Jos Scheren werkt samen met Spinoza, over wie hij met Wijnand Duyvendak een boek heeft gepubliceerd bij Starfish Books. De samenwerking betreft vooral de vraag hoe in tijden zoals nu de (politieke) verbeelding intact kan blijven. Het (onder meer door Spinoza ingefluisterde) antwoord : autonomie, de aanval is de beste verdediging.
Voor
Eddy PG (1934-2020)
1 Wat mij raakt is veel, al was het maar omdat ik het op hetzelfde
moment ook aanraak. In het New York van 1855 zegt Walt Whitman
daarom: I am large, I contain multitudes. Dat ik veel ben kan
mij onrustig maken. Ik kan er bang van worden of hoopvol, maar als
het meezit, wordt er iets gemaakt wat er niet nog niet is.
2 Iets wat mij raakt en wat ik weer aanraak, daar heeft Spinoza een woord voor: affect. Even schoolmeesterachtig, maar toch ook vooral praktisch: affect is niet hetzelfde als emotie. Een affect beweegt zich tussen mij en iets anders. Het is niet míjn affect, daarvoor is het te beweeglijk en te eindeloos. Hoe meer ik zelf terugtreed, des te vrijer het affect. Het loopt door me heen.
Vrijheid is overigens bij Spinoza niet allereerst de vrijheid van
meningsuiting. Geloof dat suffe praatje niet. Het is wel wat meer dan
dat. Het is de vrijheid van het affect om zich te ontwikkelen tot aan
de limiet van wat het kan. En als dat niet genoeg zegt, dan helpt
mogelijk dit: het affect wacht maximaal opmerkzaam op een gelegenheid
om zijn potentieel aan verbindingen te verwerkelijken. Nog niet
genoeg? De levende gemeenschappelijkheid die er al is, nog
intensiever te begeren: dat is het affect.
3 Nog even wat voorwerk voordat we komen waar we willen zijn. Of misschien komen we wel ergens anders uit. Hoe dan ook, je overgeven aan je affecten is geloven in de wereld – haar onzekerheid omarmen, zoals Deleuze (Spinoza parle par ma bouche) graag zegt. Ik vertrouw op/in de wereld die ik – de ʻvelen-ikʼ – maak. Op productieve wijze past deze ʻvelen-ikʼ zich aan de wereld aan. Geen ding in de wereld – ik niet, een haai niet, een rots niet – zou zich kunnen aanpassen aan wat er gebeurt, als ik – of de haai, of de rots – geen surplus, geen overvloed zou kennen. Er gebeurt niets zonder de ʻvelen-ik.ʼ
Wat gebeurt, doen wij gebeuren. Wij horen bij de wereld, omdat we
haar op elk ogenblik – echt waar, op elk ogenblik – opnieuw
creëren. Dat hoeven we niet eens te willen, dat doen we gewoon. Nou
ja, gewoon? Dat is wat wij kunnen, wat niemand ons helemaal kan
afnemen, en het is een niet gering voordeel in de huidige COVID
19-tijd: wij hoeven niet te hopen dat de wereld anders wordt. Hoop op
een andere, bij voorkeur betere wereld is niet nodig.
Wat dan ook niet nodig is, is verontwaardiging als het toch niet gaat
zoals ik had gehoopt. Want het zal nooit zo gaan zoals ik hoop.
Daarvoor is hoop te krachteloos en niet vernieuwend. Niet
vernieuwend? Nee, want vernieuwend is de maximale verwezenlijking
van mijn potentiëlen, ons surplus. Hoop, verontwaardiging,
aanklachten daarentegen zijn waarschuwingstekens. Ik moet oppassen
dat ik niet gescheiden dreig te raken van wat ik kan.
4 Onder 2 is gezegd: Spinoza’s affect is niet hetzelfde als
emotie. Dat is niet helemaal waar, zoals alles wat tot nu
toe is gezegd niet helemaal waar is. Het moet zijn: Een emotie is
een affect dat niet tot de limiet van zijn vermogen reikt. Een
emotie is een passie, een dadeloos gevoel, zegt Spinoza in zijn
Ethica – een tekst zo intensief nieuw dat hij blijft vernieuwen,
sub specie aeternitatis, vanuit de eeuwigheid bezien.
Emoties, passies zijn schijnbaar vaste patronen, waarin affecten zo
veel mogelijk geïdentificeerd worden – en ja, ook geneutraliseerd.
Een emotie is tevens de onderbreking van een affect, van zijn
vernieuwend potentieel, of tenslotte – zoals Marx in 1858 in Londen
noteert –: een toe-eigening van het surplus aan levensactiviteit.
Levende arbeid noemt hij dat laatste.
5 Misschien is emotie is een identificatie van een affect: de formulering die het snelst tot meer samenhang voert. Wat meer samenhangt is het beste! Deze zin gaat haast onmerkbaar over in een volgende: in een emotie krijgt het affect een overbekende naam – haat, medelijden, liefde, verontwaardiging, trots – en een drager, een mens van vlees en bloed, zoals dat heet, wiens emoties van alle tijden zouden zijn. Maar het is vooral een mens. Onthoud echter Spinozaʼs militante tegenwerping: de mens is geen rijk in een rijk, zijn menselijke vooroordelen maken hem dat wijs.(1) Daar valt nog heel wat meer over te zeggen, maar laten we nu naar het nu van COVID-19 gaan en naar de emotionele verwarring van dit moment, de verwarring dus door emoties.
6 Wat er ook in deze COVID-19-tijd zal veranderen, ten kwade of ten
goede, als het aan de emoties ligt, blijft alles bij het oude. Je
kunt angstig worden, depressief, hoopvol, verontwaardigd, stoïcijns
over wat er nu gebeurt – en dat gaat allemaal heen en weer, up en
down. Je kunt geloven, zeker weten, vrezen, hopen dat de wereld niet
meer de oude zal worden, zekerheid suggererend waar die niet is.
Alsof je de wereld waarin je leefde door en door hebt gekend en het
nieuwe, onzekere alleen in de toekomst zou liggen. Het verleden, dat
geen verleden is, is echter even onzeker als alles wat op ons af kan
komen. Onzeker vanwege alle crises die nooit tot een oplossing zijn
gekomen en onzeker vanwege al het nu nog virtuele nieuwe dat het
verleden bevat.
7 Hou je maar liever aan je affecten, maak er ruim baan voor. Dan
hoef je tenminste niet alsmaar geëmotioneerd te reageren op het
nieuws dat je overkomt, of op de gebeurtenissen waarvan je
toeschouwer blijft.
Het is beter en werkelijker om over het nieuwe niet te oordelen, maar
om het te maken. Zeg nooit dat iets nieuw is, maar maak het gewoon,
zonder iets te zeggen. Bereid vele vluchtwegen voor, omarm wat er
gebeurt, koester de onzekerheden, maar … interpreteer de wereld
niet, ook niet kritisch. Creëer wat jou aanraakt, zodat dat jou ook
weer maakt, dan ben je immers ʻvelenʼ:
The commonplace I sing;
The common day and night — the common earth and waters,
The democratic wisdom underneath, like solid ground for all.
(Walt Whitman)
8
Tegenwerping: er is onvermijdelijk nieuws dat zich aan je
opdringt, en er zal ook nu en in de komende COVID-19-tijd het nieuwe
zijn van de powers that be dat je overkomt: nog meer
surveillance en neoliberale onteigening. En beslist ook meer
eenzaamheid, die Whitmans multitudes, de ʻvelen-ik,ʼ
zal infecteren. Armzalig zelfbehoud zal je deel zijn. De te omarmen
onwaarschijnlijkheid van je affecten wordt onderbroken. Je zult een
prooi worden van je emoties, de dood zal rondwaren in je geest en in
je lichaam. Het surplus van de common zal worden geprivatiseerd en je
affecten tot emoties worden verarmd. Kortom: je leeft in een
gecontamineerde wereld, maar daar leefde je altijd al in.
9
Tegenwerping op de tegenwerping: realiseer je echter ook dat
de onteigenende en levensvijandige machten, hoe macroscopisch ook,
hun scheuren hebben. Ze zijn gevormd op basis van wat ze moeten
najagen – het surplus van levende arbeid, van productieve lichamen
en dito affecten. De common van dat surplus kan zich niet aan
onteigening onttrekken, maar de onteigening kan anderzijds evenmin
volledig zijn. Zij is parasitair op het surplus dat zij zelf niet is,
zo dicht mogelijk op het spoor ervan, zonder het te kunnen
toe-eigenen en te kunnen identificeren. Maar dat kunnen omgekeerd de
machten van de common, de ʻvelen-ik,ʼ
Whitmans solid ground for all ook niet.
10
Er bestaat een bijzondere kunstvorm, de kunst om in een
gecontamineerde wereld rechtop te blijven lopen. Daarvoor zijn nodig:
ervaring, verbeelding, bindmiddelen, vluchtwegen, nooduitgangen, een
echolood, betrouwbare affecten. Bij het rechtop lopen helpen hoop,
verontwaardiging, klagen en rationaliteit minder goed.
A
propos rechtop lopen: je loopt alleen rechtop als je bijna
valt en als je ook dat vallen weer weet te onderbreken. Je past je
creatief aan de zwaartekracht aan.(2)
Rechtop
lopen is veel moeilijker maar ook effectiever dan hopen, want hoop
speelt zich af zonder te verwerken beperkingen, zonder weerbarstig
materiaal. Hoop kent geen zwaartekracht. Alles is mogelijk als je
hoopt, dus ook niets.
11
De wegen van de common zijn ondoorgrondelijk, al was het maar omdat
telkens delen van zijn surplus in de powers that be, de
onteigenende machten, worden opgenomen. Waardoor een praktisch
probleem voor alle betrokkenen ontstaat: te moeten detecteren hoeveel
van de een in de ander zit. Aftasten hoeveel de ene macht heeft over
de ander, zich erin verplaatsen, zich er gelijk aan maken, maar tot
waar?
12
Niet alles maakt mij passief, dat kan niet. Maar wat mij passief
maakt en blokkeert, dat wil ik voor mijn eigen bestwil begrijpen.
Laten we het kapitaal noemen. Ik kruip in zijn huidlagen. Ik
word kapitaal, incognito, om te zien wat zich erin verbergt. Zonder
het helemaal te doorgronden, want zo door en door rationeel blijkt
het niet te zijn. Het is kapitaal en dat is het – door mijn toedoen
– ook weer niet.
In
feite is het simpel en toch uiterst gecompliceerd: kapitaal is een
relatie, een geheimzinnige relatie tussen de rusteloze
meerwaarde-honger, die zich om het surplus heen slingert, en het
verzet van de levende arbeid daartegen. Dat weet ik ongeveer, maar
ook alleen maar ongeveer – de relatie is het volgende moment alweer
anders. Kan ik kapitaal volledig inlevend begrijpen en kan het
kapitaal mij volledig beheersen? Nee, never nooit!
13
Spinoza acht zelfs in de treurigste passies – haat, ambitie, wraak,
kortom, ressentiment – levensdrang aanwezig. Hij laat weten dat de
meest neerdrukkende vormen van de werkelijkheid nog altijd, zo veel
mogelijk, ontcijferd kunnen worden aan de hand van het
levensdrang-surplus, of – zoals hij zegt – van de actieve,
vreugdevolle affecten. Zo veel mogelijk, tot aan hun limiet. Ook hier
geldt: nooit helemaal. Wat niet wegneemt dat het belangrijkste is dat
ik wat mij blokkeert alleen vanuit mijn macht zo krachtig mogelijk
kan begrijpen.
14
Je kunt je afvragen: ‘Wat gaat er gebeuren door/met deze
COVID-19-pandemie?ʼ Je
zult je ongetwijfeld onzeker, misschien zelfs wel angstig, afvragen
wat er nu veranderen gaat, wat er nieuw zal zijn. Maar bedenk dan in
ieder geval een paar dingen die – wie weet – kunnen helpen:
A
: Er bestaat ook een militante onzekerheid. Dat is niet de
subjectieve onzekerheid, hoe onvermijdelijk ook, van een naar de
randen van de common teruggeworpen individu. Maar de werkelijkheid is
onzeker in haar potenties – objectief onzeker. Er is geen virtuele
werkelijkheid, alle werkelijkheid is virtueel. Je weet niet welke van
haar potenties zich met elkaar verbinden en je weet niet wat jij
daarbij kunt. Je surplus is je onbekend. Hou het zo, dan kan je ook
van je zelf staan te kijken.
B:
B is eigenlijk nog A, iets nieuws is zonder militante onzekerheid
niet mogelijk. Je kunt het nieuwe niet vaststellen en zelf dezelfde
blijven. Het nieuwe kan zich alleen maar met zichzelf vergelijken,
maar of dat nog vergelijken is? Voorspel het nieuwe niet, creëer
het. Wees geen toeschouwer van je eigen wereld.
C:
A en B zijn geen ʻfeel goodʼ-
boodschappen. De objectieve onzekerheid van de wereld kan ook
destructieve verbindingen opleveren, die – eenmaal op drift gekomen
– accelereren naar onbekende vormen van fascismen en andere
sinistere attractors. (3) A en B betekenen slechts dat er geen reden
voor hoop noch voor hopeloosheid is.
11
Wat als een viroloog het COVID-virus kritisch zou benaderen? Als
zij/hij het virus zou doorgronden op de manier waarop bijvoorbeeld
een mâitre-penseur het neoliberalisme of het populisme doorziet. De
viroloog zou zich een beter wezen voelen dan het virus, en verder
vooral herhalen dat het virus maar niet tot inkeer komt en geen beter
wezen wil worden, dus niet wil ophouden een virus te zijn.
Godzijdank
is de viroloog niet kritisch en geen aanklager. Het virus wordt
gerespecteerd, het is tenslotte vele malen ouder dan de mens en er
worden verbindingen mee gelegd. Het virus dat zich op de scheidslijn
van leven en niet-leven bevindt, wordt tot leven gebracht om te weten
wat het kan.
Spinoza
heeft voor de conceptualisering van dit soort processen een woord
bedacht: notiones comunes, ʻgemeenschappelijke
begrippen.ʼ Begrippen die ontstaan
en blijven ontstaan door de ontwikkeling van nieuwe natuurlijke
verbindingen, emerging properties. En Spinoza heeft nog een
aardige toevoeging: gemeenschappelijke begrippen zijn vreugdevol. Zij
leven. Het zijn geen abstracta, ze interpreteren niet.
12
Korte vraag: Is neoliberalisme een levend begrip?
13
Tenslotte: Wij zijn niet in oorlog met COVID-19. De common en de
gemeenschappelijke begrippen sluiten dat uit. Wat wel dreigt is de
infectie van onze verbeeldingskracht, maar die dreigt zowel van de
kant van degenen die het virus de oorlog hebben verklaard als –
laten we eerlijk zijn – niet zelden van onszelf.
ʻMenschlichkeit.ʼ
Wir halten die Tiere nicht für moralische Wesen. Aber
meint ihr denn, dass die Tiere uns für moralische Wesen halten? –
Ein Tier, welches reden konnte, sagt: ʻMenschlichkeit
ist ein Vorurteil, an dem wenigstens wir Tiere nicht leiden.ʼNietzsche, Morgenröte. Köln, 2011, p. 234.
ʻWalking as controlled fallingʼconveys the sense that freedom, or the ability to move forward
and to transit through life, isn’t neccesarily about escaping from
constraints. (…) You move forward by playing with the constraints,
not by avoiding them. Brian Massumi, Politics of affect,
Cambridge, 2015 p. 16
De objectieve onzekerheid van de werkelijkheid sluit herhaling van
oude fascismen uit. Nog afgezien van het feit dat die oude fascismen
uit de twintigste eeuw nog steeds een raadsel zijn en dat ook zullen
blijven. Als de werkelijkheid objectief onzeker is en door en door
virtueel, dan is ze dat ook voor wat betreft haar verleden, dat geen
verleden is.
Ben Tarnoff is schrijver en mede-oprichter van Logic Magazine.
De
geschiedenis beweegt zich over het algemeen langzaam, maar soms ook
heel snel, als een plotselinge golfbeweging. De coronavirus-crisis
heeft ons in dit laatste ritme gekatapulteerd. Het tempo van de
gebeurtenissen is sterk toegenomen, en het verloop ervan is
onmogelijk te voorspellen. Achteraf gezien kan 2020 een 1968 of een
1917 blijken te zijn geweest: een jaar van sprongen en breuklijnen,
of een harde scheidslijn tussen het ene en het andere tijdperk.
Hoe
zouden we het nieuwe tijdperk kunnen karakteriseren? Het is moeilijk
om definitieve conclusies te trekken over een periode die zich nog in
de vroegste fasen van haar ontwikkeling bevindt. Toch is het mogelijk
om ondanks de snelle veranderingen een voorlopige schets te maken.
Zoʼn
schets kan echter alleen van nut zijn als hij, al is het slechts in
grove lijnen, de scherpte van de breuk en de nieuwheid van de
situatie die hierdoor is ontstaan, vastlegt. Zoals Stuart Hall
schreef:
Als
zich een conjunctuurverschuiving voordoet, is er geen ʻweg
terug.ʼ
Dan schakelt de geschiedenis naar een andere versnelling. Het terrein
verandert. Je bent in een nieuw moment terechtgekomen. Je moet ʻmet
geweld,ʼ
met al het ʻpessimisme
van het intellectʼ
dat je tot je beschikking hebt, aandacht schenken aan de ʻdiscipline
van de conjunctuur.ʼ
Een
conjunctuur is iets dat uit andere dingen is opgebouwd, letterlijk
een ʻsamenvoeging.ʼ
Dus een goede manier om te beginnen is het schenken van aandacht aan
de verschillende elementen die tezamen die conjunctuur vormen.
Idealiter zou dit niet alleen een waslijst moeten zijn van
verschillende dingen die gebeuren, maar ook een verslag van hoe ze in
elkaar passen, en een theorie over het complexe, tegenstrijdige
geheel dat wordt gegenereerd door hun interactie.
Dat
is moeilijk werk, en het vereist een langdurige, collectieve
inspanning. Er zijn veel mensen nodig om samen te denken en te
handelen, teneinde dit nieuwe terrein te kunnen doorgronden. Wat
volgt is een eerste poging om daartoe een bijdrage te leveren: een
gedeeltelijke inventarisatie van de omstandigheden in de VS en een
voorlopig beeld van hoe ze in elkaar passen.
De
economie stort in. Economen van Goldman Sachs hebben voor het tweede
kwartaal van 2020 een daling van het bbp met 34 procent op jaarbasis
voorspeld – een implosie zonder historisch precedent. Ter
vergelijking: de ergste jaarlijkse daling van het bbp op jaarbasis
tot nu toe is 13 procent, die zich in 1932 voordeed tijdens de Grote
Depressie. De voorspellingen van Goldman voor de rest van 2020 zijn
ietwat rooskleuriger: een terugkeer naar een groei met dubbele
cijfers in het derde en vierde kwartaal, zodat het bbp op jaarbasis
over het hele jaar 2020 gemiddeld met 6,2 procent zal dalen.
Deze
cijfers zouden uiteindelijk echter te optimistisch kunnen blijken. Ze
gaan ervan uit dat de lockdowns en het social distancing tegen het
einde van het jaar in voldoende mate zullen zijn versoepeld om iets
dat op een normaal leven lijkt te kunnen hervatten. De economen
Warwick McKibbin en Roshen Fernando opperen daarentegen, en dat is
aannemelijker, dat de economische gevolgen van de coronavirus-crisis
ernstiger zullen zijn. Zij vermoeden dat een pandemie die een jaar
duurt en een miljoen mensen doodt – een schatting die binnen het
bereik ligt van de huidige voorspellingen van de Centers for Disease
Control, en misschien zelfs te laag is gezien het huidige
verspreidingstempo van de infectie – het bbp over het hele jaar met
8,4 procent zal doen dalen.
Maar
een abrupte daling van de groei is niet de enige reden tot
bezorgdheid. Het is ook mogelijk dat we binnenkort opnieuw met een
financiële crisis te maken zullen krijgen, wat de situatie er
aanzienlijk pijnlijker op zou maken. Vooral de schuldenlast van
bedrijven is kwetsbaar, mede als gevolg van de manier waarop
overheden de vorige financiële crisis hebben aangepakt. Om de crisis
van 2008 te kunnen bestrijden hebben centrale bankiers het geld
goedkoop gemaakt door de rente te verlagen. Dit heeft bedrijven er
weer toe aangezet om obligaties uit te geven, vooral om er fusies en
overnames en het terugkopen van de eigen aandelen mee te financieren.
Omdat de meeste van deze bedrijven geen grote reserves in contanten
achter de hand hebben, kunnen zelfs kleine verstoringen ervoor zorgen
dat zij hun schulden niet meer kunnen aflossen. Gezien de immense
omvang van deze schulden – de wereldwijde waarde van
niet-financiële bedrijfsobligaties bedroeg eind 2019 13,5 biljoen
dollar – zou een nieuwe crisis het financiële systeem gemakkelijk
kunnen doen instorten, waardoor de kredietmarkten zouden bevriezen en
er een golf van faillissementen onder werkgevers zou kunnen ontstaan.
Het
is dan ook een schrale troost dat beleggers de afgelopen weken
allerlei soorten activa zijn ontvlucht: niet alleen
bedrijfsobligaties, maar ook van oudsher ʻveilige
havensʼ
als goud en schatkistpapier. De Federal Reserve (het federale stelsel
van Amerikaanse centrale banken) heeft agressief gereageerd, met
instrumenten die vergelijkbaar zijn met de instrumenten die zij in
2008 heeft ingezet: het verlagen van de rente en het opkopen van
diverse financiële activa, waaronder bedrijfsobligaties. Toch duidt
het ambivalente antwoord van de markten op deze stappen erop dat dit
misschien nog niet genoeg zal zijn. De aandelenmarkten hebben zich,
in afwachting van de stimuleringsmaatregelen ter waarde van 2,2
biljoen dollar, hersteld en de koerswinst is intact gebleven nadat
het betreffende wetsontwerp werd goedgekeurd. Maar het lijdt geen
twijfel dat er meer onrust in het verschiet ligt.
Als
de snelheid waarmee de economische krimp als gevolg van de pandemie
zich voltrekt één kenmerk is dat onze huidige crisis onderscheidt
van de vorige, dan is een ander kenmerk het specifieke segment van de
economie dat het meest te lijden zal hebben van die krimp: de
dienstensector. Diensten worden doorgaans niet het zwaarst getroffen
tijdens recessies. Dat komt doordat ze niet kunnen worden opgeslagen,
zodat ze meteen moeten worden geconsumeerd.
De
coronavirus-crisis zou dit patroon echter kunnen doorbreken. ʻDit
zal waarschijnlijk de eerste recessie ter wereld zijn die begint in
de dienstensector,ʼ zei
econoom Gabriel Mathy tegen de New York Times. Tijdens een
pandemie zijn diensten buitengewoon kwetsbaar. Zo kunnen de mensen
hun haar niet laten knippen, omdat ze bang zijn om geïnfecteerd te
worden of omdat de overheid heeft verordonneerd dat kapperszaken
gesloten moeten blijven. En omdat je de output van diensten niet kunt
opslaan – een kapper kan geen kapsels in een magazijn opslaan
totdat de vraag weer aantrekt – gaan bedrijven snel failliet en
vallen er al heel snel veel ontslagen.
De
menselijke tol van dergelijke ontslagen zal enorm zijn, want de
dienstensector is de sector waar de meeste Amerikanen werken. Volgens
de laatste schatting van het Bureau of Labor Statistics is 71 procent
van alle niet-landbouwwerknemers – ruim honderd miljoen mensen –
in de VS werkzaam in de dienstensector. Weliswaar is dit een
heterogene categorie, die alles omvat van beursmakelaars tot
fastfood-werknemers. Maar het grootste deel van de groei in de
afgelopen decennia heeft zich aan de onderkant van het loonspectrum
voorgedaan, en dat is ook de plek waar de meeste pijn zal worden
geleden.
Die
pijn wordt al op zeer grote schaal gevoeld. In de week die eindigt op
21 maart hebben 3,3 miljoen mensen in de VS een
werkloosheidsuitkering aangevraagd. De week daarop verdubbelde dit
aantal tot 6,6 miljoen – bijna tien keer het record van 1982. De
ontslagen zijn geconcentreerd in de dienstensector, met name in de
segmenten waar de lonen het laagst zijn. De komende weken zullen
vrijwel zeker nog meer slecht nieuws brengen. Goldman Sachs verwacht
dat het werkloosheidscijfer in de VS op 15 procent zal uitkomen; de
St. Louis Fed zegt dat het kan oplopen tot 32,1 procent.
Deze
cijfers weerspiegelen het wegvallen van een centrale pijler onder het
Amerikaanse economische model. De dienstensector heeft decennialang
een essentiële rol gespeeld bij het stabiliseren van de
arbeidsmarkt. Omdat diensten moeilijker te automatiseren zijn – het
is lastiger om de productie van een kapsel te automatiseren dan de
productie van een auto – kennen ze een lagere productiviteitsgroei,
wat inhoudt dat er meer arbeid voor nodig is. Dit is wat de
dienstensector in staat heeft gesteld de werknemers te absorberen die
de productiesector in de jaren zeventig begon af te stoten als gevolg
van een wereldwijde overcapaciteitscrisis. De dienstensector kan niet
net als voorheen de industrie als de groeimotor van de economie
dienen, zoals blijkt uit de steeds slechtere prestaties van de
Amerikaanse economie sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Maar
ze heeft wel gezorgd voor een gestaag aanbod van banen.
De
pandemie sluit deze veiligheidsklep af. Nu de dienstensector in een
vrije val is geraakt, is er geen plaats meer voor het overschot aan
arbeidskrachten dat door tientallen jaren van economische stagnatie
is gegenereerd.
Natuurlijk
zullen sommige van de ontslagen werknemers uiteindelijk wel weer een
nieuwe baan vinden, vooral als de opleving na de crisis de meer
optimistische scenarioʼs
zal volgen. Maar de economie waarin zij terugkeren zal voorgoed zijn
veranderd. Kleine bedrijven, die momenteel bijna de helft van de
particuliere beroepsbevolking van het land in dienst hebben, zullen
worden gedecimeerd. Reuzen als Amazon en Walmart zullen hun greep op
de consumentenbestedingen verstevigen.
Amazon
en zijn collega-bedrijven zullen profiteren van de manier waarop de
crisis het gedrag van de consument herprogrammeert. De pandemie is nu
al een zegen voor de e-commerce, omdat mensen met een minimum aan
sociale interactie proberen de dingen te kopen die ze nodig hebben.
Amazon heeft onlangs aangekondigd dat het honderdduizend nieuwe
werknemers in dienst wil nemen als gevolg van de toenemende vraag;
Instacart, een online boodschappendienst, voegt daar nog eens
driehonderdduizend arbeidsplaatsen aan toe. Deze trend zou heel goed
permanent kunnen worden. De consument zou er de voorkeur aan kunnen
geven om zijn boodschappen te laten bezorgen in plaats van naar de
supermarkt te gaan, bijvoorbeeld uit gewoonte, gemak of aanhoudende
angst voor besmetting. De werkgelegenheid van de toekomst zal zich
dus waarschijnlijk concentreren bij het transport en de opslag van
goederen. Een groeiend deel van de Amerikaanse arbeidersklasse zal
een (schamel, precair) bestaan kunnen ontlenen aan het verpakken en
afleveren van de goederen die mensen in een langdurig isolement nodig
hebben om te overleven.
Het
overlevingsvraagstuk brengt ons bij een ander kernthema van de
coronavirus-crisis: de sociale reproductie. Sociale reproductie
verwijst naar de verschillende systemen – formeel en informeel,
betaald en onbetaald – die het kapitalisme mogelijk maken door het
opvoeden, socialiseren, opvoeden, genezen, huisvesten en op een
andere manier ondersteunen van de werknemers van wier arbeid dat
kapitalisme afhankelijk is. Deze systemen staan in de VS al heel lang
onder zware druk. Stagnerende lonen en armzalige sociale
voorzieningen hebben het grootste deel van de Amerikaanse
arbeidersklasse aan de rand van het faillissement gebracht, waardoor
bijna 80 procent van de Amerikanen over geen enkele financiële
reserve beschikt.
De
pandemie maakt een einde aan dit gammele arrangement. De toenemende
vraag naar werkloosheidsuitkeringen en voedselbonnen duwt de zuinige
Amerikaanse verzorgingsstaat ver over het breekpunt heen. Intussen is
de fragiele toestand van het sterk gefinancialiseerde
gezondheidszorgsysteem van het land – dat de afgelopen tien jaar
dankzij fusies en overnames de leidinggevenden en investeerders heeft
verrijkt – in een schril perspectief geplaatst.
Maar
de pandemie verergert niet alleen een bestaande crisis van de sociale
reproductie. De pandemie wordt op haar beurt ook weer versterkt door
deze crisis. De slechte kwaliteit van de sociaal-reproducerende
systemen in de VS heeft de ideale omstandigheden voor besmetting
gecreëerd. Zo kwamen verpleeghuizen al vroeg als hotspots naar
voren. Een groot deel van de schuld daarvoor ligt bij een golf van
particuliere investeringen in de verpleeghuissector in het afgelopen
decennium, waardoor voorzieningen in het hele land gedwongen werden
om op de kosten te besparen en zo meer winst te maken. Veel
verpleeginrichtingen zijn hierdoor extreem onhygiënisch geworden;
bij overheidscontroles zijn ontstellende gevallen van misbruik en
verwaarlozing aan het licht gekomen, en inmiddels zijn het grote
infectiehaarden geworden.
Een
virus is niet alleen een biologisch, maar ook een sociaal fenomeen.
De kwetsbaarheden waar het gebruik van maakt om zich te verspreiden
zijn niet alleen eigenschappen van menselijke cellen, maar ook van de
manier waarop menselijke samenlevingen zijn georganiseerd. Als die
zijn georganiseerd rond de accumulatie van kapitaal – dat wil
zeggen: kapitalistische samenlevingen – brengen ze zichzelf in
gevaar, vooral samenlevingen zoals die van de VS, waar de accumulatie
een bijzonder meedogenloze vorm heeft aangenomen.
Er
is hier sprake van een tegenstrijdigheid: door de sociale reproductie
te ondermijnen, ondermijnt het kapitalisme zijn eigen stabiliteit.
Het leegknijpen van het proletariaat voedt de motor van het kapitaal
tot een bepaald punt – maar vervolgens zorgt het ervoor dat de
machinerie wordt lamgelegd, zoals de feministische theoreticus Nancy
Fraser heeft uitgelegd. De coronavirus-crisis biedt een levendige
illustratie van deze dynamiek. De extreme druk die het kapitaal heeft
uitgeoefend op de sociale reproductie in de VS heeft een gastvrije
omgeving gecreëerd voor een pandemie die de economie vernietigt. De
kapitalisten die winst hebben gemaakt op de verpleging van ouderen
hebben een situatie helpen creëren waarin veel van hun
collega-kapitalisten niet meer in staat zullen zijn om het kapitaal
in beweging te brengen.
Om
de accumulatie weer normaal te laten verlopen, moet het virus onder
controle worden gebracht: de robuustheid van het Chinese antwoord is
bijvoorbeeld niet alleen ingegeven door de wens om de politieke
legitimiteit van de communistische partij overeind te houden, maar
ook door de wens om de industriële productie weer op gang te
brengen. In de VS zal de terugkeer naar een normale gang van zaken
onder meer een bescheiden toename van de publieke steun voor sociale
reproductie vereisen. Dit kan verklaren dat het Congres erin is
geslaagd om in de eerste week van de pandemie zo snel een
wetsvoorstel aan te nemen dat een deel van de werknemers in de VS
tien dagen betaald ziekteverlof gunde. Werknemers ziek laten worden
en laten sterven is aanvaardbaar; werknemers ziek laten worden en
daardoor het accumulatieproces in gevaar brengen is niet
aanvaardbaar.
In
het industriële tijdperk wist de factor arbeid concessies van het
kapitaal af te dwingen op grond van een fundamentele wederzijdse
afhankelijkheid: kapitalisten hadden arbeiders nodig om de fabrieken
te runnen. De economische groeivertraging sinds de jaren zeventig van
de vorige eeuw heeft deze afhankelijkheid verminderd, waarbij de
afname van de productie een tijdperk van stagnatie inluidde dat
gekenmerkt werd door een aanhoudend lage vraag naar arbeid, waardoor
het machtsevenwicht in het voordeel van het kapitaal is gekanteld. De
pandemie zou deze ontwikkeling gedeeltelijk kunnen keren. Werknemers
hebben als arbeiders misschien minder invloed op het
accumulatieproces, maar ze kunnen dit proces nu in gevaar brengen als
vectoren van virusoverdracht. Misschien biedt dit een nieuwe basis
voor het afdwingen van concessies.
Natuurlijk
kunnen werknemers ook op de ouderwetse manier problemen maken: door
zich in te zetten voor ontwrichtende acties op hun werkplek en in hun
gemeenschap. De ruimte voor dergelijke acties zal de komende weken en
maanden waarschijnlijk drastisch toenemen. Stelt u zich een nabije
toekomst voor van 30 procent werkloosheid, wijdverbreide voedsel- en
huisvestingsonzekerheid en miljoenen doden door de pandemie en door
de toegenomen sterfte als gevolg van een overweldigd
gezondheidszorgsysteem. Dit zijn in feite oorlogsomstandigheden. Het
zijn de omstandigheden waaronder een revolutie op zijn minst denkbaar
wordt, zo niet waarschijnlijk.
Tijdens
een crisis breiden de parameters van de politieke mogelijkheden zich
uit. Tientallen gemeenten hebben huisuitzettingen en het afsluiten
van nutsvoorzieningen stopgezet. Trump heeft het ministerie van
Volkshuisvesting en Stedelijke Ontwikkeling geïnstrueerd om
huisuitzettingen van eigenaren met een door de federale overheid
gegarandeerde hypotheek op te schorten. Californië is van plan om
duizenden daklozen naar hotels te verplaatsen, in sommige gevallen
door het opkopen van die hotels. New York City, Houston en Detroit
hebben de lokale busdiensten gratis gemaakt.
Maar
dit is pas het begin. Door druk van onderaf kunnen deze scheuren
groter worden gemaakt; het overleven van een aanzienlijk aantal
mensen hangt er waarschijnlijk van af. Met dit doel voor ogen wil
Bernie Sanders dat de federale overheid ieder huishouden $2000 per
maand stuurt, de Defense Production Act gebruikt om particuliere
bedrijven ertoe te dwingen cruciale goederen als mondkapjes en
beademingsapparatuur te produceren, en een nationaal moratorium
instelt op huisuitzettingen en het afsluiten van nutsvoorzieningen,
naast andere maatregelen.
Gezien
het tempo waarin de gebeurtenissen zich nu voltrekken kunnen zelfs
deze eisen binnen korte tijd een gematigde indruk maken. Onder
socialisten heeft deze crisis geleid tot hernieuwde oproepen tot het
nationaliseren van diverse sectoren. De gezondheidszorg lijkt een
voor de hand liggende kandidaat, vooral gezien de komende stortvloed
van faillissementen van ziekenhuizen, de behoefte aan rationele
coördinatie die de markten die niet kunnen bieden, en de morele
verplichting om te zorgen voor de vele miljoenen Amerikanen die
onverzekerd of onderverzekerd zijn.
Maar
een concrete analyse van de concrete situatie vergt ook nog iets
anders. Socialisten hebben er een handje van om strijdmodellen uit
vroegere tijden op te pakken en die ongewijzigd toe te passen op de
problemen van het huidige tijdsgewricht. Deze verleiding neemt toe in
tijden van crisis, omdat een verzwakking van de status quo
mogelijkheden schept om oude socialistische ideeën een bredere
verspreiding te geven. Maar tijden van crisis bieden ook kansen om
nieuwe socialistische ideeën te genereren: nieuwe manieren van
organiseren, nieuwe horizonten voor sociale transformatie. De
socialistische traditie is een waardevolle bron van inspiratie en
inzicht. Maar zij omvat niet alle antwoorden op iedere vraag die door
welke conjunctuur dan ook kan worden gesteld, om de eenvoudige reden
dat iedere nieuwe conjunctuur weer nieuwe vragen oproept.
Marx
geloofde dat de antwoorden op dergelijke vragen moeten worden
gevonden in de strijd van de arbeidersklasse. De arbeidersklasse was
niet alleen de enige sociale kracht die in staat was om het
socialisme op te bouwen – het was ook de enige sociale kracht die
in staat was om te bepalen hoe het socialisme eruit zou zien. Dit
proces moest worden vormgegeven door de praktijk, dat wil zeggen:
door de ontelbare botsingen en weerstanden van de klassenstrijd. ʻHet
communisme,ʼ zo schreven
hij en Engels, ʻis geen
ideaal waaraan de werkelijkheid zich zal moeten aanpassen,ʼ
maar ʻde werkelijke
beweging die een einde zal maken aan de huidige stand van zaken.ʼ
De taak van socialisten vandaag de dag is om de trillingen van deze
beweging te lokaliseren en de impliciete inhoud ervan uit te tekenen:
om de grondstoffen ervan te verfijnen tot nieuwe strategieën,
programmaʼs en mogelijke
toekomsten.
Er
zal binnenkort geen gebrek aan materiaal zijn om mee te werken, zodra
de pandemie een cyclus van proletarische zelfwerkzaamheid op gang zal
hebben gebracht. Overal hebben werknemers nu een urgente kwestie –
hun gezondheid – om rond te agiteren, en ze zijn zich al aan het
organiseren op basis daarvan. Er zijn wilde stakingen uitgebroken
onder vuilnismannen, arbeiders in de auto-industrie, werknemers in de
pluimveesector, magazijnmedewerkers en buschauffeurs. Amazon is
geconfronteerd met een golf van militantisme, waardoor het management
zich gedwongen heeft gezien om betere gezondheidsbescherming te
beloven en al zijn werknemers betaald verlof te gunnen. Werknemers
van Instacart en Whole Foods hebben arbeidsprotesten in scène gezet.
Georganiseerde verpleegkundigen hebben zich aaneengesloten om te
protesteren tegen de tekorten. De werknemers van General Electric
hebben geëist dat er beademingsapparaten worden geproduceerd in de
fabrieken voor straalmotoren. Er zijn hulpgroepen ontstaan om
boodschappendiensten en kinderopvang te coördineren. Huurders in het
hele land organiseren huurstakingen. In Los Angeles bezetten dakloze
gezinnen leegstaande huizen.
Dit zijn overlevingsstrategieën, maar het zijn mogelijk ook de kiemen van een nieuwe wereld: plekken van sociale macht waar mensen zich collectief de middelen verschaffen die ze nodig hebben om rechtstreeks te kunnen deelnemen aan beslissingen die hen aangaan. Het is op deze plekken en in deze praktijken dat de contouren van het volgende socialistische project kunnen worden aangetroffen. Wil dit project geloofwaardig zijn voor de mensen van wie het afhankelijk is, dan moet het gelijkwaardig zijn aan de radicaliteit van onze werkelijkheid. Het moet een socialisme zijn dat geen tak van het progressivisme of een vleugel van de Democratische Partij is, maar een werkelijk anti-systemisch alternatief – een alternatief dat, hoe onwaarschijnlijk ook, een einde belooft aan de doodscultus van het kapitaal. Het moet de verheffing van de menselijke gezondheid, waardigheid en zelfbeschikking tot de hoogste ordenende principes van ons gemeenschappelijk leven uitdragen.
Anton Jäger (1994) is afgestudeerd in de ideeëngeschiedenis aan de Universiteit van Cambridge. Hij schrijft voor De Groene Amsterdammer, De Morgen, Sabzian, rekto:verso, Apache, Lava en DeWereldMorgen.be.
In een tijd waarin
de coronavirus-crisis de mondiale waardeketens verstoort, is de
metafoor van de oorlogseconomie alomtegenwoordig – en niet zonder
reden, ondanks de gebreken ervan. Deze crisis vraagt inderdaad om
gericht overheidsingrijpen, en in deze context is het moeilijk om de
grillige aanpassingen van vraag en aanbod, zoals die zich in
ʻnormaleʼ
economische tijden voordoen, op te vangen. De staat faalt soms, en
dit kan leiden tot kritiek van libertariërs. Niettemin is het
waarschijnlijk dat het krediet van de staat, in zijn rol van
beheerder van de economie, zal worden versterkt.
Om deze situatie te
doorgronden kan het nuttig zijn ons te wenden tot filosoof en econoom
Otto Neurath, zowel een van de oprichters van de Wiener Kreis als een
oorspronkelijke socialistische figuur. Hij was een van de eersten die
de oorlogseconomie in een reeks artikelen conceptualiseerde, nog vóór
de Eerste Wereldoorlog, en die probeerde daaruit alle consequenties
te trekken.
ʻDit
is onze voornaamste bevinding. Oorlog dwingt een land om meer
aandacht te schenken aan de hoeveelheid goederen die het tot zijn
beschikking heeft, en minder aan de hoeveelheid geld die beschikbaar
is. Veel meer dan in tijden van vrede wordt in tijden van oorlog
duidelijk dat superioriteit een uitvloeisel is van de bewapening, de
voedselvoorziening en het transport (al kan financiële superioriteit
soms een militaire nederlaag compenseren). Het wordt steeds
duidelijker dat geld slechts een middel is om goederen te verkrijgen.
De staat eigent zich dit instrument meestal energieker toe in tijden
van nood en gebruikt het dan om in zijn behoeften te voorzien. Als
geld nutteloos blijkt te zijn, aarzelt de regering niet om de
economische orde te veranderen. Als de productiecapaciteit intact is,
maar de monetaire arrangementen niet, blijft er nog een laatste optie
over – de economie in natura.ʼi
Neurath schreef deze woorden in 1909, bijna vier jaar vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Ze vormen de afsluiting van een reeks artikelen over oorlogsplanning en economie in natura. Op dat moment had hij zijn scriptie over de ʻeconomieën in naturaʼ uit het verleden al afgerond, onder leiding van Eduard Meyer en Gustav Schmoller, decanen van de Duitse geschiedkundige school.
In de jaren twintig van de vorige eeuw creëerde Otto Neurath de Weense Methode van Beeldstatistieken, de voorvader van de Isotype, die sindsdien op grote schaal wordt gebruikt. Deze foto is, net als de volgende, afkomstig uit Gesellschaft und Wirtschaft. Bildstatistisches Elementarwerk, gepubliceerd in 1930.
De terugkeer van de gebruikswaarde
In 1918, toen de
revolutie zich over de Oude Wereld verspreidde, werd hij een
autoriteit op dit gebied. Zijn onderzoek naar het ʻeconomische
equivalent van de oorlog,ʼ
om William James te parafraseren, was nu beroemd geworden. Volgens
hem kon ʻhet grootste
succes worden bereikt door niet rechtstreeks tegen de oorlog te
vechten, maar eerder tegen bepaalde tekortkomingen in onze
economische orde die tot gevolg hebben dat de gruwelijkheid van de
oorlog wordt verminderd en de voordelen ervan worden vergroot.ʼ
Zijn conclusie luidde als volgt:
ʻIn
onze economie worden in tijden van vrede niet alle energieën
volledig benut. Integendeel, daar is soms een oorlog voor nodig. De
reden is dat in tijden van oorlog de productiviteit belangrijker is
dan de winstgevendheid, en dat de organisatie van het verkeer van
mensen, goederen en diensten wordt bevrijd van de beperkingen die
anders gebruikelijk zijn. Ook moet worden opgemerkt dat het relatieve
bevolkingsoverschot [de werklozen] dat door onze economische orde
wordt gecreëerd, dan volledig wordt geabsorbeerd.ʼ
Neuraths visie op
oorlogseconomieën was even simpel als meedogenloos: ze schortten de
normale werking van de markt op en ʻstuurden
de ruilwaarde op vakantie,ʼ
zoals William Davies het onlangs verwoordde. Ze dwongen de staat om
zich met de economie bezig te houden. De kapitalistische samenleving
bewoog zich immers toch al in deze ʻsocialeʼ
richting. Vóór de oorlog waren de Britse conservatieven zich al
zorgen gaan maken over de industriële schaarste, om de eenvoudige
reden dat de Britse samenleving niet genoeg capabele mannen creëerde
om oorlog te voeren. De industrie had de arbeidersklasse al
ʻgemilitariseerd,ʼ
zoals Marx in de zestiger jaren van de 19e eeuw had
voorspeld; nu verspreidde deze militarisering zich langzaam door de
hele maatschappij.
Dit proces is
gepaard gegaan met een reeks belangrijke veranderingen in de
structuren van de kapitalistische concurrentie. Heroïsche
ondernemers werden als basiseenheden van de kapitalistische markt
vervangen door kartels en trusts, die werden gerund door
planningsafdelingen en bureaucraten in plaats van door risicominnende
zakenlieden. Dit was de basis van het ʻsocialisatiedebatʼ
dat de marxisten in de Tweede Internationale vóór de Eerste
Wereldoorlog in beroering had gebracht, onder leiding van denkers als
Rudolf Hilferding en Charles Steinmetz, die allemaal in het nieuwe
bedrijfskapitalisme een individualistische erfenis zagen die op het
punt stond te verdwijnen.
Veel socialistische auteurs hoopten dat de op handen zijnde socialisatie van het kapitaal door de grote bedrijven een revolutionaire machtsovername mogelijk zou maken. In zijn boek America and the New Society uit 1916 stelde Steinmetz bijvoorbeeld dat de opkomst van de grote onderneming niets meer of minder was dan ʻde rationele reorganisatie en centralisatie van de productiemiddelen, en dus een noodzakelijke opmaat voor het socialismeʼ; ʻop haar hoogtepunt aangekomen,ʼ zei hij, zou de bedrijfseconomie snel ʻten val komenʼ en zou er een wereldrevolutie volgen. Volgens Neurath was de oorlogseconomie een andere modaliteit van deze immanente socialisatie van het kapitalisme; al vóór de oorlog hadden de monopolies een toenemende staatsinterventie noodzakelijk gemaakt; Neuraths vader sprak van een ʻpan-cartelisme,ʼ waarin de economie zou worden gerund door een klein aantal dominante bedrijven.
Socialisme in de praktijk
De wereldbrand van 1914-1918 versterkte de hypothese van Neurath alleen maar. De staten hadden planningsafdelingen ingericht en hun economieën tot het meest essentiële teruggebracht. De ʻproductie voor de gebruikswaardeʼ werd opnieuw noodzaak, en geweren, schepen en kanonnen gingen allemaal deel uitmaken van de oorlogsinspanning – hoe vreselijk die noodzaak ook mocht zijn.
Neurath had kennis
genomen van deze ontwikkelingen. Hij had tijdens de oorlog aan het
front gediend en was later overgeplaatst naar de keizerlijke
oorlogsbureaucratie. Daar had hij de ʻorganisatorische
kwestiesʼ die gepaard
gingen met de oorlog, de kiem van de ʻovergangseconomieʼ
waarop hij zijn proefschrift had gebaseerde, op de voet gevolgd. Na
zijn aanstelling bij het Oostenrijkse ministerie van Oorlog werd
Neurath door de nieuwe Münchense Radenrepubliek, die uit de Duitse
spartakistenopstand was voortgekomen, uitgenodigd om een plan voor
ʻsocialisatieʼ
(Vergesellschaftlichung) op te stellen, dat de productiecapaciteit
van de regio onder publieke controle zou brengen. In die tijd
publiceerde hij een bloemlezing van zijn artikelen over de
oorlogseconomie, waarvan het socialisme het gevolg zou zijn.
Maar de ervaring zou
geen lang leven beschoren zijn. Na een maand viel het vrijkorps
Ritter von Epp de stad binnen, waardoor Duitsland een eerste
voorproefje van de nazi-terreur kreeg. De wetenschappelijke reputatie
van Neurath heeft er ook onder geleden. Max Weber stelt dat ʻNeuraths
werk over de economische geschiedenis van de oudheid altijd in hoog
aanzien heeft gestaan,ʼ
maar beschouwt zijn Beierse avontuur als een ʻamateuristische,
objectief onverantwoordelijke dwaasheid die het “socialisme”
honderd jaar lang in diskrediet had kunnen brengen, waardoor alles
wat had kunnen ontstaan in de afgrond van een stupide reactie
gesleurd had kunnen worden.ʼ
Neurath besloot zijn
geluk elders te beproeven. In de jaren twintig van de vorige eeuw
vluchtte hij naar Oostenrijk en vestigde hij zich in het
administratieve hoofdkwartier van het Rode Wenen.i
Hij werd een prominent lid van de Wiener Kreis, die een variant van
het linkse positivisme vertegenwoordigde die afstand zou nemen van de
orthodoxie van Carnap. Het geheel was een overblijfsel van waar de
sociaaldemocratie ooit voor had gestaan; in het debat over
socialisatie was alles niet verloren gegaan.
Neo-liberale en libertaire kritiek
Neurath maakte ook
vijanden in zijn tijd als bestuurder van het Rode Wenen. Het was de
stad van Friedrich Hayek, die in de jaren twintig van de vorige eeuw
zijn polemiek tegen de positivistische wetenschapsvisie lanceerde,
die hij star en totaliserend vond, en in staat tot volledige
integratie. Hij, die de economie zag als een zwarte doos die nooit
geopend mocht worden, was geschokt door Neuraths ode aan de
universele leesbaarheid, die terug te vinden is in zijn beroemde
Isotype en zijn reprise van Diderots Encyclopedie. Volgens Hayek
konden economieën niet in kaart worden gebracht of leesbaar worden
gemaakt; het waren eerder bovenmenselijke ordes die niet onderhevig
waren aan collectieve menselijke actie en zich niet leenden voor een
epistemische interpretatie. Hayeks ʻsublieme
economieʼ – zoals
Quinn Slobodian die noemt – was dus de tegenhanger van de
Neurath-economie met zijn planning, kartels en bedrijfsbeheerders.
Het is niet overdreven om te zeggen dat Neurath de belangrijkste
Nemesis van het primitieve neoliberalisme was; ʻalle
fouten van het socialisme verenigd in één persoon,ʼ
aldus Hayek.
Maar Neurath had ook
geen blijvende vrienden ter linkerzijde. Eind jaren twintig ging hij
in dialoog met Max Horkheimer en de eerste Frankfurter Schule. Hij
schreef artikelen in het Zeitschrift für Sozialforschung en
streefde naar eenzelfde synthese van wetenschap en filosofie ʻdie
door het materialisme van Marx werd geëist,ʼ
in de woorden van Horkheimer. Maar Horkheimer keerde zich later tegen
Neurath en maakte van hem een onttoveringsfilosoof, een apostel van
het dorre rationalisme wiens doctrine de weg vrijmaakte voor de
ʻtotaal
beheerde samenlevingʻ
(Adorno) van de naoorlogse periode.
De tendens die
Neurath aan het werk had gezien in het primitieve
monopoliekapitalisme en de oorlogseconomie was volgens Adorno en
Horkheimer reëel genoeg, maar zou niet tot het socialisme leiden.
Het was het nazisme dat het Duitse kapitaal had geherstructureerd en
de oorlogsplanning had doen herleven. Ten koste van de menselijke
waardigheid zelf.
Het nieuwe links en het nieuwe rechts, Horkheimer en Hayek, bewogen zich dus in de richting van dezelfde scepsis jegens het ʻgeorganiseerde kapitalismeʼ dat Neurath in de jaren dertig van de vorige eeuw had bepleit, waarin kartels en trusts nieuwe corporatistische afspraken met de georganiseerde arbeid mogelijk maakten. Het ʻgeorganiseerde kapitalismeʼ was weliswaar georganiseerd, maar nog steeds niet vrij. De geschiedenis had Neurath dus ingehaald, zo lijkt het, toen de filosoof in 1945 in Oxford overleed. In zijn dagboek had hij een opmerkelijke afspraak genoteerd: een debat met Hayek, waarschijnlijk om diens De weg naar slavernij (1944) te bespreken. Die kans is hem ontglipt.
En nu?
Dit verhaal heeft
ook een ironische kant. Na enkele decennia van intellectuele
hegemonie, die gedeeld werd tussen nieuw rechts en nieuw links, is de
wereld vandaag de dag getuige van een belangrijke herconfiguratie van
de capaciteit van staten en, als gevolg daarvan, van een reeks
politieke herschikkingen. Langzaam maar zeker nemen staten afstand
van de theorie van het met zachte hand sturen van de economie van de
afgelopen dertig jaar; ze gaan die nu weer steeds nadrukkelijker
beheren. De productie voor de gebruikswaarde van Neurath zou weer
werkelijkheid kunnen worden; Wallonië heeft nieuwe fabrieken voor
beademingsapparaten opgezet, terwijl Duitsland van plan is een aantal
van zijn toeleveringsketens in te korten. Zodra deze ingrepen zijn
gestabiliseerd, zal het moeilijk zijn om de geest weer terug in de
fles te krijgen.
Neuraths voorbeeld kan echter ook misleidend zijn. Samen met anderen van de Tweede Internationale zag hij in de oorlogseconomie van 1914-1918 het bewijs voor de theorie dat de staat de productie van de gebruikswaarde kon plannen. Maar Neurath en zijn generatie opereerden in de marge van een grote socialistische beweging, georganiseerd in partijen, raden en vakbonden, die de socialisatie van een kapitalisme dat zich al aan het socialiseren was, wilde voltooien. Dat kun je vandaag de dag moeilijk zeggen.
Vertaling: Menno Grootveld
i Otto
Neurath, ʻWar
economy,ʼ in
Economic writings selections 1904-1945, Uebel en Cohen, New
York, Kluwer, 2005, p. 193. Neuraths eigen bloemlezing uit 1919
heeft een suggestieve titel: Durch die Kriegswirtschaft zu
Naturalwirtschaft (Van de oorlogseconomie naar de natuurlijke
economie).
i Deze
gemeente werd van 1918 tot 1934 bestuurd door de sociaal-democraten.
Edna Bonhomme is een curator, onderzoeker en schrijver die in haar werk de archeologie van de koloniale wetenschap, belichaming en surveillance onderzoekt. Momenteel woont ze in Berlijn.
In 1992 had een
stille epidemie de gevangenissen in New York City in haar greep. Een
resistente variant van tuberculose verspreidde zich door de vochtige
cellen. Morris E. Lasker, federaal rechter voor het zuidelijke
district van New York, riep op 24 januari de noodtoestand uit. Hij
eiste dat het New York City Department of Corrections tweeënveertig
isolatiebedden zou organiseren voor de zeer besmettelijke gevangenen
met tuberculose. Hij werd daartoe aangezet door de dood van dertien
gevangenen in New York City als gevolg van tuberculose in de loop van
het jaar daarvoor, die allemaal HIV-positief waren. Onderzoekers en
medici ontdekten dat immunodeficiënte gevangenen die HIV-positief
waren bijzonder kwetsbaar bleken voor tuberculose, longontsteking en
andere overdraagbare ziekten.
De uitbraak vond
plaats op het hoogtepunt van de HIV-epidemie, jaren voordat het
eerste anti-retrovirale geneesmiddel voor HIV ruimschoots beschikbaar
kwam voor mensen met het virus. Net als vandaag waren de gevangenen
op Rikers Island in onevenredige mate zwart en bruin, en ze waren
voor een deel ontvankelijk voor tuberculose als gevolg van de slechte
ventilatie in de gevangenissen, waardoor bacterieën zich makkelijk
door de lucht konden verspreiden. Voor veel mensen die in afwachting
waren van het einde van hun straf hadden isolatie en deugdelijke
ventilatie kunnen voorkomen dat ze besmet raakten.
Wijlen Susan Sontag
heeft in haar Ziekte als metafoor geschreven dat ʻalle
aanwijzingen erop duiden dat de cultus van TB niet eenvoudigweg een
uitvinding was van romantische dichters en opera-librettisten, maar
een wijdverbreide houding, en dat iemand die (op jonge leeftijd)
overleed aan TB werkelijk als een romantische persoonlijkheid werd
gezien.ʼ In de huidige
fase van onze nieuwe wereldwijde pandemie, waarbij COVID-19 mensen en
overheden ertoe heeft gebracht strikte social distancing-maatregelen
te hanteren om verspreiding te voorkomen, is ziekte veel meer dan een
metafoor. Hoewel Sontag in haar werk uit 1978 de sociale en
psychologische contouren van ziekte behendig afbakende, was haar
nadruk op de ʻromantischeʼ
aard van tuberculose kortzichtig. Die onttrok vooral de ongelijke
werkelijkheid van mensen van kleur en van degenen die in het mondiale
zuiden woonden aan het oog; deze mensen kwamen onopgemerkt om als
gevolg van een epidemie, lang nadat de romantische schijn van
tuberculose was verdwenen.
Voor de grotendeels
zwarte en bruine gevangenen in de cellenblokken van New York City
begin jaren negentig was de tuberculose-epidemie vooral zo
verderfelijk, omdat er aanvankelijk weinig bereidheid was om er iets
aan te doen. Dit was lang vóór de verschijning van Michelle
Alexander’s The New Jim Crow; de meeste Amerikanen zagen
nog geen verband tussen de slavernij en het criminele
onrechtvaardigheidssysteem, en de gevallen van resistente tuberculose
in de gevangenissen van New York State begin jaren negentig leidden
nog niet tot een oproep om in actie te komen. Omdat die actie
uitbleef zijn tijdens de achttien maanden van de tuberculose-uitbraak
in de staat New York minstens zevenentwintig gevangenen en één
bewaker overleden.
De symptomen van
ademhalingsziekten kunnen mild zijn, maar ze kunnen ook een reeks
ademhalingsproblemen teweegbrengen – kortademigheid, hijgen, het
gevoel dat je longen het zullen begeven. Net als bij het coronavirus
is één manier om de verspreiding van tuberculose een halt toe te
roepen het isoleren van de zieken. Maar in 1992 waren er de Verenigde
Staten relatief méér mensen die in de gevangenis zaten dan in de
meeste andere landen van de wereld. Als tuberculose nog steeds een
ziekte was geweest die vooral de opperklasse en niet-gevangenen trof,
zouden politici misschien de bereidheid hebben gevonden om deze
epidemie snel te laten verdwijnen. Maar in plaats daarvan was New
York juist bereid om de gezondheid van opgesloten mensen in gevaar te
brengen. Hetzelfde is vandaag de dag het geval, nu COVID-19
onder de gevangenen op Rikers Island woedt. Hoewel pleitbezorgers
voor de afschaffing van gevangenissen hebben opgeroepen tot de
vrijlating van kwetsbare gevangenen, omdat ze terecht bang zijn dat
Rikers en andere huizen van bewaring zullen worden overspoeld door
een vloedgolf van corona-besmettingen, blijft het aantal mensen dat
in vrijheid is gesteld ver
achter bij de officiële beloften.
De
tuberculose-epidemie van 1992 is een van de vele episoden waarin een
ziekte in de loop der tijd steeds virulenter en dodelijker is
geworden. Wat deze resistente tuberculose-variant zo gevaarlijk
maakte, was voor een deel de samenhang met andere ziekten als
HIV/AIDS en Hepatitis C. Maar in deze periode verspreidde tuberculose
zich ook naar andere delen van de wereld en vond de ziekte een plek
in verarmde gebieden die moeite hadden om de uitbraken in te dammen.
Tuberculose blijft vandaag de dag een van de tien voornaamste
doodsoorzaken in de wereld, en volgens de
Wereldgezondheidsorganisatie vindt ruim
25 procent van de sterfgevallen als gevolg van tuberculose nu
plaats op het Afrikaanse continent. Ademhalingsziekten als
tuberculose worden verergerd door bestaande mondiale ongelijkheden –
en gevangeniscellen en krottenwijken zijn ideale broedplaatsen voor
virussen en bacteriën.
Ook al is de wereld
zich bewust van deze ongelijkheden, de manier waarop we reageren is
een product van de empathie waarmee we de zieken en stervenden
tegemoet treden: er wordt onderscheid gemaakt tussen zij die eruit
zien zoals wij, en zij die er niet uitzien zoals wij. Voor de armen
en achtergestelden toont de ervaring van het doormaken van epidemieën
aan hoe microbiële besmettingen kunnen samenvallen met reeds
bestaande vooroordelen in een samenleving.
Hoe kunnen we de
manieren begrijpen waarop de angst voor epidemieën zich
verspreidt? De geschiedenis kan hier misschien antwoord op geven.
Zoals Walter Benjamin opmerkte in The Arcades Project: ʻOp
ieder denkbaar moment zien de levenden zichzelf alsof ze zich in de
middag van de geschiedenis bevinden. Ze zijn verplicht om een banket
voor het verleden voor te bereiden. De historicus is de heraut die de
doden aan tafel noodt.ʼ
Als we in het niet zo recente verleden duiken om uit te vissen hoe de
diverse schakeringen van de besmetting de voorwaarden reproduceren
die virale en bacteriële besmettingen mogelijk maken, is het
belangrijk om eerlijk rekening te houden met massale sterfte, en te
leren om compassie te hebben en racisme te vermijden bij het
bestrijden van een ziekte.
Dikwijls begint de
angst met een naam. In de negentiende eeuw braken diverse
cholera-epidemieën uit in grootstedelijke gebieden als New York
City, Londen, Alexandria en Shanghai. De uitbraken werden deels
verspreid via besmet water, maar ook via de interregionale handel.
Het Europese imperialisme en het mondiale kapitalisme waren in
opkomst, en de cholera reisde mee op de handelsschepen op de
Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee en de Indische Oceaan.
Ondanks het feit dat de epidemie vooral in Europa en Noord-Amerika
woedde, werd naar de eerste pandemie van 1817-1821 verwezen als de
ʻAziatischeʼ
cholera, merkt Mark Harrison op in zijn artikel A Dreadful
Scourge. De getijdenbewegingen van de ziekte hadden meer te maken
met de verspreiding van de bacterie Vibrio cholerae in
waterbronnen dan met het Aziatische continent. Toch drong deze
benaming door in beschaafde Europese kringen.
Later, tussen 1918
en 1919, stierven vijftig tot misschien wel honderd miljoen mensen
aan een
nieuw type influenza – sommigen naar verluidt binnen een paar
uur nadat ze besmet waren geraakt, anderen binnen een paar dagen. De
pandemie had dramatische commerciële en politieke gevolgen: zij
dwong veel bedrijven de deuren te sluiten, de vuilnisinzameling werd
opgeschort en landarbeiders konden de gewassen niet meer oogsten.
Sommige zieken lagen wekenlang in bed en hun geliefden zorgden voor
hen, zodat die niet meer naar hun werk konden gaan; de economie
ervoer een tijdelijke schok. Ook al was de ziekte niet afkomstig uit
Spanje, zij werd uiteindelijk bekend als de ʻSpaanseʼ
griep omdat het Iberische land, zoals Laura Spinney in de
Guardian schreef, geen censuur toepaste op de
gezondheidsrapporten, waardoor het sterftecijfer onevenredig hoog
leek.
Hoewel de
geschiedenis van het wetenschappelijke racisme verzonken is in een
moeras van pseudo-wetenschap, hebben antropologen uit die tijd zoals
William Z. Ripley hiërarchieën van ʻwitheidʼ
geconstrueerd. In zijn boek uit 1899, The
Races of Europe, beweerde hij dat Noord-Europese trekken
zoals blond haar het bovenste echelon van de mensheid
vertegenwoordigden, terwijl Zuid-Europeanen met donkerder trekken
zoals de Spanjaarden op een lagere trede stonden. Dat de griep begin
twintigste eeuw met de Spanjaarden in verband werd gebracht, binnen
een context waarin noties van ras binnen Europa konden worden
misbruikt om een Zuid-Europees land te demoniseren, was geen toeval.
Zowel de griep-uitbraak van 1918 als de cholera-epidemieën van de
negentiende eeuw tonen aan dat mensen die niet expliciet
verantwoordelijk zijn voor de opkomst of de verspreiding van een
nieuwe ziekte permanent met de aandoening in verband kunnen worden
gebracht op manieren die uiteindelijk de reactie op het gebied van de
volksgezondheid kunnen beïnvloeden.
De racialisering van
de epidemie blijft tot zeer uiteenlopende resultaten leiden. De
tuberculose-uitbraak van de jaren negentig in de gevangenissen van
New York City is slechts één voorbeeld van de manier waarop racisme
een snel antwoord op een epidemie kan dwarsbomen. In dat geval had de
zwijgzaamheid tot iets groters geleid: de resistente tuberculose was
gemuteerd tot een virulentere ziekte die zich later manifesteerde in
het mondiale Zuiden en tot uitbarsting kwam in onafhankelijk geworden
landen die door hun voormalige Europese koloniale overheersers aan de
bedelstaf waren gebracht. Een treffend voorbeeld van hoe de
voormalige koloniale machten hun vroegere koloniën blijven besmetten
kan vandaag de dag op het Afrikaanse continent worden aangetroffen:
het eerste bevestigde geval van COVID-19 in de Democratische
Republiek Congo was dat van een
Belgisch staatsburger. De nalatenschap van het Belgische
kolonialisme in de Congo blijft het gezondheidszorgsysteem van dat
land tot op de dag van vandaag parten spelen. Dat systeem zal nu het
hoofd moeten bieden aan de pandemie, in het kielzog van een
Ebola-uitbraak
en een uitbraak van de mazelen. In plaats van hulp zonder
voorwaarden heeft de Wereldbank het land nu een
lening van $47 miljoen aangeboden ter bestrijding van COVID-19.
Tuberculose,
cholera, de griepepidemie van 1918 en nu de COVID-19-pandemie leren
ons dat de mensen wier gezondheid minder belangrijk wordt geacht vaak
dezelfde mensen zijn die het meest zullen lijden onder de economische
gevolgen van een pandemie. De reactie op COVID-19 is tussen januari,
toen de uitbraak zich grotendeels tot Oost-Azië beperkte, en het
huidige tijdsbestek, waarin het virus gemeenschappen in Italië,
Spanje, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten heeft verwoest,
aanzienlijk veranderd. De wereldwijde reactie is ook gepaard gegaan
met zorgen over de mondiale economie: het gevoel dat arbeid, handel
en reizen nooit meer hetzelfde zullen zijn.
Naarmate het
epidemiologisch onderzoek voortgaat, dat erop gericht is om COVID-19
beter te kunnen begrijpen, hebben wetenschappers gerapporteerd dat de
ziekte asymptomatisch is voor sommigen en vreselijk voor anderen. De
symptomen kunnen afschuwelijk zijn voor ouderen, mannen en rokers; in
andere gevallen zijn mensen met obesitas en auto-immuniteitsproblemen
ook kwetsbaarder gebleken. Het grote verschil in
gezondheidsuitkomsten tussen verschillende mondiale populaties
weerspiegelt niet alleen de glibberige aard van deze ziekte, maar ook
de ongelijke kwaliteit van de zorg. Alles bij elkaar genomen zal dit
er naar alle waarschijnlijkheid voor zorgen dat deze crisis zeer
langdurig zal zijn en onevenredig veel schade zal toebrengen aan
gemeenschappen van kleur.
Voor veel zwarte
mensen in de Verenigde Staten gaat de angst om door COVID-19 te
worden besmet samen met de grimmige werkelijkheid dat het
waarschijnlijker is dat ze eraan zullen overlijden. Zowel in
steden in het midden-westen als Detroit en Milwaukee als in
semi-landelijke gemeenschappen in Alabama en Louisiana overlijden
zwarte Amerikanen in onevenredige mate aan het nieuwe coronavirus.
Uit recent
onderzoek is gebleken dat in Chicago, waar 30 procent van de
bevolking van Afrikaans-Amerikaanse afkomst is, zwarte mensen 70
procent van alle sterfgevallen als gevolg van het coronavirus
vertegenwoordigden. Deze ijzingwekkende statistieken zijn het product
van een ongelijke samenleving, waarin het minder
waarschijnlijk is dat zwarte Amerikanen een ziektekostenverzekering
hebben, het waarschijnlijker is dat zwarte Amerikanen in gebieden
of wijken met weinig gezondheidszorgvoorzieningen wonen, en het
waarschijnlijker is dat ze buitenshuis
werken in de gezondheidszorg, in supermarkten en in het
goederenvervoer. Alles bij elkaar genomen leven zwarte Amerikanen in
een sfeer van sociale en medische apartheid.
Hetzelfde geldt voor
de mensen die in het bredere mondiale Zuiden wonen, waar laat in
actie komen misschien wel miljoenen levens gaat kosten. Eén plek
waar het coronavirus een drastische uitkomst zou kunnen hebben is het
Afrikaanse continent, waar een stijging van het aantal ziektegevallen
in Zuid-Afrika heeft geleid tot een lockdown
in het hele land van eenentwintig dagen. Maar de social
distancing die in de meeste landen van de wereld wordt aangemoedigd
is niet voor iedereen mogelijk. Zoals Karsten Noko berichtte op Al
Jazeera is
social distancing in veel Afrikaanse landen een privilege.
Als volksgezondheidsmaatregelen een effectief wapen willen zijn tegen de huidige pandemie moet het systeem dat deze drastische ongelijkheden mogelijk heeft gemaakt overhoop worden gehaald. We moeten onderzoek uitvoeren naar de manier waarop alle bevolkingsgroepen worden geraakt door epidemieën, en niet louter empathie uitstralen voor de achtergestelden. Volksgezondheidsmaatregelen die universeel worden toegepast op een niet-universele, ongelijke wereld zullen niet werken als die wereld niet radicaal wordt veranderd.
Marco d’Eramo is een Italiaans journalist. Hij was student van de Franse socioloog Pierre Bourdieu en een van de oprichters van het Italiaanse dagblad Il Manifesto, dat hij in 2012 verliet. Tegenwoordig schrijft hij voor de taz, New Left Review en MicroMega.
‘Er zal geen herstel zijn. Er zal sociale onrust zijn. Er zal
geweld zijn. Er zullen sociaal-economische gevolgen zijn: dramatische
werkloosheid. Burgers zullen vreselijk lijden: sommigen zullen
sterven, anderen zullen zich afschuwelijk voelen.’i
Hier is geen eschatoloog aan het woord, maar Jacob Wallenberg,
afstammeling van een van de machtigste dynastieën van het mondiale
kapitalisme, die een inkrimping van de wereldeconomie met 30 procent
voorziet en een torenhoge werkloosheid, als gevolg van de lockdowns
om het coronavirus in te dammen. Terwijl filosofen bang zijn dat onze
heersers de epidemie uitbuiten om biopolitieke discipline af te
dwingen, lijkt de heersende klasse zelf tegenovergestelde zorgen te
hebben: ‘Ik ben doodsbenauwd voor de gevolgen voor de samenleving …
we moeten de risicoʼs
incalculeren dat het medicijn de patiënt hard
zal treffen.’
Hier herhaalt de Zweedse tycoon de prognose van Trump dat de therapie
de patiënt zal doden. Terwijl de filosofen de
anti-besmettingsmaatregelen – uitgaansverboden, gesloten grenzen,
beperkingen van publieke bijeenkomsten – als een sinister
controlemechanisme zien, zijn de heersers bang dat de lockdowns hun
controle juist zullen doen verslappen.
Bij het beoordelen van de impact van COVID-19 halen de filosofen in kwestie de passages over de pest aan uit Discipline and Punish, waarin Foucault de nieuwe vormen van toezicht en regulering beschrijft die het gevolg waren van de pestuitbraak eind zeventiende eeuw.ii De denker die tot nu toe het helderste standpunt over de pandemie heeft ingenomen is Giorgio Agamben, in een reeks strijdlustige artikelen, beginnend met ‘De uitvinding van een pandemie,’ verschenen in Il Manifesto op 26 februari 2020. In dit stuk beschrijft Agamben de noodmaatregelen die in Italië ten uitvoer zijn gelegd om de verspreiding van het virus tegen te gaan als ‘panisch, irrationeel en absoluut ongegrond.’ ‘De angst voor de pandemie geeft aanleiding tot paniek,’ schrijft hij, ‘en in naam van de veiligheid aanvaarden we maatregelen die de vrijheid ernstig aan banden leggen, waardoor de uitzonderingstoestand wordt gerechtvaardigd.’ Volgens Agamben toont de reactie op het coronavirus ‘een tendens om de uitzonderingstoestand te gebruiken als een normaal bestuursparadigma’ – ‘het is bijna of, nu het terrorisme is uitgeput als legitimatie voor uitzonderlijke maatregelen, de uitvinding van een epidemie het ideale excuus is om dergelijke maatregelen onbeperkt te kunnen verruimen.’ Agamben heeft deze ideeën in twee andere teksten verder uitgewerkt die halverwege maart zijn verschenen op de website van de Italiaanse uitgever Quodlibet.iii
Agamben heeft wél
en niet gelijk; of beter gezegd: hij zit er over het algemeen stevig
naast, maar niet helemaal. Hij heeft ongelijk omdat de feiten hem
weerspreken. Zelfs grote denkers kunnen aan besmettingen bezwijken –
Hegel overleed in 1831 aan de cholera – en filosofen hebben de
plicht om hun mening te herzien als de omstandigheden daarom vragen:
als het in februari misschien nog enigszins mogelijk was om de
corona-pandemie te ontkennen, was dat in maart niet langer vol te
houden. Maar Agamben heeft gelijk dat onze heersers iedere
mogelijkheid zullen aangrijpen om hun macht te consolideren, vooral
in tijden van crisis. Dat het coronavirus wordt misbruikt om de
massale surveillance te versterken is geen geheim. De Zuid-Koreaanse
regering heeft de verspreiding van de besmetting geanalyseerd door de
locatie van haar burgers in kaart te brengen via hun mobiele
telefoons – een beleid dat tot beroering heeft geleid toen er ook
een aantal buitenechtelijke affaires werd blootgelegd. In Israel zal
de Mossad binnenkort zijn eigen versie van deze technologie
implementeren, terwijl de Chinese overheid nog krachtiger heeft
ingezet op video-surveillance en gezichtsherkenningstechnologieën
(de mondiale inlichtingendiensten hebben op het excuus van een
epidemie gewacht om ons digitaal te kunnen gaan schaduwen). Veel
Europese regeringen zijn momenteel aan het beslissen of ze een
voorbeeld willen nemen aan de Zuid-Koreaanse en Chinese programmaʼs,
terwijl het Britse Information Commissioner’s Office deze
technologie al eind maart heeft goedgekeurd. Agamben was niet de
eerste die betoogde dat een van de doelen van de sociale overheersing
de ʻatomiseringʼ
van de overheersten is; Guy Debord schreef in De
Spektakelmaatschappij dat de ontwikkeling van kapitalistische
handelswarenutopiaʼs ons
allemaal zou doen
belanden in ‘perfecte
afzondering.’
*
Aan het einde van
deze crisis zullen de surveillance-bevoegdheden van de regeringen
vertienvoudigd zijn. Maar desondanks – ook al beweert Agamben iets
anders – blijft de besmetting reëel, dodelijk en verwoestend. Dat
veiligheidsdiensten waarschijnlijk van de pandemie zullen gaan
profiteren rechtvaardigt nog geen sprong naar het paranoïde
samenzweringsdenken: de regering-Bush hoefde de Twin Towers niet zelf
te verwoesten om de Patriot Act te kunnen invoeren; Cheney en
Rumsfeld konden ontvoering en marteling eenvoudigweg legitimeren door
gebruik te maken van de kansen die 9/11 hen bood.
Ik noem de aanval op het World Trade Center omdat dit een tweede
zwakte in Agambens werk blootlegt, waarin immers alle technieken van
maatschappelijke controle worden uitgelegd met behulp van het model
van de onderdrukking door de staat van een gewapende opstand. Ook
eind jaren zeventig en begin jaren tachtig legden diverse Europese
landen al eens een uitzonderingstoestand op, zogenaamd om het
terrorisme te bestrijden – en trend die de generatie van Agamben en
haar nakomelingen rechtstreeks heeft beïnvloed. Maar niet alle
uitzonderingstoestanden zijn hetzelfde. Zoals Aristoteles al zei: als
alle katten zoogdieren zijn, betekent dit nog niet dat alle
zoogdieren katten zijn. De uitzonderingstoestand, opgelegd uit naam
van het terrorisme, lijkt op het beleid dat is ontworpen om lepra in
te dammen: d.w.z. het verdelen van de samenleving in twee
afzonderlijke groepen, waarbij de leprozen/terroristen werden
buitengesloten van de grotere gemeenschap van gezonde/wetsgetrouwe
burgers. Daarentegen reproduceert de huidige uitzonderingstoestand in
beginsel het fenomeen waarover Foucault het heeft als het om de pest
gaat, gebaseerd op de controle, immobilisatie en isolatie van de
gehele bevolking.iv
Anders dan het lepra-model maakt dit regime geen onderscheid tussen
goede en slechte burgers. Iedereen is potentieel slecht; wij moeten
allemaal worden gemonitord en onder toezicht worden gesteld. Het
panopticon omvat de hele samenleving, niet slechts de gevangenis of
de kliniek.
Het is waar dat we
getuige zijn van een gigantisch en ongekend experiment in sociale
discipline, met drie miljard mensen die momenteel thuis moeten
blijven; de meesten van hen hebben deze beperkingen van hun vrijheid
geaccepteerd, zonder veel actieve weerstand. Veertig jaar geleden zou
dit ondenkbaar zijn geweest. In veel gevallen vindt dit experiment
blind en op de tast plaats, zoals in India, waar premier Modi het
hele land heeft opgedragen thuis te blijven, ondanks de aanwezigheid
van 120 miljoen zwervende migrantenarbeiders die dikwijls gedwongen
zijn op straat te leven. In een groot deel van de wereld is de
opsluiting in het eigen huis louter denkbaar voor de rijkste laag van
de bevolking, terwijl het voor de meesten rechtstreeks tot
werkloosheid en honger leidt. India is een extreem geval, maar een op
klassenverschil gebaseerd antwoord op de epidemie is zichtbaar in
ieder land. Dit is een ‘witte-boorden-quarantine’, zoals de New
York Times hem omschreef.v
De geprivilegieerden sluiten zichzelf op in huizen met snel internet
en volle koelkasten, terwijl de rest van ons blijft reizen in
overvolle metrotreinen en schouder aan schouder blijft werken in
besmette omgevingen. De voedselindustrie, de energiesector, de
transportdiensten en de telecommunicatiehubs moeten blijven draaien,
naast de productie van cruciale medicijnen en ziekenhuisapparatuur.
Fysieke afzondering is een luxe die velen zich niet kunnen
veroorloven, en de regels voor ‘social distancing’ dienen om de
kloof tussen de klassen te verbreden.
*
Hetgeen ons bij het
voornaamste punt brengt dat Agamben over het hoofd ziet: de
overheersing is niet ééndimensionaal. Het gaat niet alleen maar om
controle en toezicht, maar ook om uitbuiting en extractie. (Een
beetje Marx, bovenop Schmitt, zou zijn analyse geen kwaad doen.) De
serieuze schade die deze epidemie dreigt toe te brengen aan het
kapitaal verklaart de aarzeling bij politici om isolatie en
quarantaine af te dwingen. Boris Johnson (aanvankelijk) en Trump zijn
de opvallendste voorbeelden: zij hebben zich zo lang mogelijk tegen
het aankondigen van een quarantaine verzet en willen die ook weer zo
snel mogelijk opheffen, zelfs als dat ten koste gaat van een paar
honderdduizend doden. In dit geval moet het trage tempo van het
volksgezondheidsbeleid worden gecontrasteerd met de snelheid van het
financiële antwoord. Natuurlijk weerspiegelen de ‘genereuze’
budgettaire maatregelen deels de zorgen van Wallenberg: ze zijn
bedoeld om grote maatschappelijke onrust te vermijden door de werkers
voor het moment genoeg inkomsten te geven om van te leven. Geen
kapitalist wilde in deze Keynesiaanse positie gedwongen worden. Maar
zoals Obama’s stafchef Rahm Emanuel opmerkte: ‘Je mag een
ernstige crisis nooit verloren laten gaan.’ Dus terwijl er sprake
is van spaarzame uitbreidingen van de wettelijke
ziektekostenvergoeding, hebben de staten ook buitengewone maatregelen
getroffen om hun financiële sectoren te steunen, of ‘om de
startbaan voor de banken in gereedheid te brengen,’ zoals de
vroegere Amerikaanse minister van Financiën Timothy Geithner het
heeft verwoord. Tot nu toe hebben de regeringen van de OESO-landen
ruim $5 bln toegezegd, maar dit bedrag zal nog verder stijgen.
Heersers maken ook
gebruik van de pandemie om er beleid doorheen te drukken dat in
normale tijden tot verontwaardiging zou hebben geleid. Trump heeft de
Amerikaanse industrie de vrijheid gegeven om de milieuwetten te
overtreden tijdens de noodtoestand, terwijl Macron een van de
voornaamste verworvenheden van de arbeidersbeweging heeft ontmanteld
door de maximale werkweek uit te breiden naar zestig uur.vi
Toch heeft op een bepaalde manier de kleingeestigheid van deze
wetgevende trucs – te lokaal en te beperkt om een noodlijdende
neoliberale orde te kunnen helpen – aangetoond dat de pandemie de
heersende klassen heeft verrast: zij hebben de recessie die ons wacht
nog niet doorzien, evenmin als het vermogen daarvan om de economische
orthodoxie overhoop te gooien. Net zoals Agamben alle noodtoestanden
beschouwt als anti-terroristisch, zien onze heersers deze
systeemcrisis louter als een financiële: zij reageren op de pandemie
alsof het om een nieuw 2008 gaat, door Bernanke te imiteren en een
Friedman-achtige monetaire expansie voor te schrijven. Als gevangenen
van de monetaire orthodoxie begrijpen ze niet dat deze keer de schok
aan de vraagzijde meer zal inhouden dan een simpele
liquiditeitscrisis.
Al heel snel zullen
hele fortuinen verloren gaan terwijl de kapitalisten hun
bedrijfsactiviteiten (luchtvaartmaatschappijen, bouwbedrijven,
autofabrieken, toeristencircuits, filmproducties) ten onder zien
gaan. Maar in deze context zal Friedmans ‘helikoptergeld’ – de
injectie van astronomische hoeveelheden liquiditeit in de economie –
een grootschalige vernietiging van kapitaal teweegbrengen, omdat dit
nieuw uitgegeven geld geen enkele reële waarde vertegenwoordigt. In
oorlogstijd wordt zowel financieel als materieel kapitaal verwoest:
infrastructuur, fabrieken, bruggen, havens, stations, luchthavens,
gebouwen. Maar zodra de oorlog voorbij is begint een periode van
wederopbouw, en deze wederopbouw brengt een economische opleving
teweeg. De huidige epidemie heeft echter meer weg van een
neutronenbom, die mensen doodt, maar gebouwen, wegen en fabrieken
intact laat (zij het leeg). Dus als de epidemie voorbij is, zal er
niets meer te herbouwen zijn – en bijgevolg ook geen sprake zijn
van herstel.
Nadat de quarantine
is opgeheven zullen mensen niet eenvoudigweg op dezelfde schaal
auto’s en vliegtuigtickets gaan kopen als vóór de crisis. Velen
zullen hun baan kwijtraken, terwijl degenen die hun baan zullen
behouden moeite zullen hebben om klanten te vinden in een economie
waarin weinig geld omgaat. Intussen zal iemand de rekening moeten
betalen voor de enorme uitgaven die zijn gedaan om het virus in te
dammen, vooral als de daaruit voortvloeiende schuldenberg het
vertrouwen bij beleggers wegneemt, op welk punt Wallenbergs angst
voor sociale onrust gerechtvaardigd zou kunnen blijken: de
shocktherapie die zal worden toegepast na de crisis – als, uit naam
van een economische noodzaak, het publiek moet gaan betalen voor deze
‘generositeit’ – kan er inderdaad toe leiden dat mensen in
verzet komen. De epidemie zal de controle en het toezicht van bovenaf
versterken; zij zal van de maatschappij weer een laboratorium voor
disciplinaire technieken maken. Maar in deze situatie zullen onze
heersers wel een tijger moeten leren berijden: degenen die ons willen
controleren zouden dat liever met minder kostbare middelen doen.
Uiteindelijk zal het makkelijk zijn om de quarantaine op te heffen.
Maar het zal problematischer blijken om de economie weer op te
starten.
Rome, 4 april
2020
Vertaling: Menno Grootveld
Noten:
i ‘Coronavirus “medicine” could trigger social breakdown,’ Financial Times, 26 maart 2020.
ii
Michel Foucault, Discipline and Punish: The Birth of the Prison,
London 1995, pp. 195–228.
iii Het artikel van Agamben in Il Manifesto en de daaropvolgende discussie in het Italiaanse online-magazine antinomie – met bijdragen van onder meer Jean-Luc Nancy, Sergio Benvenuto en Roberto Esposito – staan op de website van het European Journal of Psychoanalysis. Andere bijdragen omvatten Alain Badiou, ‘On the Pandemic Situation,’ MicroMega, 25 maart 2020, en Paolo Flores d’Arcais, ‘Philosophy and the Virus: Giorgio Agamben’s Ravings,’ MicroMega, 16 maart 2020.
iv
Voor een historische reality check is het echter de moeite waard om
Daniel Defoe’s Journal of a Plague Year [1722] te
raadplegen, dat de ontelbare manieren beschrijft waarop de door de
pest getroffen Londenaren de gardisten wisten te ontlopen of om te
kopen, en te ontsnappen aan de besmette huizen waar ze in opgesloten
waren – iets wat ontbreekt aan het verhaal van Foucault.
v Noam Scheiber, Nelson Schwartz, Tiffany Hsu, ‘“White-Collar Quarantine” Over Virus Spotlights Class Divide,’ New York Times, 27 maart 2020; Jennifer Valentino-DeVries, Denise Lu, Gabriel Dance, ‘Location Data Says It All: Staying at Home During Coronavirus Is a Luxury,’ New York Times, 3 april 2020.
vi Oliver Milman en Emily Holden, ‘Trump Administration allows companies to break pollution laws during coronavirus pandemic,’ The Guardian, 27 maart 2020; Le Macronomètre, ‘Coronavirus: 60 heures de travail par semaine dans les secteurs essentiels, la bonne décision,’ Le Figaro, 25 maart 2020.
Adam Tooze is een Brits historicus die hoogleraar is aan de Columbia Universiteit en directeur is van het European Institute. Hij is de auteur van Crashed: How a Decade of Financial Crises Changed the World (de Nederlandse vertaling verscheen in 2018 bij Spectrum)
Het is een wrede speling van het lot dat de
COVID-19-crisis de fundamentele breuklijn in de eurozone tussen
noord en zuid heeft blootgelegd. Het daaruit
voortvloeiende debat over de vraag hoe we een gezamenlijk antwoord
kunnen formuleren is bitter geweest.
Het voorlopige compromis dat op 9 april jl. door
de ministers van Financiën op de bijeenkomst van de Eurogroep werd
bereikt, was een opluchting. Het zou rampzalig zijn geweest als de
Eurogroep voor de tweede keer binnen een week zonder akkoord uit
elkaar zou zijn gegaan. Dat zou waarschijnlijk niet hebben geleid tot
paniek op de obligatiemarkt – enorme interventies van de kant van
de Europese Centrale Bank hebben die mogelijkheid voor dit moment
geneutraliseerd. Maar in politiek opzicht zou het een vreselijk
signaal van onenigheid hebben afgegeven.
Het drievoudige pakket – met financiering van de
uitgaven aan de gezondheidszorg via het Europees Stabiliteits
Mechanisme (ESM), leningen voor bedrijven van de Europese
Investeringsbank en 100 miljard euro voor het werkloosheidsfonds van
de Europese Commissie – is bescheiden in omvang. Het is
teleurstellend
voor degenen onder ons die het idee van de ʻcorona-bondsʼ
steunen. Maar het is wel een opluchting dat het een compromis was, in
plaats van een vernederende nederlaag voor de coalitie van negen
voorstanders van corona-bonds, toegebracht door het koppige en
kortzichtige egoïsme van de Nederlanders en de Duitsers.
In politiek opzicht hebben de Nederlanders hun zaak misschien wel meer kwaad dan goed gedaan met hun eis dat ESM-leningen afhankelijk moeten worden gesteld van structurele aanpassingen (lees: bezuinigingen). In plaats van als bondgenoten van de Nederlanders worden de Duitsers nu namelijk liever gezien als bemiddelaars.
Bekentenis van onvermogen
In verhouding tot de omvang van de huidige crisis
is het akkoord, zelfs als we het royale bedrag van 540 miljard euro
voor het steunpakket in aanmerking nemen, een
bekentenis van Europees onvermogen. In het
licht van de klap van een biljoen dollar voor de wereldeconomie komt
de bescheiden omvang van het steunpakket neer op een bekentenis dat
het primaat bij de bestrijding van de crisis nog
steeds bij de natiestaten ligt.
Het beste dat erover kan worden gezegd is dat het
een kader biedt voor verdere onderhandelingen. Er is de toezegging om
een tijdelijk wederopbouwfonds in te richten, te financieren met
ʻinnovatieve
instrumentenʼ
– wat dat betekent moet nog blijken. Helaas is er gezien onze
ervaringen van de afgelopen weken weinig reden tot optimisme, tenzij
zich in Nederland een regeringswisseling voordoet.
Als de onmiddellijke gezondheidscrisis voorbij is,
als ʻallesʼ
dat op het spel staat de ellende van massale werkloosheid in
Spanje of een verdere schok voor de groeivooruitzichten van Italië
is – waarom zouden we dan verwachten dat de noordelijke staten zich
coöperatiever zullen opstellen dan ze sinds 2010 hebben gedaan? De
verhouding tussen de staatsschuld en het bruto binnenlands product
zal nog slechter worden. We mogen ervan uitgaan dat het discours over
de houdbaarheid van de schuld en de begrotingsverantwoordelijkheid
net zo meedogenloos zal zijn als altijd.
Natuurlijk mag je nooit ʻnooitʼ
zeggen. Uit peilingen blijkt
een openheid bij het Duitse publiek ten aanzien van corona-bonds, die
door een creatief en dapper politiek leiderschap zou kunnen worden
uitgebuit. De mening onder deskundigen is duidelijk omgeslagen;
de breed gedragen oproep tot gezamenlijke actie van
Duitse economen is nieuw en zeer welkom. Zowel
in Duitsland als in Nederland schaamt
een groot deel van het publiek zich blijkbaar voor het standpunt van
hun regering.
De politieke ruzie is nog niet voorbij. Zij zal worden hervat als de regeringsleiders weer om de tafel gaan zitten. Toch is één ding nu al duidelijk: de crisisbestrijdingsvoorstellen op basis van het ESM zijn in de praktijk een dode letter. De weg naar het akkoord van 9 april kwam pas open te liggen toen de Nederlanders eindelijk afzagen van hun eis dat de belangrijkste vorm van steun ESM-leningen met harde voorwaarden moesten zijn. Maar zelfs in de afgezwakte vorm waarin dit in het huidige pakket is opgenomen is de vermelding van het ESM alleen al voldoende om in Italië verontwaardiging te wekken.
Kleingeestige bedoelingen
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het standpunt
van de Nederlanders over het ESM niet abnormaal was. Wat zij vroegen
was niet alleen trouw aan de letter, maar ook aan de kleingeestige
bedoelingen die het ESM in de eerste plaats hebben doen ontstaan. Dat
was altijd al bedoeld als een zware financiële oefening die zoveel
mogelijk structurele aanpassingen zou vergen in ruil voor zo weinig
mogelijk kredieten.
Maar het ESM bestond tenminste. En tot vorige week
konden we nog doen alsof dat ertoe deed. Er zijn veel ingewikkelde en
weinig kleingeestige ideeën voor een gezamenlijk antwoord op de
corona-crisis geopperd, waarin werd voorgesteld om de financiering
via het ESM te laten verlopen. Het ESM werd als instrument naar voren
geschoven om de zeer goede reden dat het de enige faciliteit was die
direct beschikbaar was.
Het ESM fungeert als ʻtriggerʼ
voor een andere vermeende stabiliteitsvoorziening van de eurozone, de
faciliteit voor rechtstreekse monetaire transacties (OMT) van de ECB.
Dit OMT is in augustus 2012 ontstaan nadat de toenmalige
bankpresident, Mario Draghi, zijn gewaagde uitspraak
had gedaan over ʻwat
ook maar nodig is.ʼ
Een van de voorwaarden die de OMT aanvaardbaar maakte – misschien
niet voor de Duitse Bundesbank, maar in ieder geval wél voor
de regering van Angela Merkel – was de bepaling dat de aankoop van
ECB-obligaties afhankelijk moest zijn van de aanvaarding door een
land van een ESM-programma, compleet met een memorandum van
overeenstemming.
Zelfs toen al was het voor iedereen die verder
wilde gaan dan de woorden van Draghi duidelijk dat deze voorwaarden
de kans op activering van het OMT zeer onwaarschijnlijk maakten. Toch
was het handig om te doen alsof het OMT-ESM de inhoud behelste van
ʻwat
ook maar nodig is.ʼ
Dit is nooit op de proef gesteld, omdat de ECB sinds 2015 obligaties
is gaan kopen onder het mom van ʻkwantitatieve
versoepeling.ʼ
Dat is wat de ECB in 2019 en in maart dit jaar als reactie op de coronavirus-crisis heeft gedaan. Dat waren algemene interventies in het kader van het economisch beleid, die zich richtten op de kwestie van de risicodeling en de asymmetrische gevolgen voor de sterkere en zwakkere leden van de eurozone. Op de achtergrond was er altijd de suggestie dat, als Italië echt in de problemen zou komen, er een beroep zou kunnen worden gedaan op het OMT.
Vijgenblad verwijderd
Door de impasse binnen de Eurogroep van de
afgelopen weken is dit vijgenblad nu verwijderd. Wat nu duidelijk is
geworden is dat het zeer onwaarschijnlijk is dat een beroep op het
ESM aanvaardbaar is.
In wezen komt dit doordat het ESM zijn
ontstaansgeschiedenis in de tumultueuze episode van de
eurozone-crisis van 2010-2012 niet heeft weten te ontstijgen. Het
wordt nog steeds gezien als een vernederend disciplinair instrument
waarmee de landen uit de Noord-Europese eurozone hun beleidsagenda
opleggen aan het eigenzinnige zuiden.
Het is makkelijk om dergelijke verwijzingen naar
de geschiedenis ongeduldig te verwerpen. Natuurlijk komt het de
politici in de Zuid-Europese landen met hoge schulden goed uit om hun
problemen aan Brussel en Frankfurt te wijten. Maar geen van de
huidige regeringen in Rome of Madrid kan worden beticht van populisme
van dit slag. Beiden vragen juist om méér Europa en om een diepere
integratie. Maar ze houden ook staande dat het ESM, als een
instelling die de erfenis van de eurozone-crisis belichaamt, politiek
vergif is.
Dit zou Europa tot nadenken moeten stemmen.
Blijvende littekens
Het is een van de grote waarheden van de Europese
Unie dat zij ʻtijdens
een crisis is gesmeed.ʼ
Wat hierdoor onderbelicht blijft is dat een crisis ook blijvende
littekens kan opleveren. Crises kunnen namelijk niet alleen
misvormende sporen achterlaten, maar ook neuralgische punten die
zelfs jaren later nog acute pijn veroorzaken. De eurozone-crisis
is in het geheugen bijna verworden tot een Europese burgeroorlog –
een moment in de geschiedenis dat verdeeldheid zaaiende verhalen
genereert, waarvan het verdwijnen van de intensiteit niet te
voorspellen valt.
Wat we de afgelopen weken hebben geleerd is dat
het ESM, het aangewezen crisisbestrijdingsmechanisme van de eurozone,
in deze verhalenoorlog verstrikt is geraakt. En dat heeft reële
gevolgen.
Degenen die tegen corona-bonds waren, omdat dit
niet het moment zou zijn voor zoʼn
innovatie, en in plaats daarvan de voorkeur gaven aan op het ESM
gebaseerde oplossingen, omdat dit mechanisme nu eenmaal al
beschikbaar was, hebben de verkeerde keuze gemaakt. Het was de
ESM-route die onrealistisch was, juist vanwege de associatie met het
tijdperk van de eurozone-crisis. Een van de dingen die corona-bonds
aantrekkelijk maken voor hun voorstanders is dat ze nieuw zijn en dus
niet het odium van de bittere geschiedenis van de eurozone met zich
meedragen.
Helaas wordt de geschiedenis voortdurend opnieuw geschreven en zullen de beladen debatten van de afgelopen weken zelf tot het erfgoed gaan behoren. Nu de Nederlanders en de Italianen hun hakken in het zand hebben gezet, zal het in de toekomst voor iedereen nóg moeilijker worden om de steun van het ESM in te roepen. Wat voor schok is ervoor nodig om een land zich dán nog tot het ESM te laten wenden? Wat slechts enkele weken geleden nog werd gezien als het institutionele raamwerk voor reële crisisbestrijding, is nu gereduceerd tot een soort betalingsmechanisme voor de gezondheidszorguitgaven, specifiek uitgesloten van iedere macro-economische stabilisatiefunctie.
Schade aangericht
Natuurlijk is er het nieuwe wederopbouwfonds,
waarvan de details en de financiering nog moeten worden uitgewerkt.
Misschien komt er iets vernieuwends uit voort. Maar niemand mag zich
illusies maken over de schade die is aangericht sinds de lancering
van het idee van de corona-bonds in maart.
Merkel en haar minister van Financiën, Olaf
Scholz, hadden ongetwijfeld graag gezien dat de negen
regeringsleiders de vraag nooit zo duidelijk en zo dringend hadden
gesteld. Begrepen zij dan niet dat Berlijn wel ʻneeʼ
moest zeggen? Zou het niet beter zijn geweest om gewoon door te
modderen?
Misschien. Maar in de geschiedenis is er geen weg
terug. Het voorstel kan niet ongedaan worden gemaakt. De vraag is
gesteld, en er is antwoord gegeven. Dit zal onvermijdelijk een
schaduw werpen. Europa kan er in de toekomst door worden ingehaald –
op dezelfde manier dat de herinneringen aan 2010-12 het ESM dit
voorjaar hebben ingehaald.
Dit artikel is een gezamenlijke publicatie van Social Europe en IPS-Journal
Binnen een paar weken heeft het coronavirus de
mondiale economie op slot gegooid en het kapitalisme op de
intensive care doen belanden. Veel denkers hebben de hoop
uitgesproken dat dit zal leiden tot een humaner economisch systeem;
anderen waarschuwen dat de pandemie een zwartere toekomst zal
inluiden van techno-totalitaire surveillance-staten.
De achterhaalde clichés uit 1984 van George Orwell zijn
niet langer een betrouwbare gids voor wat
ons te wachten staat. En het hedendaagse kapitalisme is sterker –
en merkwaardiger – dan zijn critici denken. De talloze problemen
vertegenwoordigen niet alleen even zovele nieuwe manieren om winst te
maken, ze versterken ook de legitimiteit ervan – omdat de enige
redding zal moeten komen van figuren als Bill Gates en Elon Musk. Hoe
erger de crises, des te sterker de verdedigingslinies: dit is zeker
niet de manier waarop het kapitalisme aan zijn einde komt.
Maar de critici van het kapitalisme hebben we gelijk als ze
COVID-19 beschouwen als een bevestiging van hun waarschuwingen. Het
virus heeft het bankroet aangetoond van de neoliberale dogmaʼs
van privatisering en deregulering – door ons
te laten zien wat er
gebeurt als ziekenhuizen winst moeten maken en publieke
diensten worden uitgehold door bezuinigingen. Maar het
kapitalisme overleeft niet alleen dankzij het neoliberalisme: het
laatstgenoemde speelt louter de rol van de bad cop, door
staande te houden – in de beroemde woorden van Margaret Thatcher –
dat ʻer geen alternatief
is.ʼ
De good cop in dit drama is de ideologie van het
ʻsolutionisme,ʼ
dat zijn oorsprong in Silicon Valley is ontstegen en nu het denken
van onze heersende elites bepaalt. In zijn eenvoudigste vorm houdt
het in dat – omdat er geen alternatief is (of geen tijd of geen
geld) – het beste wat we kunnen doen het plakken van digitale
pleisters op de kapitalistische wonden is. Solutionisten zetten
technologie in om de politiek uit de weg te gaan; zij bepleiten
ʻpost-ideologischeʼ
maatregelen die de wielen van het mondiale kapitalisme draaiende
houden.
Na decennia van neoliberaal beleid is het solutionisme de
standaard-oplossing geworden voor heel veel politieke problemen.
Waarom zou een regering bijvoorbeeld nog investeren in de wederopbouw
van krakkemikkig openbaar vervoer als zij eenvoudigweg big data
kan inzetten om gepersonaliseerde prikkels te bedenken teneinde
mensen te ontmoedigen op piektijden te gaan reizen? Zoals de
ontwerper van zoʼn
programma een paar jaar geleden in Chicago zei: ʻOplossingen
aan de aanbodzijde van de economie [zoals] het aanleggen van nieuwe
verbindingen … zijn vrij duur.ʼ
In plaats daarvan ʻkijken
we naar manieren waarop big
data de vraagzijde
kan beheren … door mensen te laten begrijpen op welke tijden ze
beter kunnen reizen.ʼ
De twee ideologieën zijn twee handen op één buik. Het
neoliberalisme wil de wereld opnieuw vormgeven aan de hand van
blauwdrukken die uit de tijd van de Koude Oorlog dateren: méér
concurrentie en minder solidariteit, méér creatieve vernietiging en
minder overheidsplanning, méér afhankelijkheid van de markt en
minder sociale voorzieningen. De ondergang van het communisme heeft
deze taak vereenvoudigd – maar de opkomst van digitale
technologieën heeft feitelijk gezorgd voor een nieuw obstakel.
Hoe dat zit? Hoewel big data en kunstmatige intelligentie
niet van nature niet-marktgerichte activiteiten bevorderen, maken zij
het wél makkelijker om je een post-neoliberale wereld voor te
stellen, waarin de productie is geautomatiseerd en technologie ten
grondslag ligt aan universele gezondheidszorg en onderwijs voor
iedereen: een wereld waarin overvloed wordt gedeeld, niet
toegeëigend.
Dit is precies het punt waarop het solutionisme zijn intrede doet.
Als het neoliberalisme een proactieve ideologie is, is het
solutionisme een reactieve: het ontwapent, ontmantelt en verwerpt
politieke alternatieven. Het neoliberalisme doet de overheidsuitgaven
slinken; het solutionisme is een aanslag op de publieke
verbeeldingskracht. Het solutionistische mandaat is het publiek ervan
te overtuigen dat het enige legitieme gebruik van digitale
technologieën het ontwrichten en revolutioneren is van alles behalve
de centrale institutie van het moderne leven – de markt.
De wereld is momenteel in de ban van solutionistische
technologieën – van een Poolse app die van coronavirus-patiënten
eist dat zij regelmatig selfies nemen om te bewijzen dat ze binnen
blijven tot het Chinese kleurgecodeerde programma
voor het meten van je gezondheid met je smartphone, dat bepaalt
wie zijn huis mag verlaten. Overheden hebben zich gewend tot
bedrijven als Amazon en Palantir voor infrastructuur- en
data-modellering, terwijl Google en Apple de handen ineen hebben
geslagen om ʻprivacy-bestendigeʼ
data-tracing oplossingen mogelijk te maken. En zodra landen in
de herstelfase belanden zal de tech-sector graag haar technocratische
expertise aanbieden om bij de schoonmaakoperatie te helpen. Italië
heeft Vittorio
Colao, de vroegere CEO van Vodafone, al de leiding gegeven over
de post-crisis taskforce.
In feite kunnen we nu twee soorten solutionisme onderscheiden in
de overheidsreacties op de pandemie. ʻProgressieve
solutionistenʼ
geloven dat een tijdige, op een app gebaseerde blootstelling aan de
juiste informatie ertoe kan bijdragen
dat mensen zich gaan gedragen overeenkomstig
het algemeen belang. Dit is de logica van het ʻnudging,ʼ
dat ten grondslag lag aan de desastreuze initiële reactie van
Groot-Brittannië op de crisis. ʻRepressieve
solutionistenʼ
willen daarentegen de enorme surveillance-infrastructuur van het
digitale kapitalisme inzetten om onze dagelijkse activiteiten aan
banden te leggen en iedere overtreding te bestraffen.
We hebben nu een maand lang bediscussieerd hoe deze technologieën
onze privacy kunnen bedreigen – maar dat is niet het grootste
gevaar voor onze democratie. Het werkelijke risico is dat dit
solutionistische instrumentarium dankzij de coronacrisis de
standaardoptie voor de aanpak van alle existentiële problemen zal
worden – van de ongelijkheid tot de klimaatverandering. Het is
immers veel makkelijker om solutionistische technologieën in te
zetten teneinde individueel gedrag te beïnvloeden dan het is om
moeilijke politieke vragen te stellen over de grondoorzaken van deze
crises.
Maar de solutionistische antwoorden op deze ramp zullen alleen
maar de afname van onze publieke verbeeldingskracht versnellen – en
het veel moeilijker maken om je een wereld voor te stellen waarin de
technologiereuzen níet onze sociale en politieke infrastructuur
domineren.
We zijn nu allemaal solutionisten. Als onze levens op het spel
staan, zijn abstracte beloften van politieke emancipatie minder
geruststellend dan de belofte van een app die je vertelt wanneer het
veilig is om je huis te verlaten. De echte vraag is of we morgen nog
steeds solutionisten zullen zijn.
Het solutionisme en het neoliberalisme zijn heel veerkrachtig,
niet omdat de onderliggende ideeën zo goed zijn, maar omdat die
ideeën instituties – waaronder overheden – zo ingrijpend hebben
veranderd. Het ergste moet nog komen: de pandemie zal de
solutionistische staat van extra energie voorzien, net zoals 9/11
dat voor de surveillance-staat heeft gedaan, waardoor een excuus
zal worden gecreëerd om het politieke vacuüm te vullen met
anti-democratische praktijken, ditmaal eerder uit naam van de
innovatie dan van de veiligheid.
Eén functie van de solutionistische staat is om
software-ontwikkelaars, hackers en ambitieuze ondernemers ervan te
weerhouden om met alternatieve vormen van sociale organisatie te
experimenteren. Dat de toekomst aan startups toebehoort is geen
natuurlijk gegeven, maar een beleidsuitkomst. Als gevolg daarvan
sneuvelen subversievere technologische inspanningen, die zouden
kunnen leiden tot niet op de markt maar op solidariteit gebaseerde
economieën, al in de fase van de prototype-ontwikkeling. Er is een
reden dat we nu al geen twintig jaar geen nieuwe Wikipedia meer
hebben gezien.
Een ʻpost-solutionistischeʼ
politiek moet beginnen met het doorbreken van de kunstmatige
tweeëenheid van behendige startups en inefficiënte overheden die
onze politieke horizon vandaag de dag bepalen. Onze vraag zou niet
moeten zijn welke ideologie – de sociaaldemocratie of het
neoliberalisme – de concurrentiekrachten beter in toom kan houden
en gebruiken, maar welke instituties we nodig hebben om de nieuwe
vormen van sociale coördinatie en innovatie te benutten die de
digitale technologieën ons bieden.
Het huidige debat over het juiste technologische antwoord op
COVID-19 maakt nu juist zoʼn
gesmoorde indruk omdat er nog helemaal
geen perspectief is op
zoʼn post-solutionistische politiek. Het draait om de trade-offs
tussen privacy en de volksgezondheid enerzijds, en om de noodzaak om
de innovatie via startups te bevorderen anderzijds. Waarom zijn er
geen andere opties? Komt dat doordat we digitale platforms en
telecom-operators ons hele digitale universum hebben laten behandelen
als hun achtertuin?
Zij bestieren die met slechts één doel voor ogen: het gaande
houden van micro-targeting en het laten stromen van
micro-betalingen. Als gevolg daarvan is er weinig nagedacht over het
ontwikkelen van digitale technologieën die anonieme inzichten op
macro-niveau opleveren over het collectieve gedrag van
niet-consumenten. De digitale platforms van vandaag de dag zijn
plekken voor geïndividualiseerde consumptie en niet voor wederzijdse
steun en solidariteit.
Hoewel ze kunnen worden ingezet voor niet op de markt gerichte
doelstellingen vormen de hedendaagse digitale platforms geen goede
basis voor een politieke orde die eerder openstaat voor actoren dan
voor consumenten, startups en ondernemers. Als we die digitale
platforms niet opeisen voor een levendiger vorm van de democratie
zullen we decennialang veroordeeld blijven tot de ongelukkige keuze
tussen ʻprogressieveʼ
en ʻrepressieveʼ vormen
van solutionisme.
Als gevolg daarvan zal onze democratie het zwaar hebben. De
bloeitijd van het solutionisme, die dankzij COVID-19 is aangebroken,
legt de extreme afhankelijkheid van reëel bestaande democratieën
bloot van de ondemocratische expertise van de private macht van de
technologieplatforms. Onze eerste opdracht is dus het in kaart
brengen van een post-solutionistische toekomst – een toekomst die
het publiek de soevereiniteit in handen geeft over de digitale
platforms.
Anders is het klagen over China’s autoritaire maar effectieve antwoord op COVID-19 niet alleen pathetisch maar ook hypocriet: er liggen diverse varianten van het techno-autoritarisme in het verschiet, en de neoliberale versie ziet er weinig aantrekkelijker uit dan het alternatief.
Christopher J. Lee is universitair hoofddocent geschiedenis en Afrika-studies aan het Lafayette College in Easton, Pennsylvania. Van hem zijn vijf boeken verschenen, onder meer over Frantz Fanon en Alex la Guma. Hij legt momenteel de laatste hand aan een boek over Kwame Anthony Appiah.
De
eerste zin van Achille Mbembeʼs essay Necropolitics
(2003) begint met de bewering dat ʻde ultieme uitdrukking van
soevereiniteit voor een groot deel ligt in de macht en het vermogen
om te bepalen
wie mag blijven
leven
en wie moet sterven.ʼ De COVID-19-pandemie lijkt een lakmoesproef
voor deze bewering te zijn. Hoewel Mbembeʼs betoog over de opkomst
van een nieuwe vorm van politiek, gericht op macht over de dood, lang
voor het opduiken van deze
pandemie is
verschenen
en voornamelijk is toegepast in
de context van Afrika, biedt zijn concept een manier van denken
waarmee
het huidige beleid kan
worden verklaard
zonder dat
men zijn
toevlucht hoeft
te
nemen tot de conventionele kaders van links en rechts die tot dusver
de discussies in het mondiale noorden hebben bepaald. Hoewel deze
kaders
de infrastructurele capaciteiten van staten om te reageren op de
crisis fundamenteel hebben
vormgegeven,
waarbij neoliberale democratieën als Groot-Brittannië en de
Verenigde Staten na jaren van bezuinigingen op en privatisering van
de medische zorg voor een duidelijke uitdaging staan, mag de kans
niet worden gemist om anders na te gaan
denken
over wat er op het spel staat. COVID-19 is niet alleen
een medische of epidemiologische crisis; het is ook
een soevereiniteitscrisis.
De
gebeurtenissen van de afgelopen weken en maanden kunnen in dit bestek
niet volledig worden gerecapituleerd,
maar wel worden gekarakteriseerd als een poging om de soevereiniteit
terug te winnen. Ze onthullen een ontluikend
necropolitiek landschap dat wordt gedefinieerd
door staten die macht hebben over het leven en staten die uitsluitend
macht hebben over de dood. Een kort overzicht
van de
bekendmakingen,
verboden en sluitingen is in dit verband nuttig: artsen uit het
Chinese Wuhan meldden eind december 2019 voor het eerst het bestaan
van een ongespecificeerd
virus; op 23 januari 2020 werd in deze stad van
11 miljoen mensen een verplichte lockdown opgelegd, naast extra
reisbeperkingen voor andere steden in de provincie Hubei (in totaal
57 miljoen mensen); acht dagen later, op 31 januari, werd in Italië
de noodtoestand uitgeroepen, en op 9 maart een nationale quarantaine
ingesteld;
op 11 maart kwam
de regering-Trump met
een reisverbod voor reizigers uit Europa die geen Amerikaans
staatsburger zijn; Spanje kondigde op 15 maart een nationale
quarantaine af; op dezelfde dag voerde
Duitsland nieuwe grensbeperkingen in; op 18 maart stelde
Zuid-Afrika een reisverbod in voor buitenlanders uit risicolanden; op
19 maart legde
Autralië een reisverbod op
aan
vreemdelingen, enzovoort. Wat dit
korte overzicht
schetst is een terugkeer naar de meest basale technieken van
territoriale controle en staatsmacht – een beleid van
grensbeperkingen, gemeenschapsbeheer, avondklokken,
bedrijfssluitingen, publieksspreiding
en lege straten. Aan
burgers wordt
gevraagd op een Foucauldiaanse manier zelfdiscipline te betrachten
door middel van ʻsocial distancing.ʼ De omvang, snelheid en
wereldwijde omvang van deze soevereine maatregelen lijken
ongekend.
Voor
alle duidelijkheid: deze maatregelen moeten worden voortgezet. In
tegenstelling tot normatieve omstandigheden waarin dergelijke
methoden als autoritair zouden worden beschouwd, zijn ze in dit geval
essentieel voor het in stand houden van het leven. Samen vormen ze
een reactieve
versie van de necropolitiek die zich bezighoudt met het beheer van
leven en dood – om de verspreiding van de
ziekte,
het aantal sterfgevallen en het aantal besmettingen
in het algemeen te verminderen. Deze reactieve
houding duidt echter evenzeer op een ongelijkmatige verdeling
van de
capaciteiten
van de staat, op het feit dat niet alle regeringen bij machte zijn om
op dezelfde wijze in
actie te komen.
COVID-19 heeft aangetoond dat sommige staten op de langere termijn
falen om de volksgezondheid en het leven in stand te houden, als
gevolg van hun toewijding aan neoliberale agendaʼs waarbij
de staatszorg is
afgeschaft
ten gunste van de
privatisering.
Vooral de Amerikaanse en de Britse overheid hebben
de neiging
aan
de dag gelegd om
de gezondheidszorg
door privatisering en bezuinigingsmaatregelen betaalbaar te houden.
Het aanvankelijke voorstel van de Britse premier Boris Johnson om
naar ʻgroepsimmuniteitʼ te streven, waarbij COVID-19 zijn gang
mocht gaan door de Britse bevolking, is een voorbeeld van deze aanpak
– een economische houding van laissez-faire die wordt toegepast op
gewone, kwetsbare mensen, in de context van een pandemie.
Als
COVID-19 een necropolitieke benadering
van het leven van burgers en niet-burgers heeft blootgelegd
die tot nu toe onzichtbaar is gebleven, komt dit doordat deze macht
over de dood in contrast staat met Mbembeʼs oorspronkelijke nadruk
op het spektakel van onder meer oorlogsmachines en
zelfmoordaanslagen. De dynamiek van COVID-19 en andere epidemieën,
of het nu ebola of hiv is, is die van langzaam geweld. Na tientallen
jaren van afbraak van de infrastructuur voor medische zorg in vele
landen, hetzij door de beperkte medische voorzieningen op het
platteland of door de schaarste aan levensreddende
ziekenhuisapparatuur waarvan nu sprake is, kunnen nationale
regeringen het leven niet meer garanderen of zelfs maar beheren,
behalve via de meest grove vormen van niet-medische staatscontrole en
koud geweld tegen niet-staatsburgers, zoals eerder aangehaald. Anders
gezegd: wie mag blijven leven en wie moet sterven is afhankelijk van
de goede wil, bekwaamheid en expertise van medische hulpverleners en
anderen die betrokken zijn bij de situatie. De macht om te bepalen
wie mag blijven leven is uitbesteed en in toenemende mate
geprivatiseerd, alleen beschikbaar voor diegenen die het zich kunnen
veroorloven.
En
dan nog een paar woorden over de economie: als dit necropolitieke
landschap tot nu toe grotendeels onzichtbaar is gebleven, dan komt
dat doordat het spektakel van het mondiale kapitalisme ook dít
politieke beheer heeft verhuld. Ook nu laat een korte blik op de
dagelijkse krantenkoppen zien hoe de sterke achteruitgang van de
wereldeconomie en de angst voor een kapitalistische recessie evenveel
aandacht krijgen als de ziekte zelf, waarbij de oplossingen van het
mondiale noorden voor de pandemie – naast de eerder beschreven
soevereine maatregelen – in monetaire termen worden geschetst, of
het nu gaat om renteverlagingen door de centrale banken,
reddingsoperaties voor de industrie of ʻhelicoptergeld.ʼ
Het feit dat de COVID-19-pandemie als een economische crisis wordt
omschreven, toont niet alleen aan welke soevereiniteitsprioriteiten
hier aan het werk zijn, maar duidt ook op de beperkte instrumenten
die de neoliberale staatsmacht tot haar beschikking heeft als het
gaat om zaken van crises en sociale wanorde die niet rechtstreeks
verband houden met het begrotingsbeleid.
Voor
alle duidelijkheid: er moeten beleidsmaatregelen worden genomen die
de economische bestaansmiddelen van de zwaarst getroffenen in stand
houden. Maar dergelijke onmiddellijke maatregelen mogen het streven
naar langetermijnoplossingen voor economisch onrecht niet in de weg
zitten. De ontluikende economie van COVID-19 onthult namelijk in
grimmige termen wat we allang wisten: de soevereine staatsmacht is
door de bijtende effecten van het neoliberale beleid op het
economische leven, zoals de erosie van de sociale
zekerheidsprogrammaʼs,
de werkloosheidsuitkeringen en het openbaar onderwijs, ingrijpend
gereorganiseerd; de prioriteit is verschoven van het veiligstellen
van het leven en het ondersteunen van het welzijn naar het louter
bezig zijn met de arbitrage van de dood, zoals we die nu zien.
De
necropolitiek van COVID-19 legt dus zowel de sterke punten als de
grenzen van Mbembeʼs
oorspronkelijke concept bloot, hoe belangrijk dat ook was en nog
steeds is. Verschenen vlak na de millenniumwende, toen de Rwandese
genocide en de burgeroorlogen in Liberia en Sierra Leone van de jaren
negentig bij velen nog vers in het geheugen lagen, trachtte zijn
betoog een antwoord te geven op de fundamentele vraag waarom episodes
van geweld het Afrikaanse continent ondanks decennia van
onafhankelijkheid zijn blijven teisteren, ruim nadat het geweld van
de koloniale periode achter de rug was. Als alternatief voor het
structurele argument over het kolonialisme en zijn etnische erfenis,
zoals beschreven door Mahmood Mamdani in Citizen and Subject
(1996), stelde Mbembe de postkoloniale vervolmaking voor van een
nieuw soort staatsregime dat putte uit de erfenis van de koloniale
biopolitiek, maar daar ook van afstapte door een meer flagrante macht
te verkrijgen over de dood – door ʻdodenwereldenʼ
te creëren voor burgers en niet-burgers, in plaats van de
ʻlevenswereldenʼ
die geassocieerd worden met meer normatieve opvattingen over de
soevereiniteit van de staat. Wat Mbembe niet gemakkelijk kon
voorzien, is hoe de staat zelf in een wereldwijde context van
neoliberale druk op verschillende manieren is
geherinstrumentaliseerd, met als gevolg haar beperkte capaciteit met
betrekking tot vragen over leven en dood. Het vermogen om de facto
over leven en dood te beslissen, zoals we dat nu zien in een tijd van
epidemiologische crisis, is niet hetzelfde als het proactief
nastreven ervan, zoals Mbembe dat voor het eerst beschreef.
Niettemin
biedt het concept van de necropolitiek een ander register voor het
nadenken over de dimensies van dit ontluikende politieke moment, in
het bijzonder die van het falen van de staat in het mondiale noorden,
wat ertoe heeft geleid dat het gebruik van dit concept verder is
uitgebreid. De soevereiniteitscrisis die COVID-19 in de VS,
Groot-Brittannië en andere noordelijke liberale democratieën heeft
teweeggebracht, onderstreept de interpretatieve kracht die deze
mondiale zuidelijke benadering heeft om de aanspraken en grenzen van
de staatsmacht opnieuw te benadrukken. Hoewel het nog te vroeg is om
een uitspraak te doen over de onmiddellijke politieke gevolgen van
COVID-19, laat staan over die op de langere termijn, onderstreept de
geografie van de respons die aan het licht is gekomen hoe staten
proberen hun soevereine macht over zaken die de volksgezondheid
aangaan terug te winnen.
Hoewel
het idee van de necropolitiek nooit sterk is geweest als verzamelpunt
voor politieke solidariteit, kan het als kritische methode bijdragen
aan een meer progressieve en radicale politieke visie op hoe staten
er in de toekomst uit zouden kunnen zien – met de ambitie en het
doel om het leven in stand te houden, in plaats van uitsluitend en
veel te laat, de dood te beheren.
Slavoj Zizek (Slovenië, 1949) is een van de bekendste hedendaagse filosofen. Zijn werk is vooral beïnvloed door Hegel, Marx en Lacan. Hij noemt zichzelf een eurocentrisch marxist. Zijn nieuwe boek, ‘Als een dief op klaarlichte dag’, verschijnt in mei bij Starfish Books.
Veel progressieve en linkse commentatoren hebben
opgemerkt hoe de coronavirus-epidemie dient om maatregelen van
controle en toezicht te rechtvaardigen en te legitimeren die in een
westerse democratische samenleving tot nu toe ondenkbaar waren. Is de
totale lockdown in Italië niet een natte droom van totalitaire types
die werkelijkheid is geworden? Geen wonder dat (althans zoals het er
nu uitziet) China, dat al eerder op grote schaal allerlei manieren
van gedigitaliseerde sociale controle heeft uitgeoefend, het best
toegerust bleek te zijn om het hoofd te bieden aan catastrofale
epidemieën. Betekent dit dat China, in ieder geval in sommige
opzichten, onze toekomst is? Komen we in de buurt van een wereldwijde
uitzonderingstoestand? Hebben de analyses van Giorgio Agamben een
nieuwe actualiteit verkregen?
Het is niet verwonderlijk dat Agamben zelf deze conclusie trok: hij reageerde radicaal anders op de coronavirus-epidemie dan de meeste andere commentatoren. Hij betreurde de ʻpanische, irrationele en absoluut ongerechtvaardigde noodmaatregelen voor een vermeende coronavirus-epidemie,ʼ die slechts ʻeen soort griepʼ zou zijn, en vroeg: ʻWaarom doen de media en de autoriteiten hun uiterste best om een klimaat van paniek te creëren, waardoor een echte uitzonderingstoestand ontstaat, met ernstige beperkingen van de bewegingsvrijheid en de opschorting van de normale dagelijkse activiteiten in hele regioʼs als gevolg?ʼ
Agamben ziet de belangrijkste reden voor deze
ʻdisproportionele
reactieʼ in ʻde
groeiende tendens om de uitzonderingstoestand als een normaal
beleidsparadigma te gebruiken.ʼ
De opgelegde maatregelen stellen de regering in staat onze vrijheden
per decreet ernstig in te perken: ʻHet
is overduidelijk dat deze beperkingen niet in verhouding staan tot de
dreiging van wat volgens de NRC een normale griep is, die niet veel
verschilt van die welke ons elk jaar treft. /… / We zouden kunnen
zeggen dat nu het terrorisme is uitgeput als rechtvaardiging voor
uitzonderlijke maatregelen, de uitvinding van een epidemie het ideale
excuus is om dergelijke maatregelen onbeperkt te kunnen verruimen.ʼ
De tweede reden is ʻde
toestand van angst, die zich de laatste jaren heeft verspreid tot in
het individuele bewustzijn van mensen en die zich vertaalt in een
reële behoefte aan een toestand van collectieve paniek, waarvoor de
epidemie opnieuw het ideale excuus biedt.ʼ
Agamben beschrijft een belangrijk aspect van het
functioneren van het staatstoezicht bij actuele epidemieën. Maar er
blijven vragen open: waarom zou de staatsmacht geïnteresseerd zijn
in het bevorderen van een dergelijke paniek, die gepaard gaat met
wantrouwen in de staatsmacht (ʻze
zijn hulpeloos, ze doen niet genoeg…ʼ)
en die de vlotte reproductie van kapitaal verstoort? Is het werkelijk
in het belang van het kapitaal en de staatsmacht om een wereldwijde
economische crisis op gang te brengen teneinde hun heerschappij nieuw
leven in te blazen? Zijn de duidelijke tekenen dat niet alleen gewone
mensen, maar ook de staatsmacht zelf in paniek is, zich volledig
bewust van het feit dat zij de situatie niet onder controle heeft –
zijn deze tekenen werkelijk slechts een list?
Agambens reactie is de extreme vorm van een
wijdverbreide linkse houding van het interpreteren van de ʻoverdreven
paniek,ʼ veroorzaakt
door de verspreiding van het virus, als een mengeling van
machtsuitoefening via sociale controle en elementen van regelrecht
racisme (ʻgeef de schuld
aan de natuur of aan Chinaʼ).
Een dergelijke sociale interpretatie doet de realiteit van de
dreiging echter niet verdwijnen. Dwingt deze realiteit ons om onze
vrijheden effectief te kortwieken? Quarantaines en soortgelijke
maatregelen beperken natuurlijk onze vrijheid, en nieuwe Assanges
zijn hier nodig om mogelijk misbruik aan het licht te brengen. Maar
de dreiging van een virusinfectie heeft ook een enorme impuls gegeven
aan nieuwe vormen van lokale en mondiale solidariteit, en duidelijk
gemaakt dat de macht zelf onder controle moet worden gehouden. De
mensen hebben gelijk als ze de staatsmacht verantwoordelijk stellen:
jullie hebben de macht, laat nu maar eens zien wat jullie kunnen! De
uitdaging waar Europa voor staat, is te bewijzen dat wat China heeft
gedaan ook op een transparantere en meer democratische manier kan:
ʻChina heeft maatregelen ingevoerd die West-Europa en de VS waarschijnlijk niet zullen tolereren, wellicht ten eigen nadele. Om het botweg te zeggen: het is een vergissing om alle vormen van detectie en modellering reflexmatig te interpreteren als ʻtoezichtʼ en actief bestuur als ʻsociale controle.ʼ We hebben een andere en meer genuanceerde woordenschat nodig.ʼ [1]
Alles hangt af van deze ʻmeer
genuanceerde woordenschatʼ:
de maatregelen die nodig zijn om een epidemie in te dammen moeten
niet automatisch worden teruggebracht tot het gebruikelijke paradigma
van toezicht en controle dat door denkers als Foucault werd
gepropageerd. Wat ik vandaag meer vrees dan de maatregelen die door
China (en Italië en…) worden toegepast, is dat deze landen de
maatregelen zullen toepassen op een manier die niet zal werken om de
epidemie in te dammen, terwijl de autoriteiten de ware feiten zullen
manipuleren en verbergen.
Zowel alt-right als nep-links weigeren de
volledige realiteit van de epidemie onder ogen te zien en maken er
een oefening in sociaal-constructivistische reductie van, dat wil
zeggen: ze hekelen haar vanwege haar sociale betekenis. Trump en zijn
aanhangers houden herhaaldelijk staande dat de epidemie een complot
is van de Democraten en China om hem de komende verkiezingen te laten
verliezen, terwijl sommigen ter linkerzijde de door de staat en de
volksgezondheidsinstanties voorgestelde maatregelen aan de kaak
stellen als besmet door xenofobie, en daarom aandringen op het
schudden van de handen, enz. Een dergelijke houding gaat voorbij aan
de volgende paradox: geen handen schudden en in quarantaine gaan
indien nodig, IS de hedendaagse vorm van solidariteit betonen.
Wie kunnen het zich vandaag de dag veroorloven om handen te schudden en elkaar te omhelzen? De bevoorrechten. Boccaccioʼs Decamerone staat vol met verhalen die verteld worden door een groep van zeven jonge vrouwen en drie jonge mannen die in een afgelegen villa net buiten Florence schuilen om te ontsnappen aan de pest die de stad teistert. Ook nu trekt de financiële elite zich terug in afgelegen zones en vermaakt zich daar met het vertellen van verhalen in Decamerone-stijl. (De ultra-rijken vliegen met privé-vliegtuigen naar exclusieve kleine eilanden in het Caribisch gebied). Wij, de gewone mensen, die met virussen zullen moeten zien te leven, worden gebombardeerd met de eindeloos herhaalde formule ʻGeen paniek!ʼ… om vervolgens alle feiten voorgeschoteld te krijgen die alleen maar paniek kunnen veroorzaken. De situatie lijkt op de toestand die ik me herinner uit mijn jeugd in een communistisch land: als overheidsfunctionarissen ons verzekerden dat er geen reden tot paniek was, zagen wij deze geruststelling allemaal als een duidelijk signaal dat zij zelf in paniek waren.
Maar paniek is geen goede manier om een echte
dreiging het hoofd te bieden. Als we op panische wijze reageren,
nemen we de dreiging niet al te serieus, maar bagatelliseren we die
juist. Denk maar eens aan hoe belachelijk het is om buitensporig veel
wc-papier te kopen: alsof het hebben van voldoende wc-papier
belangrijk is als er sprake is van een dodelijke epidemie… Maar wat
is dan wél een gepaste reactie op de coronavirusepidemie? Wat moeten
we leren en wat moeten we doen om die serieus tegemoet te treden?
Toen ik opperde dat de coronavirusepidemie het communisme een nieuwe impuls zou kunnen geven, werd mijn bewering, zoals te verwacht was, belachelijk gemaakt. Hoewel het erop lijkt dat de krachtige aanpak van de crisis door de Chinese staat heeft gewerkt – in ieder geval veel beter dan wat er in Italië is gebeurd – heeft de oude autoritaire logica van communisten die aan de macht zijn ook duidelijk zijn beperkingen laten zien. Een daarvan is dat de angst om de machthebbers (en het publiek) met slecht nieuws te confronteren zwaarder weegt dan de werkelijke feiten. Dit was de reden dat degenen die voor het eerst melding maakten van een nieuw virus werden gearresteerd; inmiddels doen berichten de ronde dat er nu iets dergelijks aan de hand is:
ʻDe
druk om China weer aan het werk te krijgen na de coronavirus-lockdown
brengt een oude verleiding weer tot leven: het manipuleren van de
feiten, zodat de hoge ambtenaren zien wat ze willen zien. Dit
fenomeen doet zich voor in de provincie Zhejiang, een industrieel
knooppunt aan de oostkust, op het gebied van het
elektriciteitsverbruik. Minstens drie steden daar hebben lokale
fabrieken doelstellingen gegeven voor het stroomverbruik; volgens
ingewijden worden de gegevens gebruikt om een heropleving van de
productie te laten zien. Dat heeft sommige bedrijven ertoe aangezet
om hun machines te laten draaien, ook al blijven de fabrieken leeg.ʼ
We kunnen ook wel raden wat er zal gebeuren als de machthebbers dit bedrog opmerken: plaatselijke managers zullen worden beschuldigd van sabotage en zwaar worden gestraft, waardoor deze vicieuze cirkel van wantrouwen in stand wordt gehouden… Hier is een Chinese Julian Assange nodig om het publiek de verborgen kant van de manier waarop China met de epidemie omgaat te laten zien. Maar als dit niet het communisme is dat ik in gedachten heb, wat bedoel ik dan als ik het over communisme heb? Om dit te begrijpen volstaat het om de publieke verklaringen van de WHO te lezen. Hier is een recente:
WHO-directeur dr. Tedros Adhanom Ghebreyesus heeft
donderdag gezegd dat hoewel de volksgezondheidsinstanties over de
hele wereld de mogelijkheid hebben om de verspreiding van het virus
met succes te bestrijden, de organisatie zich zorgen maakt dat in
sommige landen het niveau van de politieke betrokkenheid niet
overeenkomt met het dreigingsniveau. ʻDit
is geen oefening. Dit is niet het moment om het op te geven. Dit is
geen tijd voor excuses. Dit is een tijd om alles uit de kast te
halen. Landen maken al decennia lang plannen voor dit soort
scenarioʼs. Nu is het
tijd om die plannen ten uitvoer te leggen,ʼ
aldus Tedros. ʻDeze
epidemie kan worden teruggedrongen, maar alleen aan de hand van een
collectieve, gecoördineerde en alomvattende aanpak, die de hele
machinerie van de overheid in werking stelt.ʼ
Je zou hieraan kunnen toevoegen dat een dergelijke alomvattende aanpak veel verder moet reiken dan de machinerie van afzonderlijke regeringen: hij zou tevens de lokale mobilisatie van mensen buiten de controle van de staat moeten omvatten, evenals een sterke en efficiënte internationale coördinatie en samenwerking. Als duizenden mensen in het ziekenhuis worden opgenomen voor ademhalingsproblemen, zal een heel groot aantal beademingsapparaten nodig zijn, en om die te kunnen verkrijgen zou de staat direct moeten ingrijpen, op dezelfde manier als wanneer er in oorlogsomstandigheden duizenden geweren nodig zijn. En de staat zou moeten vertrouwen op de samenwerking met andere staten. Net als bij een militaire campagne moet informatie worden gedeeld en moeten plannen volledig worden gecoördineerd – DIT is wat ik bedoel als ik zeg dat we vandaag de dag ʻcommunismeʼ nodig hebben, of zoals Will Hutton het formuleerde: ʻNu is een vorm van ongereguleerde mondialisering, gebaseerd op de vrije markt, met zijn neiging om crises en pandemieën te veroorzaken, duidelijk aan het sterven. Maar een andere vorm, die de onderlinge afhankelijkheid en het primaat van een op bewijzen gebaseerde collectieve actie erkent, wordt geboren.ʼ Wat nu nog overheerst is de houding van ʻieder land voor zichzelfʼ: ʻEr zijn nationale verbodsbepalingen op de export van belangrijke producten zoals medische benodigdheden, terwijl landen terugvallen op hun eigen analyse van de crisis en er sprake is van lokale tekorten en lukrake, primitieve benaderingen van de indamming van het virus.ʼ
De coronavirus-epidemie geeft niet alleen de grens aan van de mondialisering van de markt, maar tevens de nog dodelijker grens van het nationalistische populisme, dat aandringt op volledige staatssoevereiniteit. Het is afgelopen met ʻAmerika (of wie dan ook) eerst!,ʼ aangezien Amerika alleen nog gered kan worden door wereldwijde coördinatie en samenwerking. Op dit punt ben ik geen utopist; ik doe geen beroep op een geïdealiseerde solidariteit tussen mensen. Integendeel, de huidige crisis laat duidelijk zien hoe wereldwijde solidariteit en samenwerking in het belang zijn van het voortbestaan van iedereen en van ieder van ons, en hoe dit het enige rationeel-egoïstische is dat we kunnen doen. En het gaat niet alleen om het coronavirus: China zelf kampte een paar maanden geleden met een enorme uitbraak van de varkenspest, en wordt nu bedreigd door het vooruitzicht van een sprinkhaneninvasie. Plus, zoals Owen Jones heeft opgemerkt: de klimaatcrisis doodt veel meer mensen over de hele wereld dan het coronavirus, maar daar is geen paniek over…
Vanuit een cynisch vitalistisch standpunt zou je geneigd zijn het coronavirus te zien als een heilzame infectie, die de mensheid in staat stelt zich te ontdoen van de ouderen, zieken en zwakkeren, als het uit de grond trekken van half verrot onkruid, waardoor het bijdraagt aan de mondiale gezondheid. De brede communistische benadering die ik voorsta is de enige manier om een dergelijk primitief vitalistisch standpunt achter ons te laten. Tekenen die duiden op het beknotten van de onvoorwaardelijke solidariteit zijn al te zien in de lopende debatten, zoals blijkt uit het volgende bericht over de rol van ʻdrie wijzenʼ als de epidemie een nóg catastrofalere wending neemt in Groot-Brittannië: ʻNHS-patiënten kan levensreddende zorg worden ontzegd tijdens een ernstige uitbraak van het coronavirus in Groot-Brittannië, als intensive care-afdelingen het moeilijk hebben, zo hebben artsen gewaarschuwd. Op grond van het protocol van de ʻdrie wijzenʼ kan in ieder ziekenhuis aan drie consultants gevraagd worden beslissingen te nemen over het rantsoeneren van de zorg, zoals beademingsapparaten en bedden, in het geval dat de ziekenhuizen worden overspoeld met patiënten.ʼ Op welke criteria zullen deze ʻdrie wijzenʼ zich baseren? Het opofferen van de oudsten en zwaksten? En zal deze toestand dan geen ruimte scheppen voor immense corruptie? Wijzen dergelijke procedures er niet op dat we ons opmaken voor de tenuitvoerlegging van de meest meedogenloze logica van de overleving van de sterksten? Dus, nogmaals: de uiteindelijke keuze gaat tussen dít of een nieuwe vorm van het communisme.
Maar de dingen gaan nog veel dieper dan dat. Wat
ik vooral vervelend vind is hoe, als onze media een sluiting of
annulering van iets aankondigen, ze daar in de regel een vaste
tijdsbeperking aan toevoegen, zoals in de formule ʻde
scholen zijn gesloten tot 4 april.ʼ
De verwachting is dat, na de piek die nu snel moet komen, alles weer
normaal zal worden. In die zin werd mij al meegedeeld dat een
universiteitssymposium slechts tot september zou worden uitgesteld…
Het addertje onder het gras is dat, zelfs wanneer het leven
uiteindelijk weer normaal wordt, het nooit meer hetzelfde ʻnormaalʼ
zal zijn als vóór de uitbraak: de dingen waaraan we gewend waren
als onderdeel van ons dagelijks leven zullen niet meer als
vanzelfsprekend worden beschouwd; we zullen moeten leren een veel
fragieler leven te leiden, met constante bedreigingen die om de hoek
op de loer liggen.
Daarom kunnen we verwachten dat virale epidemieën
onze meest elementaire interacties met andere mensen en objecten in
onze omgeving zullen beïnvloeden, inclusief onze eigen lichamen:
raak geen dingen aan die (onzichtbaar) ʻviesʼ
kunnen zijn, raak geen hoeken en deurklinken aan, ga niet op openbare
toiletten zitten of op banken in openbare gelegenheden, omhels
anderen niet en geef hen geen hand… En wees ook voorzichtig hoe je
met je eigen lichaam en je eigen spontane gebaren omgaat: raak je
neus niet aan en wrijf niet in je ogen – kortom, speel niet met
jezelf. Het zijn dus niet alleen de staat en andere instanties die
ons zullen controleren; we moeten leren om onszelf te controleren en
te disciplineren! Misschien zal alleen de virtuele realiteit straks
nog als veilig worden beschouwd, en zal het vrij bewegen in de open
ruimte beperkt blijven tot de eilanden die eigendom zijn van de
ultra-rijken.
Maar zelfs daar, op het niveau van de virtuele
realiteit en het internet, moeten we onszelf eraan herinneren dat de
termen ʻvirusʼ
en ʻhet
viraleʼ de
laatste decennia vooral zijn gebruikt om digitale virussen mee aan te
duiden die onze webruimte besmetten en waarvan we ons niet bewust
waren, althans niet totdat hun vernietigende kracht (om bijvoorbeeld
onze gegevens of onze harde schijf te vernietigen) werd ontketend.
Wat we nu zien is een massale terugkeer naar de oorspronkelijke,
letterlijke betekenis van de term: virale infecties gaan in beide
dimensies, de echte en de virtuele, hand in hand.
We zullen dus onze hele houding tegenover het leven moeten veranderen, en tegenover ons bestaan als levende wezens tussen andere levensvormen. Met andere woorden: als we ʻfilosofieʼ begrijpen als de term voor onze basisoriëntatie in het leven, zullen we een ware filosofische revolutie moeten ervaren. Misschien kunnen we iets leren over onze reacties op de coronavirus-epidemie van Elisabeth Kübler-Ross, die in haar On Death and Dying het beroemde schema van de vijf stadia heeft gepresenteerd van hoe we reageren als we horen dat we een terminale ziekte hebben: ontkenning (je weigert eenvoudigweg het feit te accepteren: ʻDit kan mij niet overkomenʼ); boosheid (die tot uitbarsting komt als we het feit niet langer kunnen ontkennen: ʻHoe kan mij dit nu overkomen?ʼ); onderhandelen (de hoop dat we het feit op de een of andere manier kunnen uitstellen of minder erg kunnen laten zijn: ʻLaat me gewoon leven om mijn kinderen te zien afstuderenʼ); depressie (libidinale desinvestering: ʻIk ga dood, dus waarom zou ik me nog ergens mee bemoeien?ʼ); aanvaarding (ʻIk kan er niet tegen vechten, dus ik kan me er net zo goed op voorbereidenʼ.) Later paste Kübler-Ross dit schema toe op iedere vorm van catastrofaal persoonlijk verlies (werkloosheid, de dood van een geliefde, echtscheiding, drugsverslaving), en benadrukte ze ook dat ze zich niet noodzakelijkerwijs in dezelfde volgorde hoeven voor te doen, en dat niet alle vijf stadia door alle patiënten op dezelfde manier ervaren worden.
Je kunt dezelfde vijf stadia onderscheiden als een
samenleving geconfronteerd wordt met een of andere traumatische
breuk. Laten we de dreiging van een ecologische catastrofe nemen:
eerst hebben we de neiging om die te ontkennen (het is gewoon
paranoia, wat er gebeurt zijn de gebruikelijke schommelingen in de
weerpatronen); dan komt de woede (op de grote bedrijven die ons
milieu vervuilen, op de overheid die de gevaren negeert), gevolgd
door onderhandelen (als we ons afval recyclen, kunnen we misschien
wat tijd kopen; bovendien zitten er ook goede kanten aan: we kunnen
straks groenten op Groenland verbouwen, schepen zullen veel sneller
goederen van China naar de VS kunnen vervoeren via de noordelijke
route, er komt nieuw vruchtbaar land beschikbaar in het noorden van
Siberië door het smelten van de permafrost…), depressie (het is te
laat, we zijn verdoemd…), en, tenslotte, aanvaarding: we hebben te
maken met een ernstige dreiging en we zullen onze hele manier van
leven moeten veranderen!
Hetzelfde geldt voor het toenemende gevaar van
digitale controle over ons leven: eerst hebben we de neiging om die
te ontkennen (het is overdreven, linkse paranoia, geen enkele
instantie kan onze dagelijkse activiteiten controleren…), dan
barsten we uit in woede (op grote bedrijven en geheime
staatsinstanties die ons beter kennen dan wij onszelf en die deze
kennis gebruiken om ons te controleren en te manipuleren), gevolgd
door onderhandelen (de autoriteiten hebben het recht om naar
terroristen te zoeken, maar niet om onze privacy te schenden…),
depressie (het is te laat, onze privacy is verloren, de tijd van
persoonlijke vrijheden is voorbij), en, tenslotte, aanvaarding:
digitale controle is een bedreiging voor onze vrijheid; we moeten het
publiek bewust maken van alle dimensies ervan en ons inzetten voor de
bestrijding!
Zelfs op het gebied van de politiek geldt
hetzelfde voor degenen die getraumatiseerd zijn door het
presidentschap van Trump: eerst was er ontkenning (maak je geen
zorgen, Trump doet alleen maar alsof, er zal niets echt veranderen
als hij aan de macht is), gevolgd door woede (op de duistere krachten
die hem in staat stelden de macht te grijpen, op de populisten die
hem steunen en een bedreiging vormen voor onze morele inhoud…),
onderhandelen (alles is nog niet verloren, misschien kan Trump nog
worden ingedamd, laten we gewoon wat van zijn excessen tolereren…),
depressie (we zijn op de weg naar het fascisme, de democratie gaat
verloren in de VS), en aanvaarding: er is een nieuw politiek regime
in de VS, de goede oude tijd van de Amerikaanse democratie is
voorbij, laten we het gevaar onder ogen zien en rustig plannen hoe we
het populisme van Trump kunnen overwinnen…
In de middeleeuwen reageerde de bevolking van een
getroffen stad op vergelijkbare wijze op de komst van de pest: eerst
ontkenning, dan boosheid (op ons zondige leven waarvoor we gestraft
worden, of zelfs op de wrede God die dit heeft toegestaan), dan
onderhandelen (het is niet zo erg, laten we gewoon degenen die ziek
zijn uit de weg gaan…), dan depressie (ons leven is voorbij…),
vervolgens, interessant genoeg, orgieën (laten we, omdat ons leven
voorbij is, er nog alle mogelijke pleziertjes uit halen – drank,
seks…), en, tenslotte, aanvaarding: Hier zijn we dan, laten we ons
zo veel mogelijk gedragen alsof het normale leven doorgaat…
En is dit niet ook de manier waarop we omgaan met
de coronavirus-epidemie die eind 2019 is uitgebroken? Eerst was er de
ontkenning (er is niets ernstigs aan de hand, een paar
onverantwoordelijke individuen verspreiden alleen maar paniek);
daarna woede (doorgaans in racistische of anti-etatistische vorm: die
smerige Chinezen zijn schuld, onze staat is niet efficiënt…);
vervolgens onderhandelen (okee, er zijn een paar slachtoffers, maar
het is minder ernstig dan SARS, en we kunnen de schade beperken…);
maar als dat niet blijkt te werken, ontstaat er een depressie (laten
we onszelf niet voor de gek houden, we zijn allemaal verdoemd). Maar
hoe zou aanvaarding er kunnen uitzien? Het is vreemd dat de epidemie
een kenmerk gemeen heeft met de jongste ronde van sociale protesten
(in Frankrijk, in Hong Kong…): die komen niet tot uitbarsting en
verdwijnen vervolgens weer; ze blijven juist aanhouden, waardoor ze
permanente angst en kwetsbaarheid in ons leven brengen. Maar deze
aanvaarding kan twee kanten op gaan. Het kan louter de
her-normalisatie van ziekte betekenen: okee, er zullen mensen
sterven, maar het leven zal doorgaan, en misschien zijn er zelfs
enkele goede neveneffecten… Of de aanvaarding kan (en moet) ons
ertoe aanzetten om ons te mobiliseren zonder paniek en illusies, om
te handelen in collectieve solidariteit.
Wat we moeten accepteren, waar we ons mee moeten
verzoenen, is dat er een onderlaag van het leven is – het ondode,
stompzinning repetitieve, pre-seksuele leven van virussen, dat er
altijd al is geweest en dat altijd bij ons zal blijven, als een
donkere schaduw, die een bedreiging vormt voor onze overleving, tot
uitbarsting komend wanneer we het het minst verwachten. En op een nog
algemener niveau herinneren virusepidemieën ons aan de ultieme
toevalligheid en zinloosheid van het leven: het maakt niet uit welke
grootse geestelijke bouwwerken wij als mensheid kunnen optrekken,
want een stompzinnig natuurlijk toeval als een virus of een asteroïde
kan er zo een einde aan maken… Om nog maar te zwijgen van de les
van de ecologie die inhoudt dat wij, als mensheid, ook onbewust
kunnen bijdragen aan dit doel.
Om dit punt te verduidelijken moet ik schaamteloos een populaire definitie citeren: virussen zijn ʻinfectieuze agentia, meestal ultramicroscopisch klein, die bestaan uit nucleïnezuur, RNA of DNA, binnen een omhulsel van eiwit: ze infecteren dieren, planten en bacteriën, en reproduceren zich uitsluitend binnen levende cellen: virussen worden beschouwd als niet-levende chemische eenheden, maar soms ook als levende organismen.ʼ Deze oscillatie tussen leven en dood is cruciaal: virussen zijn noch levend, noch dood in de gebruikelijke zin van het woord. Ze zijn de levende doden: een virus is levend door zijn drang tot replicatie, maar het is wel een soort leven op nulniveau, een biologische karikatuur, niet zozeer in de zin van de drang naar de dood als wel van het leven op het meest stompzinnige niveau van herhaling en vermenigvuldiging. Virussen zijn echter geen elementaire levensvorm waaruit complexere vormen zijn ontstaan. Ze zijn puur parasitair; ze vermenigvuldigen zich door meer ontwikkelde organismen te infecteren (als een virus ons, mensen, infecteert, dienen we gewoon als kopieermachine). Het is in dit toeval der tegengestelden – het elementaire en het parasitaire – dat het mysterie van virussen schuilt: ze zijn een voorbeeld van wat Schelling ʻder nie aufhebbare Restʼ noemde, een restant van de allerlaagste levensvorm die opduikt als een product van het slecht functioneren van hogere vermenigvuldigingsmechanismen en hen blijft achtervolgen (infecteren), een restant dat nooit kan worden gereïntegreerd als het ondergeschikte element van een hoger levensniveau.
Hier stuiten we op wat Hegel ʻspeculatief
oordeelʼ noemt, een
bevestiging van de identiteit van het hoogste en het laagste. Hegels
bekendste voorbeeld is ʻde
Geest als een bot,ʼ
uit zijn analyse van de frenologie in zijn Fenomenologie
van de Geest; ons voorbeeld zou moeten zijn ʻde
Geest als een virusʼ.
Is de menselijke geest niet ook een soort virus dat parasiteert op
het menselijke dier, het uitbuit voor zijn eigen zelf-reproductie en
het soms dreigt te vernietigen? En voor zover het medium van de geest
de taal is, mogen we niet vergeten dat de taal op zijn meest
elementaire niveau ook iets mechanisch is, een kwestie van regels die
we moeten leren en volgen.
Richard Dawkins beweerde dat memes ʻvirussen
van de geestʼ zijn,
parasitaire entiteiten die de menselijke geest ʻkoloniserenʼ
en die gebruiken als een middel om zich te vermenigvuldigen. Het is
een idee waarvan de bedenker niemand minder dan Leo Tolstoj was.
Tolstoj wordt meestal gezien als een veel minder interessante auteur
dan Dostojevski – een hopeloos achterhaalde realist voor wie in
principe geen plaats is in de moderniteit, in tegenstelling tot
Dostojevskiʼs
existentiële angst. Maar misschien is de tijd gekomen om Tolstoj en
zijn unieke theorie over kunst en de mensheid in het algemeen
volledig te rehabiliteren: daarin treffen we echoʼs
aan van Dawkinsʼ notie
van memes. ʻEen persoon
is een hominide met een geïnfecteerd brein, dat miljoenen culturele
symbionten herbergt, en de voornaamste enablers daarvan zijn
de symbiont-systemen die bekend staan als talenʼ[2]
– is deze passage uit Dennett niet puur Tolstoj? De basiscategorie
van Tolstojs antropologie is infectie: een menselijk subject
is een passief, leeg medium dat geïnfecteerd is door affectieve
culturele elementen die zich, net als besmettelijke bacillen, van het
ene individu naar het andere verspreiden. En Tolstoj gaat hier
helemaal tot het naadje: hij stelt tegenover deze verspreiding van
affectieve infecties geen ware spirituele autonomie; hij stelt geen
heldhaftige visie voor van het opvoeden van zichzelf tot een
volwassen autonoom ethisch subject, door middel van het wegwerken van
besmettelijke bacillen. De enige strijd is de strijd tussen goede en
slechte infecties: het christendom zelf is een infectie, zij het –
voor Tolstoj – een weldadige.
Misschien is dit wel het meest verontrustende dat
we kunnen leren van deze virusepidemie: als de natuur ons met
virussen aanvalt, komt dat in zekere zin neer op het retourneren van
onze eigen boodschap. Die boodschap luidt: wat je mij hebt aangedaan,
doe ik jou nu aan.