Categorieën
Economie Politiek

Private equity als eindspel van het kapitalisme

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 7 april 2026

fotografie: Whiting Foundation

door Hettie O’Brien

Hettie O’Brien levert regelmatig bijdragen aan de Guardian Long Read, is assistent-redacteur bij de rubriek Opinion van The Guardian en auteur van The Asset Class: How Private Equity Turned Capitalism Against Itself, dat op 9 april verschijnt

Wil je weten wat het eindspel van het kapitalisme is? Kijk dan naar private equity – dat heeft ons dagelijks leven volledig in zijn greep.

Deze bedrijven bezitten tegenwoordig alles, van kinderdagverblijven tot verzorgingstehuizen, en halen maximale winst uit essentiële diensten, terwijl wij uiteindelijk de rekening betalen.

Het waren de gratis croissants die het verrieden. En het Scandinavisch ogende meubilair. En de smaakvolle pastelkleurige muren. Het voelde anders dan de andere kinderdagverblijven die ik had bezocht: iets duurder, het esthetische equivalent van een WeWork voor peuters. Ik was acht maanden zwanger en bezocht diverse kinderdagverblijven in Zuidoost-Londen voor mijn dochter. Op dat moment besefte ik nog niet dat dit geen gewoon kinderdagverblijf was, maar een prototype voor een enorm experiment dat zich inmiddels stilletjes over heel Groot-Brittannië verspreidt.

Het kinderdagverblijf dat ik bezocht, wordt gefinancierd door private equity: een grotendeels onzichtbare, maar enorm machtige financiële sector die inmiddels bijna overal een vinger in de pap heeft. Private-equityfondsen en vergelijkbare vermogensbeheerders bezitten tegenwoordig waterbedrijven, appartmentencomplexen, studentenhuisvesting, verzorgingstehuizen, kindertehuizen, uitvaartondernemingen en nog veel meer. De grote spelers in deze sector hebben een ‘van de wieg tot het graf’-investeringsmodel ontwikkeld. Ze richten zich op de plekken waar we wonen, werken, oud worden en uiteindelijk sterven, nemen daar essentiële diensten over en proberen er vervolgens zo veel mogelijk winst uit te halen.

Laat ik duidelijk zijn: ik heb niets tegen gratis croissants. De problemen ontstaan pas wanneer fondsbeheerders gaan bepalen wat er gebeurt met instellingen die de samenleving draaiende houden. De afgelopen vijf jaar zijn in het hele Verenigd Koninkrijk door private equity gefinancierde kinderdagverblijven als paddenstoelen uit de grond geschoten. Ze hebben onafhankelijke opvangcentra opgekocht en samengevoegd tot grote ketens. Voor een buitenstaander lijken veel van deze locaties nog hetzelfde als vroeger, maar achter de schermen is er veel veranderd. Deze ketens rapporteren winsten die tot wel zeven keer hoger liggen dan het overschot van non-profitkinderdagverblijven. Tegelijk geven ze tot veertien procent minder uit aan personeel en hebben ze veel hogere personeelsverloopcijfers dan kinderdagverblijven die door scholen worden beheerd. Door hun sterke focus op winst is de kans bovendien kleiner dat ze zich vestigen in armere wijken. En ze kunnen ook plotseling sluiten. Dat ondervonden ouders in Hackney onlangs toen hun kinderdagverblijf van de ene dag op de andere de deuren sloot. Zo ga je niet om met een essentiële maatschappelijke voorziening.

De afgelopen vier jaar heb ik onderzoek gedaan naar private equity. In die tijd ben ik steeds meer onder de indruk geraakt van hoe groot de rol van deze sector in ons dagelijks leven is, en van wat dat laat zien over hoe macht en rijkdom tegenwoordig worden georganiseerd. Een belangrijke aanwijzing zit al in de naam: private equity gaat over bedrijven die privébezit zijn. In tegenstelling tot beursgenoteerde ondernemingen hoeven bedrijven die in handen zijn van private-equityfondsen nauwelijks informatie openbaar te maken over hun activiteiten of financiën. Daardoor is het vaak moeilijk om te achterhalen waar het geld precies naartoe gaat. Het is bijvoorbeeld lastig om te zien hoe de kosten van kinderopvang worden besteed, en zelfs of een bedrijf winst maakt of verlies lijdt.

‘Het daglicht is het beste ontsmettingsmiddel,’ zei ooit Louis Brandeis, rechter bij het Amerikaanse Hooggerechtshof en liberaal hervormer. Met andere woorden: openheid maakt controle mogelijk. Wanneer informatie verdwijnt, verdwijnt ook de mogelijkheid tot effectieve controle. Als eigendomsvorm lijkt private equity dan ook bijna het tegenovergestelde van democratie. De macht komt in handen van een kleine groep uitzonderlijk rijke dealmakers, die profiteren van het feit dat de samenleving hen moeilijk ter verantwoording kan roepen. Het is dan ook geen verrassing dat de Republikeinse partij herhaaldelijk heeft gepleit voor wetgeving die de invloed van deze sector op de Amerikaanse economie verder zou versterken.

De term private equity is eigenlijk een vorm van camouflage. Hij verhult dat bij veel van deze overnames enorme schulden komen kijken. Het basismechanisme daarachter is de zogeheten ‘leveraged buy-out.’ Dat werkt ongeveer zo: een fondsbeheerder koopt een bedrijf met een klein deel eigen geld en leent de rest. Vervolgens wordt die schuld op het gekochte bedrijf zelf afgewenteld. Als de deal goed uitpakt, gaat de winst naar de beleggers. Gaat het mis, dan is het het bedrijf – en niet de belegger – dat met de schulden blijft zitten. In theorie zou deze schulddruk bedrijven slanker, efficiënter en beter georganiseerd moeten maken. In de praktijk kan het echter grote schade aanrichten, vooral wanneer het gaat om publieke of essentiële diensten. Bij kinderdagverblijven bijvoorbeeld hebben ketens die door private equity worden gesteund, ondanks hun grote schuldenlast, weinig gedaan om het tekort aan opvangplekken te verminderen. Sterker nog: door hun financiële structuur zijn ze kwetsbaarder voor een faillissement. Als zo’n bedrijf omvalt, blijven ouders zonder kinderopvang achter en werknemers zonder baan.

Het verhaal van hoe de financiële topwereld zich begon te bemoeien met zulke alledaagse voorzieningen begon – zoals zoveel ontwikkelingen in Groot-Brittannië – in de jaren tachtig. Ministers in de Conservatieve regering van Margaret Thatcher maakten zich zorgen dat het land economisch achteropraakte en keken naar de Verenigde Staten voor antwoorden. In 1987 keurde de regering een regeling goed waardoor fondsbeheerders minder belasting hoefden te betalen over hun winsten dan gewone werknemers over hun inkomen. De ministers dachten dat ze daarmee durfkapitalisten zouden aantrekken: beleggers die, net als in Silicon Valley, nieuwe bedrijven en technologieën zouden helpen ontstaan – misschien wel de volgende iPhone of elektrische auto. In plaats daarvan kregen ze vooral fondsbeheerders die bestaande bedrijven goedkoop opkochten en vervolgens met schulden overlaadden. Daarmee werd de basis gelegd voor het huidige private-equitymodel.

Hoe meer tijd ik besteedde aan het doorzoeken van archieven, het interviewen van financiers en het lezen van biografieën van overleden dealmakers, hoe meer ik de werkwijze van deze sector ben gaan zien als een metafoor voor hoe macht tegenwoordig werkt in het 21e-eeuwse Groot-Brittannië. We leven in een systeem waarin particuliere rijkdom en extravagantie de keerzijde zijn geworden van publieke bezuinigingen. Overheden hebben de overheidsuitgaven teruggedrongen in naam van fiscale verantwoordelijkheid, terwijl de nieuwe eigenaren van diensten die ooit door de staat werden beheerd enorme schulden opstapelen. Tegelijk hebben beleggers roekeloze financiële spelletjes gespeeld met onze vitale infrastructuur, terwijl het toezicht zo sterk is uitgekleed dat veel toezichthouders nauwelijks nog onderzoeken welke problemen hierdoor ontstaan.

Dit alles weerspiegelt een nóg duisterder ontwikkeling in de economie, waarbij door schulden aangedreven speculatie een van de belangrijkste manieren is geworden om rijkdom te vergaren. Tegenwoordig zijn het niet alleen fondsbeheerders die met geleend geld bedrijven opkopen. Wie door TikTok scrolt, komt al snel een hele industrie van influencers tegen die het welvaartsevangelie van ‘passief inkomen’ verkondigen. Zij leren hun volgers hoe ze met geleend geld huizen kunnen kopen om die vervolgens te verhuren aan ongelukkige huurders. Zoals Stefano Sgambati, een onderzoeker die deze ontwikkelingen in onze politieke economie bestudeert, het eens tegen mij verwoordde: ‘Het spel is simpel: je leent geld en probeert vervolgens anderen jouw schulden te laten betalen.’

De afgelopen tachtig jaar werd het kapitalisme vooral gerechtvaardigd door het idee dat de economie voortdurend zou groeien en dat uiteindelijk iedereen daarvan zou profiteren. Mensen accepteerden dat sommigen grotere stukken van de taart kregen, zolang ze geloofden dat zij zelf ook meer dan alleen de kruimels zouden overhouden. Maar in een ongelijke en stagnerende economie verandert dat beeld. Het kapitalisme lijkt dan minder op een steeds groter wordende taart, en meer op een nulsomspel: om te winnen, moet iemand anders verliezen. Als de waarde van jouw huis stijgt, betekent dat vaak dat iemand anders geen eigen woning meer kan betalen. En wanneer een fondsbeheerder winst maakt door studentenhuisvesting op te kopen, betaalt uiteindelijk ergens een student de rekening.

In deze context is het eigenlijk heel logisch dat beleggers zich richten op essentiële diensten. Zelfs wanneer mensen op bijna alles moeten bezuinigen, blijven bepaalde dingen nog steeds noodzakelijk: water, energie en een plek om te wonen. Ouderen hebben nog steeds verzorgingstehuizen nodig. En ouders met kinderen hebben nog steeds kinderopvang nodig. Dat private equity zich steeds meer op zulke sectoren richt, wijst op iets diepers en verontrustenders. Het duidt erop dat het kapitalisme niet per se hoeft te groeien om te blijven bestaan. In plaats daarvan hebben degenen aan de top een eenvoudigere manier gevonden om hun rijkdom te vergroten: koop de basisvoorzieningen van het dagelijks leven op, overlaad ze met schulden en schuif de gevolgen af op gewone mensen.

Vertaling: Menno Grootveld

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *