Oospronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 6 april 2026

door Aaron Bastani
Aaron Bastani is medeoprichter van Novara Media en de auteur van Fully Automated Luxury Communism.
De Chinese fabrieken zijn klaar voor een doorbraak
Er zijn sterke argumenten om Deng Xiaoping, de leider van China vanaf 1978, te zien als de belangrijkste historische figuur van de tweede helft van de twintigste eeuw. Hij werd twee keer uit de partij gezet, maar keerde telkens terug en wist zich uiteindelijk opnieuw aan de top te vestigen. Deng voerde een markteconomie in, terwijl hij tegelijkertijd de eenpartijstaat in stand hield. Hij was daarmee de centrale architect van het moderne China: van de opkomst als technologische grootmacht tot het invoeren van het éénkindbeleid.
Eén uitspraak wordt vooral verbonden met de kleine opvolger van Mao Zedong. Zijn beroemde gezegde luidt: ‘Het maakt niet uit of een kat zwart of wit is. Als hij muizen vangt, is het een goede kat.’ Met andere woorden: een socialistische samenleving kan best een markteconomie hebben, net zoals een kapitalistische samenleving elementen van een planeconomie kan bevatten. Waar het uiteindelijk om gaat, is welke maatschappelijke belangen voorrang krijgen. Als je deze gedachte van Deng begrijpt, begrijp je ook hoe het huidige China particuliere bedrijven en winstbejag kan toestaan, terwijl het tegelijkertijd probeert de schadelijkste kanten van het kapitalisme te beperken. De economische doelen van de Chinese staat worden namelijk politiek vastgesteld door de Communistische Partij van China, en niet door de belangen van particuliere kapitaalbezitters. Zo’n planstaat is niet altijd even zachtzinnig – het is bijvoorbeeld misschien geen goed idee om het vruchtbaarheidsbeleid door een raketingenieur te laten ontwerpen – maar dit systeem heeft China wel geholpen om uit te groeien tot een geopolitieke grootmacht.
Op zijn eigen, onnavolgbare manier hield Trump onlangs een spiegel voor aan de beroemde uitspraak van Deng Xiaoping. ‘Ik respecteer China, omdat het … een systeem is dat eigenlijk niet zou moeten werken,’ zei hij vorige week tegen een publiek in Miami. ‘Maar kijk eens hoe goed ze het doen, hoeveel ze produceren. Ze maken zó veel auto’s dat ze zelfs wedstrijden houden om te zien wie de minste auto’s kan produceren.’ Als Dengs uitspraak bekendstaat als de ‘witte kat’-formule, dan heeft Trump misschien een minder poëtische variant geleverd: de ‘te veel auto’s’-theorie. Die beschrijft treffend hoe bedrijven in China, vaak met steun van de staat, grote marktaandelen veroveren door simpelweg meer te produceren dan de markt vraagt. Tien jaar geleden leidde dat tot een plotselinge overvloed aan zonnepanelen. Tegenwoordig zien we hetzelfde gebeuren met elektrische auto’s.
Zo’n openlijke erkenning van het succes van het Chinese systeem, zeker door een Republikeinse president, lijkt misschien verrassend, maar eigenlijk zou dat niet zo moeten zijn. Deng Xiaoping heeft het politieke en economische systeem van zijn land ingrijpend hervormd. Nu, bijna een halve eeuw later, lijkt het er steeds meer op dat de Verenigde Staten op de een of andere manier dit voorbeeld zullen moeten volgen. De vraag is alleen of dat na Donald Trump nog mogelijk is. Terwijl de Volksrepubliek China een systeem heeft waarin de partij hetzelfde blijft maar het beleid kan veranderen, lijkt het in de Verenigde Staten juist andersom te werken. Gezichten, facties en retoriek veranderen voortdurend – de politieke polarisatie is overal en wordt steeds heviger – maar de onderliggende economische structuur blijft grotendeels hetzelfde.
Zelfs vóór de oorlog met Iran was al duidelijk dat de Verenigde Staten – en het zogeheten politieke Westen in het algemeen – zich in een periode van relatieve achteruitgang bevinden. Hun gezamenlijke hoogtepunt lag rond het begin van deze eeuw, toen de landen van de OESO ongeveer tachtig procent van het wereldwijde nominale bbp vertegenwoordigden. Tegenwoordig ligt dat aandeel rond de zestig procent, terwijl de economische invloed – en daarmee ook de politieke macht – steeds meer naar het oosten verschuift. Volgens sommige berekeningen is China inmiddels al de grootste economie ter wereld, met India en Rusland eveneens hoog op de ranglijst, terwijl de Verenigde Staten de tweede plaats innemen.
Hoewel het verleidelijk kan zijn om te wijzen op de recente economische groei aan de andere kant van de Stille Oceaan, berust de economische expansie in de Verenigde Staten grotendeels op schulden. Het Amerikaanse bbp groeide tussen 2020 en 2025 weliswaar met ongeveer negen biljoen dollar, maar in dezelfde periode nam de staatsschuld nog sterker toe, met elf biljoen dollar. Zelfs aan het begin van het jaar, nog vóór de moord op ayatollah Khamenei, stonden de arbeidsmarktcijfers en het aanhoudende begrotingstekort haaks op Trumps retoriek over een economisch wonder. Zoals bij vrijwel elke Republikeinse president sinds Ronald Reagan is het groeimodel herkenbaar: belastingverlagingen die met tekorten worden gefinancierd, terwijl tegelijkertijd wordt gepleit voor een kleinere overheid. De Brookings Institution concludeerde onlangs dat het handhaven van de door Trump ingevoerde belastingvoordelen ertoe zou leiden dat de schuldquote van de VS tegen de jaren vijftig van deze eeuw boven de tweehonderd procent van het bbp uitkomt. Het beeld dat dan ontstaat lijkt een beetje op Japan, maar dan zonder de snelle treinen en zonder de sociale samenhang.
Maar het probleem is niet alleen dat het Westen trager groeit. China wordt tegelijkertijd steeds concurrerender, als industriële grootmacht én als wereldwijd centrum voor innovatie. Begin deze eeuw, toen China mocht toetreden tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO), was de heersende gedachte dat de Verenigde Staten zich geleidelijk zouden de-industrialiseren en zich meer zouden richten op de hoogwaardige delen van de productieketen. Het vuile en arbeidsintensieve werk zou dan worden overgelaten aan armere en minder innovatieve landen. Een bekend voorbeeld van die logica was de Apple iPhone. De telefoon werd weliswaar in Azië geassembleerd, maar ontworpen in Californië, de thuisbasis van ’s werelds grootste technologiebedrijf, dat ook het eerste bedrijf was dat een marktwaarde van één biljoen dollar bereikte.
Tegenwoordig ontwikkelt China echter zijn eigen varianten van de iPhone, van merken als Xiaomi tot Huawei, terwijl het land nog steeds bijna een derde van de wereldwijde industriële productie voor zijn rekening neemt. Daarnaast groeit de Chinese auto-industrie razendsnel. BYD is inmiddels ’s werelds grootste producent van elektrische auto’s en heeft Tesla enkele jaren geleden ingehaald. Ook op andere terreinen blijft China invloedrijk. Huawei is, ondanks dat het op verschillende westerse markten is verboden, nog altijd een wereldleider op het gebied van 5G-netwerken.
China bouwt ook een steeds grotere voorsprong op in sectoren zoals lithium-ionbatterijen, zonnecellen en drones. Zes van de tien grootste accuproducenten ter wereld zijn Chinees, en het land produceert ongeveer negentig procent van alle consumentendrones. De innovatiekloof op deze terreinen lijkt bovendien alleen maar groter te worden. Veelzeggend is dat BYD momenteel alleen al meer dan honderdduizend mensen in dienst heeft voor onderzoek en ontwikkeling.
Tot slot is er het opvallende succes van China op het gebied van hernieuwbare energie. Negen van de tien zonnepanelen ter wereld worden in China geproduceerd. Nu wereldwijd bijna de helft van alle elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen komt – waarbij zonne-energie verreweg de belangrijkste is – levert dat China enorme exportmogelijkheden op. In 2025 groeide de wereldwijde zonne-energiecapaciteit met 511 gigawatt, en vrijwel al die nieuwe capaciteit kwam van panelen die in het Rijk van het Midden zijn gemaakt.
De Iran-oorlog lijkt deze ontwikkeling nog te versnellen. Niet alleen omdat zij de industriële kracht van China benadrukt, maar ook omdat zij de voordelen zichtbaar maakt van een zogeheten planningsstaat, waarin particuliere bedrijven nauw samenwerken met de overheid. De strategie van Iran om zijn strategische ligging te gebruiken om een belangrijk economisch knelpunt te blokkeren en zo een wereldwijde energiecrisis te veroorzaken, kan ertoe leiden dat Peking uiteindelijk de grootste winnaar van het conflict wordt.
In de eerste dagen van de oorlog verschenen vaak beweringen dat de aanvallen op zowel Iran als Venezuela deel uitmaakten van een nieuw geopolitiek ‘Great Game,’ waarbij de Verenigde Staten probeerden de toegang van China tot goedkope fossiele brandstoffen te ondermijnen. Maar afgezien van het feit dat Iran slechts ongeveer twaalf procent van de Chinese energievoorziening leverde, waren het in werkelijkheid vooral de traditionele bondgenoten van Amerika – met name in Europa en Oost-Azië – die het meest kwetsbaar waren voor een blokkade van de Straat van Hormuz. De zogeheten Pax Americana berustte namelijk niet alleen op Amerikaanse veiligheidsgaranties voor deze regio’s, maar ook op het garanderen van een stabiele en goedkope energievoorziening. Wanneer dat fundament wankelt, komt niet alleen de energiehandel in gevaar – ongeveer een vijfde van de wereldwijde oliehandel loopt via de Straat van Hormuz – maar ook de bredere economische stabiliteit. Die veronderstellingen staan nu onder druk. En daarmee staat ook de geloofwaardigheid van de Amerikaanse wereldorde zelf op het spel.
Peking heeft zich goed op dit moment voorbereid. China is niet alleen een netto-exporteur van geraffineerde olie, maar beschikt ook over een strategische reserve van ongeveer 1,3 miljard vaten aardolie, genoeg om ongeveer drie maanden aan binnenlandse vraag te dekken. Daardoor kan de Chinese staat, terwijl de energieprijzen voor buitenlandse concurrenten stijgen, de energieprijzen voor binnenlandse fabrikanten stabiel houden. Dat geeft Chinese bedrijven een belangrijk voordeel. Bovendien zullen Chinese exporteurs hier op een unieke manier van profiteren: niet alleen door de stabiele energieprijzen in eigen land, maar ook doordat in veel sectoren de wereldwijde vraag toeneemt. Voor bedrijven als BYD, CATL (een grote batterijfabrikant) en LONGI (producent van zonnepanelen) lijkt een ideaal scenario te ontstaan. Deze bedrijven hebben jarenlang geïnvesteerd in het ontwikkelen van zeer efficiënte technologie voor hernieuwbare energie, ondersteund door sterk geoptimaliseerde wereldwijde toeleveringsketens. Tot voor kort leek dat misschien een risicovolle strategie. Maar de komende weken en maanden kan de wereldwijde vraag naar deze producten sterk toenemen.
Zelfs voordat de stroom aan nieuwe bestellingen op gang kwam, zagen Chinese producenten van lithium-ionbatterijen hun gezamenlijke beurswaarde al met zeventig miljard dollar stijgen in de eerste fase van de oorlog. Vorige week kondigde de Indonesische president plannen aan om de zonne-energiecapaciteit van het land in de komende twee jaar bijna te vertienvoudigen, van elf gigawatt naar honderd gigawatt. ‘We gaan alle motorfietsen ombouwen tot elektrische motorfietsen,’ zei hij. ‘Ook alle auto’s, vrachtwagens en tractoren moeten elektrisch worden.’ De Zuid-Koreaanse president Lee Jae Myung heeft soortgelijke uitspraken gedaan. Hij voegde eraan toe dat de noodzaak om snel over te schakelen op hernieuwbare energie zó urgent is dat het hem ’s nachts wakker houdt.
Als zulke plannen werkelijkheid worden, betekent dat dat er honderden miljarden dollars zullen worden besteed aan Chinese producten. Dat zou niet alleen een enorme exportimpuls geven aan de Chinese cleantechsector, die al decennialang profiteert van staatssteun, maar het laat ook iets anders zien: de vooruitziende blik van de Chinese planningsstaat. Tegen het einde van dit decennium zal namelijk bijna de helft van het kobalt dat in Congo wordt gewonnen in handen zijn van Chinese bedrijven, terwijl ongeveer zeventig procent van de raffinage in China zelf plaatsvindt. Dat is belangrijk omdat kobalt een essentieel onderdeel is van lithium-ionbatterijen. Terwijl Washington een reeks kostbare oorlogen voerde in het Midden-Oosten, heeft Peking zich verzekerd van toegang tot de kritieke mineralen die nodig zijn voor de belangrijkste technologieën van de 21e eeuw. Hetzelfde geldt voor grafiet en tantaal – waarbij dat laatste een cruciaal metaal is voor condensatoren, die op hun beurt onmisbaar zijn voor de stabiele werking van wind- en zonne-energie.
Als het gaat om zeldzame aardmetalen, heeft China inmiddels een belangrijk strategisch voordeel. Het land beschikt over grotere voorraden van deze grondstoffen dan enig ander land. Voor de Verenigde Staten is dat een zorgwekkende situatie, aangezien hun leger naar verluidt slechts genoeg reserves heeft voor ongeveer twee maanden gebruik. Hoewel zeldzame aardmetalen ook in andere landen voorkomen, bijvoorbeeld in Australië, heeft China momenteel bijna een monopolie op de raffinage en verwerking ervan. Als Washington werkelijk technologische onafhankelijkheid wil bereiken, zal het deze sector waarschijnlijk zelf moeten ontwikkelen. Vanuit militair perspectief is het belang van deze grondstoffen namelijk enorm. Zo zou één F-35-gevechtsvliegtuig alleen al honderden kilo’s zeldzame aardmetalen nodig hebben.
Maar zoals we al hebben gezien, is dat vrijwel onmogelijk te realiseren zolang de politieke consensus al lange tijd uitgaat van het idee dat industrie minder belangrijk is dan financiële dienstverlening, technologiebedrijven en verschillende vormen van rentenierschap. De winstmarges in sectoren als mijnbouw en grondstoffenverwerking kunnen weliswaar groot zijn, maar als ondernemingen bieden ze niet de schaalbaarheid waar het Amerikaanse techkapitaal naar zoekt. Wanneer je ondernemerschap bekijkt vanuit het perspectief van monopolies, zoals bijvoorbeeld Peter Thiel doet, worden deze sectoren al snel onaantrekkelijk. Ze kennen namelijk weinig netwerkeffecten en vereisen bovendien veel arbeid, wat ze minder aantrekkelijk maakt voor investeerders die vooral op snelle schaalvergroting mikken.
Zoals NS Lyons vorig jaar schreef op UnHerd, is het gebrek aan productiecapaciteit in het Westen een van zijn meest opvallende defensieve zwaktes. Zelfs nu, na jaren van oorlog in Oekraïne, kunnen Europa en de Verenigde Staten niet tippen aan het vermogen van Rusland om artilleriegranaten te produceren. Als het Westen al moeite heeft om gelijke tred te houden met Rusland – een land waarvan de industriële basis lang niet zo groot of productief is als die van China – rijst de vraag welke kansen het zou hebben in een langdurig conflict met Peking. In 2025 produceerde China bijvoorbeeld een half miljoen consumentendrones. Wat zo’n productiecapaciteit zou betekenen in een oorlogseconomie, is bijna niet te bevatten. Daarnaast is de scheepsbouwcapaciteit van China inmiddels meer dan tweehonderd keer zo groot als die van de Verenigde Staten.
De paraatheid van China – die voortkomt uit zijn afwijzing van strikt marktfundamentalisme – biedt nu, in combinatie met de oorlog tegen Iran, een historische kans om die voordelen verder uit te bouwen. De macht van China is niet het resultaat van een steeds groter militair-industrieel complex, maar van civiele industrieën van wereldklasse die klaarstaan om nog meer marktaandeel te veroveren. Naarmate deze industrieën de komende maanden en jaren verder groeien – mede aangejaagd door de oorlog van Trump en Netanyahu – ontstaat er een nog grotere industriële basis die in tijden van oorlog kan worden ingezet. Het idee dat herbewapening de weg zou zijn naar industriële vernieuwing voor Groot-Brittannië, zoals John Healey en een groot deel van de Labour-partij beweren, betekent dat men niet alleen weigert de belangrijkste lessen van de afgelopen vijfentwintig jaar te erkennen, maar zelfs die van de afgelopen maand. Mocht er ooit een oorlog met China uitbreken, dan zou de Volksrepubliek het Westen waarschijnlijk verslaan om precies dezelfde reden waarom zij nu profiteert van de wereldwijde vraag naar groene technologie: zij produceert daadwerkelijk goederen. Haar defensiecapaciteit rust op haar industriële basis, en niet andersom.
Hoewel sommigen de huidige ontwikkelingen in de Perzische Golf vergelijken met de Suezcrisis, lijkt het Amerikaanse-Israëlische falen om Teheran een beslissende nederlaag toe te brengen eerder op de betekenis van de val van Singapore voor het Britse Rijk. Met andere woorden: het zou misschien niet meteen het einde van de Pax Americana inhouden, maar wel het begin van het einde. De geleidelijke uitholling van bondgenootschappen, het afnemende vertrouwen in de competentie van de Verenigde Staten als hegemon, en de verminderde voordelen van het huisvesten van Amerikaanse militaire bases spelen allemaal een rol. Maar vooral het feit dat Washington een oorlog is begonnen die China’s voorsprong in industrie en technologie waarschijnlijk nog verder zal vergroten, laat zien dat de VS misschien wel hun meest roekeloze zet tot nu toe hebben gedaan.
Plotseling lijkt de toekomst zich dan ook duidelijker af te tekenen. Energiestabiliteit – of Europa nu meer van zijn eigen beperkte fossiele brandstoffen gebruikt of niet – zal vooral meer elektrificatie, meer batterijen en meer energieopslag vereisen. Kortom: het betekent een grotere inzet van technologieën waarin China nu al de onbetwiste marktleider is. En met technologische dominantie komt ook politieke invloed, waardoor de geopolitieke verhoudingen onvermijdelijk zullen verschuiven.
Dengs op één na beroemdste uitspraak ging over de rol van China op het wereldtoneel: ‘Verberg je kracht en wacht je tijd af.’ Met de huidige voorsprong van China – op het gebied van technologie, toeleveringsketens en steeds vaker ook moreel gezag – lijkt de tijd van het verbergen echter voorbij.
Vertaling: Menno Grootveld
