Oorspronkelijke tekst (Engels): New York Magazine, 7 april 2026

door Narges Bajoghli
Narges Bajoghli is cultureel antropoloog aan Johns Hopkins University.
De nieuwe generatie contentmakers van de Iraanse Revolutionaire Garde is jonger, sneller en minder bang voor de VS
De raket beweegt zich aanvankelijk langzaam voort. Hij beschrijft een boog door de bleke lucht in een vloeiende, bijna zachte beweging – het soort beweging dat je zou associëren met een natuurdocumentaire, iets dat migreert. Pas daarna begin je te beseffen waar hij overheen vliegt.
Een Inheemse Amerikaanse man. Een Vietnamese dorpsbewoner. Een kind uit Palestina. Iemand uit Hiroshima. Een kind op het eiland van Epstein, gevolgd door een schoolmeisje, klein en stil, uit de Iraanse stad Minab, dat omkwam toen haar school werd geraakt door een raket. Ze kijken allemaal omhoog, naar de lucht, alsof ze iets heiligs aanschouwen. De raket vervolgt zijn weg. Daaronder, op de plek waar normaal het Vrijheidsbeeld zou staan, staat nu iets anders: de makers hebben het vervangen door het beeld van Baäl, een oude god die de Bijbel in verband wordt gebracht met kinderoffers. De raket daalt neer. Het beeld brokkelt af. Dan verschijnt er tekst in beeld: ‘One Vengeance for All.’
De video, geproduceerd en verspreid door een mediagroep die gelieerd is aan de Iraanse Revolutionaire Garde, duurt minder dan een minuut. Maar als je hem een paar keer bekijkt, wordt de opbouw duidelijk. Elke figuur is zorgvuldig gekozen om een specifieke groep aan te spreken. De inheemse Amerikaanse man richt zich op een Amerikaans publiek dat een beladen relatie heeft met het geweld waarop het land is gebouwd. De Vietnamese dorpsbewoner roept een oorlog in herinnering die nog steeds bepalend is voor hoe linkse bewegingen kijken naar imperialisme en machtsmisbruik. Hiroshima is een krachtig symbool dat bepaalde claims over de morele autoriteit van de Verenigde Staten ondermijnt. Palestina heeft, zeker sinds 7 oktober, nauwelijks nog uitleg nodig: het is de lens geworden waardoor een hele generatie naar de westerse beschaving en haar ontevredenen kijkt. Het Iraanse schoolmeisje, dat omkwam bij een aanval die kort in de westerse media opdook en vervolgens in de vergetelheid raakte, is in de reeks opgenomen alsof men wil zeggen: ‘Haar dood hoort in dit rijtje thuis.’ De verwijzing naar Epstein werkt als een sleutel die een al half geopende deur verder opent. Vrijwel onmiddellijk was de video overal te zien: gedownload, ontdaan van watermerken, opnieuw geüpload en gedeeld, vaak zonder enige context.
De raketvideo is een van de tientallen video’s die de media-afdelingen van de Revolutionaire Garde in de eerste 39 dagen van de oorlog hebben gemaakt. Deze video’s zijn uitgebracht in het Engels, Arabisch en Perzisch, en domineren de narratieve oorlog – vooral onder wat je het digitale publiek van het mondiale Zuiden zou kunnen noemen, en onder Amerikaanse en Europese millennials en Gen-Z’ers. Het gaat om jonge gebruikers op platforms als X, Instagram, TikTok en Telegram, die de westerse berichtgeving over Gaza hebben gevolgd en daar hun eigen conclusies uit hebben getrokken over welke bronnen ze nog vertrouwen. Deze video’s sluiten naadloos aan bij wat er al leeft onder deze groepen, of het nu gaat om iemand in Ohio die boos is over de Epstein-dossiers, of om iemand in Amman die al meer dan twee jaar naar Gaza kijkt en geen geduld meer heeft voor westerse preken over ‘proportionaliteit.’ Ze zijn gemaakt voor mensen die al met bepaalde frustraties en vermoedens rondlopen, en bieden een verhaal dat daar precies op aansluit, alsof het al klaarstond en alleen nog ingevuld hoefde te worden.
Ik zie deze video’s nu elke dag viraal gaan. Het is een soort dwang geworden. Elke ochtend open ik Telegram, Instagram en X en scroll ik door wat er ’s nachts is binnengekomen van de productiehuizen die ik gedurende twee decennia veldwerk heb gevolgd. Ik kijk naar het aantal keer dat ze zijn gedeeld. Ik zie Amerikanen zonder enige kennis van of interesse in Iran video’s die in Teheran zijn gemaakt doorsturen naar hun volgers, alsof ze iets delen dat ze zelf hebben ontdekt. In reactiesecties op verschillende platforms zie je dan opmerkingen als: ‘Iran vecht voor ons allemaal.’
Ik blijf nadenken over hoe deze oorlog er in de Amerikaanse informatieomgeving uit had moeten zien. De afgelopen 47 jaar is het beeld van Iran in het Amerikaanse leven verrassend stabiel gebleven. De basis daarvoor werd gelegd door Ted Koppel in de winter van 1979. Hij verscheen elke avond op televisie om bij te houden hoeveel dagen Amerikanen in Teheran gegijzeld werden. Dat item groeide uiteindelijk uit tot het programma Nightline en werd bepalend voor de vorm van het Amerikaanse televisienieuws. Bijna twee weken na het begin van de gijzelingscrisis in november 1979 keek Koppel in de camera en zei iets dat me altijd is bijgebleven: ‘Iran is meer geworden dan alleen een crisis. Het is een obsessie.’ Hij bedoelde het als een diagnose. Hij kon niet weten dat hij daarmee de basis legde voor de volgende halve eeuw van het Amerikaanse buitenlandse beleid – het sjabloon dat elke presidentiële toespraak en elk moment van geënsceneerde verontwaardiging over de Islamitische Republiek en het Midden-Oosten dat zou volgen, zou structureren. Iran nam vervolgens een vaste plaats in binnen de Amerikaanse politieke verbeelding. De vijand bij uitstek. De irrationele theocratie. De staat waarmee niet te praten viel, die alleen in bedwang gehouden of vernietigd kon worden. De beelden die ermee geassocieerd werden, waren die van fanatieke menigten en brandende vlaggen. Teksten als ‘as van het kwaad’ en ‘staat die terrorisme steunt’ werden telkens herhaald, zodat het niet langer als een verhaal voelde, maar als het weer.
De aanvallen op Teheran waren bedoeld als het moment waarop al die geduldige framing eindelijk effect zou hebben: een Amerikaans publiek dat begreep, of dacht te begrijpen, waarom dit moest gebeuren. Maar die beïnvloeding werkt niet meer zoals vroeger. De formele Amerikaanse en Israëlische media-infrastructuur steunt op institutioneel vertrouwen dat de afgelopen jaren catastrofaal is aangetast. Wanneer media als AFP, de New York Times, de BBC en CNN door veel mensen worden gezien als tekortschietend in hun berichtgeving over Gaza – een beeld dat wijdverbreid is en niet geheel onterecht – dan ondermijnt dat de geloofwaardigheid waarop westerse media normaal gesproken steunen.
Tegelijkertijd veranderde er iets binnen de As van het Verzet – het door Iran geleide netwerk van krachten dat Hezbollah, Hamas, de Houthi’s en sjiitische milities in Irak en Syrië omvat. Deze groepen delen hun verzet tegen Amerikaanse en Israëlische invloed in de regio. Wat vooral veranderde, was de manier waarop zij zich tot de buitenwereld richten. Die omslag werd echt zichtbaar op 7 oktober. Toen Hamas zijn aanval op Israël lanceerde, speelden camera’s een even belangrijke rol als wapens. Beelden van GoPro-camera’s en drones werden binnen enkele uren via sociale media verspreid. Tijdens het tijdelijke staakt-het-vuren in november 2023 liet Hamas Israëlische gevangenen vrij, terwijl camera’s bewust waren opgesteld om momenten zoals handdrukken en high-fives vast te leggen. Dit leek een gerichte reactie op het beeld van ‘menselijke beesten’ dat door Israëlische functionarissen was verspreid. De Houthi’s plaatsten video’s van zichzelf terwijl ze dansten aan boord van in beslag genomen schepen op de Rode Zee en produceerden strak gemaakte muziekvideo’s. Die gingen viraal op TikTok. Jongeren die eerder weinig op hadden met de Jemenitische politiek, begonnen zich met hen te identificeren. Demonstranten in Londen scandeerden: ‘Jemen, Jemen, maak ons trots, laat nog een schip omkeren.’
Maar er is een reden waarom de situatie van Iran anders is, en dat verschil zit ‘m niet alleen in de schaal, al speelt die zeker ook een rol. Iran heeft bijna veertig jaar geïnvesteerd in het opbouwen van een omvangrijk systeem voor media- en cultuurproductie, iets wat geen enkel ander lid van de As van Verzet in dezelfde mate heeft. Tijdens tien jaar veldwerk in Iran volgde ik de leiders en makers die deze media-infrastructuur hebben opgebouwd. De media-afdeling van de Revolutionaire Garde omvat productiestudio’s, filmcollectieven, culturele centra, universitaire programma’s en een uitgebreid opleidingssysteem voor nieuwe generaties mediamakers. De basis hiervoor werd al eind jaren tachtig gelegd. Na de Arabische Lente benadrukte de Opperste Leider Ali Khamenei herhaaldelijk dat media het belangrijkste strijdtoneel zijn. In 2024 zei hij tijdens een bijeenkomst met dichters: ‘Media zijn effectiever dan raketten, vliegtuigen en drones om de vijand tot terugtrekken te dwingen, en harten en geesten te beïnvloeden. Elke oorlog is een mediaoorlog. Wie de meeste invloed heeft in de media, bereikt zijn doelen.’ De afgelopen vijftien jaar heeft Khamenei ervoor gezorgd dat er voldoende geld, talent en prioriteit naar digitale contentproductie ging. Tegenwoordig beheert of financiert de Revolutionaire Garde minstens vijftig productiehuizen. De organisatie heeft grote invloed op de belangrijkste streamingdiensten in Iran en heeft de filmsector grotendeels naar zich toe getrokken. De mediabedrijven bestaan vaak uit complexe netwerken van dochterondernemingen en afsplitsingen die bewust moeilijk te traceren zijn: geprivatiseerd, verspreid en zó ingericht dat ze van buitenaf lastig te volgen zijn. Sommige productiehuizen richten zich op speelfilms en televisieseries. Andere – op dit moment de belangrijkste – zijn klein, flexibel en gericht op online content. Ze worden gerund door een nieuwe generatie makers die in Iran aan de macht komt, nu oudere leiders verdwijnen door de Amerikaans-Israëlische aanvallen. Deze generatie is jonger, digitaal vaardiger en minder bang voor de Verenigde Staten.
In 2013 stond Reza (een pseudoniem) voor een zaal met jonge paramilitaire Basij-studenten aan de kunsthogeschool van Teheran. De Basij is de grootste civiele mobilisatieorganisatie van Iran, opgericht na de revolutie. Ze is aanwezig in vrijwel alle lagen van de Iraanse samenleving, en fungeert op scholen en universiteiten vaak als de repressieve arm van de staat. Reza wilde met deze nieuwe generatie in gesprek over de crisis waarmee hun organisatie geconfronteerd werd.
Reza, inmiddels 61 jaar, was ooit kapitein bij de Revolutionaire Garde en werd later filmmaker. Als tiener vocht hij in de Iraaks-Iraanse oorlog. Na de oorlog hielp hij mee aan de opbouw van het Iraanse media-apparaat, vooral op het gebied van film en televisie. Samen met anderen ontwikkelde hij een herkenbare beeldtaal waarin ze sterk geloofden en die ze zorgvuldig bewaakten. Die stijl was zwaar en plechtig: beelden van martelaarschap in slow motion, begeleid door muziek die de ernst van het offer voelbaar moest maken. Die aanpak sprak vooral mensen aan die deze symboliek al kenden en deelden. Aan anderen ging zij grotendeels voorbij. En juist dat wilde Reza veranderen.
In die zaal zat ook Amir (een pseudoniem), inmiddels 37 jaar oud. Zijn productiehuizen maken tegenwoordig enkele van de populairste video’s over de oorlog. Amir en zijn vrienden vormden de derde generatie van paramilitaire, pro-regeringsgezinde filmmakers. Na 2005 sloot hij zich aan bij de Basij, binnen een nieuw kader dat was opgezet door Ali Khamenei. Hij kreeg training in ideologische programma’s die gericht waren op wat de Iraanse staat een ‘zachte oorlog’ noemt: de strijd om informatie en cultuur, gevoerd via westerse media en de televisie- en socialemedia-netwerken van de Iraanse diaspora.
‘Waarom,’ vroeg Reza die dag, ‘bereiken we met al die middelen die de Islamitische Republiek in mediaproductie steekt zo weinig mensen?’ Hij vatte het samen met een beeld: ‘We zijn als een winkelier met voor miljoenen aan goederen, die per maand nauwelijks iets verkoopt – misschien voor tienduizend toman,’ destijds ongeveer drie dollar. ‘Met andere woorden: we zenden uit op een frequentie die niemand kan horen.’
Hij had het niet alleen over het bereiken van jonge Iraniërs, maar over het bereiken van de hele wereld. Decennialang was de communicatie van de Islamitische Republiek naar buiten toe gebaseerd op één centraal verhaal: morele verontwaardiging. De Verenigde Staten hadden in 1953 de Iraanse premier Mohammad Mosaddegh afgezet. Ze hadden Saddam Hussein gesteund tijdens de oorlog tussen Iran en Irak. En ze hadden Iran met zware sancties getroffen, economisch onder druk gezet en geïsoleerd. Dat was allemaal waar. Maar het probleem met een moreel argument is dat het alleen werkt als je publiek gelooft dat jij zelf moreel handelt. En Iran werd in het Westen al zo lang neergezet als dé vijand, dat die geloofwaardigheid ontbrak. Binnen Iran zelf werd dat probleem nog groter. Naarmate de staat repressiever werd, veranderde het morele verhaal in iets dat niet alleen ineffectief was, maar zelfs averechts werkte. Het liet juist de kloof zien tussen hoe de staat zichzelf presenteerde en hoe burgers de werkelijkheid ervoeren. Daarom zeiden Reza en zijn collega’s tegen hun studenten: ‘We moeten films maken waarvan de mensen niet eens doorhebben dat wij ze hebben gemaakt.’
Volgens Reza moest de Revolutionaire Garde daarom een andere koers varen: minder confronterend communiceren en meer ruimte bieden voor verzoening, ook richting critici. De generatie van Reza bestond niet uit simpele denkers of puur ideologische figuren. Sommigen waren juist getalenteerde filmmakers die in de nasleep van revolutie en oorlog iets betekenisvols hadden opgebouwd. Tegelijk waren het, in zekere zin, ook vaders – de patriarchen van de Islamitische Republiek. Hun levenservaringen hadden hen op latere leeftijd voorzichtiger gemaakt. Ze droegen het trauma van de oorlog met zich mee: loopgraven, bloedige veldslagen, en herinneringen aan de gezichten van hun vijanden. Die ervaringen maakten dat ze koste wat kost een nieuwe oorlog wilden vermijden. Hun houding tegenover de Verenigde Staten was daardoor complex. Ze hadden ertegen gevochten, maar waren zich ook scherp bewust van de enorme macht van het land. Ze hadden gezien wat Amerikaanse militaire technologie kon aanrichten en hoe sancties een economie konden ontwrichten. Hun media drukten weliswaar verzet uit, maar dat verzet werd altijd getemperd door een diep besef van de mogelijke gevolgen.
Nog voordat Reza zijn presentatie kon afmaken, stond Amirs beste vriend, Mostafa, op. Hij wees met zijn vinger en zei: ‘Jullie generatie is misschien moe van de confrontatie. Maar de onze niet.’
De jongere generatie had geen minderwaardigheidscomplex. Ze waren opgegroeid met conflicten met de Verenigde Staten en Israël – in Irak, in Syrië en in Libanon – en met het idee dat ze daarin succes hadden. Ze hadden gezien hoe door Iran gesteunde groepen de Amerikaanse invloed in de regio wisten te weerstaan en soms zelfs te slim af waren. Ze waren zelfverzekerder, minder terughoudend in het tonen van macht en meer gericht op het beeld van Iran als winnaar, in plaats van als slachtoffer of martelaar. Velen van hen waren zelfs religieuzer dan de generatie vóór hen, maar ze zagen de binnenlandse sociale strijd – zoals het afdwingen van de hijab of culturele controle – niet als hun prioriteit. Volgens Amir zou moraliteit vanzelf voortvloeien uit macht. ‘Je hoeft niet te zeggen dat je gelijk hebt,’ zei hij eens. ‘Je moet laten zien dat je wint.’
‘Ze denken nog steeds dat Amerika en Israël almachtig zijn en dat wij altijd het slachtoffer zijn,’ vertelde Mostafa me later die week, in een klein productiehuis in het centrum van Teheran waar hij werkte. Hij was het zat dat hem steeds werd gevraagd zijn gevoelens te temperen. ‘Het soort verhalen dat de oudere generatie wil blijven maken, inspireert niemand,’ voegde Amir eraan toe, met een lichte oogrol. ‘We moeten juist geloven in onze eigen kracht.’
Toen Amir en Mostafa eenmaal waren afgestudeerd en fulltime gingen werken, begonnen ze video’s te maken met snellere montage en een speelsere, minder eerbiedige stijl. Maar als ze die aan de oudere generatie lieten zien, kregen ze vaak te horen: ‘Dit is niet serieus genoeg.’ Daarom maakte Amir voor de staatstelevisie vooral veilige, voorspelbare content, terwijl hij zijn eigen ideeën opschreef in notitieboekjes en deelde in groepschats met leeftijdsgenoten die er net zo over dachten. Ze bespraken wat zij anders zouden doen als zij de beslissingen mochten nemen. In de loop der tijd werden ze steeds beter in begrijpen waarom bepaalde content online aanslaat. Toen de sancties tegen Iran verder werden aangescherpt, begonnen Amir, Mostafa en hun collega’s in hun vrije tijd socialemediacampagnes te maken voor bedrijven. Tegelijk volgden ze nauwgezet wat viraal ging op platforms die de staat officieel juist afkeurde.
Vier jaar geleden, toen er veel geld binnenkwam uit deze socialemediacampagnes, besloot Amir – net als veel van zijn leeftijdsgenoten – voor zichzelf te beginnen en een eigen productiestudio op te richten. De staatstelevisie en online kanalen die gelieerd zijn aan de Revolutionaire Garde kochten zijn films en korte video’s. Deze studio’s zijn niet officieel onderdeel van de Garde, maar produceren wel content voor de bredere media-afdelingen van de staat. Ze krijgen financiering van zowel de Garde als andere staats- en militaire organisaties. Amir begon jonge medewerkers aan te nemen, vaak rond de achttien jaar oud. Het gaat meestal om kinderen van de eerste en tweede generatie veteranen van de Garde – de zonen en dochters van mannen zoals Reza. Zij groeiden op in een relatief welvarende midden- tot hogere klasse, konden internationale reizen maken en goede opleidingen volgen. Ze zijn opgegroeid met hetzelfde internet als hun leeftijdsgenoten wereldwijd, en beschikken daardoor over een grote mate van zelfvertrouwen en culturele flexibiliteit, gevormd door een leven waarin ze altijd keuzes hebben gehad.
De ingewikkelde religieuze taal die lange tijd had bepaald hoe Iran en zijn bondgenoten met de buitenwereld spraken, verdween naar de achtergrond. Verwijzingen naar Karbala, het begrip umma en andere theologische kaders – die vooral begrijpelijk waren voor ingewijden – maakten plaats voor iets anders. In plaats daarvan gebruikten ze nu woorden en begrippen uit de taal van de mensenrechten en het internationaal recht: kolonialisme, bezetting, genocide en anti-imperialisme. Een taal die voor veel mensen in de postkoloniale wereld herkenbaar was en geen kennis van de sjiitische islam vereiste om te begrijpen. Het was de strategie van de oudere generatie – iedereen bereiken, je herkomst minder zichtbaar maken en de taal van je publiek spreken – maar nu uitgevoerd door mensen die ook echt de vaardigheden hadden om dat effectief te doen.
Toen begonnen de ‘vaders’ te verdwijnen. Niet allemaal tegelijk, en niet altijd letterlijk. Maar de moorden, aanvallen en het opeengestapelde geweld van de afgelopen achttien maanden – beginnend met de liquidaties van commandanten van de Quds-brigade van de Revolutionaire Garde en de top van Hezbollah, en versneld door de twaalfdaagse oorlog en de Amerikaans-Israëlische gerichte aanvallen vanaf 28 februari – hebben iets fundamenteels veranderd. Sleutelfiguren die de oude machtsstructuur in stand hielden, werden uitgeschakeld. Daardoor ontstond ruimte: wat de jongere generatie tegenhield, viel weg. Hiërarchieën die normaal traag werkten, moesten ineens snel schakelen. Poortwachters verdwenen, werden opzijgeschoven of konden het tempo simpelweg niet meer bijbenen, vooral in de negen maanden na de twaalfdaagse oorlog. In die situatie kwam de generatie van Amir naar voren. Hun vaardigheden sloten precies aan bij wat nodig was. Ze hadden hun infrastructuur al opgebouwd en beschikten over de juiste netwerken voor financiering en verspreiding. In een informatieoorlog die zich afspeelt in het tempo van virale content, begon Amirs jonge team dagelijks hoogwaardige animaties te produceren. Ze spraken vloeiend de ‘taal’ van het internet: korte, vaak door AI gemaakte video’s, een mix van humor en ernst, en emotionele momenten die perfect aansluiten bij hoe mensen tegenwoordig scrollen en kijken.
De ernst en de plechtige toon van de generatie die de Iraaks-Iraanse oorlog meemaakte, zijn niet verdwenen – die zie je nog steeds terug in officiële herdenkingen en op de Iraanse staatstelevisie. Maar het is niet langer de belangrijkste manier waarop Iran zich naar buiten toe uitdrukt. Die rol is overgenomen door iets anders: een stijl die de oudere generatie misschien te licht of oppervlakkig zou vinden, maar die wél miljoenen mensen bereikt die vroeger nooit iets van de Islamitische Republiek zouden hebben aangeklikt.
Elke video vertelt in grote lijnen hetzelfde verhaal: dat Donald Trump zou zijn misleid door Benjamin Netanyahu, dat hij de Amerikanen heeft verraden die hem steunden omdat hij beloofde geen nieuwe oorlogen in het Midden-Oosten meer te zullen te beginnen, en dat hij het aflegt tegen Iraniërs die niet alleen hun eigen land verdedigen, maar ook de wereld beschermen tegen wat zij de ‘Epstein-klasse’ noemen. Tot de populairste behoren een reeks AI-gegenereerde LEGO-animaties, waarvan sommige zijn gemaakt door de studio van Amir. Deze verschenen al binnen enkele dagen nadat de eerste Amerikaans-Israëlische bombardementen op Teheran begonnen. Amir en zijn collega’s groeiden op met Amerikaanse films zoals The Lego Movie, waarin een verzetsgroep probeert een tiran te stoppen.
In een van de eerste AI-gegenereerde AI LEGO-video’s die viraal gingen, speelt het verhaal zich af op een snelle trap-beat, met rap in een Amerikaans accent. Figuren als Donald Trump, Benjamin Netanyahu en Ali Khamenei verschijnen als plastic poppetjes. Trump zweet, omdat de Amerikanen beseffen dat zijn presidentschap niet ‘America First’ is, maar ‘Israel First.’ In de animatie stort een goktafel om hem heen in, als symbool voor een oorlog waaruit hij geen uitweg vindt. De songtekst is scherp en aanvallend: ‘Je stak de oceaan over alleen maar om je graf te vinden. Je offerde je eigen jongens op voor een leugen. Welkom op het kerkhof van je ijdelheid.’ De Iraanse vlag verandert vervolgens in een doolhof van ruïnes waarin Trump vast komt te zitten. Het refrein herhaalt onverbiddelijk: ‘L.O.S.E.R. Proef de as van de nederlaag.’ Bijna dagelijks verschijnen er nieuwe AI-LEGO-video’s uit Iran die snel viraal gaan. Een recente video richt zich bijvoorbeeld op Pete Hegseth, zijn vermeende drankzucht en problemen met vrouwen: ‘We pakken de Baäl-aanbiddende Epstein Island-bende aan, degenen die de kinderen pijn hebben gedaan. Wraak voor elke Amerikaanse ziel die jij en Trumps smerige bende hebben onderdrukt en misbruikt. We nemen wraak voor de meisjes die jij hebt gebroken.’
De verwijzing naar Epstein loopt als een rode draad door veel van deze video’s. In een korte clip staan Trump en Netanyahu bijvoorbeeld in met bloed doordrenkte kleren op de rand van een klif. Blonde meisjes met mappen waarop ‘Epstein-dossier’ staat, marcheren op hen af, samen met Iraanse schoolmeisjes uit Minab – voorgesteld als een soort leger van onderdrukten. Door een enkele knippering van hun ogen vallen Trump en Netanyahu over de rand in een rivier van vuur beneden. De onderliggende boodschap – dat de regering-Trump deze oorlog mede zou zijn begonnen om onthullingen rond het Epstein-dossier te voorkomen – is niet door Iran bedacht. Het idee circuleerde al eerder, vooral in linkse en progressieve kringen, maar ook steeds vaker binnen de MAGA-beweging. Daar voelden sommige aanhangers zich verraden, omdat ze hadden verwacht dat Trump juist het netwerk rond Epstein zou blootleggen. Ook in Arabische online gemeenschappen vond dit verhaal weerklank. Dat komt mede door de bekende banden van talloze zakenmensen en leiders uit de Golfregio met Epstein, en omdat het aansluit bij bredere discussies over de vermeende hypocrisie van het Westen en zijn Arabische bondgenoten.
Dan is er nog de trailer voor een nepfilm met de titel Iran War: Straight Outta Hormuz, die viraal ging op MAGA-influenceraccounts, waaronder die van Marjorie Taylor Greene. Het gaat om een door AI gemaakte parodie op een ‘coming soon’-teaser, compleet met een verzonnen cast: Paul Giamatti als Benjamin Netanyahu, Liam Neeson als Donald Trump, Ian McKellen als Ali Khamenei, Jake Gyllenhaal als Mojtaba Khamenei, Rob Lowe als Pete Hegseth en Zach Galifianakis als J.D. Vance. De dialoog draait om twee mannen die vastzitten in een soort eindeloze routine – een sketch die ze al tientallen jaren opvoeren en waar ze niet meer uit kunnen stappen.
Netanyahu: ‘Meneer, ze staan op het punt kernwapens te krijgen.’
Trump: ‘Hoeveel tijd hebben we nog?’
Netanyahu: ‘Nog twee weken.’
Trump: ‘Twee weken in welke zin?’
Netanyahu: ‘Méér twee weken dan vijf jaar geleden.’
De grap is allesbehalve subtiel, en dat is juist de bedoeling. Iedereen die kijkt, begrijpt hoe absurd dit verhaal is.
Ik volg deze content op alle grote sociale-mediaplatforms, waar ik voor onderzoek tientallen nepaccounts heb aangemaakt. Die laat ik meedraaien in verschillende sociale en politieke algoritmes. Wat me opvalt – en dat heb ik in tien jaar onderzoek nog niet eerder gezien – is dat al mijn feeds naar elkaar toe groeien en uiteindelijk bijna hetzelfde worden. Nog nooit heb ik meegemaakt dat één type content zo sterk domineert in verschillende sociaal-politieke online omgevingen als de video’s die nu vanuit Iran over deze oorlog worden verspreid.
De manier waarop deze video’s zich online verspreiden, laat zien hoe groot hun bereik is. Vaak beginnen ze op officiële of semi-officiële Iraanse accounts. Daarna komen ze terecht in het netwerk van de ‘As van het Verzet’ – accounts die verbonden zijn met groepen zoals Hezbollah, de Houthi’s en Iraakse milities, met een gedeelde symboliek en een goed opgebouwde infrastructuur op platforms zoals Telegram. Van daaruit verspreiden ze zich verder, bijvoorbeeld via Russische kanalen, waar ze worden gepresenteerd als bewijs van een opkomende multipolaire wereldorde. Vervolgens bereiken ze bredere linkse, anti-imperialistische netwerken – groepen die kritisch zijn op westerse media en gevoelig zijn voor thema’s als kolonialisme, waar deze video’s op inspelen. Daarna worden ze opgepikt in MAGA-kringen. Soms worden watermerken verwijderd, maar steeds vaker worden de video’s juist gedeeld als ‘de nieuwste video uit Iran.’ Op dat punt verspreidt de content zich door allerlei politieke groepen die zichzelf niet als gelijkgestemd zien, en die waarschijnlijk verrast zouden zijn als ze ontdekten dat ze precies dezelfde video’s delen.
De makers begrepen dat dit zou gebeuren. Niet de exacte manier waarop elke stap van de verspreiding verloopt, maar wel de onderliggende logica: maak content die aansluit bij bestaande gesprekken, in plaats van een nieuw gesprek te beginnen, en het zal zich verder verspreiden dan je zelf ooit zou kunnen bereiken. Dat is in essentie hoe iets viraal gaat.
De Iraanse revolutie vond plaats aan het einde van een eeuw die werd gekenmerkt door antikoloniale strijd – dezelfde beweging die ook zichtbaar was in landen als Algerije, Vietnam, Cuba en Mozambique, waar werd geprobeerd de macht van Europese en Amerikaanse imperia af te breken. Het was de laatste revolutie die die energie nog in zich droeg. In 1979 kwam ze tot uiting in haar eigen taal: nationale soevereiniteit, verzet tegen westerse en Sovjetinvloed, en het recht van een volk om zelf zijn toekomst te bepalen. Maar daarna liep het vast. De dominante boodschap verschoof naar religieus martelaarschap, los van het oorspronkelijke antikoloniale kader. Wat nu zichtbaar wordt, is dat de media-afdeling van de revolutie eindelijk de taal van deze eeuw leert spreken – een taal die is gevormd in de ruïnes van Irak, in het geweld in Gaza, en in alle momenten waarop westerse instellingen verantwoordelijkheid beloofden, maar in plaats daarvan straffeloosheid lieten voortbestaan.
Maar dit lijkt niemand in Washington, Moskou of Peking echt te zien: de andere grootmachten worden nog steeds geleid door de ‘vaders.’ Joe Biden was zo’n vader. Donald Trump is er één. En ook Xi Jinping, Vladimir Poetin en Benjamin Netanyahu zijn vaders, leiders van wie het politieke denken is gevormd in de twintigste eeuw. Ze spreken de taal van die tijd en begrijpen macht zoals die werd gezien vóór het internettijdperk. Ze spelen nog steeds hetzelfde oude spel, maar met steeds minder resultaat.
De gerichte liquidaties van de topfiguren waren bedoeld om Iran te verzwakken. Maar ze hebben misschien iets heel anders bereikt. Door de oude poortwachters uit te schakelen, is de macht verschoven naar een nieuwe generatie politieke en militaire leiders, de eersten die zijn opgegroeid met het internet. Zij begrijpen intuïtief hoe aandacht werkt: hoe die zich verplaatst, waarom iets viraal gaat en wat juist verdwijnt. De oudere generatie heeft de infrastructuur opgebouwd. Hun zonen hebben de oorlog geërfd. En voor het eerst in deze eeuw wordt een grote militaire én informatieoorlog geleid door millennials die alles wat ze weten hebben geleerd via hetzelfde internet als het publiek dat ze proberen te bereiken.
Zo ziet de overgang van de twintigste naar de eenentwintigste eeuw eruit: geen ceremonie, geen duidelijk moment van overdracht, maar een opeenvolging van virale momenten. Een raket die een boog trekt tegen een bleke hemel, en ondertussen is de wereld eronder al veranderd.
Vertaling: Menno Grootveld
