Oorspronkelijke tekst (Engels): NLR Sidecar, 22 augustus 2025

door Marco d’Eramo
Marco d’Eramo is een Italiaans journalist. Hij was student van de Franse socioloog Pierre Bourdieu en een van de oprichters van het Italiaanse dagblad Il Manifesto, dat hij in 2012 verliet. Tegenwoordig schrijft hij voor de taz, New Left Review en MicroMega.
Het zou bijna lachwekkend zijn, als het niet zo tragisch was. En wel om minstens vier redenen:
1. De felle verdediging van de mondialisering door links, dat deze eerder nog beschouwde als de bron van alle menselijke ellende. Na dertig jaar te hebben geklaagd over de willekeurige openstelling van markten, trekt links zich nu de haren uit het hoofd omdat die openstelling wordt teruggedraaid, ook al is het Amerikaanse imperium al tien jaar bezig met demondialisering. We mogen niet vergeten dat linkse economen het handelsprotectionisme van de Cambridge School jarenlang als leidraad hebben gezien.
2. De zorgeloze jubel waarmee Europa de Duitse herbewapening verwelkomt, zonder stil te staan bij de twee vorige militaire opbouwfases van het land en de rampzalige gevolgen daarvan voor de wereldvrede. Ook het bericht dat bondskanselier Friedrich Merz de 45e Pantserdivisie in Litouwen zou gaan stationeren, werd met opgewekt enthousiasme ontvangen – alsof Eisensteins Alexander Nevsky, dat het verhaal vertelt van de (gelukkig) uit deze regio verdreven Teutoonse ridders, volledig in de vergetelheid is geraakt.
3. De angst van Europa wanneer het beseft dat het op de een of andere manier – niemand weet precies waar of hoe – zijn beschermende nucleaire paraplu is kwijtgeraakt. Een geveinsde angst, want in al zijn uitbarstingen heeft Donald Trump dit onderwerp opvallend genoeg nooit aangestipt: de Amerikaanse president heeft geen enkele keer gedreigd de Amerikaanse bases in Europa af te bouwen, noch gesproken over het weghalen van de honderden kernbommen of van de ongeveer honderdduizend troepen die al meer dan een halve eeuw op het continent gestationeerd zijn. Maar dat doet er niet toe: de Europese leiders blijven hun handen wringen, ondanks dit aanhoudende stilzwijgen. Mijn God, roepen ze, we hebben geen paraplu meer om ons te beschermen tegen de stormen aan de horizon. We hebben op zijn minst dringend een regenjas nodig.
4. Over regenjassen gesproken: kijk naar de borstklopperige mannelijkheid waarmee Frankrijk en Groot-Brittannië hun bescheiden nucleaire spierballen laten rollen. Trots etaleren ze hun onafhankelijkheid van de Verenigde Staten, die inmiddels uitgekeken zijn op het oude continent, terwijl ze andere Europese landen aansporen meer aan defensie uit te geven. Dit is natuurlijk precies wat Trump zijn vazallen had opgedragen: de militaire uitgaven verhogen naar minstens drie procent van het bbp, en later zelfs naar vijf procent. De enige manier om dat te bereiken is door te bezuinigen op de sociale uitgaven – onderwijs, gezondheidszorg, enzovoorts. Met andere woorden: onder het mom van oorlogszuchtige onafhankelijkheid haasten de Europese ‘grootmachten’ zich om hun burgers het dictaat van Washington te laten slikken.
Tegenwoordig lijkt het tragikomische het enige register waarin hedendaagse gebeurtenissen nog kunnen worden verteld, zo groot is de kloof geworden tussen woorden en daden. Vertellen, niet begrijpen, laat staan voorspellen: onvoorspelbaarheid lijkt de enige constante van deze tijd, de enige voorspelling die we met enige zekerheid kunnen doen.
***
Interpretaties van het trumpisme – dat uiteraard iets anders is dan Trump zelf – bewegen zich meestal tussen twee assen van tegenstellingen: minimalistisch versus maximalistisch en declinistisch versus anti-declinistisch. In een recent artikel op Sidecar beschrijft Matthew Karp de twee uitersten van de eerste tegenstelling bijzonder helder:
Maximalisten beschouwen Trump als de katalysator van een plotselinge historische breuk – of het nu gaat om de transformatie van het tweepartijenstelsel, de ondermijning van de Amerikaanse democratie of de ineenstorting van de liberale wereldorde. Minimalisten daarentegen zien in hem geen fundamentele breuk, maar eerder een huiveringwekkend symbool van langlopende trends, of een symptoom van dieperliggende crises – een zwart gat dat de aandacht afleidt van de werkelijke politieke problemen.
Volgens Karp gaat deze tweedeling zowel op voor links als voor rechts:
Ondanks hun onderlinge verschillen zijn progressieve en conservatieve maximalisten het erover eens dat de president zelf het centrale, en vaak zelfs het enige, thema van de nationale politiek is. Beide kampen hebben zich bovendien vol enthousiasme gestort in de zogenaamde ‘fascisme-oorlogen,’ waarbij het F-woord regelmatig wordt ingezet als pressiemiddel om links – zowel tijdens verkiezingen als daarbuiten – in het gareel te houden.
Minimalisten vertegenwoordigen daarentegen een standpunt dat zowel door de Republikeinse als de Democratische leiders wordt gehuldigd, verenigd in de strategie van ‘ha da passare la nottata’ – oftewel: wachten tot de trumpistische storm vanzelf voorbij is getrokken. Voor de Republikeinen dient deze aanpak om traditionele rechtse doelstellingen te verwezenlijken, zoals belastingverlagingen voor de rijken, de privatisering van overheidsdiensten en een stortvloed aan lucratieve overheidscontracten. De Democraten leggen ondertussen vooral de nadruk op Trumps inconsistenties, ommezwaaien en blunders, in de hoop die te kunnen gebruiken als wapen voor een electorale comeback bij de tussentijdse Congresverkiezingen van 2026. Beide partijen delen echter een passieve berusting: de Republikeinen slikken zonder verzet de coup die Trump binnen de Grand Old Party heeft gepleegd, terwijl de Democraten zijn institutionele aanval – de ontmanteling van de wetgevende macht – ondergaan zonder zelfs maar minimale obstructie, zoals filibusters.
Tot de meest uitgesproken minimalisten behoren niet alleen de leiders van beide partijen, maar ook de zwaargewichten van Wall Street. Beursmakelaars zouden de president zelfs de bijnaam ‘Taco’ hebben gegeven – naar de Mexicaanse tortilla – een afkorting van Trump Always Chickens Out (‘Trump neemt altijd de benen’). Die bijnaam verwijst naar Trumps neiging om bij de eerste de beste tegenslag of bij de geringste weerstand vanuit een reëel machtscentrum haastig de aftocht te blazen. Uiteindelijk zijn, na alle ophef over de eerste zes maanden van Trumps tweede termijn, de drie kernmaatregelen die het trumpisme hadden moeten definiëren – de drastische inkrimping van het overheidsapparaat, een hard immigratiebeleid en hoge invoerheffingen – in feite volledig tot stilstand gekomen.
Het smadelijke vertrek van multimiljardair Elon Musk, zijn harde confrontatie met de president en het verzet van andere ministeries markeerden de feitelijke ineenstorting van DOGE (Department of Government Efficiency). Wat resteert, is een repressieve en wraakzuchtige afrekening met die delen van de overheid die beleid voerden dat haaks staat op het trumpisme, of die zo diep verankerd zijn dat snelle hervorming ervan onmogelijk blijkt – zoals het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Zoals te verwachten viel, is de massale uitzetting van dertien miljoen indocumentados niet meer dan retoriek gebleken. Zou dit werkelijk worden uitgevoerd, dan zou geen Amerikaan ooit nog een slablad, tomaat of kip kunnen eten, gezien de enorme afhankelijkheid van de agrovoedingssector van immigrantenarbeid. In werkelijkheid worden illegale arbeiders ingezet door dezelfde grote kapitalistische groepen die Trump tijdens zijn herverkiezingscampagne steunden en hem later hebben geadviseerd (of geïnstrueerd?) om de deportaties te beperken tot grootschalige razzia’s en machtsvertoon. Zo werd in Los Angeles zelfs het leger ingezet – een voorproefje van een toekomstig militair regime – compleet met het ketenen en publiekelijk vernederen van enkele duizenden gedeporteerden. Dit had nauwelijks effect op de arbeidsmarkt, maar diende vooral om buitenlandse werknemers te intimideren en hen symbolisch te vernederen, terwijl de kern van het industriële reserveleger onaangetast bleef. Bovendien mogen we niet vergeten dat Barack Obama ooit de bijnaam ‘Deporter-in-Chief’ kreeg. Zoals The Washington Post opmerkte en NBC News rapporteerde, ‘deporteert de regering-Trump gemiddeld 14.700 mensen per maand – aanzienlijk minder dan tijdens het hoogtepunt onder Obama in 2013, toen er 36.000 per maand werden uitgezet. En dit aantal komt op geen enkele wijze ook maar in de buurt van het door Trump beoogde doel van 1 miljoen deportaties per jaar.’
Op het gebied van invoerheffingen was Trumps zigzagpolitiek nog spectaculairder. Herinnert u zich de aanvallen eind januari op Canada en Mexico nog, ooit partners van de VS in de NAFTA-vrijhandelszone? Inmiddels liggen de ‘dreigende’ invoerheffingen voor deze landen zelfs nog lager dan die voor andere landen. De heffingen die Trump op ‘Liberation Day’ (2 april) tegen de hele wereld aankondigde, werden uitgesteld nadat Jamie Dimon – de machtigste man van Wall Street en CEO van JP Morgan Chase, al negentien jaar de grootste bank ter wereld – had geopperd dat dit misschien wat al te ver ging. Dit ondanks het feit dat Dimon Trump had gesteund en zelfs kandidaat was geweest voor de post van minister van Financiën. Het ultimatum werd vervolgens doorgeschoven van juli naar augustus.
Trump heeft geen enkele moeite met de meest schaamteloze ommezwaaien, zoals hij op tal van terreinen ruimschoots heeft laten zien. Zijn hele leven lang – van zijn turbulente carrière als vastgoedontwikkelaar tot zijn rol als realityshow-presentator – is duidelijk geworden dat hij geen leeuwenhart heeft: hij is sterk tegenover de zwakken en zwak tegenover de sterken. Juist die lafheid is misschien wel de eigenschap die hem, ondanks talloze faillissementen, overeind heeft gehouden. Maar politiek verklaren aan de hand van de psychologische eigenschappen van een leider – denk aan uitspraken als ‘Hitler was gek’ – is conceptueel onjuist en, belangrijker nog, weinig verhelderend.
En als we het toch over lafaards hebben: ze vermenigvuldigen zich in de VS niet alleen onder de aanhangers van Trump, maar ook onder degenen die hem de bijnaam ‘Taco’ gaven – de financiële wereld en het grootkapitaal. Het dominante verhaal in de mainstream pers – van de New York Times en de Washington Post tot hun Europese tegenhangers (Le Monde, Frankfurter Allgemeine, The Economist, Corriere della Sera) – luidt dat het trumpisme een afwijking is, een uitlaatklep voor onwetende, zwaarlijvige, opvliegende plattelandsbewoners, en dat het niets van doen heeft met het klassieke liberale kapitalisme, dat zogenaamd verfijnd, gecultiveerd en beschaafd is, en in topconditie verkeert. Een verhaal dat Silicon Valley nóg ondoorgrondelijker maakt dan de Orfische mysteriën.
Dit verhaal botst met twee realiteiten. In de eerste plaats: in elk land ter wereld hebben de financiële wereld en het grootkapitaal zich zolang ze bestaan altijd op de overheid gericht. Ze zoeken steevast goede relaties met de regering van dat moment – zolang dit hun belangen niet schaadt – en doen er alles aan om het beleid in hun voordeel te beïnvloeden. In de tweede plaats: als het trumpisme – nogmaals, niet te verwarren met Trump zelf – slechts een afwijking was, dan zouden de krachten van het klassieke liberalisme zich hebben verenigd om hun zaak te verdedigen. Maar zo’n inspanning is nergens te zien, zelfs niet bij de financiers die Kamala Harris tijdens de presidentsverkiezingen van vorig jaar steunden en haar meer geld toeschoven dan haar tegenstander ontving.
We zouden een botsing moeten zien tussen twee facties van het kapitaal met uiteenlopende belangen. Maar ook hier is geen enkel teken van protest te ontwaren. Kijk maar naar de snelheid waarmee alle industriële en financiële spelers – te beginnen met de beleggingsreuzen BlackRock, Vanguard en anderen – elk spoor van milieubeleid hebben laten vallen en de voorzichtige ESG- (Environmental, Social and Governance) en DEI-initiatieven (Diversity, Equity, Inclusion) van de vorige regering zonder enige aarzeling hebben opgegeven. Het klopt dat er voor het eerst in decennia geen enkele topman van Goldman Sachs – de machtigste zakenbank ter wereld, die in eerdere regeringen zó aanwezig was dat ze de bijnaam Government Sachs kreeg – een hoge functie in het team van de president kreeg. Maar Goldman zelf heeft zich koelbloedig aangepast.
Dit wekt het vermoeden dat de zogenoemde trumpistische afwijking in feite niet zo afwijkend is, maar eerder een systemische – of in elk geval gouvernementele – tendens weerspiegelt. Dat beeld wordt versterkt door de verontwaardiging in de mainstream pers over Project 2025 en de denktank erachter, de Heritage Foundation, terwijl Trump intussen de belangrijkste aanbevelingen ervan doorvoert. Wie zich hierover verontwaardigd toont, doet alsof hij niets weet van de lange geschiedenis van de Heritage Foundation met opeenvolgende Republikeinse regeringen, of is zich daar eenvoudigweg niet van bewust. Project 2025 is namelijk niet het eerste, maar het negende deel in de reeks Mandate for Leadership. Het eerste verscheen in 1981 als leidraad voor de nieuwgekozen president Ronald Reagan. Voor Reagans tweede termijn volgde in 1984 Mandate for Leadership II, waarin werd gesteld dat 60 à 65 procent van de aanbevelingen van de Foundation inmiddels was uitgevoerd. In november 2016, kort na de eerste overwinning van Trump, verscheen Mandate for Leadership VII. En in 2018 meldde Heritage dat de regering-Trump tot dan toe 64 procent van haar 334 beleidsvoorstellen had uitgevoerd.
Vanuit dit perspectief is het trumpisme niet simpelweg identificeerbaar met Trump zelf, noch te reduceren tot zijn theatrale optreden. Het moet worden begrepen als onderdeel van de lange golf van het reaganisme. Het put uit een arsenaal aan ideeën en een rijkdom aan studies en onderzoek die Trumps losse improvisaties ver overstijgen – Trump heeft tenslotte niet in één nacht 140 executive orders uit zijn mouw geschud. Maar het moet ook worden gezien in het kader van het bredere debat over hoe het Amerikaanse imperium – een term die hier volledig op zijn plaats is – moet worden beheerd, versterkt of in elk geval niet verzwakt.
***
We moeten afrekenen met de wijdverbreide misvatting onder Europese opiniemakers dat de politieke krachten in de VS verdeeld zijn in ‘meer imperialistische’ en ‘minder imperialistische’ stromingen. Geen enkele heersende klasse die de macht in handen heeft, is bereid die macht vrijwillig af te staan of te laten afnemen, laat staan volledig te verliezen. Het debat tussen de rivaliserende facties van de Amerikaanse elite draait altijd om de vraag hoe het imperium moet worden beheerd: welke strategie nodig is om het te versterken en welke tactiek het beste werkt om het uit te breiden. Daarbij beschuldigt elke factie de ander steevast van een beleid dat het imperium zou verzwakken en zo zijn ondergang zou bespoedigen.
Zoals ik eerder al schreef, wordt er al sinds vóór mijn geboorte gesproken over de ‘Amerikaanse ondergang.’ Dit refrein duikt bij elke oorlog en elke crisis opnieuw op, zo vaak zelfs dat een geestige commentator van The New Yorker ooit opmerkte dat de huidige ondergangsdenkers eerst maar eens moeten uitleggen waarom hun voorgangers ongelijk hadden. Een opvallend kenmerk van het Amerikaanse imperium is dat het de afgelopen zeventig jaar elke oorlog die het voerde heeft verloren, maar er na iedere nederlaag sterker uit tevoorschijn is gekomen. Europese ondergangsdenkers geven zich vooral over aan wishful thinking: ze hopen vurig dat het imperium zal wankelen en speuren naarstig naar elk teken van verval. Zodra ze zo’n teken menen te zien, blazen ze het op met doorzichtige Schadenfreude: niet alleen Europa gaat achteruit, nu is Amerika eindelijk ook aan de beurt… Daartegenover staat dat Amerikaans ondergangsdenken altijd voorwaardelijk is, zoals historica Victoria De Grazia mij vertelde. ‘Iedereen die de ondergangsthese aanhangt, voegt er namelijk meteen een waarschuwing aan toe: “Als je de ondergang wilt voorkomen, moet je dit doen.” Zo zei Chomsky: stop met imperialistisch beleid. Huntington: stop met rationalistisch-technicistisch denken. Barber: stop met gematigd democratisch zijn. Kennedy: verminder de wapenuitgaven en focus je op het nieuw leven inblazen van de industriële basis om concurrerender te worden. En Nye: gebruik soft power strategischer, als aanvulling op militaire en economische hard power.’
Deze retoriek – ‘als je niet doet wat ik zeg, zal ons imperium in verval raken en ten onder gaan’ – viert vandaag de dag hoogtij. Hier raakt de scheidslijn tussen maximalisten en minimalisten aan de tegenstelling tussen ondergangsdenkers en hun tegenvoeters. Elke maximalistische interpretatie van het trumpisme wordt namelijk per definitie gekenmerkt door ondergangsdenken. Omdat Trump zelf de luidste maximalistische stem is als het om zijn presidentschap gaat, is het niet verrassend dat hij op de dag van zijn inauguratie verklaarde dat ‘het Amerikaanse verval voorbij is.’ Daarmee positioneerde hij zichzelf – en dat blijft hij doen – als de enige remedie en het laatste bolwerk tegen de erosie van de Amerikaanse macht. Een erosie die hij toeschrijft aan de Democraten, de woke-cultuur en de rassendiscriminatie tegen arme witte mensen.
Maar al snel keerde het ondergangsdenken zich tegen hem. Een paar krantenkoppen spreken boekdelen: ‘We zijn getuige van de zelfmoord van een supermacht’ (Max Boot, Washington Post, 8 juni 2025); ‘Het einde van de lange Amerikaanse eeuw: Trump en de bronnen van de Amerikaanse macht’ (Robert O. Keohane en Joseph S. Nye, Jr., Foreign Affairs, juli-augustus 2025); ‘Amerika stort in zoals Rome’ (Richard Wolff, Cooper Academy, 8 mei 2025). Toch blijkt zelfs met Trump aan het roer de retoriek van verval soms niet meer dan een wensdroom – in dit geval een Chinese: ‘Het verval van het imperium: een verslag van het Amerikaanse verval’ (Kari McKern, China Daily, 22 april 2025).
We moeten onderscheid maken tussen twee dimensies van het trumpisme: het binnenlands beleid en het buitenlands beleid, inclusief de handel. Op het laatste terrein sluit het trumpisme aan bij een al ruim tien jaar durend debat binnen beide partijen over de excessen van de mondialisering. Na de financiële crisis van 2008 begonnen Amerikaanse denktanks zich zorgen te maken over de opkomst van China. Terecht, want in zekere zin is het huidige China een creatie van de Verenigde Staten zelf. Washington voorzag een voorheen arm land niet alleen van het kapitaal en de technologie om te industrialiseren, maar bood het ook toegang tot een enorme afzetmarkt voor de goederen die met dat kapitaal en die technologie werden geproduceerd. De VS koesterden, zo zou je kunnen zeggen, een adder aan hun borst. De mondialisering had bovendien grote gevolgen voor het Amerikaanse binnenland. Doordat de industriële basis naar het buitenland werd verplaatst, kwam de Amerikaanse arbeidersklasse in een precaire en gemarginaliseerde positie terecht. Grote delen van de bevolking hadden daardoor geen direct belang meer bij het voortbestaan van het imperium – een scherpe breuk met het oude adagium: wat goed is voor General Motors, is goed voor Amerika.
Kortom, het werd tijd om een rem te zetten op wat inmiddels de ‘hypermondialisering’ was gaan heten. Sinds 2015 heeft vrijwel elke grote gebeurtenis – hoe verschillend ook – in de richting van demondialisering gewezen. Eerst was er het Brexit-referendum in het Verenigd Koninkrijk (juni 2016), gevolgd door de verkiezing van Trump (november 2016), de Covid-19-pandemie (januari 2020 – mei 2023), de oorlog in Oekraïne (sinds februari 2022), en de handelsoorlog met China (gestart onder Trump I, verder aangescherpt onder Biden). En nu: de tweede ambtstermijn van Trump. Het probleem is dat de Verenigde Staten ruim twintig jaar lang de onderdanen van hun imperium – met name de Europeanen – hebben gedwongen tot mondialisering: langere toeleveringsketens, delokalisatie en verregaande financialisering. Terwijl de mondialisering leidde tot de opkomst van China én tot groeiende ontevredenheid in eigen land, legt de demondialisering juist heel veel druk op de relaties met Europa. Onder Biden werd dit deels opgevangen door de Europeanen nauwer te betrekken bij de NAVO-oorlog tegen Rusland. Onder Trump gebeurt dit via dreigementen met invoerheffingen en door zwaardere tributen op te leggen: hogere militaire uitgaven en de verplichte aankoop van Amerikaanse wapens.
Omdat zowel Democraten als Republikeinen demondialiserende maatregelen hebben genomen, ligt het verschil tussen hen niet in hun gedeelde zorg over de opkomst van China, maar in hun tegengestelde ideeën over hoe die opkomst kan worden afgeremd. Beide partijen zijn het erover eens dat er snel moet worden gehandeld, voordat China de technologische, economische en soft power-kloof met de VS kan dichten. Het verschil zit in de gekozen aanpak. Biden en zijn minister van Buitenlandse Zaken, Antony Blinken, volgden vrijwel letterlijk de aanbevelingen uit een fascinerend, maar ook self-fulfilling rapport van de Rand Corporation uit 2019: Overextending and Unbalancing Russia: Assessing the Impact of Cost-Imposing Options. Volgens dit rapport was het de beste strategie, in een tripolaire nucleaire wereld, om eerst Rusland te isoleren en te verzwakken. Daarmee zou het triumviraat worden teruggebracht tot een duopolie, zodat men zich daarna volledig kon richten op de belangrijkste tegenstander: China. In de praktijk blijkt deze strategie echter niet heel effectief. De sancties tegen Rusland hebben slechts beperkt resultaat opgeleverd, de pogingen om Moskou te isoleren van grote delen van het ‘mondiale Zuiden’ zijn grotendeels mislukt (een term die trouwens zelf nadere reflectie verdient, want waarom horen we zelden over het ‘mondiale Noorden’?), en de oorlog in Oekraïne heeft Rusland juist dichter bij China gebracht. Hierdoor zijn er steeds meer twijfels ontstaan over de houdbaarheid van de Rand-strategie.
Daarom zien we nu pogingen om Rusland los te weken van China door vrede in Oekraïne in het vooruitzicht te stellen. Moskou kan dergelijke verleidingen niet zomaar naast zich neerleggen. Wie naar de kaart kijkt, begrijpt waarom: ten zuiden van de grens met China wonen 1,4 miljard mensen op 9,5 miljoen vierkante kilometer – intensief benut land, waarvan grote delen bovendien bedreigd worden door woestijnvorming. Ten noorden van de grens wonen slechts 35 miljoen mensen op een uitgestrekt gebied van 13,1 miljoen vierkante kilometer, dat door klimaatopwarming en het smelten van de permafrost in de toekomst waarschijnlijk vruchtbaarder zal worden. Die toekomst laat zich nu al zien: Chinese kopers domineren de vastgoedmarkt in de steden van Siberië en kopen er uitgestrekte landgoederen. Zou China dezelfde logica op Siberië toepassen als Rusland op Oekraïne, dan zou het zomaar de heraansluiting van heel Mantsjoerije kunnen eisen. De echte angst van Rusland betreft dan ook China, niet de Verenigde Staten – denk maar aan het grensconflict tussen de Sovjet-Unie en Mao’s China in 1969.
Het is derhalve geen onrealistisch scenario dat Moskou opnieuw aansluiting zal zoeken bij de Amerikaanse invloedssfeer. Er wordt zelfs gesproken van een ‘omgekeerde Nixon-strategie’: waar Kissinger er destijds in slaagde China van Rusland los te wrikken, zou het nu de bedoeling zijn om het omgekeerde te doen. Het probleem is echter dat Rusland na ruim drie jaar oorlog een zware tol heeft betaald voor de strategie van de Rand Corporation. Een halfslachtige poging tot vrede met Kyiv volstaat daarom niet meer.
In die zin heeft de Verenigde Staten zichzelf in een geopolitieke impasse gemanoeuvreerd – een situatie die Trump niet heeft veroorzaakt, maar waar hij ook geen oplossing voor heeft. Dit lijkt de argumenten die wijzen op een neergang van Amerika geloofwaardiger te maken. Toch vinden deze weinig steun in de manier waarop andere staten reageren op dit strategische dilemma. Wat vooral opvalt, is de gelatenheid waarmee de rest van de wereld de Amerikaanse dreigementen met sancties en het gebral uit Washington aanvaardt: Europa slikt een flinke economische tegenvaller, terwijl China opmerkelijk terughoudend is met vergeldingsmaatregelen. Feit blijft dat de dollar de mondiale reservevaluta is, dat het Amerikaanse financiële systeem de wereld domineert, dat Amerikaanse beleggingsfondsen zich wereldwijd blijven uitbreiden en dat de militaire macht van de VS ongeëvenaard is. Trump verhoogt bovendien de militaire uitgaven.
***
Je krijgt steeds meer het vermoeden dat de interne crisis van de Verenigde Staten niet zozeer voortkomt uit een verlies aan invloed op het wereldtoneel, maar juist eerder uit de buitensporige macht van hun imperium. Het gaat om een crisis van de hypermacht – een macht die de overtuiging voedt dat je zonder enige terughoudendheid kan doen wat je wil, met een stok die zo sterk is dat er geen wortel meer nodig is.
Deze hypermacht beperkt zich niet tot de VS als imperiale macht, maar strekt zich uit tot de hele klasse van gigamiljardairs, die de ruimte, de ether, de communicatie, de taal en inmiddels zelfs de kennis domineren. Vanuit dat machtsmonopolie voelen zij zich gerechtigd tot het meest schaamteloze despotisme. Dagelijks zien we daar nieuwe voorbeelden van: willekeurige sancties die zonder enige rechtvaardiging worden opgelegd aan Francesca Albanese, de speciale VN-rapporteur voor de bezette Palestijnse gebieden; of de dreiging met buitensporige tarieven tegen het Brazilië van Lula, nota bene terwijl de handel tussen beide landen de VS een overschot van acht miljard dollar oplevert – een overschot dat al achttien jaar onafgebroken bestaat.
Alleen die hypermacht kan verklaren hoe de regering-Trump ermee wegkomt om de zogeheten Caligula-methode toe te passen bij haar benoemingen. Net zoals Caligula ooit een paard tot senator maakte om zijn minachting voor de Senaat te tonen – in de overtuiging dat het Romeinse Rijk, op het hoogtepunt van zijn macht, zelfs zulke excentrieke grillen kon verdragen – zo kan Trump het zich veroorloven een miljardair uit de worstelwereld tot minister van Onderwijs te benoemen. Of een half-alcoholische televisiepresentator, die ooit dronken werd gefilmd terwijl hij ‘Let’s kill all the Muslims’ zong, en oneervol werd ontslagen uit het marinierskorps, tot minister van Defensie te maken.
Vergelijkingen met het verleden zijn strikt genomen altijd anachronistisch. Toch dringt zich één conclusie op: de mondialisering heeft voor Washington nóg een onverwacht en schadelijk gevolg gehad: ze heeft de heersende klasse losgeweekt van haar land. Het gemondialiseerde kapitalisme is niet langer patriottisch; het waant zich (ten onrechte) onafhankelijk van het lot van de natie. Het koestert de illusie, zoals veel magnaten uit Silicon Valley, dat je kunt uitwijken naar Nieuw-Zeeland of naar een extraterritoriaal platform op zee, terwijl je intussen je fortuin kunt behouden en invloed kunt blijven uitoefenen over de wereld. Wat het niet beseft, is dat al zijn macht berust op het imperiale karakter van de Verenigde Staten. Bij ontstentenis daarvan zijn de leden van deze elite helemaal niets – schipbreukelingen in een gouden kooi, aan de rand van de Stille Oceaan. Het doet denken aan de late fase van het Romeinse Rijk, toen de grootgrondbezitters zich niet langer als cives Romani beschouwden, de plebejers weigerden nog langer dienst te nemen in de legioenen, en Dalmatische, Iberische of Numidische praetorianen het rijk konden veilen aan de hoogste bieder. Vandaag lijkt het erop dat de Amerikaanse elite voor het eerst haar interesse in de Verenigde Staten – en in de Amerikanen – is verloren.
Twee eeuwen lang hebben de Europeanen de monumentale fout gemaakt de Amerikaanse elite te onderschatten – een klasse die in minder dan honderd jaar de wereld veroverde: de zeeën, het luchtruim, de ruimte, de financiële en monetaire wereld, én de verbeelding. Het was een meedogenloze, gewetenloze klasse, maar ze wist een bestuur – publiek én privaat – voort te brengen dat, ten goede of ten kwade, de hele planeet bestuurde. De Carnegies, Rockefellers, Vanderbilts en Astors – terecht ‘roofbaronnen’ genoemd – bouwden bibliotheken, ziekenhuizen, universiteiten en concertzalen, niet uit altruïsme, maar omdat het in hun eigen belang was dat het land bloeide. Ze lieten stakende arbeiders neerschieten, maar bleven patriottische schurken, om Dr. Johnson te parafraseren. De nieuwe generatie kapitalisten daarentegen lijkt volledig losgezongen van elke menselijke context – een gedematerialiseerde klasse die Margaret Thatchers beroemde uitspraak als leidraad heeft genomen: ‘There is no such thing as society.’
Dus ja – terugkomend op de dichotomieën waarmee we begonnen – de huidige situatie is het eindresultaat van de neoliberale Reagan-revolutie. Het gaat dus om een langetermijnontwikkeling, waarvan Trump slechts een bijverschijnsel is (het minimalisme). Tegelijkertijd markeert dit een radicale breuk in het beheer van het imperium: een verschuiving weg van soft power (het maximalisme). Waar de macht van de VS ooit schuilde in het niet toegeven dat het een imperium was – de VS ‘bezetten’ ons niet, ze ‘verdedigden’ ons – zien we nu een imperium dat zijn heerschappij zonder enige schroom oplegt. Dit imperium bevindt zich in een stadium van absolute suprematie (antideclinisme). Maar het feit dat het veruit de sterkste macht op aarde is, betekent niet dat het de enige macht is. En juist in die overmoed schuilt zijn grootste kwetsbaarheid (declinisme): het uiteenvallen van de heersende klasse, zichtbaar in de aanvallen op de universiteiten die haar opleiden, en in de verslechterende relatie van die klasse met haar eigen staat.
Vertaling: Menno Grootveld








