Categorieën
Filosofie Politiek

Trump als lezer van Lacan

Oorspronkelijke tekst: Slavoj Žižeks Substack

fotografie: Ulf Andersen

Slavoj Žižek (Ljubljana, 21 maart 1949) is een Sloveense socioloog, filosoof, psychoanalyticus, communist en cultuurcriticus. Van zijn hand verschijnt bij uitgeverij Starfish Books binnenkort Te laat om wakker te worden.

Het is niet simpelweg zinloos; de betekenis ervan is juist zinloos te zijn.

De gedachtegang van Jacques Lacan is vaak moeilijk te volgen, vooral wanneer hij nieuwe woorden (neologismen) bedenkt om de paradoxale relatie tussen taal en genot te beschrijven. Een voorbeeld daarvan is jouis-sense (genot-in-betekenis). Een ander door hem bedacht woord dat naar hetzelfde verband verwijst is le sinthome, oftewel ‘sinthom,’ in tegenstelling tot het gewone symptoom. Sinthoms kun je zien als een soort ‘atomen van genot’: de kleinste eenheden waarin taal en genot samenkomen. Het zijn tekens of handelingen die doordrongen zijn van genot, zoals een tic die iemand dwangmatig blijft herhalen.

Zijn sinthoms niet te begrijpen als quanta van genot: de kleinste, meest elementaire eenheden ervan? Een sinthom kan bovendien helpen om een sociale band te creëren. Het fungeert dan als een lege vorm van een ritueel, vergelijkbaar met een betekenisloze meme. Vanaf 2024 was ‘six-seven’ zo’n meme die plotseling overal opdook. Er zit geen verborgen betekenis of geheime code achter; het zijn simpelweg twee getallen die achter elkaar worden uitgesproken. De uitdrukking ‘six-seven’ lijkt in zijn moderne betekenis te zijn ontstaan in het nummer Doot Doot (6 7) uit 2024 van de Philadelphia-rapper Skrilla. In dat nummer kan het verwijzen naar een politiecode, naar 67th Street, of naar iets anders. Daarna dook de uitdrukking op in een aflevering van South Park, waarna de meme zich razendsnel in allerlei richtingen verspreidde.

‘Het is een stukje meme-jargon dat alleen naar zichzelf verwijst. Het zegt eigenlijk niets anders dan dat de gemiddelde dertienjarige heel irritant kan zijn – en bovendien bereid is om eindeloos hetzelfde grapje te blijven herhalen. Onderweg kreeg de uitdrukking ook een bijbehorend handgebaar: twee naar boven gerichte handpalmen die afwisselend omhoog en omlaag bewegen, alsof ze een weegschaal vormen.’

Het is niet simpelweg zinloos; de betekenis ervan is juist zinloos te zijn. Zulke memes hebben meestal maar een beperkte levensduur. Vaak blijven ze niet langer dan een jaar populair, en ‘six-seven’ wordt inmiddels al overschaduwd door nieuwe memes.

Tijdens zijn eerste ambtstermijn gaf Donald Trump een perfect voorbeeld van zo’n sinthom dat als sociale band fungeert. In een inmiddels virale tweet schreef hij: ‘Despite the constant negative press covfefe.’ Trump heeft nooit toegegeven dat dit een typefout was. Nadat hij de oorspronkelijke tweet had verwijderd, plaatste hij een nieuwe boodschap: ‘Who can figure out the true meaning of “covfefe”??? Enjoy!’ Hij had daarmee onbedoeld een punt. ‘Covfefe’ lijkt op wat Jacques Lacan een sinthom noemde. Het is geen symptoom met een verborgen, gecodeerde betekenis die door interpretatie kan worden onthuld. Het is eerder een betekenisloze vorm waarin een bepaald soort genot wordt samengebald. Waar een symptoom door interpretatie kan verdwijnen, geldt voor sinthomen iets anders: een subject moet ermee leren leven en zich er zelfs mee identificeren. Ze vormen een onderdeel van iemands identiteit. Als ze verdwijnen, kan ook het gevoel van samenhang van het subject zelf uiteenvallen.

Trump heeft ook gelijk wanneer hij genot als een bevel formuleert: ‘Geniet!’ Wanneer je simpelweg geniet van ‘covfefe,’ ga je voorbij aan – of beter gezegd: duik je onder – de taal als communicatiemiddel, waarmee betekenis wordt uitgewisseld. In plaats daarvan kom je terecht bij betekenaars die functioneren als vaste vormen waarin genot samenklontert: wat Jacques Lacan jouis-sense noemde. Het is dan ook geen toeval dat Trumps oproep ‘Geniet!’ werkt als een superego-bevel in zijn zuiverste vorm. In de freudiaanse traditie wordt het superego vaak gezien als een wrede, bijna sadistische morele instantie die ons bestookt met onmogelijke eisen en vervolgens met leedvermaak toeziet hoe we falen. Lacan ging nog een stap verder en stelde een directe relatie tussen jouissance (genot) en het superego. Genieten betekent volgens hem niet simpelweg dat je je spontane verlangens volgt. Het lijkt eerder op iets wat we doen omdat we het moeten doen: een vreemde en verwrongen vorm van een ethische plicht. Het genot zelf is iets dat zich als het ware vasthecht aan menselijke genoegens en deze verdraait. Daardoor kan een subject zelfs extra genot halen uit het ongenoegen zelf.

Om deze paradox te begrijpen, moeten we twee onderscheiden invoeren die zijn uitgewerkt door Jacques Lacan. In de eerste plaats is er het onderscheid tussen de Naam-van-de-Vader en het obscene vaderlijke genot. De Naam-van-de-Vader verwijst naar de vader als drager van symbolisch gezag, als vertegenwoordiger van de waardigheid van de Wet. Daartegenover staat het obscene vaderlijke genot: het superego dat ons aanspoort tot genot en tegelijkertijd eisen stelt. In de tweede plaats is er het onderscheid tussen genot (of beter: plezier) en surplusgenot – een vorm van genot die, om Sigmund Freud te citeren, voorbij het genotsprincipe gaat. Hiermee komen we bij een klassieke freudiaanse vraag: waarom kunnen mensen zelfs genieten van hun eigen onderdrukking? Macht oefent haar invloed namelijk niet alleen uit via onderdrukking, in stand gehouden door de angst voor straf. Ze werkt ook doordat ze ons als het ware omkoopt voor onze gehoorzaamheid en onze gedwongen verzakingen. Wat we daarvoor terugkrijgen, is een pervers soort genot: een genot in de verzaking zelf, een winst die juist in het verlies besloten ligt. Lacan noemde dit perverse genot ‘surplusgenot’ (plus-de-jouir). Dit begrip bevat een paradox: het gaat om iets dat altijd slechts een overschot is ten opzichte van zichzelf. In zijn ‘normale’ toestand bestaat het eigenlijk niet; het verschijnt alleen als een extra, een overmaat. Daarmee komen we bij Lacans begrip van het objet petit a: het object dat dit surplusgenot vertegenwoordigt. Er bestaat geen ‘basisgenot’ waaraan later een overschot wordt toegevoegd. Genot is altijd al een overschot, een vorm van overmaat die het gewone plezier te boven gaat.

Het begrip objet petit a heeft een lange geschiedenis in het werk van Jacques Lacan. Het verscheen al tientallen jaren voordat Lacan expliciet begon te verwijzen naar de analyse van goederen in Das Kapital van Karl Marx. Toch was het juist deze verwijzing naar Marx – en vooral naar zijn begrip van meerwaarde (Mehrwert) – die Lacan hielp om zijn latere, meer uitgewerkte begrip van objet petit a te formuleren als surplusgenot (plus-de-jouir, Mehrlust). Een centraal motief in Lacans verwijzingen naar Marx is de structurele overeenkomst tussen Marx’ idee van meerwaarde en dat wat Lacan ‘surplusgenot’ noemt. Het gaat om wat Sigmund Freud aanduidde als Lustgewinn, een ‘winst aan genot.’ Daarmee bedoelde Freud niet simpelweg een intensivering van het plezier, maar een extra genot dat voortkomt uit de omwegen en inspanningen die een subject maakt om genot te bereiken. Een andere vorm van Lustgewinn is de omkering die kenmerkend is voor hysterie: het afzien van genot verandert in het genot van het afzien. De onderdrukking van verlangen kan zo omslaan in een verlangen naar onderdrukking. Volgens Lacan ligt een dergelijke omkering ook aan de basis van de logica van het kapitalisme. Zoals hij opmerkte, begon het moderne kapitalisme met het tellen van genot – het berekenen van winst. Maar al snel slaat dit om in iets anders: het genot van het tellen zelf, het plezier dat wordt beleefd aan het voortdurend meten en vergroten van winst.

Nu kunnen we duidelijker zien hoe surplusgenot de keerzijde vormt van sadisme. Wanneer een kapitalist overschakelt van het tellen van genot naar het genot van het tellen, doet hij afstand van het directe plezier zelf, bijvoorbeeld het plezier van het consumeren van concrete dingen. Dat directe genot wordt vervangen door een meer abstract genot: het plezier dat men beleeft aan het berekenen en vermeerderen van mogelijke genoegens. Op die manier werkt surplusgenot als een soort sadistische ontwaarding van echte genoegens. Het concrete plezier wordt ondergeschikt gemaakt aan het abstracte plezier van het tellen en vergroten. Maar wat heeft dit alles met Donald Trump te maken? Hier komt de verrassende wending. In een van zijn recente toespraken staat een passage die – bijna letterlijk, en in vrij eenvoudige bewoordingen – de paradox van het superego en het surplusgenot weergeeft:

‘Ons land wint weer. Sterker nog: we winnen zó veel dat we bijna niet meer weten wat we ermee aan moeten. Mensen zeggen tegen mij: Alstublieft, meneer de president, we winnen te veel. We kunnen het niet meer aan. We waren in dit land niet gewend om te winnen voordat u kwam, we verloren altijd. Maar nu winnen we te veel. En dan zeg ik: Nee, nee, nee. Jullie gaan nog meer winnen. Jullie gaan groots winnen. Jullie gaan groter winnen dan ooit.

Russell Sbriglia, die mijn aandacht vestigde op ‘covfefe’ en op deze passage, had volgens mij helemaal gelijk toen hij zei: ‘Dit is puur sadisme. De boodschap luidt: “Amerikanen, encore un effort!” Schaam je niet dat jullie te veel winnen! Jullie moeten genieten van de pijn van het winnen, voorbij het genotsprincipe! Hij brengt deze woorden zelfs alsof hij een van Lynchs superegoïsche vaders is.’ Mensen vinden dat voortdurende ‘winnen’ – die constante, overweldigende druk van wat psychoanalytici surplusgenot noemen – uiteindelijk ondraaglijk. De meeste mensen willen gewoon een comfortabel leven leiden, met gewone genoegens. Maar Donald Trump gedraagt zich als een obscene superego-vader die het volk, zijn onderdanen, onder druk zet met een voortdurende eis: nóg meer genieten, nooit ontspannen, nooit genoegen nemen met een stabiel en rustig bestaan. Trump geeft daarmee letterlijk uitdrukking aan de onderdrukkende kant van surplusgenot: ‘Nee, nee, nee – jullie gaan wéér winnen.’ Daarom is het bevel om te genieten paradoxaal genoeg gebaseerd op een verbod – een ‘nee, nee, nee.’ Deze uitspraak van Trump laat zien dat de beroemde superego-paradox niet alleen een abstracte theorie is; ze werkt ook in ons alledaagse leven. Maar wat gebeurt er als we nóg een stap verder gaan en de passage parafraseren – en het woord ‘winnen’ letterlijk in zijn militaire betekenis nemen?

‘Met preventieve aanvallen op Iran wint ons land weer. Sterker nog, we winnen zó veel dat we niet eens meer weten wat we ermee aan moeten. Mensen zeggen tegen me: Alstublieft, meneer de president, we winnen te veel. We kunnen het niet meer aan – stop met het bombarderen van Iran!Maar ik zeg: Nee, nee, nee. Jullie gaan weer winnen. Jullie gaan groter winnen dan ooit.’

Waarom? Omdat Trump volgens eigen zeggen de grootste vredestichter in de geschiedenis van de mensheid is. En zoals we maar al te goed weten, is volgens die logica de enige weg naar eeuwige wereldvrede één grote, laatste oorlog die alle vijanden van de vrede vernietigt. Trump herhaalt keer op keer dat de Verenigde Staten niet in oorlog zijn met Iran. Samen met Israël zouden ze alleen het Iraanse volk willen bevrijden – op ongeveer dezelfde manier als Israël Gaza heeft ‘bevrijd,’ nu de verwoeste wijken van Teheran steeds meer op Gaza beginnen te lijken. In die redenering volgt Trump zijn ware voorbeeld, Benjamin Netanyahu, die volgens dezelfde ironische logica een nog grotere vredestichter zou zijn. Israël voert immers een totale oorlog die, zo luidt de claim, vrede in het hele Midden-Oosten moet brengen, waarbij ‘vrede’ in de praktijk betekent dat Israël de regio wil domineren.

Wat moeten we dan doen? Ik word vaak beschuldigd van anti-Servische vooringenomenheid, maar toch moet ik toegeven dat mijn favoriete volkslied een Servisch lied is over Kraljević Marko (Prins Marko, de beroemde held uit de Servische middeleeuwse epiek) die zijn strijdmakker en rivaal Ljutica Bogdan (‘de Woeste Bogdan’) ontmoet. De volgende prozavertaling is van mij:

Prins Marko en Ljutica Bogdan, zo vertelt men, ontmoetten elkaar op een dag. De twee grimmige helden kijken elkaar lange tijd zwijgend aan. Wie van hen zal het gevecht beginnen? Ze wachten op elkaar.

Dan zegt Bogdan: ‘Weet je wat, Marko? Het zou voor ons beiden beter zijn als we ieder onze eigen weg gaan – jij naar de wijngaard, ik naar het veld. Als wij zouden vechten, zou de wereld beven. En wie weet wie van ons dan zijn hoofd zou behouden.’

Marko, die deze woorden maar al te graag wilde horen, geeft zijn paard de sporen en rijdt het veld in. En zo, zegt men, ontmoetten Prins Marko en Ljutica Bogdan elkaar die dag.

De onverwachte en enigszins anticlimactische beslissing van de twee helden om hun duel niet te laten doorgaan, moet niet worden gezien als lafheid die zich verschuilt achter het masker van een onverschrokken krijger. Integendeel: het lijkt eerder een kort moment van inzicht in de zinloosheid van hun streven naar heldhaftige eer. Hun onderliggende gedachte zou ongeveer zo kunnen luiden: ‘Waarom zouden we in hemelsnaam ons leven riskeren door deze stomme rol van helden te spelen, van wie verwacht wordt dat ze vechten zodra ze elkaar tegenkomen? Kunnen we er niet gewoon even uitstappen, ons terugtrekken en van een beetje rust genieten?’ Zulke eenvoudige gebaren zijn oneindig waardevoller dan grote dromen over eeuwige vrede die uiteindelijk alleen maar tot totale oorlog leiden.

Vertaling: Menno Grootveld

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *