Het wettelijke
decreet (decreto legge) dat onmiddellijk door de regering werd
goedgekeurd ʻom redenen
van hygiëne en openbare veiligheidʼ
komt in feite neer op een ware militarisering ʻvan
de gemeenten en gebieden waar ten minste één persoon positief is
getest en de bron van de besmetting onbekend is, of waar zich een
besmetting heeft voorgedaan die niet kan worden herleid tot een
persoon die afkomstig is uit een gebied dat reeds door de
virusinfectie is getroffen.ʼ
Met een zoʼn
vage en onbepaalde formule kan de uitzonderingstoestand snel naar
alle regioʼs worden
uitgebreid,* omdat het praktisch onmogelijk is dat er elders geen
andere besmettingen zullen opduiken. Laten we eens kijken naar de
ernstige vrijheidsbeperkingen waarin het decreet voorziet: a) een
verbod om de getroffen gemeente of het getroffen gebied te verlaten,
voor alle personen die in die gemeente of dat gebied aanwezig zijn;
b) een verbod om de getroffen gemeente of het getroffen gebied te
betreden; c) het opschorten van demonstraties of initiatieven van
welke aard dan ook, van evenementen en van iedere vorm van samenkomst
op een openbare of particuliere plaats, met inbegrip van culturele,
recreatieve, sportieve en religieuze evenementen, zelfs indien deze
plaatsvinden op gesloten plaatsen die voor het publiek toegankelijk
zijn; d) het opschorten van onderwijs voor kinderen en scholen van
alle niveaus, alsook van het bijwonen van schoolactiviteiten en van
het hoger onderwijs, met uitzondering van onderwijs op afstand; e)
het sluiten van musea en andere instellingen en plaatsen van cultuur,
zoals bedoeld in artikel 101 van het statuut aangaande het cultureel
erfgoed en het landschap, en in het wetsdecreet van 22 januari 2004,
nr. 42; alle voorschriften betreffende de vrije toegang tot deze
instellingen worden opgeschort; f) het opschorten van alle educatieve
reizen, zowel in Italië als in het buitenland; g) het opschorten van
examens en van alle activiteiten van openbare ambten, met
uitzondering van essentiële diensten of diensten van openbaar nut;
h) het handhaven van de quarantainemaatregelen en het uitoefenen van
actief toezicht op personen die nauw contact hebben gehad met
bevestigde gevallen van een wijdverspreide besmettelijke ziekte.
Het
is overduidelijk dat deze beperkingen niet in verhouding staan tot de
dreiging van wat volgens de CNR een normale griep is, die niet veel
verschilt van die welke ons ieder jaar treft. Het lijkt erop dat als
het terrorisme eenmaal is uitgeput als grondslag voor uitzonderlijke
maatregelen, de uitvinding van een epidemie het ideale excuus kan
zijn om dergelijke maatregelen onbeperkt te kunnen verruimen.
De
andere factor, die niet minder verontrustend is, is de toestand van
angst die zich de laatste jaren heeft verspreid tot in het
individuele bewustzijn van de mensen en die zich vertaalt in een
reële behoefte aan een toestand van collectieve paniek, waarvoor de
epidemie opnieuw het ideale excuus biedt. Zo wordt bij wijze van een
perverse vicieuze cirkel de beperking van de vrijheid die door de
overheden wordt opgelegd, geaccepteerd uit naam van een verlangen
naar veiligheid dat door dezelfde regeringen die nu ingrijpen om dat
verlangen te bevredigen is gewekt.
Daarom wordt bij wijze van een perverse vicieuze cirkel de beperking van de bewegingsvrijheid die door de regeringen wordt opgelegd, aanvaard uit naam van een verlangen naar veiligheid, gecreëerd door dezelfde regeringen die nu tussenbeide komen om dat verlangen te bevredigen.
* Wat iets later, toen het aantal corona-patiënten explodeerde, ook inderdaad is gebeurd