Categorieën
Gezondheid Politiek

Kwade wil

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Baffler, 21 april 2020

bron foto: Max Planck Institute for the History of Science

door Edna Bonhomme

Edna Bonhomme is een curator, onderzoeker en schrijver die in haar werk de archeologie van de koloniale wetenschap, belichaming en surveillance onderzoekt. Momenteel woont ze in Berlijn.

In 1992 had een stille epidemie de gevangenissen in New York City in haar greep. Een resistente variant van tuberculose verspreidde zich door de vochtige cellen. Morris E. Lasker, federaal rechter voor het zuidelijke district van New York, riep op 24 januari de noodtoestand uit. Hij eiste dat het New York City Department of Corrections tweeënveertig isolatiebedden zou organiseren voor de zeer besmettelijke gevangenen met tuberculose. Hij werd daartoe aangezet door de dood van dertien gevangenen in New York City als gevolg van tuberculose in de loop van het jaar daarvoor, die allemaal HIV-positief waren. Onderzoekers en medici ontdekten dat immunodeficiënte gevangenen die HIV-positief waren bijzonder kwetsbaar bleken voor tuberculose, longontsteking en andere overdraagbare ziekten.

De uitbraak vond plaats op het hoogtepunt van de HIV-epidemie, jaren voordat het eerste anti-retrovirale geneesmiddel voor HIV ruimschoots beschikbaar kwam voor mensen met het virus. Net als vandaag waren de gevangenen op Rikers Island in onevenredige mate zwart en bruin, en ze waren voor een deel ontvankelijk voor tuberculose als gevolg van de slechte ventilatie in de gevangenissen, waardoor bacterieën zich makkelijk door de lucht konden verspreiden. Voor veel mensen die in afwachting waren van het einde van hun straf hadden isolatie en deugdelijke ventilatie kunnen voorkomen dat ze besmet raakten.

Wijlen Susan Sontag heeft in haar Ziekte als metafoor geschreven dat ʻalle aanwijzingen erop duiden dat de cultus van TB niet eenvoudigweg een uitvinding was van romantische dichters en opera-librettisten, maar een wijdverbreide houding, en dat iemand die (op jonge leeftijd) overleed aan TB werkelijk als een romantische persoonlijkheid werd gezien.ʼ In de huidige fase van onze nieuwe wereldwijde pandemie, waarbij COVID-19 mensen en overheden ertoe heeft gebracht strikte social distancing-maatregelen te hanteren om verspreiding te voorkomen, is ziekte veel meer dan een metafoor. Hoewel Sontag in haar werk uit 1978 de sociale en psychologische contouren van ziekte behendig afbakende, was haar nadruk op de ʻromantischeʼ aard van tuberculose kortzichtig. Die onttrok vooral de ongelijke werkelijkheid van mensen van kleur en van degenen die in het mondiale zuiden woonden aan het oog; deze mensen kwamen onopgemerkt om als gevolg van een epidemie, lang nadat de romantische schijn van tuberculose was verdwenen.

Voor de grotendeels zwarte en bruine gevangenen in de cellenblokken van New York City begin jaren negentig was de tuberculose-epidemie vooral zo verderfelijk, omdat er aanvankelijk weinig bereidheid was om er iets aan te doen. Dit was lang vóór de verschijning van Michelle Alexander’s The New Jim Crow; de meeste Amerikanen zagen nog geen verband tussen de slavernij en het criminele onrechtvaardigheidssysteem, en de gevallen van resistente tuberculose in de gevangenissen van New York State begin jaren negentig leidden nog niet tot een oproep om in actie te komen. Omdat die actie uitbleef zijn tijdens de achttien maanden van de tuberculose-uitbraak in de staat New York minstens zevenentwintig gevangenen en één bewaker overleden.

De symptomen van ademhalingsziekten kunnen mild zijn, maar ze kunnen ook een reeks ademhalingsproblemen teweegbrengen – kortademigheid, hijgen, het gevoel dat je longen het zullen begeven. Net als bij het coronavirus is één manier om de verspreiding van tuberculose een halt toe te roepen het isoleren van de zieken. Maar in 1992 waren er de Verenigde Staten relatief méér mensen die in de gevangenis zaten dan in de meeste andere landen van de wereld. Als tuberculose nog steeds een ziekte was geweest die vooral de opperklasse en niet-gevangenen trof, zouden politici misschien de bereidheid hebben gevonden om deze epidemie snel te laten verdwijnen. Maar in plaats daarvan was New York juist bereid om de gezondheid van opgesloten mensen in gevaar te brengen. Hetzelfde is vandaag de dag het geval, nu COVID-19 onder de gevangenen op Rikers Island woedt. Hoewel pleitbezorgers voor de afschaffing van gevangenissen hebben opgeroepen tot de vrijlating van kwetsbare gevangenen, omdat ze terecht bang zijn dat Rikers en andere huizen van bewaring zullen worden overspoeld door een vloedgolf van corona-besmettingen, blijft het aantal mensen dat in vrijheid is gesteld ver achter bij de officiële beloften.

De tuberculose-epidemie van 1992 is een van de vele episoden waarin een ziekte in de loop der tijd steeds virulenter en dodelijker is geworden. Wat deze resistente tuberculose-variant zo gevaarlijk maakte, was voor een deel de samenhang met andere ziekten als HIV/AIDS en Hepatitis C. Maar in deze periode verspreidde tuberculose zich ook naar andere delen van de wereld en vond de ziekte een plek in verarmde gebieden die moeite hadden om de uitbraken in te dammen. Tuberculose blijft vandaag de dag een van de tien voornaamste doodsoorzaken in de wereld, en volgens de Wereldgezondheidsorganisatie vindt ruim 25 procent van de sterfgevallen als gevolg van tuberculose nu plaats op het Afrikaanse continent. Ademhalingsziekten als tuberculose worden verergerd door bestaande mondiale ongelijkheden – en gevangeniscellen en krottenwijken zijn ideale broedplaatsen voor virussen en bacteriën.

Ook al is de wereld zich bewust van deze ongelijkheden, de manier waarop we reageren is een product van de empathie waarmee we de zieken en stervenden tegemoet treden: er wordt onderscheid gemaakt tussen zij die eruit zien zoals wij, en zij die er niet uitzien zoals wij. Voor de armen en achtergestelden toont de ervaring van het doormaken van epidemieën aan hoe microbiële besmettingen kunnen samenvallen met reeds bestaande vooroordelen in een samenleving.

Hoe kunnen we de manieren begrijpen waarop de angst voor epidemieën zich verspreidt? De geschiedenis kan hier misschien antwoord op geven. Zoals Walter Benjamin opmerkte in The Arcades Project: ʻOp ieder denkbaar moment zien de levenden zichzelf alsof ze zich in de middag van de geschiedenis bevinden. Ze zijn verplicht om een banket voor het verleden voor te bereiden. De historicus is de heraut die de doden aan tafel noodt.ʼ Als we in het niet zo recente verleden duiken om uit te vissen hoe de diverse schakeringen van de besmetting de voorwaarden reproduceren die virale en bacteriële besmettingen mogelijk maken, is het belangrijk om eerlijk rekening te houden met massale sterfte, en te leren om compassie te hebben en racisme te vermijden bij het bestrijden van een ziekte.

Dikwijls begint de angst met een naam. In de negentiende eeuw braken diverse cholera-epidemieën uit in grootstedelijke gebieden als New York City, Londen, Alexandria en Shanghai. De uitbraken werden deels verspreid via besmet water, maar ook via de interregionale handel. Het Europese imperialisme en het mondiale kapitalisme waren in opkomst, en de cholera reisde mee op de handelsschepen op de Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee en de Indische Oceaan. Ondanks het feit dat de epidemie vooral in Europa en Noord-Amerika woedde, werd naar de eerste pandemie van 1817-1821 verwezen als de ʻAziatischeʼ cholera, merkt Mark Harrison op in zijn artikel A Dreadful Scourge. De getijdenbewegingen van de ziekte hadden meer te maken met de verspreiding van de bacterie Vibrio cholerae in waterbronnen dan met het Aziatische continent. Toch drong deze benaming door in beschaafde Europese kringen.

Later, tussen 1918 en 1919, stierven vijftig tot misschien wel honderd miljoen mensen aan een nieuw type influenza – sommigen naar verluidt binnen een paar uur nadat ze besmet waren geraakt, anderen binnen een paar dagen. De pandemie had dramatische commerciële en politieke gevolgen: zij dwong veel bedrijven de deuren te sluiten, de vuilnisinzameling werd opgeschort en landarbeiders konden de gewassen niet meer oogsten. Sommige zieken lagen wekenlang in bed en hun geliefden zorgden voor hen, zodat die niet meer naar hun werk konden gaan; de economie ervoer een tijdelijke schok. Ook al was de ziekte niet afkomstig uit Spanje, zij werd uiteindelijk bekend als de ʻSpaanseʼ griep omdat het Iberische land, zoals Laura Spinney in de Guardian schreef, geen censuur toepaste op de gezondheidsrapporten, waardoor het sterftecijfer onevenredig hoog leek.

Hoewel de geschiedenis van het wetenschappelijke racisme verzonken is in een moeras van pseudo-wetenschap, hebben antropologen uit die tijd zoals William Z. Ripley hiërarchieën van ʻwitheidʼ geconstrueerd. In zijn boek uit 1899, The Races of Europe, beweerde hij dat Noord-Europese trekken zoals blond haar het bovenste echelon van de mensheid vertegenwoordigden, terwijl Zuid-Europeanen met donkerder trekken zoals de Spanjaarden op een lagere trede stonden. Dat de griep begin twintigste eeuw met de Spanjaarden in verband werd gebracht, binnen een context waarin noties van ras binnen Europa konden worden misbruikt om een Zuid-Europees land te demoniseren, was geen toeval. Zowel de griep-uitbraak van 1918 als de cholera-epidemieën van de negentiende eeuw tonen aan dat mensen die niet expliciet verantwoordelijk zijn voor de opkomst of de verspreiding van een nieuwe ziekte permanent met de aandoening in verband kunnen worden gebracht op manieren die uiteindelijk de reactie op het gebied van de volksgezondheid kunnen beïnvloeden.

De racialisering van de epidemie blijft tot zeer uiteenlopende resultaten leiden. De tuberculose-uitbraak van de jaren negentig in de gevangenissen van New York City is slechts één voorbeeld van de manier waarop racisme een snel antwoord op een epidemie kan dwarsbomen. In dat geval had de zwijgzaamheid tot iets groters geleid: de resistente tuberculose was gemuteerd tot een virulentere ziekte die zich later manifesteerde in het mondiale Zuiden en tot uitbarsting kwam in onafhankelijk geworden landen die door hun voormalige Europese koloniale overheersers aan de bedelstaf waren gebracht. Een treffend voorbeeld van hoe de voormalige koloniale machten hun vroegere koloniën blijven besmetten kan vandaag de dag op het Afrikaanse continent worden aangetroffen: het eerste bevestigde geval van COVID-19 in de Democratische Republiek Congo was dat van een Belgisch staatsburger. De nalatenschap van het Belgische kolonialisme in de Congo blijft het gezondheidszorgsysteem van dat land tot op de dag van vandaag parten spelen. Dat systeem zal nu het hoofd moeten bieden aan de pandemie, in het kielzog van een Ebola-uitbraak en een uitbraak van de mazelen. In plaats van hulp zonder voorwaarden heeft de Wereldbank het land nu een lening van $47 miljoen aangeboden ter bestrijding van COVID-19.

Tuberculose, cholera, de griepepidemie van 1918 en nu de COVID-19-pandemie leren ons dat de mensen wier gezondheid minder belangrijk wordt geacht vaak dezelfde mensen zijn die het meest zullen lijden onder de economische gevolgen van een pandemie. De reactie op COVID-19 is tussen januari, toen de uitbraak zich grotendeels tot Oost-Azië beperkte, en het huidige tijdsbestek, waarin het virus gemeenschappen in Italië, Spanje, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten heeft verwoest, aanzienlijk veranderd. De wereldwijde reactie is ook gepaard gegaan met zorgen over de mondiale economie: het gevoel dat arbeid, handel en reizen nooit meer hetzelfde zullen zijn.

Naarmate het epidemiologisch onderzoek voortgaat, dat erop gericht is om COVID-19 beter te kunnen begrijpen, hebben wetenschappers gerapporteerd dat de ziekte asymptomatisch is voor sommigen en vreselijk voor anderen. De symptomen kunnen afschuwelijk zijn voor ouderen, mannen en rokers; in andere gevallen zijn mensen met obesitas en auto-immuniteitsproblemen ook kwetsbaarder gebleken. Het grote verschil in gezondheidsuitkomsten tussen verschillende mondiale populaties weerspiegelt niet alleen de glibberige aard van deze ziekte, maar ook de ongelijke kwaliteit van de zorg. Alles bij elkaar genomen zal dit er naar alle waarschijnlijkheid voor zorgen dat deze crisis zeer langdurig zal zijn en onevenredig veel schade zal toebrengen aan gemeenschappen van kleur.

Voor veel zwarte mensen in de Verenigde Staten gaat de angst om door COVID-19 te worden besmet samen met de grimmige werkelijkheid dat het waarschijnlijker is dat ze eraan zullen overlijden. Zowel in steden in het midden-westen als Detroit en Milwaukee als in semi-landelijke gemeenschappen in Alabama en Louisiana overlijden zwarte Amerikanen in onevenredige mate aan het nieuwe coronavirus. Uit recent onderzoek is gebleken dat in Chicago, waar 30 procent van de bevolking van Afrikaans-Amerikaanse afkomst is, zwarte mensen 70 procent van alle sterfgevallen als gevolg van het coronavirus vertegenwoordigden. Deze ijzingwekkende statistieken zijn het product van een ongelijke samenleving, waarin het minder waarschijnlijk is dat zwarte Amerikanen een ziektekostenverzekering hebben, het waarschijnlijker is dat zwarte Amerikanen in gebieden of wijken met weinig gezondheidszorgvoorzieningen wonen, en het waarschijnlijker is dat ze buitenshuis werken in de gezondheidszorg, in supermarkten en in het goederenvervoer. Alles bij elkaar genomen leven zwarte Amerikanen in een sfeer van sociale en medische apartheid.

Hetzelfde geldt voor de mensen die in het bredere mondiale Zuiden wonen, waar laat in actie komen misschien wel miljoenen levens gaat kosten. Eén plek waar het coronavirus een drastische uitkomst zou kunnen hebben is het Afrikaanse continent, waar een stijging van het aantal ziektegevallen in Zuid-Afrika heeft geleid tot een lockdown in het hele land van eenentwintig dagen. Maar de social distancing die in de meeste landen van de wereld wordt aangemoedigd is niet voor iedereen mogelijk. Zoals Karsten Noko berichtte op Al Jazeera is social distancing in veel Afrikaanse landen een privilege.

Als volksgezondheidsmaatregelen een effectief wapen willen zijn tegen de huidige pandemie moet het systeem dat deze drastische ongelijkheden mogelijk heeft gemaakt overhoop worden gehaald. We moeten onderzoek uitvoeren naar de manier waarop alle bevolkingsgroepen worden geraakt door epidemieën, en niet louter empathie uitstralen voor de achtergestelden. Volksgezondheidsmaatregelen die universeel worden toegepast op een niet-universele, ongelijke wereld zullen niet werken als die wereld niet radicaal wordt veranderd.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Filosofie Politiek

De epidemie van de filosoof

Oorspronkelijke tekst (Engels): New Left Review, maart/april 2020)

fotografie: Neue Zürcher Zeitung

door Marco d’Eramo

Marco d’Eramo is een Italiaans journalist. Hij was student van de Franse socioloog Pierre Bourdieu en een van de oprichters van het Italiaanse dagblad Il Manifesto, dat hij in 2012 verliet. Tegenwoordig schrijft hij voor de taz, New Left Review en MicroMega.

‘Er zal geen herstel zijn. Er zal sociale onrust zijn. Er zal geweld zijn. Er zullen sociaal-economische gevolgen zijn: dramatische werkloosheid. Burgers zullen vreselijk lijden: sommigen zullen sterven, anderen zullen zich afschuwelijk voelen.’i Hier is geen eschatoloog aan het woord, maar Jacob Wallenberg, afstammeling van een van de machtigste dynastieën van het mondiale kapitalisme, die een inkrimping van de wereldeconomie met 30 procent voorziet en een torenhoge werkloosheid, als gevolg van de lockdowns om het coronavirus in te dammen. Terwijl filosofen bang zijn dat onze heersers de epidemie uitbuiten om biopolitieke discipline af te dwingen, lijkt de heersende klasse zelf tegenovergestelde zorgen te hebben: ‘Ik ben doodsbenauwd voor de gevolgen voor de samenleving … we moeten de risicoʼs incalculeren dat het medicijn de patiënt hard zal treffen.’ Hier herhaalt de Zweedse tycoon de prognose van Trump dat de therapie de patiënt zal doden. Terwijl de filosofen de anti-besmettingsmaatregelen – uitgaansverboden, gesloten grenzen, beperkingen van publieke bijeenkomsten – als een sinister controlemechanisme zien, zijn de heersers bang dat de lockdowns hun controle juist zullen doen verslappen.

Bij het beoordelen van de impact van COVID-19 halen de filosofen in kwestie de passages over de pest aan uit Discipline and Punish, waarin Foucault de nieuwe vormen van toezicht en regulering beschrijft die het gevolg waren van de pestuitbraak eind zeventiende eeuw.ii De denker die tot nu toe het helderste standpunt over de pandemie heeft ingenomen is Giorgio Agamben, in een reeks strijdlustige artikelen, beginnend met ‘De uitvinding van een pandemie,’ verschenen in Il Manifesto op 26 februari 2020. In dit stuk beschrijft Agamben de noodmaatregelen die in Italië ten uitvoer zijn gelegd om de verspreiding van het virus tegen te gaan als ‘panisch, irrationeel en absoluut ongegrond.’ ‘De angst voor de pandemie geeft aanleiding tot paniek,’ schrijft hij, ‘en in naam van de veiligheid aanvaarden we maatregelen die de vrijheid ernstig aan banden leggen, waardoor de uitzonderingstoestand wordt gerechtvaardigd.’ Volgens Agamben toont de reactie op het coronavirus ‘een tendens om de uitzonderingstoestand te gebruiken als een normaal bestuursparadigma’ – ‘het is bijna of, nu het terrorisme is uitgeput als legitimatie voor uitzonderlijke maatregelen, de uitvinding van een epidemie het ideale excuus is om dergelijke maatregelen onbeperkt te kunnen verruimen.’ Agamben heeft deze ideeën in twee andere teksten verder uitgewerkt die halverwege maart zijn verschenen op de website van de Italiaanse uitgever Quodlibet.iii

Agamben heeft wél en niet gelijk; of beter gezegd: hij zit er over het algemeen stevig naast, maar niet helemaal. Hij heeft ongelijk omdat de feiten hem weerspreken. Zelfs grote denkers kunnen aan besmettingen bezwijken – Hegel overleed in 1831 aan de cholera – en filosofen hebben de plicht om hun mening te herzien als de omstandigheden daarom vragen: als het in februari misschien nog enigszins mogelijk was om de corona-pandemie te ontkennen, was dat in maart niet langer vol te houden. Maar Agamben heeft gelijk dat onze heersers iedere mogelijkheid zullen aangrijpen om hun macht te consolideren, vooral in tijden van crisis. Dat het coronavirus wordt misbruikt om de massale surveillance te versterken is geen geheim. De Zuid-Koreaanse regering heeft de verspreiding van de besmetting geanalyseerd door de locatie van haar burgers in kaart te brengen via hun mobiele telefoons – een beleid dat tot beroering heeft geleid toen er ook een aantal buitenechtelijke affaires werd blootgelegd. In Israel zal de Mossad binnenkort zijn eigen versie van deze technologie implementeren, terwijl de Chinese overheid nog krachtiger heeft ingezet op video-surveillance en gezichtsherkenningstechnologieën (de mondiale inlichtingendiensten hebben op het excuus van een epidemie gewacht om ons digitaal te kunnen gaan schaduwen). Veel Europese regeringen zijn momenteel aan het beslissen of ze een voorbeeld willen nemen aan de Zuid-Koreaanse en Chinese programmaʼs, terwijl het Britse Information Commissioner’s Office deze technologie al eind maart heeft goedgekeurd. Agamben was niet de eerste die betoogde dat een van de doelen van de sociale overheersing de ʻatomiseringʼ van de overheersten is; Guy Debord schreef in De Spektakelmaatschappij dat de ontwikkeling van kapitalistische handelswarenutopiaʼs ons allemaal zou doen belanden in ‘perfecte afzondering.’

*

Aan het einde van deze crisis zullen de surveillance-bevoegdheden van de regeringen vertienvoudigd zijn. Maar desondanks – ook al beweert Agamben iets anders – blijft de besmetting reëel, dodelijk en verwoestend. Dat veiligheidsdiensten waarschijnlijk van de pandemie zullen gaan profiteren rechtvaardigt nog geen sprong naar het paranoïde samenzweringsdenken: de regering-Bush hoefde de Twin Towers niet zelf te verwoesten om de Patriot Act te kunnen invoeren; Cheney en Rumsfeld konden ontvoering en marteling eenvoudigweg legitimeren door gebruik te maken van de kansen die 9/11 hen bood.

Ik noem de aanval op het World Trade Center omdat dit een tweede zwakte in Agambens werk blootlegt, waarin immers alle technieken van maatschappelijke controle worden uitgelegd met behulp van het model van de onderdrukking door de staat van een gewapende opstand. Ook eind jaren zeventig en begin jaren tachtig legden diverse Europese landen al eens een uitzonderingstoestand op, zogenaamd om het terrorisme te bestrijden – en trend die de generatie van Agamben en haar nakomelingen rechtstreeks heeft beïnvloed. Maar niet alle uitzonderingstoestanden zijn hetzelfde. Zoals Aristoteles al zei: als alle katten zoogdieren zijn, betekent dit nog niet dat alle zoogdieren katten zijn. De uitzonderingstoestand, opgelegd uit naam van het terrorisme, lijkt op het beleid dat is ontworpen om lepra in te dammen: d.w.z. het verdelen van de samenleving in twee afzonderlijke groepen, waarbij de leprozen/terroristen werden buitengesloten van de grotere gemeenschap van gezonde/wetsgetrouwe burgers. Daarentegen reproduceert de huidige uitzonderingstoestand in beginsel het fenomeen waarover Foucault het heeft als het om de pest gaat, gebaseerd op de controle, immobilisatie en isolatie van de gehele bevolking.iv Anders dan het lepra-model maakt dit regime geen onderscheid tussen goede en slechte burgers. Iedereen is potentieel slecht; wij moeten allemaal worden gemonitord en onder toezicht worden gesteld. Het panopticon omvat de hele samenleving, niet slechts de gevangenis of de kliniek.

Het is waar dat we getuige zijn van een gigantisch en ongekend experiment in sociale discipline, met drie miljard mensen die momenteel thuis moeten blijven; de meesten van hen hebben deze beperkingen van hun vrijheid geaccepteerd, zonder veel actieve weerstand. Veertig jaar geleden zou dit ondenkbaar zijn geweest. In veel gevallen vindt dit experiment blind en op de tast plaats, zoals in India, waar premier Modi het hele land heeft opgedragen thuis te blijven, ondanks de aanwezigheid van 120 miljoen zwervende migrantenarbeiders die dikwijls gedwongen zijn op straat te leven. In een groot deel van de wereld is de opsluiting in het eigen huis louter denkbaar voor de rijkste laag van de bevolking, terwijl het voor de meesten rechtstreeks tot werkloosheid en honger leidt. India is een extreem geval, maar een op klassenverschil gebaseerd antwoord op de epidemie is zichtbaar in ieder land. Dit is een ‘witte-boorden-quarantine’, zoals de New York Times hem omschreef.v De geprivilegieerden sluiten zichzelf op in huizen met snel internet en volle koelkasten, terwijl de rest van ons blijft reizen in overvolle metrotreinen en schouder aan schouder blijft werken in besmette omgevingen. De voedselindustrie, de energiesector, de transportdiensten en de telecommunicatiehubs moeten blijven draaien, naast de productie van cruciale medicijnen en ziekenhuisapparatuur. Fysieke afzondering is een luxe die velen zich niet kunnen veroorloven, en de regels voor ‘social distancing’ dienen om de kloof tussen de klassen te verbreden.

*

Hetgeen ons bij het voornaamste punt brengt dat Agamben over het hoofd ziet: de overheersing is niet ééndimensionaal. Het gaat niet alleen maar om controle en toezicht, maar ook om uitbuiting en extractie. (Een beetje Marx, bovenop Schmitt, zou zijn analyse geen kwaad doen.) De serieuze schade die deze epidemie dreigt toe te brengen aan het kapitaal verklaart de aarzeling bij politici om isolatie en quarantaine af te dwingen. Boris Johnson (aanvankelijk) en Trump zijn de opvallendste voorbeelden: zij hebben zich zo lang mogelijk tegen het aankondigen van een quarantaine verzet en willen die ook weer zo snel mogelijk opheffen, zelfs als dat ten koste gaat van een paar honderdduizend doden. In dit geval moet het trage tempo van het volksgezondheidsbeleid worden gecontrasteerd met de snelheid van het financiële antwoord. Natuurlijk weerspiegelen de ‘genereuze’ budgettaire maatregelen deels de zorgen van Wallenberg: ze zijn bedoeld om grote maatschappelijke onrust te vermijden door de werkers voor het moment genoeg inkomsten te geven om van te leven. Geen kapitalist wilde in deze Keynesiaanse positie gedwongen worden. Maar zoals Obama’s stafchef Rahm Emanuel opmerkte: ‘Je mag een ernstige crisis nooit verloren laten gaan.’ Dus terwijl er sprake is van spaarzame uitbreidingen van de wettelijke ziektekostenvergoeding, hebben de staten ook buitengewone maatregelen getroffen om hun financiële sectoren te steunen, of ‘om de startbaan voor de banken in gereedheid te brengen,’ zoals de vroegere Amerikaanse minister van Financiën Timothy Geithner het heeft verwoord. Tot nu toe hebben de regeringen van de OESO-landen ruim $5 bln toegezegd, maar dit bedrag zal nog verder stijgen.

Heersers maken ook gebruik van de pandemie om er beleid doorheen te drukken dat in normale tijden tot verontwaardiging zou hebben geleid. Trump heeft de Amerikaanse industrie de vrijheid gegeven om de milieuwetten te overtreden tijdens de noodtoestand, terwijl Macron een van de voornaamste verworvenheden van de arbeidersbeweging heeft ontmanteld door de maximale werkweek uit te breiden naar zestig uur.vi Toch heeft op een bepaalde manier de kleingeestigheid van deze wetgevende trucs – te lokaal en te beperkt om een noodlijdende neoliberale orde te kunnen helpen – aangetoond dat de pandemie de heersende klassen heeft verrast: zij hebben de recessie die ons wacht nog niet doorzien, evenmin als het vermogen daarvan om de economische orthodoxie overhoop te gooien. Net zoals Agamben alle noodtoestanden beschouwt als anti-terroristisch, zien onze heersers deze systeemcrisis louter als een financiële: zij reageren op de pandemie alsof het om een nieuw 2008 gaat, door Bernanke te imiteren en een Friedman-achtige monetaire expansie voor te schrijven. Als gevangenen van de monetaire orthodoxie begrijpen ze niet dat deze keer de schok aan de vraagzijde meer zal inhouden dan een simpele liquiditeitscrisis.

Al heel snel zullen hele fortuinen verloren gaan terwijl de kapitalisten hun bedrijfsactiviteiten (luchtvaartmaatschappijen, bouwbedrijven, autofabrieken, toeristencircuits, filmproducties) ten onder zien gaan. Maar in deze context zal Friedmans ‘helikoptergeld’ – de injectie van astronomische hoeveelheden liquiditeit in de economie – een grootschalige vernietiging van kapitaal teweegbrengen, omdat dit nieuw uitgegeven geld geen enkele reële waarde vertegenwoordigt. In oorlogstijd wordt zowel financieel als materieel kapitaal verwoest: infrastructuur, fabrieken, bruggen, havens, stations, luchthavens, gebouwen. Maar zodra de oorlog voorbij is begint een periode van wederopbouw, en deze wederopbouw brengt een economische opleving teweeg. De huidige epidemie heeft echter meer weg van een neutronenbom, die mensen doodt, maar gebouwen, wegen en fabrieken intact laat (zij het leeg). Dus als de epidemie voorbij is, zal er niets meer te herbouwen zijn – en bijgevolg ook geen sprake zijn van herstel.

Nadat de quarantine is opgeheven zullen mensen niet eenvoudigweg op dezelfde schaal auto’s en vliegtuigtickets gaan kopen als vóór de crisis. Velen zullen hun baan kwijtraken, terwijl degenen die hun baan zullen behouden moeite zullen hebben om klanten te vinden in een economie waarin weinig geld omgaat. Intussen zal iemand de rekening moeten betalen voor de enorme uitgaven die zijn gedaan om het virus in te dammen, vooral als de daaruit voortvloeiende schuldenberg het vertrouwen bij beleggers wegneemt, op welk punt Wallenbergs angst voor sociale onrust gerechtvaardigd zou kunnen blijken: de shocktherapie die zal worden toegepast na de crisis – als, uit naam van een economische noodzaak, het publiek moet gaan betalen voor deze ‘generositeit’ – kan er inderdaad toe leiden dat mensen in verzet komen. De epidemie zal de controle en het toezicht van bovenaf versterken; zij zal van de maatschappij weer een laboratorium voor disciplinaire technieken maken. Maar in deze situatie zullen onze heersers wel een tijger moeten leren berijden: degenen die ons willen controleren zouden dat liever met minder kostbare middelen doen. Uiteindelijk zal het makkelijk zijn om de quarantaine op te heffen. Maar het zal problematischer blijken om de economie weer op te starten.

Rome, 4 april 2020

Vertaling: Menno Grootveld

Noten:

i ‘Coronavirus “medicine” could trigger social breakdown,’ Financial Times, 26 maart 2020.

ii Michel Foucault, Discipline and Punish: The Birth of the Prison, London 1995, pp. 195–228.

iii Het artikel van Agamben in Il Manifesto en de daaropvolgende discussie in het Italiaanse online-magazine antinomiemet bijdragen van onder meer Jean-Luc Nancy, Sergio Benvenuto en Roberto Esposito – staan op de website van het European Journal of Psychoanalysis. Andere bijdragen omvatten Alain Badiou, ‘On the Pandemic Situation,’ MicroMega, 25 maart 2020, en Paolo Flores d’Arcais, ‘Philosophy and the Virus: Giorgio Agamben’s Ravings,’ MicroMega, 16 maart 2020.

iv Voor een historische reality check is het echter de moeite waard om Daniel Defoe’s Journal of a Plague Year [1722] te raadplegen, dat de ontelbare manieren beschrijft waarop de door de pest getroffen Londenaren de gardisten wisten te ontlopen of om te kopen, en te ontsnappen aan de besmette huizen waar ze in opgesloten waren – iets wat ontbreekt aan het verhaal van Foucault.

v Noam Scheiber, Nelson Schwartz, Tiffany Hsu, ‘“White-Collar Quarantine” Over Virus Spotlights Class Divide,’ New York Times, 27 maart 2020; Jennifer Valentino-DeVries, Denise Lu, Gabriel Dance, ‘Location Data Says It All: Staying at Home During Coronavirus Is a Luxury,’ New York Times, 3 april 2020.

vi Oliver Milman en Emily Holden, ‘Trump Administration allows companies to break pollution laws during coronavirus pandemic,’ The Guardian, 27 maart 2020; Le Macronomètre, ‘Coronavirus: 60 heures de travail par semaine dans les secteurs essentiels, la bonne décision,’ Le Figaro, 25 maart 2020.

Categorieën
Kunst

Front Window

Door Peter Cuypers

Straatbeeld Amsterdam na het toeslaan van het coronavirus van fotograaf Peter Cuypers.


Front window echoot de titel van een eerdere serie die Cuypers oorspronkelijk Rear Window noemde (nu Nightsmoker).
Hij fotografeerde en filmde nachtelijke achtertuinen van Amsterdam, waarbij hij de stilte probeerde vast te leggen – en je steeds meer in de duisternis ontdekt. Zoals je ogen wennen aan het donker.
Front Window is een andere stilte, analoog aan de nachtelijke rust alleen een die ons overviel. Maar die in zeker zin ook als prettig ervaren kan worden.

Categorieën
Filosofie Gezondheid

Het universele recht om te ademen

Oorspronkelijke tekst (Frans): Analyse Opinion Critique, 6 april 2020

English translation: Critical Inquiry, 13 april 2020

bron foto: European Graduate School

door Achille Mbembe

Achille Mbembe is de auteur van Brutalisme (Parijs, 2020). Hij is – samen met Felwine Sarr – mede-oprichter van Ateliers de la pensée in Dakar

Sommigen hebben het al over ʻpost-COVID-19.ʼ En waarom ook niet? Maar voor de meesten van ons, vooral in delen van de wereld waar de gezondheidszorgstelsels zijn verwoest door jaren van georganiseerde verwaarlozing, moet het ergste nog komen. Zonder ziekenhuisbedden, zonder beademingsapparatuur, zonder massale tests, zonder mondkapjes en ontsmettingsmiddelen, en zonder voorzieningen voor het in quarantaine plaatsen van geïnfecteerden, zullen velen het helaas niet halen.

1.

Het is één ding om je zorgen te maken over de dood van anderen in een ver land, en iets heel anders om je plotseling bewust te worden van je eigen rottingsproces, gedwongen te worden om intiem met je eigen dood te leven en dat als een reële mogelijkheid te aanvaarden. Dat is voor velen de terreur die teweeg wordt gebracht door opsluiting: dat je je uiteindelijk moet verantwoorden voor je eigen leven, op je eigen naam.

We moeten hier en nu een antwoord formuleren voor ons leven op aarde met anderen (inclusief virussen) en ons gedeelde lot. Dat is het gebod dat deze pathogene periode aan de mensheid oplegt. Dit is een pathogene, maar ook een katabole1 periode par excellence, met de ontbinding van lichamen, het ordenen en verwijderen van allerlei soorten menselijk afval – de ʻgrote scheidingʼ en de grote opsluiting, teweeggebracht door de verbluffende verspreiding van het virus – en daarmee samenhangend de wijdverbreide digitalisering van de wereld.

Hoe we ook ons best doen om het kwijt te raken, uiteindelijk komt het lichaam telkens terug. We hebben geprobeerd het op andere media te enten, om het in een objectlichaam, een machinelichaam, een digitaal lichaam en een ontofanisch1 lichaam te veranderen. Het komt nu bij ons terug als een gruwelijke, gigantische onderkaak, een voertuig voor besmetting, een vector voor pollen, sporen en schimmels.

We weten dat we niet de enigen zijn die voor deze beproeving staan en dat velen er niet aan zullen ontkomen, maar dat is slechts ijdele troost. Want we hebben nooit geleerd om met alle levende soorten samen te leven, we hebben ons nooit echt zorgen gemaakt over de schade die wij als mensen aan de longen en aan het lichaam van de aarde aanrichten. Daarom hebben we ook nooit geleerd hoe we moeten sterven. Met de komst van de Nieuwe Wereld en, een paar eeuwen later, de verschijning van de ʻgeïndustrialiseerde rassen,ʼ hebben we er in wezen voor gekozen om onze dood aan anderen te delegeren, om van het bestaan zelf een grote offergave te maken via een soort ontologisch vicariaat.

Binnenkort zal het niet langer mogelijk zijn om je dood aan anderen te delegeren. Die ander zal niet meer in onze plaats sterven. We zullen niet alleen veroordeeld zijn om zonder bemiddeling onze eigen ondergang te dragen, maar er zullen ook steeds minder mogelijkheden zijn om afscheid te nemen. Het uur van de autofagie1 staat voor de deur en daarmee de dood van de gemeenschap, omdat er geen gemeenschap is die haar naam waardig is, als het laatste afscheid, het herinneren van de levenden op het moment van de dood, onmogelijk wordt.

De gemeenschap – of liever gezegd het gemeenschappelijke – is niet alleen gebaseerd op de mogelijkheid om afscheid te nemen, dat wil zeggen: om een unieke ontmoeting met anderen te hebben en deze ontmoeting keer op keer te eren. Het gemeenschappelijke is ook gebaseerd op de mogelijkheid om onvoorwaardelijk te delen, door er telkens iets absoluut intrinsieks uit te halen, iets dat niet telbaar, niet te overzien en onbetaalbaar is.

1Katabolisme is het afbreken, via een zogenaamd katabool reactiepad, van grote moleculen in kleinere moleculen in de cel(len) van een organisme (bron: Wikipedia)

1Ontofanie laat zich het best vertalen als zijnsmanifestatie (bron: Het heilige en het dagelijkse bestaan: een onderzoek naar het wezen van religie door Mircea Eliade, uitgeverij Abraxas, 2006)

1Autofagie (letterlijk: het opeten van zichzelf) is het proces waarbij een lichaam eigen celcomponenten begint af te breken, 10 tot 72 uur na de laatste opname van voedsel (bron: Wikipedia)

2.

Het lijdt geen twijfel dat de situatie steeds nijpender wordt. Gevangen in de wurggreep van onrechtvaardigheid en ongelijkheid wordt een groot deel van de mensheid bedreigd door verstikking, nu het gevoel dat onze wereld in een staat van uitstel verkeert zich wijd en zijd verspreidt.

Als er onder deze omstandigheden sprake is van een day after, kan dat niet ten koste gaan van een bepaalde groep – altijd dezelfden – zoals in de Ancienne Économie, de economie die aan deze revolutie voorafging. Het moet noodzakelijkerwijs een dag zijn voor alle bewoners van de aarde, zonder onderscheid naar soort, ras, geslacht, staatsburgerschap, religie of andere onderscheidende kenmerken. Met andere woorden: die day after zal alleen komen via een gigantische breuk, het resultaat van radicale verbeelding.

Een eenvoudige opknapbeurt zal gewoonweg niet volstaan. Diep in deze krater zullen we alles letterlijk opnieuw moeten uitvinden, te beginnen met het sociale. Als werken, winkelen, het nieuws volgen en contacten onderhouden, met elkaar praten en samen delen, drinken, bidden en begrafenissen organiseren alleen nog maar kan plaatsvinden via de interface van het scherm, is het tijd om te erkennen dat we aan alle kanten omgeven zijn door ringen van vuur. Het digitale is voor een groot deel het nieuwe gapende gat dat de aarde doet exploderen. Tegelijkertijd een greppel, een tunnel en een maanlandschap, is het tevens de bunker waar mannen en vrouwen worden uitgenodigd om te schuilen, in isolement.

Men zegt dat het lichaam van vlees en botten, het fysieke en sterfelijke lichaam, door het digitale zal worden bevrijd van zijn gewicht en traagheid. Na deze transfiguratie zal het uiteindelijk in staat zijn om door het kijkglas heen te bewegen, afgesneden van de biologische corruptie en teruggebracht tot een synthetisch universum van stromen. Maar dat is een illusie, want net zoals er geen mensheid is zonder lichamen, zal de mensheid ook nooit in eenzaamheid, buiten de samenleving en de gemeenschap, de vrijheid kennen, en die vrijheid mag ook nooit ten koste gaan van de biosfeer.

3.

We moeten opnieuw beginnen. Om te overleven, moeten we alle levende wezens – inclusief de biosfeer – de ruimte en energie teruggeven die ze nodig hebben. In zijn bedompte onderbuik is de moderniteit een eindeloze oorlog tegen het leven geweest. En die oorlog is nog lang niet voorbij. Een van de belangrijkste modi ervan, die rechtstreeks tot de verarming van de wereld en tot de verdroging van hele delen van de planeet leidt, is de onderwerping aan het digitale.

In de nasleep van deze ramp bestaat het gevaar dat de wereld, in plaats van onderdak te bieden aan alle levende soorten, helaas een nieuwe periode van spanning en wreedheid zal ingaan.[1] Op geopolitiek niveau zal de logica van de macht blijven domineren. Bij gebrek aan een gemeenschappelijke infrastructuur zal een venijnige verdeling van de wereld sterker worden en zullen de scheidslijnen intensiever worden. Veel staten zullen hun grenzen proberen te versterken in de hoop zichzelf tegen de buitenwereld te kunnen beschermen. Zij zullen ook proberen het constitutieve geweld te verbergen dat ze gewoontegetrouw blijven richten op de meest kwetsbaren. Het leven achter schermen en in afgesloten gemeenschappen zal de norm worden.

Vooral in Afrika, maar ook op veel andere plekken in het mondiale zuiden, zullen de energie-intensieve winning van grondstoffen, de uitbreiding van het landbouwarsenaal, de roofzuchtige verkoop van land en de verwoesting van bossen onverminderd doorgaan. Het voeden en koelen van computerchips en supercomputers hangt ervan af. Voor het leveren van de middelen en de energie die nodig zijn voor de wereldwijde computerinfrastructuur zullen verdere beperkingen van de menselijke mobiliteit nodig zijn. Het op afstand houden van de rest van de wereld wordt de norm om allerlei risicoʼs buiten de deur te houden. Maar omdat onze ecologische precariteit niet wordt aangepakt zal deze katabole wereldvisie, geïnspireerd door theorieën over immunisatie en besmetting, weinig doen om uit de planetaire impasse te komen waarin we ons bevinden.

4.

Al deze oorlogen tegen het leven beginnen met het wegnemen van de adem. COVID-19 heeft, omdat het de ademhaling belemmert en de reanimatie van menselijke lichamen en weefsels blokkeert, hetzelfde effect. Wat is immers het doel van ademen, anders dan de opname van zuurstof en de uitstoot van kooldioxide, in een dynamische uitwisseling tussen bloed en weefsels? Maar gezien het tempo waarin het leven op aarde verdwijnt, en tegen de achtergrond van wat er overblijft van de rijkdom van de planeet, is het de vraag hoe ver we écht zijn verwijderd van de tijd dat er meer koolstofdioxide dan zuurstof zal zijn om in te ademen.

Ook vóór dit virus werd de mensheid al met verstikking bedreigd. Als er al oorlog gevoerd moet worden, kan die beter niet zozeer tegen een specifiek virus gericht zijn als wel tegen alles dat de meerderheid van de mensheid dwingt tot een voortijdige stopzetting van het ademhalen, alles dat de luchtwegen fundamenteel aantast, alles dat – in de lange regeerperiode van het kapitalisme – hele segmenten van de wereldbevolking, hele rassen, tot een moeilijk, hijgend ademen en een leven van onderdrukking heeft veroordeeld. Als we aan deze beklemming willen ontsnappen, betekent dit dat we het ademen buiten het puur biologische aspect moeten beschouwen – als datgene dat we gemeen hebben, en als datgene dat zich per definitie aan alle berekeningen onttrekt. Waarmee ik doel op het universele recht om te ademen.

Als datgene dat zowel ongegrond is als onze gemeenschappelijke basis, is het universele recht om te ademen niet kwantificeerbaar en kan het niet worden toegeëigend. Vanuit een universeel perspectief is dit niet alleen het recht van ieder lid van de mensheid, maar van al het leven. Het moet daarom worden begrepen als een fundamenteel bestaansrecht. Bijgevolg kan het niet worden geconfisqueerd en onttrekt het zich aan alle soevereiniteit, waardoor het het soevereine principe par excellence symboliseert. Bovendien is het een onvervalst recht om te leven op aarde, een recht dat toebehoort aan de universele gemeenschap van aardbewoners, mensen of geen mensen.[2]

Coda

Deze kwestie is al duizend keer aan de orde geweest. We kunnen de aanklacht met gesloten ogen herhalen. Of het nu gaat om de vernietiging van de biosfeer, de overname van de geest door de technowetenschappen, het criminaliseren van verzet, de herhaalde aanvallen op de rede, de algemene onwetendheid of de opkomst van determinismen (genetisch, neuronaal, biologisch of ecologisch), de gevaren waarmee de mensheid wordt geconfronteerd zijn in toenemende mate existentieel van aard.

Van al deze gevaren is het grootste dat alle vormen van leven onmogelijk worden gemaakt. Tussen degenen die ervan dromen ons bewustzijn naar machines te uploaden en degenen die zeker menen te weten dat de volgende mutatie van onze soort erin zal bestaan dat we onszelf zullen kunnen bevrijden van onze biologische schil, is weinig verschil. De eugenetische verleiding is niet verdwenen. Integendeel, zij ligt aan de basis van de recente vooruitgang in wetenschap en technologie.

Dit is het moment waarop deze plotselinge stilstand, deze onderbreking is gearriveerd – niet van de geschiedenis maar van iets dat ons nog steeds ontgaat. Omdat zij ons is opgelegd, vloeit deze stopzetting niet voort uit onze vrije wil. In vele opzichten is zij tegelijkertijd onvoorzien en onvoorspelbaar. Maar wat we nodig hebben is een vrijwillige stopzetting, een bewuste en volledig consensuele onderbreking. Want als dat niet gebeurt zal er geen morgen zijn en zal er straks niets anders meer bestaan dan een eindeloze reeks onvoorziene gebeurtenissen.

Als COVID-19 inderdaad de spectaculaire uitdrukking is van de planetaire impasse waarin de mensheid zich vandaag bevindt, moeten we een bewoonbare aarde reconstrueren om ons allemaal weer te laten ademen. We moeten de longen van onze wereld terugwinnen om nieuwe wegen in te kunnen slaan. De mensheid en de biosfeer zijn één. Op zichzelf heeft de mensheid geen toekomst. Zijn we in staat opnieuw te ontdekken dat ieder van ons tot dezelfde soort behoort, dat we een ondeelbare band hebben met al het leven? Misschien is dat wel de hamvraag voordat we onze laatste adem uitblazen.

Vertaling: Tiers Bakker

[1] Voortbouwend op de oorsprong van de term als aanduiding van een architectonische beweging uit het midden van de twintigste eeuw, heb ik het brutalisme gedefinieerd als een hedendaags proces waarbij ʻmacht voortaan wordt gevormd, uitgedrukt en geherconfigureerd, en handelt en zich reproduceert, als een geomorfe kracht.ʼ Hoe dan? Door processen die ʻbreken en scheuren,ʼ ʻhet leegmaken van vaten,ʼ ʻborenʼ en ʻhet verdrijven van organisch materiaalʼ omvatten – in één woord, door wat ik ʻuitputtingʼ noem (Achille Mbembe, Brutalisme [Parijs, 2020], pp. 9, 10, 11).

[2] Zie Sarah Vanuxem, La propriété de la Terre (Parijs, 2018) en Marin Schaffner, Un sol commun. Lutter, habiter, penser (Parijs, 2019).

Categorieën
Economie Politiek

Afwijzing corona-bonds lijdt tot permanente littekens

Oorspronkelijke tekst (Engels): Social Europe, 13 april 2020

fotografie: Radio open source

door Adam Tooze

Adam Tooze is een Brits historicus die hoogleraar is aan de Columbia Universiteit en directeur is van het European Institute. Hij is de auteur van Crashed: How a Decade of Financial Crises Changed the World (de Nederlandse vertaling verscheen in 2018 bij Spectrum)

Het is een wrede speling van het lot dat de COVID-19-crisis de fundamentele breuklijn in de eurozone tussen noord en zuid heeft blootgelegd. Het daaruit voortvloeiende debat over de vraag hoe we een gezamenlijk antwoord kunnen formuleren is bitter geweest.

Het voorlopige compromis dat op 9 april jl. door de ministers van Financiën op de bijeenkomst van de Eurogroep werd bereikt, was een opluchting. Het zou rampzalig zijn geweest als de Eurogroep voor de tweede keer binnen een week zonder akkoord uit elkaar zou zijn gegaan. Dat zou waarschijnlijk niet hebben geleid tot paniek op de obligatiemarkt – enorme interventies van de kant van de Europese Centrale Bank hebben die mogelijkheid voor dit moment geneutraliseerd. Maar in politiek opzicht zou het een vreselijk signaal van onenigheid hebben afgegeven.

Het drievoudige pakket – met financiering van de uitgaven aan de gezondheidszorg via het Europees Stabiliteits Mechanisme (ESM), leningen voor bedrijven van de Europese Investeringsbank en 100 miljard euro voor het werkloosheidsfonds van de Europese Commissie – is bescheiden in omvang. Het is teleurstellend voor degenen onder ons die het idee van de ʻcorona-bondsʼ steunen. Maar het is wel een opluchting dat het een compromis was, in plaats van een vernederende nederlaag voor de coalitie van negen voorstanders van corona-bonds, toegebracht door het koppige en kortzichtige egoïsme van de Nederlanders en de Duitsers.

In politiek opzicht hebben de Nederlanders hun zaak misschien wel meer kwaad dan goed gedaan met hun eis dat ESM-leningen afhankelijk moeten worden gesteld van structurele aanpassingen (lees: bezuinigingen). In plaats van als bondgenoten van de Nederlanders worden de Duitsers nu namelijk liever gezien als bemiddelaars.

Bekentenis van onvermogen

In verhouding tot de omvang van de huidige crisis is het akkoord, zelfs als we het royale bedrag van 540 miljard euro voor het steunpakket in aanmerking nemen, een bekentenis van Europees onvermogen. In het licht van de klap van een biljoen dollar voor de wereldeconomie komt de bescheiden omvang van het steunpakket neer op een bekentenis dat het primaat bij de bestrijding van de crisis nog steeds bij de natiestaten ligt.

Het beste dat erover kan worden gezegd is dat het een kader biedt voor verdere onderhandelingen. Er is de toezegging om een tijdelijk wederopbouwfonds in te richten, te financieren met ʻinnovatieve instrumentenʼ – wat dat betekent moet nog blijken. Helaas is er gezien onze ervaringen van de afgelopen weken weinig reden tot optimisme, tenzij zich in Nederland een regeringswisseling voordoet.

Als de onmiddellijke gezondheidscrisis voorbij is, als ʻallesʼ dat op het spel staat de ellende van massale werkloosheid in Spanje of een verdere schok voor de groeivooruitzichten van Italië is – waarom zouden we dan verwachten dat de noordelijke staten zich coöperatiever zullen opstellen dan ze sinds 2010 hebben gedaan? De verhouding tussen de staatsschuld en het bruto binnenlands product zal nog slechter worden. We mogen ervan uitgaan dat het discours over de houdbaarheid van de schuld en de begrotingsverantwoordelijkheid net zo meedogenloos zal zijn als altijd.

Natuurlijk mag je nooit ʻnooitʼ zeggen. Uit peilingen blijkt een openheid bij het Duitse publiek ten aanzien van corona-bonds, die door een creatief en dapper politiek leiderschap zou kunnen worden uitgebuit. De mening onder deskundigen is duidelijk omgeslagen; de breed gedragen oproep tot gezamenlijke actie van Duitse economen is nieuw en zeer welkom. Zowel in Duitsland als in Nederland schaamt een groot deel van het publiek zich blijkbaar voor het standpunt van hun regering.

De politieke ruzie is nog niet voorbij. Zij zal worden hervat als de regeringsleiders weer om de tafel gaan zitten. Toch is één ding nu al duidelijk: de crisisbestrijdingsvoorstellen op basis van het ESM zijn in de praktijk een dode letter. De weg naar het akkoord van 9 april kwam pas open te liggen toen de Nederlanders eindelijk afzagen van hun eis dat de belangrijkste vorm van steun ESM-leningen met harde voorwaarden moesten zijn. Maar zelfs in de afgezwakte vorm waarin dit in het huidige pakket is opgenomen is de vermelding van het ESM alleen al voldoende om in Italië verontwaardiging te wekken.

Kleingeestige bedoelingen

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het standpunt van de Nederlanders over het ESM niet abnormaal was. Wat zij vroegen was niet alleen trouw aan de letter, maar ook aan de kleingeestige bedoelingen die het ESM in de eerste plaats hebben doen ontstaan. Dat was altijd al bedoeld als een zware financiële oefening die zoveel mogelijk structurele aanpassingen zou vergen in ruil voor zo weinig mogelijk kredieten.

Maar het ESM bestond tenminste. En tot vorige week konden we nog doen alsof dat ertoe deed. Er zijn veel ingewikkelde en weinig kleingeestige ideeën voor een gezamenlijk antwoord op de corona-crisis geopperd, waarin werd voorgesteld om de financiering via het ESM te laten verlopen. Het ESM werd als instrument naar voren geschoven om de zeer goede reden dat het de enige faciliteit was die direct beschikbaar was.

Het ESM fungeert als ʻtriggerʼ voor een andere vermeende stabiliteitsvoorziening van de eurozone, de faciliteit voor rechtstreekse monetaire transacties (OMT) van de ECB. Dit OMT is in augustus 2012 ontstaan nadat de toenmalige bankpresident, Mario Draghi, zijn gewaagde uitspraak had gedaan over ʻwat ook maar nodig is.ʼ Een van de voorwaarden die de OMT aanvaardbaar maakte – misschien niet voor de Duitse Bundesbank, maar in ieder geval wél voor de regering van Angela Merkel – was de bepaling dat de aankoop van ECB-obligaties afhankelijk moest zijn van de aanvaarding door een land van een ESM-programma, compleet met een memorandum van overeenstemming.

Zelfs toen al was het voor iedereen die verder wilde gaan dan de woorden van Draghi duidelijk dat deze voorwaarden de kans op activering van het OMT zeer onwaarschijnlijk maakten. Toch was het handig om te doen alsof het OMT-ESM de inhoud behelste van ʻwat ook maar nodig is.ʼ Dit is nooit op de proef gesteld, omdat de ECB sinds 2015 obligaties is gaan kopen onder het mom van ʻkwantitatieve versoepeling.ʼ

Dat is wat de ECB in 2019 en in maart dit jaar als reactie op de coronavirus-crisis heeft gedaan. Dat waren algemene interventies in het kader van het economisch beleid, die zich richtten op de kwestie van de risicodeling en de asymmetrische gevolgen voor de sterkere en zwakkere leden van de eurozone. Op de achtergrond was er altijd de suggestie dat, als Italië echt in de problemen zou komen, er een beroep zou kunnen worden gedaan op het OMT.

Vijgenblad verwijderd

Door de impasse binnen de Eurogroep van de afgelopen weken is dit vijgenblad nu verwijderd. Wat nu duidelijk is geworden is dat het zeer onwaarschijnlijk is dat een beroep op het ESM aanvaardbaar is.

In wezen komt dit doordat het ESM zijn ontstaansgeschiedenis in de tumultueuze episode van de eurozone-crisis van 2010-2012 niet heeft weten te ontstijgen. Het wordt nog steeds gezien als een vernederend disciplinair instrument waarmee de landen uit de Noord-Europese eurozone hun beleidsagenda opleggen aan het eigenzinnige zuiden.

Het is makkelijk om dergelijke verwijzingen naar de geschiedenis ongeduldig te verwerpen. Natuurlijk komt het de politici in de Zuid-Europese landen met hoge schulden goed uit om hun problemen aan Brussel en Frankfurt te wijten. Maar geen van de huidige regeringen in Rome of Madrid kan worden beticht van populisme van dit slag. Beiden vragen juist om méér Europa en om een diepere integratie. Maar ze houden ook staande dat het ESM, als een instelling die de erfenis van de eurozone-crisis belichaamt, politiek vergif is.

Dit zou Europa tot nadenken moeten stemmen.

Blijvende littekens

Het is een van de grote waarheden van de Europese Unie dat zij ʻtijdens een crisis is gesmeed.ʼ Wat hierdoor onderbelicht blijft is dat een crisis ook blijvende littekens kan opleveren. Crises kunnen namelijk niet alleen misvormende sporen achterlaten, maar ook neuralgische punten die zelfs jaren later nog acute pijn veroorzaken. De eurozone-crisis is in het geheugen bijna verworden tot een Europese burgeroorlog – een moment in de geschiedenis dat verdeeldheid zaaiende verhalen genereert, waarvan het verdwijnen van de intensiteit niet te voorspellen valt.

Wat we de afgelopen weken hebben geleerd is dat het ESM, het aangewezen crisisbestrijdingsmechanisme van de eurozone, in deze verhalenoorlog verstrikt is geraakt. En dat heeft reële gevolgen.

Degenen die tegen corona-bonds waren, omdat dit niet het moment zou zijn voor zoʼn innovatie, en in plaats daarvan de voorkeur gaven aan op het ESM gebaseerde oplossingen, omdat dit mechanisme nu eenmaal al beschikbaar was, hebben de verkeerde keuze gemaakt. Het was de ESM-route die onrealistisch was, juist vanwege de associatie met het tijdperk van de eurozone-crisis. Een van de dingen die corona-bonds aantrekkelijk maken voor hun voorstanders is dat ze nieuw zijn en dus niet het odium van de bittere geschiedenis van de eurozone met zich meedragen.

Helaas wordt de geschiedenis voortdurend opnieuw geschreven en zullen de beladen debatten van de afgelopen weken zelf tot het erfgoed gaan behoren. Nu de Nederlanders en de Italianen hun hakken in het zand hebben gezet, zal het in de toekomst voor iedereen nóg moeilijker worden om de steun van het ESM in te roepen. Wat voor schok is ervoor nodig om een land zich dán nog tot het ESM te laten wenden? Wat slechts enkele weken geleden nog werd gezien als het institutionele raamwerk voor reële crisisbestrijding, is nu gereduceerd tot een soort betalingsmechanisme voor de gezondheidszorguitgaven, specifiek uitgesloten van iedere macro-economische stabilisatiefunctie.

Schade aangericht

Natuurlijk is er het nieuwe wederopbouwfonds, waarvan de details en de financiering nog moeten worden uitgewerkt. Misschien komt er iets vernieuwends uit voort. Maar niemand mag zich illusies maken over de schade die is aangericht sinds de lancering van het idee van de corona-bonds in maart.

Merkel en haar minister van Financiën, Olaf Scholz, hadden ongetwijfeld graag gezien dat de negen regeringsleiders de vraag nooit zo duidelijk en zo dringend hadden gesteld. Begrepen zij dan niet dat Berlijn wel ʻneeʼ moest zeggen? Zou het niet beter zijn geweest om gewoon door te modderen?

Misschien. Maar in de geschiedenis is er geen weg terug. Het voorstel kan niet ongedaan worden gemaakt. De vraag is gesteld, en er is antwoord gegeven. Dit zal onvermijdelijk een schaduw werpen. Europa kan er in de toekomst door worden ingehaald – op dezelfde manier dat de herinneringen aan 2010-12 het ESM dit voorjaar hebben ingehaald.

Dit artikel is een gezamenlijke publicatie van Social Europe en IPS-Journal

Vertaling Menno Grootveld

Categorieën
Economie Gezondheid

Fossiele brandstoffen geven COVID-19 vleugels

Oorspronkelijke tekst (Engels): Quartz, 16 april 2020

fotografie: IGK Humboldt-Universität

door On Barak

On Barak is universitair hoofddocent in de geschiedenis van het Midden-Oosten en Afrika aan de Universiteit van Tel-Aviv

We merken het verband tussen het coronavirus en olie pas op als de energiemarkten instorten. Maar uit de geschiedenis blijkt dat pandemieën sinds de 19e eeuw afhankelijk zijn geweest van fossiele brandstoffen om zich over de hele wereld te kunnen verspreiden.

Het nieuwe coronavirus en de snelle verspreiding van de ademhalingsziekte COVID-19 vormt hierop geen uitzondering. In feite gaat het ook bij deze pandemie om wereldwijde connectiviteit op basis van aardolie, die teruggaat tot de 19e eeuw.

De meeste mensen schenken slechts aandacht aan één kant van de vergelijking die het coronavirus en olie met elkaar verbindt – aan de gevolgen in plaats van aan de oorzaken: in dit perspectief zorgt een epidemie voor het sluiten van fabrieken, voor het stilleggen van de luchtvaart en het zeetransport, voor vertraging van de economische groei en voor vermindering van de vraag naar energie. Deze gevolgen resulteren in dalende olieprijzen en kunnen mogelijk leiden tot prijsoorlogen die de aandelenmarkten doen instorten. Terwijl we geobsedeerd zijn over wat het virus met onze lichamen en onze gemeenschappen kan doen, is het in verband met olie louter een economische abstractie. Zelfs als we de materiële aspecten van dit proces onder ogen zien, bevinden deze zich meestal ʻdownstreamʼ: dan gaat het om het verdwijnen van de luchtvervuiling boven Wuhan of om de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen als gevolg van de economische groeivertraging. We zijn – terecht – zó bezorgd geraakt over de klimaatverandering en zó onvergeeflijk verslaafd geraakt aan fossiele brandstoffen dat we het alleen maar opmerken als die er niet meer zijn – of in mindere mate.

Maar hoe zou een alternatief model, dat olie en dit nieuwe coronavirus met elkaar verbindt, er dan uitzien? Het zou vooral rekening houden met de werkelijke prijs van de met fossiele brandstoffen gestookte planetaire infrastructuren die sinds de 19e eeuw ziekteverwekkers verspreiden en klimaatverandering veroorzaken. Het coronavirus is geen noodkreet van de natuur om de opwarming van de aarde te laten stoppen. Het is eerder een symptoom van het systeem dat deze opwarming teweegbrengt – een reisziekte die aangeeft dat de op koolstof gebaseerde wereld die we hebben opgebouwd op meer manieren besmet is geraakt dan we willen toegeven.

Het terugbrengen van zowel de oliesector als de ziekte tot weinig meer dan economische krachten verdoezelt de andere kant van de vergelijking, waarin het virus een ding in de wereld is. Toch kan het beeld van het coronavirus als een diagnostische marker, die de slagaders van de kapitalistische mondialisering doorkruist, de kwalen van het systeem blootleggen. Wat een lokale besmetting op een ʻnatte marktʼ in Wuhan binnen enkele maanden wist te transformeren tot een pandemie, is een netwerk dat begint met grondtransport in de besmette gebieden en eindigt met zee- en luchtverbindingen – allemaal aangedreven door fossiele brandstoffen.

Het virus demobiliseert nu juist het systeem dat de verspreiding ervan mogelijk maakte. De duizelingwekkende snelheid van dit proces, en het feit dat het nog steeds aan de gang is, maken het moeilijk om het op waarde te schatten, en nóg moeilijker om conclusies te trekken. Dit is precies het punt waarop vroegere pandemieën ons kunnen helpen om na te denken over heden en toekomst.

Sinds de Spaanse griep van 1918 worden door epidemiologen vergelijkbare gevallen naar voren geschoven, waarbij de chemische of genetische gelijkenis van de ziekteverwekkers het belangrijkste criterium is. Maar om het belang van de materiële infrastructuur uit te kunnen pluizen, zijn de cholerapandemieën van de 19e eeuw wellicht veelzeggender. COVID-19 en cholera lijken weinig met elkaar gemeen te hebben: de eerste is een luchtweginfectie, en is meestal mild, de tweede is een ernstige ziekte die het spijsverteringsstelsel aantast. De ene ziekte wordt veroorzaakt door een virus, de andere door een bacterie; cholera verdwijnt in de winter en barst vooral in de lente en de zomer uit, terwijl sommige deskundigen hopen dat dit bij COVID-19 precies omgekeerd zal zijn. Cholera-epidemieën hebben de wereld geteisterd tijdens wat historici de eerste golf van de mondialisering noemen, die in het teken stond van de steenkool. Wat kunnen ze ons leren over de tweede golf, in het tijdperk van de olie en het nieuwe coronavirus?

Een kwantumsprong in de wereldwijde connectiviteit

Cholera was endemisch in Zuid-Azië, lang vóór de 19e eeuw, toen de ziekte volgens de historische canon de status van een pandemie bereikte. Door de ontwikkeling van nieuwe transportmiddelen zoals het stoomschip werd de besmettingsvector aanzienlijk ingekort. Cholera kan binnen 72 uur dodelijk zijn; in het verleden betekende dit dat besmette mensen niet heel ver konden reizen om de ziekte te verspreiden. Daardoor vernietigde de ziekte met andere woorden zijn eigen transmissieketen. Maar in het tijdperk van stoomschepen en van de ritmes die de afhankelijkheid van steenkool met zich meebracht – anders dan bij zeilschepen, die lange tijd op open zee konden doorbrengen – moesten deze schepen ongeveer één keer per week ergens aanmeren om steenkool in te slaan. Zo konden passagiers de oceaan oversteken en anderen besmetten voordat de cholera hén doodde.

Tussen 1817 en 1896 braken er vijf cholera-epidemieën uit, die de ziekte naar het Midden-Oosten, Afrika, Europa en Amerika brachten. Het nieuwe coronavirus tilt dit principe van snelle connectiviteit naar een nieuw niveau: de burgerluchtvaart in China is de snelst groeiende sector en zal naar verwachting binnen enkele jaren de grootste ter wereld worden. Tussen 1978 en 2016 is het aantal Chinese luchtreizigers gestegen van 2 miljoen naar 500 miljoen. Sinds de uitbraak van de SARS-epidemie in 2002-2003 is het lucht- en grondvervoer binnen China enorm toegenomen, volgens sommige schattingen met ongeveer 700%. Vandaag de dag kunnen mensen die besmet zijn met COVID-19 de wereld rondreizen en ziektekiemen verspreiden, zelfs zonder te weten dat ze besmet zijn, aangezien de incubatietijd langer is dan hun reistijd. Anders gezegd: het ding dat de snelle verspreiding van COVID-19 mogelijk maakt, is het planetaire transport dat op fossiele brandstoffen draait.

Het niet-seizoensgebonden reizen

Anders dan zeilschepen konden stoomboten zelfs de Indische Oceaan trotseren tijdens de afschrikwekkende zomermoesson, die samenviel met het hoogseizoen van de cholera. Wat dit mogelijk maakte was een nieuwe, vervoerbare energiebron, die onderdeks kon worden opgeslagen, waardoor de afhankelijkheid van de wispelturige wind en de seizoenen werd verbroken. Vóór de 19e eeuw konden noch steenkool noch de cholera de oceanen oversteken. Door de opkomst van het stoomschip gingen ze allebei de hele wereld over.

De mondiale carbonisatie begon op de Britse eilanden en verspreidde zich naar het Ottomaanse Rijk, India, China en elders, en nam meerdere invasieve soorten – van bepaalde weekdieren tot cactusvijgen en cholera-bacteriën – met zich mee.

Fossiele brandstoffen maakten de seizoensgebondenheid min of meer irrelevant voor reizen, en faciliteerden de verplaatsing tussen koude en warme plaatsen in een gesloten systeem van bubbels, waarin luchthavens met elkaar verbonden zijn als een soort kunstmatige archipel die de makkelijke verspreiding van ziektekiemen mogelijk maakt, hetgeen tot een pandemie van de huidige omvang kan leiden.

Hoe de kapitalistische economische ideologie olie op het vuur gooit

Bijna zodra de eerste cholera-epidemieën uitbraken, probeerden verschillende actoren in het onderling verbonden systeem dat hun verspreiding bevorderde – zoals de Ottomaanse gezondheidsautoriteiten – ze met quarantaine-maatregelen te bestrijden. Dit was een beproefd middel om epidemieën aan te pakken (het woord ʻquarantaineʼ komt uit het Venetiaanse dialect en duidde de veertig dagen aan dat een schip tijdens de pest moest worden geïsoleerd). Toch stuitte deze maatregel op hevig verzet, vooral vanuit Groot-Brittannië, in naam van de vrije handel en het vrije verkeer. De huidige verwoording van de tegenstelling tussen het eigendomsrecht en het recht om te leven is ontstaan in de 19e eeuw. Rond het midden van die eeuw was het zogenoemde natuurlijke recht om nieuwe markten te openen aanleiding voor de opiumoorlogen, die werden gevoerd om China te dwingen de vrije handel in opium toe te staan, zodat Groot-Brittannië zijn betalingsbalans kon verbeteren. Wat de introductie van het verslavende goedje mogelijk maakte, was een nieuw soort vaartuig, de SS Nemesis – de eerste stoomboot die de Indische Oceaan overstak en de boten die in de ondiepe rivierbeddingen van China op haar lagen te wachten, wegvaagde. Opium- en steenkoolverslaving vermengden zich met elkaar en besmetten China, dat zich sindsdien alleen maar van de eerste verslaving heeft kunnen verlossen. De aarzeling van de VS om zijn grenzen te sluiten en een quarantaine af te dwingen die de Amerikaanse economie zou kunnen schaden, lijkt te zijn gebaseerd op de Britse imperiale vrijhandelsideologie.

Als het verleden het heden is

De duidelijke gelijkenis tussen cholera en COVID-19, en tussen steenkool en olie, is niet toevallig. Ondanks de alomtegenwoordige veronderstelling dat cholera en steenkool relikwieën uit het verleden zijn, zijn we blijven hangen in het tijdperk van de steenkool en de daarmee gepaard gaande mentaliteit. En zoals blijkt uit de uitbraak in 2018 in Jemen is cholera helemaal nog niet uitgeroeid. In 2019 heeft de mensheid meer steenkool verbrand dan op enig ander moment in de geschiedenis. China is de wereldleider op het gebied van kolencentrales. In plaats van alle verhalen over het uitroeien van oude ziekteverwekkers of over energietransities van steenkool naar olie en misschien zelfs naar een toekomst zonder olie, en ondanks het feit dat het aandeel van steenkool in onze energieconsumptie relatief gezien afneemt (en dat we een relatieve immuniteit voor veel ziekteverwekkers hebben opgebouwd), zien we in absolute termen een intensivering van de winning en het gebruik van steenkool. En we zijn nu ook weer getuige van de opkomst van nieuwe virulente ziekteverwekkers, bijna jaarlijks.

Zoals we hebben gezien is olie in veel opzichten vergelijkbaar met steenkool. In al deze opzichten bevinden we ons nog steeds diep in de 19e eeuw.

Vertaling Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

DiEM TV

Categorieën
Economie Politiek

Technologische ‘oplossingen’ voor de coronavirus-epidemie maken de surveillance-staat sterker

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 15 april 2020

fotografie: Università della Svizzera italiana

door Evgeny Morozov

Evgeny Morozov is de auteur van The Net Delusion: The Dark Side of Internet Freedom. Hij is gast-onderzoeker aan de Stanford Universiteit en een Schwartz-fellow bij de New America Foundation.

Binnen een paar weken heeft het coronavirus de mondiale economie op slot gegooid en het kapitalisme op de intensive care doen belanden. Veel denkers hebben de hoop uitgesproken dat dit zal leiden tot een humaner economisch systeem; anderen waarschuwen dat de pandemie een zwartere toekomst zal inluiden van techno-totalitaire surveillance-staten.

De achterhaalde clichés uit 1984 van George Orwell zijn niet langer een betrouwbare gids voor wat ons te wachten staat. En het hedendaagse kapitalisme is sterker – en merkwaardiger – dan zijn critici denken. De talloze problemen vertegenwoordigen niet alleen even zovele nieuwe manieren om winst te maken, ze versterken ook de legitimiteit ervan – omdat de enige redding zal moeten komen van figuren als Bill Gates en Elon Musk. Hoe erger de crises, des te sterker de verdedigingslinies: dit is zeker niet de manier waarop het kapitalisme aan zijn einde komt.

Maar de critici van het kapitalisme hebben we gelijk als ze COVID-19 beschouwen als een bevestiging van hun waarschuwingen. Het virus heeft het bankroet aangetoond van de neoliberale dogmaʼs van privatisering en deregulering – door ons te laten zien wat er gebeurt als ziekenhuizen winst moeten maken en publieke diensten worden uitgehold door bezuinigingen. Maar het kapitalisme overleeft niet alleen dankzij het neoliberalisme: het laatstgenoemde speelt louter de rol van de bad cop, door staande te houden – in de beroemde woorden van Margaret Thatcher – dat ʻer geen alternatief is.ʼ

De good cop in dit drama is de ideologie van het ʻsolutionisme,ʼ dat zijn oorsprong in Silicon Valley is ontstegen en nu het denken van onze heersende elites bepaalt. In zijn eenvoudigste vorm houdt het in dat – omdat er geen alternatief is (of geen tijd of geen geld) – het beste wat we kunnen doen het plakken van digitale pleisters op de kapitalistische wonden is. Solutionisten zetten technologie in om de politiek uit de weg te gaan; zij bepleiten ʻpost-ideologischeʼ maatregelen die de wielen van het mondiale kapitalisme draaiende houden.

Na decennia van neoliberaal beleid is het solutionisme de standaard-oplossing geworden voor heel veel politieke problemen. Waarom zou een regering bijvoorbeeld nog investeren in de wederopbouw van krakkemikkig openbaar vervoer als zij eenvoudigweg big data kan inzetten om gepersonaliseerde prikkels te bedenken teneinde mensen te ontmoedigen op piektijden te gaan reizen? Zoals de ontwerper van zoʼn programma een paar jaar geleden in Chicago zei: ʻOplossingen aan de aanbodzijde van de economie [zoals] het aanleggen van nieuwe verbindingen … zijn vrij duur.ʼ In plaats daarvan ʻkijken we naar manieren waarop big data de vraagzijde kan beheren … door mensen te laten begrijpen op welke tijden ze beter kunnen reizen.ʼ

De twee ideologieën zijn twee handen op één buik. Het neoliberalisme wil de wereld opnieuw vormgeven aan de hand van blauwdrukken die uit de tijd van de Koude Oorlog dateren: méér concurrentie en minder solidariteit, méér creatieve vernietiging en minder overheidsplanning, méér afhankelijkheid van de markt en minder sociale voorzieningen. De ondergang van het communisme heeft deze taak vereenvoudigd – maar de opkomst van digitale technologieën heeft feitelijk gezorgd voor een nieuw obstakel.

Hoe dat zit? Hoewel big data en kunstmatige intelligentie niet van nature niet-marktgerichte activiteiten bevorderen, maken zij het wél makkelijker om je een post-neoliberale wereld voor te stellen, waarin de productie is geautomatiseerd en technologie ten grondslag ligt aan universele gezondheidszorg en onderwijs voor iedereen: een wereld waarin overvloed wordt gedeeld, niet toegeëigend.

Dit is precies het punt waarop het solutionisme zijn intrede doet. Als het neoliberalisme een proactieve ideologie is, is het solutionisme een reactieve: het ontwapent, ontmantelt en verwerpt politieke alternatieven. Het neoliberalisme doet de overheidsuitgaven slinken; het solutionisme is een aanslag op de publieke verbeeldingskracht. Het solutionistische mandaat is het publiek ervan te overtuigen dat het enige legitieme gebruik van digitale technologieën het ontwrichten en revolutioneren is van alles behalve de centrale institutie van het moderne leven – de markt.

De wereld is momenteel in de ban van solutionistische technologieën – van een Poolse app die van coronavirus-patiënten eist dat zij regelmatig selfies nemen om te bewijzen dat ze binnen blijven tot het Chinese kleurgecodeerde programma voor het meten van je gezondheid met je smartphone, dat bepaalt wie zijn huis mag verlaten. Overheden hebben zich gewend tot bedrijven als Amazon en Palantir voor infrastructuur- en data-modellering, terwijl Google en Apple de handen ineen hebben geslagen om ʻprivacy-bestendigeʼ data-tracing oplossingen mogelijk te maken. En zodra landen in de herstelfase belanden zal de tech-sector graag haar technocratische expertise aanbieden om bij de schoonmaakoperatie te helpen. Italië heeft Vittorio Colao, de vroegere CEO van Vodafone, al de leiding gegeven over de post-crisis taskforce.

In feite kunnen we nu twee soorten solutionisme onderscheiden in de overheidsreacties op de pandemie. ʻProgressieve solutionistenʼ geloven dat een tijdige, op een app gebaseerde blootstelling aan de juiste informatie ertoe kan bijdragen dat mensen zich gaan gedragen overeenkomstig het algemeen belang. Dit is de logica van het ʻnudging,ʼ dat ten grondslag lag aan de desastreuze initiële reactie van Groot-Brittannië op de crisis. ʻRepressieve solutionistenʼ willen daarentegen de enorme surveillance-infrastructuur van het digitale kapitalisme inzetten om onze dagelijkse activiteiten aan banden te leggen en iedere overtreding te bestraffen.

We hebben nu een maand lang bediscussieerd hoe deze technologieën onze privacy kunnen bedreigen – maar dat is niet het grootste gevaar voor onze democratie. Het werkelijke risico is dat dit solutionistische instrumentarium dankzij de coronacrisis de standaardoptie voor de aanpak van alle existentiële problemen zal worden – van de ongelijkheid tot de klimaatverandering. Het is immers veel makkelijker om solutionistische technologieën in te zetten teneinde individueel gedrag te beïnvloeden dan het is om moeilijke politieke vragen te stellen over de grondoorzaken van deze crises.

Maar de solutionistische antwoorden op deze ramp zullen alleen maar de afname van onze publieke verbeeldingskracht versnellen – en het veel moeilijker maken om je een wereld voor te stellen waarin de technologiereuzen níet onze sociale en politieke infrastructuur domineren.

We zijn nu allemaal solutionisten. Als onze levens op het spel staan, zijn abstracte beloften van politieke emancipatie minder geruststellend dan de belofte van een app die je vertelt wanneer het veilig is om je huis te verlaten. De echte vraag is of we morgen nog steeds solutionisten zullen zijn.

Het solutionisme en het neoliberalisme zijn heel veerkrachtig, niet omdat de onderliggende ideeën zo goed zijn, maar omdat die ideeën instituties – waaronder overheden – zo ingrijpend hebben veranderd. Het ergste moet nog komen: de pandemie zal de solutionistische staat van extra energie voorzien, net zoals 9/11 dat voor de surveillance-staat heeft gedaan, waardoor een excuus zal worden gecreëerd om het politieke vacuüm te vullen met anti-democratische praktijken, ditmaal eerder uit naam van de innovatie dan van de veiligheid.

Eén functie van de solutionistische staat is om software-ontwikkelaars, hackers en ambitieuze ondernemers ervan te weerhouden om met alternatieve vormen van sociale organisatie te experimenteren. Dat de toekomst aan startups toebehoort is geen natuurlijk gegeven, maar een beleidsuitkomst. Als gevolg daarvan sneuvelen subversievere technologische inspanningen, die zouden kunnen leiden tot niet op de markt maar op solidariteit gebaseerde economieën, al in de fase van de prototype-ontwikkeling. Er is een reden dat we nu al geen twintig jaar geen nieuwe Wikipedia meer hebben gezien.

Een ʻpost-solutionistischeʼ politiek moet beginnen met het doorbreken van de kunstmatige tweeëenheid van behendige startups en inefficiënte overheden die onze politieke horizon vandaag de dag bepalen. Onze vraag zou niet moeten zijn welke ideologie – de sociaaldemocratie of het neoliberalisme – de concurrentiekrachten beter in toom kan houden en gebruiken, maar welke instituties we nodig hebben om de nieuwe vormen van sociale coördinatie en innovatie te benutten die de digitale technologieën ons bieden.

Het huidige debat over het juiste technologische antwoord op COVID-19 maakt nu juist zoʼn gesmoorde indruk omdat er nog helemaal geen perspectief is op zoʼn post-solutionistische politiek. Het draait om de trade-offs tussen privacy en de volksgezondheid enerzijds, en om de noodzaak om de innovatie via startups te bevorderen anderzijds. Waarom zijn er geen andere opties? Komt dat doordat we digitale platforms en telecom-operators ons hele digitale universum hebben laten behandelen als hun achtertuin?

Zij bestieren die met slechts één doel voor ogen: het gaande houden van micro-targeting en het laten stromen van micro-betalingen. Als gevolg daarvan is er weinig nagedacht over het ontwikkelen van digitale technologieën die anonieme inzichten op macro-niveau opleveren over het collectieve gedrag van niet-consumenten. De digitale platforms van vandaag de dag zijn plekken voor geïndividualiseerde consumptie en niet voor wederzijdse steun en solidariteit.

Hoewel ze kunnen worden ingezet voor niet op de markt gerichte doelstellingen vormen de hedendaagse digitale platforms geen goede basis voor een politieke orde die eerder openstaat voor actoren dan voor consumenten, startups en ondernemers. Als we die digitale platforms niet opeisen voor een levendiger vorm van de democratie zullen we decennialang veroordeeld blijven tot de ongelukkige keuze tussen ʻprogressieveʼ en ʻrepressieveʼ vormen van solutionisme.

Als gevolg daarvan zal onze democratie het zwaar hebben. De bloeitijd van het solutionisme, die dankzij COVID-19 is aangebroken, legt de extreme afhankelijkheid van reëel bestaande democratieën bloot van de ondemocratische expertise van de private macht van de technologieplatforms. Onze eerste opdracht is dus het in kaart brengen van een post-solutionistische toekomst – een toekomst die het publiek de soevereiniteit in handen geeft over de digitale platforms.

Anders is het klagen over China’s autoritaire maar effectieve antwoord op COVID-19 niet alleen pathetisch maar ook hypocriet: er liggen diverse varianten van het techno-autoritarisme in het verschiet, en de neoliberale versie ziet er weinig aantrekkelijker uit dan het alternatief.

Vertaling Menno Grootveld

Categorieën
Gezondheid Politiek

COVID-19 legt de soevereiniteitscrisis bloot

Oorspronkelijke tekst (Engels): Africa is a Country, 1 april 2020

fotografie: twitter.com

door Christopher J. Lee

Christopher J. Lee is universitair hoofddocent geschiedenis en Afrika-studies aan het Lafayette College in Easton, Pennsylvania. Van hem zijn vijf boeken verschenen, onder meer over Frantz Fanon en Alex la Guma. Hij legt momenteel de laatste hand aan een boek over Kwame Anthony Appiah.

De eerste zin van Achille Mbembeʼs essay Necropolitics (2003) begint met de bewering dat ʻde ultieme uitdrukking van soevereiniteit voor een groot deel ligt in de macht en het vermogen om te bepalen wie mag blijven leven en wie moet sterven.ʼ De COVID-19-pandemie lijkt een lakmoesproef voor deze bewering te zijn. Hoewel Mbembeʼs betoog over de opkomst van een nieuwe vorm van politiek, gericht op macht over de dood, lang voor het opduiken van deze pandemie is verschenen en voornamelijk is toegepast in de context van Afrika, biedt zijn concept een manier van denken waarmee het huidige beleid kan worden verklaard zonder dat men zijn toevlucht hoeft te nemen tot de conventionele kaders van links en rechts die tot dusver de discussies in het mondiale noorden hebben bepaald. Hoewel deze kaders de infrastructurele capaciteiten van staten om te reageren op de crisis fundamenteel hebben vormgegeven, waarbij neoliberale democratieën als Groot-Brittannië en de Verenigde Staten na jaren van bezuinigingen op en privatisering van de medische zorg voor een duidelijke uitdaging staan, mag de kans niet worden gemist om anders na te gaan denken over wat er op het spel staat. COVID-19 is niet alleen een medische of epidemiologische crisis; het is ook een soevereiniteitscrisis.

De gebeurtenissen van de afgelopen weken en maanden kunnen in dit bestek niet volledig worden gerecapituleerd, maar wel worden gekarakteriseerd als een poging om de soevereiniteit terug te winnen. Ze onthullen een ontluikend necropolitiek landschap dat wordt gedefinieerd door staten die macht hebben over het leven en staten die uitsluitend macht hebben over de dood. Een kort overzicht van de bekendmakingen, verboden en sluitingen is in dit verband nuttig: artsen uit het Chinese Wuhan meldden eind december 2019 voor het eerst het bestaan van een ongespecificeerd virus; op 23 januari 2020 werd in deze stad van 11 miljoen mensen een verplichte lockdown opgelegd, naast extra reisbeperkingen voor andere steden in de provincie Hubei (in totaal 57 miljoen mensen); acht dagen later, op 31 januari, werd in Italië de noodtoestand uitgeroepen, en op 9 maart een nationale quarantaine ingesteld; op 11 maart kwam de regering-Trump met een reisverbod voor reizigers uit Europa die geen Amerikaans staatsburger zijn; Spanje kondigde op 15 maart een nationale quarantaine af; op dezelfde dag voerde Duitsland nieuwe grensbeperkingen in; op 18 maart stelde Zuid-Afrika een reisverbod in voor buitenlanders uit risicolanden; op 19 maart legde Autralië een reisverbod op aan vreemdelingen, enzovoort. Wat dit korte overzicht schetst is een terugkeer naar de meest basale technieken van territoriale controle en staatsmacht – een beleid van grensbeperkingen, gemeenschapsbeheer, avondklokken, bedrijfssluitingen, publieksspreiding en lege straten. Aan burgers wordt gevraagd op een Foucauldiaanse manier zelfdiscipline te betrachten door middel van ʻsocial distancing.ʼ De omvang, snelheid en wereldwijde omvang van deze soevereine maatregelen lijken ongekend.

Voor alle duidelijkheid: deze maatregelen moeten worden voortgezet. In tegenstelling tot normatieve omstandigheden waarin dergelijke methoden als autoritair zouden worden beschouwd, zijn ze in dit geval essentieel voor het in stand houden van het leven. Samen vormen ze een reactieve versie van de necropolitiek die zich bezighoudt met het beheer van leven en dood – om de verspreiding van de ziekte, het aantal sterfgevallen en het aantal besmettingen in het algemeen te verminderen. Deze reactieve houding duidt echter evenzeer op een ongelijkmatige verdeling van de capaciteiten van de staat, op het feit dat niet alle regeringen bij machte zijn om op dezelfde wijze in actie te komen. COVID-19 heeft aangetoond dat sommige staten op de langere termijn falen om de volksgezondheid en het leven in stand te houden, als gevolg van hun toewijding aan neoliberale agendaʼs waarbij de staatszorg is afgeschaft ten gunste van de privatisering. Vooral de Amerikaanse en de Britse overheid hebben de neiging aan de dag gelegd om de gezondheidszorg door privatisering en bezuinigingsmaatregelen betaalbaar te houden. Het aanvankelijke voorstel van de Britse premier Boris Johnson om naar ʻgroepsimmuniteitʼ te streven, waarbij COVID-19 zijn gang mocht gaan door de Britse bevolking, is een voorbeeld van deze aanpak – een economische houding van laissez-faire die wordt toegepast op gewone, kwetsbare mensen, in de context van een pandemie.

Als COVID-19 een necropolitieke benadering van het leven van burgers en niet-burgers heeft blootgelegd die tot nu toe onzichtbaar is gebleven, komt dit doordat deze macht over de dood in contrast staat met Mbembeʼs oorspronkelijke nadruk op het spektakel van onder meer oorlogsmachines en zelfmoordaanslagen. De dynamiek van COVID-19 en andere epidemieën, of het nu ebola of hiv is, is die van langzaam geweld. Na tientallen jaren van afbraak van de infrastructuur voor medische zorg in vele landen, hetzij door de beperkte medische voorzieningen op het platteland of door de schaarste aan levensreddende ziekenhuisapparatuur waarvan nu sprake is, kunnen nationale regeringen het leven niet meer garanderen of zelfs maar beheren, behalve via de meest grove vormen van niet-medische staatscontrole en koud geweld tegen niet-staatsburgers, zoals eerder aangehaald. Anders gezegd: wie mag blijven leven en wie moet sterven is afhankelijk van de goede wil, bekwaamheid en expertise van medische hulpverleners en anderen die betrokken zijn bij de situatie. De macht om te bepalen wie mag blijven leven is uitbesteed en in toenemende mate geprivatiseerd, alleen beschikbaar voor diegenen die het zich kunnen veroorloven.

En dan nog een paar woorden over de economie: als dit necropolitieke landschap tot nu toe grotendeels onzichtbaar is gebleven, dan komt dat doordat het spektakel van het mondiale kapitalisme ook dít politieke beheer heeft verhuld. Ook nu laat een korte blik op de dagelijkse krantenkoppen zien hoe de sterke achteruitgang van de wereldeconomie en de angst voor een kapitalistische recessie evenveel aandacht krijgen als de ziekte zelf, waarbij de oplossingen van het mondiale noorden voor de pandemie – naast de eerder beschreven soevereine maatregelen – in monetaire termen worden geschetst, of het nu gaat om renteverlagingen door de centrale banken, reddingsoperaties voor de industrie of ʻhelicoptergeld.ʼ Het feit dat de COVID-19-pandemie als een economische crisis wordt omschreven, toont niet alleen aan welke soevereiniteitsprioriteiten hier aan het werk zijn, maar duidt ook op de beperkte instrumenten die de neoliberale staatsmacht tot haar beschikking heeft als het gaat om zaken van crises en sociale wanorde die niet rechtstreeks verband houden met het begrotingsbeleid.

Voor alle duidelijkheid: er moeten beleidsmaatregelen worden genomen die de economische bestaansmiddelen van de zwaarst getroffenen in stand houden. Maar dergelijke onmiddellijke maatregelen mogen het streven naar langetermijnoplossingen voor economisch onrecht niet in de weg zitten. De ontluikende economie van COVID-19 onthult namelijk in grimmige termen wat we allang wisten: de soevereine staatsmacht is door de bijtende effecten van het neoliberale beleid op het economische leven, zoals de erosie van de sociale zekerheidsprogrammaʼs, de werkloosheidsuitkeringen en het openbaar onderwijs, ingrijpend gereorganiseerd; de prioriteit is verschoven van het veiligstellen van het leven en het ondersteunen van het welzijn naar het louter bezig zijn met de arbitrage van de dood, zoals we die nu zien.

De necropolitiek van COVID-19 legt dus zowel de sterke punten als de grenzen van Mbembeʼs oorspronkelijke concept bloot, hoe belangrijk dat ook was en nog steeds is. Verschenen vlak na de millenniumwende, toen de Rwandese genocide en de burgeroorlogen in Liberia en Sierra Leone van de jaren negentig bij velen nog vers in het geheugen lagen, trachtte zijn betoog een antwoord te geven op de fundamentele vraag waarom episodes van geweld het Afrikaanse continent ondanks decennia van onafhankelijkheid zijn blijven teisteren, ruim nadat het geweld van de koloniale periode achter de rug was. Als alternatief voor het structurele argument over het kolonialisme en zijn etnische erfenis, zoals beschreven door Mahmood Mamdani in Citizen and Subject (1996), stelde Mbembe de postkoloniale vervolmaking voor van een nieuw soort staatsregime dat putte uit de erfenis van de koloniale biopolitiek, maar daar ook van afstapte door een meer flagrante macht te verkrijgen over de dood – door ʻdodenwereldenʼ te creëren voor burgers en niet-burgers, in plaats van de ʻlevenswereldenʼ die geassocieerd worden met meer normatieve opvattingen over de soevereiniteit van de staat. Wat Mbembe niet gemakkelijk kon voorzien, is hoe de staat zelf in een wereldwijde context van neoliberale druk op verschillende manieren is geherinstrumentaliseerd, met als gevolg haar beperkte capaciteit met betrekking tot vragen over leven en dood. Het vermogen om de facto over leven en dood te beslissen, zoals we dat nu zien in een tijd van epidemiologische crisis, is niet hetzelfde als het proactief nastreven ervan, zoals Mbembe dat voor het eerst beschreef.

Niettemin biedt het concept van de necropolitiek een ander register voor het nadenken over de dimensies van dit ontluikende politieke moment, in het bijzonder die van het falen van de staat in het mondiale noorden, wat ertoe heeft geleid dat het gebruik van dit concept verder is uitgebreid. De soevereiniteitscrisis die COVID-19 in de VS, Groot-Brittannië en andere noordelijke liberale democratieën heeft teweeggebracht, onderstreept de interpretatieve kracht die deze mondiale zuidelijke benadering heeft om de aanspraken en grenzen van de staatsmacht opnieuw te benadrukken. Hoewel het nog te vroeg is om een uitspraak te doen over de onmiddellijke politieke gevolgen van COVID-19, laat staan over die op de langere termijn, onderstreept de geografie van de respons die aan het licht is gekomen hoe staten proberen hun soevereine macht over zaken die de volksgezondheid aangaan terug te winnen.

Hoewel het idee van de necropolitiek nooit sterk is geweest als verzamelpunt voor politieke solidariteit, kan het als kritische methode bijdragen aan een meer progressieve en radicale politieke visie op hoe staten er in de toekomst uit zouden kunnen zien – met de ambitie en het doel om het leven in stand te houden, in plaats van uitsluitend en veel te laat, de dood te beheren.

Vertaling Tiers Bakker

Categorieën
Filosofie Politiek

Pleidooi voor een nieuw soort communisme

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Philosophical Salon, 16 maart 2020

fotografie: How To Academy

door Slavoj Zizek

Slavoj Zizek (Slovenië, 1949) is een van de bekendste hedendaagse filosofen. Zijn werk is vooral beïnvloed door Hegel, Marx en Lacan. Hij noemt zichzelf een eurocentrisch marxist. Zijn nieuwe boek, ‘Als een dief op klaarlichte dag’, verschijnt in mei bij Starfish Books.

Veel progressieve en linkse commentatoren hebben opgemerkt hoe de coronavirus-epidemie dient om maatregelen van controle en toezicht te rechtvaardigen en te legitimeren die in een westerse democratische samenleving tot nu toe ondenkbaar waren. Is de totale lockdown in Italië niet een natte droom van totalitaire types die werkelijkheid is geworden? Geen wonder dat (althans zoals het er nu uitziet) China, dat al eerder op grote schaal allerlei manieren van gedigitaliseerde sociale controle heeft uitgeoefend, het best toegerust bleek te zijn om het hoofd te bieden aan catastrofale epidemieën. Betekent dit dat China, in ieder geval in sommige opzichten, onze toekomst is? Komen we in de buurt van een wereldwijde uitzonderingstoestand? Hebben de analyses van Giorgio Agamben een nieuwe actualiteit verkregen?

Het is niet verwonderlijk dat Agamben zelf deze conclusie trok: hij reageerde radicaal anders op de coronavirus-epidemie dan de meeste andere commentatoren. Hij betreurde de ʻpanische, irrationele en absoluut ongerechtvaardigde noodmaatregelen voor een vermeende coronavirus-epidemie,ʼ die slechts ʻeen soort griepʼ zou zijn, en vroeg: ʻWaarom doen de media en de autoriteiten hun uiterste best om een klimaat van paniek te creëren, waardoor een echte uitzonderingstoestand ontstaat, met ernstige beperkingen van de bewegingsvrijheid en de opschorting van de normale dagelijkse activiteiten in hele regioʼs als gevolg?ʼ

Agamben ziet de belangrijkste reden voor deze ʻdisproportionele reactieʼ in ʻde groeiende tendens om de uitzonderingstoestand als een normaal beleidsparadigma te gebruiken.ʼ De opgelegde maatregelen stellen de regering in staat onze vrijheden per decreet ernstig in te perken: ʻHet is overduidelijk dat deze beperkingen niet in verhouding staan tot de dreiging van wat volgens de NRC een normale griep is, die niet veel verschilt van die welke ons elk jaar treft. /… / We zouden kunnen zeggen dat nu het terrorisme is uitgeput als rechtvaardiging voor uitzonderlijke maatregelen, de uitvinding van een epidemie het ideale excuus is om dergelijke maatregelen onbeperkt te kunnen verruimen.ʼ De tweede reden is ʻde toestand van angst, die zich de laatste jaren heeft verspreid tot in het individuele bewustzijn van mensen en die zich vertaalt in een reële behoefte aan een toestand van collectieve paniek, waarvoor de epidemie opnieuw het ideale excuus biedt.ʼ

Agamben beschrijft een belangrijk aspect van het functioneren van het staatstoezicht bij actuele epidemieën. Maar er blijven vragen open: waarom zou de staatsmacht geïnteresseerd zijn in het bevorderen van een dergelijke paniek, die gepaard gaat met wantrouwen in de staatsmacht (ʻze zijn hulpeloos, ze doen niet genoeg…ʼ) en die de vlotte reproductie van kapitaal verstoort? Is het werkelijk in het belang van het kapitaal en de staatsmacht om een wereldwijde economische crisis op gang te brengen teneinde hun heerschappij nieuw leven in te blazen? Zijn de duidelijke tekenen dat niet alleen gewone mensen, maar ook de staatsmacht zelf in paniek is, zich volledig bewust van het feit dat zij de situatie niet onder controle heeft – zijn deze tekenen werkelijk slechts een list?

Agambens reactie is de extreme vorm van een wijdverbreide linkse houding van het interpreteren van de ʻoverdreven paniek,ʼ veroorzaakt door de verspreiding van het virus, als een mengeling van machtsuitoefening via sociale controle en elementen van regelrecht racisme (ʻgeef de schuld aan de natuur of aan Chinaʼ). Een dergelijke sociale interpretatie doet de realiteit van de dreiging echter niet verdwijnen. Dwingt deze realiteit ons om onze vrijheden effectief te kortwieken? Quarantaines en soortgelijke maatregelen beperken natuurlijk onze vrijheid, en nieuwe Assanges zijn hier nodig om mogelijk misbruik aan het licht te brengen. Maar de dreiging van een virusinfectie heeft ook een enorme impuls gegeven aan nieuwe vormen van lokale en mondiale solidariteit, en duidelijk gemaakt dat de macht zelf onder controle moet worden gehouden. De mensen hebben gelijk als ze de staatsmacht verantwoordelijk stellen: jullie hebben de macht, laat nu maar eens zien wat jullie kunnen! De uitdaging waar Europa voor staat, is te bewijzen dat wat China heeft gedaan ook op een transparantere en meer democratische manier kan:

ʻChina heeft maatregelen ingevoerd die West-Europa en de VS waarschijnlijk niet zullen tolereren, wellicht ten eigen nadele. Om het botweg te zeggen: het is een vergissing om alle vormen van detectie en modellering reflexmatig te interpreteren als ʻtoezichtʼ en actief bestuur als ʻsociale controle.ʼ We hebben een andere en meer genuanceerde woordenschat nodig.ʼ [1]

Alles hangt af van deze ʻmeer genuanceerde woordenschatʼ: de maatregelen die nodig zijn om een epidemie in te dammen moeten niet automatisch worden teruggebracht tot het gebruikelijke paradigma van toezicht en controle dat door denkers als Foucault werd gepropageerd. Wat ik vandaag meer vrees dan de maatregelen die door China (en Italië en…) worden toegepast, is dat deze landen de maatregelen zullen toepassen op een manier die niet zal werken om de epidemie in te dammen, terwijl de autoriteiten de ware feiten zullen manipuleren en verbergen.

Zowel alt-right als nep-links weigeren de volledige realiteit van de epidemie onder ogen te zien en maken er een oefening in sociaal-constructivistische reductie van, dat wil zeggen: ze hekelen haar vanwege haar sociale betekenis. Trump en zijn aanhangers houden herhaaldelijk staande dat de epidemie een complot is van de Democraten en China om hem de komende verkiezingen te laten verliezen, terwijl sommigen ter linkerzijde de door de staat en de volksgezondheidsinstanties voorgestelde maatregelen aan de kaak stellen als besmet door xenofobie, en daarom aandringen op het schudden van de handen, enz. Een dergelijke houding gaat voorbij aan de volgende paradox: geen handen schudden en in quarantaine gaan indien nodig, IS de hedendaagse vorm van solidariteit betonen.

Wie kunnen het zich vandaag de dag veroorloven om handen te schudden en elkaar te omhelzen? De bevoorrechten. Boccaccioʼs Decamerone staat vol met verhalen die verteld worden door een groep van zeven jonge vrouwen en drie jonge mannen die in een afgelegen villa net buiten Florence schuilen om te ontsnappen aan de pest die de stad teistert. Ook nu trekt de financiële elite zich terug in afgelegen zones en vermaakt zich daar met het vertellen van verhalen in Decamerone-stijl. (De ultra-rijken vliegen met privé-vliegtuigen naar exclusieve kleine eilanden in het Caribisch gebied). Wij, de gewone mensen, die met virussen zullen moeten zien te leven, worden gebombardeerd met de eindeloos herhaalde formule ʻGeen paniek!ʼ… om vervolgens alle feiten voorgeschoteld te krijgen die alleen maar paniek kunnen veroorzaken. De situatie lijkt op de toestand die ik me herinner uit mijn jeugd in een communistisch land: als overheidsfunctionarissen ons verzekerden dat er geen reden tot paniek was, zagen wij deze geruststelling allemaal als een duidelijk signaal dat zij zelf in paniek waren.

Maar paniek is geen goede manier om een echte dreiging het hoofd te bieden. Als we op panische wijze reageren, nemen we de dreiging niet al te serieus, maar bagatelliseren we die juist. Denk maar eens aan hoe belachelijk het is om buitensporig veel wc-papier te kopen: alsof het hebben van voldoende wc-papier belangrijk is als er sprake is van een dodelijke epidemie… Maar wat is dan wél een gepaste reactie op de coronavirusepidemie? Wat moeten we leren en wat moeten we doen om die serieus tegemoet te treden?

Toen ik opperde dat de coronavirusepidemie het communisme een nieuwe impuls zou kunnen geven, werd mijn bewering, zoals te verwacht was, belachelijk gemaakt. Hoewel het erop lijkt dat de krachtige aanpak van de crisis door de Chinese staat heeft gewerkt – in ieder geval veel beter dan wat er in Italië is gebeurd – heeft de oude autoritaire logica van communisten die aan de macht zijn ook duidelijk zijn beperkingen laten zien. Een daarvan is dat de angst om de machthebbers (en het publiek) met slecht nieuws te confronteren zwaarder weegt dan de werkelijke feiten. Dit was de reden dat degenen die voor het eerst melding maakten van een nieuw virus werden gearresteerd; inmiddels doen berichten de ronde dat er nu iets dergelijks aan de hand is:

ʻDe druk om China weer aan het werk te krijgen na de coronavirus-lockdown brengt een oude verleiding weer tot leven: het manipuleren van de feiten, zodat de hoge ambtenaren zien wat ze willen zien. Dit fenomeen doet zich voor in de provincie Zhejiang, een industrieel knooppunt aan de oostkust, op het gebied van het elektriciteitsverbruik. Minstens drie steden daar hebben lokale fabrieken doelstellingen gegeven voor het stroomverbruik; volgens ingewijden worden de gegevens gebruikt om een heropleving van de productie te laten zien. Dat heeft sommige bedrijven ertoe aangezet om hun machines te laten draaien, ook al blijven de fabrieken leeg.ʼ

We kunnen ook wel raden wat er zal gebeuren als de machthebbers dit bedrog opmerken: plaatselijke managers zullen worden beschuldigd van sabotage en zwaar worden gestraft, waardoor deze vicieuze cirkel van wantrouwen in stand wordt gehouden… Hier is een Chinese Julian Assange nodig om het publiek de verborgen kant van de manier waarop China met de epidemie omgaat te laten zien. Maar als dit niet het communisme is dat ik in gedachten heb, wat bedoel ik dan als ik het over communisme heb? Om dit te begrijpen volstaat het om de publieke verklaringen van de WHO te lezen. Hier is een recente:

WHO-directeur dr. Tedros Adhanom Ghebreyesus heeft donderdag gezegd dat hoewel de volksgezondheidsinstanties over de hele wereld de mogelijkheid hebben om de verspreiding van het virus met succes te bestrijden, de organisatie zich zorgen maakt dat in sommige landen het niveau van de politieke betrokkenheid niet overeenkomt met het dreigingsniveau. ʻDit is geen oefening. Dit is niet het moment om het op te geven. Dit is geen tijd voor excuses. Dit is een tijd om alles uit de kast te halen. Landen maken al decennia lang plannen voor dit soort scenarioʼs. Nu is het tijd om die plannen ten uitvoer te leggen,ʼ aldus Tedros. ʻDeze epidemie kan worden teruggedrongen, maar alleen aan de hand van een collectieve, gecoördineerde en alomvattende aanpak, die de hele machinerie van de overheid in werking stelt.ʼ

Je zou hieraan kunnen toevoegen dat een dergelijke alomvattende aanpak veel verder moet reiken dan de machinerie van afzonderlijke regeringen: hij zou tevens de lokale mobilisatie van mensen buiten de controle van de staat moeten omvatten, evenals een sterke en efficiënte internationale coördinatie en samenwerking. Als duizenden mensen in het ziekenhuis worden opgenomen voor ademhalingsproblemen, zal een heel groot aantal beademingsapparaten nodig zijn, en om die te kunnen verkrijgen zou de staat direct moeten ingrijpen, op dezelfde manier als wanneer er in oorlogsomstandigheden duizenden geweren nodig zijn. En de staat zou moeten vertrouwen op de samenwerking met andere staten. Net als bij een militaire campagne moet informatie worden gedeeld en moeten plannen volledig worden gecoördineerd – DIT is wat ik bedoel als ik zeg dat we vandaag de dag ʻcommunismeʼ nodig hebben, of zoals Will Hutton het formuleerde: ʻNu is een vorm van ongereguleerde mondialisering, gebaseerd op de vrije markt, met zijn neiging om crises en pandemieën te veroorzaken, duidelijk aan het sterven. Maar een andere vorm, die de onderlinge afhankelijkheid en het primaat van een op bewijzen gebaseerde collectieve actie erkent, wordt geboren.ʼ Wat nu nog overheerst is de houding van ʻieder land voor zichzelfʼ: ʻEr zijn nationale verbodsbepalingen op de export van belangrijke producten zoals medische benodigdheden, terwijl landen terugvallen op hun eigen analyse van de crisis en er sprake is van lokale tekorten en lukrake, primitieve benaderingen van de indamming van het virus.ʼ

De coronavirus-epidemie geeft niet alleen de grens aan van de mondialisering van de markt, maar tevens de nog dodelijker grens van het nationalistische populisme, dat aandringt op volledige staatssoevereiniteit. Het is afgelopen met ʻAmerika (of wie dan ook) eerst!,ʼ aangezien Amerika alleen nog gered kan worden door wereldwijde coördinatie en samenwerking. Op dit punt ben ik geen utopist; ik doe geen beroep op een geïdealiseerde solidariteit tussen mensen. Integendeel, de huidige crisis laat duidelijk zien hoe wereldwijde solidariteit en samenwerking in het belang zijn van het voortbestaan van iedereen en van ieder van ons, en hoe dit het enige rationeel-egoïstische is dat we kunnen doen. En het gaat niet alleen om het coronavirus: China zelf kampte een paar maanden geleden met een enorme uitbraak van de varkenspest, en wordt nu bedreigd door het vooruitzicht van een sprinkhaneninvasie. Plus, zoals Owen Jones heeft opgemerkt: de klimaatcrisis doodt veel meer mensen over de hele wereld dan het coronavirus, maar daar is geen paniek over…

Vanuit een cynisch vitalistisch standpunt zou je geneigd zijn het coronavirus te zien als een heilzame infectie, die de mensheid in staat stelt zich te ontdoen van de ouderen, zieken en zwakkeren, als het uit de grond trekken van half verrot onkruid, waardoor het bijdraagt aan de mondiale gezondheid. De brede communistische benadering die ik voorsta is de enige manier om een dergelijk primitief vitalistisch standpunt achter ons te laten. Tekenen die duiden op het beknotten van de onvoorwaardelijke solidariteit zijn al te zien in de lopende debatten, zoals blijkt uit het volgende bericht over de rol van ʻdrie wijzenʼ als de epidemie een nóg catastrofalere wending neemt in Groot-Brittannië: ʻNHS-patiënten kan levensreddende zorg worden ontzegd tijdens een ernstige uitbraak van het coronavirus in Groot-Brittannië, als intensive care-afdelingen het moeilijk hebben, zo hebben artsen gewaarschuwd. Op grond van het protocol van de ʻdrie wijzenʼ kan in ieder ziekenhuis aan drie consultants gevraagd worden beslissingen te nemen over het rantsoeneren van de zorg, zoals beademingsapparaten en bedden, in het geval dat de ziekenhuizen worden overspoeld met patiënten.ʼ Op welke criteria zullen deze ʻdrie wijzenʼ zich baseren? Het opofferen van de oudsten en zwaksten? En zal deze toestand dan geen ruimte scheppen voor immense corruptie? Wijzen dergelijke procedures er niet op dat we ons opmaken voor de tenuitvoerlegging van de meest meedogenloze logica van de overleving van de sterksten? Dus, nogmaals: de uiteindelijke keuze gaat tussen dít of een nieuwe vorm van het communisme.

Maar de dingen gaan nog veel dieper dan dat. Wat ik vooral vervelend vind is hoe, als onze media een sluiting of annulering van iets aankondigen, ze daar in de regel een vaste tijdsbeperking aan toevoegen, zoals in de formule ʻde scholen zijn gesloten tot 4 april.ʼ De verwachting is dat, na de piek die nu snel moet komen, alles weer normaal zal worden. In die zin werd mij al meegedeeld dat een universiteitssymposium slechts tot september zou worden uitgesteld… Het addertje onder het gras is dat, zelfs wanneer het leven uiteindelijk weer normaal wordt, het nooit meer hetzelfde ʻnormaalʼ zal zijn als vóór de uitbraak: de dingen waaraan we gewend waren als onderdeel van ons dagelijks leven zullen niet meer als vanzelfsprekend worden beschouwd; we zullen moeten leren een veel fragieler leven te leiden, met constante bedreigingen die om de hoek op de loer liggen.

Daarom kunnen we verwachten dat virale epidemieën onze meest elementaire interacties met andere mensen en objecten in onze omgeving zullen beïnvloeden, inclusief onze eigen lichamen: raak geen dingen aan die (onzichtbaar) ʻviesʼ kunnen zijn, raak geen hoeken en deurklinken aan, ga niet op openbare toiletten zitten of op banken in openbare gelegenheden, omhels anderen niet en geef hen geen hand… En wees ook voorzichtig hoe je met je eigen lichaam en je eigen spontane gebaren omgaat: raak je neus niet aan en wrijf niet in je ogen – kortom, speel niet met jezelf. Het zijn dus niet alleen de staat en andere instanties die ons zullen controleren; we moeten leren om onszelf te controleren en te disciplineren! Misschien zal alleen de virtuele realiteit straks nog als veilig worden beschouwd, en zal het vrij bewegen in de open ruimte beperkt blijven tot de eilanden die eigendom zijn van de ultra-rijken.

Maar zelfs daar, op het niveau van de virtuele realiteit en het internet, moeten we onszelf eraan herinneren dat de termen ʻvirusʼ en ʻhet viraleʼ de laatste decennia vooral zijn gebruikt om digitale virussen mee aan te duiden die onze webruimte besmetten en waarvan we ons niet bewust waren, althans niet totdat hun vernietigende kracht (om bijvoorbeeld onze gegevens of onze harde schijf te vernietigen) werd ontketend. Wat we nu zien is een massale terugkeer naar de oorspronkelijke, letterlijke betekenis van de term: virale infecties gaan in beide dimensies, de echte en de virtuele, hand in hand.

We zullen dus onze hele houding tegenover het leven moeten veranderen, en tegenover ons bestaan als levende wezens tussen andere levensvormen. Met andere woorden: als we ʻfilosofieʼ begrijpen als de term voor onze basisoriëntatie in het leven, zullen we een ware filosofische revolutie moeten ervaren. Misschien kunnen we iets leren over onze reacties op de coronavirus-epidemie van Elisabeth Kübler-Ross, die in haar On Death and Dying het beroemde schema van de vijf stadia heeft gepresenteerd van hoe we reageren als we horen dat we een terminale ziekte hebben: ontkenning (je weigert eenvoudigweg het feit te accepteren: ʻDit kan mij niet overkomenʼ); boosheid (die tot uitbarsting komt als we het feit niet langer kunnen ontkennen: ʻHoe kan mij dit nu overkomen?ʼ); onderhandelen (de hoop dat we het feit op de een of andere manier kunnen uitstellen of minder erg kunnen laten zijn: ʻLaat me gewoon leven om mijn kinderen te zien afstuderenʼ); depressie (libidinale desinvestering: ʻIk ga dood, dus waarom zou ik me nog ergens mee bemoeien?ʼ); aanvaarding (ʻIk kan er niet tegen vechten, dus ik kan me er net zo goed op voorbereidenʼ.) Later paste Kübler-Ross dit schema toe op iedere vorm van catastrofaal persoonlijk verlies (werkloosheid, de dood van een geliefde, echtscheiding, drugsverslaving), en benadrukte ze ook dat ze zich niet noodzakelijkerwijs in dezelfde volgorde hoeven voor te doen, en dat niet alle vijf stadia door alle patiënten op dezelfde manier ervaren worden.

Je kunt dezelfde vijf stadia onderscheiden als een samenleving geconfronteerd wordt met een of andere traumatische breuk. Laten we de dreiging van een ecologische catastrofe nemen: eerst hebben we de neiging om die te ontkennen (het is gewoon paranoia, wat er gebeurt zijn de gebruikelijke schommelingen in de weerpatronen); dan komt de woede (op de grote bedrijven die ons milieu vervuilen, op de overheid die de gevaren negeert), gevolgd door onderhandelen (als we ons afval recyclen, kunnen we misschien wat tijd kopen; bovendien zitten er ook goede kanten aan: we kunnen straks groenten op Groenland verbouwen, schepen zullen veel sneller goederen van China naar de VS kunnen vervoeren via de noordelijke route, er komt nieuw vruchtbaar land beschikbaar in het noorden van Siberië door het smelten van de permafrost…), depressie (het is te laat, we zijn verdoemd…), en, tenslotte, aanvaarding: we hebben te maken met een ernstige dreiging en we zullen onze hele manier van leven moeten veranderen!

Hetzelfde geldt voor het toenemende gevaar van digitale controle over ons leven: eerst hebben we de neiging om die te ontkennen (het is overdreven, linkse paranoia, geen enkele instantie kan onze dagelijkse activiteiten controleren…), dan barsten we uit in woede (op grote bedrijven en geheime staatsinstanties die ons beter kennen dan wij onszelf en die deze kennis gebruiken om ons te controleren en te manipuleren), gevolgd door onderhandelen (de autoriteiten hebben het recht om naar terroristen te zoeken, maar niet om onze privacy te schenden…), depressie (het is te laat, onze privacy is verloren, de tijd van persoonlijke vrijheden is voorbij), en, tenslotte, aanvaarding: digitale controle is een bedreiging voor onze vrijheid; we moeten het publiek bewust maken van alle dimensies ervan en ons inzetten voor de bestrijding!

Zelfs op het gebied van de politiek geldt hetzelfde voor degenen die getraumatiseerd zijn door het presidentschap van Trump: eerst was er ontkenning (maak je geen zorgen, Trump doet alleen maar alsof, er zal niets echt veranderen als hij aan de macht is), gevolgd door woede (op de duistere krachten die hem in staat stelden de macht te grijpen, op de populisten die hem steunen en een bedreiging vormen voor onze morele inhoud…), onderhandelen (alles is nog niet verloren, misschien kan Trump nog worden ingedamd, laten we gewoon wat van zijn excessen tolereren…), depressie (we zijn op de weg naar het fascisme, de democratie gaat verloren in de VS), en aanvaarding: er is een nieuw politiek regime in de VS, de goede oude tijd van de Amerikaanse democratie is voorbij, laten we het gevaar onder ogen zien en rustig plannen hoe we het populisme van Trump kunnen overwinnen…

In de middeleeuwen reageerde de bevolking van een getroffen stad op vergelijkbare wijze op de komst van de pest: eerst ontkenning, dan boosheid (op ons zondige leven waarvoor we gestraft worden, of zelfs op de wrede God die dit heeft toegestaan), dan onderhandelen (het is niet zo erg, laten we gewoon degenen die ziek zijn uit de weg gaan…), dan depressie (ons leven is voorbij…), vervolgens, interessant genoeg, orgieën (laten we, omdat ons leven voorbij is, er nog alle mogelijke pleziertjes uit halen – drank, seks…), en, tenslotte, aanvaarding: Hier zijn we dan, laten we ons zo veel mogelijk gedragen alsof het normale leven doorgaat…

En is dit niet ook de manier waarop we omgaan met de coronavirus-epidemie die eind 2019 is uitgebroken? Eerst was er de ontkenning (er is niets ernstigs aan de hand, een paar onverantwoordelijke individuen verspreiden alleen maar paniek); daarna woede (doorgaans in racistische of anti-etatistische vorm: die smerige Chinezen zijn schuld, onze staat is niet efficiënt…); vervolgens onderhandelen (okee, er zijn een paar slachtoffers, maar het is minder ernstig dan SARS, en we kunnen de schade beperken…); maar als dat niet blijkt te werken, ontstaat er een depressie (laten we onszelf niet voor de gek houden, we zijn allemaal verdoemd). Maar hoe zou aanvaarding er kunnen uitzien? Het is vreemd dat de epidemie een kenmerk gemeen heeft met de jongste ronde van sociale protesten (in Frankrijk, in Hong Kong…): die komen niet tot uitbarsting en verdwijnen vervolgens weer; ze blijven juist aanhouden, waardoor ze permanente angst en kwetsbaarheid in ons leven brengen. Maar deze aanvaarding kan twee kanten op gaan. Het kan louter de her-normalisatie van ziekte betekenen: okee, er zullen mensen sterven, maar het leven zal doorgaan, en misschien zijn er zelfs enkele goede neveneffecten… Of de aanvaarding kan (en moet) ons ertoe aanzetten om ons te mobiliseren zonder paniek en illusies, om te handelen in collectieve solidariteit.

Wat we moeten accepteren, waar we ons mee moeten verzoenen, is dat er een onderlaag van het leven is – het ondode, stompzinning repetitieve, pre-seksuele leven van virussen, dat er altijd al is geweest en dat altijd bij ons zal blijven, als een donkere schaduw, die een bedreiging vormt voor onze overleving, tot uitbarsting komend wanneer we het het minst verwachten. En op een nog algemener niveau herinneren virusepidemieën ons aan de ultieme toevalligheid en zinloosheid van het leven: het maakt niet uit welke grootse geestelijke bouwwerken wij als mensheid kunnen optrekken, want een stompzinnig natuurlijk toeval als een virus of een asteroïde kan er zo een einde aan maken… Om nog maar te zwijgen van de les van de ecologie die inhoudt dat wij, als mensheid, ook onbewust kunnen bijdragen aan dit doel.

Om dit punt te verduidelijken moet ik schaamteloos een populaire definitie citeren: virussen zijn ʻinfectieuze agentia, meestal ultramicroscopisch klein, die bestaan uit nucleïnezuur, RNA of DNA, binnen een omhulsel van eiwit: ze infecteren dieren, planten en bacteriën, en reproduceren zich uitsluitend binnen levende cellen: virussen worden beschouwd als niet-levende chemische eenheden, maar soms ook als levende organismen.ʼ Deze oscillatie tussen leven en dood is cruciaal: virussen zijn noch levend, noch dood in de gebruikelijke zin van het woord. Ze zijn de levende doden: een virus is levend door zijn drang tot replicatie, maar het is wel een soort leven op nulniveau, een biologische karikatuur, niet zozeer in de zin van de drang naar de dood als wel van het leven op het meest stompzinnige niveau van herhaling en vermenigvuldiging. Virussen zijn echter geen elementaire levensvorm waaruit complexere vormen zijn ontstaan. Ze zijn puur parasitair; ze vermenigvuldigen zich door meer ontwikkelde organismen te infecteren (als een virus ons, mensen, infecteert, dienen we gewoon als kopieermachine). Het is in dit toeval der tegengestelden – het elementaire en het parasitaire – dat het mysterie van virussen schuilt: ze zijn een voorbeeld van wat Schelling ʻder nie aufhebbare Restʼ noemde, een restant van de allerlaagste levensvorm die opduikt als een product van het slecht functioneren van hogere vermenigvuldigingsmechanismen en hen blijft achtervolgen (infecteren), een restant dat nooit kan worden gereïntegreerd als het ondergeschikte element van een hoger levensniveau.

Hier stuiten we op wat Hegel ʻspeculatief oordeelʼ noemt, een bevestiging van de identiteit van het hoogste en het laagste. Hegels bekendste voorbeeld is ʻde Geest als een bot,ʼ uit zijn analyse van de frenologie in zijn Fenomenologie van de Geest; ons voorbeeld zou moeten zijn ʻde Geest als een virusʼ. Is de menselijke geest niet ook een soort virus dat parasiteert op het menselijke dier, het uitbuit voor zijn eigen zelf-reproductie en het soms dreigt te vernietigen? En voor zover het medium van de geest de taal is, mogen we niet vergeten dat de taal op zijn meest elementaire niveau ook iets mechanisch is, een kwestie van regels die we moeten leren en volgen.

Richard Dawkins beweerde dat memes ʻvirussen van de geestʼ zijn, parasitaire entiteiten die de menselijke geest ʻkoloniserenʼ en die gebruiken als een middel om zich te vermenigvuldigen. Het is een idee waarvan de bedenker niemand minder dan Leo Tolstoj was. Tolstoj wordt meestal gezien als een veel minder interessante auteur dan Dostojevski – een hopeloos achterhaalde realist voor wie in principe geen plaats is in de moderniteit, in tegenstelling tot Dostojevskiʼs existentiële angst. Maar misschien is de tijd gekomen om Tolstoj en zijn unieke theorie over kunst en de mensheid in het algemeen volledig te rehabiliteren: daarin treffen we echoʼs aan van Dawkinsʼ notie van memes. ʻEen persoon is een hominide met een geïnfecteerd brein, dat miljoenen culturele symbionten herbergt, en de voornaamste enablers daarvan zijn de symbiont-systemen die bekend staan als talenʼ[2] – is deze passage uit Dennett niet puur Tolstoj? De basiscategorie van Tolstojs antropologie is infectie: een menselijk subject is een passief, leeg medium dat geïnfecteerd is door affectieve culturele elementen die zich, net als besmettelijke bacillen, van het ene individu naar het andere verspreiden. En Tolstoj gaat hier helemaal tot het naadje: hij stelt tegenover deze verspreiding van affectieve infecties geen ware spirituele autonomie; hij stelt geen heldhaftige visie voor van het opvoeden van zichzelf tot een volwassen autonoom ethisch subject, door middel van het wegwerken van besmettelijke bacillen. De enige strijd is de strijd tussen goede en slechte infecties: het christendom zelf is een infectie, zij het – voor Tolstoj – een weldadige.

Misschien is dit wel het meest verontrustende dat we kunnen leren van deze virusepidemie: als de natuur ons met virussen aanvalt, komt dat in zekere zin neer op het retourneren van onze eigen boodschap. Die boodschap luidt: wat je mij hebt aangedaan, doe ik jou nu aan.

Noten:

[1] Benjamin Bratton, persoonlijke communicatie.

[2] Daniel Dennett, Freedom Evolves, London: Penguin Books 2004, blz. 173.

Vertaling Menno Grootveld