Oorspronkelijke tekst: UnHerd, 5 april 2026

door Terry Eagleton
Terry Eagleton is criticus, literatuurtheoreticus en columnist bij UnHerd
Pasen is een viering van afwezigheid
In het hart van het christendom bevindt zich een groot leegte, beter bekend als het lege graf. Pasen draait in wezen om de afwezigheid van God, niet om een spectaculaire openbaring van Hem. Het graf is leeg omdat Jezus volgens het geloof uit de dood is opgestaan. Toch beschrijft het Nieuwe Testament die gebeurtenis zelf niet. Het vertelt over Jezus vóór zijn dood, en daarna over zijn verschijningen onder zijn leerlingen. Maar tussen die twee momenten gaapt een grote leegte.
Dat komt doordat de opstanding niet kan worden afgebeeld. Niet omdat zij te heilig is, maar omdat zij – hoewel christenen geloven dat ze werkelijk heeft plaatsgevonden – geen gebeurtenis is zoals een begrotingsbesluit of een oorlog dat is. Je had er geen foto van kunnen maken, zelfs niet als je met je telefoon bij het graf van Jezus had rondgehangen. Het is niet alsof hij geeuwde, overeind kwam, zijn lijkwade afwierp en knipperend met zijn ogen het zonlicht in liep. De opstanding stelt juist het idee zelf van wat een gebeurtenis is ter discussie. Is wachten bijvoorbeeld een gebeurtenis, of juist de afwezigheid daarvan? Verliefd worden is op een bepaalde manier een gebeurtenis, maar niet op dezelfde manier als het verbranden van een stuk toast. De opstanding is onvoorstelbaar, niet omdat ze niet echt zou zijn, maar omdat ze te werkelijk is om in beelden te vatten. Als er zoiets bestaat als een ultieme werkelijkheid, dan zouden we die niet in taal kunnen uitdrukken. Ze zou zich bevinden aan de andere kant van onze taal, zoals het onbewuste.
Maar de opstanding van Jezus uit de dood is niet zomaar een ‘spirituele’ of symbolische gebeurtenis, want er is een echt menselijk lichaam bij betrokken. De verrezen Jezus eet met zijn vrienden om te laten zien dat hij geen geest is; hij heeft echte wonden in zijn handen, enzovoort. Toch behoort dit lichaam tot een andere orde dan het lichaam van, laten we zeggen, Pete Hegseth – niet omdat het minder van vlees en bloed zou zijn, maar juist omdat het intensere werkelijkheid heeft.
Of er nu wel of niet iets in het graf is gebeurd, roept ook de vraag op wie als eerste meldde dat het lichaam verdwenen was. Volgens de overlevering was dat Maria Magdalena, die waarschijnlijk een sekswerker was en daardoor in de ogen van de gevestigde orde geen bijzonder betrouwbare getuige. Bovendien was zij een vrouw, en in die tijd werd de getuigenis van vrouwen vaak als van weinig waarde beschouwd. Het feit dat juist Maria en enkele andere vrouwen als eersten meldden dat het graf leeg was, moet voor de schrijvers van de evangeliën behoorlijk gênant zijn geweest. Als zij dat hadden gekund, hadden ze dit detail misschien liever uit het verhaal weggelaten. Dat ze het toch hebben opgenomen, duidt erop dat dit gegeven te algemeen bekend of te sterk overgeleverd was om te kunnen negeren.
Dit alles is nogal ongemakkelijk voor vrome gelovigen, die liever een positiever en duidelijker beeld van de Almachtige hebben dan simpelweg een lege ruimte. Toch verbieden de Hebreeuwse geschriften juist zulke beelden. De God van Israël staat niet toe dat er afbeeldingen van Hem worden gemaakt. Je mag geen gesneden beeld van God maken, omdat het enige authentieke ‘beeld’ van Hem van menselijk vlees en bloed is. Je mag Hem niet als afgod of fetisj gebruiken in de strijd tegen je vijanden, of proberen het paradijs binnen te dringen door wierook te branden bij een standbeeld van Hem. Zelfs een naam geven aan God is problematisch, omdat ook dat een manier kan zijn om Hem naar je hand te zetten – alsof je Hem in je zak kunt steken en kunt gebruiken om je eigen belangen te dienen.
Aan de andere kant vinden sommige Israëlieten het misschien makkelijker om hun oedipale fantasieën op God te projecteren en hem voor te stellen als een soort Big Daddy: een wraakzuchtige godheid die hen straft voor hun overtredingen en hen zo van hun schuld bevrijdt. In de Hebreeuwse traditie wordt dit valse beeld van Jahweh – als patriarch en streng superego – aangeduid met de naam Satan, wat letterlijk ‘aanklager’ betekent. Wanneer christelijk-nationalistische Amerikanen God aanroepen als opperbevelhebber van het universum, doen zij volgens de Bijbel precies wat de Schrift afgoderij noemt, hoe netjes hun broeken ook zijn gestreken en hoe stralend wit hun tanden ook mogen zijn. Het slechte nieuws voor hen is dat God niet meer bijzondere aandacht heeft voor de Verenigde Staten dan voor een plaatsje als East Grinstead. Er bestaan geen favoriete naties, en zelfs Israël vormt daarop geen uitzondering.
Sterker nog, volgens de Bijbel kan God behoorlijk ongeduldig en kritisch zijn jegens de oude Israëlieten. Sommigen van hen verwachten dat hij zich gedraagt als een soort superwezen, terwijl hij in werkelijkheid helemaal geen wezen is, tenminste niet op de manier waarop een mens, een dier of een voorwerp dat is. God is geen object, geen entiteit en geen individu zoals andere dingen in de wereld. Evenmin grijpt hij voortdurend in de menselijke geschiedenis in, alsof hij een politieke strateeg zou zijn. God en het universum staan niet tegenover elkaar als twee afzonderlijke dingen. Daarom is God ook niet ‘in de hemel’ op dezelfde manier waarop iemand in Chicago zou kunnen zijn. Toch hebben mensen de neiging eerbiedig naar boven te wijzen wanneer ze zijn naam uitspreken. In het boek Jesaja wordt dat idee scherp bekritiseerd. Wanneer de Israëlieten denken dat ze God kunnen behagen met brandoffers, klaagt hij dat hun wierook hem in de neus prikt. In plaats daarvan vraagt hij wat zij doen om weduwen en wezen te beschermen, en de armen te verdedigen tegen het geweld van de rijken.
Wanneer de Maagd Maria zwanger is van Jezus, barst zij uit in een triomfantelijk loflied. Daarin prijst ze de God die de machtigen van hun troon stoot en de nederigen verheft, die de armen met goede gaven vervult en de rijken met lege handen wegstuurt. Zulke motieven komen vaak voor in de Hebreeuwse geschriften. Maria zelf belichaamt deze boodschap. Als jonge, onbekende vrouw uit een arm en achtergesteld deel van het land staat zij symbool voor de nederigen en de armen. Het kind dat zij draagt zal later door de Romeinse staat worden gedood, omdat hij onbevreesd de waarheid spreekt. Hij zal het slachtoffer worden van een vorm van marteling en executie die de Romeinen meestal reserveerden voor weggelopen slaven en politieke opstandelingen: kruisiging. In zekere zin had hij nog geluk dat hij ‘slechts’ zes uur aan het kruis hing; sommige slachtoffers van kruisiging leden dagenlang voordat ze stierven.
Het is de vraag of Jezus zelf een revolutionair was, maar enkele van zijn naaste volgelingen waren dat waarschijnlijk wel. Een van hen, Simon, wordt zelfs een Zeloot genoemd, een lid van een anti-Romeinse verzetsbeweging uit die tijd. Twee andere leerlingen, Jakobus en Johannes, kregen een bijnaam die eveneens met zulke strijdlustige groepen wordt geassocieerd. Ook wordt wel gedacht dat Judas Iskariot Jezus heeft verraden omdat hij hoopte dat Jezus een gewapende opstand tegen de Romeinen zou leiden en teleurgesteld was toen dat niet gebeurde. Jezus zelf leefde als een rondtrekkende prediker zonder vast beroep. Hij uitte scherpe kritiek op de heersende elite en leek bovendien een ambivalente houding te hebben tegenover het traditionele gezin, zelfs tegenover zijn eigen familie. Voor hem had trouw aan zijn missie voorrang boven gewone sociale verplichtingen, zoals het bijwonen van de diploma-uitreiking van je kinderen.
Veel voorchristelijke samenlevingen kenden rituelen rond dood, begrafenis en wederopstanding. Denk aan vegetatie- en vruchtbaarheidscultussen, en aan mythen over een gedode of gewonde god die uiteindelijk het dorre land weer tot leven brengt. Ironisch genoeg liggen zulke motieven ook onder de oppervlakte van een van de meest uitgesproken moderne Engelse gedichten, The Waste Land van T.S. Eliot. Het gedicht is tegelijk archaïsch en avant-gardistisch. Het lijkt erop dat deze patronen en ritmes op een bepaalde manier diep in de menselijke psyche verankerd zijn. In dat opzicht introduceert het christendom niet iets volledig nieuws. Het bouwt voort op een lange traditie van offerrituelen. In die traditie staat het zondebokmotief centraal: een slachtoffer dat de zonden en schuld van een hele gemeenschap op zich neemt. Door te sterven aan deze toestand van onvruchtbaarheid en schuld, maakt het uiteindelijk nieuw leven en vernieuwing mogelijk.
Het christendom neemt dit patroon over, maar verandert het ook. In vruchtbaarheidscultussen – met geofferde goden en mythen over zoet water dat dor land weer vruchtbaar maakt – draait het uiteindelijk om macht over de natuur. De gemeenschap probeert de natuur te beheersen zodat de gewassen kunnen groeien. Dat wordt symbolisch uitgebeeld in het verhaal van een god die in de aarde wordt begraven en daarna opnieuw tot leven komt. Het idee daarachter is eenvoudig: het zaad moet sterven opdat de plant kan bloeien.
Wat het christendom doet, is dit alles van het niveau van de natuur en de biologie naar dat van de geschiedenis en de moraal te tillen. De dood blijft een essentieel onderdeel van verlossing, maar krijgt nu een andere betekenis: het gaat om sterven in de vorm van een liefdevolle zelfgave aan anderen, zoals zichtbaar wordt in het leven van Jezus. Niet brandoffers of geslachte afgoden, maar juist deze zelfgave vormt de voorwaarde voor nieuw leven. Je moet als het ware sterven aan het systeem dat in Jezus’ tijd werd belichaamd door de georganiseerde wreedheid en onrechtvaardigheid van het Romeinse Rijk, en opnieuw geboren worden in een gemeenschap van vriendschap en solidariteit. Daarom draait de doop symbolisch eerder om verdrinken en opnieuw opstaan dan om simpelweg gewassen worden.
Dit alles staat ver af van paashazen en beschilderde eieren. Pasen gaat zeker over vreugde en feest, maar zoals bij elk werkelijk geluk gaat dat gepaard met een hoge prijs. Zelfs al is het slechts symbolisch, je moet de weg door dood en verlies gaan om aan de andere kant uit te komen. Dat doen zonder enige zekerheid of garantie – dat noemen we geloof. Daarom wordt in de christelijke traditie gezegd dat Jezus bij zijn dood afdaalt in de hel: in die kakofonie van spot, gelach, gejoel en geschreeuw die het domein vormt van het demonische. Het demonische is de vijand van leven en betekenis. Het probeert alles te vernietigen wat wij mensen waardevol achten, omdat het dat ziet als een belachelijke illusie. Om werkelijk nieuw leven te vinden, moet je door deze duisternis heen – van Goede Vrijdag naar Paaszondag. Of, zoals de dichter W.B. Yeats het uitdrukte: ‘Niets kan heel of uniek zijn, dat niet eerst verscheurd is.’
De dood laat je echter niet zomaar achter je. Een van de meest ongemakkelijke kanten van de christelijke boodschap is dat wie op de juiste manier liefheeft, waarschijnlijk ook het risico loopt te worden gedood. Dat is een heel andere vorm van liefde dan de romantische, erotische of sentimentele liefde die tegenwoordig vaak aan de man wordt gebracht. Jezus sterft als martelaar: iemand die vrijwillig zijn leven geeft voor anderen. Voor veel mensen, zeker in een cultuur die waarde hecht aan gematigdheid en comfort, klinkt dat al snel te radicaal. Toch suggereert deze gedachte dat alleen zo’n radicale vorm van zelfgave werkelijk in staat is om een meedogenloos machtssysteem te doorbreken, een systeem dat vandaag de dag niet door een keizer als Caesar, maar door leiders als Donald J. Trump wordt belichaamd.
Vertaling: Menno Grootveld

Één reactie op “Over liefde en opoffering”
Leuk, al die omkeringen