Corbin Trent is een fabriekseigenaar uit de Appalachen die uitgroeide tot nationaal beleidsstrateeg en economisch populist. Hij is medeoprichter van Justice Democrats, was communicatiedirecteur voor afgevaardigde Alexandria Ocasio-Cortez, en werkte aan beide presidentiële campagnes van Bernie Sanders.
Terwijl Amerika druk was met het terugkopen van aandelen en kwartaalwinsten, heeft China tientallen jaren gebouwd aan een geïntegreerd systeem dat onderzoek, productie en innovatie met elkaar verbindt
Onlangs waarschuwde generaal Chance Saltzman, hoofd operaties van de Amerikaanse luchtmacht, het Congres voor China’s ‘verbijsterende’ vooruitgang op het gebied van de militaire ruimtevaart. Ondertussen heeft China al de wereldmarkt voor elektrische auto’s veroverd en domineert het de productie van zonnepanelen. De impact van deze technologische voorsprong is al eerder duidelijk geworden. In 2021 cirkelde een hypersonische raket van Beijing tijdens een test letterlijk rond de aarde voordat hij zijn doel trof – tot ontsteltenis van de Amerikaanse militaire leiding. Toch reageren Amerikaanse leiders – zowel in de regering als in de industrie – steeds opnieuw met dezelfde verbijsterde verbazing, alsof China’s prestaties een kosmisch toeval zijn. Maar dit zijn geen toevallige successen. Ze zijn het onvermijdelijke resultaat van een systeem dat functioneert – een systeem dat nationale doelen prioriteert, middelen coördineert en resultaten beloont. Ironisch genoeg was het juist Amerika dat ooit pionierde met dit model. Het stelde ons in staat om grootse projecten te realiseren, van de transcontinentale spoorweg en de Hoover Dam tot het snelwegsysteem en de elektrificatie van het platteland, waarmee de hele natie van energie werd voorzien. Maar terwijl de VS dit systeem achter zich lieten, heeft China het omarmd. Terwijl de Chinezen planden en investeerden, bleef Amerika vasthouden aan een mislukte ideologie: het blinde geloof in de vrije markt, die – aan zichzelf overgelaten – ons vanzelf zou redden.
Deze verering van de vrije markt kwam niet uit het niets. Ze begon bij Friedrich von Hayek, zijn leerling Milton Friedman en de Chicago School of Economics, die Amerika een verleidelijk verhaal verkochten: dat overheidsplanning inefficiënt was, dat regulering innovatie smoorde, en dat de vrije markt alle problemen zou oplossen. Samen met Ronald Reagan overtuigden zij Amerika ervan dat de overheid het probleem was, niet de oplossing. Deze visie – waarin markten werden gepresenteerd als de ultieme probleemoplossers – veroverde Washington, en tegen de jaren tachtig waren regeringen van beide partijen erin meegegaan. Van Reagan tot Clinton, van Bush tot Obama, en ja, zelfs Trump – al deze leiders bleven hardnekkig vasthouden aan het idee dat deregulering, privatisering en globalisering de sleutel waren tot welvaart. We erfden een natie die was opgebouwd door generaties van bloed, zweet en tranen, en besloten die vervolgens te ontmantelen voor kortetermijnwinsten. Op de een of andere manier geloofden we dat de rijkdom eeuwig zou blijven stromen. De leiders van Amerika begrepen niet hoe onze welvaart was opgebouwd en respecteerden dus niet wat ervoor nodig was om die te behouden. Dat is precies wat Friedman en zijn volgelingen ons verkochten – de illusie dat we het harde werk niet meer hoefden te doen, omdat de markten vanzelf alles zouden regelen.
En wat heeft vijftig jaar marktverering ons opgeleverd? Een uitgeholde industriële basis, een verzwakte middenklasse en een economie die niet meer kan concurreren. We hebben de productie uitbesteed, onze fabrieken verwaarloosd en ons afhankelijk gemaakt van fragiele toeleveringsketens. Markten hebben ons niet gered – ze hebben ons leeggezogen. Zeker, een kleine elite is ongelooflijk rijk geworden. Maar tegen welke prijs? Kijk maar naar de marktreactie van vorige week: de beurskoers van Nvidia kelderde met 15 procent, wat neerkwam op een verlies van honderden miljarden aan marktwaarde. Tegelijkertijd daalde de technologie-intensieve Nasdaq met 3,5 procent. De reden? DeepSeek toonde aan dat het de Amerikaanse AI-capaciteiten kon evenaren, zonder afhankelijk te zijn van onze dure chips of enorme rekenkracht. Zoals een marktstrateeg het uitdrukte, was het ‘een grote klap in het gezicht’ van beleggers. De opkomst van China draait niet alleen om technologie, maar ook om doelgericht bouwen. Chinese autofabrikanten produceren al 62 procent van alle elektrische auto’s in de wereld en beheersen 77 procent van de productie van accu’s voor deze auto’s. En ze staan nog maar aan het begin – analisten voorspellen dat ze tegen 2030 maar liefst één op de drie auto’s ter wereld zullen produceren. Dit is geen toeval. China’s export steeg tussen 2020 en 2023 met een verbazingwekkende 851 procent. Hetzelfde geldt voor infrastructuur: de afgelopen twintig jaar heeft China tienduizenden kilometers hogesnelheidslijnen aangelegd, terwijl Californië er nog steeds niet in slaagt om een enkele lijn van nog geen duizend kilometer te voltooien. Terwijl Amerika zich richtte op aandelenterugkopen en kwartaalwinsten, heeft China tientallen jaren besteed aan het opbouwen van een geïntegreerd systeem waarin onderzoek, productie en innovatie naadloos op elkaar aansluiten.
Waarom zijn we nog steeds geschokt? China gebruikt dezelfde strategieën die Amerika ooit hebben geholpen groot te worden: staatsgeleide investeringen, industrieel beleid en langetermijnplanning. Wat werkelijk schokkend is, is niet wat China heeft bereikt, maar hoe weinig de Amerikanen hebben gedaan om bij te blijven. Dit is geen partijkwestie. De campagnes van Donald Trump hebben terecht gewezen op de pijn die wordt veroorzaakt door het verval van Amerika: het verlies van banen in de verwerkende industrie, slechte handelsovereenkomsten en de schadelijke effecten van de mondialisering. Op deze punten heeft hij absoluut gelijk. Maar noch Trump, noch zijn adviseurs begrijpen de werkelijke oorzaak van deze problemen. Hun oplossing? Nog harder vasthouden aan dezelfde vrijemarktideologie die ons juist in deze situatie heeft gebracht. Trump gelooft dat deregulering en vertrouwen op bedrijven om ‘het juiste te doen’ Amerika op de een of andere manier zullen wederopbouwen. Maar door deze illusie heeft elke Amerikaanse regering zich sinds de jaren zeventig laten leiden – en het is een ramp gebleken.
Markten zijn niet ontworpen om nationale problemen op te lossen; ze zijn ontworpen om winst te maximaliseren. Onbegrensd geven ze altijd voorrang aan kortetermijnwinsten boven langetermijnveerkracht. Dit is precies de reden dat:
Bedrijven meer geld uitgeven aan aandelenterugkopen dan aan onderzoek en ontwikkeling.
De Amerikaanse gezondheidszorg bijna vijf biljoen dollar per jaar kost, terwijl de resultaten slechter zijn dan in veel andere ontwikkelde landen.
Infrastructuurprojecten in de VS vaak meerdere keren duurder zijn per kilometer dan vergelijkbare projecten in China.
Amerika is niet groot geworden door simpelweg te wachten tot de markt alles zou oplossen. De transcontinentale spoorweg, de elektrificatie van het platteland, het arsenaal van de democratie, het Apolloprogramma – dit waren geen wonderen van de ‘onzichtbare hand.’ Ze waren het resultaat van collectieve actie, gedreven door een duidelijk nationaal doel. De Chinezen begrijpen dit. Ze hebben ons oude draaiboek overgenomen en er hun eigen versie van gemaakt. Terwijl wij onze industriële capaciteit hebben ontmanteld, hebben zij de hunne opgebouwd. Ze hebben innovatie verbonden met productie, en systemen gecreëerd waarin ingenieurs, fabrikanten en denkers samenwerken om problemen in realtime op te lossen. Daarom hebben ze ons ingehaald – niet omdat ze ideeën stelen, maar omdat ze de strategieën en middelen hebben omarmd die wij hebben achtergelaten. Als we willen concurreren, kunnen we niet langer wachten tot markten ons redden. We hebben een nationale strategie nodig om:
Onze industriële basis opnieuw op te bouwen.
Te investeren in essentiële industrieën.
Overheidsuitgaven te koppelen aan meetbare resultaten.
Zowel de overheid als het bedrijfsleven moet verantwoordelijk worden gehouden voor het leveren van resultaten. Het allerbelangrijkste is dat we afrekenen met de mythe dat alleen markten ons automatisch naar welvaart zullen leiden. De doorbraak van DeepSeek is opnieuw een waarschuwing, maar het hoeft niet de laatste te zijn. Amerika beschikt nog steeds over de middelen, het talent en de historie om een leidende rol te spelen. Wat ontbreekt, is de wil om te handelen. Leiderschap betekent niet wachten tot iemand anders het probleem oplost. Het betekent doen wat Amerika ooit groot heeft gemaakt: de mouwen opstropen, samenwerken en opnieuw dingen bouwen. De echte vraag is simpel: Worden we eindelijk wakker en ondernemen we actie? Of blijven we verbijsterd toekijken, telkens opnieuw geschokt en verrast, wachtend op de volgende klap?
Wolfgang Münchau is directeur van Eurointelligence en columnist van UnHerd.
Sinds het begin van de oorlog in Oekraïne is de ineffectiviteit van de westerse sancties tegen Rusland steeds duidelijker geworden. Datzelfde geldt voor de Amerikaanse sancties tegen China, met name het verbod van de regering-Biden op de export van krachtige halfgeleiders en, recentelijk, van grafische verwerkingseenheden(GPU’s). De buitenlandse beleidsgemeenschap, die vaak weinig begrip heeft van economie en financiën, heeft de impact van deze sancties zwaar overschat. Dit komt voort uit de misvatting dat de opkomst van China volledig afhankelijk zou zijn van Amerikaanse technologie.
De reactie op het Chinese AI-bedrijf DeepSeek en de recente destabilisatie van Amerikaanse technologieaandelen laten zien hoe deze sanctiestrategie is mislukt. Voorstanders van sancties blijven volhouden dat de effecten zich uiteindelijk zullen manifesteren, mits we maar geduldig genoeg zijn. Maar het tegendeel is waar: hoe langer sancties van kracht blijven, des te groter de kans is dat landen manieren zullen vinden om ze te omzeilen – of, zoals in het geval van DeepSeek, ze simpelweg te slim af te zijn. Sinds de millenniumwisseling zet Beijing alles op de zogenoemde STEM-vakken (wetenschap, technologie, techniek en wiskunde), waarbij vooral Amerikaanse en Britse universiteiten populair zijn onder Chinese studenten. Tegelijkertijd heeft China een uiterst competitieve universitaire sector ontwikkeld, die sterk gericht is op deze disciplines. Mediastudies lijken daarentegen minder in trek. Het Westen behoudt nog enkele traditionele voordelen, zoals gepatenteerde technologieën die bescherming bieden. Maar, zoals de auto-industrie inmiddels heeft ervaren, werkt dit alleen maar even. China had lange tijd moeite met de productie van halfgeleiders, zoals Chris Miller beschrijft in zijn boek Chip Wars. Maar dat was slechts een momentopname, geen structurele zwakte die oneindig lang zou voortduren. Sinds de VS beperkingen oplegden aan ASML, Europa’s belangrijkste technologiebedrijf, heeft China zijn productiecapaciteit aanzienlijk verbeterd. Waarom zou China – met voldoende talent, kapitaal en natuurlijke hulpbronnen – uiteindelijk niet slagen?
Sancties schieten niet alleen hun doel voorbij, maar werken zelfs contraproductief. DeepSeek, voortgekomen uit het sanctieregime, werd gedwongen een eigen systeem te ontwikkelen – en koos daarbij een route die efficiënter en goedkoper bleek dan die van de VS. Het zijn juist de onbedoelde gevolgen van sancties die zorgwekkend zijn. Ze hebben geleid tot economische verschuivingen in westerse landen, waar regeringen niet op voorbereid waren. Zo droegen de sancties tegen Rusland bij aan de de-industrialisatie van Duitsland en ondermijnden ze de regeringscoalitie van Olaf Scholz, wat op zijn beurt bijdroeg aan de opkomst van de AfD. Het meest desastreuze geopolitieke gevolg is wellicht dat de sancties China en Rusland in een nieuwe antiwesterse strategische alliantie hebben gedreven. Amerika en Europa moeten nu rekening houden met een multipolaire wereldorde, waarin de mondiale invloed evenwichtiger is verdeeld dan voorheen, ten gunste van opkomende machten.
Cédric Durand is hoogleraar politieke economie aan de universiteit van Genève. Zijn onderzoek richt zich op de transformatie van het hedendaagse kapitalisme. Hij levert regelmatig bijdragen aan het radicale online tijdschrift Contretemps en aan Sidecar, de blog van de New Left Review.
In zijn roman De man zonder eigenschappen (1930), die zich afspeelt in Wenen aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, werpt Robert Musil via legergeneraal Stumm von Bordwehr een intrigerende vraag op: ‘Hoe kunnen degenen die rechtstreeks betrokken zijn bij wat er gebeurt, van tevoren weten of het een grote gebeurtenis wordt?’ Zijn antwoord luidt: ‘Het enige wat ze kunnen doen, is zichzelf wijsmaken dat het zo is! Als ik een paradox mag opwerpen, zou ik zeggen dat de geschiedenis van de wereld wordt geschreven voordat zij gebeurt; het begint altijd als een soort speculatie.’ Eind januari, toen Donald Trump opnieuw aan de macht kwam, nam de speculatie toe terwijl de reuzen van de techindustrie zich verzamelden bij zijn inauguratie. Op de eerste rij zaten Mark Zuckerberg (Meta), Jeff Bezos (Amazon), Sundar Pichai (Google) en Elon Musk (Tesla), terwijl Tim Cook (Apple), Sam Altman (OpenAI) en Shou Zi Chew (TikTok) verder naar achteren plaatsnamen. Nog maar een paar jaar geleden was de overgrote meerderheid van deze miljardairs uitgesproken voorstander van Biden en de Democraten. ‘Ze waren allemaal voor hem,’ herinnert Trump zich. ‘Stuk voor stuk. En nu zijn ze allemaal voor mij.’ De cruciale vraag is wat deze verschuiving precies betekent. Is hier simpelweg sprake van een opportunistische koerswijziging binnen dezelfde systemische kaders? Of markeert dit een diepere breuk – een moment dat het verdient om een grote gebeurtenis in de geschiedenis genoemd te worden? Laten we ons wagen aan die tweede hypothese. Trump houdt, zoals we weten, van uitbundige eerbetuigingen. Wanneer hovelingen zich verzamelen in zijn villa in Mar-a-Lago, zijn we als het ware getuige van een miniatuurversie van Versailles. Maar Trump is geen Lodewijk XIV in spe. Zijn doel is niet om de macht te centraliseren binnen de staat, maar juist om privébelangen meer macht te geven, ten koste van publieke instellingen. Hij is direct begonnen met het terugdraaien van Bidens eerste stappen richting een meer interventionistisch beleid. Groene subsidies, antitrustmaatregelen en belastinghervormingen worden ingetrokken, waardoor grote bedrijven en monopolies – zowel binnen als buiten de VS – meer armslag krijgen. Twee van Trumps executive orders, ondertekend op de dag van zijn inauguratie, onderstrepen deze koerswijziging. Met de eerste herriep hij een Biden-maatregel die de ontwikkelaars van AI-systemen verplichtte om veiligheidsrisico’s – met betrekking tot de nationale veiligheid, economie, gezondheid en openbare orde – te delen met de Amerikaanse overheid. Waar de overheid eerder nog enige controle had over de grenzen van de AI-ontwikkeling, is dit minimale toezicht nu volledig verdwenen. De tweede executive order kondigde de creatie aan van het Department of Government Efficiency (DOGE), onder leiding van Elon Musk. DOGE is een herstructurering van de US Digital Services, een orgaan dat onder Obama werd opgericht om informatiesystemen binnen de overheid te integreren. Dit nieuwe agentschap heeft onbeperkte toegang tot de niet-geheime gegevens van alle federale instanties. De eerste missie van DOGE is ‘het federale wervingsproces hervormen en de verdienste van de ambtenarij herstellen.’ Dit houdt in dat ambtenaren zich moeten ‘inzetten voor Amerikaanse idealen, waarden en belangen’ en ‘loyaal de uitvoerende macht moeten dienen.’ Daarnaast zal DOGE ‘moderne technologieën integreren’ in dit proces – wat in de praktijk betekent dat Musk en zijn machines verantwoordelijk worden voor het politieke toezicht op federale ambtenaren. In de eerste uren van Trumps tweede termijn zijn de tech-ondernemers er dus in geslaagd hun meest winstgevende sectoren af te schermen van openbaar toezicht, terwijl ze tegelijkertijd aanzienlijke invloed hebben verworven over de staatsbureaucratie. De nieuwe regering heeft geen interesse in het inzetten van de federale staat als instrument om de dominante klassen te verenigen binnen een hegemoniale strategie. Integendeel: het doel is om demeest winstgevende kapitaalsectoren volledig te bevrijden van federale beperkingen, terwijl het administratieve apparaat wordt onderworpen aan de algoritmische controle van Musk. De groeiende machtsconcentratie in handen van de tech-oligarchen is allerminst onvermijdelijk. In China is de relatie tussen de Big Tech-sector en de staat wisselvallig, maar wordt de technologiesector doorgaans gedwongen zich aan te passen aan de ontwikkelingsdoelen van de overheid. Ook in het Westen hebben overheidsinstanties zich soms verzet tegen monopolievorming. Zo blokkeerden het Congres, het Amerikaanse ministerie van Financiën en de Federal Reserve (het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken) in 2021 gezamenlijk Facebooks cryptocurrency-project Libra. Volgens de econoom Benoît Cœuré is ‘de moeder van alle politieke vragen de machtsbalans tussen de overheid en Big Tech bij het vormgeven van de toekomst van betalingen en de controle over gerelateerde gegevens.’ Onder Trump kantelt deze balans nu nog verder in het voordeel van Big Tech. Na zijn executive orders gaf hij de toezichthouders opdracht om investeringen in cryptocurrencies te bevorderen, terwijl hij de centrale bank verbood haar eigen digitale valuta te ontwikkelen – een mogelijk tegenwicht tegen private cryptomunten. Dit is waarschijnlijk slechts het begin: we kunnen meer deregulering, belastingvoordelen, overheidscontracten en wettelijke bescherming voor grote techbedrijven verwachten. Dit radicale project van ’s werelds machtigste staat kan verstrekkende gevolgen hebben: het zal de relatie tussen kapitaal en staat, klassen en landen de komende jaren ingrijpend hervormen. Het dreigt een proces te versnellen dat ik elders heb beschreven als ‘technofeodalisering.’ Terwijl grote bedrijven kennis en data monopoliseren, centraliseren ze tegelijkertijd de algoritmische controle over menselijke activiteiten – van werkprocessen tot sociale mediagebruik en winkelgedrag. Nu publieke instellingen steeds minder in staat zijn om de samenleving te organiseren, verschuift deze taak naar Big Tech, dat daardoor een ongekende macht krijgt om zowel individueel als collectief gedrag te sturen. Hierdoor verdwijnt de publieke sfeer in online netwerken, wordt monetaire macht verplaatst naar cryptocurrencies, en koloniseert kunstmatige intelligentie (AI) datgene wat Marx het general intellect noemde – een voorbode van de gestage toe-eigening van politieke macht door private belangen.
Deze verzwakking van bemiddelende instellingen gaat gepaard met een antidemocratische impuls – of beter gezegd, een afkeer van gelijkheid. Sinds de publicatie van het techno-optimistische manifest Cyberspace and the American Dream (1994) huldigen grote delen van Silicon Valley het Randiaanse principe dat creatieve pioniers niet mogen worden ingeperkt door collectieve regels. Binnen deze visie heeft de ondernemer het recht om iedereen die hem dreigt in te perken met voeten te treden – of het nu gaat om arbeiders, vrouwen, raciale minderheden of transpersonen. Dit verklaart de snelle toenadering tussen Californische liberalen en extreemrechts, waarbij figuren als Musk en Zuckerberg zichzelf nu profileren als cultuurstrijders die vechten tegen ‘wokeness.’ Tegelijkertijd verankert de opkomst van algoritmische gouvernementaliteit het idee dat innovatie een vrijbrief is – een recht om te experimenteren, zonder enige verantwoording aan de samenleving af te hoeven leggen.
Dit nieuwe accumulatieregime vervangt de traditionele logica van productie en consumptie door die van roof en afhankelijkheid. Hoewel de drang naar winst net zo ongeremd is als in eerdere fasen van het kapitalisme, heeft Big Tech een uniek winstmodel. Waar kapitaal traditioneel investeert om de kosten te verlagen of aan de vraag te voldoen, investeert technofeodaal kapitaal juist om steeds meer aspecten van de sociale activiteit onder controle te krijgen. Dit creëert een dynamiek van afhankelijkheid, waarin individuen, bedrijven en instellingen gevangen raken. Dit komt deels doordat de diensten van Big Tech geen gewone handelswaar zijn, maar essentiële infrastructuren waarop de samenleving leunt. De enorme Microsoft-blackout in de zomer van 2024 toonde dit haarscherp aan: luchthavens, ziekenhuizen, banken en overheidsinstellingen raakten verlamd door hun afhankelijkheid van deze technologieën. Hierdoor kunnen monopolisten exorbitante prijzen vragen en een eindeloze stroom waardevolle data te gelde maken. Het eindresultaat is wereldwijde economische stagnatie. Winstgevende bedrijven in andere sectoren zien hun marktpositie verzwakken doordat ze steeds afhankelijker worden van cloudtechnologie en AI, terwijl de bredere bevolking wordt overgeleverd aan de roofzucht van het rentenierskapitaal. De enorme grondstoffenhonger van de technofeodalisten versnelt bovendien de ecologische vernietiging, met als gevolg dat overal ter wereld energie-intensieve datacenters verrijzen. Naarmate de economische groei vertraagt, nemen de politieke polarisatie en de economische ongelijkheid verder toe. Arbeiders worden gedwongen te strijden om een steeds kleiner deel van de welvaart. Dit roept een aantal strategische vragen op voor links. Hoe verhoudt de strijd tegen Big Tech zich tot de bestaande antikapitalistische strijd? En hoe moeten we het internationalisme vormgeven in een tijdperk waarin de technofeodale macht nationale grenzen overstijgt? Misschien is het zinvol om de kernprincipes uit Mao’s klassieker On Contradiction (1937) in gedachten te houden, zoals Slavoj Žižek ze treffend samenvatte:
De belangrijkste (universele) tegenstelling valt niet per se samen met de dominante tegenstelling in een specifieke situatie – maar juist in die specifieke tegenstelling schuilt de universele dimensie. In elke concrete situatie is een andere ‘bijzondere’ tegenstelling overheersend. Dit betekent dat, om de strijd voor de oplossing van de hoofdtegenstelling te winnen, een specifieke tegenstelling als prioriteit moet worden behandeld. Alle andere vormen van strijd moeten daaraan ondergeschikt worden gemaakt.
Vandaag de dag blijft de universele tegenstelling die van de kapitalistische uitbuiting, waarin kapitaal tegenover levende arbeid staat. Maar het technofeodale offensief van Trump en Musk zou deze dynamiek kunnen veranderen en een nieuwe hoofdtegenstelling kunnen creëren: die tussen de Amerikaanse Big Tech en de mensen die daardoor worden uitgebuit. Als we dat punt bereiken, zou de strategie van links ingrijpend moeten veranderen. Met de koloniale oorlogen in China als voorbeeld legt Mao uit:
Wanneer het imperialisme een aanvalsoorlog begint tegen een land, kunnen de diverse klassen binnen dat land – met uitzondering van een klein aantal landverraders – tijdelijk verenigd raken in een nationale oorlog tegen het imperialisme. Op dat moment wordt de tegenstelling tussen het imperialisme en het land de belangrijkste tegenstelling. Alle tegenstellingen tussen de diverse klassen binnen het land – inclusief de eerder dominante tegenstelling tussen het feodale regime en de volksmassa’s – nemen tijdelijk een ondergeschikte positie in.
In de huidige context zou dit betekenen dat er een anti-technofeodaal front moet worden gevormd dat verder reikt dan links, waarin verschillende democratische krachten en zelfs fracties van het kapitaal die op gespannen voet staan met Big Tech samenkomen. Deze hypothetische beweging zou een ‘niet-gebonden digitaal beleid’ kunnen voeren, met als doel een economische ruimte te creëren die buiten de greep van de monopolisten ligt, waarin alternatieve technologieën ontwikkeld kunnen worden. Dit zou op zijn beurt twee belangrijke implicaties hebben:
Digitaal protectionisme, waarbij Amerikaanse technologiebedrijven actief worden geweerd en hun infrastructuur – waar mogelijk – wordt ontmanteld.
Een nieuw digitaal internationalisme, waarin technologische oplossingen op coöperatieve basis worden gedeeld en ontwikkeld.
Het behoeft geen betoog dat een dergelijke alliantie met aanzienlijke structurele barrières te maken zou krijgen. Door de complexe vervlechting van kapitalistische belangen – met investeringen die elkaar overlappen in verschillende sectoren en regio’s – wordt het moeilijk om vast te stellen welke delen van het kapitaal meer op één lijn liggen met Big Tech en welke kunnen worden overgehaald om zich bij de oppositie aan te sluiten. Daarnaast zijn nationale bourgeoisieën berucht om hun onbetrouwbaarheid als partner in ontwikkelingsprojecten buiten de imperiale kern. Ze richten zich meestal liever op het vergroten van hun eigen rijkdom dan op het realiseren van structurele veranderingen die een einde zouden maken aan de afhankelijkheid. Er bestaat bovendien het gevaar dat een anti-technofeodaal front, zelfs als het succesvol kan worden gevormd, kwetsbaar blijft voor bureaucratisering – waarbij de ontwikkeling van digitale alternatieven wordt overgelaten aan een technocratische elite in plaats van aan actieve participatie van de volksmassa’s. Maar ook de tech-miljardairs staan voor aanzienlijke obstakels. Hun project – waarbij ze via een alliantie met Trump de laatste barrières voor algoritmische controle willen wegvagen – rust op een uiterst smalle sociale basis. De snelheid waarmee dit plan wordt doorgevoerd, zal onvermijdelijk weerstand oproepen, zowel bij de algemene bevolking als binnen de elite. Daarnaast moeten ze opboksen tegen de digitale opmars van China, terwijl rivaliserende bedrijven zoals DeepSeek het imago van onoverwinnelijkheid van Silicon Valley proberen te ondermijnen. Is het Amerikaanse technofeodalisme daarom slechts een fragiele Leviathan? Zal de terugkeer van Trump de geschiedenis ingaan als een ‘grote gebeurtenis,’ of zal dit uiteindelijk niet meer blijken te zijn dan loze speculatie?
Maike Gosch is communicatiestrateeg en voormalig jurist. Ze heeft onder meer de Duitse Groenen, Wikimedia Duitsland, de Stop TTIP-campagne en het Europees Parlement geadviseerd over onderwerpen als de energietransitie, Europese handelsovereenkomsten en verkiezingscampagnes.
Een nieuw boek onthult hoe de VS en de NAVO Europa altijd hebben beschouwd als een strategisch slagveld in hun conflict met Rusland, zelfs als dat zou leiden tot de volledige vernietiging van het continent.
Iedereen in Europa heeft het op dit moment over oorlog, maar we weten nog veel te weinig over de concrete gevolgen, het mogelijke verloop en de omvang van zo’n eventuele oorlog in en rond ons continent. Er worden ‘Bunker-apps’ ontwikkeld, ziekenhuizen oefenen ‘triage’ zoals in de tijd van de Covid-19-pandemie, en gevestigde politieke partijen overtreffen elkaar met oproepen tot meer wapenleveranties aan Oekraïne en een verhoging van de defensiebudgetten. De Duitse strijdkrachten plakken steden vol met wervingsadvertenties om jonge mannen te rekruteren. Ondanks de belofte van Donald Trump om de oorlog in Oekraïne snel te beëindigen zodra hij aan de macht zou zijn, blijft Duitsland in de opperste staat van paraatheid. De ‘Zeitenwende’ (keerpunt) die de sociaal-democratische Duitse bondskanselier Olaf Scholz in het voorjaar van 2022 luchthartig afkondigde, lijkt alsnog werkelijkheid te worden. Er is hier sprake van een interessante dualiteit: aan de ene kant wordt het gevaar van Rusland en van de mogelijke escalatie van de oorlog herhaaldelijk benadrukt om de wapenleveranties aan Oekraïne en de opbouw van de legers van de Europese landen te rechtvaardigen. De vermeende Russische dreiging wordt door de meeste Europese regeringen en media zeer serieus genomen. Anderzijds stuiten pogingen tot de-escalatie, serieuze diplomatieke initiatieven en pogingen om tot een diepgaand begrip van de onderliggende oorzaken van de oorlog te komen op felle weerstand. De reactie op deze pogingen doet denken aan de scènes uit Thomas Vinterbergs film Festen uit de jaren negentig, waarin een zoon zijn familie probeert te confronteren met het seksueel misbruik van zijn vader, om vervolgens met toenemende woede en geweld het zwijgen te worden opgelegd. Het is begrijpelijk dat degenen die nog altijd pleiten voor vrede veel van de huidige ontwikkelingen en berichten zien als propaganda, bedoeld om het militair-industrieel complex te verrijken, en steun te winnen voor het NAVO-lidmaatschap en uitbreiding van het bondgenootschap – een fenomeen dat Noam Chomsky omschrijft als manufacturing consent. Maar dit betekent niet dat we onze ogen moeten sluiten voor het gevaarlijke spel met vuur waar het huidige buitenlandse beleid van Duitsland en de Europese Unie op neerkomt. Het nieuwste boek van Jonas Tögel, Kriegsspiele – Wie NATO und Pentagon die Zerstörung Europas simulieren (Oorlogsspelletjes – Hoe de NAVO en het Pentagon de vernietiging van Europa simuleren) vult een belangrijke leemte in het publieke debat. De auteur geeft een inzichtelijk overzicht van de militaire planning en strategieën in Europa, en pleit tegelijkertijd hartstochtelijk voor vrede. Jonas Tögel is Amerikanist en propagandaonderzoeker. Hij is gepromoveerd op het onderwerp soft power en motivatie, en werkt als onderzoeksmedewerker aan het Instituut voor Psychologie van de universiteit van Regensburg. Zijn onderzoek richt zich op soft power-technieken, nudging en propaganda. Daarnaast is hij de auteur van de bestseller Kognitive Kriegsführung (‘Cognitieve oorlogsvoering,’ 2023), waarin hij de vaak over het hoofd geziene propaganda-activiteiten van westerse regeringen en inlichtingendiensten blootlegt. Ik keek dan ook reikhalzend uit naar zijn nieuwste werk en was aanvankelijk verbaasd dat Tögel niet begint met NAVO-propaganda, maar met een overzicht van militaire oefeningen en oorlogsscenario’s voor een conflict tussen het Westen en Rusland. Hoe relevant is het om je te verdiepen in de militaire geschiedenis, die soms teruggaat tot de negentiende eeuw? De wereld verandert snel, en de situatie in Oekraïne en Europa is voortdurend in beweging. Misschien is de oorlogsdreiging volgende maand wel geweken, als Trump op een wit paard komt aanrijden en een vredesverdrag tevoorschijn tovert. Maar al na een paar bladzijden had Tögel me overtuigd. Hij begint met de ‘Heartland Theorie’ van de geograaf Halford John Mackinder uit 1904. Deze theorie, die misschien niet bij veel lezers bekend is, stelt dat de uitgestrekte en grondstoffenrijke landmassa van Eurazië de grote spil of het ‘heartland’ van de wereldpolitiek is. Wie dit gebied beheerst, kan de wereld beheersen. Het Britse imperium (en later het Amerikaanse imperium) kan alleen echt bedreigd worden vanuit dit gebied. Drie punten die Mackinder naar voren bracht blijven opvallend actueel:
Hij stelde dat deze regio een even centrale strategische positie had voor de wereldpolitiek als Duitsland voor Europa.
Hij waarschuwde voor Chinese controle over het heartland en beschreef het resulterende rijk als een ‘geel gevaar dat de vrijheid van de wereld bedreigt.’ Tögel benadrukt terecht hoe deze xenofobe retoriek het westerse geopolitieke discours vandaag de dag nog steeds bepaalt.
Hij waarschuwde voor een mogelijke alliantie tussen Rusland en Duitsland en beschouwde die als een van de ernstigste bedreigingen voor de stabiliteit in de wereld.
Tögel verbindt deze historische perspectieven met de hedendaagse geopolitiek en toont hun relevantie aan. In 2015 verklaarde George Friedman, de oprichter van de denktank Stratfor, bijvoorbeeld:
Het allesoverheersende belang van de Verenigde Staten, waarvoor we een eeuw lang oorlogen hebben gevoerd – de Eerste, de Tweede en de Koude Oorlog – was de relatie tussen Duitsland en Rusland, omdat zij samen de enige kracht zijn die ons zou kunnen bedreigen. En we moeten ervoor zorgen dat dat niet gebeurt.
Je ziet dus dat wat Jonas Tögel hier heeft opgegraven een zeer interessant licht werpt op de huidige gebeurtenissen. In deze context wordt vaak de beschuldiging geuit dat dit (ofwel) ‘extreem-rechtse’ of pro-Russische verhalen zijn – dat de VS willen voorkomen dat Rusland en Duitsland hun krachten bundelen. Het zou echter correcter zijn om te spreken van Anglo-Amerikaanse narratieven, zoals Tögel aantoont. Nu zijn er de laatste jaren al eerder een paar boeken over geopolitiek verschenen die het onderwerp van de ‘heartland’-theorie behandelen, maar dit was slechts de inleiding van het onderhavige boek. Daarna volgen een overzicht en een analyse van de militaire planningsspelletjes van het Westen en de NAVO tijdens de Koude Oorlog. Nu zou je denken dat dit vooral interessant is voor militaire historici, maar ook hier wordt veel spannende informatie opgedist die ik in ieder geval nog niet kende en die een helder licht werpt op de huidige situatie op het gebied van de geopolitiek en de militaire strategie in Europa. Ik had bijvoorbeeld nog nooit gehoord van het Britse plan om op 22 mei 1945 (!) een massale verrassingsaanval op Rusland uit te voeren, met Duitse soldaten die uit de krijgsgevangenkampen zouden worden gehaald waarin de geallieerden ze hadden ondergebracht, en die gedwongen zouden worden om opnieuw te vechten. Verder was er een plan van de Amerikanen, ook uit 1945, om atoombommen op twintig Russische steden te gooien, gevolgd door een plan uit 1949 voor atoombommen op tweehonderd doelen in Rusland en een plan uit 1957 voor atoombommen op 3.261 doelen. Tögel beschrijft ook de oprichting van de NAVO en de rol van Duitsland daarin, en opnieuw leren we schokkende en zelden gehoorde feiten. Zo werd tijdens een van de eerste oorlogssimulaties van de NAVO, Operatie ‘Carte Blanche’ (1955), een scenario opgesteld waarin 168 atoombommen op Duits grondgebied zouden worden afgeworpen – niet door de vijand, maar als onderdeel van een strategisch plan in een denkbeeldig conflict tussen de Sovjet-Unie en de NAVO. Deze simulatie vond plaats kort na de toetreding tot de NAVO van de Bondsrepubliek Duitsland, die haar hoop had gevestigd op bescherming door haar transatlantische bondgenoot. Het scenario voorspelde minstens 1,7 miljoen Duitse doden en 3,5 miljoen gewonden.Zo zag die ‘bescherming’ er dus uit! Het idee dat de transatlantische bondgenoot koelbloedig de bijna volledige vernietiging van Duitsland en de gruwelijke dood van miljoenen overwoog, doet de rillingen over je rug lopen. Uit deze passages – en uit de beschrijvingen van latere simulaties, oefeningen en de bijbehorende politieke debatten – blijkt duidelijk hoezeer de VS Europa beschouwden en blijven beschouwen als een slagveld voor hun conflict met Rusland (of destijds de Sovjet-Unie en het Warschaupact). Net als nu in Oekraïne waren het anderen die moesten lijden en sterven voor de geopolitieke machtsstrijd van een wereldrijk. Wat Tögels beschrijving van deze gebeurtenissen en simulaties vooral fascinerend maakt, is de houding van politici en media in die tijd. Bladen als Der Spiegel waren destijds veel kritischer over de Amerikaanse strategie en bespraken openlijk de negatieve gevolgen ervan voor Duitsland. Het contrast met de hedendaagse berichtgeving is opvallend. Opnieuw wordt duidelijk hoe eenvormig de berichtgeving en de standpunten van de meeste politieke partijen zijn geworden over kwesties als de ondergeschiktheid van de Europese militaire en geopolitieke belangen aan die van de VS en de door de VS geleide NAVO. Kritische stemmen over dit onderwerp lijken alleen nog te komen uit de vermeende ‘extreme’ randen van het publieke debat. Tögel beschrijft ook soortgelijke strategische plannen van de Sovjet-Unie en het Warschaupact, zoals het simulatiespel ‘Zeven dagen naar de Rijn’ uit 1964, dat in 2005 door de Poolse regering werd vrijgegeven. In dit scenario zou het Warschaupact zich verdedigen tegen een verrassingsaanval van de NAVO op Oost-Europa door op grote schaal kernwapens in te zetten tegen doelen in West-Europa, gevolgd door een massaal grondoffensief. De beschrijving van de militaire oefeningen door Tögel eindigt met de jongste NAVO-oefening, ‘Steadfast Defender’ (2024). Helaas kan de auteur hier weinig gedetailleerde informatie over geven, aangezien deze oefening nog onderhevig is aan geheimhouding. In het laatste deel van het boek vat Tögel het huidige debat over oorlog en vrede in Duitsland samen. Hij biedt belangrijke inzichten in de narratieven en communicatiestrategieën die hierbij een rol spelen. Daarnaast laat hij zien hoe verrassend marginaal en ineffectief de stemmen in Duitsland zijn die momenteel pleiten voor vrede en diplomatie – en zoekt hij naar verklaringen voor deze ontwikkeling. Het boek sluit af met een goed onderbouwde en diepgevoelde oproep tot bewustwording en actie voor een vreedzame oplossing in het ‘heartland.’ Ondanks de gedetailleerde analyse en het zorgvuldige onderzoek, en ondanks het zeer deprimerende onderwerp, is het boek verrassend leesbaar en onderhoudend. Dit is te danken aan Tögels heldere schrijfstijl en gestructureerde gedachtegang. Hij probeert de verschillende posities op een evenwichtige en objectieve manier te presenteren en neemt geen pro-Russisch standpunt in. Toch zal dit waarschijnlijk niemand ervan weerhouden hem alsnog van dit laatste te beschuldigen – zeker niet in een tijdperk dat steeds meer doet denken aan een nieuwe McCarthy-periode. Al met al is dit korte boek (96 pagina’s) een interessante en waardevolle compilatie van zowel historische feiten als actuele analyses. Het brengt belangrijke kwesties onder de aandacht, die kunnen bijdragen aan een kritischere kijk op de onverantwoordelijke en misplaatste escalatie die in onze tijd plaatsvindt. Hopelijk zal het boek ook leiden tot een versterking van de vredesbeweging in Europa.
Dit is een gastbijdrage van Maike Gosch op de Substack-site van Thomas Fazi, oorspronkelijk in het Duits verschenen in het tijdschrift NachDenkSeiten. Het is een recensie van het nieuwste boek van de Duitse propagandaonderzoeker Jonas Tögel,‘Kriegsspiele – Wie NAVO und Pentagon die Zerstörung Europas simulieren’ (Neu-Isenburg, Westend Verlag 2025, paperback, 96 pagina’s, ISBN 978-3864894886, 15 euro).
Christopher Lynn Hedges is een Amerikaans journalist, auteur, commentator en Presbyteriaanse dominee.
De Amerikaanse democratie is vernietigd door de twee regerende partijen die ons hebben verraden aan bedrijven, militaristen en miljardairs. Nu betalen we de prijs.
Ruim twee decennia lang heb ik, samen met een handvol anderen zoalsSheldon Wolin,Noam Chomsky, Chalmers Johnson,Barbara Ehrenreich enRalph Nader, gewaarschuwd dat de groeiende sociale ongelijkheid en de voortdurende erosie van onze democratische instellingen – waaronder de media, het Congres, de georganiseerde arbeid, de academische wereld en de rechtbanken – onvermijdelijk zouden leiden tot een autoritaire of christelijk-fascistische staat. Mijn boeken, waaronder ‘American Fascists: The Christian Right and the War on America’ (2007), ‘Empire of Illusion: The End of Literacy and the Triumph of Spectacle’ (2009), ‘Death of the Liberal Class’ (2010), ‘Days of Destruction, Days of Revolt’ (2012, geschreven met Joe Sacco), ‘Wages of Rebellion’ (2015) en ‘America: The Farewell Tour’ (2018), waren een opeenvolging van hartstochtelijke oproepen om het verval serieus te nemen. Het geeft me geen voldoening om gelijk te hebben gekregen. ‘De woede van degenen die door de economie in de steek gelaten zijn, de angsten en zorgen van een belegerde en onzekere middenklasse, en het verlammende isolement dat gepaard gaat met het verlies van gemeenschap, vormen het brandhout voor een gevaarlijke massabeweging,’ schreef ik in 2007 in American Fascists. ‘Als deze bezitslozen niet opnieuw worden opgenomen in de gewone maatschappij, als ze uiteindelijk alle hoop verliezen op het vinden van goede, stabiele banen en kansen voor zichzelf en hun kinderen – kortom, de belofte van een betere toekomst – zal het spook van het Amerikaanse fascisme de natie overspoelen. Deze wanhoop, dit verlies van hoop, deze ontkenning van een toekomst, drijven de wanhopigen in de armen van degenen die wonderen beloven en dromen van apocalyptische glorie verkopen.’
‘Trump en zijn coterie van miljardairs, generaals, halve garen, christelijke fascisten, criminelen, racisten en moreel afwijkenden spelen de rol van de Snopes-clan uit de romans van William Faulkner,’ schreef ik in America: The Farewell Tour. ‘De Snopes-clan vulde het machtsvacuüm in van het vervallen Zuiden en nam meedogenloos de controle over van de gedegenereerde, voormalige slavenhoudende aristocratische elites. Flem Snopes en zijn uitgebreide familie – waaronder een moordenaar, een pedofiel, een bigamist, een brandstichter, een geestelijk gehandicapte man die met een koe copuleert, en een familielid dat kaartjes verkoopt om dit tafereel te aanschouwen – zijn fictieve representaties van het uitschot dat nu tot de hoogste niveaus van de federale overheid is verheven. Ze belichamen de morele verrotting die voortkomt uit ongebreideld kapitalisme.’
‘De gebruikelijke verwijzing naar “amoraliteit,” hoewel accuraat, is niet voldoende onderscheidend en plaatst hen op zichzelf niet, zoals het hoort, in hun historische context,’ schreef criticus Irving Howe over de Snopes-clan. ‘Misschien is het belangrijkste om te zeggen dat zij zijn wat daarna komt: de wezens die opdoemen uit de verwoesting, met het slijm nog op hun lippen.’ ‘Laat een wereld instorten, bijvoorbeeld in het Mondiale Zuiden of in Rusland, en onmiddellijk komen er figuren bovendrijven met onbeschaamde ambitie. Ze banen zich een weg omhoog vanuit de diepste lagen van de samenleving, mannen voor wie morele principes niet alleen absurd lijken, maar simpelweg onbegrijpelijk zijn. Het zijn zonen van struikrovers of eenvoudige boeren die uit het niets opduiken en de macht grijpen met de rauwe, nietsontziende kracht van hun onverschrokkenheid,’ schreef Howe. ‘Deze mannen worden presidenten van lokale banken, voorzitters van regionale partijcomités, en later, enigszins opgepoetst, vechten ze zich een weg omhoog tot in het Congres of het Politbureau. Ze zijn aaseters zonder enige terughoudendheid. Ze hoeven niet te geloven in de instortende officiële regels van hun samenleving; het enige wat ze moeten doen, is de juiste geluiden imiteren.’ De politieke filosoof Sheldon Wolin omschreef ons bestuurssysteem als een vorm van ‘omgekeerd totalitarisme.’ Dit is een systeem waarin de oude symbolen, iconografie en taal van de democratie behouden blijven, maar de macht feitelijk is overgedragen aan bedrijven en oligarchen. We maken nu de overgang naar een meer herkenbare vorm van totalitarisme, gekenmerkt door de opkomst van een demagoog en een ideologie die draait om de demonisering van ‘de ander,’ overdreven mannelijkheid en irrationeel, magisch denken. Fascisme ontstaat altijd als het bastaardkind van een failliet liberalisme. ‘We leven in een rechtssysteem met twee gezichten: aan de ene kant worden arme mensen lastiggevallen, gearresteerd en opgesloten voor onbeduidende overtredingen, zoals het verkopen van losse sigaretten – een praktijk die in 2014 leidde tot de fatale wurging van Eric Garner door de politie in New York City. Aan de andere kant worden misdaden van enorme omvang, gepleegd door oligarchen en bedrijven – zoals olielekkages of bankfraude ter waarde van honderden miljarden dollars, die veertig procent van de wereldwijde rijkdom hebben vernietigd – afgedaan met lauwe administratieve maatregelen, symbolische boetes en civiele procedures. Dit systeem biedt de rijke daders feitelijke immuniteit tegen strafrechtelijke vervolging,’ schreef ik in America: The Farewell Tour. De utopische ideologie van het neoliberalisme en het mondiale kapitalisme is een enorme oplichterij. In plaats van de rijkdom eerlijk te verdelen, zoals de neoliberale pleitbezorgers beloofden, werd het grootste deel ervan omhoog gesluisd naar een roofzuchtige, oligarchische elite. Dit heeft geleid tot de ergste economische ongelijkheidsinds het tijdperk van de roofridders. De werkende armen, van wie de vakbonden en rechten werden afgebroken en van wie de lonen de afgelopen veertig jaar zijn gestagneerd of zelfs gedaald, zijn in een toestand van chronische armoede en werkloosheid terechtgekomen. Hun leven, zoals Barbara Ehrenreich beschrijft in ‘Nickel and Dimed, is een eindeloze, stressvolle strijd om te overleven. De middenklasse verdwijnt langzaam maar zeker. Steden die ooit bloeiden dankzij productie en fabrieksbanen zijn veranderd in verlaten, dichtgetimmerde gebieden. De gevangenissen raken overvol. Tegelijkertijd hebben bedrijven de afbraak van handelsbarrières bevorderd, waardoor ze 1,42 biljoen dollar aan winsten bij buitenlandse banken kunnen parkeren om belasting te ontwijken.
Het neoliberalisme heeft, ondanks zijn belofte om de democratie te versterken en wereldwijd te verspreiden, in werkelijkheid regelgeving uitgehold en democratische systemen ontmanteld. Deze zijn omgevormd tot machtsapparaten die bedrijven dienen. In de neoliberale orde zijn termen als ‘liberaal’ en ‘conservatief’ betekenisloos geworden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een Democratische presidentskandidaat die trots opschepte over de steun van Dick Cheney, een oorlogsmisdadiger die zijn ambt van vice-president onder president George W. Bush verliet met een goedkeuringspercentage van slechts dertien procent. De aantrekkingskracht van Trump ligt erin dat hij, hoewel verwerpelijk en clownesk, het faillissement van de politieke schijnvertoning genadeloos blootlegt en bespot.
‘De permanente leugen is de apotheose van het totalitarisme,” schreef ik in America: The Farewell Tour.
Het maakt niet langer uit wat waar is, alleen wat als ‘juist’ wordt beschouwd. Federale rechtbanken worden bevolkt door incompetente en onkundige rechters die trouw zijn aan de ‘juiste’ ideologie: die van het corporatisme en de strenge sociale normen van christelijk rechts. Zij hebben een diepe minachting voor de werkelijkheid, inclusief de wetenschap en de rechtsstaat, en proberen degenen die leven in een wereld gebaseerd op realiteit en intellectuele en morele autonomie buitenspel te zetten. Totalitaire regimes verheffen altijd de brute kracht en de domheid. Deze regerende idioten hebben geen echte politieke filosofie of concrete doelen. Ze rechtvaardigen hun hebzucht en machtswellust met holle clichés en tegenstrijdige slogans. Dit patroon is net zo zichtbaar bij christelijk rechts als bij de corporatisten die het evangelie van de vrije markt en mondialisering prediken. De samensmelting van deze twee groepen – corporatisten en christelijk rechts – is als een huwelijk tussen Godzilla en Frankenstein.
De illusies die via onze schermen worden verspreid – inclusief de fictieve persoonlijkheid die voor Trump werd gecreëerd in The Apprentice – hebben de werkelijkheid verdrongen. Politiek is verworden tot een burleske voorstelling, zoals de saaie, met beroemdheden doorspekte campagne van Kamala Harris treffend illustreerde. Het is niets meer dan een show, opgebouwd uit rook en spiegels, geproduceerd door een leger van agenten, publicisten, marketingafdelingen, promotors, scriptschrijvers, televisie- en filmproducenten, videotechnici, fotografen, bodyguards, kledingadviseurs, fitnesstrainers, opiniepeilers, nieuwslezers en televisiecoryfeeën. We leven in een cultuur die wordt overspoeld door leugens. ‘De cultus van het zelf domineert ons culturele landschap,’ schreef ik in Empire of Illusion.
Deze cultus vertoont de klassieke eigenschappen van psychopaten: oppervlakkige charme, grootheidswaan en zelfingenomenheid; een onverzadigbare behoefte aan constante prikkels, een voorkeur voor liegen, bedriegen en manipuleren, en een totaal gebrek aan wroeging of schuldgevoel. Dit is precies de ethiek die bedrijven promoten: de ethiek van onbelemmerd kapitalisme. Het is het misplaatste geloof dat persoonlijke stijl en persoonlijke vooruitgang – vaak verward met individualisme – gelijk staan aan democratische gelijkheid. In werkelijkheid is persoonlijke stijl, gedefinieerd door de goederen die we kopen en consumeren, een compensatie geworden voor het verlies van echte democratische gelijkheid. In de cultus van het zelf geloven we dat we recht hebben op alles wat we willen. We mogen alles doen – zelfs onze vrienden kleineren of vernietigen – om rijkdom, geluk en roem te bereiken. En zodra roem en rijkdom bereikt zijn, worden ze hun eigen rechtvaardiging, hun eigen moraal. Hoe je daar gekomen bent, doet er niet meer toe. Zodra je de top hebt bereikt, stelt niemand die vragen nog.
Mijn boek Empire of Illusion begint in Madison Square Garden tijdens een tournee van World Wrestling Entertainment. Ik realiseerde me dat professioneel worstelen een blauwdruk vormde voor ons sociale en politieke leven, maar ik had nooit verwacht dat het uiteindelijk een president zou voortbrengen. ‘De gevechten zijn gestileerde rituelen,’ schreef ik destijds, in woorden die net zo goed een beschrijving van een Trump-rally hadden kunnen zijn:
Het zijn openbare uitingen van pijn en een intens verlangen naar wraak. Het zijn niet de worstelwedstrijden zelf, maar de groteske en gedetailleerde verhalen achter elke wedstrijd die het publiek in extase brengen. Deze geritualiseerde gevechten bieden de mensen in de arena een tijdelijke, uitbundige ontsnapping uit hun dagelijkse bestaan. De zware last van echte problemen wordt getransformeerd tot brandstof voor een energieke en meeslepende pantomime.
Het wordt er niet beter op. De middelen om afwijkende meningen de mond te snoeren zijn diep verankerd. Onze democratie is al jaren geleden ingestort. We verkeren in de greep van wat Søren Kierkegaard omschreef als de ‘ziekte tot de dood’ – een verdoving van de ziel door wanhoop, die leidt tot morele en fysieke vernedering. Het enige wat Trump hoeft te doen om een openlijke politiestaat te vestigen, is een schakelaar omzetten. En dat zal hij doen. ‘Hoe erger de realiteit wordt, hoe minder een belegerde bevolking erover wil horen,’ schreef ik aan het einde van Empire of Illusion, ‘en hoe meer ze zichzelf afleidt met smakeloze pseudo-evenementen vol beroemdheden, roddels en trivia. Dit zijn de vulgaire feesten van een stervende beschaving.’
Thomas Fazi is columnist en vertaler bij UnHerd. Zijn jongste boek is The Covid Consensus, dat hij samen met Toby Green schreef. Dit boek komt binnenkort in Nederlandse vertaling uit bij Starfish Books.
AI zal worden ingezet om de wereld te domineren.
Vlak voordat hij in januari 1961 het Witte Huis verliet, waarschuwde president Eisenhower op beroemde wijze voor het ‘militair-industriële complex’ en beschreef hij hoe defensiebedrijven en militaire functionarissen samenwerkten om het overheidsbeleid op ongepaste wijze te beïnvloeden. Ruim 64 jaar later sloot Joe Biden zijn eigen ambtstermijn af met een vergelijkbare waarschuwing. In zijn afscheidsboodschap sprak hij over een nieuwe oligarchie: een ‘techno-industrieel complex’ dat de macht steeds meer naar Silicon Valley trekt, ten koste van het Amerikaanse volk.
Biden doelde duidelijk op de warme banden tussen Donald Trump en Big Tech-miljardairs zoals Elon Musk. Hoewel de kritiek van de vertrekkende president enigszins hol klinkt – niet in de laatste plaats vanwege de nauwe banden van zijn eigen regering met het bedrijfsleven – zit er toch een kern van waarheid in zijn woorden. De groeiende samenwerking tussen Big Tech en de Amerikaanse overheid speelt inderdaad een grote rol in het vormgeven van de toekomst van het land en zal naar verwachting een flinke impuls krijgen onder Trump.
Bij de start van zijn tweede termijn zijn Trumps banden met de techindustrie onmiskenbaar. Musk, om een voorbeeld te noemen, heeft aanzienlijke bedragen in Trumps campagne gestoken. Hij is benoemd tot mede-leider van het nieuwe ministerievan Overheidsefficiëntie, een functie die hem directe invloed geeft op federale begrotingsbeslissingen. Om niet achter te blijven hebben alle grote techbedrijven miljoenen gedoneerd aan Trumps inauguratiefonds. Maandag zaten prominenten zoals Jeff Bezos en Tim Cook op de eerste rij, wat wijst op een belangrijke politieke verschuiving binnen de elite van Silicon Valley, traditioneel een bolwerk van progressief liberalisme. Een teken van deze herschikking kwam eerder deze maand, toen Zuckerberg aankondigde dat hij factcheckers van zijn platforms zou verwijderen.
Dit gaat echter verder dan politiek opportunisme, het partij kiezen voor een winnaar of het zich aanpassen aan een nieuwe politieke realiteit. Deze toenadering kan niet alleen worden verklaard door wat Trump de miljardairs heeft beloofd, zoals een afwachtende houding ten opzichte van crypto en AI. Wat zich hier afspeelt, maakt deel uit van een veel groter verhaal, waarin het militair-industriële verleden van Eisenhower samenkomt met het technisch-industriële heden van Biden. Welkom in de techno-militaire toekomst van Amerika. Met de steun van reuzen uit de privésector zal de Amerikaanse veiligheidsstaat dodelijker en krachtiger worden dan ooit tevoren. Tegelijkertijd legt hun afhankelijkheid van federale contracten zowel de hypocrisie van de techmiljardairs als de continuïteit van Trumps beleidsprogramma pijnlijk bloot.
Dit is geen totaal nieuw fenomeen: de nauwe banden tussen industrie en overheid, geworteld in het militarisme van de Koude Oorlog, waren precies waar Eisenhower begin jaren zestig voor waarschuwde. Wat nu echter anders is, is hoe Amerikaanse militaire en inlichtingenoperaties zijn uitbesteed aan Big Tech. Neem Amazon als voorbeeld, een belangrijke leverancier van cloudcomputingdiensten aan zowel het ministerie van Defensie als de CIA. Daarnaast ontwikkelt Amazon actief AI-tools voor logistieke optimalisatie en analyse van het slagveld, waardoor het bedrijf zich nog dieper inbedt in defensieoperaties. Ook concurrenten bewegen in dezelfde richting. Zo heeft Google met Project Maven technologie ontwikkeld die AI inzet om dronebeelden te analyseren voor surveillance en doelbepaling. Hoewel interne protesten Google dwongen zich uit het project terug te trekken, blijft het bedrijf essentiële clouddiensten leveren aan overheidsinstanties.
Microsoft heeft op zijn beurt veel defensiecontracten binnengehaald, waaronder de ontwikkeling van het Integrated Visual Augmentation System voor het Amerikaanse leger. Dit 22 miljard dollar kostende project verbetert het situationeel bewustzijn van troepen via augmented reality. Hoewel het van oudsher minder banden heeft met het Pentagon, heeft Meta zich de laatste tijd ook op dit terrein begeven en zijn Llama-groottaalmodel beschikbaar gemaakt voor militaire klanten. Dit laatste voorbeeld onderstreept hoe Big Tech bedrijven geavanceerde AI-tools inzetten voor militaire doeleinden, waardoor de grenzen tussen privé-innovatie en buitenlands beleid van de VS verder vervagen.
De Big Tech bedrijven zijn ook niet de enigen; in hun kielzog is een nieuwe golf van kleinere bedrijven ontstaan. Ze noemen zichzelf Little Tech – hoewel ze in werkelijkheid miljarden dollars waard zijn en hun rijkdom vaak te danken is aan lucratieve defensiecontracten. Een voorbeeld: Het Starlink satellietsysteem van SpaceX is onmisbaar geworden voor militaire operaties van de VS en zorgt voor veilig en betrouwbaar internet in conflictgebieden zoals Oekraïne. Musk ontwikkelt ook een constellatie van op maat gemaakte spionagesatellieten voor inlichtingendiensten, waardoor zijn rol in de nationale veiligheid verder wordt versterkt. Anduril, opgericht door Palmer Luckey, doet vergelijkbaar werk. Het bedrijf kreeg aanvankelijk aandacht met zijn bewakingstorens die migranten detecteerden, maar is nu ook bezig met het bouwen van autonome drones, raketten, robots en andere defensietechnologieën.
Maar geen enkel bedrijf belichaamt het techno-militarisme beter dan Palantir. Het bedrijf is opgericht door Peter Thiel, die in een vroeg stadium financiering ontving van de risicokapitaalafdeling van de CIA, en hij heeft zijn bedrijf ontwikkeld in nauwe samenwerking met verschillende Amerikaanse inlichtingendiensten. Eén Palantir-product, Gotham, integreert surveillance- en verkenningsgegevens om inzichten te verschaffen voor terrorismebestrijding en inlichtingen op het slagveld. Een ander programma, Foundry, biedt logistiek en supply chain management. Deze systemen bewijzen hun nut in het veld: ze hebben Oekraïne geholpen in de strijd tegen Rusland en Israël in de strijd tegen Hamas-strijders in Gaza.
Niet minder belangrijk is dat deze nieuwe generatie techno-militaristen ook het publieke debat vormgeeft. Hun leiders, met name Thiel en Luckey, staan erom bekend dat ze een agressieve neo-imperialistische ideologie omarmen die oorlog en geweld verheerlijkt als fundamentele uitingen van patriottische plicht. “Samenlevingen hebben altijd een krijger klasse nodig gehad die enthousiast en opgewonden is over het uitvoeren van geweld op anderen om goede doelen na te streven,” legde Luckey uit in een recente toespraak. “Je hebt mensen zoals ik nodig die op die manier ziek zijn en die niet wakker liggen van het maken van geweldswerktuigen om de vrijheid te behouden”. Alex Karp, de CEO van Palantir, heeft soortgelijke beweringen gedaan. Hij stelde dat om de legitimiteit te herstellen en de nationale veiligheid te versterken, de VS hun vijanden “bang wakker moeten laten worden en bang naar bed moeten laten gaan” – iets wat bereikt zou kunnen worden door collectieve straffen.
Wat deze zelfbenoemde techno-oorlogsvoerders verenigt, is hun overtuiging dat de VS technologie, vooral AI, moet gebruiken om de wereldwijde dominantie van hun land te laten gelden – een ontwikkeling waar ze overigens enorm van zullen profiteren. Het voor de hand liggende doelwit is China, dat door Thiel en de rest wordt gezien als een existentiële bedreiging voor de Amerikaanse hegemonie. Cruciaal is dat ze stellen dat de traditionele defensie kolossen, evenals de Big Tech monopolisten, niet geschikt zijn voor deze taak, niet in de laatste plaats vanwege hun logge bedrijfsstructuren.
Vorig jaar publiceerde Palantir zelfs een manifest waarin het de gevestigde aanbestedingspraktijken van het Pentagon aanvalt. Het zei onder andere dat het Ministerie van Defensie concurrentie moet aanmoedigen en ontwikkeling moet versnellen – uiteraard door zich verder open te stellen voor Little Tech. Dit is niets minder dan een oorlogsverklaring aan de gevestigde aannemers, zeker als je bedenkt dat Palantir en Anduril naar verluidt in gesprek zijn met een tiental concurrenten, waaronder SpaceX en ChatGPT-maker OpenAI, om samen mee te dingen naar contracten uit het kolossale defensiebudget van 850 miljard dollar van de VS.
In elk geval onderstreept deze activiteit de voosheid van de libertaire en anti-statistische ideologie die wordt aangehangen door tech bros als Thiel. Hoezeer ze ook beweren dat ze tegen een grote overheid zijn, de waarheid is dat het techno-militaire complex volledig afhankelijk is van de staat: om buitenlandse markten af te snoepen, fondsen van veiligheidsagentschappen door te sluizen – en natuurlijk om oorlogen te voeren. Als ideologische goeroe van Little Tech heeft Thiel inderdaad uitgebreide banden opgebouwd met Magaworld. Hij doneerde $15 miljoen aan de senaatscampagne van JD Vance in 2022, die op zijn beurt in Anduril investeerde.
Wie de dreigende burgeroorlog tussen Big Tech en zijn meer agressieve neefje ook wint, het is duidelijk dat het techno-militaire complex niet alleen de nieuwe regering – maar ook de Amerikaanse samenleving – vorm zal geven en de groeiende onderlinge afhankelijkheid tussen staatsmacht en bedrijfsbelangen zal verergeren. Maar het meest opvallende is misschien wel wat het techno-militaire complex zegt over het beleidsplatform van Trump. De nieuwe president heeft zichzelf gepresenteerd als een anti-interventionist en als een kandidaat voor vrede, maar zijn regering is nauw verbonden met bedrijven die afhankelijk zijn van het bestendigen van het Amerikaanse militarisme. De fixatie van de techno-oorlogsvoerders op China is een goed voorbeeld van deze dynamiek, omdat spanningen met de Volksrepubliek volop kansen bieden aan hightech defensiebedrijven. Zolang bedrijven die gedijen op oorlog invloed blijven uitoefenen op het Amerikaanse buitenlands beleid, is het onwaarschijnlijk dat het land ooit zal kunnen afkicken van zijn oorlogszuchtige neigingen.
De groeiende macht van het techno-militaire complex heeft ook gevolgen voor het binnenland. De bewakingstechnologieën die ontwikkeld zijn door bedrijven als Palantir kunnen uiteraard zowel in eigen land als in het buitenland worden ingezet – en dat is ook al gebeurd. In 2009 gebruikte JPMorgan immers een Palantir-programma genaamd Metropolis om gegevens van werknemers te monitoren, inclusief e-mails en GPS-locaties, om tekenen van ontevredenheid op te sporen. Nogmaals, figuren als Thiel prediken het libertarisme terwijl ze profiteren van autoritaire bewakingstechnologieën, een tegenstrijdigheid die de nieuwe regering zal achtervolgen. Het is nog vroeg, maar je hoeft geen Eisenhower te zijn om te raden hoe deze spanningen zullen uitpakken.
Voor Trump stond een handvol CEO’s met een gezamenlijke rijkdom van ruim 1,2 biljoen dollar. Zij, samen met de cryptofraudeurs, zijn de echte begunstigden van Trumps tweede ambtstermijn.
Presidentiële inauguraties zijn beladen met symboliek, van Jimmy Carter die te voet door de menigte op Pennsylvania Avenue wandelde, tot het mediagenieke post-Bush feest van Barack Obama. Het is dan ook treffend dat het meest opvallende beeld van Donald Trumps inauguratie als 47e president van de Verenigde Staten een foto was van de miljardairs op de eerste rij tijdens zijn beëdiging in de Capitol Rotunda. Elon Musk, Jeff Bezos en Mark Zuckerberg, vergezeld door andere minder bekende giganten van het informatietijdperk, maakten veel van de pracht en praal van de MAGA-ceremonies die dag overbodig. Hier zaten de echte begunstigden van Trumps tweede presidentschap, evenals de zelfgenoegzame facilitators die van het presidentschap een verlengstuk maakten van zijn merkenimperium. Om het beeld nog krachtiger te maken, mochten de aanwezige miljardairs – met een gezamenlijke nettowaarde van ruim 1,2 biljoen dollar – hun echtgenotes meenemen. Een privilege dat niet gegund werd aan hun ingehuurde bedienden die als leden van het Congres dienen.
Vier jaar geleden zou dit tafereel ondenkbaar zijn geweest, te midden van de smerige, haatgedreven nasleep van de mislukte couppoging op 6 januari en Trumps tweede impeachment in de laatste dagen van zijn eerste termijn. Maar zoals Cyndi Lauper op beroemde wijze zong: money changes everything. De leden van Trumps rij van miljardairs hadden allemaal donaties van zeven cijfers gedaan aan zijn inaugurele fonds – een veredeld slushfund dat opereert onder de Trump-merknaam – en plukken nu al overvloedig de vruchten van hun investering. Alleen al Elon Musk heeft zijn ongeëvenaarde rijkdom in razend tempo zien toenemen sinds hij 270 miljoen dollar aan schimmige donaties schonk aan Trumps herverkiezingscampagne. Met een extra 222 miljard dollar aan vermogen sinds verkiezingsdag staat zijn nettowaarde nu op ongeveer een half biljoen dollar. Het is dan ook niet verrassend dat een uitgelaten Musk zijn grote dag in de politieke schijnwerpers afsloot met wat leek op een Sieg Heil-groet tijdens een bijeenkomst na de inauguratie. In zijn toespraak herhaalde Trump de gebruikelijke MAGA-leuzen over de ‘radicale en corrupte gevestigde orde’ die het geboorterecht van de natie zou hebben geplunderd. Hij beweerde daarbij dat hij ‘door God was gered’ tijdens de moordaanslag op hem in Butler, Pennsylvania, afgelopen zomer, om ‘Amerika weer groot te maken.’ Deze retoriek, een echo van de Bannon-achtige klaagzangen over het ‘Amerikaanse bloedbad,’ was echter niets meer dan een standaard vertoning van verontwaardiging voor het publiek. De echte actie in Trumps regering is altijd voorbehouden geweest aan de rijken en ingewijde insiders. Dit was de onmiskenbare boodschap van Trumps eigen financiële stunt voorafgaand aan de inauguratie: de lancering van een memecoin met het Trump-merk in het weekend, die hem op maandagochtend rond 13.00 uur tijdelijk een papieren meevaller opleverde van ongeveer 41 miljard dollar aan marktwaarde. (Een vergelijkbare memecoin, gelanceerd voor zijn vrouw Melania, bereikte in dezelfde korte periode een marktwaarde van ongeveer 8,4 miljard dollar.) Zoals vaak het geval is met vluchtige cryptoproducten, kelderden beide munten snel in waarde. De daling werd versneld doordat Trump zijn cryptofanboys teleurstelde door hun stokpaardje niet eens te noemen in zijn inaugurele rede. Toch was deze symbolische vertoning rond de inauguratie veelzeggend, omdat crypto-promotors nog steeds hopen op gunstige beleidsveranderingen tijdens een tweede termijn van Trump. De Bitcoinprijs steeg naar een recordhoogte in 2025 van 109,000 dollar na berichten dat Trump van plan is een executive order te ondertekenen waarmee hij het beleid van Biden terugdraait dat de handel in crypto’s scheidde van traditionele bankactiviteiten. Ook zou hij een executive order voorbereiden om het huidige boekhoudsysteem – dat crypto’s classificeert als passiva op de balansen van financiële instellingen – te schrappen. Daarnaast is Trump van plan om Gary Gensler, het aftredende hoofd van de Securities and Exchange Commission (SEC) en een uitgesproken criticus van crypto, te vervangen door Paul Atkins. Atkins, een crypto-voorstander en voormalig medevoorzitter van de crypto-promotiegroep Token Alliance, staat bekend om zijn steun aan de cryptomarkt en belooft een veel vriendelijker beleid richting deze sector. Voor de goede orde heeft Trump David Sacks, een zakenbankier en prominent lid van de PayPal-maffia in Silicon Valley, aangesteld als zijn AI- en crypto-adviseur. Het is veelzeggend dat cryptomarkten zo instabiel zijn dat ze al reageren op een enkele tegenslag in een inaugurele toespraak. Maar na te hebben gezien hoe zijn eigen merkimperium kortstondig op epische schaal werd gestimuleerd door de cryptomarkt, lijkt Trump vastberaden om precies die deregulerende gunsten te blijven uitdelen waar cryptobaronnen zo naar verlangen. Crypto-deregulering is ook een belangrijk thema in het pas bijeengeroepen 119e Congres – een ontwikkeling die nauwelijks verrassend is, aangezien de crypto-industrie de grootste bron van politieke donaties was tijdens de laatste verkiezingscyclus. Hoewel crypto-enthousiastelingen misschien niet naast Musk en andere miljardairs stonden tijdens de eigenlijke inauguratie, volgden ze wel snel het voorbeeld van de ultrarijken. De cryptosector droeg ruim tien miljoen dollar aan donaties bij aan de inauguratie van Trump en organiseerde afgelopen vrijdag een onofficieel inauguratiebal, met een optreden van de met MAGA sympathiserende rapper Snoop Dogg. Het bal vond plaats in het Andrew Mellon Auditorium in Washington DC, een opvallende keuze voor de weinig productieve cryptosector. Mellon, die in de jaren twintig van de vorige eeuw diende als minister van Financiën tijdens het tijdperk van de robber barons, is vooral bekend van zijn beruchte advies aan president Herbert Hoover bij het begin van de Grote Depressie om ‘arbeid te liquideren, aandelen te liquideren, boeren te liquideren, onroerend goed te liquideren,’ een ironische associatie voor een sector die zichzelf graag presenteert als een revolutie tegen gevestigde machten. Trumps absurde voorstel voor een ‘cryptoreserve’ – een speculatief noodfonds om de overheidsuitgaven tegen inflatie te beschermen – zou een gigantische cadeau zijn voor de cryptosector. Dit onofficiële financiële plan leidde eerder al tot een korte rally in cryptoprijzen, gevolgd door de gebruikelijke ineenstorting die dichter bij de realiteit kwam. Toch maken deze marktbewegingen weinig uit voor de insider-financiers die de macht zullen hebben in Trumps nieuwe regering. Niet alleen de inauguratie was bezaaid met ultra-rijken; zijn team omvat maar liefst dertien miljardairs. Eén van hen, Vivek Ramaswamy, lijkt echter al snel buitenspel te staan. Hij wist in zijn twijfelachtige rol als covoorzitter van het ministerie vanOverheidsefficiëntie vóór Trumps aantreden al een groot deel van zijn federale collega’s tegen zich in het harnas te jagen, wat hem mogelijk een snelle exit oplevert – een scenario dat doet denken aan de korte ambtstermijn van Antonio Scaramucci.
Het marktvuurwerk zal vooral rampzalig zijn voor de late instappers die uiteindelijk met lege handen zullen blijven staan. In die zin lijkt het cryptocircus sterk op de retoriek die het einde voorspelt voor de deep state en haar vermeende bondgenoten. De enige cryptoboodschap die er echt toe doet, is de garantie die Trump tijdens zijn campagne aan zijn crypto-achterban gaf: ‘Vanaf nu worden alle regels geschreven door mensen die van jullie industrie houden.’
In Greener Than You Think, een roman uit 1947 van de linkse sciencefictionschrijver Ward Moore, rekruteert een gestoorde vrouwelijke wetenschapper in Los Angeles een straatarme verkoper genaamd Albert Weener – beschreven als iemand met ‘alle eigenschappen van een hardnekkige profiteur’ – om haar uitvinding te promoten: een stof genaamd Metamorphizer, die de groei van grasachtige gewassen bevordert en deze laat gedijen op onvruchtbare en rotsachtige grond. De wetenschapper droomt ervan de wereldhonger voorgoed te beëindigen door de productie van tarwe en andere granen enorm te vergroten. Weener, die niets van wetenschap begrijpt, ziet slechts een kans om snel rijk te worden door het middel huis-aan-huis als gazonverbeteraar te verkopen. Omdat ze dringend geld nodig heeft om haar onderzoek voort te zetten, gaat de wetenschapper met tegenzin akkoord, waarna Weener op pad gaat naar de vergeelde gazons van uitgebluste bungalowwijken.
Tot zijn grote verbazing blijkt de stof, die de genetica van grasachtigen verandert, veel te effectief. In de tuin van de familie Dinkman verandert het vingergras in een ware nachtmerrie, een ‘duivelsgras’ dat immuun is voor maaien en onkruidverdelgers, en zich al snel over de stad begint uit te breiden. ‘Het kronkelde en wrikte zich voort in een nachtmerrieachtige vaart… het bedekte onverbiddelijk alles op zijn pad. Een scheur in de weg verdween onder het gras, een struik werd opgeslokt, een stuk muur verdween.’ Het gras blijft groeien, vreet zich een weg door straten en huizen, en slokt uiteindelijk de hele stad op: een monsterlijke nieuwe natuur, die onstuitbaar voortkruipt.
Greener Than You Think is zowel hilarisch als lichtelijk zenuwslopend. Wat ooit een absurde premisse leek, krijgt door de klimaatverandering een onverwachte actualiteit. Ons moderne ‘duivelsgras’ is dravik, een geslacht van invasieve, bijna onuitroeibare grassoorten met vreemde namen zoals stijve dravik, zwenkdravik en boskortsteel. Sommige van deze soorten komen oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied en het Midden-Oosten en vestigden zich in Californië tijdens de Gold Rush, toen overbegrazing het agressieve dravik en gewone glanshaver in staat stelde om inheemse planten te verdringen. Tegenwoordig zijn vuur en de oprukkende stedelijke bebouwing de katalysatoren van hun verspreiding, en nemen deze grassen vrijwel elk ecosysteem in de staat over.
De oostelijke Mojavewoestijn is een schrijnend voorbeeld. Als je vanuit Los Angeles over de Interstate 15 naar Las Vegas rijdt, kun je twintig minuten voor de staatsgrens de afslag nemen naar een tweebaansweg genaamd Cima Road. Deze onopvallende weg leidt naar een van de meest magische bossen van Noord-Amerika: kilometers aan oeroude Joshua Trees die de Cima Dome bedekken, een gebied met kleine Pleistocene vulkanen. De grootste bomen van dit bos, sommige tot wel dertig meter hoog en eeuwenoud, vormen het hart van dit unieke ecosysteem. In augustus werden naar schatting 1,3 miljoen van deze indrukwekkende reuzenyucca’s verwoest door de Dome Fire, een brand die werd veroorzaakt door blikseminslag.
Het was niet de eerste keer dat de oostelijke Mojavewoestijn werd getroffen door brand. In 2005 woedde er een megabrand die een miljoen hectare woestijn verschroeide, maar toen bleef de Cima Dome gespaard. De afgelopen decennia heeft een invasie van Spaanse dravik echter een brandbare onderlaag gecreëerd die het risico op branden sterk heeft vergroot en de Mojave heeft veranderd in een vuurgevoelig ecosysteem. (Invasieve soorten zoals zwenkdravik en wire grass hebben een vergelijkbare rol gespeeld in het Great Basin en de Pacific Northwest).
In tegenstelling tot Californische eiken en chaparral zijn de meeste woestijnplanten niet bestand tegen vuur, waardoor hun herstel hoogst onzeker is. Debra Hughson, hoofd wetenschap van het Mojave National Preserve, noemde de brand in een interview met de Desert Sun een uitstervingsgebeurtenis. ‘Joshua Trees zijn zeer brandbaar. Ze sterven af en komen niet meer terug.’
Onze brandende woestijnen zijn regionale voorbeelden van een wereldwijde trend: de door vuur veroorzaakte transformatie en vervanging van inheemse vegetatie, van Groenland tot Hawaï. Zelfs het Antarctisch Schiereiland kampt inmiddels met een probleem van invasief onkruid. In de meeste gevallen zijn exotische planten – vooral eenjarige grassen en kruidachtige struiken (‘forbs’) – de boosdoeners. In de bossen van het zuidoosten van de VS is Japans bloedgras uit Oost-Azië het grote probleem; in Australië is dat buffelgras uit India; en in Hawaï guinea grass uit Afrika.
Dravik, perfect aangepast aan de omstandigheden van het Antropoceen, domineert de Amerikaanse westkust. Zoals Travis Bean, onkruidspecialist aan de universiteit van Californië te Riverside, vorig jaar waarschuwde: ‘We hebben hier in Californië te maken met allerlei hardnekkige uitheemse dravik-soorten, en deze onkruiden zijn belangrijke veroorzakers van de toename in brandfrequentie.’ Die verhoogde brandfrequentie creëert op zijn beurt weer ruimte voor de voortplanting van deze snelgroeiende, makkelijk verspreidbare soorten. Waar zich herstellend chaparral bijvoorbeeld twintig jaar nodig heeft om volgroeid te raken en opnieuw brandbaar te worden, heeft dravik slechts één of twee regenrijke winters nodig om genoeg brandbare biomassa te produceren voor een grote brand. Eenmaal gevestigd is de daaropvolgende cyclus van graswoekering en brand vrijwel onomkeerbaar.
Dit geldt vooral voor mediterrane ecosystemen, ondanks het feit dat hun vegetatie van nature geëvolueerd is met vuur en periodieke branden nodig heeft om zich voort te planten. De huidige golf van jaarlijkse extreme branden op het Iberisch Schiereiland, in Griekenland, Australië en Californië overstijgt echter de natuurlijke aanpassingen die zich gedurende het Holoceen hebben ontwikkeld, en drijft inheemse ecosystemen – waarvan er vele al aangetast zijn – voorbij hun grens van overlevingsvermogen.
Hoewel ook Australië zwaar wordt getroffen, is Californië het meest illustratieve voorbeeld van de vicieuze cirkel waarin extreme hitte leidt tot steeds frequentere en intensere branden. Deze branden verhinderen de natuurlijke regeneratie en versnellen, mede door de verspreiding van boomziekten, de transformatie van iconische landschappen in verdroogde graslanden en boomloze berghellingen. Met het verdwijnen van de inheemse planten verdwijnt ook een groot deel van de inheemse fauna, van hagedissen tot zangvogels.
De klimaatverandering veroorzaakt op diverse manieren ingrijpende veranderingen in het landschap. Begin deze eeuw waren waterplanners en brandweerlieden vooral gericht op de dreiging van langdurige droogtes, veroorzaakt door versterkte La Niña-episodes en aanhoudende hogedrukgebieden. Hun grootste zorgen werden werkelijkheid tijdens de grote droogte van het afgelopen decennium, waarschijnlijk de zwaarste in vijfhonderd jaar. Deze droogte droeg bij aan de massale sterfte van naar schatting honderdvijftig miljoen bomen, die verzwakt waren door schorskevers. Deze dode bomen vormden vervolgens een enorme brandstofbron voor de verwoestende vuurstormen van 2017 en 2018.
De afgelopen twintig jaar heeft een zich exponentieel verspreidende schimmelpandemie, bekend als plotselinge eikensterfte, miljoenen eiken vernietigd, van Big Sur tot het zuidwesten van Oregon. De klimaatverandering, dankzij toenemende hitte en droogte, bevordert deze ziekte en versnelt de verspreiding ervan. Vooral tan oaks, die vaak groeien in bossen met douglassparren, sequoia’s en ponderosa-dennen, vormen een gevaar. Hun dode stammen dienen als krachtversterkers in de vuurstormen die het kustgebergte en de uitlopers van de Sierra teisteren.
Naast de gebruikelijke droogtes hebben wetenschappers het nu ook over een nieuw fenomeen: de ‘hete droogte.’ Zelfs in jaren met een gemiddelde neerslag, volgens de normen van de twintigste eeuw, veroorzaakt de extreme zomerhitte – inmiddels ons nieuwe normaal – enorme watertekorten door verhoogde verdamping uit reservoirs, beken en rivieren. Voor de benedenloop van de Colorado-rivier, de levensader van Zuid-Californië, wordt voorspeld dat het debiet binnen enkele decennia met maar liefst twintig procent zal afnemen, ongeacht of de hoeveelheid neerslag verandert.
Maar het meest verwoestende effect van de Death Valley-achtige temperaturen (begin september bereikte de San Fernando Valley 49 graden Celsius) is het verlies van vocht uit planten en bodem. Een natte winter en vroege lente kunnen ons betoveren met spectaculair bloeiende wilde bloemen, maar deze omstandigheden zorgen ook voor een overvloed aan grassen en struiken. Die worden vervolgens in de verzengende zomers verdord en vormen een ideale brandstof wanneer de duivelse winden terugkeren.
Dravik en ander vuurminnend onkruid, zoals zwarte mosterd, zijn de belangrijkste nevenproducten én katalysatoren van dit nieuwe brandregime. Jarenlang onderzoek op experimentele terreinen, waar wetenschappers verschillende soorten vegetatie verbranden om hun brandgedrag te bestuderen, heeft hun evolutionaire voordeel overtuigend aangetoond.
Ze verbranden bij temperaturen die twee keer zo hoog zijn als die van inheemse kruidachtige bodembedekkers, waardoor essentiële voedingsstoffen in de bodem verdampen en de regeneratie van oorspronkelijke soorten wordt belemmerd. Bovendien gedijt dravik goed dankzij de luchtvervuiling, die als stikstofmest fungeert, ontwikkelen de plant snel resistentie tegen herbiciden en benut ze hogere niveaus van kooldioxide efficiënter dan de meeste andere planten. Deze eigenschappen geven haar een aanzienlijk evolutionair voordeel in de huidige strijd tussen ecosystemen.
Tot voor kort werd gedacht dat de dichtbegroeide bossen aan de Amerikaanse westkust grotendeels onkwetsbaar waren voor de dreiging van dravik, omdat het daar te koel en te schaduwrijk zou zijn. Maar onderzoekers van het College of Forestry van de Oregon State University en de US Forest Service waarschuwen bosbeheerders nu dat boskortsteel zich goed aanpast aan de schaduwrijke omgeving van het bos en dat zwenkdravik direct bosbrandplekken koloniseert. Zodra er een duurzame feedbacklus met vuur ontstaat, wordt de invasie van bosgrassen, zoals de onderzoekers het omschrijven, een ‘perfecte storm.’
Net als het ‘duivelsgras’ van Moore trotseren deze indringers de menselijke wil. ‘Beheermaatregelen zoals uitdunnen en gecontroleerd vuur, die vaak bedoeld zijn om de dreiging van bosbranden te verminderen, kunnen juist de invasie van grassen verergeren en de hoeveelheid fijne brandstoffen doen toenemen, met mogelijke gevolgen op landschapsschaal die grotendeels onderbelicht blijven,’ rapporteerde de onderzoeksgroep. Met andere woorden, sommige traditionele methoden om brandgevaar te verminderen kunnen deze risico’s in een andere vorm juist doen herleven – een probleem dat overheidsfunctionarissen vaak onvoldoende begrijpen.
Dit is het zwakke punt van de noodwetgeving die senator Dianne Feinstein uit Californië, met de steun van gouverneur Gavin Newsom van die staat, door het Congres probeert te loodsen. Het wetsvoorstel zou de federale milieuwetgeving terzijde schuiven om het verwijderen van dode bomen en het kappen van chaparral en kreupelhout te versnellen. Deze gerooide landschappen zouden echter een ideale voedingsbodem vormen voor dravik, dat in staat is jaarlijks enorme hoeveelheden brandstof te produceren. Bovendien zou het dode hout waarschijnlijk worden verbrand, wat haaks staat op de doelen voor koolstofreductie.
Alleen een voortdurende jaarlijkse inspanning om de verspreiding van grasbiomassa te verminderen – waarvoor een groot leger fulltime bosarbeiders en de medewerking van landeigenaren nodig zouden zijn – zou de opmars van het onkruid theoretisch kunnen vertragen. Daarnaast zou dit gepaard moeten gaan met een moratorium op nieuwbouw en wederopbouw na bosbranden in de meest risicovolle gebieden. Dit soort maatregelen is echter nauwelijks bespreekbaar in Sacramento, de hoofdstad van Californië, zelfs niet in een tijdperk waarin de Democratische partij een supermeerderheid heeft in de staat.
Na elke brandcatastrofe roepen gouverneur Newsom en andere progressieve leiders om dringende maatregelen teneinde de CO₂-uitstoot te verminderen. Maar daarbij vermijden ze bewust de vraag wat er hier en nu op lokaal niveau moet gebeuren. Een effectieve aanpak zou een directe confrontatie vergen met de ongebreidelde ontwikkeling langs de zogenaamde wildland-urban interface, het overgangsgebied tussen natuur en stedelijke gebieden dat uiterst kwetsbaar is voor branden.
Een aanzienlijk deel van de nieuwbouwwoningen in Californië is de afgelopen twintig jaar op winstgevende, maar uiterst risicovolle wijze gebouwd in gebieden met een hoog brandgevaar, zoals de uitlopers van de Sierra Nevada. Volgens schattingen woont inmiddels een kwart van de Californische bevolking in deze kwetsbare gebieden, en er staan nog tientallen nieuwe ontwikkelingen op de planning. Alleen al in San Diego County hebben de toezichthouders onlangs hun goedkeuring verleend aan de bouw van tienduizend nieuwe woningen op locaties met een extreem hoog brandrisico. Omdat veertig procent van de 13 miljoen hectare bos in Californië privébezit is (57 procent is federaal eigendom en slechts 3 procent wordt beheerd door de staat of lokale overheden), zijn er maar weinig beperkingen voor toekomstige bouwprojecten.
De uitbreiding van woongebieden naar rampgevoelige landschappen is niet uniek voor Californië. Denk bijvoorbeeld aan de bouwwoede op eilanden langs de kusten van de Atlantische Oceaan en in de Golf van Mexico, die steeds vaker worden overspoeld door stormvloeden van orkanen. Volgens geografen Laura Taylor en Patrick Hurley is er, ondanks de algemene opvatting dat de Verenigde Staten een ‘suburbane natie’ zijn geworden, sprake van een verschuiving naar exurbia als het dominante woonmodel. Dit kenmerkt zich door andere ontwikkelings- en levensstijlpatronen dan steden, dorpen of voorsteden. In exurbane gebieden worden woningen gebouwd in schilderachtige, natuurlijke omgevingen, vaak op ruime percelen van 40.000, 80.000 of zelfs 160.000 vierkante meter per huis.
Maar er zijn twee heel verschillende groepen mensen die naar exurbia migreren. Enerzijds zijn er mensen zoals de bewoners van Paradise, de stad aan de voet van de Sierra die in 2018 volledig werd verwoest door vuur. Dit zijn huurvluchtelingen die de huizencrisis in Californië proberen te ontvluchten of gewone mensen, vaak gepensioneerden, die hopen een klein stukje van de natuurlijke schoonheid van Californië te kunnen bezitten. Hun impact is echter gering in vergelijking met de instroom van rijke nieuwkomers uit de kustgebieden.
Plattelandsgebieden die ooit werden gezien als ruige arbeidersbolwerken, vaak denigrerend aangeduid als ‘Appalachia’ (zoals het oostelijke deel van San Diego County, waar ik ben opgegroeid), hebben nu plaatsgemaakt voor luxe woningen, starterskastelen, exclusieve woonwijken en kuuroorden. Van Mendocino aan de noordkust tot de bergen van San Diego in het zuiden heeft deze migratie van de welgestelde bovenlaag de stedelijke achterlanden getransformeerd. Vooral gebieden met hoogwaardige voorzieningen zoals uitzicht op de oceaan, wijnhuizen en bosmeren zijn het doelwit van deze gentrificatie.
Een andere gewaardeerde eigenschap van exurbane gebieden is hun raciale homogeniteit. ‘Exurbanisatie’ is vaak een eufemisme voor de witte vlucht uit de etnische diversiteit van de metropolen. Terwijl de buitenwijken van Californië steeds diverser en Democratischer worden, blijven de exurbane gebieden (enkele uitzonderingen daargelaten) bastions van Donald Trump-aanhangers die fel anti-overheid zijn, behalve tijdens het bosbrandseizoen.
Een van de prominente stemmen uit deze contreien was Duncan Hunter Jr., die inmiddels het Congres heeft verlaten en op weg is naar de gevangenis. Hij vertegenwoordigde de exurbane corridor langs de Interstate 15 van San Diego naar Riverside. Jarenlang voerde hij met evenveel ijver campagne tegen beperkingen op de ontwikkeling van het achterland als tegen Latino-immigranten en de vakbonden.
Dit is een kortzichtige denkwijze die blind is voor de gevolgen en perfect aansluit bij wat een botanische contrarevolutie kan worden genoemd. De voortdurende landontginning en woningbouw versnipperen habitats, creëren talloze brandhaarden en bevorderen de verspreiding van invasief onkruid.
Toch zijn de nieuwkomers vaak niet bereid extra belasting te betalen voor betere brandbescherming en reageren ze fel tegen bosbeheerders die gecontroleerde branden proberen uit te voeren. Ondertussen staat het al zwaar onderbezette brandweerkorps onder immense druk om individuele huizen te verdedigen, wat heeft geleid tot meer slachtoffers en gewonden.
Exurbane bewoners lijken hardnekkig ongevoelig voor de duidelijke lessen van recente megabranden. In 2003 vernietigde een vuurstorm ruim duizend huizen in de dorpen Alpine en Crest in de bergen ten oosten van San Diego. Toen ik er vorig jaar met een filmploeg terugkeerde, waren de verloren gegane huizen vervangen door nog grotere bouwwerken, en verzekerden de bewoners ons dat het brandgevaar dankzij het opruimen van het struikgewas was verminderd.
Maar het idee van een ‘verdedigbare ruimte,’ enthousiast gepromoot door projectontwikkelaars en lokale ambtenaren, is een gevaarlijke illusie. Vuurstormen die hun eigen tornado-achtige weersystemen creëren en gloeiende brokstukken tot een kilometer voor het vlammenfront uit kunnen slingeren, laten zich niet tegenhouden door een perimeter van tien meter zonder struikgewas of door een paar zorgvuldig besproeide perken met ijsplanten.
Hoe moeten we de grootschalige ecologische gevolgen van de cyclus van invasieve grassen en bosbranden begrijpen? Een wellicht onverwachte vergelijking is die met de nasleep van het ‘vuurstorm’-bombardement op Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Eind jaren veertig werden de ruïnes van Berlijn een experimenteel laboratorium waar natuurwetenschappers de successie van planten onderzochten. Men verwachtte dat de oorspronkelijke vegetatie van de regio – eikenbossen met bijbehorende struiken – zich snel zou herstellen. Tot grote ontsteltenis van de wetenschappers gebeurde dit echter niet. In plaats daarvan vestigden ontsnapte exotische planten, waaronder enkele zeldzame tuinsoorten, zich als de nieuwe dominante flora.
De botanici bleven hun onderzoek voortzetten tot de laatste bomlocaties in de jaren tachtig werden opgeruimd. Het voortbestaan van deze zogenoemde ‘dodezonegroei’ en het falen van de oorspronkelijke Pommerse bosplanten om zich te herstellen, leidde tot een debat over een concept genaamd ‘Natuur II.’ De hypothese was dat de extreme hitte van de brandbommen en de verpulvering van bakstenen structuren een nieuw bodemtype hadden gecreëerd, dat ideaal was voor kolonisatie door robuuste planten zoals de hemelboom (Ailanthus altissima), een soort die zich oorspronkelijk had ontwikkeld op de morenen van Pleistocene ijskappen. Wetenschappers waarschuwden destijds dat een totale kernoorlog vergelijkbare omstandigheden op grote schaal zou kunnen creëren, met onvoorspelbare gevolgen voor de ecosystemen.
Vuur in het Antropoceen is het fysieke equivalent van een kernoorlog geworden. Na de Zwarte Zaterdag-branden in Victoria begin 2009 berekenden Australische wetenschappers dat de vrijgekomen energie gelijkstond aan vijftienhonderd Hiroshima-achtige explosies. Nog grotere energie is waargenomen in de pyrocumuluswolken die wekenlang boven Noord-Californië en Oregon uittorenden. Zelfs de giftige oranje mist die wekenlang in de Bay Area hing, kan worden beschouwd als een miniatuurversie van een nucleaire winter.
Hierdoor ontstaat in hoog tempo een nieuwe, diep sinistere natuur uit de as van onze vuurhaarden, ten koste van landschappen die we ooit als heilig beschouwden. De snelheid en de omvang van deze catastrofe zijn nauwelijks te bevatten.
Dit is het eerste deel van het hoofdstuk The Case for Letting Malibu Burn uit Ecology of Fear
Van eind augustus tot begin oktober beleeft Los Angeles zijn helse seizoen. De binnenstad is vaak gehuld in een gele, bijtende smog, terwijl de hittegolven over Wilshire Boulevard razen. Buiten de met airconditioning gekoelde wolkenkrabbers schuilen daklozen ellendig in elke schaduwplek die ze kunnen vinden. Iets verderop, in slecht geventileerde kledingfabrieken, happen duizenden naaisters naar adem achter hun naaimachines. Bazige opzichters, hun overhemden doorweekt van het zweet, schreeuwen onophoudelijk bevelen in het Spaans, Armeens, Koreaans of Kantonees.
Aan de overkant van de Harbor Freeway liggen de overvolle woonkazernes van het Westlake-district – het Spanish Harlem van Los Angeles – die in de verzengende hitte veranderen in ondraaglijke ovens. Verstikkend in hun kleine kamers zoeken immigrantengezinnen verkoeling op brandtrappen, stoepen en trottoirs. Bezorgde moeders deppen het voorhoofd van hun baby’s met water, terwijl oudere kinderen met tranende ogen van de smog smeken om paletas — het kleurrijke schaafijs dat wordt verkocht door handkarverkopers. Jongemannen zonder shirt, sommigen met indrukwekkende biceps en tatoeages van de Maagd van Guadeloupe die als muurschilderingen hun rug bedekken, domineren de schaarse schaduw onder de luifels van de tienda. In dit gebied, omgeven door honderden hectaren gesmolten asfalt en beton, is nauwelijks een grasspriet te vinden, laat staan een gazon of een boom.
Vijftig kilometer verderop, aan de kust van Malibu, waar hyperbool en branding samenkomen, ziet de wereld er totaal anders uit. De temperatuur is er een aangename dertig graden (zo’n zeven graden koeler dan in de binnenstad), en de kobaltblauwe lucht is helder genoeg om de grillige contouren van het eiland Santa Barbara te onderscheiden, bijna tachtig kilometer uit de kust. Bij Zuma surfen waaghalzen door de golven onder de bewonderende blikken van hun persoonlijke zonnegodinnen, terwijl op Topanga Beach paardentrainers hun Appaloosa’s over het natte zand laten galopperen. Verder langs de kust genieten naakte scenarioschrijvers van hun jacuzzi’s in Point Dume, wisselen au pairs onder het genot van cappuccino’s op Malibu Colony Plaza Franse roddels uit (quelles familles bizarres!), en verdwalen toeristen in de heuvels op zoek naar een glimp van Streisands ongrijpbare paleis. Ongeïnteresseerd in de ellende van het ‘vasteland’ beleven de inwoners van Malibu weer een saaie, maar perfecte dag.
Het moge duidelijk zijn dat de levensomstandigheden in de sloppenwijken en aan de ‘gouden kust’ op ieder moment extreem veel van elkaar verschillen. Maar aan het einde van de zomer, wanneer het seizoen van de bosbranden in Zuid-Californië begint, delen Westlake en Malibu een gemeenschappelijk lot: verwoestende branden.
Volgens recente schattingen heeft Westlake, samen met aangrenzende delen van de binnenstad, het hoogste aantal stadsbranden in het land. In 1993 werd een van de twee brandweerkazernes daar overspoeld met maar liefst twintigduizend noodoproepen.1 Sommige huurflats en appartementenhotels kennen een onafgebroken geschiedenis van branden die teruggaat tot hun bouw aan het begin van de twintigste eeuw. Zo heeft het beruchte Hotel St. George te maken gehad met fatale branden in 1912, 1952 en 1983. Daarnaast hebben bijna alle dodelijke branden in huurflats in Los Angeles sinds 1945 plaatsgevonden binnen een straal van anderhalve kilometer van de kruising van Wilshire en Figueroa in de binnenstad.
Malibu is inmiddels de hoofdstad van de natuurbranden in Noord-Amerika, en misschien zelfs wel wereldwijd. Hier volgen de branden een meedogenloos staccato-ritme, afgewisseld met aardverschuivingen en overstromingen. De ruige kustlijn van 35 kilometer wordt gemiddeld eens in de tweeënhalf jaar getroffen door een grote brand (van ruim duizend hectare), en het volledige oppervlak van de westelijke Santa Monica Mountains is deze eeuw al drie keer volledig afgebrand.
Minstens eens per decennium escaleert een brand in de chaparral tot een angstaanjagende vuurstorm die honderden huizen verwoest in een onstuitbare opmars van de bergen naar de zee. Sinds 1970 hebben vijf van deze verwoestende branden ruim duizend luxe woningen in de as gelegd en voor meer dan een miljard dollar aan schade veroorzaakt. Sommige ongelukkige huiseigenaren zijn binnen één generatie al twee keer hun huis kwijtgeraakt door brand. Er zijn zelfs specifieke kust- en berggebieden, vooral tussen Point Dume en Tuna Canyon, die sinds 1930 al acht keer zijn afgebrand.2
Met andere woorden, als je aan de monding van Malibu Canyon staat of overnacht in Hotel St. George, zul je vroeg of laat de vlammen zien. Het is slechts een kwestie van tijd – een statistische zekerheid. Ironisch genoeg vertonen de rijkste en armste gebieden van Zuid-Californië een vergelijkbare frequentie van brandcatastrofes. Dit werd op tragische wijze duidelijk in 1993: in mei brak er een brand uit in een huurwoning in Westlake waarbij drie moeders en zeven kinderen omkwamen. Later dat jaar, eind oktober, volgden 21 bosbranden, die op 2 november uitgroeiden tot een allesverwoestende vuurstorm die de evacuatie van bijna heel Malibu noodzakelijk maakte.
Maar de twee soorten branden zijn elkaars spiegelbeeld. De rijke huiseigenaren van Malibu, die in 1993 werden beschermd door het grootste leger brandweerlieden in de Amerikaanse geschiedenis, profiteerden daarnaast van een uitzonderlijk pakket aan subsidies op het gebied van verzekeringen, landgebruik en rampenbestrijding. Toch geven de meeste experts ruiterlijk toe dat periodieke vuurstormen van deze omvang onvermijdelijk blijven zolang woningbouw in de brandgevoelige ecologie van de Santa Monica Mountains wordt toegestaan.
Aan de andere kant hadden de meeste van de 119 dodelijke slachtoffers van branden in huurflats in de wijken Westlake en Downtown voorkomen kunnen worden als huisjesmelkers zich ten minste aan minimale veiligheidseisen voor hun gebouwen hadden gehouden. Terwijl enorme middelen zijn ingezet — vaak vergeefs — om de onstuitbare krachten van de natuur aan de kust van Malibu te bestrijden, is er schandalig weinig aandacht besteed aan de door mensen veroorzaakte en oplosbare brandproblematiek in de binnenstad.
1 DE VUURKUST
Huizen zullen hier uiteraard bij duizenden verrijzen. Op menige piek zal een kasteel staan.
John Russell McCarthy, Deze wachtende heuvels (1923)
Van meet af aan heeft vuur Malibu in de Amerikaanse verbeelding gedefinieerd. In Two Years Before the Mast beschreef Richard Henry Dana hoe hij in 1826 van San Pedro naar Santa Barbara noordwaarts zeilde en langs de kust van José Tapia’s Rancho Topanga Malibu Sequit een enorme vuurzee zag. Ondanks – of, zoals we zullen zien, waarschijnlijk dankzij – het Spaanse verbod op het jaarlijkse gecontroleerde verbranden van struiken door de Chumash- en Tongva-indianen, werden de bergen rondom Malibu in de negentiende eeuw herhaaldelijk getroffen door verwoestende branden.3
Tijdens de grote grondhausse aan het eind van de jaren tachtig van de negentiende eeuw werd het hele latifundio voor tien dollar per acre verkocht aan de miljonair Frederick Rindge uit Boston. In zijn memoires beschreef Rindge zijn voortdurende strijd tegen krakers, veedieven en vooral de steeds terugkerende bosbranden. De grote brand van 1903, die in enkele uren van Calabasas naar de zee raasde, vernietigde Rindge’s droomranch in Malibu Canyon en dwong hem te verhuizen naar Los Angeles, waar hij in 1905 overleed.4
Al in de tijd van de Tapia-familie beseften de eigenaren van Rancho Malibu dat het uitzonderlijke brandgevaar in de regio grotendeels werd veroorzaakt door de onheilspellende uitlijning van de kustkloven met de jaarlijkse ‘vuurwinden’ uit het noorden: de beruchte Santa Ana-winden, die voornamelijk waaien tussen Labor Day en Thanksgiving, vlak voor de eerste regenval.5 Deze Santa Ana-winden, die ontstaan uit hogedrukgebieden boven het Great Basin en het Colorado Plateau, worden heet en droog terwijl ze als lawines neerdalen naar Zuid-Californië. De San Fernando Valley fungeert daarbij als een gigantische blaasbalg, die de Santa Ana’s soms opstuwt tot orkaansnelheid wanneer ze zeewaarts door de smalle kloven en ruige afgronden van de Santa Monica Mountains razen.*
(* Diezelfde ravijnen zorgen er echter ook voor dat koele oceaanlucht de vervuilde San Fernando Valley binnenstroomt en de luchtkwaliteit verbetert. Volgens luchtkwaliteitsonderzoekers vormen de Santa Monica Mountains de belangrijkste ‘luchtcorridor’ voor het grootstedelijk gebied van Los Angeles.)
In zulke omstandigheden is slechts een enkele vonk voldoende om de dichtbegroeide, kurkdroge vegetatie te ontsteken, waarna de hellingen veranderen in een onbeheersbare vuurzee. ‘De snelheid en de intensiteit van het vuur zijn zó groot dat brandweerlieden alleen kunnen proberen de zijwaartse verspreiding ervan te beperken, terwijl ze wachten tot de wind gaat liggen of de brandstof opraakt.’6
Vroeger werd minder goed begrepen dat de dominante vegetatie van de Santa Monica Mountains – adenostoma (een soort roos), witte salie en eikenbossen – in wezen afhankelijk is van de natuurlijke cyclus van bosbranden. Decennia van onderzoek, vooral in het San Dimas Experimental Forest in de San Gabriel Mountains, hebben eind twintigste eeuw geleid tot een dieper inzicht in de complexe en uiteindelijk nuttige rol van vuur bij het recyclen van voedingsstoffen en het bevorderen van zaadkieming in de verschillende vuurafhankelijke flora van Zuid-Californië.7
Daarnaast heeft onderzoek aangetoond dat de ophoping van biomassa een veel belangrijkere factor is in de verwoestende werking van vuur dan de frequentie van de ontvlamming. Richard Minnich, een wereldautoriteit op het gebied van bosbranden in chaparralgebieden, verwoordt het als volgt: ‘Branden ontstaan door brandstof, niet door ontvlamming. Je kunt een brandstichter naar Death Valley sturen, maar hij zal daar nooit gearresteerd worden.’8
Een belangrijke ontdekking was de niet-lineaire relatie tussen de leeftijd van de vegetatie en de intensiteit van de branden. Botanici en brandgeografen stelden vast dat ‘de kans op een intense, snel verlopende brand sterk toeneemt wanneer de vegetatie ouder is dan twintig jaar.’ Zo blijkt dat chaparral van vijftig jaar oud — zwaar beladen met dode biomassa — volgens berekeningen vijftig keer intenser brandt dan chaparral van twintig jaar oud. Anders gezegd, één hectare oude chaparral bevat qua brandstof ongeveer evenveel energie als vijfenzeventig vaten ruwe olie. Deze berekeningen extrapolerend zou een grote vuurstorm in Malibu evenveel hitte kunnen genereren als drie miljoen vaten brandende olie, met temperaturen die oplopen tot elfhonderd graden.9
Het beleid van ‘totale brandonderdrukking,’ dat sinds 1919 officieel wordt gevoerd in de bergen van Zuid-Californië, is een tragische vergissing gebleken, omdat het heeft geleid tot de opbouw van enorme hoeveelheden brandstof.10 De extreme branden die uiteindelijk ontstaan, kunnen zelfs de chemische structuur van de bodem veranderen. De vervluchtiging van bepaalde plantenchemicaliën creëert een waterafstotende laag in de bovenste bodemlaag. Deze laag belemmert de waterdoorlaatbaarheid, wat vervolgens de kans op overstromingen en erosie drastisch vergroot. Een eenzijdige focus op het beheersen van brandhaarden in plaats van het aanpakken van de ophoping van chaparral maakt verwoestende vuurstormen en de daaropvolgende grote overstromingen vrijwel onvermijdelijk.*
* Minnich heeft de brandgeschiedenissen van Zuid-Californië en het naburige Baja California tot in detail met elkaar vergeleken. In de steeds verder verstedelijkte bergen van Zuid-Californië zijn honderden miljoenen dollars uitgegeven aan brandbestrijding, terwijl in de wilde noordelijke hooglanden van Baja California vrijwel geen brandbeheer bestaat. Het verschil in aanpak leidt tot opvallende contrasten: alleen Zuid-Californië wordt geteisterd door terugkerende en verwoestende ‘vuurstormen.’ In Baja California komen bosbranden daarentegen vaker voor, maar blijven ze kleiner, en zijn ze fragmentarisch van aard en nooit catastrofaal.11
1Volgens gegevens van het kantoor van gemeenteraadslid Michael Hernandez van Los Angeles, tot wiens district Westlake behoort.
2David Weide, ‘The Geography of Fire in the Santa Monica Mountains,’ M.A. thesis, Department of Geography, California State University, Los Angeles, 1968, pp. 1–2, 87, 91; Klaus Radtke, Arthur Arndt, and Ronald Wakimoto, ‘Fire History of the Santa Monica Mountains,’ in Symposium on the Dynamics and Management of the Mediterranean Type Ecosystems (Berkeley, 1982), pp. 440–441; and Jerry Meehan, ‘Avoiding Déjà Vu: The Historic Wildfire Corridor,’ American Fire Journal, May 1991, pp. 14–15.
3Voor een recent overzicht van aboriginal ‘fire farming,’ zie Thomas Blackburn en Kat Anderson (eds.), Before the Wilderness: Environmental Management by Native Californians (Menlo Park, 1993).
4W. W. Robinson, Rancho Topanga Malibu Sequit: An Historical Approach (Los Angeles, 1958); en Frederick Hastings Rindge, Happy Days in Southern California (Cambridge, Mass., 1898).
5Het door de Santa Ana-winden aangedreven patroon van branden in de Santa Monica Mountains, dat van oktober tot december piekt, staat in contrast met het brandseizoen in de binnenlanden, waar de intensiteit in juli zijn hoogtepunt bereikt (Weide, ‘Geography of Fire,’ pp. 34-35).
6Environmental Protection Agency (Region IX), Final EIS/EIR: Las VirgenesLriunfo, Malibu-Lopanga – Area Wide Facilities Plan (San Francisco, 1977), pp. 2/1122/115.
7Er is een uitgebreide hoeveelheid literatuur over dit onderwerp beschikbaar, maar zie met name Sterling Keeley (red.), The California Chaparral: Paradigms Reexamined (Los Angeles, 1989).
8Citaat uit een brief van 2 september 1994. Zie ook zijn artikel ‘Fire Behavior in Southern California Chaparral before Fire Control: The Mount Wilson Burns at the Turn of the Century,’ gepubliceerd in Annals of the Association of American Geographers 77, nr. 4 (1987); en ‘Fuel-Driven Fire Regimes of the California Chaparral,’ in druk.
9Michael Rogers, ‘Fire Management in Southern California,’ in Symposium, pp. 496–98.
10Zie voor de geschiedenis van brandonderdrukking in de bergen van Zuid-Californië Ronald Lockmann, Guarding the Forests of Southern California (Glendale, 1981) en C. R. Clar, California Government and Forestry (Sacramento, 1959).
11Richard Minnich, The Biogeography of Fire in the San Bernardino Mountains of California, University of California Publications in Geography, vol. 28 (Berkeley, 1988), pp. 5–6.
Harold Meyerson is hoofdredacteur van The American Prospect.
Het is een ongemakkelijke waarheid die vrijwel iedereen ontkent: de apocalyptische branden die Los Angeles – mijn woonplaats – teisteren, zijn slechts een uitvergrote versie van de dagelijkse realiteit.
Donald Trump wijst met de beschuldigende vinger naar gouverneur Gavin Newsom, wat zijn standaardreactie is op elke tegenslag in Californië. In een vergelijkbare uiting van politiek gemotiveerde verwijten geeft Rick Caruso – de Bloomberg-achtige Republikein die Democraat werd en recent de burgemeestersverkiezingen in L.A. verloor van mainstream-Democraat Karen Bass – de schuld aan Bass. Ieder moment kunnen redacteuren van de Wall Street Journal nu de New Deal verantwoordelijk stellen, en sommige aanhangers van de Latijnse mis zelfs paus Franciscus.
Maar als er iemand is wiens analyse we serieus moeten nemen, dan is het wel wijlen Mike Davis. In 1998 kwam Davis na zijn succesvolle, kritische ontleding van Los Angeles, City of Quartz, met Ecology of Fear, waarin hij zich specifieker richtte op de apocalyptische dreigingen die een constant kenmerk zijn (en waren) van het leven in L.A. In het decennium na het verschijnen van City of Quartz had Los Angeles te maken gekregen met de Rodney King-rellen, de Northridge-aardbeving, steevast terugkerende branden en overstromingen in de heuvels rondom de stad, en de teloorgang van de regionale middenklasse door het massale banenverlies bij de grootste werkgevers van de regio – de ruimtevaartbedrijven die na de Koude Oorlog door het Pentagon werden wegbezuinigd. Davis dook in obscure archieven, trok door de kurkdroge heuvels van L.A. en bezocht de brandgevaarlijke woonkazernes. Met de ijver en geleerdheid van een wetenschappelijk onderbouwde Cassandra beschreef en verklaarde hij de voortdurende fysieke en sociale ontvlambaarheid van Los Angeles.
Hoofdstuk drie van Ecology of Fear draagt de titel ‘The Case for Letting Malibu Burn.’ Het begint met de observatie dat de oorspronkelijke bewoners van Los Angeles, de Chumash- en Tongva-indianen, jaarlijks kleine gecontroleerde branden aanstaken in de heuvels van de Pacific Palisades en Malibu om de dicht op elkaar groeiende struiken op te ruimen, die anders een gevaarlijke brandhaard zouden vormen. Mike Davis wijst erop dat Richard Henry Dana, in zijn zeemansklassieker Two Years Before the Mast, beschreef hoe hij in 1826 bij zijn eerste tocht langs de Californische kust een grote brand zag die door Topanga Canyon woedde. Davis documenteert vervolgens de dertien grote branden die tussen 1930 en 1996 ruim vierduizend hectare van de Santa Monica Mountains, net ten westen van de Palisades, in de as legden. Hij maakt overtuigend duidelijk dat de droge heuvels rondom Los Angeles – van Pasadena in het oosten tot Malibu in het westen – regelmatig vlam vatten wanneer de Santa Ana-winden opsteken. Het bouwen van huizen in deze heuvels, zo betoogt hij, leidt onvermijdelijk tot rampen, vooral als de winden snelheden van ruim tachtig kilometer per uur bereiken.
Ik kan uit eigen ervaring vertellen wat er gebeurt in die heuvels wanneer de Santa Ana-winden opsteken. In 1961, toen ik in de vijfde klas zat op de Kenter Canyon School, werden alle leerlingen, leraren en personeelsleden abrupt geëvacueerd vanwege een brand die in Bel Air woedde en de nog in aanbouw zijnde Interstate 405 oversprong, waarna het vuur zich razendsnel over de heuvels van Brentwood verspreidde. Sommige klasgenoten verloren hun huis, en de vlammen kwamen tot op driehonderd meter van het huis van mijn familie. De volgende dag mochten we terugkeren naar huis, en mijn meest levendige herinnering aan de daaropvolgende twee weken is dat we letterlijk in een asbak leefden. Bijna vijfhonderd huizen gingen in vlammen op, destijds een record voor het aantal verwoeste woningen in Los Angeles – een record dat deze week werd verbroken.
Twee dagen geleden werd de Kenter Canyon School opnieuw geëvacueerd, net als mijn vroegere middelbare school, Paul Revere. Mijn oude high school, Palisades, werd deels verwoest door de vlammen, evenals de winkels en huizen waar mijn vrienden en ik halverwege de jaren zestig vaak rondhingen. De Safeway-supermarkt is verdwenen, net als, vermoed ik, het bord in de vorm van een feesttent, waarop we in de nacht vóór de 4 juli-parade van 1968 klommen. We gebruikten de losse letters van het bord, bedoeld om aanbiedingen aan te prijzen, om er een anti-Vietnamoorlogslogan van te maken. (Omdat het bord boven het kantoor van het Palisades American Legion stond, maakten we er onder meer deze slogan van: ‘Het American Legion is een broeinest van seniliteit.’)
In de meer dan vijftig jaar sinds de jaren zestig werd de Safeway-supermarkt enigszins naar de achtergrond gedrukt door de komst van de exclusieve Gelson’s Market, die het steeds chiquere karakter van de Palisades na die tijd symboliseerde. Geen van de huizen die deze week als eerste in brand vlogen, bestond al in de jaren zestig; ze maakten deel uit van een aantal luxe woonwijken die zich veel verder de heuvels van de Palisades in uitstrekten dan vroeger. Deze idyllische plek – met een zeebries die de zomerhitte tempert en een panoramisch uitzicht dat reikt van Los Angeles aan de ene kant tot de verre eilanden voor de kust aan de andere kant – werd een gewilde verblijfplaats voor de superrijken. Dit zorgde voor aanhoudende prikkels voor ontwikkelaars om steeds meer luxe villa’s in die heuvels te bouwen.
Mike Davis waarschuwde ons al voor wat er met die huizen zou gebeuren, en – als de winden hun hoogtepunt zouden bereiken – ook met de winkels, huizen en appartementen op het vlakke land. De Chumash en de zeelieden uit het begin van de negentiende eeuw wisten wat hen te wachten stond. Maar wij ontkenden het.