Categorieën
Filosofie Politiek

Over liefde en opoffering

Oorspronkelijke tekst: UnHerd, 5 april 2026

fotografie: Bram Budel

door Terry Eagleton


Terry Eagleton is criticus, literatuurtheoreticus en columnist bij UnHerd

Pasen is een viering van afwezigheid

In het hart van het christendom bevindt zich een groot leegte, beter bekend als het lege graf. Pasen draait in wezen om de afwezigheid van God, niet om een spectaculaire openbaring van Hem. Het graf is leeg omdat Jezus volgens het geloof uit de dood is opgestaan. Toch beschrijft het Nieuwe Testament die gebeurtenis zelf niet. Het vertelt over Jezus vóór zijn dood, en daarna over zijn verschijningen onder zijn leerlingen. Maar tussen die twee momenten gaapt een grote leegte.

Dat komt doordat de opstanding niet kan worden afgebeeld. Niet omdat zij te heilig is, maar omdat zij – hoewel christenen geloven dat ze werkelijk heeft plaatsgevonden – geen gebeurtenis is zoals een begrotingsbesluit of een oorlog dat is. Je had er geen foto van kunnen maken, zelfs niet als je met je telefoon bij het graf van Jezus had rondgehangen. Het is niet alsof hij geeuwde, overeind kwam, zijn lijkwade afwierp en knipperend met zijn ogen het zonlicht in liep. De opstanding stelt juist het idee zelf van wat een gebeurtenis is ter discussie. Is wachten bijvoorbeeld een gebeurtenis, of juist de afwezigheid daarvan? Verliefd worden is op een bepaalde manier een gebeurtenis, maar niet op dezelfde manier als het verbranden van een stuk toast. De opstanding is onvoorstelbaar, niet omdat ze niet echt zou zijn, maar omdat ze te werkelijk is om in beelden te vatten. Als er zoiets bestaat als een ultieme werkelijkheid, dan zouden we die niet in taal kunnen uitdrukken. Ze zou zich bevinden aan de andere kant van onze taal, zoals het onbewuste.

Maar de opstanding van Jezus uit de dood is niet zomaar een ‘spirituele’ of symbolische gebeurtenis, want er is een echt menselijk lichaam bij betrokken. De verrezen Jezus eet met zijn vrienden om te laten zien dat hij geen geest is; hij heeft echte wonden in zijn handen, enzovoort. Toch behoort dit lichaam tot een andere orde dan het lichaam van, laten we zeggen, Pete Hegseth – niet omdat het minder van vlees en bloed zou zijn, maar juist omdat het intensere werkelijkheid heeft.

Of er nu wel of niet iets in het graf is gebeurd, roept ook de vraag op wie als eerste meldde dat het lichaam verdwenen was. Volgens de overlevering was dat Maria Magdalena, die waarschijnlijk een sekswerker was en daardoor in de ogen van de gevestigde orde geen bijzonder betrouwbare getuige. Bovendien was zij een vrouw, en in die tijd werd de getuigenis van vrouwen vaak als van weinig waarde beschouwd. Het feit dat juist Maria en enkele andere vrouwen als eersten meldden dat het graf leeg was, moet voor de schrijvers van de evangeliën behoorlijk gênant zijn geweest. Als zij dat hadden gekund, hadden ze dit detail misschien liever uit het verhaal weggelaten. Dat ze het toch hebben opgenomen, duidt erop dat dit gegeven te algemeen bekend of te sterk overgeleverd was om te kunnen negeren.

Dit alles is nogal ongemakkelijk voor vrome gelovigen, die liever een positiever en duidelijker beeld van de Almachtige hebben dan simpelweg een lege ruimte. Toch verbieden de Hebreeuwse geschriften juist zulke beelden. De God van Israël staat niet toe dat er afbeeldingen van Hem worden gemaakt. Je mag geen gesneden beeld van God maken, omdat het enige authentieke ‘beeld’ van Hem van menselijk vlees en bloed is. Je mag Hem niet als afgod of fetisj gebruiken in de strijd tegen je vijanden, of proberen het paradijs binnen te dringen door wierook te branden bij een standbeeld van Hem. Zelfs een naam geven aan God is problematisch, omdat ook dat een manier kan zijn om Hem naar je hand te zetten – alsof je Hem in je zak kunt steken en kunt gebruiken om je eigen belangen te dienen.

Aan de andere kant vinden sommige Israëlieten het misschien makkelijker om hun oedipale fantasieën op God te projecteren en hem voor te stellen als een soort Big Daddy: een wraakzuchtige godheid die hen straft voor hun overtredingen en hen zo van hun schuld bevrijdt. In de Hebreeuwse traditie wordt dit valse beeld van Jahweh – als patriarch en streng superego – aangeduid met de naam Satan, wat letterlijk ‘aanklager’ betekent. Wanneer christelijk-nationalistische Amerikanen God aanroepen als opperbevelhebber van het universum, doen zij volgens de Bijbel precies wat de Schrift afgoderij noemt, hoe netjes hun broeken ook zijn gestreken en hoe stralend wit hun tanden ook mogen zijn. Het slechte nieuws voor hen is dat God niet meer bijzondere aandacht heeft voor de Verenigde Staten dan voor een plaatsje als East Grinstead. Er bestaan geen favoriete naties, en zelfs Israël vormt daarop geen uitzondering.

Sterker nog, volgens de Bijbel kan God behoorlijk ongeduldig en kritisch zijn jegens de oude Israëlieten. Sommigen van hen verwachten dat hij zich gedraagt als een soort superwezen, terwijl hij in werkelijkheid helemaal geen wezen is, tenminste niet op de manier waarop een mens, een dier of een voorwerp dat is. God is geen object, geen entiteit en geen individu zoals andere dingen in de wereld. Evenmin grijpt hij voortdurend in de menselijke geschiedenis in, alsof hij een politieke strateeg zou zijn. God en het universum staan niet tegenover elkaar als twee afzonderlijke dingen. Daarom is God ook niet ‘in de hemel’ op dezelfde manier waarop iemand in Chicago zou kunnen zijn. Toch hebben mensen de neiging eerbiedig naar boven te wijzen wanneer ze zijn naam uitspreken. In het boek Jesaja wordt dat idee scherp bekritiseerd. Wanneer de Israëlieten denken dat ze God kunnen behagen met brandoffers, klaagt hij dat hun wierook hem in de neus prikt. In plaats daarvan vraagt hij wat zij doen om weduwen en wezen te beschermen, en de armen te verdedigen tegen het geweld van de rijken.

Wanneer de Maagd Maria zwanger is van Jezus, barst zij uit in een triomfantelijk loflied. Daarin prijst ze de God die de machtigen van hun troon stoot en de nederigen verheft, die de armen met goede gaven vervult en de rijken met lege handen wegstuurt. Zulke motieven komen vaak voor in de Hebreeuwse geschriften. Maria zelf belichaamt deze boodschap. Als jonge, onbekende vrouw uit een arm en achtergesteld deel van het land staat zij symbool voor de nederigen en de armen. Het kind dat zij draagt zal later door de Romeinse staat worden gedood, omdat hij onbevreesd de waarheid spreekt. Hij zal het slachtoffer worden van een vorm van marteling en executie die de Romeinen meestal reserveerden voor weggelopen slaven en politieke opstandelingen: kruisiging. In zekere zin had hij nog geluk dat hij ‘slechts’ zes uur aan het kruis hing; sommige slachtoffers van kruisiging leden dagenlang voordat ze stierven.

Het is de vraag of Jezus zelf een revolutionair was, maar enkele van zijn naaste volgelingen waren dat waarschijnlijk wel. Een van hen, Simon, wordt zelfs een Zeloot genoemd, een lid van een anti-Romeinse verzetsbeweging uit die tijd. Twee andere leerlingen, Jakobus en Johannes, kregen een bijnaam die eveneens met zulke strijdlustige groepen wordt geassocieerd. Ook wordt wel gedacht dat Judas Iskariot Jezus heeft verraden omdat hij hoopte dat Jezus een gewapende opstand tegen de Romeinen zou leiden en teleurgesteld was toen dat niet gebeurde. Jezus zelf leefde als een rondtrekkende prediker zonder vast beroep. Hij uitte scherpe kritiek op de heersende elite en leek bovendien een ambivalente houding te hebben tegenover het traditionele gezin, zelfs tegenover zijn eigen familie. Voor hem had trouw aan zijn missie voorrang boven gewone sociale verplichtingen, zoals het bijwonen van de diploma-uitreiking van je kinderen.

Veel voorchristelijke samenlevingen kenden rituelen rond dood, begrafenis en wederopstanding. Denk aan vegetatie- en vruchtbaarheidscultussen, en aan mythen over een gedode of gewonde god die uiteindelijk het dorre land weer tot leven brengt. Ironisch genoeg liggen zulke motieven ook onder de oppervlakte van een van de meest uitgesproken moderne Engelse gedichten, The Waste Land van T.S. Eliot. Het gedicht is tegelijk archaïsch en avant-gardistisch. Het lijkt erop dat deze patronen en ritmes op een bepaalde manier diep in de menselijke psyche verankerd zijn. In dat opzicht introduceert het christendom niet iets volledig nieuws. Het bouwt voort op een lange traditie van offerrituelen. In die traditie staat het zondebokmotief centraal: een slachtoffer dat de zonden en schuld van een hele gemeenschap op zich neemt. Door te sterven aan deze toestand van onvruchtbaarheid en schuld, maakt het uiteindelijk nieuw leven en vernieuwing mogelijk.

Het christendom neemt dit patroon over, maar verandert het ook. In vruchtbaarheidscultussen – met geofferde goden en mythen over zoet water dat dor land weer vruchtbaar maakt – draait het uiteindelijk om macht over de natuur. De gemeenschap probeert de natuur te beheersen zodat de gewassen kunnen groeien. Dat wordt symbolisch uitgebeeld in het verhaal van een god die in de aarde wordt begraven en daarna opnieuw tot leven komt. Het idee daarachter is eenvoudig: het zaad moet sterven opdat de plant kan bloeien.

Wat het christendom doet, is dit alles van het niveau van de natuur en de biologie naar dat van de geschiedenis en de moraal te tillen. De dood blijft een essentieel onderdeel van verlossing, maar krijgt nu een andere betekenis: het gaat om sterven in de vorm van een liefdevolle zelfgave aan anderen, zoals zichtbaar wordt in het leven van Jezus. Niet brandoffers of geslachte afgoden, maar juist deze zelfgave vormt de voorwaarde voor nieuw leven. Je moet als het ware sterven aan het systeem dat in Jezus’ tijd werd belichaamd door de georganiseerde wreedheid en onrechtvaardigheid van het Romeinse Rijk, en opnieuw geboren worden in een gemeenschap van vriendschap en solidariteit. Daarom draait de doop symbolisch eerder om verdrinken en opnieuw opstaan dan om simpelweg gewassen worden.

Dit alles staat ver af van paashazen en beschilderde eieren. Pasen gaat zeker over vreugde en feest, maar zoals bij elk werkelijk geluk gaat dat gepaard met een hoge prijs. Zelfs al is het slechts symbolisch, je moet de weg door dood en verlies gaan om aan de andere kant uit te komen. Dat doen zonder enige zekerheid of garantie – dat noemen we geloof. Daarom wordt in de christelijke traditie gezegd dat Jezus bij zijn dood afdaalt in de hel: in die kakofonie van spot, gelach, gejoel en geschreeuw die het domein vormt van het demonische. Het demonische is de vijand van leven en betekenis. Het probeert alles te vernietigen wat wij mensen waardevol achten, omdat het dat ziet als een belachelijke illusie. Om werkelijk nieuw leven te vinden, moet je door deze duisternis heen – van Goede Vrijdag naar Paaszondag. Of, zoals de dichter W.B. Yeats het uitdrukte: ‘Niets kan heel of uniek zijn, dat niet eerst verscheurd is.’

De dood laat je echter niet zomaar achter je. Een van de meest ongemakkelijke kanten van de christelijke boodschap is dat wie op de juiste manier liefheeft, waarschijnlijk ook het risico loopt te worden gedood. Dat is een heel andere vorm van liefde dan de romantische, erotische of sentimentele liefde die tegenwoordig vaak aan de man wordt gebracht. Jezus sterft als martelaar: iemand die vrijwillig zijn leven geeft voor anderen. Voor veel mensen, zeker in een cultuur die waarde hecht aan gematigdheid en comfort, klinkt dat al snel te radicaal. Toch suggereert deze gedachte dat alleen zo’n radicale vorm van zelfgave werkelijk in staat is om een meedogenloos machtssysteem te doorbreken, een systeem dat vandaag de dag niet door een keizer als Caesar, maar door leiders als Donald J. Trump wordt belichaamd.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Filosofie Politiek

Evangelische nationalisten ondermijnen de morele wereldorde die we ooit kenden

Oorspronkelijke tekst: The Guardian, 4 april 2026

fotografie: CNN

door Simon Tisdall


Simon Tisdall is een commentator buitenlandse zaken bij The Guardian

De uitholling van mondiale normen door figuren als Pete Hegseth moet worden gezien als een ethische kwestie. Het gaat om een strijd tegen de chaos – een strijd waarin alle grote religies een rol zouden moeten spelen

Die strijdlustige oude hymne ‘Onward, Christian Soldiers’ hoor je tegenwoordig nog maar zelden, hoewel het vroeger een favoriet lied was in kerkgemeenten en op schoolbijeenkomsten. Het werd in 1865 geschreven door Sabine Baring-Gould, een Engelse geestelijke en godsdienstwetenschapper. Het refrein roept gelovigen op tot strijd, overwinning en verovering:

‘Onward, Christian soldiers,
marching as to war,
with the cross of Jesus
going on before!’

De strijdlustige toon sloot goed aan bij de Victoriaanse tijdgeest, maar maakte latere generaties steeds ongemakkelijker – hoewel het lied in de vroege jaren zestig op mijn basisschool nog gewoon werd gezongen. Tegenwoordig geeft dit soort triomfalistische religieuze taal religie eerder een slechte naam.

Pete Hegseth, de Amerikaanse minister van Defensie en een uitgesproken christelijke soldaat, zou het daar waarschijnlijk niet mee eens zijn. Misschien neuriet hij het lied zelfs op weg naar zijn werk. Tijdens een recente christelijke eredienst in het Pentagon – een opmerkelijke gebeurtenis, gezien de terughoudendheid van de Amerikaanse grondwet jegens alles wat op een staatsgodsdienst lijkt – bad Hegseth, onder verwijzing naar Iran, om ‘overweldigend geweld tegen degenen die geen genade verdienen.’ Hegseths credo is moorden. Hegseth beschrijft Iraniërs als ‘religieuze fanatici.’ Tegelijk vertegenwoordigt hij zelf een bijzonder strikte vorm van evangelisch christelijk nationalisme, die zelfs naar Amerikaanse maatstaven als extreem kan worden gezien, maar toch de steun krijgt van Donald Trump. Trump was presbyteriaan tot 2020, maar verklaarde toen plotseling dat hij dat niet langer was. Wat hij tegenwoordig precies gelooft, weet alleen God.

Het misbruiken van het christelijk geloof voor politieke en militaire doeleinden is in de Verenigde Staten een al lang bestaande en betreurenswaardige praktijk. Maar er zit ook een donkere en verontrustende kant aan. In de officiële demonisering en ontmenselijking van Iran schuilt impliciet angst en afkeer van wat als ‘anders’ wordt gezien – in dit geval sjiitische moslims. Als een van zijn eerste maatregelen als president in 2017 stelde Trump een inreisverbod in voor immigranten uit diverse landen met een moslimmeerderheid, en hij is sindsdien op die vijandige koers doorgegaan.

Voor de meeste praktiserende christenen is het misbruik en de verdraaiing van het geloof, wanneer het wordt ingezet om dood en vernietiging te rechtvaardigen, verdeeldheid te zaaien, oorlogsmisdaden goed te praten of Iran ‘terug naar het stenen tijdperk’ te bombarderen, diep bedroevend. Christenen geloven dat Jezus Christus werd gekruisigd voor de hele mensheid en voor de vergeving van zonden, niet voor wraak, trots of overheersing. Paus Leo sprak namens velen, ook buiten de katholieke kerk, toen hij tijdens een Palmzondagmis in Rome krachtig afstand nam van pogingen van fanatiekelingen zoals Pete Hegseth om het christendom voor politieke of militaire doelen te gebruiken. ‘Niemand kan Hem gebruiken om oorlog te rechtvaardigen,’ zei hij, verwijzend naar woorden uit het Boek Jesaja. De gebeden van oorlogszuchtigen zouden onbeantwoord blijven: ‘Jullie handen zijn vol bloed.’

Niet alle christenen verzetten zich tegen de oorlog tegen Iran die Donald Trump en Benjamin Netanyahu hebben gekozen. Toch wordt de verontwaardiging van Paus Leo in het Verenigd Koninkrijk gedeeld door onder meer Rowan Williams, voormalig aartsbisschop van Canterbury. Zijn standpunt vindt bovendien weerklank in de islamitische wereld en bij joodse gemeenschappen overal ter wereld. Deze reactie weerspiegelt een veel bredere strijd: die over de manier waarop hedendaagse autoritaire leiders het internationaal recht negeren, en zo de desintegratie van de na het einde van de Tweede Wereldoorlog ontstane ‘op regels gebaseerde wereldorde’ aanmoedigen en uitbuiten. De gevolgen van die afbrokkeling worden vaak beschreven in geopolitieke en economische termen: ontwrichting, verbroken allianties en eenzijdige acties zonder gevolgen – zoals de Russische invasie van Oekraïne en de Gaza-oorlog. Maar de verharding en ontwrichting van de internationale orde moet ook als een morele kwestie worden gezien. De ineenstorting ervan vormt uiteindelijk een fundamentele, wereldwijde crisis van de moraal.

Misschien heeft een door conflicten verscheurde wereld nu meer dan ooit behoefte aan onafhankelijke, niet-politieke stemmen – mensen die bereid en moedig genoeg zijn om de macht de waarheid te zeggen, weerstand te bieden aan autocratische tirannen, de zwaksten en meest kwetsbaren te verdedigen, en onrecht en wetteloosheid aan de kaak te stellen. Wanneer wereldlijke leiders falen, wanneer het vertrouwen in seculiere regeringen en politici afneemt, wanneer het geloof in democratie vervaagt en wanneer de fundamentele veiligheid van mensen – zowel fysiek als financieel – wordt bedreigd door krachten buiten hun controle, wie zal dan de tirannie uitdagen? Met groeiende wanhoop roepen gebroken samenlevingen, vastgenageld aan een kruis dat zij zelf hebben gemaakt, om geestelijke redding.

In deze wereldwijde strijd tegen de chaos zouden alle religies een rol moeten spelen. Toch blijft de reactie op de oorlog tegen Iran, de meest recente uiting van deze crisis, vaak terughoudend en verdeeld. In het Verenigd Koninkrijk ging Sarah Mullally, die vorige maand werd geïnstalleerd als aartsbisschop van Canterbury en daarmee als hoofd van de wereldwijde Anglicaanse gemeenschap, in haar eerste preek niet in op de oorlog. Daarentegen sprak Guli Francis-Dehqani, de in Iran geboren bisschop van Chelmsford, zich duidelijk uit tegen het conflict. Zij veroordeelde de oorlog als illegaal, en als zowel moreel als juridisch onrechtvaardig.

De moord door Israël op Ali Khamenei, de hoogste leider van Iran en een belangrijke religieuze autoriteit voor sjiitische moslims wereldwijd, was uiterst provocerend en bovendien illegaal. Toch zijn de reacties in de regio verdeeld langs sektarische lijnen. In Syrië vierden sommige soennitische moslims zijn dood. In Israël geniet de oorlog steun onder veel joodse Israëli’s, terwijl een meerderheid van de joodse Amerikanen er juist tegen is. Volgens een peiling van J Street zegt 77 procent van hen dat Trump geen duidelijk plan heeft. Een vergelijkbare verdeeldheid bestaat rond Oekraïne, waar religieuze organisaties met banden met de Russisch-Orthodoxe Kerk – die nauw verbonden is met Vladimir Poetin en zijn oorlogspolitiek steunt – door Kiyv zijn verboden.

Dergelijke schisma’s en splitsingen zijn niets nieuws. Maar nu we geconfronteerd worden met een wereldwijde geopolitieke ontwrichting, hebben christelijke leiders van alle stromingen een duidelijke morele verantwoordelijkheid om zich te verenigen in de verdediging van een militant, uitgesproken en principieel oecumenisme – een oecumenisme dat zich nadrukkelijk tegen de oorlog keert en zich vóór rechtvaardigheid uitspreekt. In feite zouden alle religieuze leiders, niet alleen christenen, samen kunnen en moeten optreden. Gelovigen die naar de moskee gaan in Teheran, Beiroet en Gaza, leden van synagogen in Tel Aviv, Jeruzalem en Noord-Londen, en kerkgangers van Canterbury tot Cincinnati – en hun kinderen – delen uiteindelijk hetzelfde fundamentele belang. Dat is het recht om te leven, te werken en de god van hun geweten te volgen, zonder te worden opgeblazen – zoals de kinderen die zijn verbrand door een Tomahawk-raket in Minab – of te worden geterroriseerd, vervolgd of cynisch misleid door roekeloze politici.

Ondanks de apocalyptische retoriek van Trump, en de sensationele online uitspraken over de ‘eindtijd’ en Armageddon, zou deze uiterst schadelijke, ongerechtvaardigde en beschamende oorlog Amerikanen misschien kunnen dwingen hun morele verhouding tot de wereld opnieuw te overdenken. ‘Is Trump werkelijk de enige schuldige?’ vroeg de Amerikaanse columniste Lydia Polgreen zich af. Of is hij juist ‘de vervulling van wat Amerika altijd is geweest: een zelfgenoegzame natie die, door haar mythen over voorzienigheid en uitzonderlijkheid, zichzelf de vrijheid heeft gegeven om te doen wat ze wil’? Volgens Polgreen heeft het presidentschap van Trump een veel oudere kwaal blootgelegd: het hardnekkige geloof van Amerika dat het de wereld naar eigen inzicht kan vormgeven, ongeacht wat anderen willen en in de overtuiging dat zijn eigen plan altijd het juiste is. Los van Trump, zo betoogt zij, is het deze mentaliteit waar de Amerikanen uiteindelijk zelf mee in het reine moeten komen.

Laten we hopen dat Trump en zijn godslasterlijke medestanders zich deze Pasen bij deze noodzakelijke zelfreflectie aansluiten en hun kruistocht tegen Iran beëindigen. En misschien kunnen we dan die oude Victoriaanse hymne ook meteen schrappen. Hardline Amerikaanse evangelische nationalisten lijken immers sterk op wat Diana Dewar in haar boek uit 1964 treffend ‘backward Christian soldiers’ noemde. Zoals zo vaak marcheert religieus rechts, net als rechts in het algemeen, vastberaden in de verkeerde richting.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Filosofie Politiek

Trump als lezer van Lacan

Oorspronkelijke tekst: Slavoj Žižeks Substack

fotografie: Ulf Andersen

Slavoj Žižek (Ljubljana, 21 maart 1949) is een Sloveense socioloog, filosoof, psychoanalyticus, communist en cultuurcriticus. Van zijn hand verschijnt bij uitgeverij Starfish Books binnenkort Te laat om wakker te worden.

Het is niet simpelweg zinloos; de betekenis ervan is juist zinloos te zijn.

De gedachtegang van Jacques Lacan is vaak moeilijk te volgen, vooral wanneer hij nieuwe woorden (neologismen) bedenkt om de paradoxale relatie tussen taal en genot te beschrijven. Een voorbeeld daarvan is jouis-sense (genot-in-betekenis). Een ander door hem bedacht woord dat naar hetzelfde verband verwijst is le sinthome, oftewel ‘sinthom,’ in tegenstelling tot het gewone symptoom. Sinthoms kun je zien als een soort ‘atomen van genot’: de kleinste eenheden waarin taal en genot samenkomen. Het zijn tekens of handelingen die doordrongen zijn van genot, zoals een tic die iemand dwangmatig blijft herhalen.

Zijn sinthoms niet te begrijpen als quanta van genot: de kleinste, meest elementaire eenheden ervan? Een sinthom kan bovendien helpen om een sociale band te creëren. Het fungeert dan als een lege vorm van een ritueel, vergelijkbaar met een betekenisloze meme. Vanaf 2024 was ‘six-seven’ zo’n meme die plotseling overal opdook. Er zit geen verborgen betekenis of geheime code achter; het zijn simpelweg twee getallen die achter elkaar worden uitgesproken. De uitdrukking ‘six-seven’ lijkt in zijn moderne betekenis te zijn ontstaan in het nummer Doot Doot (6 7) uit 2024 van de Philadelphia-rapper Skrilla. In dat nummer kan het verwijzen naar een politiecode, naar 67th Street, of naar iets anders. Daarna dook de uitdrukking op in een aflevering van South Park, waarna de meme zich razendsnel in allerlei richtingen verspreidde.

‘Het is een stukje meme-jargon dat alleen naar zichzelf verwijst. Het zegt eigenlijk niets anders dan dat de gemiddelde dertienjarige heel irritant kan zijn – en bovendien bereid is om eindeloos hetzelfde grapje te blijven herhalen. Onderweg kreeg de uitdrukking ook een bijbehorend handgebaar: twee naar boven gerichte handpalmen die afwisselend omhoog en omlaag bewegen, alsof ze een weegschaal vormen.’

Het is niet simpelweg zinloos; de betekenis ervan is juist zinloos te zijn. Zulke memes hebben meestal maar een beperkte levensduur. Vaak blijven ze niet langer dan een jaar populair, en ‘six-seven’ wordt inmiddels al overschaduwd door nieuwe memes.

Tijdens zijn eerste ambtstermijn gaf Donald Trump een perfect voorbeeld van zo’n sinthom dat als sociale band fungeert. In een inmiddels virale tweet schreef hij: ‘Despite the constant negative press covfefe.’ Trump heeft nooit toegegeven dat dit een typefout was. Nadat hij de oorspronkelijke tweet had verwijderd, plaatste hij een nieuwe boodschap: ‘Who can figure out the true meaning of “covfefe”??? Enjoy!’ Hij had daarmee onbedoeld een punt. ‘Covfefe’ lijkt op wat Jacques Lacan een sinthom noemde. Het is geen symptoom met een verborgen, gecodeerde betekenis die door interpretatie kan worden onthuld. Het is eerder een betekenisloze vorm waarin een bepaald soort genot wordt samengebald. Waar een symptoom door interpretatie kan verdwijnen, geldt voor sinthomen iets anders: een subject moet ermee leren leven en zich er zelfs mee identificeren. Ze vormen een onderdeel van iemands identiteit. Als ze verdwijnen, kan ook het gevoel van samenhang van het subject zelf uiteenvallen.

Trump heeft ook gelijk wanneer hij genot als een bevel formuleert: ‘Geniet!’ Wanneer je simpelweg geniet van ‘covfefe,’ ga je voorbij aan – of beter gezegd: duik je onder – de taal als communicatiemiddel, waarmee betekenis wordt uitgewisseld. In plaats daarvan kom je terecht bij betekenaars die functioneren als vaste vormen waarin genot samenklontert: wat Jacques Lacan jouis-sense noemde. Het is dan ook geen toeval dat Trumps oproep ‘Geniet!’ werkt als een superego-bevel in zijn zuiverste vorm. In de freudiaanse traditie wordt het superego vaak gezien als een wrede, bijna sadistische morele instantie die ons bestookt met onmogelijke eisen en vervolgens met leedvermaak toeziet hoe we falen. Lacan ging nog een stap verder en stelde een directe relatie tussen jouissance (genot) en het superego. Genieten betekent volgens hem niet simpelweg dat je je spontane verlangens volgt. Het lijkt eerder op iets wat we doen omdat we het moeten doen: een vreemde en verwrongen vorm van een ethische plicht. Het genot zelf is iets dat zich als het ware vasthecht aan menselijke genoegens en deze verdraait. Daardoor kan een subject zelfs extra genot halen uit het ongenoegen zelf.

Om deze paradox te begrijpen, moeten we twee onderscheiden invoeren die zijn uitgewerkt door Jacques Lacan. In de eerste plaats is er het onderscheid tussen de Naam-van-de-Vader en het obscene vaderlijke genot. De Naam-van-de-Vader verwijst naar de vader als drager van symbolisch gezag, als vertegenwoordiger van de waardigheid van de Wet. Daartegenover staat het obscene vaderlijke genot: het superego dat ons aanspoort tot genot en tegelijkertijd eisen stelt. In de tweede plaats is er het onderscheid tussen genot (of beter: plezier) en surplusgenot – een vorm van genot die, om Sigmund Freud te citeren, voorbij het genotsprincipe gaat. Hiermee komen we bij een klassieke freudiaanse vraag: waarom kunnen mensen zelfs genieten van hun eigen onderdrukking? Macht oefent haar invloed namelijk niet alleen uit via onderdrukking, in stand gehouden door de angst voor straf. Ze werkt ook doordat ze ons als het ware omkoopt voor onze gehoorzaamheid en onze gedwongen verzakingen. Wat we daarvoor terugkrijgen, is een pervers soort genot: een genot in de verzaking zelf, een winst die juist in het verlies besloten ligt. Lacan noemde dit perverse genot ‘surplusgenot’ (plus-de-jouir). Dit begrip bevat een paradox: het gaat om iets dat altijd slechts een overschot is ten opzichte van zichzelf. In zijn ‘normale’ toestand bestaat het eigenlijk niet; het verschijnt alleen als een extra, een overmaat. Daarmee komen we bij Lacans begrip van het objet petit a: het object dat dit surplusgenot vertegenwoordigt. Er bestaat geen ‘basisgenot’ waaraan later een overschot wordt toegevoegd. Genot is altijd al een overschot, een vorm van overmaat die het gewone plezier te boven gaat.

Het begrip objet petit a heeft een lange geschiedenis in het werk van Jacques Lacan. Het verscheen al tientallen jaren voordat Lacan expliciet begon te verwijzen naar de analyse van goederen in Das Kapital van Karl Marx. Toch was het juist deze verwijzing naar Marx – en vooral naar zijn begrip van meerwaarde (Mehrwert) – die Lacan hielp om zijn latere, meer uitgewerkte begrip van objet petit a te formuleren als surplusgenot (plus-de-jouir, Mehrlust). Een centraal motief in Lacans verwijzingen naar Marx is de structurele overeenkomst tussen Marx’ idee van meerwaarde en dat wat Lacan ‘surplusgenot’ noemt. Het gaat om wat Sigmund Freud aanduidde als Lustgewinn, een ‘winst aan genot.’ Daarmee bedoelde Freud niet simpelweg een intensivering van het plezier, maar een extra genot dat voortkomt uit de omwegen en inspanningen die een subject maakt om genot te bereiken. Een andere vorm van Lustgewinn is de omkering die kenmerkend is voor hysterie: het afzien van genot verandert in het genot van het afzien. De onderdrukking van verlangen kan zo omslaan in een verlangen naar onderdrukking. Volgens Lacan ligt een dergelijke omkering ook aan de basis van de logica van het kapitalisme. Zoals hij opmerkte, begon het moderne kapitalisme met het tellen van genot – het berekenen van winst. Maar al snel slaat dit om in iets anders: het genot van het tellen zelf, het plezier dat wordt beleefd aan het voortdurend meten en vergroten van winst.

Nu kunnen we duidelijker zien hoe surplusgenot de keerzijde vormt van sadisme. Wanneer een kapitalist overschakelt van het tellen van genot naar het genot van het tellen, doet hij afstand van het directe plezier zelf, bijvoorbeeld het plezier van het consumeren van concrete dingen. Dat directe genot wordt vervangen door een meer abstract genot: het plezier dat men beleeft aan het berekenen en vermeerderen van mogelijke genoegens. Op die manier werkt surplusgenot als een soort sadistische ontwaarding van echte genoegens. Het concrete plezier wordt ondergeschikt gemaakt aan het abstracte plezier van het tellen en vergroten. Maar wat heeft dit alles met Donald Trump te maken? Hier komt de verrassende wending. In een van zijn recente toespraken staat een passage die – bijna letterlijk, en in vrij eenvoudige bewoordingen – de paradox van het superego en het surplusgenot weergeeft:

‘Ons land wint weer. Sterker nog: we winnen zó veel dat we bijna niet meer weten wat we ermee aan moeten. Mensen zeggen tegen mij: Alstublieft, meneer de president, we winnen te veel. We kunnen het niet meer aan. We waren in dit land niet gewend om te winnen voordat u kwam, we verloren altijd. Maar nu winnen we te veel. En dan zeg ik: Nee, nee, nee. Jullie gaan nog meer winnen. Jullie gaan groots winnen. Jullie gaan groter winnen dan ooit.’

Russell Sbriglia, die mijn aandacht vestigde op ‘covfefe’ en op deze passage, had volgens mij helemaal gelijk toen hij zei: ‘Dit is puur sadisme. De boodschap luidt: “Amerikanen, encore un effort!” Schaam je niet dat jullie te veel winnen! Jullie moeten genieten van de pijn van het winnen, voorbij het genotsprincipe! Hij brengt deze woorden zelfs alsof hij een van Lynchs superegoïsche vaders is.’ Mensen vinden dat voortdurende ‘winnen’ – die constante, overweldigende druk van wat psychoanalytici surplusgenot noemen – uiteindelijk ondraaglijk. De meeste mensen willen gewoon een comfortabel leven leiden, met gewone genoegens. Maar Donald Trump gedraagt zich als een obscene superego-vader die het volk, zijn onderdanen, onder druk zet met een voortdurende eis: nóg meer genieten, nooit ontspannen, nooit genoegen nemen met een stabiel en rustig bestaan. Trump geeft daarmee letterlijk uitdrukking aan de onderdrukkende kant van surplusgenot: ‘Nee, nee, nee – jullie gaan wéér winnen.’ Daarom is het bevel om te genieten paradoxaal genoeg gebaseerd op een verbod – een ‘nee, nee, nee.’ Deze uitspraak van Trump laat zien dat de beroemde superego-paradox niet alleen een abstracte theorie is; ze werkt ook in ons alledaagse leven. Maar wat gebeurt er als we nóg een stap verder gaan en de passage parafraseren – en het woord ‘winnen’ letterlijk in zijn militaire betekenis nemen?

‘Met preventieve aanvallen op Iran wint ons land weer. Sterker nog, we winnen zó veel dat we niet eens meer weten wat we ermee aan moeten. Mensen zeggen tegen me: Alstublieft, meneer de president, we winnen te veel. We kunnen het niet meer aan – stop met het bombarderen van Iran!Maar ik zeg: Nee, nee, nee. Jullie gaan weer winnen. Jullie gaan groter winnen dan ooit.’

Waarom? Omdat Trump volgens eigen zeggen de grootste vredestichter in de geschiedenis van de mensheid is. En zoals we maar al te goed weten, is volgens die logica de enige weg naar eeuwige wereldvrede één grote, laatste oorlog die alle vijanden van de vrede vernietigt. Trump herhaalt keer op keer dat de Verenigde Staten niet in oorlog zijn met Iran. Samen met Israël zouden ze alleen het Iraanse volk willen bevrijden – op ongeveer dezelfde manier als Israël Gaza heeft ‘bevrijd,’ nu de verwoeste wijken van Teheran steeds meer op Gaza beginnen te lijken. In die redenering volgt Trump zijn ware voorbeeld, Benjamin Netanyahu, die volgens dezelfde ironische logica een nog grotere vredestichter zou zijn. Israël voert immers een totale oorlog die, zo luidt de claim, vrede in het hele Midden-Oosten moet brengen, waarbij ‘vrede’ in de praktijk betekent dat Israël de regio wil domineren.

Wat moeten we dan doen? Ik word vaak beschuldigd van anti-Servische vooringenomenheid, maar toch moet ik toegeven dat mijn favoriete volkslied een Servisch lied is over Kraljević Marko (Prins Marko, de beroemde held uit de Servische middeleeuwse epiek) die zijn strijdmakker en rivaal Ljutica Bogdan (‘de Woeste Bogdan’) ontmoet. De volgende prozavertaling is van mij:

Prins Marko en Ljutica Bogdan, zo vertelt men, ontmoetten elkaar op een dag. De twee grimmige helden kijken elkaar lange tijd zwijgend aan. Wie van hen zal het gevecht beginnen? Ze wachten op elkaar.

Dan zegt Bogdan: ‘Weet je wat, Marko? Het zou voor ons beiden beter zijn als we ieder onze eigen weg gaan – jij naar de wijngaard, ik naar het veld. Als wij zouden vechten, zou de wereld beven. En wie weet wie van ons dan zijn hoofd zou behouden.’

Marko, die deze woorden maar al te graag wilde horen, geeft zijn paard de sporen en rijdt het veld in. En zo, zegt men, ontmoetten Prins Marko en Ljutica Bogdan elkaar die dag.

De onverwachte en enigszins anticlimactische beslissing van de twee helden om hun duel niet te laten doorgaan, moet niet worden gezien als lafheid die zich verschuilt achter het masker van een onverschrokken krijger. Integendeel: het lijkt eerder een kort moment van inzicht in de zinloosheid van hun streven naar heldhaftige eer. Hun onderliggende gedachte zou ongeveer zo kunnen luiden: ‘Waarom zouden we in hemelsnaam ons leven riskeren door deze stomme rol van helden te spelen, van wie verwacht wordt dat ze vechten zodra ze elkaar tegenkomen? Kunnen we er niet gewoon even uitstappen, ons terugtrekken en van een beetje rust genieten?’ Zulke eenvoudige gebaren zijn oneindig waardevoller dan grote dromen over eeuwige vrede die uiteindelijk alleen maar tot totale oorlog leiden.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

De tweede oliecrisis is een feit

Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 17 maart 2026

Fotografie: Al-Monitor

door Amir Handjani

Amir Handjani is advocaat op het gebied van energierecht en bestuurslid van het Quincy Institute for Responsible Statecraft.

Epic Fury is veel erger dan 1973

Veel mensen van een bepaalde leeftijd denken aan 1973 wanneer zij op zoek zijn naar een historische parallel met de wereldwijde energiecrisis die voortvloeit uit de Derde Golfoorlog – het conflict dat de Amerikaanse president Donald Trump samen met Israël tegen Iran is begonnen. Hoewel de vergelijking met de oliecrisis van 1973 vaak te snel en zonder veel nuance wordt gemaakt, is zij in grote lijnen wel terecht. De Verenigde Staten en de rest van de wereld lijken opnieuw af te stevenen op een energiecrisis die even ingrijpend en historisch bepalend kan worden als de crisis die de jaren zeventig kenmerkte.

Er zijn inderdaad tal van aanwijzingen dat een tweede oliecrisis al is begonnen.

Op 17 oktober 1973 kondigden de Arabische leden van de OPEC een maandelijkse verlaging van de olieproductie met vijf procent aan. Dat deden zij nadat Verenigde Staten tijdens de Jom Kipoeroorlog wapens naar Israël hadden gevlogen. Kort daarna volgde een volledig olie-embargo tegen de Verenigde Staten en Nederland. Nederland had destijds een van de meest pro-Israëlische regeringen van Europa en werd bovendien gebruikt als uitvalsbasis voor Amerikaanse steun aan Israël.

De prijs van ruwe olie steeg in enkele weken tijd van drie dollar naar elf dollar per vat. In de Verenigde Staten gingen de benzineprijzen in november met veertig procent omhoog. Bij tankstations ontstonden lange rijen en de westerse wereld raakte in een diepe crisis. De Amerikaanse economie belandde in een periode van stagflatie – een combinatie van economische stagnatie en hoge inflatie – en bleef daar de rest van het decennium in vastzitten. Aan het einde van de jaren zeventig hield de toenmalige president Jimmy Carter een toespraak waarin hij sprak over een nationale ‘malaise’ en een ‘vertrouwenscrisis.’ Hij riep zijn landgenoten zelfs op om truien te dragen in plaats van extra brandstof te gebruiken om hun huizen te verwarmen.

Het embargo duurde vijf maanden, maar de gevolgen bleven bijna een decennium voelbaar. Japan, dat vrijwel al zijn olie moest importeren, herstructureerde zijn hele industriële basis. Het land richtte zich sterker op elektronica en brandstofefficiëntie, een omslag die de Japanse economie veel innovatiever maakte – iets waar de rest van de wereld de daaropvolgende twintig jaar met afgunst naar keek. De crisis leidde ook tot de oprichting van het International Energy Agency (IEA) en tot de eerste serieuze afspraken over strategische oliereserves, die vandaag de dag nog steeds bestaan. Nadat de wereldeconomie zo zwaar was getroffen, wilden landen beter samenwerken en hun beleid coördineren om voorbereid te zijn op een eventueel volgend olie-embargo.

Maar er is één belangrijk verschil tussen toen en nu. In 1973 ontstond de verstoring doordat olieproducerende landen bewust besloten de productie te verlagen. In theorie had de aanvoer dus weer snel kunnen herstellen zodra de politieke situatie veranderde.

Wat we nu meemaken, als gevolg van Trumps oorlog tegen Iran, is veel ingewikkelder. Het gaat om gesloten knelpunten in de scheepvaart, beschadigde infrastructuur, ontregelde verzekeringsmarkten en olievelden die – tijdelijk – worden stilgelegd. Bovendien is de schaal van de ontwrichting veel groter. Door de Straat van Hormuz gaan ongeveer twintig miljoen vaten olie per dag, ongeveer twintig procent van het wereldwijde verbruik en bijna een derde van alle olie die over zee wordt vervoerd. Het olie-embargo van 1973, hoe schadelijk dat ook was, kwam niet in de buurt van deze omvang. Het gaat hier om een ontwrichting van de olieaanvoer die is veroorzaakt door Iran als reactie op de aanval op Teheran door twee kernmachten. De gevolgen daarvan zullen niet snel onder controle zijn, laat staan eenvoudig ongedaan kunnen worden gemaakt.

De Straat van Hormuz is op het smalste punt 21 zeemijl breed. Daardoor is er ruimte voor twee scheepvaartroutes van elk ongeveer twee mijl breed, één voor elke richting van het verkeer. Onder normale omstandigheden passeren er dagelijks ongeveer honderd schepen door de Straat. Daarvan bestaat zestig tot zeventig procent uit olietankers of schepen die vloeibaar aardgas (LNG) vervoeren. Wat de export betreft neemt Saoedi-Arabië ongeveer 38 procent van de ruwe olie voor zijn rekening, Irak 22 procent en de Verenigde Arabische Emiraten 13 procent. Samen zijn de vijf grootste exporteurs goed voor 93 procent van alle ruwe olie die via deze doorgang wordt vervoerd.

Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten hebben pijpleidingen aangelegd om olie buiten de Straat van Hormuz om te kunnen vervoeren in noodsituaties. Samen kunnen deze leidingen ongeveer 2,6 miljoen vaten per dag transporteren, wat neerkomt op ongeveer een derde van de export uit de Golfregio. Irak en Koeweit beschikken echter niet over zo’n alternatieve route. Ook Qatar – dat ongeveer een vijfde van de wereldwijde export van LNG levert – heeft geen andere manier om zijn energie naar de wereldmarkt te brengen. Daarom gaat het hier om een structureel probleem dat niet eenvoudig kan worden opgelost door alleen de transportcapaciteit te vergroten.

Sinds 28 februari is de commerciële scheepvaart door de Straat van Hormuz vrijwel tot stilstand gekomen. In de eerste dagen daalde het tankerverkeer met ongeveer zeventig procent, waarna het bijna volledig wegviel. De sterk gestegen verzekeringspremies maakten het economisch onhaalbaar om nog door de Straat te varen. De meeste schepen die nog wel varen, behoren tot de zogenoemde ‘dark fleet’ van Iran – schepen die vaak buiten reguliere registraties en toezicht opereren. De Verenigde Staten hebben zich tot nu toe terughoudend opgesteld om deze schepen aan te vallen, uit vrees voor mogelijke vergeldingsacties van Iran tegen de energie-infrastructuur in de Golfregio. De P&I-verzekering voor oorlogsrisico’s (Protection and Indemnity) werd op 5 maart opgeschort. De regering van president Trump stelde nog voor om een vorm van staatsgarantie voor tankerverzekeringen in te voeren. Maar minister van Financiën Scott Bessent trok dat idee al snel weer in. Zo’n regeling zou betekenen dat de Amerikaanse belastingbetaler moet opdraaien voor beschadigde ladingen, terwijl de Amerikaanse marine duidelijk heeft gemaakt dat zij voorlopig niet in staat is om beschermende escortes voor tankers te leveren.

Kortom, zonder verzekering varen er geen schepen.

De productie van de drie belangrijkste zuidelijke olievelden van Irak is met ongeveer zeventig procent gedaald: van 4,3 miljoen naar circa 1,3 miljoen vaten per dag. De opslagcapaciteit op het land raakt inmiddels vol, omdat er geen mogelijkheid is om de ruwe olie af te voeren. Daardoor moeten olievelden worden stilgelegd. Zulke velden kunnen echter niet zomaar weer worden opgestart zodra er bijvoorbeeld een staakt-het-vuren komt. Factoren zoals de druk in het reservoir, de staat van de infrastructuur en beschadigde exportterminals spelen daarbij een rol. Al deze problemen hebben uiteindelijk gevolgen voor de wereldeconomie.

Het herstel zal in het beste geval weken duren, en in meer realistische scenario’s maanden. Toch gaat de markt er nog steeds van uit dat de productie relatief snel weer op gang kan komen. Die aanname heeft echter weinig basis in de werkelijkheid van het Midden-Oosten.

Brent crude oil, een belangrijke internationale oliebenchmark, wordt momenteel verhandeld voor ruim 106 dollar per vat. Dat is het getal dat de meeste aandacht trekt. Maar belangrijker is wat deze prijsstijging allemaal in gang zet en welke gevolgen zij heeft voor de wereldeconomie.

Vloeibaar petroleumgas en nafta – een vloeibare koolwaterstof die in de petrochemische industrie wordt gebruikt – worden in enorme hoeveelheden door de Perzische Golf vervoerd. Toch staan maar weinig mensen buiten de energiesector daarbij stil. Nafta is een belangrijke grondstof voor petrochemische fabrieken, die vooral geconcentreerd zijn in Noordoost-Azië. In deze fabrieken worden onder meer kunststoffen, meststoffen, verpakkingsmaterialen en landbouwchemicaliën geproduceerd – producten die essentieel zijn voor de voedselproductie. Wanneer de aanvoer van nafta wordt verstoord, merk je dat niet aan de benzinepomp. De gevolgen worden meestal pas zes tot twaalf weken later zichtbaar, bijvoorbeeld in de prijs van een zak meel, een fles bakolie of een doos ontbijtgranen.

We zagen dit al in slow motion gebeuren nadat Rusland in 2022 Oekraïne binnenviel. Russische en Oekraïense tarwe, maïs, zonnebloemolie en meststoffen werden weliswaar nooit officieel gesanctioneerd, maar de ontwrichting van de handelsfinanciering, van de scheepsverzekeringen en van de havenlogistiek was al genoeg om de voedselprijzen sterk te laten stijgen. Dat leidde tot een soort grondstoffen-‘supercyclus,’ die landen als Egypte, Libanon, Pakistan en Bangladesh bijzonder hard trof. Hun regeringen stonden al onder druk door de hoge uitgaven tijdens de coronapandemie en hadden nauwelijks financiële ruimte om deze nieuwe schok op te vangen. De Derde Golfoorlog dreigt een vergelijkbare ontwikkeling te veroorzaken, zij het op een veel grotere schaal.

Daarnaast is er nog het probleem van LNG. Qatar heeft force majeure afgekondigd voor zijn LNG-export, waardoor het tijdelijk niet meer gebonden is aan zijn leveringsverplichtingen. Dat gebeurde nadat droneaanvallen de exportinfrastructuur hadden beschadigd. Qatar levert ongeveer een vijfde van de wereldwijde LNG-voorziening. Volgens het IEA zou een volledige sluiting van de Straat van Hormuz ruim driehonderd miljoen kubieke meter gas per dag uit de wereldmarkt halen. Dat is ongeveer twee keer zoveel als de capaciteit van de Nord Stream-pijpleiding op zijn hoogtepunt. Er is nergens ter wereld voldoende extra liquefactiecapaciteit om dit verlies op te vangen. Australië, de Verenigde Staten en producenten in West-Afrika draaien al vrijwel op maximale capaciteit. Daardoor zullen Azië en Europa uiteindelijk met elkaar moeten concurreren om dezelfde LNG-ladingen. Dat drijft de prijzen op, en uiteindelijk betaalt de gewone consument daarvoor de rekening.

Als er binnen dertig tot zestig dagen een staakt-het-vuren komt en de scheepvaart daarna langzaam weer op gang komt, zal de prijs van Brent-olie waarschijnlijk tussen de 110 en 130 dollar per vat blijven. In dat geval zou het wereldwijde bbp minstens een half procentpunt lager uitvallen. Dat is echter het optimistische scenario. Het veronderstelt dat de politieke situatie snel stabiliseert in een regio waar gebeurtenissen juist vaak onverwacht escaleren.

Na negentig dagen wordt de vooruitzichten aanzienlijk somberder. Dan kunnen gesloten olievelden, beschadigde haveninfrastructuur, een ontregelde verzekeringsmarkt en beperkte opslagcapaciteit het herstel ernstig vertragen. In sommige gevallen kunnen deze factoren zelfs blijvende veranderingen veroorzaken in de productie van bepaalde olievelden. Een militaire woordvoerder van Iran heeft al publiekelijk gewaarschuwd dat de olieprijs dan kan oplopen tot tweehonderd dollar per vat. Analisten van Rystad Energy schatten dat de prijs van Brent crude oil in juni ongeveer 135 dollar per vat kan bereiken als de oorlog vier maanden aanhoudt. De financiële markten houden daar voorlopig nog geen rekening mee. Maar in februari 2020 hadden zij ook niet voorzien dat er een wereldwijde pandemie op komst was.

Het IEA, dat werd opgericht na de oliecrisis van 1973, heeft nu de grootste vrijgave van noodvoorraden in zijn vijftigjarige geschiedenis gecoördineerd. In totaal gaat het om vierhonderd miljoen vaten olie, verspreid over meer dan dertig landen. De Verenigde Staten leveren daarvan 172 miljoen vaten uit hun Strategic Petroleum Reserve. Het is een uitzonderlijke ingreep. Maar zoals analisten van Bernstein Research opmerken, compenseert deze hoeveelheid slechts ongeveer vijftien procent van de dagelijkse aanvoer die verloren is gegaan door de sluiting van de Straat van Hormuz. Bovendien duurt het zestig tot negentig dagen voordat deze olie daadwerkelijk op de markt komt. De maatregel koopt dus tijd, maar lost de onderliggende problemen niet fundamenteel op.

De Verenigde Staten zijn niet immuun voor zulke prijsstijgingen. De regering van president Trump heeft hard geprobeerd de inflatie onder controle te krijgen, maar die taak wordt een stuk moeilijker als de olieprijs langere tijd boven de honderd dollar per vat blijft. Woordvoerders van Trump wijzen vaak op de hoge binnenlandse olie- en gasproductie. Daarbij gaan ze echter voorbij aan het feit dat olie en gas wereldwijde, uitwisselbare grondstoffen zijn. Een verstoring van de aanvoer, zelfs duizenden kilometers verderop, kan de prijzen overal ter wereld opdrijven, tenzij Washington bereid zou zijn een exportverbod in te voeren.

Elders in de wereld is het beeld nog somberder. Als afnemers zijn China, India, Japan en Zuid-Korea samen goed voor ongeveer 75 procent van de ruwe olie die via de Perzische Golf wordt vervoerd. Alleen al China haalt meer dan de helft van zijn dagelijkse importbehoefte van ongeveer elf miljoen vaten olie uit het Midden-Oosten. Voor deze landen vormt de energieaanvoer uit de Golfregio letterlijk een levensader voor hun economische ontwikkeling.

En net als in 1973 zullen niet de mensen met de financiële hedges en de trading desks het zwaarst worden getroffen. De grootste klappen vallen bij gewone mensen. Zij staan bijvoorbeeld in Caïro in de rij om bakolie te kopen, of zien in Karachi hoe de prijs van meel onbetaalbaar wordt. Ook in de Verenigde Staten zullen veel laagbetaalde arbeiders, onder wie veel kiezers van president Trump, de gevolgen voelen wanneer zij hun auto moeten voltanken om naar hun werk te kunnen gaan. Een halve eeuw na de eerste oliecrisis kan een smalle zeestraat nog steeds voldoende zijn om de wereldeconomie ernstig te ontwrichten.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

Extreemrechts blijft salonfähig in Nederland

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 27 oktober 2025

fotografie: Volkskrant

door Cas Mudde

Cas Mudde is hoogleraar internationale zaken aan de Universiteit van Georgia, auteur van The Far Right Today (2019), en gastheer van de podcast Radikaal. Hij is columnist bij de Guardian in de VS.

De media, die in de ban zijn van Wilders’ partij, zorgen ervoor dat zijn agenda stevig verankerd blijft in de Nederlandse politiek en de verkiezingen van woensdag zal overheersen

Woensdag 29 oktober trekken de Nederlanders opnieuw naar de stembus. Het zijn de negende verkiezingen voor de Tweede Kamer in deze nog jonge eeuw. In sommige opzichten is Nederland het Italië van de 21e eeuw geworden: een land dat wordt geteisterd door politieke versnippering, instabiele regeringen en een toenemende radicalisering, die steeds vaker ook met geweld gepaard gaat.

Deze verkiezingen zijn een direct gevolg van die versnippering en instabiliteit. De extreemrechtse Partij voor de Vrijheid (PVV) van Geert Wilders domineerde de vorige regeringscoalitie, maar trok in juli – na nog geen jaar – zelf de stekker eruit. De verschillende lessen die de Nederlandse media, politieke partijen en kiezers uit deze onrustige periode hebben getrokken, zijn ook buiten Nederland relevant. Vrijwel alle Europese landen staan immers voor dezelfde uitdaging: hoe om te gaan met het groeiende electorale, ideologische en politieke succes van extreemrechts?

Net als iedereen waren ook de Nederlandse media verrast toen Wilders ‘zijn regering’ liet vallen, en ze hebben sindsdien geprobeerd die gebeurtenis te duiden. In tegenstelling tot 2002 – toen een nog chaotischere coalitie al na twaalf weken uiteenviel – is er nu nauwelijks debat over de vraag of extreemrechts überhaupt een rol zou moeten spelen in de Nederlandse politiek. Het lijkt bijna alsof het onvoorstelbaar is geworden om je een toekomst voor Nederland zonder extreemrechts voor te stellen.

Dat is niet verrassend, want de meeste Nederlandse media blijven – grotendeels vrijwillig – in de ban van extreemrechts. Hoewel Geert Wilders zelf zelden in de media verschijnt of interviews geeft, is hij toch de meest besproken politicus op de Nederlandse televisie. In zijn afwezigheid hebben de media bovendien Joost Eerdmans, leider van de radicaal-rechtse partij JA21, buitensporig veel aandacht gegeven. Ook de tactische leiderschapswissel bij het extreemrechtse Forum voor Democratie (FVD) – waar Lidewij de Vos het stokje heeft overgenomen van Thierry Baudet – heeft precies bereikt wat de partij beoogde: opnieuw volop media-aandacht en een plek in de politieke spotlichten.

De Nederlandse politieke partijen hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de normalisering en rationalisering van extreemrechts. Sommige rechtse partijen hebben weliswaar uitgesloten dat ze in de toekomst nog met Wilders en de PVV willen samenwerken, maar dat doen ze niet vanwege zijn anticonstitutionele opvattingen – alleen vanwege zijn zogenaamd ‘onvolwassen’ en ‘onverantwoordelijke gedrag. Ondertussen blijven diezelfde rechtse partijen in het parlement extreemrechtse beleidsvoorstellen steunen, ook nadat Wilders de coalitie had verlaten. Daaronder vallen onder meer het ‘strengste asielbeleid ooit,’ een verder aangescherpt boerkaverbod, en zelfs een ‘antifa-verbod’ – een voorstel dat afkomstig was van het Forum voor Democratie (FVD). Opmerkelijk genoeg is FVD de enige extreemrechtse partij die formeel door een cordon sanitaire – een politieke vuurmuur – van de macht zou moeten worden geweerd, al geldt dat voorlopig alleen op nationaal niveau.

Zelfs zogenaamd ‘centristische’ politici dragen bij aan de normalisering van extreemrechts. Rob Jetten heeft zijn sociaal-liberale partij D66 naar rechts opgeschoven op het gebied van cultuur en immigratie, waarbij hij een vorm van communautair patriottisme omarmt. Bovendien sluit hij niet uit om samen te regeren met de radicaal-rechtse partij JA21 of de geradicaliseerde boerenpartij BBB. Ook Frans Timmermans, leider van het centrumlinkse GroenLinks/PvdA (GL/PvdA), heeft het immigratiestandpunt van zijn partij aangescherpt, gesproken over een ‘vluchtelingenprobleem,’ en deelgenomen aan het favoriete tv-programma van extreemrechts, Vandaag Inside – ironisch genoeg tot ergernis van veel vaste kijkers van datzelfde programma.

Maar zoals zo vaak lijken de kiezers uiteindelijk toch de voorkeur te geven aan het origineel boven de steeds talrijkere extreemrechtse imitaties. Hoewel de PVV van Geert Wilders iets aan steun heeft ingeboet – zo’n 4 procent minder dan bij de vorige verkiezingen – blijft de partij waarschijnlijk wel de populairste van het land.

De meeste verschuivingen in het electoraat komen voort uit de implosie van twee nieuwere partijen: de BBB en Nieuw Sociaal Contract (NSC) van Pieter Omtzigt. Beide maakten deel uit van de vertrekkende coalitie, maar worden nu respectievelijk ingeschat op nog slechts 2,5 en 0 procent van de stemmen. Hun voormalige kiezers lijken grotendeels te zijn overgestapt – of teruggekeerd – naar het Christen-Democratisch Appèl (CDA), dat naar verwachting de grote winnaar van deze verkiezingen zal worden. De conservatieve VVD, de partij van oud-premier Mark Rutte die de Nederlandse politiek het grootste deel van deze eeuw heeft gedomineerd, verliest naar verwachting ongeveer een derde van haar toch al gekrompen achterban van 2023, vooral ten gunste van de radicaal-rechtse partij JA21.

Links blijft marginaal en stagneert, ondanks de recente fusie van GroenLinks en de PvdA tot GL/PvdA. De linkerzijde slaagt er niet in om de dominantie van extreemrechts in de media – vooral in de populaire talkshows – te doorbreken.

Interessant is dat peilingen laten zien dat de grootste verschuivingen plaatsvinden binnen de drie electorale blokken – extreemrechts, centrumrechts en links. Elk blok behoudt ongeveer dezelfde totale steun: respectievelijk 35, 40 en 25 procent. Binnen het extreemrechtse kamp lijkt JA21 echter uit te groeien tot de tweede partij, direct na de PVV, terwijl binnen het centrumrechtse blok het CDA – en mogelijk ook D66 – de VVD voorbijstreeft.

Natuurlijk kunnen opiniepeilingen ernaast zitten – en in Nederland gebeurt dat steeds vaker, omdat steeds meer kiezers pas op de verkiezingsdag zelf hun keuze maken. Toch lijkt één ding zeker: het vormen van een nieuwe coalitie zal moeilijk en langdurig worden, zelfs naar Nederlandse maatstaven.

Bijna alle partijen hebben samenwerking met Geert Wilders uitgesloten, maar sommige – zoals de VVD – hebben óók aangegeven geen deals te willen sluiten met centrumlinks. Zelfs als GL/PvdA de grootste ‘democratische’ partij wordt, zou Frans Timmermans dus nog steeds een koerswijziging van de VVD nodig hebben om premier te kunnen worden aan het hoofd van een brede centrumcoalitie. Een alternatief is dat de christendemocratische leider Henri Bontebal een centrumrechtse regering gaat leiden. Dat zou waarschijnlijk tot minder persoonlijke spanningen leiden, maar zo’n kabinet zou nog steeds kwetsbaar zijn voor instabiliteit.

Wat de uiteindelijke uitslag ook wordt, één ding is nu al helder: ondanks het duidelijke falen van extreemrechts in het regeren van Nederland, blijft het een magnetische aantrekkingskracht uitoefenen. De partijpolitiek is nog altijd sterk versnipperd, maar wordt wel gedomineerd door de normalisering van extreemrechtse ideeën en politici. Liberaal-democratische partijen steken bovendien meer energie in het bestrijden van elkaar dan in het tegengaan van de invloed van extreemrechts. Voor zover er nog sprake is van een cordon sanitaire, geldt dat niet voor alle extreemrechtse partijen – zo blijft JA21 buiten schot – en richt de afwijzing zich eerder op het gedrag dan op de ideologie. Deze ontwikkelingen zien we niet alleen in Nederland, maar ook in het Europees Parlement en in veel andere Europese landen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

China’s strategie met zeldzame aardmetalen zal averechts werken

Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 13 oktober 2025

fotografie: UnHerd

door Miquel Vila

Miquel Vila is politiek adviseur met een specialisatie in internationale betrekkingen. Daarnaast is hij uitvoerend directeur van het Catalonia Global Institute.

Eind vorige week verhevigde Beijing de economische confrontatie tussen de Verenigde Staten en China door de exportbeperkingen, niet alleen op zeldzame aardmetalen, maar ook op de raffinagetechnologie die nodig is om deze bruikbaar te maken, verder aan te scherpen. Binnen enkele uren veroordeelde president Donald Trump deze stap als een vorm van ‘economische agressie.’ Hij kondigde invoerrechten van honderd procent aan op een breed scala aan Chinese goederen en waarschuwde voor nog zwaardere vergeldingsmaatregelen als Beijing niet op zijn schreden zou terugkeren.

Hoewel beide partijen inmiddels lijken terug te krabbelen, heeft de Chinese Communistische Partij mogelijk een vergissing begaan door zo hoog in te zetten. Net zoals de Amerikaanse beperkingen op de export van computerchips China ertoe hebben aangezet om sneller zelfvoorzienend te worden in de halfgeleiderindustrie, kan deze Chinese maatregel er nu juist toe leiden dat Washington zijn eigen onafhankelijkheid op het gebied van mineralen versnelt.

Zelfs als in de gesprekken vooruitgang wordt geboekt, is het onwaarschijnlijk dat de onderliggende spanningen verdwijnen. In tegenstelling tot wat Trump beweert, kwam de escalatie door Peking niet uit de lucht vallen – het was een vergeldingsmaatregel. Eerder vorige week had het Amerikaanse ministerie van Handel namelijk stilletjes de exportbeperkingen voor computerchips uitgebreid op basis van de zogenaamde ‘50%-regel.’ Die bepaling legt automatisch beperkingen op aan elk bedrijf dat voor vijftig procent of meer eigendom is van een Chinese organisatie die op de zwarte lijst staat.

In de praktijk zorgde deze maatregel ervoor dat honderden Chinese dochterondernemingen direct onder de Amerikaanse exportcontrole kwamen te vallen. Daarnaast verhoogde Washington de havengelden voor Chinese scheepvaartmaatschappijen met banden met de staat. Officieel werden deze stappen gepresenteerd als ‘verduidelijkingen van de regelgeving,’ maar Peking zag ze als een schending van het informele diplomatieke bestand dat in juni in Madrid was gesloten – een afspraak waarbij beide partijen hadden beloofd geen verdere escalatie te veroorzaken zolang de gesprekken nog liepen. Deze keer reageerde China niet met nieuwe invoerheffingen, maar door toe te slaan op een strategisch knelpunt.

China heeft controle over ongeveer 87 procent van de wereldwijde capaciteit voor het raffineren van zeldzame aardmetalen. Deze mineralen, en de permanente magneten die ermee worden gemaakt, zijn onmisbaar voor onder meer F-35-straaljagers, Tomahawk-raketten, satellieten, kwantumcomputers, datacenters, elektrische auto’s, windturbines en vrijwel alle vormen van geavanceerde industriële technologie.

Maar juist op dit punt heeft Peking mogelijk een strategische fout gemaakt. Zeldzame aardmetalen zijn namelijk niet echt zeldzaam: ze komen in grote hoeveelheden voor in landen als de Verenigde Staten, Australië, Brazilië, Vietnam en zelfs in de Kiruna-afzetting in Zweden. Wat China echter domineert, is de verwerking van deze grondstoffen. Die machtspositie wist het land sinds de jaren negentig op te bouwen dankzij een door de staat gesteund beleid dat milieuschade negeerde en concurrenten uit de markt drukte door extreem lage prijzen te hanteren.

Door zijn dominantie in zeldzame aardmetalen in te zetten als geopolitiek wapen, heeft China de Verenigde Staten nu juist de politieke en economische motieven gegeven om te doen wat ze al jaren geleden hadden moeten doen: de binnenlandse capaciteit voor raffinage en de productie van magneten uit zeldzame aardmetalen heropbouwen.

De reactie zal niet meteen zichtbaar zijn, maar het proces is al in gang gezet. Het Pentagon heeft via de Defense Production Act steun verleend aan MP Materials om de raffinage van zware zeldzame aardmetalen in Californië en de productie van permanente magneten in Texas opnieuw op te starten.

Tegelijkertijd bouwt het Australische bedrijf Lynas momenteel een door de VS gefinancierde raffinaderij in Texas, terwijl de Verenigde Staten, Japan en Zuid-Korea plannen ontwikkelen voor de gezamenlijke productie van magneten om hun afhankelijkheid van China te verkleinen.

In het verleden ging China ervan uit dat westerse regeringen te traag en ineffectief zouden zijn om een serieuze industriële tegenreactie op te zetten. Dat was destijds een logische inschatting, maar niet langer. Het is zelfs goed mogelijk dat Peking heeft onderschat hoe snel westerse bedrijven op eigen initiatief in actie zullen komen. Amerikaanse fabrikanten die afhankelijk zijn van zeldzame aardmetalen zijn nu al stilletjes bezig alternatieve toeleveringsketens op te bouwen en zelf nieuwe raffinagecapaciteit te financieren.

De dreiging van China om de export van zeldzame aardmetalen aan banden te leggen, is een duidelijke waarschuwing aan westerse bedrijven die afhankelijk zijn van toeleveringsketens die met China verbonden zijn. Zij kunnen niet uitsluitend vertrouwen op een eventuele overeenkomst tussen Beijing en Washington. Zelfs als zo’n akkoord tot stand zou komen, neemt dat het risico op toekomstige geopolitieke schokken niet weg.

Met de exportbeperkingen op zeldzame aardmetalen wilde China zijn machtspositie versterken en Trump onder druk zetten om toe te geven. Maar het tegenovergestelde lijkt te zijn gebeurd: de Verenigde Staten zijn de onafhankelijkheid van hun toeleveringsketens juist gaan zien als een nationale prioriteit.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

Stephen Miller is de gevaarlijkste man binnen de regering-Trump

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 10 oktober 2025

fotografie: The Intercept

door Judith Levine


Judith Levine is een journaliste en essayiste uit Brooklyn en de auteur van vijf boeken. Ze schrijft op Substack de nieuwsbrief Today in Fascism.

Aan de hand van de plaatsvervangend stafchef van het Witte Huis wordt duidelijk dat MAGA niet zomaar zal verdwijnen zodra Trump is vertrokken. We moeten Miller nauwlettend in de gaten houden

In een interview afgelopen maandag vroeg Boris Sanchez van CNN aan Stephen Miller, de plaatsvervangend stafchef van het Witte Huis, of Donald Trump van plan was zich te houden aan het bevel van de federale rechter Karin Immergut, die had bepaald dat de inzet van de Nationale Garde in Oregon moest worden stopgezet.

Miller gaf geen duidelijk antwoord, maar de ondertoon was duidelijk: nee. De regering had inmiddels al beroep aangetekend bij het Hof van Beroep voor het Negende Circuit. Hij zei: ‘Ik wil erop wijzen dat de regering enkele maanden geleden een identieke zaak heeft gewonnen bij het Negende Circuit, over de federalisering van de Nationale Garde van Californië.’ In werkelijkheid klopt dat niet helemaal. Voor zover ik het begrijp heeft de regering slechts tijdelijk uitstel gekregen van een tijdelijk verbod op de federalisering van de Nationale Garde van Californië in Los Angeles.

Miller vervolgde: ‘Volgens Titel 10 van de Amerikaanse wetgeving heeft de president volledige bevoegdheid, hij heeft…’

Toen viel hij plotseling stil. De man wiens gezicht eruit ziet alsof het bedekt is met een pantykous, liet even een glimp van emotie zien – misschien spijt, misschien schaamte. Of misschien wel het besef: oh shit, ik heb net mijn mond voorbij gepraat.

Miller knipperde een paar keer met zijn ogen. Sanchez riep zijn naam en vroeg of hij hem kon horen, maar Miller reageerde niet. Vervolgens verontschuldigde Sanchez zich voor technische problemen en schakelde hij over naar een reclameblok. Toen het interview later werd hervat, waren de woorden ‘volledige bevoegdheid’ niet meer te horen. In de online versie van het fragment op de CNN-website was dat deel van het gesprek verwijderd, maar het werd desondanks breed gedeeld en bekeken.

Plenary authority, ofwel volledige bevoegdheid, betekent absolute, onbeperkte en ongecontroleerde macht – de macht van een koning. De macht van Caesar, van Hitler, van Stalin.

Title 10 van de US Code, die de organisatie en regelgeving van het leger beschrijft, verwijst slechts zelden naar de president, en dan vooral in de context van het benoemen van ministers en het indienen van een begroting bij het Congres. Nergens in deze wet is sprake van iets dat ook maar in de buurt komt van absolute presidentiële macht.

De Amerikaanse Grondwet kent de president slechts één ongecontroleerde bevoegdheid toe: het recht om gratie te verlenen. Zelfs de Insurrection Act – die een president toestaat de staat van beleg uit te roepen en bepaalde wetten of gerechtelijke bevelen te negeren – wordt ingeperkt door de Posse Comitatus Act, die het gebruik van het leger voor binnenlandse wetshandhaving verbiedt. Althans, dat is wat sommige commentatoren, die optimistischer zijn dan ik, ons willen doen geloven.

Kortom, de uitvoerende macht moet worden gecontroleerd en in evenwicht gehouden door de twee andere takken van de overheid. Dat deze twee takken op dit moment geen behoefte lijken te hebben om die controle uit te oefenen, betekent nog niet dat de president daardoor absolute macht heeft.

De zorgvuldige, juridisch klinkende manier waarop Miller de Amerikaanse wet verdraaide, gaat hand in hand met zijn vage, allesomvattende apocalyptische retoriek, waarmee hij MAGA aanzet tot oorlog tegen de vermeende vijand in eigen land.

‘Wij zijn de storm,’ zei hij tijdens de begrafenis van Charlie Kirk, in een toespraak die door sommigen is vergeleken met een rede van de nazi-propagandaminister Joseph Goebbels tijdens een verkiezingsbijeenkomst in 1932. ‘Onze vijanden kunnen onze kracht, onze vastberadenheid, onze passie niet bevatten. Onze afkomst en onze erfenis gaan terug op Athene, Rome, Philadelphia en Monticello. Onze voorouders bouwden de steden, zij creëerden de kunst en de architectuur, zij bouwden de industrie,’ vervolgde hij. ‘Wij staan voor wat goed is, wat deugdzaam is en wat nobel is.’

En wie zijn dan ‘onze vijanden’? Volgens hem zijn het tegelijk machtige krachten — ‘de krachten van duisternis en kwaad’ – en nietige wezens. Hij richtte zich rechtstreeks tot ‘jullie,’ de vermeende vijanden, en riep: ‘Jullie zijn niets. Jullie hebben niets. Jullie zijn slechtheid, jullie zijn jaloezie, jullie zijn afgunst, jullie zijn haat. Jullie zijn niets! Jullie kunnen niets bouwen, niets produceren, niets creëren.’

‘Jullie hebben geen idee welke draak jullie hebben gewekt. Jullie hebben geen idee hoe vastberaden we zullen zijn om deze beschaving te redden, om het Westen te redden, om deze republiek te redden.’

Miller sprak over de toekomstige generaties – ‘onze kinderen’ – en over de nietigheid waartoe ‘jullie’ uiteindelijk zullen vervallen. Of beter gezegd: waartoe jullie zullen worden gebracht.

Naarmate Trump steeds onsamenhangender en emotioneel labieler wordt, neemt Millers invloed alleen maar toe. Hij fungeert als het brein van de president, zijn bron van discipline. Waar Trump geen duidelijke overtuigingen heeft, is Miller een vastberaden ideoloog van witte, westerse suprematie, en een strateeg die gelooft in definitieve oplossingen. Trump is eenvoudig te bespotten, maar Miller is de grimmigste van alle doodgravers.

Timothy Snyder, historicus en auteur van het invloedrijke boek On Tyranny, plaatste een video op zijn Substack waarin hij Miller vergelijkt met Stalin. Hij wees erop dat Stalin aan de macht kwam toen Lenins gezondheid begon te verslechteren. Lenin leidde de Sovjet-Unie van 1917 tot 1924, maar was vanaf 1922 door meerdere beroertes grotendeels arbeidsongeschikt. Stalins moorddadige bewind duurde vervolgens tot 1953.

In Stephen Miller zien we dat MAGA niet zomaar zal verdwijnen als Trump verdwijnt. We zullen Miller nauwlettend moeten volgen en alles wat hij doet en zegt kritisch blijven bevragen. Want – hoe moeilijk dat misschien ook is om te beseffen – als de Verenigde Staten ooit Miller als dictator krijgen, dan staan we voor nog grotere problemen dan onder Trump. En die zouden ook weleens veel langer kunnen aanhouden.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Hoe China zeldzame aardmetalen inzet als strategisch wapen

Oorspronkelijke tekst (Engels): Deutsche Welle, 10 oktober 2025

fotografie: x.com

door Nik Martin


Nik Martin maakt deel uit van het team van bedrijfsjournalisten van Deutsche Welle in Bonn.

China’s greep op zeldzame aardmetalen – essentieel voor smartphones, elektrische auto’s en militaire technologie – heeft de Verenigde Staten, Europa en India in een kwetsbare positie gebracht. Zolang het wereldwijde aanbod beperkt blijft, behoudt China een sterke machtspositie in cruciale technologische sectoren

China’s greep op zeldzame aardmetalen – mineralen die essentieel zijn voor elektronische apparaten, de auto-industrie en defensiesystemen – geeft het land een sterke machtspositie ten opzichte van de Verenigde Staten tijdens de lopende handelsbesprekingen.

Met controle over ongeveer zestig procent van de wereldwijde productie van zeldzame aardmetalen en bijna negentig procent van de raffinage ervan, heeft China zijn machtspositie verder versterkt door exportbeperkingen in te voeren op deze metalen en op zogenoemde ‘permanente magneten.’

Een deel van deze beperkingen was een reactie op de torenhoge invoertarieven die de Amerikaanse president Donald Trump had opgelegd aan Chinese exportproducten. Later werden sommige van deze maatregelen versoepeld om de handelsbesprekingen met de Verenigde Staten te kunnen voortzetten.

Maar donderdag vorige week kondigde China ingrijpende nieuwe exportbeperkingen aan op zeldzame aardmetalen. De maatregelen breiden de beperkingen op verwerkingstechnologie uit en richten zich expliciet op de export naar buitenlandse defensie- en halfgeleiderbedrijven. Dit is Beijings eigen versie van de Amerikaanse Foreign Direct Product Rule, waarmee Washington de export van chips uit derde landen naar China aan banden heeft gelegd.

Deze maatregel, genomen enkele weken voor een persoonlijke ontmoeting tussen Trump en de Chinese president Xi Jinping, maakte de kwetsbaarheid van de Verenigde Staten nog duidelijker zichtbaar, aangezien het land geen eigen raffinagecapaciteit heeft.

‘De hele wereldeconomie is afhankelijk van deze magneten uit China,’ aldus Jost Wübbeke, managing partner bij het in Berlijn gevestigde onderzoeksbureau Sinolytics, dat gespecialiseerd is in de Chinese economie en het Chinese industriebeleid, tegen DW. ‘Als China stopt met de export ervan, zullen de gevolgen wereldwijd voelbaar zijn.’

Eerdere beperkingen hebben al geleid tot verstoringen in de toeleveringsketen, die de Amerikaanse industrie zwaar hebben getroffen. Zo maakte autofabrikant Ford in mei bekend door de tekorten gedwongen te zijn de productie van SUV’s in Chicago terug te schroeven. Ondertussen lieten auto-onderdelenfabrikanten Aptiv en BorgWarner weten dat ze werken aan motoren met weinig tot geen zeldzame aardmetalen om de leveringsproblemen te omzeilen.

Michael Dunne, een in China gespecialiseerde auto-industrieconsultant, zei in juni tegen The New York Times dat de Chinese beperkingen ‘de assemblagelijnen van Amerikaanse autofabrieken volledig tot stilstand zouden kunnen brengen.’

Uitputting van de Amerikaanse voorraden

Uit een enquête van de Amerikaanse Kamer van Koophandel in China, uitgevoerd in mei, bleek dat 75 procent van de Amerikaanse bedrijven verwachtte binnen enkele maanden door hun voorraden zeldzame aardmetalen heen te zijn. Amerikaanse producenten riepen Washington daarom op om te onderhandelen over een einde aan de beperkingen. Tijdens handelsbesprekingen in Londen in juni stemde China ermee in om de goedkeuring van exportvergunningen te versnellen, al bestaat er nog steeds een aanzienlijke achterstand. De nieuwe Chinese exportbeperkingen dreigen deze recente inspanningen echter volledig teniet te doen.

Het strategisch inzetten van zeldzame aardmetalen als geopolitiek drukmiddel door China is niets nieuws. In 2010 stopte Peking gedurende twee maanden de export naar Japan vanwege een territoriaal conflict, wat leidde tot forse prijsstijgingen en de kwetsbaarheid van de wereldwijde toeleveringsketen blootlegde.

Gabriel Wildau, algemeen directeur van het in New York gevestigde adviesbureau Teneo, waarschuwde dat het Chinese systeem van exportvergunningen een blijvend instrument is en niet slechts een tijdelijke reactie op de invoerheffingen van Trump. In een notitie voor zijn klanten in juni schreef hij dat ‘aanvoerbeperkingen een voortdurende bedreiging zullen blijven,’ waarmee hij duidelijk maakte dat China vastbesloten is zijn machtspositie ten opzichte van de Verenigde Staten te behouden.

Ook Europese industrie getroffen door de Chinese beperkingen

De Verenigde Staten zijn niet de enige economie die door het tekort aan zeldzame aardmetalen wordt getroffen. De Europese Unie is voor 98 procent afhankelijk van China voor deze grondstoffen, die essentieel zijn voor de productie van auto-onderdelen, straaljagers en medische beeldvormingsapparatuur.

De Europese Vereniging van Automobieltoeleveranciers waarschuwde in juni dat de sector ‘al aanzienlijke verstoringen ondervond’ door de Chinese exportbeperkingen. De organisatie voegde daaraan toe dat deze maatregelen hebben geleid tot ‘de sluiting van verschillende productielijnen en fabrieken in heel Europa, met verdere gevolgen in de komende weken naarmate de voorraden verder afnemen.’

Alberto Prina Cerai, onderzoeker bij het Italiaanse Instituut voor Internationale Politieke Studies (ISPI), zei tegen DW dat Brussel dringend ‘tijd moet zien te winnen.’

‘Qua schaal kunnen wij [het Westen] China niet bijbenen,’ waarschuwde hij. ‘Zij beschikken over een volledig geïntegreerde toeleveringsketen – van mijn tot magneet – die buitengewoon moeilijk te evenaren is.’ Toch noemde hij een volledige ontkoppeling van China op de korte termijn ‘ondenkbaar,’ en benadrukte hij dat de EU ‘deze afhankelijkheid in goede banen moet zien te leiden met een samenhangende industriële strategie.’

De Europese Commissie, het uitvoerend orgaan van de EU, wil tegen 2030 jaarlijks zevenduizend ton magneten binnen de EU produceren, als onderdeel van de Critical Raw Materials Act. Er lopen al verschillende projecten voor mijnbouw, raffinage en recycling. Dit jaar opende in Estland een grote fabriek voor de verwerking van zeldzame aardmetalen, en in 2026 zal een tweede grote fabriek in het zuidwesten van Frankrijk operationeel worden.

Na een ontmoeting met zijn Chinese ambtgenoot in mei noemde EU-commissaris voor Handel Maros Sefcovic de Chinese beperkingen ‘uiterst verstorend’ voor de Europese auto- en industriesector. China heeft wel een zogenoemd ‘groen kanaal’ voorgesteld om de goedkeuring van exportvergunningen voor EU-bedrijven te versnellen, maar experts waarschuwen dat het proces nog steeds tot 45 dagen kan duren.

India verlaagt export om het binnenlandse aanbod te vergroten

Ondanks het feit dat India met 6,9 miljoen ton de op vier na grootste reserves aan zeldzame aardmetalen ter wereld bezit, levert het land minder dan één procent van het wereldwijde aanbod van deze grondstoffen. Het Zuid-Aziatische land beschikt namelijk niet over de raffinagecapaciteit die nodig is om de metalen te verwerken voor gebruik in hightechtoepassingen. Daarnaast is India afhankelijk van de Chinese export, die zelf ook weer aan beperkingen onderhevig is.

Hoewel New Delhi zijn inspanningen heeft opgevoerd om het aanbod te diversifiëren via samenwerkingsakkoorden met de Verenigde Staten, Australië en Centraal-Aziatische landen, verloopt de vooruitgang tot nu toe traag.

In juni gaf New Delhi het staatsmijnbouwbedrijf IREL opdracht om de export van in eigen land gewonnen mineralen, onder meer naar Japan, stop te zetten, teneinde de aanvoer voor binnenlandse producenten veilig te stellen. In 2024 leverde IREL nog een derde van de 2.900 ton zeldzame aardmetalen die het ontgint aan Japan, via een Japans verwerkingsbedrijf.

G7-leiders beloven verstoring door China aan te zullen pakken

Aangezien het onwaarschijnlijk is dat de dominantie van China op de markt op de korte termijn zal worden doorbroken, hebben de leiders van de G7 tijdens hun bijeenkomst in Canada in juni voorlopig overeenstemming bereikt over een strategie om een mogelijk tekort aan zeldzame aardmetalen te voorkomen. Ze hebben beloofd gezamenlijk op te zullen treden tegen opzettelijke marktverstoringen, zoals die door China, en maatregelen te zullen nemen om de productie en het aanbod te diversifiëren.

‘Wij erkennen deze bedreiging voor onze economieën, evenals andere risico’s voor de veerkracht van onze toeleveringsketens van kritieke mineralen, en zullen samenwerken met partners buiten de G7 om onze economische en nationale veiligheid snel te beschermen,’ aldus de groep van geavanceerde economieën in een document met de titel G7 Critical Minerals Action Plan.

Prina Cerai van ISPI zei tegen DW dat de toegang tot zeldzame aardmetalen voor het Westen steeds belangrijker zal worden naarmate geavanceerde technologieën zich verder ontwikkelen. Ze merkte daarbij op dat ‘robotica en humanoïden op de middellange termijn een belangrijke markt kunnen worden.’

Diverse concurrenten voeren de productie van zeldzame aardmetalen op

Na de 44 miljoen ton aan zeldzame aardmetalen in China beschikken Brazilië, India en Australië gezamenlijk over de op één na grootste voorraad, goed voor ongeveer 31,3 miljoen ton, aldus de US Geological Survey. Onlangs werd in Kazachstan nog eens ongeveer 20 miljoen ton ontdekt.

De Verenigde Staten en Australië zijn het verst gevorderd met het opschalen van hun eigen productie van zeldzame aardmetalen, terwijl de plannen van andere landen zich nog in een vroege tot middelfase bevinden. Deze plannen vergen vijf tot tien jaar, moeten rekening houden met milieuoverwegingen, en vereisen investeringen van miljarden.

Een andere mogelijke toekomstige bron is Groenland, ondanks de barre weersomstandigheden. De Verenigde Staten en de Europese Unie hebben al samenwerkingsovereenkomsten gesloten, en in 2023 werd het Tanbreez-project in het zuiden van Groenland door Mining Intelligence – een leverancier van gegevens over de mijnbouwsector – uitgeroepen tot het meest veelbelovende zeldzame-aardmetalenproject, met een geschatte voorraad van 28,2 miljoen ton mineralen.

Maar zolang het alternatieve aanbod van zeldzame aardmetalen niet aanzienlijk wordt opgeschaald, zal China deze cruciale grondstof blijven inzetten als een krachtig geopolitiek wapen, waarmee het wereldwijd industrieën en landen stevig in zijn greep houdt.

Wübbeke van Sinolytics is sceptisch over de vraag of andere landen ooit in staat zullen zijn iets te doen aan de dominante positie van China op het gebied van zeldzame aardmetalen, gezien het enorme kostenvoordeel van de marktleider.

‘Zodra China de exportbeperkingen opheft, zullen de prijzen dalen en zal de bevoorradingssituatie verbeteren. Niemand zal het dan nog hebben over de overmatige afhankelijkheid van China, omdat het op dat moment alleen nog maar om de prijzen draait,’ aldus Wübbeke tegenover DW. ‘Niet-Chinese mijnen en raffinaderijen moeten dan met deze prijzen concurreren, en dat kunnen ze doorgaans niet.’

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

Wat zit er achter Peter Thiels obsessie met de Antichrist?

Oorspronkelijke tekst (Engels): The New Republic, 16 september 2025

fotografie: PennState News Literacy Initiative

door Gil Duran

Gil Duran is een journalist uit San Francisco en voormalig hoofdredacteur van de opinieredacties van The Sacramento Bee en The San Francisco Examiner. Hij schrijft de nieuwsbrief The Nerd Reich, over extremistische technologiepolitiek, en werkt momenteel aan zijn eerste boek.

De techmagnaat voert zijn apocalyptische retoriek verder op en voegt een gevaarlijke dosis extremisme toe aan de toch al beladen cultuuroorlog

Bij wijze van weer een nieuw verontrustend teken van deze tijd kan Peter Thiel niet ophouden met praten over de Antichrist. Vorige maand gaf de techmiljardair in San Francisco een serie van vier besloten lezingen over dit onderwerp, dat hij zelf aanduidt als ‘politieke theologie.’ Het is onderdeel van wat je Thiels ‘Antichrist World Tour’ zou kunnen noemen: de medeoprichter van PayPal en Palantir hield eerder al vertrouwelijke lezingen over dit thema in Oxford, Harvard en aan de door Bari Weiss opgerichte surrogaatuniversiteit, de University of Austin.

Waarom Thiel zoveel geheimhouding nodig heeft om over zijn jongste obsessie te kunnen spreken, is onduidelijk. Al jaren houdt hij in openbare lezingen betogen over de Antichrist. In een interview met The New York Times in juni deelde Thiel uitgebreid zijn gedachten over deze schimmige figuur, die in de Bijbel nauwelijks wordt genoemd, maar volgens de legende – en talloze pulp-horrorfilms – zal opstaan om Satan te helpen Armageddon te ontketenen. Daarbij wees hij zelfs een verdachte aan: Greta Thunberg. (Het interview ging viraal toen Thiel zichtbaar worstelde met de vraag of hij eigenlijk wel wil dat het menselijk ras blijft voortbestaan.)

Thiel is geen theoloog, geen wetenschapper en geen profeet. Waarom zouden we dan aandacht besteden aan zijn bijbelse bespiegelingen? Omdat hij een van de invloedrijkste mannen ter wereld is, en zijn lezingen over de Antichrist onthullen zijn diepe overtuiging dat religie een wapen is in de politieke strijd. En daarin heeft hij gelijk.

Thiels fixatie op de Antichrist past binnen een lange traditie in de Amerikaanse politiek. Al sinds de stichting van de natie proberen Amerikanen de Antichrist aan te wijzen – meestal door hun politieke tegenstanders zo te bestempelen. ‘Het symbool van de Antichrist heeft een verrassend belangrijke rol gespeeld in het vormgeven van het Amerikaanse zelfbeeld,’ schreef historicus Robert Fuller in 1995 in Naming the Antichrist: The History of an American Obsession. ‘Omdat Amerikanen hun land zien als uniek door God gezegend, zijn ze vooral geneigd om hun vijanden te demoniseren.’

In de loop der tijd is de identiteit van Satans handlanger steeds verschoven: van de indianen naar de communisten, en van Hitler naar Saddam Hoessein en zelfs Barack Obama – en tussendoor werden ook streepjescodes en microchips verdacht gemaakt. Van de koloniale tijd tot het AI-tijdperk is de jacht op de Antichrist blijven voortduren. De huidige QAnon-complottheoretici menen dat ze strijden tegen een kliek van kannibalistische satanisten. In Unhumans, een boek uit 2024 dat door JD Vance is geprezen, worden progressieven zelfs gelijkgesteld aan bloeddorstige ‘onmenselijke’ wezens. Daarmee verandert de politiek in een heilige oorlog met een nulsomuitkomst.

‘Zodra we onze tegenstanders in zulke kosmische termen bestempelen – het goede tegenover het kwade – verdwijnt elke mogelijkheid tot compromis,’ aldus Fuller.

Thiel begrijpt dit maar al te goed. Hij presenteert zijn interesse in de Antichrist als onderdeel van zijn eigen ‘politieke theologie,’ een term die hij ontleent aan Carl Schmitt – de nazi-filosoof die politiek omschreef als een strijd tegen een existentiële vijand, en stelde dat politiek in wezen religie in vermomming is. Daarnaast put Thiel uit het werk van René Girard, de katholieke denker (en een van zijn hoogleraren aan Stanford University) die waarschuwde dat menselijke samenlevingen de neiging hebben te vervallen in een spiraal van geweld in hun zoektocht naar zondebokken.

‘De vraag is altijd of de politiek lijkt op een markt… of dat het meer een zondebokmachine is, die alleen werkt zolang je niet in de worstfabriek kijkt,’ zei Thiel in 2024 tijdens een lezing aan Stanford. Hij lichtte het mechanisme toe: ‘Stel dat er veel conflicten zijn in ons dorp. Dan moeten we een willekeurige oudere vrouw aanwijzen en haar beschuldigen van hekserij, zodat we als gemeenschap weer enige psychosociale eenheid ervaren… maar dit soort processen werkt niet meer zodra mensen zich daar bewust van worden.’

Thiel kent deze dynamiek maar al te goed, maar het is onduidelijk of hij erdoor geschokt is, of juist gefascineerd. Zijn lezingen bieden geen oplossingen; in plaats daarvan verweeft hij Schmitt, Girard en de Bijbel tot een indringende beschouwing over de kracht van apocalyptische ideeën. Thiel presenteert zichzelf als iemand die de wereld wil helpen een ‘smal pad’ te bewandelen tussen Armageddon en de Antichrist. Tegelijkertijd schetst zijn retoriek ook een draaiboek voor een heilige oorlog, voor het aanwijzen van zondebokken, en voor het uitlokken van crises en het verwerven van macht – aangezien Schmitt stelde dat macht zich juist consolideert tijdens existentiële crisissen, wanneer grondwetten kunnen worden opgeschort.

‘Ons wordt verteld dat er niets ergers is dan Armageddon, maar misschien is dat niet zo,’ zei Thiel tijdens een lezing in Oxford in 2023. ‘Misschien moeten we de Antichrist vrezen. Misschien moeten we de totalitaire wereldstaat méér vrezen dan Armageddon.’

Hij experimenteert al met dit doemscenario: in januari schreef hij een opiniestuk waarin hij de terugkeer van Donald Trump aan de macht omschreef als een ‘apokálypsis’ – een ‘onthulling’ van verborgen waarheden en een kans om de ‘zonden’ van de natie uit te wissen. In zijn religieuze lezingen aarzelt Thiel bovendien niet om een mogelijke Antichrist aan te wijzen, zoals Greta Thunberg, het communisme en zelfs de regulering van technologie. Daarmee laat hij een veelzeggende neiging zien om de Schrift als politiek wapen in te zetten.

Toch kent zijn benadering grote tekortkomingen. Zo beweert Thiel dat de Antichrist iemand zal zijn die zich richt op existentiële bedreigingen en de Apocalyps, en die onder het motto ‘vrede en veiligheid’ een totalitaire wereldregering zal vestigen. Maar Thiels eigen checklist voor de Antichrist – een paranoïde fixatie op de Apocalyps, controle en surveillance – lijkt vooral een beschrijving van hemzelf.

Thiel is medeoprichter van Palantir, een softwarebedrijf dat letterlijk is vernoemd naar een alziende bol die in The Lord of the Rings wordt beheerst door een kwaadaardige tovenaar. Palantir werkt samen met de regering-Trump om de overheidssurveillance uit te breiden, juist op een moment dat de president openlijk autoritaire trekken vertoont. De ironie daarvan is zo groot dat het bijna op een bekentenis lijkt. Zoals komiek Tim Dillon onlangs grapte in de podcast van Joe Rogan: ‘Het is zo vreemd… Je bouwt binnenlandse surveillancetechnologie om onze vrienden en buren in de gaten te houden – en je andere obsessie is de Antichrist.’

Thiel is niet de enige die religieuze thema’s inzet. Miljardair Nicole Shanahan noemde Burning Man onlangs ‘demonisch,’ terwijl Andreessen Horowitz-partner Katherine Boyle de kruisiging van Christus aanhaalde om te beweren dat regeringen gezinnen vernietigen. Trae Stephens, een bondgenoot van Thiel en zelfverklaard ‘wapenhandelaar,’ medeoprichter van het dronebedrijf Anduril (opnieuw een verwrongen verwijzing naar The Lord of the Rings), ziet zijn werk als onderdeel van een missie om ‘Gods gebod uit te voeren en zijn Koninkrijk op aarde te vestigen zoals in de hemel.’ Zijn vrouw Michelle is medeoprichtster van ACTS 17 Collective (Acknowledging Christ in Technology and Society), een organisatie die onder techneuten evangeliseert en Thiels Antichrist-lezingen organiseert.

Ondertussen is Alexander Dugin in Rusland – een ultranationalistische filosoof en propagandist, vaak omschreven als ‘het brein van Poetin’ – de enige andere prominente politieke figuur die net zo geobsedeerd is door de Antichrist als Thiel. In Dugins visie voert Rusland oorlog tegen de Antichrist, belichaamd door de liberale moderniteit die volgens hem voortkomt uit het ‘land van de Apocalyps’: de Verenigde Staten.

Niet iedereen gelooft in de plotselinge bekering van Silicon Valley tot vroomheid. Tijdens de National Conservatism Conference van vorige maand uitten sommige traditionele religieuze conservatieven felle kritiek op hun zogenoemde tech-broeders. De conservatieve activist Geoffrey Miller beschuldigde ontwikkelaars van kunstmatige intelligentie ervan ‘verraders van de mensheid’ en ‘afvalligen van het geloof’ te zijn. Volgens The Verge riep hij zelfs letterlijk op tot een ‘heilige oorlog’ tegen technologie.

Want als we op zoek zijn naar existentiële vijanden, staan de duivels hebzuchtige techmiljardairs uit Silicon Valley bovenaan de lijst – zij die ‘goddelijke’ AI-systemen willen bouwen die krachtig genoeg zijn om de mensheid te vernietigen. Toch moeten we oppassen niet in de val te trappen van het rondstrooien van het woord ‘Antichrist’. In plaats van te vragen ‘Wie is de Antichrist?,’ zouden we ons beter kunnen afvragen: ‘Waarom probeert een techmiljardair ons ervan te overtuigen dat we aan de rand van de Apocalyps staan?’

Deze herkauwde satanische paniektactieken moeten worden ontmaskerd voor wat ze werkelijk zijn: een cynisch plan om de politieke verdeeldheid verder aan te wakkeren. Ze lijken bovendien op een onhandige poging om een alliantie te smeden met religieus-nationalistische stromingen binnen de Republikeinse Partij, die eveneens apocalyptische taal gebruiken om hun politieke agenda te verwoorden. Journalist Matthew D’Ancona omschreef Thiels Antichrist-theorieën treffend als ‘een intellectuele variant van de MAGA-eindtijdtheologie.’

Maar het aanwijzen van een ‘Antichrist’ is een gevaarlijke strategie, die vaak uitmondt in crisis en geweld.

‘Het hele concept van de Antichrist… bevordert een crisismentaliteit,’ zegt Fuller, de Antichrist- historicus. ‘En met die crisismentaliteit zetten we al onze andere verschillen opzij. Er ontstaat tribale cohesie, een tribale eenheid, en die rechtvaardigt immorele daden, want om een kwaadaardige, satanische vijand te verslaan moet je doen wat nodig is.’

Vorige maand, in de uren na de moord op Charlie Kirk, waren de woorden ‘demon’ en ‘kwaad’ trending op X, omdat sommigen ter rechterzijde zijn dood afschilderden als het werk van bovennatuurlijk bezeten Democraten en linkse activisten. Belangrijke rechtse influencers sloegen aan het denken in de geest van Carl Schmitt en pleitten voor een hardere politieke aanpak van Kirks critici. Chris Rufo, een bekende rechtse opiniemaker, riep wetshandhavers op de ‘radicale linkse beweging’ te ‘infiltreren, ontwrichten, arresteren en opsluiten.’

Dit is het onvermijdelijke gevolg van apocalyptische retoriek: wanneer politieke tegenstanders worden neergezet als kwaadaardige, bijna kosmische vijanden, worden vervolging en geweld gezien als een heilige plicht. De recente golf van demon- en duivelstaal laat zien dat Thiel op zich niet onterecht een krachtige, maar uiterst gevaarlijke tendens in onze politiek heeft blootgelegd.

Maar als techmiljardairs het christendom werkelijk willen uitdragen, zouden ze moeten stoppen met het najagen van vermeende Antichristen en in plaats daarvan stilstaan bij de woorden van Jezus Christus zelf. Hij riep zijn volgelingen op tot empathie, vergeving en zorg voor anderen – niet tot uitbuiting en controle. In plaats van zich te fixeren op Armageddon, zou Thiel beter kunnen luisteren naar de evangeliën, die waarschuwen dat ‘het makkelijker is voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’

Dat is een bijbeltekst die het waard is om even bij stil te staan, en een probleem dat geen enkele AI, geen vorm van controle, macht of rijkdom ooit zal kunnen oplossen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

Utah is het gewelddadige hart van Amerika

Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 12 september 2025

fotografie: UnHerd

door B. Duncan Moench

B. Duncan Moench is een punkfilosoof en ‘herstellend’ academicus. Hij is Tablet’s Social Critic at Large, schrijver voor County Highway en onderzoeker van de Amerikaanse politieke cultuur. Daarnaast is hij auteur en presentator van de Producerist-nieuwsbrief en podcast op Substack.

De diepe polarisatie daar is een weerspiegeling van de Amerikaanse nationale malaise

De kern van de Amerikaanse politieke psyche wordt bepaald door een gewelddadige vorm van paranoia die voor buitenstaanders nauwelijks te begrijpen, laat staan te accepteren is. Wat heeft een land dat door twee oceanen wordt beschermd en aan de noord- en zuidgrens wordt omringd door economisch afhankelijke semi-vazalstaten, werkelijk te vrezen van de wereld? Waarom grijpt een land met de grootste rijkdom en het machtigste leger uit de geschiedenis zo vaak naar geweld – niet alleen in het buitenland, maar ook tegen de eigen bevolking? Dit zijn de vragen die gesteld moeten worden nu de Verenigde Staten opnieuw lijken af te glijden naar een periode van geweld, vergelijkbaar met de ‘dagen van woede’ van eind jaren zestig.

In de nasleep van de moord op Charlie Kirk op de campus van de Utah Valley University (UVU) zullen deskundigen opnieuw pleiten voor ‘nationale gesprekken’ over het matigen van de politieke retoriek, het herzien van de wapenwetten, en het aanpakken van de groeiende mentale onevenwichtigheid van generatie Z en jongere generaties. Sommige van die oproepen tot dialoog zijn wellicht oprecht, maar slechts weinigen zullen diep genoeg willen graven om het rauwe geweld te onderkennen dat verankerd zit in de Amerikaanse politieke verbeelding – een verbeelding waarin meningsverschillen steeds vaker worden gezien als een directe bedreiging voor het persoonlijke voortbestaan. En dus zal er, na enkele nieuwscycli, zoals zo vaak helemaal niets veranderen. Zoals Ian MacKaye van de invloedrijke punkband Fugazi ooit zei: ‘Er is geen sprake van beweging in een slechte geest.’

Kirk stond online bekend om zijn strijdlust en sarcasme, maar in de privésfeer werd hij omschreven als vriendelijk en genereus – een toegewijde echtgenoot, een loyale vriend en een zorgzame vader. Hij was geen slecht mens. Maar een slechte geest is iets heel anders. Kirks dood is, net als zijn weg naar de roem, het gevolg van een cultuuroorlog rond kwesties die tegelijk zo bekrompen én zo onverzoenlijk zijn dat ze de republiek dreigen te verscheuren. In dat licht is de plaats van zijn dood veelzeggend: niet slechts als achtergrond, maar ook als symbool van hoe verschrikkelijk intolerant en kortzichtig we als samenleving zijn geworden. Kirk werd namelijk doodgeschoten in Orem, Utah, tijdens een evenement op de campus van de UVU – een plek die de cultuuroorlog bij uitstek belichaamt en die ik goed ken, omdat ik zelf geboren en getogen ben in het nabijgelegen Holladay.

Utah is veel meer dan rode rotsen, mormoonse tempels en de Osmonds. De staat vormt ook een spiegel van de nationale verdeeldheid – een perfecte microkosmos van de verscheurde ziel van Amerika. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, zijn Salt Lake City en het omliggende district overwegend progressief, uitgesproken seculier, en doen veel inwoners hun uiterste best om hun vooruitstrevende geloofwaardigheid te bewijzen – niet alleen aan buitenstaanders, maar ook aan zichzelf. Zo identificeren vijf van de zeven raadsleden van de stad zich vandaag de dag als LGBTQ. Tegelijkertijd wordt de wetgevende macht die boven hen staat gedomineerd door ultraconservatieve plattelands- en voorstedelijke gebieden: vroom mormoons, zwaar bewapend, en stevig in de greep van een rechtse mentaliteit die minder te maken heeft met de leer van Joseph Smith dan met de invloed van Fox News en oppervlakkige online influencers zoals Kirk.

Orem en de UVU-campus liggen precies op de breuklijn tussen twee werelden. De verhouding tussen de progressieve politieke klasse van Salt Lake City en het conservatieve plattelandsblok van Utah is niet alleen vijandig; soms lijkt ze zelfs ronduit psychotisch. Beide kampen willen elkaar daadwerkelijk schade toebrengen. Ook wanneer samenwerking overduidelijk in ieders belang zou zijn, overheerst meestal de vijandigheid. Zo verloor Utah vorig jaar het Sundance Film Festival, een belangrijke culturele en economische motor. Niet omdat het festival verliesgevend was of slecht werd georganiseerd, maar omdat het parlement van Utah weigerde zelfs maar bescheiden belastingvoordelen te verlenen – iets wat in vrijwel alle andere vergelijkbare gevallen wél zou zijn gebeurd. Het straffen van de stedelijke ‘progressieven’ woog blijkbaar zwaarder dan het beschermen van de lokale filmwerkers, banen in het toerisme en de inkomsten van kleine bedrijven. Dit is geen gevolg van een slecht functionerend systeem, maar van opzettelijke sabotage, uitgevoerd in naam van de culturele zuiverheid. Juist dat maakt Utah tot zo’n scherp venster om het neerschieten van Kirk te begrijpen.

Ik heb deze spanningen persoonlijk meegemaakt. Twintig jaar geleden was ik communicatiedirecteur en speechschrijver voor Rocky Anderson, de voormalige burgemeester van Salt Lake City en een van de meest strijdlustige lokale politici uit de recente geschiedenis. In zekere zin was hij de linkse tegenhanger van Trump: fel, agressief en totaal niet geïnteresseerd in diplomatie. Toch werd hij herkozen en is hij, inmiddels in de zeventig, opnieuw een van de belangrijkste kandidaten voor het burgemeesterschap van Salt Lake City.

Anderson bleef populair omdat hij feilloos wist wat zijn achterban werkelijk wilde: iemand die bereid was de mormoonse kerk en de Republikeinse wetgevende macht met nietsontziende, theatrale agressie aan te vallen. In Utah heeft het nooit ontbroken aan brandstof voor de cultuuroorlog. Anderson wakkerde die strijd aan door de mormoonse gemeenschap voortdurend te bekritiseren en zelfs in The Guardian te verklaren dat ze ‘Taliban-achtig’ waren. Het lijkt misschien een opmerkelijke zet voor een burgemeester van Salt Lake City, maar geloof me: het was een bewuste strategie – en de kiezers van de stad smulden ervan.

Hoe meer de burgemeester de conservatieven in Utah bekritiseerde, hoe populairder hij werd. We hebben daar meerdere keren openlijk over gesproken. Ik probeerde zijn retoriek richting een meer verzoenende toon te sturen, maar dat werd steeds resoluut afgewezen. De UVU ligt precies op de scheidslijn – letterlijk én politiek – tussen de Democratische Salt Lake County en de Republikeinse Utah County ten zuiden daarvan. Het lijkt mij geen toeval dat Kirk juist op deze breuklijn werd vermoord. Ter rechterzijde is, zonder enig bewijs, geopperd dat de dader een transactivist zou zijn. Die theorie zal waarschijnlijk aan kracht winnen zodra duidelijker wordt hoe sterk LGBTQ-belangengroepen de politiek in Salt Lake City en de county beïnvloeden. Vlak voor de schietpartij zou iemand in het publiek Kirk hebben gevraagd: ‘Hoeveel massamoordenaars waren trans?’

Hoewel genoemde mogelijkheid niet volledig kan worden uitgesloten – zeker niet nu de Wall Street Journal meldde dat de kogels van de schutter waren voorzien van uitingen van transideologie – zal nóg meer zondebokken aanwijzen niets oplossen aangaande de diepere oorzaken van de moord op Kirk. Die oorzaken zijn zowel lokaal als nationaal, maar niet in elk opzicht typisch Amerikaans. Want als de diepe polarisatie in Utah een afspiegeling is van een nationale malaise die mensen voldoende redenen geeft om tot moord over te gaan, dan zien we dat die partijpolitieke verdeeldheid overal in de westerse wereld toeneemt. Het verschil is echter – zoals de gruwelijke beelden van de aanslag op Kirk pijnlijk duidelijk maken – dat potentiële moordenaars in de Verenigde Staten ook kunnen terugvallen op de grillen van het Tweede Amendement (het deel van de Amerikaanse grondwet waarin de vrijheid om wapens te dragen is vastgelegd).

Ik ben zeker niet de eerste die dit constateert, maar wapens zijn hier overal. Dat raakt de kern van de reden waarom Amerikaanse burgers niveaus van wapengeweld tolereren en zelfs normaliseren, die in elk ander welvarend land ondenkbaar zouden zijn. Wapens zijn bovendien makkelijk verkrijgbaar, zelfs voor mensen met ernstige psychische aandoeningen of een strafblad wegens gewelddaden. Zo stak Decarlos Brown, wiens eigen moeder hem had willen laten opnemen in een inrichting, twee maanden geleden Iryna Zarutska neer in een trein op weg naar Charlotte. Maar gezien de lakse wapenwetten had hij haar net zo goed kunnen doodschieten. Op grond van overwegingen van ideologische zuiverheid hebben veel Republikeinse staten de afgelopen twintig jaar zelfs de meest basale beperkingen op wapenbezit afgeschaft. Charlie Kirk was daar een uitgesproken voorstander van. Utah is hiervan een symbolisch voorbeeld, en de gevolgen waren al lang voor de moord op Kirk zichtbaar.

In juni werd tijdens de ‘No Kings’-bijeenkomst in Salt Lake City een man gezien die aan de rand van de menigte een AR-15-geweer in elkaar zette. In typisch Middle-Amerikaanse stijl openden diverse zogenoemde ‘vredeshandhavers’ – van wie velen zelf gewapend waren – het vuur, in de overtuiging dat ze op het punt stonden een massale schietpartij te voorkomen. De man werd neergeschoten en raakte gewond. Maar ook een onschuldige omstander werd getroffen en kwam om het leven in het kruisvuur van deze chaotische, doe-het-zelfvariant van openbare veiligheid.

Lang voordat iemand de trekker overhaalde, hadden meerdere demonstranten al 112 gebeld om de man en zijn wapen te melden. De medewerkers van de telefooncentrale zeiden echter dat ze niets konden doen: hun handen waren gebonden. In Utah is het namelijk volledig legaal om in het openbaar met een geladen aanvalsgeweer rond te lopen – zelfs op een politieke bijeenkomst. In 2021 schafte de staat bovendien de vergunningplicht voor het verborgen dragen van vuurwapens af. Inwoners mogen sindsdien zowel openlijk als heimelijk wapens dragen, zonder vergunning, zonder training en zonder enig toezicht.

Iedereen van 21 jaar en ouder die wettelijk een vuurwapen mag bezitten – wat in Utah in principe iedereen zonder strafblad is – mag vrijelijk een geladen, verborgen vuurwapen in het openbaar dragen. Daarom kon de man die tijdens de bijeenkomst in Salt Lake City een aanvalsgeweer in elkaar zette pas worden gearresteerd toen hij daadwerkelijk het vuur opende. De psychologische tol van het leven in een samenleving waarin je iemand een bloedbad ziet voorbereiden, maar te horen krijgt dat er ‘niets aan te doen is,’ kan nauwelijks worden overschat. Ik ken die angst uit eigen ervaring. Jaren geleden, toen ik lesgaf aan de universiteit van Utah, kwamen studenten tijdens mijn spreekuur mijn kantoor binnen met pistolen die zichtbaar aan hun borst bevestigd waren. Net als de aanwezigen op de ‘No Kings’-bijeenkomst kon ik wettelijk niets doen – ik mocht zelfs niet weigeren om de gewapende studenten te ontvangen. De universiteit had geprobeerd vuurwapens op de campus te verbieden, maar de wetgever stapte naar de rechter en kreeg gelijk.

Een paar jaar later, toen ik lesgaf aan de universiteit van Texas in Austin, leverde een van mijn studenten een essay in waarin hij tot in detail een fantasie beschreef waarin hij eerst zijn professor en daarna de rest van de klas vermoordde. Zelfs als ik dat essay bij de politie had gemeld, zou dat niet hebben geleid tot de inbeslagname van vuurwapens – niet op grond van de wetgeving van Texas, en al helemaal niet op grond van die van Utah. In 2018 overwogen wetgevers in Utah gedurende korte tijd een wetsvoorstel dat rechtbanken de mogelijkheid zou geven om beschermingsbevelen uit te vaardigen. Daarmee konden vuurwapens tijdelijk worden afgenomen van mensen die als ‘ernstig geestesziek’ of ‘gewelddadig en onstabiel’ werden beschouwd. Maar het voorstel werd in stilte tegengehouden in de commissie en stierf een stille dood. Sindsdien is het nooit meer op een serieuze manier in behandeling genomen.

Ondanks de fantasieën van de NRA en andere pro-wapenlobby’s, die op perverse wijze beweren dat ‘een gewapende samenleving een beleefde samenleving is,’ voelt de werkelijkheid voor mensen die bewust in deze cultuur van wapenverheerlijking leven vaak heel anders aan. Wanneer vuurwapens overal zijn toegestaan, blijft de angst bestaan dat jij – evenals je familie – nergens echt veilig bent. Die angst voedt juist de neiging van velen om zich nog verder te bewapenen, zowel letterlijk als emotioneel, ter voorbereiding op een mogelijke strijd. Charlie Kirk was misschien oprecht in zijn wens om in het openbaar eerlijke debatten te voeren. Maar in een Amerikaanse cultuur die wordt getekend door geweld en door het normaliseren van voortdurende, vaak onnodige economische onzekerheid, hebben maar weinig jonge mensen vandaag de dag nog belangstelling voor welk debat dan ook.

Er valt dus te betogen dat de collectieve angst die wordt aangewakkerd door de Amerikaanse wapencultuur de politieke polarisatie versterkt – en omgekeerd. De ‘woke’ linkse beweging slaat misschien geregeld de plank mis op het gebied van ras en gender. Progressieven gaan misschien soms te ver in hun pogingen om als morele of nationale therapeut op te treden. Maar de Amerikaanse pro-wapenbeweging is minstens even ontspoord, zo niet nog veel meer. De obsessie met vuurwapens heeft inmiddels bijna sektarische trekken gekregen: ze is ideologisch, absolutistisch en doordrongen van een religieus fatalisme. Wanneer je dat fanatisme combineert met het feit dat veel van de meest fervente voorstanders van wapens zichzelf ook als ‘christenen’ beschouwen, is het moeilijk om geen parallellen te trekken met religieus extremisme elders. Hoe dan ook, het idee dat de epidemie van massale schietpartijen in Amerika niet rechtstreeks voortkomt uit het vrijwel onbeperkte recht om wapens te dragen – én uit de nietsontziende lobby die zelfs de mildste vormen van wapenbeperking bestrijdt – is volkomen absurd.

Alleen al dit jaar zijn er in de Verenigde Staten 309 massale schietpartijen geweest, gemiddeld bijna 1,3 per dag. Vuurwapens op zich zijn natuurlijk niet de enige oorzaak van dit geweld. Zoals het grimmige voorbeeld van Decarlos Brown laat zien, lopen er in de VS veel te veel gevaarlijke mensen vrij rond, beschermd door een naïef, bijna utopisch rechtssysteem. Toch ligt het probleem dieper. De sluiting van tientallen psychiatrische ziekenhuizen de afgelopen decennia speelt ongetwijfeld een rol, net als het feit dat zelfs notoire recidivisten vaak niet worden opgesloten. Maar hoe je het ook wendt of keert, uiteindelijk komt de discussie steeds weer terug op dezelfde kernvraag: de vuurwapens zelf – en wie ze mag bezitten.

In de Verenigde Staten heeft naar schatting 1,5 tot 2 procent van de volwassenen last van hallucinaties, wanen of andere ernstige psychotische symptomen. Bij een bevolking van ongeveer 330 à 340 miljoen mensen komt dat neer op zo’n vijf tot zes miljoen mensen – van wie vrijwel iedereen legaal een wapen kan bezitten. Dat betekent dat miljoenen mensen in theorie de mogelijkheid hebben om te schieten op onschuldige kinderen of publieke figuren die ze niet mogen, als de stemmen in hun hoofd hen daartoe zouden aanzetten. Als je dat geheel overziet, is het eigenlijk verbazingwekkend dat er niet nóg meer massale schietpartijen en moorden plaatsvinden in de Verenigde Staten – al is het huidige aantal al meer dan schokkend genoeg.

Zet gewoon het nieuws eens aan. Minder dan een uur nadat Charlie Kirk was neergeschoten, vond er opnieuw een schietpartij plaats, dit keer op een school in Evergreen, Colorado. Een tiener kwam om het leven en twee anderen raakten zwaargewond. De dag ervoor werden zes mensen neergeschoten in San Francisco. Twee dagen eerder vielen in Cleveland opnieuw zes gewonden, onder wie een zestienjarige jongen die in zijn mond werd geraakt. En nog geen twee weken geleden vond er een bloedbad plaats op de Annunciation Catholic School in Minneapolis, waar tientallen mensen – vooral basisschoolkinderen – in een kerk werden beschoten. Twee kinderen werden ter plaatse dood verklaard, maar het dodental had makkelijk in de tientallen kunnen lopen. En dat alles in een land dat, jaar na jaar en zonder onderbreking, verantwoordelijk is voor ruim zeventig procent van alle massale schietpartijen in de ontwikkelde wereld.

Twee jaar geleden, tijdens een openbaar evenement dat kort na de schietpartij op een school in Nashville werd gehouden – waarbij drie kinderen en drie volwassenen werden gedood door een non-binaire dader – kreeg Charlie Kirk de vraag of het toenemende aantal slachtoffers zijn geloof in het Tweede Amendement aan het wankelen had gebracht. Zijn antwoord was inhoudelijk schokkend, maar in zijn eigen logica opmerkelijk consistent:

‘Een gewapende bevolking hebben, kent een prijs – dat hoort bij vrijheid,’ zei hij. ‘Je kunt het aantal slachtoffers door vuurwapens niet tot nul terugbrengen. Er zal nooit een samenleving bestaan waarin burgers gewapend zijn en niemand omkomt door wapengeweld. Maar ik vind dat het de moeite waard is: elk jaar een aantal dodelijke slachtoffers door vuurwapens, zodat we het Tweede Amendement kunnen behouden om onze andere, door God gegeven rechten te beschermen. Dat is een verstandige deal. Dat is rationeel.’

Je moet toegeven: Charlie Kirk bleef zijn overtuigingen trouw tot het moment dat de kogel van een moordenaar zijn nek doorboorde. Maar zullen zijn weduwe en jonge kinderen over tien of twintig jaar nog steeds hetzelfde denken? Dat is uiteindelijk de ware prijs van Amerika’s dodelijke compromis. Het is makkelijk om een tragedie de prijs van de ‘vrijheid’ te noemen – zolang de doden niet de jouwe zijn. Maar zoals Ian MacKaye zei: ‘Er is geen sprake van beweging in een slechte geest.’ En vandaag, nu Kirk op internet wordt verheven tot martelaar van rechts, lijkt Amerika steeds meer overspoeld door slechte geesten – en nog altijd volkomen onwillig om het voor de hand liggende onder ogen te zien.

Vertaling: Menno Grootveld