Malcolm Harris is een Amerikaanse journalist en criticus. Hij is redacteur bij The New Inquiry en schreef Kids These Days: The Making of Millennials (2017) en Palo Alto: A History of California, Capitalism, and the World (2023). Harris was betrokken bij de Occupy Wall Street-beweging.
Stel je een nabije toekomst voor waarin Amazon meedingt naar gemeentelijke contracten voor afvalverwerking en riolering. Het bedrijf ontwikkelt vuilnisbakken, vrachtwagens en leidingen met sensoren die waardevolle data genereren uit het afval van de samenleving. Gemeenten omarmen gretig deze nieuwe technologieën en de bijbehorende kostenbesparingen. In zo’n scenario zouden we ons echter wel eens louter vazallen van het Bezos-imperium kunnen gaan voelen, als we steeds meer informatie prijsgeven ten bate van zijn uiteindelijke winst.
Dit is de kern van de zogenoemde technofeodalisme-these: het idee dat het kapitalisme van de eenentwintigste eeuw is verdrongen door een nieuw economisch systeem dat wordt gedomineerd door Big Tech. Volgens deze these herinvesteren de kapitalisten van vandaag hun winsten nauwelijks meer in het ontwikkelen van nieuwe capaciteiten voor het vergroten van de productie of het verhogen van de arbeidsproductiviteit. In plaats daarvan komt een steeds absurdere proportie van de groei voort uit surveillanceplatforms, die slechts een zwakke relatie hebben met de werknemers die de feitelijke producten (‘widgets’) maken waaruit de winst wordt gehaald.
Het technofeodale model berust op het vestigen van een monopoliepositie en het inzetten van geavanceerde data-extractie om die positie te bestendigen. ‘Nu ze onmisbaar zijn geworden,’ schrijft de Franse econoom Cédric Durand in zijn boekTechnoféodalisme: Critique de l’Économie Numérique, (2020), ‘moeten platforms worden gezien als infrastructuur, vergelijkbaar met elektriciteitsleveranciers, spoorwegen of telecombedrijven.’ Durand vond een Engelstalig podium in het gerenommeerde tijdschrift New Left Review, dat zijn redactionele aandacht heeft gericht op het debat rond het technofeodalisme. In 2022 discussieerden medewerkers van het tijdschrift uitgebreid over deze these, waarbij Evgeny Morozov betoogde dat het nog steeds om kapitalisme gaat, terwijl Durand, Jodi Dean en Timothy Erik Ström het tegenovergestelde standpunt verdedigden.
Zolang het kapitalisme bestaat, hebben schrijvers al herhaaldelijk het einde ervan voorspeld. Toch heeft de huidige these een ongewoon sterke weerklank gevonden bij serieuze linkse denkers. Is dit werkelijk het einde van de kapitalistische productiewijze?
Ik denk het niet.
De technofeodalisme-these sluit aan bij het onverwachte succes van Shoshana Zuboffs boek The Age of Surveillance Capitalism: The Fight for a Human Future at the New Frontier of Power(2018), ook al gebruikt zij de term zelf niet. Dit boek, een scherp getimede kritiek op Big Tech, kreeg lof van gevestigde namen als de New York Times, de Financial Times en Barack Obama. Zuboff introduceert het model van het ‘gedragsoverschot’: technologische monopolisten zetten gebruikers in om data te verzamelen, verfijnen die gegevens vervolgens en gebruiken ze om hun machtspositie te versterken. Haar belangrijkste voorbeeld is Google, dat zich niet zozeer onderscheidde door een beter zoekalgoritme te ontwerpen, maar door zijn advertenties te personaliseren. Vanaf dat moment kreeg informatie over mensen op zichzelf waarde – ongeacht of die direct werd gebruikt voor het verkopen van iets. Volgens Zuboff en haar volgelingen binnen de technofeodalisme-stroming hebben bedrijven als Google, en in navolging daarvan Facebook, Microsoft en Amazon, de glibberige helling van de digitale surveillance veranderd in een hamsterwiel: een nieuw, zichzelf in stand houdend systeem van uitbuiting.
Voor wie zijn wakkere uren grotendeels doorbrengt met elektronische apparaten die informatie registreren en rechtstreeks doorgeven aan ’s werelds meest waardevolle bedrijven, klinkt de technofeodale kritiek waarschijnlijk maar al te vertrouwd. Technisch gezien besteden we minder tijd aan het werken voor onze bazen dan aan het leveren van gegevens over onszelf aan technologiebedrijven. En ongeacht voor wie we werken – en of we überhaupt werk hebben – creëren we waarde voor Bezos en Zuck. Het tech-oligopolie legt niet alleen feilloos onze voorkeuren, gewoonten en keuzes vast, maar gebruikt die data ook om onze toekomstige beslissingen te sturen. Zo worden wij steeds waardevoller voor de techbedrijven, en steeds minder voor onszelf. Durand vergelijkt dit met de wereld van Jean-Luc Godards dystopische sciencefictionfilm Alphaville (1965), waarin een dictatoriale, zelfbewuste computer de samenleving regeert tot in de meest persoonlijke keuzes.
Dit is de lang gevreesde wereld van de cybernetische controle, waarin feedbackloops automatisch de bevolking sturen, zonder dat er nog echte keuzes worden gemaakt. ‘Het menselijk vermogen tot herstel dat voortkomt uit de mislukkingen en successen van het benadrukken van voorspelbaarheid en oefening tegenover wilskracht bij de confrontatie met natuurlijke onzekerheid, maakt plaats voor de leegte van voortdurende gehoorzaamheid,’ schreef Zuboff in 2015 in het Journal of Information Technology, waarmee zij de technofeodale lijn al voorspelde. ‘In plaats van nieuwe contractuele vormen mogelijk te maken, markeren deze regelingen de opkomst van een nieuwe universele architectuur, die ergens tussen natuur en God in staat, en die ik de Big Other noem.’
Lezers van de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan, of van zijn populairdere vertolker Slavoj Žižek, zullen wellicht verbaasd zijn dat Zuboff, een managementconsultant, de eer opeist voor deze term. Bij Lacan kan L’Autre verwijzen naar iemands moeder, het superego, de analist, de taal, de hele symbolische orde en meer – nauwelijks verschillend van Zuboffs ‘universele architectuur die ergens tussen natuur en God in staat.’ In Zuboffs herformulering krijgt Mark Zuckerberg echter een plek naast moeder en God in het pantheon van alziende, alwetende entiteiten.
Ik twijfel er niet aan dat Zuckerberg graag zo gezien wil worden. Maar als hij werkelijk zo almachtig is, waarom heeft Facebook dan zo veel moeite om gebruikers te vinden voor zijn zogenoemde metaverse? Volgens de technofeodalisten zouden we geen keuze hebben, en toch bindt vrijwel niemand een scherm voor zijn gezicht om in Zucklandia rond te hangen. Bovendien verliezen nutsmonopolies doorgaans geen veertig procent van hun beurswaarde in slechts acht maanden tijd.
Technofeodalisten hebben de slechte gewoonte de zelfpromotie van de industrie te herhalen. Ze veranderen de toon weliswaar van naïeve bewondering in scepsis en soms zelfs afschuw, maar delen met Silicon Valley de overtuiging dat computers en hun onderlinge verbindingen een revolutie in de productiewijze teweeg hebben gebracht. Het klopt dat beleggers enorme bedragen hebben gestoken in klassiek onproductieve bedrijven zoals Facebook, maar het zijn nog altijd de kapitalisten die de touwtjes in handen hebben. Kostenbesparing is dé groeisector die de winsten van bedrijven steeds verder opstuwt, ook al vertraagt de productie. Facebook is veel minder dan de technofeodalisten ervan maken: het is een advertentieplatform dat centen haalt uit de schaarse tijd en aandacht van zijn gebruikers – aandacht die anders verloren zou gaan, althans vanuit kapitalistisch perspectief. Achter alle grootspraak over het veranderen van de wereld met technologie gaat dus in werkelijkheid een groep digitale voddenrapers schuil.
Omdat de focus voortdurend verschuift, kun je bijna elke technofeodalistische kritiek dateren aan de hand van de opgewonden claims van de industrie waarnaar verwezen wordt. Surveillance Capitalism is bijvoorbeeld nog maar een paar jaar oud, maar Zuboffs zorgen over Facebooks overstap naar organische video’s – een totaal mislukte strategie, gebaseerd op de leugens van het bedrijf over gebruikersbetrokkenheid – waren bij publicatie al achterhaald. Als alles waar zou zijn wat de toekomstige crypto-soevereinen en metaverse-vastgoedontwikkelaars voorspelden, zouden we nu misschien geregeerd worden door cyberbaronnen. Gelukkig bleken ze vooral gebakken lucht te verkopen. De echte eigenaren van het internet zijn niet eens de techbedrijven zelf, zoals onderzoeker Daniel Greene onlangs opmerkte. Het zijn de vastgoedbeleggingsfondsen die het merendeel van de datacenters en de verbindingen daartussen bezitten. Wie achter de schermen kijkt, ziet dat Google en Amazon daar in feite slechts huurders zijn.
Het probleem met het idee om de Grote Ander tot fundament van een nieuwe productiewijze te maken, is dat het niet meer dan een fantasie is. L’autre n’existe pas, zeggen de Fransen: God is dood, je moeder en je therapeut zijn ook gewoon maar mensen, en de symbolische orde blijkt niet meer dan een hoop mensen in een grote trenchcoat. Er bestaat geen universele architectuur die natuur en God verbindt – en Facebook is dat al helemaal niet. Facebook is ook geen nutsvoorziening, maar een alomtegenwoordig entertainmentbedrijf dat, net als de televisieserie Friends, volledig draait op reclame-inkomsten. In wezen bestaat Facebook uit servers met gebrekkige code en werknemers die door hun leidinggevenden onder druk worden gezet. Als Mark Zuckerberg een tovenaar is, dan is hij van het type Oz – en dat laat hij ons ook geregeld zien wanneer hij als een stuntelaar over zijn eigen gordijn struikelt.
Het idee dat we de klassenstrijd in de Amerikaanse samenleving kunnen oplossen door via regelgeving de controle over onze data terug te winnen, is al even illusoir. Het lijkt op het hamsteren van oude kranten of het opvangen van onze urine in potten om ons afval uit de klauwen van de dataverzamelende algoritmes van Big Tech te houden. Maar wat dan? Zij kunnen misschien leven van onze datarestanten, maar wij niet. En dáármee wordt duidelijk dat dit nog steeds kapitalisme is: morgen moeten we gewoon weer op zoek naar werk.
Marco d’Eramo is een Italiaans journalist. Hij was student van de Franse socioloog Pierre Bourdieu en een van de oprichters van het Italiaanse dagblad Il Manifesto, dat hij in 2012 verliet. Tegenwoordig schrijft hij voor de taz, New Left Review en MicroMega.
Het zou bijna lachwekkend zijn, als het niet zo tragisch was. En wel om minstens vier redenen:
1. De felle verdediging van de mondialisering door links, dat deze eerder nog beschouwde als de bron van alle menselijke ellende. Na dertig jaar te hebben geklaagd over de willekeurige openstelling van markten, trekt links zich nu de haren uit het hoofd omdat die openstelling wordt teruggedraaid, ook al is het Amerikaanse imperium al tien jaar bezig met demondialisering. We mogen niet vergeten dat linkse economen het handelsprotectionisme van de Cambridge School jarenlang als leidraad hebben gezien.
2. De zorgeloze jubel waarmee Europa de Duitse herbewapening verwelkomt, zonder stil te staan bij de twee vorige militaire opbouwfases van het land en de rampzalige gevolgen daarvan voor de wereldvrede. Ook het bericht dat bondskanselier Friedrich Merz de 45e Pantserdivisie in Litouwen zou gaan stationeren, werd met opgewekt enthousiasme ontvangen – alsof Eisensteins Alexander Nevsky, dat het verhaal vertelt van de (gelukkig) uit deze regio verdreven Teutoonse ridders, volledig in de vergetelheid is geraakt.
3. De angst van Europa wanneer het beseft dat het op de een of andere manier – niemand weet precies waar of hoe – zijn beschermende nucleaire paraplu is kwijtgeraakt. Een geveinsde angst, want in al zijn uitbarstingen heeft Donald Trump dit onderwerp opvallend genoeg nooit aangestipt: de Amerikaanse president heeft geen enkele keer gedreigd de Amerikaanse bases in Europa af te bouwen, noch gesproken over het weghalen van de honderden kernbommen of van de ongeveer honderdduizend troepen die al meer dan een halve eeuw op het continent gestationeerd zijn. Maar dat doet er niet toe: de Europese leiders blijven hun handen wringen, ondanks dit aanhoudende stilzwijgen. Mijn God, roepen ze, we hebben geen paraplu meer om ons te beschermen tegen de stormen aan de horizon. We hebben op zijn minst dringend een regenjas nodig.
4. Over regenjassen gesproken: kijk naar de borstklopperige mannelijkheid waarmee Frankrijk en Groot-Brittannië hun bescheiden nucleaire spierballen laten rollen. Trots etaleren ze hun onafhankelijkheid van de Verenigde Staten, die inmiddels uitgekeken zijn op het oude continent, terwijl ze andere Europese landen aansporen meer aan defensie uit te geven. Dit is natuurlijk precies wat Trump zijn vazallen had opgedragen: de militaire uitgaven verhogen naar minstens drie procent van het bbp, en later zelfs naar vijf procent. De enige manier om dat te bereiken is door te bezuinigen op de sociale uitgaven – onderwijs, gezondheidszorg, enzovoorts. Met andere woorden: onder het mom van oorlogszuchtige onafhankelijkheid haasten de Europese ‘grootmachten’ zich om hun burgers het dictaat van Washington te laten slikken.
Tegenwoordig lijkt het tragikomische het enige register waarin hedendaagse gebeurtenissen nog kunnen worden verteld, zo groot is de kloof geworden tussen woorden en daden. Vertellen, niet begrijpen, laat staan voorspellen: onvoorspelbaarheid lijkt de enige constante van deze tijd, de enige voorspelling die we met enige zekerheid kunnen doen.
***
Interpretaties van het trumpisme – dat uiteraard iets anders is dan Trump zelf – bewegen zich meestal tussen twee assen van tegenstellingen: minimalistisch versus maximalistisch en declinistisch versus anti-declinistisch. In een recent artikel op Sidecar beschrijft Matthew Karp de twee uitersten van de eerste tegenstelling bijzonder helder:
Maximalisten beschouwen Trump als de katalysator van een plotselinge historische breuk – of het nu gaat om de transformatie van het tweepartijenstelsel, de ondermijning van de Amerikaanse democratie of de ineenstorting van de liberale wereldorde. Minimalisten daarentegen zien in hem geen fundamentele breuk, maar eerder een huiveringwekkend symbool van langlopende trends, of een symptoom van dieperliggende crises – een zwart gat dat de aandacht afleidt van de werkelijke politieke problemen.
Volgens Karp gaat deze tweedeling zowel op voor links als voor rechts:
Ondanks hun onderlinge verschillen zijn progressieve en conservatieve maximalisten het erover eens dat de president zelf het centrale, en vaak zelfs het enige, thema van de nationale politiek is. Beide kampen hebben zich bovendien vol enthousiasme gestort in de zogenaamde ‘fascisme-oorlogen,’ waarbij het F-woord regelmatig wordt ingezet als pressiemiddel om links – zowel tijdens verkiezingen als daarbuiten – in het gareel te houden.
Minimalisten vertegenwoordigen daarentegen een standpunt dat zowel door de Republikeinse als de Democratische leiders wordt gehuldigd, verenigd in de strategie van ‘ha da passare la nottata’ – oftewel: wachten tot de trumpistische storm vanzelf voorbij is getrokken. Voor de Republikeinen dient deze aanpak om traditionele rechtse doelstellingen te verwezenlijken, zoals belastingverlagingen voor de rijken, de privatisering van overheidsdiensten en een stortvloed aan lucratieve overheidscontracten. De Democraten leggen ondertussen vooral de nadruk op Trumps inconsistenties, ommezwaaien en blunders, in de hoop die te kunnen gebruiken als wapen voor een electorale comeback bij de tussentijdse Congresverkiezingen van 2026. Beide partijen delen echter een passieve berusting: de Republikeinen slikken zonder verzet de coup die Trump binnen de Grand Old Party heeft gepleegd, terwijl de Democraten zijn institutionele aanval – de ontmanteling van de wetgevende macht – ondergaan zonder zelfs maar minimale obstructie, zoals filibusters.
Tot de meest uitgesproken minimalisten behoren niet alleen de leiders van beide partijen, maar ook de zwaargewichten van Wall Street. Beursmakelaars zouden de president zelfs de bijnaam ‘Taco’ hebben gegeven – naar de Mexicaanse tortilla – een afkorting van Trump Always Chickens Out (‘Trump neemt altijd de benen’). Die bijnaam verwijst naar Trumps neiging om bij de eerste de beste tegenslag of bij de geringste weerstand vanuit een reëel machtscentrum haastig de aftocht te blazen. Uiteindelijk zijn, na alle ophef over de eerste zes maanden van Trumps tweede termijn, de drie kernmaatregelen die het trumpisme hadden moeten definiëren – de drastische inkrimping van het overheidsapparaat, een hard immigratiebeleid en hoge invoerheffingen – in feite volledig tot stilstand gekomen.
Het smadelijke vertrek van multimiljardair Elon Musk, zijn harde confrontatie met de president en het verzet van andere ministeries markeerden de feitelijke ineenstorting van DOGE (Department of Government Efficiency). Wat resteert, is een repressieve en wraakzuchtige afrekening met die delen van de overheid die beleid voerden dat haaks staat op het trumpisme, of die zo diep verankerd zijn dat snelle hervorming ervan onmogelijk blijkt – zoals het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Zoals te verwachten viel, is de massale uitzetting van dertien miljoen indocumentados niet meer dan retoriek gebleken. Zou dit werkelijk worden uitgevoerd, dan zou geen Amerikaan ooit nog een slablad, tomaat of kip kunnen eten, gezien de enorme afhankelijkheid van de agrovoedingssector van immigrantenarbeid. In werkelijkheid worden illegale arbeiders ingezet door dezelfde grote kapitalistische groepen die Trump tijdens zijn herverkiezingscampagne steunden en hem later hebben geadviseerd (of geïnstrueerd?) om de deportaties te beperken tot grootschalige razzia’s en machtsvertoon. Zo werd in Los Angeles zelfs het leger ingezet – een voorproefje van een toekomstig militair regime – compleet met het ketenen en publiekelijk vernederen van enkele duizenden gedeporteerden. Dit had nauwelijks effect op de arbeidsmarkt, maar diende vooral om buitenlandse werknemers te intimideren en hen symbolisch te vernederen, terwijl de kern van het industriële reserveleger onaangetast bleef. Bovendien mogen we niet vergeten dat Barack Obama ooit de bijnaam ‘Deporter-in-Chief’ kreeg. Zoals The Washington Postopmerkte en NBC News rapporteerde, ‘deporteert de regering-Trump gemiddeld 14.700 mensen per maand – aanzienlijk minder dan tijdens het hoogtepunt onder Obama in 2013, toen er 36.000 per maand werden uitgezet. En dit aantal komt op geen enkele wijze ook maar in de buurt van het door Trump beoogde doel van 1 miljoen deportaties per jaar.’
Op het gebied van invoerheffingen was Trumps zigzagpolitiek nog spectaculairder. Herinnert u zich de aanvallen eind januari op Canada en Mexico nog, ooit partners van de VS in de NAFTA-vrijhandelszone? Inmiddels liggen de ‘dreigende’ invoerheffingen voor deze landen zelfs nog lager dan die voor andere landen. De heffingen die Trump op ‘Liberation Day’ (2 april) tegen de hele wereld aankondigde, werden uitgesteld nadat Jamie Dimon – de machtigste man van Wall Street en CEO van JP Morgan Chase, al negentien jaar de grootste bank ter wereld – had geopperd dat dit misschien wat al te ver ging. Dit ondanks het feit dat Dimon Trump had gesteund en zelfs kandidaat was geweest voor de post van minister van Financiën. Het ultimatum werd vervolgens doorgeschoven van juli naar augustus.
Trump heeft geen enkele moeite met de meest schaamteloze ommezwaaien, zoals hij op tal van terreinen ruimschoots heeft laten zien. Zijn hele leven lang – van zijn turbulente carrière als vastgoedontwikkelaar tot zijn rol als realityshow-presentator – is duidelijk geworden dat hij geen leeuwenhart heeft: hij is sterk tegenover de zwakken en zwak tegenover de sterken. Juist die lafheid is misschien wel de eigenschap die hem, ondanks talloze faillissementen, overeind heeft gehouden. Maar politiek verklaren aan de hand van de psychologische eigenschappen van een leider – denk aan uitspraken als ‘Hitler was gek’ – is conceptueel onjuist en, belangrijker nog, weinig verhelderend.
En als we het toch over lafaards hebben: ze vermenigvuldigen zich in de VS niet alleen onder de aanhangers van Trump, maar ook onder degenen die hem de bijnaam ‘Taco’ gaven – de financiële wereld en het grootkapitaal. Het dominante verhaal in de mainstream pers – van de New York Times en de Washington Post tot hun Europese tegenhangers (Le Monde, Frankfurter Allgemeine, The Economist, Corriere della Sera) – luidt dat het trumpisme een afwijking is, een uitlaatklep voor onwetende, zwaarlijvige, opvliegende plattelandsbewoners, en dat het niets van doen heeft met het klassieke liberale kapitalisme, dat zogenaamd verfijnd, gecultiveerd en beschaafd is, en in topconditie verkeert. Een verhaal dat Silicon Valley nóg ondoorgrondelijker maakt dan de Orfische mysteriën.
Dit verhaal botst met twee realiteiten. In de eerste plaats: in elk land ter wereld hebben de financiële wereld en het grootkapitaal zich zolang ze bestaan altijd op de overheid gericht. Ze zoeken steevast goede relaties met de regering van dat moment – zolang dit hun belangen niet schaadt – en doen er alles aan om het beleid in hun voordeel te beïnvloeden. In de tweede plaats: als het trumpisme – nogmaals, niet te verwarren met Trump zelf – slechts een afwijking was, dan zouden de krachten van het klassieke liberalisme zich hebben verenigd om hun zaak te verdedigen. Maar zo’n inspanning is nergens te zien, zelfs niet bij de financiers die Kamala Harris tijdens de presidentsverkiezingen van vorig jaar steunden en haar meer geld toeschoven dan haar tegenstander ontving.
We zouden een botsing moeten zien tussen twee facties van het kapitaal met uiteenlopende belangen. Maar ook hier is geen enkel teken van protest te ontwaren. Kijk maar naar de snelheid waarmee alle industriële en financiële spelers – te beginnen met de beleggingsreuzen BlackRock, Vanguard en anderen – elk spoor van milieubeleid hebben laten vallen en de voorzichtige ESG- (Environmental, Social and Governance) en DEI-initiatieven (Diversity, Equity, Inclusion) van de vorige regering zonder enige aarzeling hebben opgegeven. Het klopt dat er voor het eerst in decennia geen enkele topman van Goldman Sachs – de machtigste zakenbank ter wereld, die in eerdere regeringen zó aanwezig was dat ze de bijnaam Government Sachs kreeg – een hoge functie in het team van de president kreeg. Maar Goldman zelf heeft zich koelbloedig aangepast.
Dit wekt het vermoeden dat de zogenoemde trumpistische afwijking in feite niet zo afwijkend is, maar eerder een systemische – of in elk geval gouvernementele – tendens weerspiegelt. Dat beeld wordt versterkt door de verontwaardiging in de mainstream pers over Project 2025 en de denktank erachter, de Heritage Foundation, terwijl Trump intussen de belangrijkste aanbevelingen ervan doorvoert. Wie zich hierover verontwaardigd toont, doet alsof hij niets weet van de lange geschiedenis van de Heritage Foundation met opeenvolgende Republikeinse regeringen, of is zich daar eenvoudigweg niet van bewust. Project 2025 is namelijk niet het eerste, maar het negende deel in de reeks Mandate for Leadership. Het eerste verscheen in 1981 als leidraad voor de nieuwgekozen president Ronald Reagan. Voor Reagans tweede termijn volgde in 1984 Mandate for Leadership II, waarin werd gesteld dat 60 à 65 procent van de aanbevelingen van de Foundation inmiddels was uitgevoerd. In november 2016, kort na de eerste overwinning van Trump, verscheen Mandate for Leadership VII. En in 2018 meldde Heritage dat de regering-Trump tot dan toe 64 procent van haar 334 beleidsvoorstellen had uitgevoerd.
Vanuit dit perspectief is het trumpisme niet simpelweg identificeerbaar met Trump zelf, noch te reduceren tot zijn theatrale optreden. Het moet worden begrepen als onderdeel van de lange golf van het reaganisme. Het put uit een arsenaal aan ideeën en een rijkdom aan studies en onderzoek die Trumps losse improvisaties ver overstijgen – Trump heeft tenslotte niet in één nacht 140 executive orders uit zijn mouw geschud. Maar het moet ook worden gezien in het kader van het bredere debat over hoe het Amerikaanse imperium – een term die hier volledig op zijn plaats is – moet worden beheerd, versterkt of in elk geval niet verzwakt.
***
We moeten afrekenen met de wijdverbreide misvatting onder Europese opiniemakers dat de politieke krachten in de VS verdeeld zijn in ‘meer imperialistische’ en ‘minder imperialistische’ stromingen. Geen enkele heersende klasse die de macht in handen heeft, is bereid die macht vrijwillig af te staan of te laten afnemen, laat staan volledig te verliezen. Het debat tussen de rivaliserende facties van de Amerikaanse elite draait altijd om de vraag hoe het imperium moet worden beheerd: welke strategie nodig is om het te versterken en welke tactiek het beste werkt om het uit te breiden. Daarbij beschuldigt elke factie de ander steevast van een beleid dat het imperium zou verzwakken en zo zijn ondergang zou bespoedigen.
Zoals ik eerder al schreef, wordt er al sinds vóór mijn geboorte gesproken over de ‘Amerikaanse ondergang.’ Dit refrein duikt bij elke oorlog en elke crisis opnieuw op, zo vaak zelfs dat een geestige commentator van The New Yorker ooit opmerkte dat de huidige ondergangsdenkers eerst maar eens moeten uitleggen waarom hun voorgangers ongelijk hadden. Een opvallend kenmerk van het Amerikaanse imperium is dat het de afgelopen zeventig jaar elke oorlog die het voerde heeft verloren, maar er na iedere nederlaag sterker uit tevoorschijn is gekomen. Europese ondergangsdenkers geven zich vooral over aan wishful thinking: ze hopen vurig dat het imperium zal wankelen en speuren naarstig naar elk teken van verval. Zodra ze zo’n teken menen te zien, blazen ze het op met doorzichtige Schadenfreude: niet alleen Europa gaat achteruit, nu is Amerika eindelijk ook aan de beurt… Daartegenover staat dat Amerikaans ondergangsdenken altijd voorwaardelijk is, zoals historica Victoria De Grazia mij vertelde. ‘Iedereen die de ondergangsthese aanhangt, voegt er namelijk meteen een waarschuwing aan toe: “Als je de ondergang wilt voorkomen, moet je dit doen.” Zo zei Chomsky: stop met imperialistisch beleid. Huntington: stop met rationalistisch-technicistisch denken. Barber: stop met gematigd democratisch zijn. Kennedy: verminder de wapenuitgaven en focus je op het nieuw leven inblazen van de industriële basis om concurrerender te worden. En Nye: gebruik soft power strategischer, als aanvulling op militaire en economische hard power.’
Deze retoriek – ‘als je niet doet wat ik zeg, zal ons imperium in verval raken en ten onder gaan’ – viert vandaag de dag hoogtij. Hier raakt de scheidslijn tussen maximalisten en minimalisten aan de tegenstelling tussen ondergangsdenkers en hun tegenvoeters. Elke maximalistische interpretatie van het trumpisme wordt namelijk per definitie gekenmerkt door ondergangsdenken. Omdat Trump zelf de luidste maximalistische stem is als het om zijn presidentschap gaat, is het niet verrassend dat hij op de dag van zijn inauguratie verklaarde dat ‘het Amerikaanse verval voorbij is.’ Daarmee positioneerde hij zichzelf – en dat blijft hij doen – als de enige remedie en het laatste bolwerk tegen de erosie van de Amerikaanse macht. Een erosie die hij toeschrijft aan de Democraten, de woke-cultuur en de rassendiscriminatie tegen arme witte mensen.
Maar al snel keerde het ondergangsdenken zich tegen hem. Een paar krantenkoppen spreken boekdelen: ‘We zijn getuige van de zelfmoord van een supermacht’ (Max Boot, Washington Post, 8 juni 2025); ‘Het einde van de lange Amerikaanse eeuw: Trump en de bronnen van de Amerikaanse macht’ (Robert O. Keohane en Joseph S. Nye, Jr., Foreign Affairs, juli-augustus 2025); ‘Amerika stort in zoals Rome’ (Richard Wolff, Cooper Academy, 8 mei 2025). Toch blijkt zelfs met Trump aan het roer de retoriek van verval soms niet meer dan een wensdroom – in dit geval een Chinese: ‘Het verval van het imperium: een verslag van het Amerikaanse verval’ (Kari McKern, China Daily, 22 april 2025).
We moeten onderscheid maken tussen twee dimensies van het trumpisme: het binnenlands beleid en het buitenlands beleid, inclusief de handel. Op het laatste terrein sluit het trumpisme aan bij een al ruim tien jaar durend debat binnen beide partijen over de excessen van de mondialisering. Na de financiële crisis van 2008 begonnen Amerikaanse denktanks zich zorgen te maken over de opkomst van China. Terecht, want in zekere zin is het huidige China een creatie van de Verenigde Staten zelf. Washington voorzag een voorheen arm land niet alleen van het kapitaal en de technologie om te industrialiseren, maar bood het ook toegang tot een enorme afzetmarkt voor de goederen die met dat kapitaal en die technologie werden geproduceerd. De VS koesterden, zo zou je kunnen zeggen, een adder aan hun borst. De mondialisering had bovendien grote gevolgen voor het Amerikaanse binnenland. Doordat de industriële basis naar het buitenland werd verplaatst, kwam de Amerikaanse arbeidersklasse in een precaire en gemarginaliseerde positie terecht. Grote delen van de bevolking hadden daardoor geen direct belang meer bij het voortbestaan van het imperium – een scherpe breuk met het oude adagium: wat goed is voor General Motors, is goed voor Amerika.
Kortom, het werd tijd om een rem te zetten op wat inmiddels de ‘hypermondialisering’ was gaan heten. Sinds 2015 heeft vrijwel elke grote gebeurtenis – hoe verschillend ook – in de richting van demondialisering gewezen. Eerst was er het Brexit-referendum in het Verenigd Koninkrijk (juni 2016), gevolgd door de verkiezing van Trump (november 2016), de Covid-19-pandemie (januari 2020 – mei 2023), de oorlog in Oekraïne (sinds februari 2022), en de handelsoorlog met China (gestart onder Trump I, verder aangescherpt onder Biden). En nu: de tweede ambtstermijn van Trump. Het probleem is dat de Verenigde Staten ruim twintig jaar lang de onderdanen van hun imperium – met name de Europeanen – hebben gedwongen tot mondialisering: langere toeleveringsketens, delokalisatie en verregaande financialisering. Terwijl de mondialisering leidde tot de opkomst van China én tot groeiende ontevredenheid in eigen land, legt de demondialisering juist heel veel druk op de relaties met Europa. Onder Biden werd dit deels opgevangen door de Europeanen nauwer te betrekken bij de NAVO-oorlog tegen Rusland. Onder Trump gebeurt dit via dreigementen met invoerheffingen en door zwaardere tributen op te leggen: hogere militaire uitgaven en de verplichte aankoop van Amerikaanse wapens.
Omdat zowel Democraten als Republikeinen demondialiserende maatregelen hebben genomen, ligt het verschil tussen hen niet in hun gedeelde zorg over de opkomst van China, maar in hun tegengestelde ideeën over hoe die opkomst kan worden afgeremd. Beide partijen zijn het erover eens dat er snel moet worden gehandeld, voordat China de technologische, economische en soft power-kloof met de VS kan dichten. Het verschil zit in de gekozen aanpak. Biden en zijn minister van Buitenlandse Zaken, Antony Blinken, volgden vrijwel letterlijk de aanbevelingen uit een fascinerend, maar ook self-fulfilling rapport van de Rand Corporation uit 2019: Overextending and Unbalancing Russia: Assessing the Impact of Cost-Imposing Options. Volgens dit rapport was het de beste strategie, in een tripolaire nucleaire wereld, om eerst Rusland te isoleren en te verzwakken. Daarmee zou het triumviraat worden teruggebracht tot een duopolie, zodat men zich daarna volledig kon richten op de belangrijkste tegenstander: China. In de praktijk blijkt deze strategie echter niet heel effectief. De sancties tegen Rusland hebben slechts beperkt resultaat opgeleverd, de pogingen om Moskou te isoleren van grote delen van het ‘mondiale Zuiden’ zijn grotendeels mislukt (een term die trouwens zelf nadere reflectie verdient, want waarom horen we zelden over het ‘mondiale Noorden’?), en de oorlog in Oekraïne heeft Rusland juist dichter bij China gebracht. Hierdoor zijn er steeds meer twijfels ontstaan over de houdbaarheid van de Rand-strategie.
Daarom zien we nu pogingen om Rusland los te weken van China door vrede in Oekraïne in het vooruitzicht te stellen. Moskou kan dergelijke verleidingen niet zomaar naast zich neerleggen. Wie naar de kaart kijkt, begrijpt waarom: ten zuiden van de grens met China wonen 1,4 miljard mensen op 9,5 miljoen vierkante kilometer – intensief benut land, waarvan grote delen bovendien bedreigd worden door woestijnvorming. Ten noorden van de grens wonen slechts 35 miljoen mensen op een uitgestrekt gebied van 13,1 miljoen vierkante kilometer, dat door klimaatopwarming en het smelten van de permafrost in de toekomst waarschijnlijk vruchtbaarder zal worden. Die toekomst laat zich nu al zien: Chinese kopers domineren de vastgoedmarkt in de steden van Siberië en kopen er uitgestrekte landgoederen. Zou China dezelfde logica op Siberië toepassen als Rusland op Oekraïne, dan zou het zomaar de heraansluiting van heel Mantsjoerije kunnen eisen. De echte angst van Rusland betreft dan ook China, niet de Verenigde Staten – denk maar aan het grensconflict tussen de Sovjet-Unie en Mao’s China in 1969.
Het is derhalve geen onrealistisch scenario dat Moskou opnieuw aansluiting zal zoeken bij de Amerikaanse invloedssfeer. Er wordt zelfs gesproken van een ‘omgekeerde Nixon-strategie’: waar Kissinger er destijds in slaagde China van Rusland los te wrikken, zou het nu de bedoeling zijn om het omgekeerde te doen. Het probleem is echter dat Rusland na ruim drie jaar oorlog een zware tol heeft betaald voor de strategie van de Rand Corporation. Een halfslachtige poging tot vrede met Kyiv volstaat daarom niet meer.
In die zin heeft de Verenigde Staten zichzelf in een geopolitieke impasse gemanoeuvreerd – een situatie die Trump niet heeft veroorzaakt, maar waar hij ook geen oplossing voor heeft. Dit lijkt de argumenten die wijzen op een neergang van Amerika geloofwaardiger te maken. Toch vinden deze weinig steun in de manier waarop andere staten reageren op dit strategische dilemma. Wat vooral opvalt, is de gelatenheid waarmee de rest van de wereld de Amerikaanse dreigementen met sancties en het gebral uit Washington aanvaardt: Europa slikt een flinke economische tegenvaller, terwijl China opmerkelijk terughoudend is met vergeldingsmaatregelen. Feit blijft dat de dollar de mondiale reservevaluta is, dat het Amerikaanse financiële systeem de wereld domineert, dat Amerikaanse beleggingsfondsen zich wereldwijd blijven uitbreiden en dat de militaire macht van de VS ongeëvenaard is. Trump verhoogt bovendien de militaire uitgaven.
***
Je krijgt steeds meer het vermoeden dat de interne crisis van de Verenigde Staten niet zozeer voortkomt uit een verlies aan invloed op het wereldtoneel, maar juist eerder uit de buitensporige macht van hun imperium. Het gaat om een crisis van de hypermacht – een macht die de overtuiging voedt dat je zonder enige terughoudendheid kan doen wat je wil, met een stok die zo sterk is dat er geen wortel meer nodig is.
Deze hypermacht beperkt zich niet tot de VS als imperiale macht, maar strekt zich uit tot de hele klasse van gigamiljardairs, die de ruimte, de ether, de communicatie, de taal en inmiddels zelfs de kennis domineren. Vanuit dat machtsmonopolie voelen zij zich gerechtigd tot het meest schaamteloze despotisme. Dagelijks zien we daar nieuwe voorbeelden van: willekeurige sancties die zonder enige rechtvaardiging worden opgelegd aan Francesca Albanese, de speciale VN-rapporteur voor de bezette Palestijnse gebieden; of de dreiging met buitensporige tarieven tegen het Brazilië van Lula, nota bene terwijl de handel tussen beide landen de VS een overschot van acht miljard dollar oplevert – een overschot dat al achttien jaar onafgebroken bestaat.
Alleen die hypermacht kan verklaren hoe de regering-Trump ermee wegkomt om de zogeheten Caligula-methode toe te passen bij haar benoemingen. Net zoals Caligula ooit een paard tot senator maakte om zijn minachting voor de Senaat te tonen – in de overtuiging dat het Romeinse Rijk, op het hoogtepunt van zijn macht, zelfs zulke excentrieke grillen kon verdragen – zo kan Trump het zich veroorloven een miljardair uit de worstelwereld tot minister van Onderwijs te benoemen. Of een half-alcoholische televisiepresentator, die ooit dronken werd gefilmd terwijl hij ‘Let’s kill all the Muslims’ zong, en oneervol werd ontslagen uit het marinierskorps, tot minister van Defensie te maken.
Vergelijkingen met het verleden zijn strikt genomen altijd anachronistisch. Toch dringt zich één conclusie op: de mondialisering heeft voor Washington nóg een onverwacht en schadelijk gevolg gehad: ze heeft de heersende klasse losgeweekt van haar land. Het gemondialiseerde kapitalisme is niet langer patriottisch; het waant zich (ten onrechte) onafhankelijk van het lot van de natie. Het koestert de illusie, zoals veel magnaten uit Silicon Valley, dat je kunt uitwijken naar Nieuw-Zeeland of naar een extraterritoriaal platform op zee, terwijl je intussen je fortuin kunt behouden en invloed kunt blijven uitoefenen over de wereld. Wat het niet beseft, is dat al zijn macht berust op het imperiale karakter van de Verenigde Staten. Bij ontstentenis daarvan zijn de leden van deze elite helemaal niets – schipbreukelingen in een gouden kooi, aan de rand van de Stille Oceaan. Het doet denken aan de late fase van het Romeinse Rijk, toen de grootgrondbezitters zich niet langer als cives Romani beschouwden, de plebejers weigerden nog langer dienst te nemen in de legioenen, en Dalmatische, Iberische of Numidische praetorianen het rijk konden veilen aan de hoogste bieder. Vandaag lijkt het erop dat de Amerikaanse elite voor het eerst haar interesse in de Verenigde Staten – en in de Amerikanen – is verloren.
Twee eeuwen lang hebben de Europeanen de monumentale fout gemaakt de Amerikaanse elite te onderschatten – een klasse die in minder dan honderd jaar de wereld veroverde: de zeeën, het luchtruim, de ruimte, de financiële en monetaire wereld, én de verbeelding. Het was een meedogenloze, gewetenloze klasse, maar ze wist een bestuur – publiek én privaat – voort te brengen dat, ten goede of ten kwade, de hele planeet bestuurde. De Carnegies, Rockefellers, Vanderbilts en Astors – terecht ‘roofbaronnen’ genoemd – bouwden bibliotheken, ziekenhuizen, universiteiten en concertzalen, niet uit altruïsme, maar omdat het in hun eigen belang was dat het land bloeide. Ze lieten stakende arbeiders neerschieten, maar bleven patriottische schurken, om Dr. Johnson te parafraseren. De nieuwe generatie kapitalisten daarentegen lijkt volledig losgezongen van elke menselijke context – een gedematerialiseerde klasse die Margaret Thatchers beroemde uitspraak als leidraad heeft genomen: ‘There is no such thing as society.’
Dus ja – terugkomend op de dichotomieën waarmee we begonnen – de huidige situatie is het eindresultaat van de neoliberale Reagan-revolutie. Het gaat dus om een langetermijnontwikkeling, waarvan Trump slechts een bijverschijnsel is (het minimalisme). Tegelijkertijd markeert dit een radicale breuk in het beheer van het imperium: een verschuiving weg van soft power (het maximalisme). Waar de macht van de VS ooit schuilde in het niet toegeven dat het een imperium was – de VS ‘bezetten’ ons niet, ze ‘verdedigden’ ons – zien we nu een imperium dat zijn heerschappij zonder enige schroom oplegt. Dit imperium bevindt zich in een stadium van absolute suprematie (antideclinisme). Maar het feit dat het veruit de sterkste macht op aarde is, betekent niet dat het de enige macht is. En juist in die overmoed schuilt zijn grootste kwetsbaarheid (declinisme): het uiteenvallen van de heersende klasse, zichtbaar in de aanvallen op de universiteiten die haar opleiden, en in de verslechterende relatie van die klasse met haar eigen staat.
David Moscrop is een Canadese podcaster, politicoloog, columnist en auteur van het boek Too Dumb for Democracy? uit 2019.
Net als eerdere automatiseringsgolven zal kunstmatige intelligentie (AI) niet verdwijnen. Of het nu gaat om een periode van bloei of van crisis, de kern van de strijd is de vraag wiens belangen ermee gediend zullen worden
Een rapport van het MIT stelt dat maar liefst 95 percent van de toepassingen van generatieve kunstmatige intelligentie faalt. Dat is een indrukwekkend percentage. Voor een technologie die vaak wordt gepresenteerd als hét antwoord op vrijwel elke vraag, zegt dit onvermogen van bedrijven om AI effectief in hun werk te integreren veel over de volgende fase van de industriële mechanisatie, ons economisch systeem en onszelf. Wat het níét betekent – hoe graag sommigen dat ook zouden willen – is dat AI gedoemd is te mislukken.
De truc is dat je verder moet lezen dan de kop. Het MIT-rapport concludeerde namelijk niet dat AI niet werkt – hoe gebrekkig de technologie ook nog mag zijn – maar dat veel integraties op dit moment mislukken. Zoals Jowi Morales in Tom’s Hardware schrijft, leveren die integraties geen rendement op ‘omdat generieke AI-tools, zoals ChatGPT, zich niet aanpassen aan de bestaande workflows binnen bedrijven.’
All-in op AI
De reactie van bedrijven op deze of vergelijkbare bevindingen zal niet zijn om AI links te laten liggen, maar juist om de technologie nog nadrukkelijker op te leggen aan werknemers en werkplekken. In plaats van AI aan te passen aan bestaande workflows en routines, zullen bedrijven eerder de workflows, routines en zelfs banen aanpassen aan AI. De tegenslagen mogen niemand misleiden over de richting die is ingeslagen.
Bij Meta heeft Mark Zuckerberg bijvoorbeeld een aanwervingsstop ingesteld bij de AI-divisie Scale AI, waarin het moederbedrijf van Facebook al ruim veertien miljard dollar heeft geïnvesteerd. Deze divisie schrapt nu veertien procent van het personeel. Zulke berichten voeden de geruchten over een vertraging of zelfs een crash van AI, en over het uiteenspatten van de zeepbel. De enorme investeringsgolf van de afgelopen jaren ging gepaard met opgewonden verhalen over AI-revoluties, en een onvermijdelijke transitie naar een nieuwe technologische en industriële orde. Tegenwoordig is het bijna onmogelijk om twee keer te klikken op internet of een app te openen zonder een vorm van AI-integratie tegen te komen: van tekstverwerkers tot winkelchatbots, sociale media, zoekmachines en nog veel meer. Het geheel heeft inmiddels de schijn gekregen van een piramidespel dat op het punt staat in te storten.
Dat piramidespel heeft nu al geleid tot het verlies van tienduizenden banen, en naar verluidt zal het daar zeker niet bij blijven. De risico’s voor werknemers zijn dus reëel. Terwijl bedrijven volop inzetten op AI, blijven ze – zelfs als ze tijdelijk een stap terug doen – vastbesloten om werk te hervormen via automatisering. Dat betekent: de ‘efficiëntie’ verhogen door het personeelsbestand en de kosten terug te dringen. AI staat op het punt om sneller dan velen denken miljoenen banen wereldwijd te doen verdwijnen. Toch steunen de veelgeprezen automatisering, efficiëntie en autonomie op enorme hoeveelheden menselijke arbeid: moderatie, annotatie, data-labeling, probleemoplossing, reparaties en veel meer. AI kan talloze banen overbodig maken, maar creëert ook nieuwe banen en verandert andere. Het probleem is dat veel van deze nieuwe banen slecht betaald worden en onaantrekkelijk zijn, waardoor de algehele ontwikkeling de arbeidsnormen en lonen onder druk zet.
Maar hoe vaak ook wordt beweerd dat de AI-keizer geen kleren aan heeft, de honderden miljarden die in AI zijn geïnvesteerd, hebben een eigen dynamiek van hoop, logica en verwachting gecreëerd. Deze investeringen voeden het idee dat AI dé toekomst is van kennis, productie en dienstverlening. Gezien de beperkingen van AI en de daarmee gepaard gaande enshittification – zoals Cory Doctorow het misschien zou noemen – van zoveel aspecten van het dagelijks leven, zou je verwachten dat technocraten en oligopolisten, zowel in het bedrijfsleven als in de politiek, even de tijd zullen nemen om de balans op te maken, de bevolking te raadplegen en zich aan te passen. Maar dat is hoogst onwaarschijnlijk. Kortom, de zakenwereld is, om in pokertaal te spreken, ‘pot committed’ aan de AI-revolutie zoals die er nu uitziet.
Anti-AI-activisten zien mogelijk een zeepbel uiteenspatten of een revolutie mislukken. Maar voor wie zich bezighoudt met de toekomst van werk en de democratisering van AI, ligt een verstandiger interpretatie voor de hand: dit is op zijn best een strategische terugtrekking of een consolidatie van de AI-integraties. Dat betekent dat we ons moeten voorbereiden, een strategie moeten ontwikkelen en doelgericht moeten reageren. Meta zelf omschreef zijn vacaturestop als een ‘fundamentele organisatorische planning: het bouwen van een solide structuur voor onze nieuwe superintelligentie-inspanningen nadat we mensen hebben aangenomen, en de jaarlijkse budgettering en planning hebben uitgevoerd.’ Hoe ongemakkelijk dit ook klinkt, de macht ligt momenteel bij Meta en zijn concurrenten. Zij geven de industriële ruimte naar eigen inzicht vorm, vooral in de context van de achteruitgang van de democratie in de Verenigde Staten en een steeds hechtere verstrengeling van de macht met de tech-oligarchie.
De verkeerde vraag
De vraag of bepaalde AI-technologieën ooit echt zullen ‘werken’ is verkeerd gesteld – of op zijn minst van ondergeschikt of zelfs marginaal belang. Er is een wereldwijde race gaande om AI te ontwikkelen en toe te passen. Die wedstrijd is zowel een geopolitieke machtsstrijd tussen staten als een bredere kapitalistische drang om technologie en arbeid te hervormen in het voordeel van de heersende klasse, ongeacht staatsgrenzen. Het kapitaal en het politieke gewicht achter de AI-revolutie zijn dan ook aanzienlijk. Voor de voorstanders is AI geen technologische luxe, maar een strategische noodzaak.
Los van het verschil tussen soorten AI, hun toepassingen en de manieren waarop ze worden geïntegreerd – waarbij sommige al functioneren – draaien de kernvragen voor arbeid, massapolitiek en consumenten om het volgende: Voor welke doeleinden zal AI worden ingezet, in wiens belang, en onder wiens controle? Zoals het er nu uitziet, zijn er volop redenen om te denken dat het antwoord in alle gevallen ‘oligarchen en oligopolisten’ luidt. Mogelijk staat daar nog een technocratische elite boven, die hooguit fungeert als een regelgevende stempelaar, of als institutionele belegger of verzekeraar. En omdat de staat zelf de brede uitrol van AI actief ondersteunt, lijkt het spel in feite al gespeeld.
Het gevaar van het idee dat de AI-zeepbel aan het barsten is, is dat dit ons een vals gevoel van veiligheid en zelfgenoegzaamheid kan geven. Wie een technologische, politieke en economische toekomst wil die wordt gekenmerkt door diepgaande democratisering en collectieve controle, moet uitgaan van één realiteit: AI, in welke vorm dan ook, zal blijven bestaan. De opdracht is dus niet om te wachten op een ineenstorting, maar om ons te organiseren om er grip op te krijgen.
Wolfgang Münchau is directeur van Eurointelligence en columnist van UnHerd.
We hebben Rusland onderschat
Max Weber was het toonbeeld van de gecultiveerde intellectueel van het fin de siècle en het begin van de twintigste eeuw. De Duitse socioloog is vooral bekend door zijn essay De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme, waarin hij verklaart waarom protestantse landen in die tijd succesvoller waren dan andere. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was Weber vijftig jaar oud. De Duitse historicus Golo Mann, de jongere broer van Thomas Mann, noteerde in zijn boek De geschiedenis van Duitsland sinds 1789 een veelzeggende uitspraak van Weber – een illustratie van hoe makkelijk mensen in de maalstroom van de oorlog worden meegezogen:
‘Max Weber, die we kennen als een harde, melancholische realist, schreef over “deze grote en prachtige oorlog” en hoe bijzonder het was om die nog mee te mogen maken. Tegelijkertijd betreurde hij bitter dat zijn leeftijd hem ervan weerhield naar het front te gaan.’
Weber en vele andere oorlogszuchtige Duitsers uit die tijd leken er geen moment bij stil te staan dat de oorlog misschien anders zou kunnen verlopen dan zij zich voorstelden.
Ik zie dat Europa vandaag in een vergelijkbare positie verkeert. Net als Weber tonen veel intellectuelen en politici van onze tijd zich enthousiast over een oorlog met Rusland. Een van de meest uitgesproken pleitbezorgers van westerse militaire interventie is de historicus Timothy Snyder, voorheen verbonden aan Yale en inmiddels aan de universiteit van Toronto. In 2023 verklaarde hij: ‘De Russen moeten verslagen worden, net zoals de Duitsers destijds zijn verslagen.’
Ook Europese politici zijn steeds enthousiaster over een strijd tegen Rusland. Een van hen is Alexander Stubb, de huidige president van Finland. Ik ken hem nog uit mijn tijd in Brussel, toen hij een bescheiden Europarlementariër was – de belichaming van de rustige, Noord-Europese intellectueel. Vorige week zei hij dat veiligheidsgaranties voor Oekraïne onvermijdelijk inhouden dat de landen die deze garanties geven bereid moeten zijn om tegen Rusland te vechten.
Ik wil de veiligheidsdreiging van Vladimir Poetin niet bagatelliseren. Het binnendringen van Russische gevechtsvliegtuigen in het Estse luchtruim was zonder twijfel een onaanvaardbare daad van agressie. De NAVO heeft alle recht om dergelijke toestellen neer te halen en moet duidelijk maken dat dit bij een volgende overtreding ook daadwerkelijk zal gebeuren. Maar het verdedigen van je bondgenootschap is iets anders dan het voeren van een proxy-oorlog in Oekraïne – een land dat geen lid is van de NAVO.
De Koude Oorlog was een periode van relatieve stabiliteit, niet alleen door het machtsevenwicht, maar ook omdat de politici die de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog hadden meegemaakt, vastbesloten waren om de vrede te bewaren. Het merendeel van die generatie is inmiddels verdwenen. Net als Weber hebben de huidige Europese elites de kans gemist om zelf een ‘glorieuze’ oorlog te voeren. Het verschil is dat zij tegenwoordig liever anderen voor hen laten vechten.
De kans op een escalatie naar een echte oorlog is groot genoeg om serieus te nemen. Het grootste gevaar schuilt, naast de algemene oorlogszuchtige houding, in het verkeerd inschatten van de vijand – net zoals de Duitsers in 1914 hebben gedaan. Ook Poetin vergiste zich in de westerse reactie op zijn invasie van Oekraïne en in de veerkracht van het Oekraïense leger. Maar de misrekeningen van het Westen blijken hardnekkiger.
De grootste misvatting was dat de Russische economie zwak was en uiteindelijk zou bezwijken onder de druk van het Westen. Deze verkeerde inschatting kent verschillende lagen. Ze begon met een statistische leugen: dat Rusland slechts een kleine economie zou zijn. Wie de omvang van de Russische economie meet aan de hand van de jaarlijkse productie in Amerikaanse dollars, zou dat beeld bevestigd kunnen zien. Aan het begin van de oorlog was de Russische economie in die termen ongeveer even groot als die van Spanje. Maar dat is geen goede maatstaf om de slagkracht van een land in oorlogstijd te beoordelen. Wat werkelijk telt, is de koopkracht van het geld – hoeveel tanks je ervoor kunt kopen. En het antwoord is: Rusland kan er veel meer kopen dan wij.
Wie een economie meet op basis van koopkracht, krijgt een heel ander beeld dan onze zelfgenoegzame statistieken suggereren. Volgens de Wereldbank is China veruit de grootste economie ter wereld wanneer je kijkt naar koopkrachtpariteit – een methode die rekening houdt met het feit dat goederen in sommige landen goedkoper zijn dan in andere. De Verenigde Staten staan op de tweede plaats, gevolgd door India en daarna Rusland. Duitsland, op de zesde plaats, is de grootste economie van Europa.
Volgens deze maatstaf zijn de tien landen die samen de BRICS – de alliantie rond China en Rusland – vormen, economisch groter dan de VS, West-Europa en Japan samen. We leven dus in een werkelijk bipolaire wereld, met de VS en China als leiders van beide kampen. Het Westen heeft niet langer het laatste woord, ook al denken we dat soms nog wel. Op termijn zal de andere kant ons voorbijstreven, omdat zij sneller groeit dan wij.
Sinds het begin van de oorlog is Rusland harder gegroeid dan alle G7-economieën. De Britse econoom John Maynard Keynes zou daar niet van opgekeken hebben, want dit is een klassiek voorbeeld van het keynesiaanse oorlogseconomie-effect. Het Verenigd Koninkrijk maakte dit al mee tijdens de Tweede Wereldoorlog. Poetin heeft Rusland ingericht als een oorlogseconomie.
Ik benadruk deze economische feiten omdat zij de toekomstige realiteit in Oekraïne zullen bepalen. Het is immers geld dat wapens mogelijk maakt. En dat geld is voor Oekraïne nu opgedroogd. Tot op heden hebben de VS in totaal 115 miljard euro aan bilaterale hulp verstrekt, tegenover 21,3 miljard euro uit Duitsland en 7,56 miljard euro uit Frankrijk. Zonder de VS is het voor de Europeanen absoluut onmogelijk de oorlog zelfstandig te financieren. Daarvoor zouden zij geld moeten lenen.
Een andere optie is dat Europa beslag legt op de 210 miljard euro aan bevroren Russische tegoeden. Tot nu toe hebben Duitsland, Frankrijk, België en de Europese Centrale Bank zich daar om uiteenlopende redenen tegen verzet. België beheert het grootste deel van dat geld, dat bij Euroclear in Brussel in een kluis ligt. Frankrijk en Duitsland vrezen aansprakelijkheid voor schadeclaims als Rusland in commerciële rechtbanken gelijk krijgt. De ECB stelt dat het aanwenden van deze tegoeden illegaal zou zijn en de reputatie van Europa als financieel centrum onherstelbaar zou schaden. Onder normale omstandigheden zou het inderdaad onverstandig zijn dat de EU zulke risico’s neemt. Maar als de EU Oekraïne wil blijven steunen, is dit het enige serieuze financiële instrument dat resteert. Nu de Europese Commissie een voorstel heeft gedaan om het geld vrij te maken, is de kans groot dat dit ook daadwerkelijk zal gebeuren.
En wat dan? Afgezien van de complexe technische en juridische kwesties krijgt de EU te maken met een probleem dat sterk doet denken aan Margaret Thatchers karikatuur van het socialisme: uiteindelijk zal dat het geld van de anderen op maken. De misvatting is dat die 200 miljard euro ons door de huidige periode heen zal helpen, totdat Donald Trump aftreedt en wordt opgevolgd door een Democraat die bereid is opnieuw garant te staan voor het grootste deel van de financiering. De Duitse bondskanselier Friedrich Merz zei onlangs dat de oorlog zal eindigen zodra Rusland economisch is uitgeput. Dat is de strategie van het Westen.
Maar onze sancties hebben de Russische economie niet lamgelegd. Het doet denken aan Einsteins omschrijving van waanzin: steeds hetzelfde doen en toch een ander resultaat verwachten. Tot nu toe heeft de EU al achttien sanctiepakketten aan Rusland opgelegd, en een negentiende is nu in voorbereiding.
Er zijn inderdaad enkele tekenen van financiële stress in de Russische economie. De president van de Russische centrale bank, Elvira Nabioellina, erkende eerder dit jaar dat de groei in Rusland vooral mogelijk was dankzij vrijwel gratis middelen: arbeidskrachten, in beslag genomen industriële capaciteit en liquiditeiten uit het Nationale Vermogensfonds. Maar, voegde ze eraan toe, deze middelen zijn nu echt uitgeput. Haar boodschap was niet aan het Westen gericht, maar aan Poetin zelf: hij moet nieuwe middelen vinden om de economie draaiende te houden. Net zoals het Westen dat moet doen.
Maar Rusland beschikt over iets wat Oekraïne ontbeert: China is voor Rusland een betere bondgenoot dan de VS voor Oekraïne. Westerse neoconservatieven blijven de diepgang van de Chinees-Russische alliantie onderschatten, een bondgenootschap dat in belangrijke mate voortkomt uit tien jaar falend Amerikaans buitenlands beleid. Door zowel Rusland als China sancties en tarieven op te leggen, heeft Washington uiteindelijk zelf een strategische alliantie tussen beide landen in de hand gewerkt. Onder Trump staan de VS bovendien veel verder van Oekraïne af dan onder Biden.
Het misplaatste idee achter de westerse sancties is dat Rusland en China afhankelijk zouden zijn van westerse technologie, zoals halfgeleiders. Tot grote verrassing van de regering-Biden slaagde China er echter in om zelf hoogwaardige chips te produceren. Afgelopen week draaide China de rollen zelfs om door de invoer van Nvidia-chips te verbieden.
Ook de 200 miljard euro aan bevroren activa die wij zouden kunnen vrijmaken voor leningen aan Oekraïne, kan de tegenpartij makkelijk evenaren. China zou Rusland bijvoorbeeld een lening kunnen verstrekken, gedekt door westerse activa in China of door toekomstige ontvangsten uit schadevergoedingen waar Rusland mogelijk recht op heeft. Het blijft een hardnekkige misvatting om te denken dat het Westen – het kleinere deel van onze bipolaire wereld – het grotere deel kan uitschakelen.
Een verkeerde inschatting van deze omvang en schaal is precies wat regionale conflicten doet omslaan in wereldoorlogen. Ons leger van twitterende, oorlogszuchtige westerse intellectuelen bestaat uit de hedendaagse opvolgers van Max Weber. Zij maken voor mij zonneklaar dat er aanzienlijke steun bestaat voor een ‘glorieuze’ oorlog – net zoals dat meer dan honderd jaar geleden het geval was.
John Rapley is auteur en academicus, en verdeelt zijn tijd tussen Londen, Johannesburg en Ottawa. Hij schreef onder meer Why Empires Fall: Rome, America and the Future of the West (met Peter Heather, Penguin, 2023) en Twilight of the Money Gods: Economics as a Religion (Simon & Schuster, 2017).
Beleggers verliezen hun geduld
In 1843 werd de Britse economie gegrepen door de spoorwegmanie. Het succes van eerdere spoorwegprojecten had het publiek enthousiast gemaakt, en een nieuwe groep middenklasse-beleggers wilde profiteren van de snel groeiende markt. Binnen twee jaar verdubbelden de aandelenkoersen, en het aantal spoorwegfondsen op de Londense beurs verdrievoudigde. De pers sprak vol verwachting over ‘een tijdperk waarin de hele wereld één grote familie zal zijn, één taal zal spreken, verenigd zal worden door dezelfde wetten en één God zal aanbidden.’
Dergelijke voorspellingen bleken voorbarig, en dat gold ook voor veel van de beleggingen. De spoorwegzeepbel spatte uiteen, waardoor speculanten zware verliezen leden. Drie decennia later ontstond in de Verenigde Staten een vergelijkbare zeepbel, die net als in Groot-Brittannië snel barstte. Binnen twee jaar gingen ongeveer achttienduizend bedrijven failliet.
Als percentage van het Amerikaanse bbp hebben de beleggingen in kunstmatige intelligentie inmiddels de telecombubbel uit de dotcomperiode overtroffen. Qua concentratie staat deze beleggingsgolf op de tweede plaats, na de spoorweghausse van eind negentiende eeuw. AI lijkt daarmee het moment van de waarheid te naderen. De technologie was bedoeld om de economie te versnellen, maar lijkt haar nu juist af te remmen. Als deze trend niet snel wordt gekeerd, kunnen de grootste technologiebedrijven een forse herwaardering tegemoetzien.
Als je deze bedrijven uit de aandelenindex haalt, blijft er van het zogenoemde Amerikaanse exceptionalisme weinig over. Buiten de top tien bedrijven stagneren de beursindices al sinds begin 2025. Ook zonder die top tien zijn de bedrijfswinsten de afgelopen drie jaar gelijk gebleven – precies de periode na de lancering van ChatGPT, het moment waarop de AI-hausse in een stroomversnelling kwam. Intussen zijn de kapitaaluitgaven in de sector in slechts drie jaar tijd vertienvoudigd, waardoor de AI-zeepbel inmiddels ruim de helft van alle Amerikaanse beleggingen opslokt. De honger van deze zeepbel is zo groot dat er in eigen land mogelijk niet eens genoeg kapitaal is om OpenAI tevreden te stellen. Topman Sam Altman zocht daarom zijn toevlucht in het buitenland, waar hij bij de Verenigde Arabische Emiraten en andere beleggers liefst zeven biljoen dollar probeerde op te halen.
Die wedloop naar de top laat weinig over voor de rest. Doordat er zoveel geld in AI wordt gepompt, nemen de beleggingen in de overige sectoren van de economie af, wat de groei afremt. Dat verklaart mede de huidige scherpe vertraging van de Amerikaanse economie, in schril contrast met het recente succes van de ‘Magnificent Seven’ techbedrijven. Nu de werkgelegenheid stagneert, levert de consumptie minder op voor de economie dan een paar gigantische AI-investeringen.
De winst die AI oplevert, gaat voorlopig vooral ten koste van anderen. De sector slokt niet alleen enorme hoeveelheden kapitaal op, maar ook elektriciteit. Datacenters verbruiken wel tien keer zoveel stroom als traditionele servers en dragen bij aan de stijging van de Amerikaanse elektriciteitsprijzen, die het afgelopen jaar met circa 6,5 procent zijn toegenomen. Daarnaast verbruiken AI-centra gigantische hoeveelheden water voor koeling, wat in veel regio’s leidt tot schaarste en hogere prijzen. Dit alles houdt de inflatie hoog, waardoor consumenten en bedrijven met stijgende kosten worden geconfronteerd, en renteverlagingen – die juist investeringen in kleine en middelgrote ondernemingen zouden kunnen stimuleren – worden uitgesteld.
Kortom, de VS zet momenteel alles op één grote gok: dat AI een productiviteitsrevolutie zal ontketenen die zo krachtig is dat zij de stagnerende economie nieuw leven kan inblazen. Amerikanen dragen daar volop aan bij. Particuliere beleggers hebben de beursrally van de afgelopen maanden aangejaagd, en OpenAI – de maker van ChatGPT – meldt dat Amerikanen hun chatbot inmiddels zo’n 330 miljoen keer per dag gebruiken.
Toch is er nog maar weinig bewijs dat AI daadwerkelijk een productiviteitsrevolutie teweegbrengt. In de drie jaar dat de AI-hype in volle gang was, groeide de arbeidsproductiviteit met nauwelijks één procent per jaar – een voortzetting van de al decennia durende trend van afnemende groei in westerse landen. Sommigen zullen aanvoeren dat productiviteitsrevoluties tijd kosten – ook bij de stoommachine en elektriciteit duurde het tientallen jaren voordat de effecten zichtbaar werden – maar de rekensom achter de AI-hausse klopt niet. Anders dan de spoorwegen die tijdens de Amerikaanse zeepbel van eind negentiende eeuw werden aangelegd en nog altijd bestaan, gaan AI-investeringen vooral naar datacenters die snel in waarde dalen. Zo geeft Nvidia op zijn GPU’s bijvoorbeeld slechts vijf jaar garantie.
Kortom, deze gok moet snel resultaat opleveren. En hoewel de recordwinsten van de techgiganten die de Amerikaanse AI-hausse aanvoeren anders doen vermoeden – zo is de winst van Nvidia vervijfvoudigd en de aandelenkoers in drie jaar tijd vertienvoudigd – zeggen die cijfers op zichzelf weinig. Nvidia verdient namelijk niet direct aan AI, maar aan de AI-hype: het profiteert van de verkoop van zijn chips, de ‘picks and shovels’ van deze nieuwe goudkoorts, aan bedrijven die er vervolgens AI-toepassingen mee bouwen. Meta liet in een recente winstverklaring zelfs weten dat het niet verwacht dat zijn AI-investeringen binnen twee jaar winst zullen opleveren. Voorlopig verdient het bedrijf nog steeds aan adverteerders op Facebook en Instagram – net zoals Apple zijn belangrijkste inkomstenbron blijft halen uit de verkoop van iPhones.
De recordwinsten van de Magnificent Seven vertellen dus niet het verhaal van een economische transformatie. In werkelijkheid wachten we nog steeds op de doorbraak die de productiviteit echt naar een hoger niveau zal tillen. Enthousiastelingen voorspellen dat AI, zodra de technologie breed wordt toegepast, de jaarlijkse Amerikaanse economische groei met één procentpunt of meer kan verhogen. Maar er zijn minstens zoveel sceptici die vraagtekens zetten bij de rekenmodellen achter dat optimisme.
Een van die sceptici is Jim Covello van Goldman Sachs. Volgens hem moet AI, om de huidige beleggingsgolf te rechtvaardigen, een probleem van een biljoen dollar oplossen – iets wat moeilijk voor te stellen is. Ook econoom Daron Acemoglu betoogt dat de impact van AI op de productiviteit verwaarloosbaar zal zijn, omdat het rendement snel afneemt zodra de makkelijk te automatiseren taken – waar nu zoveel enthousiasme over bestaat, zoals zoekmachines – eenmaal zijn uitgevoerd. Deze visie wordt ondersteund door recent macro-economisch onderzoek uit Japan. De neurowetenschapper Eric Hoel noemt dit de ‘aanbodparadox van AI’: ‘hoe makkelijker het is om een AI iets te leren, hoe minder economische waarde die vaardigheid heeft. Juist het enorme aanbod van de betreffende kennis maakt dat de AI er zo goed in is geworden.’ Neem copywriters: omdat er zoveel van hen zijn en ze zoveel materiaal produceren, zijn ze relatief eenvoudig te vervangen. Hun kennis is goedkoop. Dit effect zal zich echter niet voordoen in sectoren waar kennis schaars – en dus kostbaar – is.
Kijken we echter beter naar de resultaten van Meta, dan wordt duidelijker wat er werkelijk speelt – en waarom de optimistische verwachtingen over de productiviteitseffecten van AI op een wankele basis berusten. Volgens het bedrijf helpen zijn nieuwe AI-systemen meer klanten naar zijn platforms te trekken, wat de omzet en de winst heeft verhoogd. Een vergelijkbaar patroon zien we bij Google: waar zoekopdrachten vroeger vooral tot verkeer naar externe websites leidden, blijven gebruikers nu steeds vaker binnen de Google-omgeving, waar ze korte samenvattingen van gelinkte inhoud kunnen lezen. Dat betekent meer bezoekers voor Google en hogere advertentie-inkomsten voor Google – maar minder verkeer, en dus minder inkomsten, voor de rest van het web.
Met andere woorden: de techreuzen gebruiken AI om inkomsten naar zich toe te trekken die vroeger elders terechtkwamen. Op het eerste gezicht is dat simpelweg hoe de markt werkt – en juist dat vooruitzicht maakt bestuurders zo enthousiast. Zij geloven dat AI hun behoefte aan personeel zal verkleinen, waardoor ze opnieuw geld kunnen behouden dat anders naar anderen zou zijn gegaan – in dit geval naar hun werknemers.
Dit is misschien wel het kernverhaal van het informatietijdperk: nieuwe technologie leidt niet per se tot een sterke groei van de economische productie. In plaats daarvan vervangt ze arbeid, en de kostenbesparing die dat oplevert vloeit vooral naar de eigenaren, waardoor de inkomens- en vermogensongelijkheid verder toeneemt. Net zoals de websites die de AI-samenvattingen mogelijk maken nu worden geplunderd ten gunste van de AI-giganten, worden de LLM-chatbots die zij ontwikkelen getraind op content waarvoor de makers geen enkele vergoeding ontvangen. Zonder die overvloed aan gratis input – onvrijwillig gesubsidieerd door de makers – zou AI misschien nauwelijks bestaansrecht hebben. Zoals een belegger het in 2023 verwoordde: ‘Het opleggen van de kosten van daadwerkelijke of potentiële auteursrechtelijke aansprakelijkheid aan de makers van AI-modellen zal de ontwikkeling ervan ofwel de nek omdraaien, ofwel aanzienlijk vertragen.’
Die jacht op hogere winsten brengt twee grote problemen met zich mee. Het eerste is dat de toenemende ongelijkheid politiek populisme kan aanwakkeren, waardoor de economie kwetsbaarder wordt. Zonder het gevoel van malaise dat ontstond door de ontwrichting van industriesteden en het verlies van banen als gevolg van de mondialisering, was er waarschijnlijk nooit een regering-Trump met haar grillige beleid geweest. Als AI daadwerkelijk veel werknemers verdringt, valt een radicale herverdeling van de welvaart – door rechts of door links – niet uit te sluiten. De huidige trends werken die ontwikkeling in elk geval in de hand.
Maar los van de kans dat de AI-revolutie zichzelf uiteindelijk opvreet, kan dit banenverlies ook een economische paradox creëren. Want hoewel veel professionals hun baan aan AI kunnen verliezen, zal dat zeker niet voor iedereen gelden. Microsoft liet onlangs een onderzoek uitvoeren naar welke beroepen het meest en het minst door AI worden geraakt. De uitkomst was weinig verrassend: handarbeiders en persoonlijke verzorgers – waaronder zorgmedewerkers – blijken het best beschermd, terwijl juist kenniswerkers de zwaarste klappen verwachten.
Met andere woorden: de banen die het minst door AI zullen worden ontwricht, bevinden zich juist in de sectoren waar de arbeidsproductiviteit niet alleen het laagst is, maar ook het meest hardnekkig onveranderd blijft. Dit fenomeen staat bekend als het Baumol-Bowen effect. Werknemers die door AI worden verdrongen en noodgedwongen overstappen naar minder geschoolde beroepen, zullen minder productief zijn. Daardoor zal de productiviteit van de economie als geheel nauwelijks toenemen.
Het blijft mogelijk dat iemand een AI-toepassing ontwikkelt die de productiviteit in de hele economie ingrijpend verandert, en zo productie en inkomen voor iedereen naar een hoger niveau tilt. Maar de tijd dringt, want de huidige hausse dreigt voor velen al om te slaan in een crisis.
Dus: staan we aan de vooravond van een nieuwe spoorwegmanie? Het is zeker waar dat AI steeds meer weg heeft van een speculatieve zeepbel, vergelijkbaar met de dotcom-hausse. De Magnificent Seven boeken weliswaar winsten die hun huidige waardering ondersteunen, maar hun toekomstige groei hangt volledig af van de vraag of de AI-revolutie zich nog jarenlang in dit tempo – of sneller – kan blijven ontwikkelen.
Die groei hangt echter volledig af van werkelijk revolutionaire toepassingen van AI. Blijven die uit, dan zullen de groeiverwachtingen afnemen en kunnen de markten instorten. Gezien het enorme gewicht van de grote technologiebedrijven op de Amerikaanse aandelenmarkt – Nvidia vertegenwoordigt in zijn eentje al bijna een tiende van de totale marktwaarde – zou een koersdaling niet alleen miljoenen particuliere beleggers raken die op de golf zijn meegesurfd, maar ook een domino-effect kunnen veroorzaken in het hele financiële systeem.
Op de langere termijn zou het voor de VS wellicht gezond zijn als de markt weer breder zou beleggen in andere sectoren van de economie. Op korte termijn zal het barsten van de AI-zeepbel echter bijzonder pijnlijk zijn. Zowel beleggers als de regering-Trump hebben alles op AI gezet. Als die gok slaagt, zullen ze zich als overwinnaars kunnen presenteren. Maar als het mislukt, zullen ze massaal de uitgang zoeken. En gezien de lauwe reacties op de nieuwste ChatGPT-update vorige week, lijkt het geduld van beleggers al flink op de proef te worden gesteld.
John Cassidy is sinds 1995 redacteur bij The New Yorker, waar hij de column The Financial Page schrijft over economie en politiek.
Nu de aandelenkoersen van grote techbedrijven blijven stijgen en er opnieuw spectaculaire beursintroducties plaatsvinden, klinken de echo’s van het dotcom-tijdperk steeds luider
Toen Jensen Huang, CEO van chipfabrikant Nvidia, vorige week Donald Trump ontmoette in het Witte Huis, had hij alle reden om opgetogen te zijn. Het merendeel van Nvidia’s chips – die op grote schaal worden gebruikt voor het trainen van generatieve AI-modellen – wordt in Azië geproduceerd. Eerder dit jaar beloofde het bedrijf de productie in de Verenigde Staten op te voeren. Afgelopen woensdag kondigde Trump aan dat chipbedrijven die toezeggen hun producten in de VS te vervaardigen, zullen worden vrijgesteld van een aantal forse nieuwe invoerheffingen op halfgeleiders die zijn regering wil invoeren. De dag erna bereikte het aandeel Nvidia een nieuw record. De marktkapitalisatie steeg naar 4,4 biljoen dollar, waarmee Nvidia het meest waardevolle bedrijf ter wereld werd – nog vóór Microsoft, dat eveneens sterk inzet op AI.
Welkom bij de AI-hausse – of moeten we zeggen: de AI-zeepbel? Het is inmiddels ruim vijfentwintig jaar geleden dat de grote dotcomzeepbel uiteenspatte. Destijds gaven honderden verlieslijdende internetstart-ups aandelen uit op de Nasdaq, terwijl de koersen van veel technologiebedrijven tot ongekende hoogten stegen. In maart en april 2000 kelderden de techkoersen, waarna veel – maar zeker niet alle – internetstart-ups failliet gingen. De afgelopen maanden is op Wall Street druk gediscussieerd over de vraag of de huidige techhausse een vergelijkbaar pad volgt. In een onderzoeksrapport met de titel 25 Years On; Lessons from the Bursting of the Technology Bubble, dat in maart verscheen, concludeerden beleggingsanalisten van Goldman Sachs dat dit niet het geval is. ‘Hoewel het enthousiasme voor technologieaandelen de afgelopen jaren sterk is toegenomen, is er geen sprake van een zeepbel, omdat de koersstijgingen worden ondersteund door sterke winstcijfers,’ schreven zij. De analisten wezen op de winstgevendheid van de zogenoemde Magnificent Seven: Alphabet, Amazon, Apple, Meta, Microsoft, Nvidia en Tesla. Tussen het eerste kwartaal van 2022 en het eerste kwartaal van dit jaar vervijfvoudigde de omzet van Nvidia en steeg de nettowinst zelfs meer dan tien keer.
Het rapport van Goldman bevatte ook een leerzame geschiedenisles. Tussen 1995 en 2000 vervijfvoudigde de waarde van de technologie-index Nasdaq, en op het hoogtepunt bereikte een veelgebruikte waarderingsmaatstaf – de koers-winstverhouding (P/E) – een niveau van ruim honderdvijftig. Zo hoog is deze ratio vóór of na die periode nooit meer geweest. Ter vergelijking: de vijf jaar tussen maart 2020 en maart 2025 verliepen relatief rustig. De Nasdaq verdubbelde weliswaar in waarde en de P/E-ratio steeg flink, maar kwam nog lang niet in de buurt van een driecijferig niveau.
Na uitgebreid te hebben geschreven over de dotcomhausse en de daaropvolgende crash, vond ik een deel van de analyse van Goldman overtuigend. Veel mensen zijn de extremen van de dotcomjaren vergeten, of zijn te jong om zich die nog te herinneren. In de logica van speculatieve hysterie – van de zeventiende-eeuwse tulpenmanie in Nederland tot de opkomst van Pets.com – zorgen hebzucht, FOMO (de ‘Fear Of Missing Out,’ de angst om iets belangrijks te missen) en de greater fool-theorie van beleggen er uiteindelijk voor dat voorzichtigheid, gezond verstand en financiële realiteit naar de achtergrond verdwijnen. In maart was er op Wall Street wel sprake van FOMO en trendvolging, maar het bereikte nog niet het niveau van de late jaren negentig. Vijf maanden later klinken de echo’s van het dotcomtijdperk echter steeds luider.
Neem bijvoorbeeld Palantir Technologies, waarvan de AI-software wordt ingezet door het Pentagon, de CIA en ICE, maar ook door tal van commerciële bedrijven. Enkele dagen voordat Huang het Witte Huis bezocht, publiceerde Palantir een positief winstrapport. Aan het einde van die week werd het bedrijf, volgens gegevens van Yahoo Finance, gewaardeerd op meer dan zeshonderd keer de winst van de afgelopen twaalf maanden en op ongeveer honderdertig keer de omzet in diezelfde periode. Zelfs in de late jaren negentig zouden zulke cijfers de wenkbrauwen hebben doen fronsen.
Ook opvallende beursintroducties – een bekend kenmerk van het dotcomtijdperk – maken hun comeback. Eind juli bracht Figma, een bedrijf dat software ontwikkelt voor internetontwikkelaars en recent AI-functies aan zijn productaanbod heeft toegevoegd, aandelen naar de New York Stock Exchange tegen een introductieprijs van 33 dollar per stuk. Zodra de handel begon, steeg de koers naar 85 dollar. De dag eindigde op 115,50 dollar, een winst van 250 procent ten opzichte van de introductieprijs. Toen ik deze marktbewegingen zag, moest ik terugdenken aan 9 augustus 1995, toen Netscape – maker van de webbrowser Netscape Navigator – naar de beurs ging. De aandelen werden toen geprijsd op 28 dollar, stegen naar 75 dollar en sloten op 58,25 dollar. In procenten was die stijging kleiner dan die van Figma op de eerste dag, maar de Netscape-introductie wordt vaak gezien als het officiële begin van de dotcomzeepbel.
Opvallend is dat de aandelen van Figma sinds de beursgang zijn gedaald tot onder de 80 dollar. Dit zou kunnen wijzen op een terugkeer van het gezond verstand, maar omdat de koers nog altijd meer dan het dubbele van de introductieprijs bedraagt, zullen andere particuliere AI-bedrijven waarschijnlijk worden aangemoedigd om eveneens naar de beurs te gaan. Renaissance Capital, een onderzoeksbureau dat gespecialiseerd is in beursintroducties, noemt acht prominente kandidaten: OpenAI, Anthropic, Cohere, Databricks, SymphonyAI, Waymo, Scale AI en Perplexity. Vrijwel al deze bedrijven zijn zogeheten unicorns: zij zijn bij fondsenwervingsrondes met durfkapitalisten en andere vroege beleggers gewaardeerd op ruim een miljard dollar. Volgens onderzoeksbureau Tracxn zijn er in de Verenigde Staten echter nog zo’n zevenduizend kleinere, minder bekende AI-bedrijven, waarvan er meer dan duizend al serie A-financiering hebben gekregen van externe beleggers om hun activiteiten te ondersteunen.
De ruime beschikbaarheid van financiering in een vroeg stadium betekent dat een noodzakelijke voorwaarde voor een dotcom-achtige zeepbel aanwezig is. Er zijn nog drie andere voorwaarden: enthousiasme onder beleggers over een baanbrekende technologie – generatieve AI heeft duidelijk het potentieel om grote delen van de economie te beïnvloeden; een Wall Street-productielijn bemand door zakenbankiers die graag provisie willen verdienen voor het organiseren van beursintroducties; en een accommoderend beleid. Vorige maand kondigde de regering-Trump een ‘AI Action Plan’ aan, dat tot doel heeft belemmeringen voor de invoering van de nieuwe technologie weg te nemen en individuele staten te ontmoedigen ‘belastende’ regelgeving op het gebied van AI in te voeren. Ondertussen lijkt de Federal Reserve zich voor te bereiden op een renteverlaging volgende maand, wat de markten een nieuwe impuls zou kunnen geven.
Er zijn echter enkele belangrijke verschillen tussen nu en de jaren negentig. Eén daarvan is dat de online-economie niet langer een uitgestrekte, open vlakte is waarop ondernemende individuen luchtkastelen kunnen bouwen. Tegenwoordig is het een bolwerk van monopolistisch kapitalisme, waarin Big Tech de horizon domineert. Tijdens het dotcomtijdperk – in ieder geval in de beginfase – konden kleine start-ups nog redelijkerwijs hopen van hun voorsprong te profiteren, snel marktaandeel te veroveren en duurzame bedrijven op te bouwen. In de AI-economie daarentegen lijkt het waarschijnlijk dat veel van de voordelen terechtkomen bij een selecte groep topbedrijven. Deze kunnen zich de bouw en het onderhoud van grote AI-modellen veroorloven, en hun marktmacht en financiële slagkracht inzetten om potentiële concurrenten af te weren of op te kopen. Een krachtig antitrust-beleid zou dit misschien kunnen tegengaan, maar volgens berichtgeving in de Wall Street Journal van vorige week wordt de belofte van de regering om zo’n beleid te voeren inmiddels bedreigd door lobbyisten en machtsmakelaars met nauwe banden met de president. Als beleggers gaan geloven dat monopolies de toekomst zijn van de AI-gedreven economie, kan het aandelenmarkteffect weleens zijn dat bestaande industriereuzen nog rijker worden – zonder dat er een brede zeepbel ontstaat.
Dit alles blijft natuurlijk onzeker. De AI-hausse bevindt zich nog in de fase van het opbouwen van de infrastructuur: het trainen van grote taalmodellen, het bouwen van datacenters, en meer. AI-toepassingen beginnen zich pas net over de economie te verspreiden, en niemand weet zeker hoe ingrijpend en winstgevend de technologie uiteindelijk zal zijn. In deze situatie volgen veel beleggers de klassieke goudkoortsstrategie: investeren in de makers van de ‘schoppen’ en de grote mijnexploitanten. Maar de geschiedenis leert dat zelfs deze aanpak verre van risicoloos is. In een interessante analyse op het financiële platform Seeking Alpha vergeleek een analist, die schrijft onder de naam KCI Research, Nvidia met Cisco Systems – een van de bedrijven waarvan de aandelen in 1998-1999 een bijna verticale koersstijging doormaakten. Net zoals de GPU’s (grafische verwerkingseenheden) van Nvidia nu worden gezien als onmisbare onderdelen van AI-infrastructuur, golden Cisco’s routers en andere netwerkapparaten destijds als cruciale bouwstenen voor de uitrol van het internet. Een tijdlang leek de vraag ernaar vrijwel onbeperkt. Net als Nvidia was Cisco innovatief en zeer winstgevend. Toch daalde het aandeel in april 2000 met bijna veertig procent, en een jaar later stond het zo’n tachtig procent lager. Een kwart eeuw later heeft het die piek van begin 2000 nog altijd niet overtroffen – al is het er de laatste tijd wel dicht bij gekomen.
De vergelijking tussen Nvidia en Cisco was een nuttige herinnering aan een uitspraak van de invloedrijke aandelenanalist Benjamin Graham, mentor van ‘superbelegger’ Warren Buffett: op korte termijn is de aandelenmarkt een stemmachine, maar op de langere termijn is het een weegschaal die de kasstromen van bedrijven weegt. Ironisch genoeg liet de analogie tussen Nvidia en Cisco ook onbedoeld zien hoe lang die ‘korte termijn’ kan duren – en hoe riskant het is om het einde ervan te voorspellen. De analyse verscheen in februari vorig jaar. Sindsdien is de aandelenkoers van Nvidia met nog eens 150 procent gestegen.
Kasia Wlaszczyk is een cultureel werker uit Berlijn.
Op 21 april zal Duitsland mij deporteren – een EU-burger die nergens voor is veroordeeld – enkel en alleen omdat ik mij uitspreek voor Palestina
Vier van ons hebben een brief van de autoriteiten ontvangen met de mededeling dat we het land moeten verlaten, anders worden we uitgezet. Dit is een beangstigend voorbeeld van de verregaande verrechtsing van Duitsland.
In de eerste week van januari ontving ik een brief van de Berlijnse immigratiedienst, waarin stond dat ik mijn recht om mij vrij te bewegen in Duitsland zou hebben verloren vanwege beschuldigingen over mijn betrokkenheid bij de pro-Palestijnse beweging. Als Poolse burger die in Berlijn woont, wist ik dat het in de praktijk bijna onmogelijk is om een EU-onderdaan uit een ander EU-land te deporteren. Ik schakelde een advocaat in en, gezien het gebrek aan stevige juridische gronden voor het bevel, begonnen we een rechtszaak. Daarna maakte ik me er eigenlijk niet veel zorgen meer over.
Later ontdekte ik dat drie andere mensen die actief zijn binnen de Palestijnse beweging in Berlijn – Roberta Murray, Shane O’Brien en Cooper Longbottom – exact dezelfde brieven hadden ontvangen. Murray en O’Brien hebben de Ierse nationaliteit; Longbottom is Amerikaan. We zagen dit als opnieuw een poging tot intimidatie door de staat, die eerder al protesten met geweld had neergeslagen en activisten had gearresteerd. We verwachtten dan ook een langdurig en wellicht saai, maar zeker geen riskant proces om de uitzettingsbevelen aan te vechten.
Begin maart ontvingen onze advocaten nieuwe brieven die aan ons waren gericht. Daarin stond dat we tot 21 april de tijd kregen om Duitsland vrijwillig te verlaten. Als we dat niet deden, zouden we worden uitgezet. In de brieven worden aanklachten genoemd die voortkomen uit onze betrokkenheid bij protesten tegen de aanhoudende genocide in Gaza. Geen van deze beschuldigingen heeft tot nu toe geleid tot een rechtszaak, maar in de uitzettingsbrieven wordt desalniettemin geconcludeerd dat wij een bedreiging zouden vormen voor de openbare orde en de nationale veiligheid. Er is geen gerechtelijke procedure aan deze beslissing voorafgegaan, en geen van ons heeft een strafblad. De redenering in de brieven gaat verder met vage en ongefundeerde beschuldigingen van ‘antisemitisme’ en het steunen van ‘terroristische organisaties’ – waarmee wordt verwezen naar Hamas en haar vermeende ‘frontorganisaties in Duitsland en Europa.’
Dit is niet de eerste keer dat Duitsland migratiewetgeving inzet als politiek wapen. Sinds oktober 2023 heeft het Duitse Federale Bureau voor Migratie en Vluchtelingen op onrechtmatige wijze de behandeling van alle asielaanvragen uit Gaza stilgelegd. Bovendien zal op 16 april 2025 een federale bestuursrechter naar verwachting uitspraak doen in een zaak die mogelijk een precedent schept voor het verhogen van het aantal deportaties van asielzoekers naar Griekenland. Deze vergaande maatregelen zijn geen plotselinge koerswijziging of het exclusieve domein van extreemrechts. Ze zijn het resultaat van een ruim een jaar durende campagne, gevoerd door de liberale Ampel-coalitie – bestaande uit de Sociaal-Democratische Partij (SPD), de Vrije Democratische Partij (FDP) en De Groenen – gesteund door brede delen van de Duitse media. In deze campagne wordt opgeroepen tot massale deportaties, die algemeen worden gezien als een reactie op de groeiende pro-Palestijnse beweging in het land. De maatregelen zijn daarbij vooral gericht op de Arabische en islamitische gemeenschap in Duitsland.
In november 2024 stond Beatrix von Storch, plaatsvervangend fractievoorzitter van Alternative für Deutschland (AfD) en kleindochter van Hitlers voormalige minister van Financiën, op het podium van de Bondsdag om te applaudisseren voor de aanneming van een resolutie met de titel Nooit meer is nu: bescherming, behoud en versterking van het joodse leven in Duitsland. De resolutie was opgesteld door de CDU/CSU, de SPD, de FDP en De Groenen. Von Storch verklaarde vol enthousiasme dat de inhoud van deze nieuwe antisemitisme-resolutie is afgeleid van het standpunt van haar eigen partij. De resolutie, die de omstreden definitie van antisemitisme van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA) overneemt, wijst immigratie uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika, evenals het ‘anti-imperialistische linkse’ kamp, aan als twee van de belangrijkste bronnen van antisemitisme in Duitsland. Hoewel er geen nieuwe wetgeving aan te pas komt, roept de resolutie de staat en publieke instellingen op om de uitvoerende macht maximaal in te zetten. Dit moet leiden tot een harde aanpak van alle vormen van pro-Palestijnse uitingen en activiteiten. Tot de voorgestelde maatregelen behoren streng toezicht op culturele en academische subsidies, screening van alle kandidaten voor universitaire onderwijsposities, een ongekende uitbreiding van disciplinaire maatregelen aan de universiteiten en – niet te vergeten – het inzetten van migratierecht als politiek instrument. Zoals politica Beatrix von Storch het onomwonden verwoordde: ‘Moslimantisemieten terug naar huis sturen met het vliegtuig. Tschüss und nicht auf Wiedersehen! [Tot hopelijk nooit meer ziens.]’ Mijn uitzettingsbevel – net als dat van twee andere EU-burgers – verwijst openlijk naar de Duitse Staatsräson als rechtvaardiging voor onze uitzetting. Dit begrip houdt in dat de veiligheid van Israël tot de kern van Duitslands Staatsräson behoort, oftewel zijn bestaansgrond. In de brief staat letterlijk: ‘Het is in het wezenlijke belang van de samenleving en de staat dat deze Staatsräson voortdurend levend wordt gehouden, en dat er op geen enkel moment – noch in binnen- noch in buitenland – twijfel mag ontstaan dat tegengestelde stromingen zelfs maar worden getolereerd binnen het federale grondgebied.’ De Staatsräson is nooit een oprechte poging geweest om schuld te erkennen of te boeten voor Duitslands verleden. In plaats daarvan is het nu verworden tot een middel om de opschorting van een op rechten gebaseerde rechtsorde te rechtvaardigen, en om een vrijwel onbeperkte uitoefening van uitvoerende macht mogelijk te maken.
Murray, O’Brien, Longbottom en ik hebben ervoor gekozen om met onze zaken naar buiten te treden, in een poging deze intimidatie publiekelijk aan te vechten. Onze advocaten hebben elk een rechtszaak aangespannen tegen onze uitzetting, en we dienen momenteel een verzoek tot voorlopige voorziening in om de deadline van 21 april op te schorten. Aangezien onze uitzettingsbevelen lijken te fungeren als een proefballon om te testen hoever de staat kan gaan met repressieve maatregelen, is het moeilijk te voorspellen wat het oordeel van de rechter zal zijn.
Wat we wél zeker weten, is dat het geen misdaad is – maar juist een dringende verantwoordelijkheid – om in actie te komen tegen de voortdurende genocide en voor een vrij Palestina. De benarde situatie van de Palestijnen zou op zichzelf al voldoende reden moeten zijn om solidair met hen te zijn. Ik verwerp het idee dat solidariteit voortkomt uit angst dat ons iets soortgelijks zou kunnen overkomen. Hoe ernstig deze repressieve maatregelen ook zijn, we mogen ons er niet door laten afleiden. En we roepen anderen op zich niet te laten ontmoedigen. De genocidale campagne van Israël in Gaza escaleert met de dag. Wij vieren in Berlijn blijven onwankelbaar solidair met het Palestijnse volk en hun strijd voor bevrijding.
Corey Robin (1967) is een Amerikaans politiek theoreticus, journalist en hoogleraar politieke wetenschappen aan Brooklyn College en het Graduate Center van de City University of New York. Hij schreef boeken over de rol van angst in de politiek – van Aristoteles tot de oorlog tegen het terrorisme – en over de aard van het conservatisme in de moderne wereld, van Edmund Burke tot Donald Trump.
‘Tarief,’ zo heeft Donald Trump gezegd, ‘is het mooiste woord in het woordenboek.’ Hij zal niet blij zijn om te horen dat het woord uit het Arabisch komt. Ta’rīf betekent namelijk ‘kennisgeving’ en ‘arrafa betekent ‘bekendmaken.’ Ondanks al zijn kennisgevingen heeft Trump nooit echt duidelijk gemaakt waarom hij die tarieven oplegt – of waarom hij daarbij vanaf woensdag tijdelijk een pauze heeft ingelast. Trumpkenners denken het antwoord te weten. Hij heeft een hekel aan de op regels gebaseerde internationale orde. Hij bewondert de ‘mannelijkheid’ van de maakindustrie. Hij hoopt toegang tot de Amerikaanse markt te kunnen ‘verhandelen’ voor een lagere dollarkoers. Hij heeft inkomsten nodig om zijn belastingverlagingen te dekken. Hij wil betere deals en lagere handelstekorten. Misschien is de wreedheid op zichzelf wel het doel. Met Trump is alles mogelijk, dus lijkt alles aannemelijk. Wat in elk geval niet te ontkennen valt: hij heeft een gevoelige snaar geraakt. Het gaat om iets dat lang onder de oppervlakte is gebleven, maar nog steeds met ongekende kracht kan ontploffen.
Tarieven nemen een buitenproportionele plaats in in de Amerikaanse verbeelding. Het allereerste wetsvoorstel dat ooit door het Congres werd behandeld, ging over tarieven. In 1832 overwoog het slavenhoudende Zuiden voor het eerst om zich af te scheiden – vanwege een tarief. Na de Burgeroorlog riepen de Republikeinen de tarieven uit tot ‘de hoeksteen’ van hun strijd tegen de Democraten. In 1896 voerde William McKinley campagne met de slogan: ‘Protection (bescherming) and Prosperity (welvaart).’ In 1930 gooide Herbert Hoover zijn kansen op herverkiezing te grabbel door vast te houden aan tarieven. Teddy Roosevelt wist de diepgewortelde obsessie van het land treffend te vangen toen hij zei dat het bij elke discussie over tarieven niet zozeer ging om een materiële noodzaak, maar om een mentale houding.
Het tarief fungeerde als een soort bliksemafleider voor frustraties over het beleid. Voor de zuidelijke slavenhouders, die volledig afhankelijk waren van de export van landbouwproducten naar de wereldmarkt, voelde het tarief als een ‘uitroeiingsoorlog’ tegen hun bezittingen en manier van leven. In de periode van de Gilded Age, zo stelde politicoloog Richard Bensel, was het tarief minder een economisch instrument voor industriële ontwikkeling dan een politiek bindmiddel voor de Republikeinse Partij. De Republikeinse elites steunden economisch beleid dat draaide om de Gouden Standaard en een volledig vrije binnenlandse markt – beleid dat rijkdom herverdeelde naar de bovenlaag van de samenleving, zowel sociaal als geografisch. Maar dat beleid was weinig populair bij volksvertegenwoordigers die stemmen moesten winnen buiten de steden in het noordoosten en de industriegebieden in het noorden van het Midden-Westen. Voor hen boden de douanerechten uitkomst, met name op producten als suiker en schapen. Boeren, ranchers en fabrikanten uit het Westen waren blij met de tarieven op wol; oud-strijders van de Unie, vaak afkomstig van het platteland, waren op hun beurt dankbaar voor de burgeroorlogpensioenen die gefinancierd werden met de opbrengsten van de invoerheffingen op suiker.
Vóór de New Deal vormde het tarief het brandpunt van het politieke conflict tussen de twee grote partijen. Maar na de verkiezingsoverwinningen van Franklin D. Roosevelt verdween het onderwerp van de politieke agenda. De Republikeinen, die herhaaldelijk hadden verloren van FDR, lieten hun vurige steun voor tarieven varen. Vanaf dat moment was elke president, of hij nu Democraat of Republikein was, voorstander van vrijhandel. Hoewel er af en toe nog wel kritiek op het protectionisme klonk vanuit het Congres of tijdens verkiezingscampagnes, was het tariefbeleid volgens politicoloog David Mayhew verworden tot ‘de kronkelende ledematen van een uiteengereten reptiel’ – met andere woorden: een overblijfsel uit het verleden zonder echte invloed. Dat bleef zo, zelfs toen Amerikaanse vakbonden in de jaren zeventig, beschadigd door de buitenlandse concurrentie, zich tegen de vrijhandel keerden en hun Democratische bondgenoten in het Congres daarin meenamen. De achterban van de twee partijen verwisselde uiteindelijk van positie: de Democraten werden protectionistisch, de Republikeinen juist vrijhandelsgezind. Soms laaide het debat nog op, zoals tijdens de felle discussies over NAFTA aan het begin van de jaren negentig. Maar of dat nu kwam door de Koude Oorlog of doordat de VS de rol van Groot-Brittannië had overgenomen als wereldwijde hegemon en bewaker van de monetaire stabiliteit, de partijelites en presidenten bleven vasthouden aan het ideaal van de vrijhandel. Tot nu.
Trump en zijn aanhangers maken vaak de vergelijking met president William McKinley. Maar waar McKinley de tarieven gebruikte om de massa’s en verschillende sociale klassen te verenigen, dreigen de tarieven van Trump – en de markten die daardoor in de war raken – juist verdeeldheid te zaaien binnen zijn eigen coalitie. Ze kunnen een kloof creëren tussen zijn MAGA-aanhangers, kiezers van kleur die naar hem zijn overgelopen, en de Republikeinse elites die hem een tweede termijn hebben bezorgd. Wall Street en veel CEO’s zijn duidelijk niet blij met de tarieven, evenmin als Elon Musk en bedrijven als Walmart. Republikeinse politici, waaronder senator Ted Cruz uit Texas, beginnen openlijk kritiek te leveren. Zeven Republikeinse senatoren hebben zelfs wetgeving gesteund om de macht van Trump om tarieven op te leggen te beperken, en mogelijk sluiten tot wel een dozijn Republikeinen in het Huis zich bij hen aan.
***
In Amerika, zo stelde de politicoloog Louis Hartz eens ongelukkig vast, bloeit het recht op ‘het lijk van de politieke verbeelding.’ Elk sociaal conflict vindt zijn weg naar de kaken van de grondwet of de rechtbanken. Maar juist daardoor bevat elke juridische tekst of rechterlijke uitspraak een vonk van maatschappelijke wrijving – klaar om het politieke landschap in lichterlaaie te zetten. De kunst is om die vonk te vinden.
Afgelopen donderdag, de dag na ‘Liberation Day,’ heeft een papierwarenbedrijf uit Florida, dat eigendom is van en geleid wordt door een groep vrouwen met een passie voor bloemmotieven en import uit China, een rechtszaak aangespannen tegen de tarieven van Trump. Het bedrijf, Emily Ley Paper, richt zich in de zaak tegen de wettelijke grondslag van de China-tarieven die Trump in februari en maart heeft ingesteld – en sindsdien fors heeft verhoogd, zonder enig teken van pauze of heroverweging. Emily Ley Paper stelt dat Trump zijn bevoegdheid heeft overschreden onder de International Emergency Economic Powers Act (IEEPA) van 1977. Hoewel Trump beweert te reageren op een ‘nationale noodsituatie’ – namelijk ‘de buitengewone dreiging van illegale immigranten en drugs, waaronder het dodelijke fentanyl’ – heeft nog nooit een president deze wet gebruikt om tarieven op te leggen. Simpelweg omdat die wet daar niets over zegt. Trump heeft overigens wél andere wettelijke middelen tot zijn beschikking om tarieven in te voeren, zoals hij ook tijdens zijn eerste ambtstermijn heeft gedaan. Maar die vereisen een proces van overleg en beleidsontwikkeling – iets wat niet bepaald bij Trumps stijl past. Geen van die wetten geeft hem bovendien de noodbevoegdheden waar hij zich zo graag op beroept.
Achter Emily Ley Paper staat een relatief onbekende non-profitorganisatie, de New Civil Liberties Alliance (NCLA). Deze kleine, gespecialiseerde club van juristen binnen het conservatieve ecosysteem heeft zich stilletjes ontpopt als een koploper in het ontmantelen van de zogenoemde ‘administratieve staat.’ Vorig jaar wist de NCLA het Amerikaanse Hooggerechtshof ervan te overtuigen om afstand te nemen van het lang geldende Chevron-precedent. Deze juridische regel gaf uitvoerende overheidsinstanties veel ruimte om onduidelijke wetten zelf te interpreteren, en beperkte de bevoegdheid van rechters om deze interpretaties terzijde te schuiven. Maar het Hooggerechtshof oordeelde nu dat lagere rechtbanken wél zelf mogen bepalen wat het Congres bedoelde met de vaak vaag geformuleerde wetsteksten. Bovendien mogen ze het oordeel van beleidsambtenaren die deze wetten moeten uitvoeren, naast zich neerleggen. Met andere woorden: het zijn voortaan conservatieve rechters – en niet langer liberale experts of technocraten – die bepalen hoe de uitvoerende macht wordt ingevuld.
Achter de NCLA gaan op hun beurt de miljardair Charles Koch en Leonard Leo schuil – misschien wel de meest invloedrijke rechtse machtsmakelaar sinds de dagen van Edwin Meese. Leo is de drijvende kracht achter de benoeming van rechters door Trump, niet alleen als het gaat om het Hooggerechtshof, maar ook om de rest van het federale rechtssysteem. Via een uitgebreid netwerk van donoren, advocaten, rechters en rechtswetenschappers speelde Leo een sleutelrol bij de benoeming van vijf van de negen huidige rechters van het Hooggerechtshof – van de ultraconservatieve Samuel Alito tot de iets gematigdere John Roberts. Daarbij horen ook alle drie de rechters die Trump zelf benoemde. Daarnaast was Leo medeverantwoordelijk voor de benoeming van ruim tweehonderdfederale rechters tijdens Trumps eerste ambtstermijn.
Met andere woorden: via Emily Ley Paper spreekt een machtige stroming binnen de conservatieve rechterzijde zich uit. En wat zegt die? Dat ze bereid is om tegen Trump en zijn ‘tariefrepublikeinen’ dezelfde juridische oorlog te voeren als tegen progressieven en hun ‘administratieve staat.’In deze rechtszaak worden exact dezelfde juridische wapens ingezet als eerder tegen het Environmental Protection Agency (EPA) en tegen Joe Bidensplan voor de kwijtschelding van studieleningen: de ‘major questions doctrine’ (de doctrine van de grote vragen) en de ‘nondelegation doctrine’ (de doctrine van de niet-overdraagbare macht). Volgens deze rechtsopvatting geldt dat als het Congres de president wil toestaan om beslissingen te nemen met een grote economische en politieke impact – zoals het opleggen van invoerrechten – het dat duidelijk en expliciet moet vastleggen in wetgeving. En dat is hier niet gebeurd. Sterker nog, het Congres heeft helemaal níets gezegd. Daar komt nog bij dat elke wet die een grondwettelijke bevoegdheid van het Congres – zoals het recht om tarieven vast te stellen – zomaar overdraagt aan de president, zonder heldere richtlijnen of beperkingen, volgens deze conservatieve opvatting ongrondwettelijk is. De rechtbanken, waarvan een groot deel de afgelopen twintig jaar door Leonard Leo’s netwerk is bevolkt, kunnen in deze zaak dus slechts twee kanten op: Trump handelt in strijd met de wet, of hijhandelt in strijd met de Grondwet.En als deze zaak uiteindelijk voor het Hooggerechtshof komt, voorspellen ook conservatieve juristen – zelfs juristen uit Trumps eigen kring – dat hij zal verliezen. De enige vraag die dan nog rest is hoe groot zijn nederlaag zal zijn.
Op het hoogtepunt van de Gilded Age maakte de ene vleugel van het kapitaal graag de andere belachelijk als een stel verslaafde samenzweerders, die voor alle politieke en economische problemen in Amerika het protectionisme de schuld gaven. ‘Bij hem leidt elke weg naar het tarief,’ zei de Republikein John Sherman uit Ohio ooit spottend over de Democraat James Beck uit Kentucky. Vandaag de dag – in wat je onze nieuwe Gilded Age zou kunnen noemen – is het debat over tarieven, en de spot die ermee gepaard gaat, teruggekeerd naar het hart van de Amerikaanse politiek. Alleen is het deze keer omgekeerd: het zijn nu de Democraten die de Republikeinen prikken en uitdagen. En terwijl de Republikeinen vroeger het tarief gebruikten om hun politieke coalitie te versterken, laten ze nu toe dat het tarief diezelfde coalitie uit elkaar drijft.Wat dit vandaag de dag betekent voor de relatie tussen partijpolitiek en de politieke economie, en over de vraagstukken van het monetair beleid en de Amerikaanse macht die daarachter schuilgaan, blijft vooralsnog een raadsel.
Yanis Varoufakis is econoom en voormalig minister van Financiën van Griekenland. Hij is de auteur van diverse bestsellers.
Geconfronteerd met de economische maatregelen van president Trump slingeren zijn critici uit het politieke midden heen en weer tussen wanhoop en een bijna aandoenlijk geloof dat zijn obsessie met importheffingen (‘tarieven’) uiteindelijk vanzelf wel zal overwaaien. Ze gaan ervan uit dat Trump zal blijven blazen en dreigen totdat de realiteit de onhoudbaarheid van zijn economische logica aantoont. Maar dan letten ze niet goed op: Trumps fixatie op tarieven maakt deel uit van een doordacht, zij het riskant, mondiaal economisch plan. Hun manier van denken geeft blijk van een hardnekkige misvatting over hoe kapitaal, handel en geld zich over de wereld verplaatsen. Net als een brouwer die dronken wordt van zijn eigen bier, zijn veel centrumpolitici en -analisten gaan geloven in hun eigen propaganda: dat we leven in een wereld van concurrerende markten waarin geld neutraal is en prijzen zich vanzelf aanpassen om vraag en aanbod in balans te brengen. Maar de ogenschijnlijk ongepolijste Trump blijkt in werkelijkheid veel sluwere inzichten te hebben. Hij begrijpt dat het uiteindelijk brute economische macht is – en niet marginale productiviteit – die bepaalt wat er gebeurt, zowel binnen landen als op het wereldtoneel. Hoewel het riskant is om te proberen in het hoofd van Trump te kijken – de afgrond zou zomaar terug kunnen staren – is het toch noodzakelijk om inzicht te krijgen in zijn denkwijze rondom drie fundamentele vragen:
Waarom gelooft hij dat Amerika wordt uitgebuit door de rest van de wereld?
Wat is zijn visie op een nieuwe internationale orde waarin Amerika weer ‘groot’ kan zijn?
En hoe denkt hij dit laatste te bereiken?
Alleen door deze vragen serieus te onderzoeken, kunnen we op een zinvolle manier kritiek leveren op Trumps economische masterplan.
Waarom denkt de president dat Amerika er bekaaid vanaf komt? Zijn belangrijkste klacht is dat de dominante positie van de dollar de Amerikaanse regering en elite weliswaar enorme macht schenkt, maar dat buitenlandse spelers daar uiteindelijk misbruik van maken – op manieren die volgens hem het verval van de VS in de hand werken. Wat veel economen en beleidsmakers beschouwen als Amerika’s ‘exorbitante privilege,’ ziet Trump juist als een ‘exorbitante last.’
Trump klaagt al tientallen jaren over de teloorgang van de Amerikaanse industrie: ‘Als je geen staal hebt, heb je geen land.’ Maar waarom wijt hij dat aan de internationale rol van de dollar?
Volgens Trump ligt het probleem bij buitenlandse centrale banken die verhinderen dat de waarde van de dollar daalt naar een ‘eerlijk’ niveau – een niveau waarop de Amerikaanse export weer aantrekkelijk wordt en de import wordt afgeremd. Hij beweert niet dat er sprake is van een samenzwering tegen de VS, maar wijst erop dat de dollar wereldwijd de enige veilige reservemunt is. Het is dus de normaalste zaak van de wereld dat Europese en Aziatische centrale banken de dollars opslaan die binnenstromen wanneer Amerikanen goederen uit hun landen importeren.
Door die dollars niet om te wisselen in hun eigen munteenheid, onderdrukken centrale banken zoals de ECB, de Bank of Japan, de Chinese centrale bank en de Bank of England de vraag naar hun eigen valuta – en dus de waarde ervan. Dat maakt hun producten goedkoper voor Amerikanen en stimuleert de export, wat weer leidt tot nog meer dollarinkomsten. Die dollars worden vervolgens weer gebruikt om op een veilige manier rente te innen door Amerikaanse staatsobligaties te kopen.
En daar wringt volgens Trump de schoen: Amerika importeert te veel, simpelweg omdat het als ‘goede wereldburger’ de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen om de wereld te voorzien van die reservevaluta. In zijn ogen is de Amerikaanse industrie niet ingestort door slechte bedrijfsvoering, maar omdat het land zich heeft opgeofferd voor de rest van de wereld. Amerikaanse arbeiders en de middenklasse moeten lijden – aldus Trump – zodat andere landen ten koste van hen kunnen groeien.
Maar de hegemoniale status van de dollar ondersteunt ook het Amerikaanse exceptionalisme – iets wat Trump heel goed begrijpt en ook waardeert. Doordat buitenlandse centrale banken massaal Amerikaanse staatsobligaties opkopen, kan de Amerikaanse overheid jaar na jaar grote begrotingstekorten draaien en een gigantisch leger financieren dat elk ander land financieel zou ruïneren. Bovendien maakt de dominante positie van de dollar in het internationale betalingsverkeer het voor de Amerikaanse president mogelijk om sancties op te leggen aan wie dan ook – een moderne vorm van kanonneerbootdiplomatie.
Toch vindt Trump dat deze voordelen niet opwegen tegen het leed van Amerikaanse producenten, die worden weggeconcurreerd door buitenlandse bedrijven. Die profiteren immers van centrale bankiers die Amerikaanse dollars oppotten – een dienst die de VS gratis levert, en die de dollar kunstmatig duur houdt. In Trumps ogen ondermijnt Amerika zichzelf: het offert zijn industrie op voor het prestige van geopolitieke macht en het accumuleren van winsten in andere landen.
Die winsten, stelt hij, komen vooral terecht bij Wall Street en de Amerikaanse vastgoedsector, terwijl de arbeiders die op hem stemden – de mensen in de industriële regio’s die staal, auto’s en andere essentiële ‘mannelijke’ producten maken – daarvoor de prijs betalen.
En dat is nog niet eens Trumps grootste zorg. Zijn echte nachtmerrie is dat deze Amerikaanse hegemonie slechts tijdelijk is. Al in 1988, tijdens een promotietour voor zijn boek The Art of the Deal, zei hij bij Larry King en Oprah Winfrey: ‘We zijn een schuldennatie. Er gaat de komende jaren iets gebeuren in dit land, want je kunt niet elk jaar tweehonderd miljard dollar blijven verliezen.’
Sindsdien is hij er steeds meer van overtuigd geraakt dat er een gevaarlijk kantelpunt in aantocht is. Naarmate de Amerikaanse maakindustrie relatief verder afneemt, groeit de wereldwijde vraag naar dollars sneller dan de Amerikaanse inkomens meegroeien. Daardoor moet de dollar nóg sneller in waarde stijgen om te blijven voldoen aan de behoefte van andere landen aan veilige reserves. Maar dat proces kan natuurlijk niet eindeloos doorgaan.
Want zodra de tekorten van de VS een bepaald omslagpunt bereiken, zullen buitenlandse beleggers in paniek raken. Ze zullen massaal hun dollarreserves van de hand doen en op zoek gaan naar een andere valuta om hun vermogen in op te slaan. De Amerikanen blijven dan met een ingestorte industrie, krakkemikkige financiële markten en een failliete overheid achter in een wereld die in chaos verkeert.
Dit doemscenario heeft Trump ervan overtuigd dat hij een missie heeft: hij ziet het als zijn taak om Amerika te redden. In zijn ogen moet hij een nieuwe wereldorde inluiden. En dat is precies de kern van zijn plan: in 2025 wil hij een krachtige anti-Nixon shock veroorzaken – een wereldwijde schokgolf die het beleid van president Nixon uit 1971 ongedaan maakt, toen die het Bretton Woods-systeem overboord kieperde en zo het tijdperk van vergaande financialisering inluidde.
Centraal in deze nieuwe wereldorde staat een goedkopere dollar die desondanks de mondiale reservevaluta blijft. Dat zou de langetermijnrente in de VS verder verlagen. Maar kan Trump een dominante dollar behouden én tegelijk zorgen voor een lagere dollarkoers? Hij weet dat de markten dat nooit vanzelf zullen doen. Alleen buitenlandse centrale banken kunnen zo’n uitkomst afdwingen – maar dan moeten ze daartoe wel eerst worden aangezet. En daar komen zijn importtarieven om de hoek kijken.
Dit is wat veel van zijn critici niet begrijpen. Zij denken onterecht dat Trump gelooft dat invoertarieven vanzelf het handelstekort van Amerika zullen verkleinen. Maar hij weet dat dat niet zal gebeuren. Het werkelijke nut van zijn tarieven zit in hun vermogen om buitenlandse centrale bankiers te choqueren, zodat zij hun eigen rentetarieven verlagen. Daardoor verzwakken de euro, de yen en de yuan ten opzichte van de dollar. En dat compenseert de prijsstijging van buitenlandse goederen voor Amerikaanse consumenten — zij merken er weinig van, terwijl de landen waarop de tarieven van toepassing zijn, feitelijk zélf opdraaien voor de extra kosten.
Maar deze tarieven vormen slechts de eerste fase van Trumps masterplan. Zodra invoertarieven de norm zijn geworden en het buitenlandse kapitaal zich opstapelt in de Amerikaanse staatskas, kan Trump rustig afwachten terwijl vriend en vijand uit Europa en Azië zich aandienen voor gesprekken. Dan gaat de tweede fase van zijn plan van start: die van de grote onderhandelingen.
In tegenstelling tot zijn voorgangers – van Carter tot Biden – heeft Trump een hekel aan multilaterale bijeenkomsten en onderhandelingen met veel partijen aan tafel. Hij houdt van één-op-één deals. Zijn ideale wereld lijkt op het model van een fietswiel: een naaf met spaken, waarbij geen enkele spaak op zichzelf essentieel is voor het draaien van het geheel.
Vanuit die blik op de wereld gelooft Trump dat hij elke ‘spaak’ – elk land – afzonderlijk kan benaderen en onder druk kan zetten. Met invoertarieven als drukmiddel aan de ene kant, en de dreiging om het Amerikaanse veiligheidsschild in te trekken of zelfs tegen die landen te keren aan de andere kant, vertrouwt hij erop dat hij de meeste landen uiteindelijk kan dwingen zich erbij neer te leggen.
Maar waar precies moeten ze zich dan bij neerleggen? Bij het aanzienlijk laten stijgen van de waarde van hun eigen valuta, zonder dat ze hun langetermijnbezittingen in dollars verkopen. Trump zal niet alleen van elk land verwachten dat het de binnenlandse rente verlaagt, maar hij zal ook verschillende eisen stellen aan verschillende onderhandelingspartners.
Van de Aziatische landen die momenteel de meeste dollars oppotten, zal hij verlangen dat ze een deel van hun kortlopende dollaractiva omzetten in hun eigen – dus in waarde stijgende – valuta.
Van de landen van de eurozone, die relatief weinig dollars bezitten en bovendien geteisterd worden door interne verdeeldheid (wat Trumps onderhandelingspositie versterkt), kan Trump drie dingen eisen:
Dat ze instemmen met het inruilen van hun langlopende Amerikaanse staatsobligaties voor ultralanglopende of zelfs eeuwigdurende obligaties;
Dat ze Duitse productie naar de Verenigde Staten verplaatsen;
En dat ze aanzienlijk meer wapens kopen die in Amerika zijn geproduceerd.
Kun je je Trumps grijns voorstellen bij de gedachte aan deze tweede fase van zijn masterplan? Als een buitenlandse regering gehoor geeft aan zijn eisen, kan hij dat als een nieuwe overwinning presenteren. En als een koppige regering weigert toe te geven, blijven de invoertarieven gewoon van kracht en blijft er een gestage stroom dollars binnenvloeien in de Amerikaanse schatkist – geld waar Trump vrij over kan beschikken, aangezien het Congres alleen zeggenschap heeft over de belastinginkomsten.
Zodra deze tweede fase van zijn plan is voltooid, zal de wereld grofweg in twee kampen verdeeld zijn: – het ene kamp bestaat uit landen die onder de Amerikaanse veiligheidsparaplu vallen, maar daarvoor wel een hoge prijs moeten betalen: een sterkere eigen munt, verlies van industriële productie aan de VS, en verplichte aankopen van Amerikaanse exportproducten, waaronder wapens; – het andere kamp zal strategisch eerder de kant van China en Rusland kiezen, maar blijft toch economisch verbonden met de VS via een beperkt handelsverkeer – dat nog steeds genoeg is om Amerika tariefinkomsten te blijven opleveren. Trumps visie op een wenselijke internationale economische orde verschilt dan wel radicaal van de mijne, maar dat ontslaat niemand van ons van de plicht om de doordachtheid en het onderliggende doel ervan serieus te nemen – iets wat veel centrumpolitici en -analisten helaas nalaten. Zoals bij elk goed voorbereid plan zijn er uiteraard ook risico’s dat het misloopt. Zo kan de waardevermindering van de dollar onvoldoende blijken om de prijseffecten van de tarieven voor Amerikaanse consumenten te compenseren. Of de verkoopdruk op dollars kan zo groot worden dat de rente op langlopende Amerikaanse staatsobligaties toch oploopt.
Maar naast deze beheersbare economische risico’s zal Trumps masterplan vooral op twee politieke fronten op de proef worden gesteld. De eerste politieke bedreiging voor Trumps masterplan komt van binnenuit. Als het handelstekort volgens plan begint te slinken, zal er minder buitenlands privégeld naar Wall Street stromen. Op dat moment zal Trump een pijnlijke keuze moeten maken: of hij verraadt zijn eigen achterban van verontwaardigde financiers en vastgoedmagnaten, of hij laat de arbeidersklasse vallen die hem aan de macht heeft geholpen.
Tegelijkertijd dreigt er een tweede front in het buitenland. Trump beschouwt andere landen als ondergeschikte ‘spaken’ in het wiel waarvan hij zelf de naaf is. Maar hij zou er zomaar achter kunnen komen dat hij buiten de VS een geduchte macht aan tegenstanders heeft gecreëerd. Peking zou bijvoorbeeld zijn terughoudendheid kunnen laten varen en van de BRICS-landen een nieuw Bretton Woods-systeem kunnen smeden, waarin niet langer de dollar, maar de yuan de centrale rol speelt. Het zou een verrassende wending zijn: dat Trumps ambitieuze economische plan, bedoeld om de Amerikaanse dominantie te herstellen, uiteindelijk juist zou bijdragen aan het einde ervan.
Corbin Trent is een fabriekseigenaar uit de Appalachen die uitgroeide tot nationaal beleidsstrateeg en economisch populist. Hij is medeoprichter van Justice Democrats, was communicatiedirecteur voor afgevaardigde Alexandria Ocasio-Cortez, en werkte aan beide presidentiële campagnes van Bernie Sanders.
Terwijl Amerika druk was met het terugkopen van aandelen en kwartaalwinsten, heeft China tientallen jaren gebouwd aan een geïntegreerd systeem dat onderzoek, productie en innovatie met elkaar verbindt
Onlangs waarschuwde generaal Chance Saltzman, hoofd operaties van de Amerikaanse luchtmacht, het Congres voor China’s ‘verbijsterende’ vooruitgang op het gebied van de militaire ruimtevaart. Ondertussen heeft China al de wereldmarkt voor elektrische auto’s veroverd en domineert het de productie van zonnepanelen. De impact van deze technologische voorsprong is al eerder duidelijk geworden. In 2021 cirkelde een hypersonische raket van Beijing tijdens een test letterlijk rond de aarde voordat hij zijn doel trof – tot ontsteltenis van de Amerikaanse militaire leiding. Toch reageren Amerikaanse leiders – zowel in de regering als in de industrie – steeds opnieuw met dezelfde verbijsterde verbazing, alsof China’s prestaties een kosmisch toeval zijn. Maar dit zijn geen toevallige successen. Ze zijn het onvermijdelijke resultaat van een systeem dat functioneert – een systeem dat nationale doelen prioriteert, middelen coördineert en resultaten beloont. Ironisch genoeg was het juist Amerika dat ooit pionierde met dit model. Het stelde ons in staat om grootse projecten te realiseren, van de transcontinentale spoorweg en de Hoover Dam tot het snelwegsysteem en de elektrificatie van het platteland, waarmee de hele natie van energie werd voorzien. Maar terwijl de VS dit systeem achter zich lieten, heeft China het omarmd. Terwijl de Chinezen planden en investeerden, bleef Amerika vasthouden aan een mislukte ideologie: het blinde geloof in de vrije markt, die – aan zichzelf overgelaten – ons vanzelf zou redden.
Deze verering van de vrije markt kwam niet uit het niets. Ze begon bij Friedrich von Hayek, zijn leerling Milton Friedman en de Chicago School of Economics, die Amerika een verleidelijk verhaal verkochten: dat overheidsplanning inefficiënt was, dat regulering innovatie smoorde, en dat de vrije markt alle problemen zou oplossen. Samen met Ronald Reagan overtuigden zij Amerika ervan dat de overheid het probleem was, niet de oplossing. Deze visie – waarin markten werden gepresenteerd als de ultieme probleemoplossers – veroverde Washington, en tegen de jaren tachtig waren regeringen van beide partijen erin meegegaan. Van Reagan tot Clinton, van Bush tot Obama, en ja, zelfs Trump – al deze leiders bleven hardnekkig vasthouden aan het idee dat deregulering, privatisering en globalisering de sleutel waren tot welvaart. We erfden een natie die was opgebouwd door generaties van bloed, zweet en tranen, en besloten die vervolgens te ontmantelen voor kortetermijnwinsten. Op de een of andere manier geloofden we dat de rijkdom eeuwig zou blijven stromen. De leiders van Amerika begrepen niet hoe onze welvaart was opgebouwd en respecteerden dus niet wat ervoor nodig was om die te behouden. Dat is precies wat Friedman en zijn volgelingen ons verkochten – de illusie dat we het harde werk niet meer hoefden te doen, omdat de markten vanzelf alles zouden regelen.
En wat heeft vijftig jaar marktverering ons opgeleverd? Een uitgeholde industriële basis, een verzwakte middenklasse en een economie die niet meer kan concurreren. We hebben de productie uitbesteed, onze fabrieken verwaarloosd en ons afhankelijk gemaakt van fragiele toeleveringsketens. Markten hebben ons niet gered – ze hebben ons leeggezogen. Zeker, een kleine elite is ongelooflijk rijk geworden. Maar tegen welke prijs? Kijk maar naar de marktreactie van vorige week: de beurskoers van Nvidia kelderde met 15 procent, wat neerkwam op een verlies van honderden miljarden aan marktwaarde. Tegelijkertijd daalde de technologie-intensieve Nasdaq met 3,5 procent. De reden? DeepSeek toonde aan dat het de Amerikaanse AI-capaciteiten kon evenaren, zonder afhankelijk te zijn van onze dure chips of enorme rekenkracht. Zoals een marktstrateeg het uitdrukte, was het ‘een grote klap in het gezicht’ van beleggers. De opkomst van China draait niet alleen om technologie, maar ook om doelgericht bouwen. Chinese autofabrikanten produceren al 62 procent van alle elektrische auto’s in de wereld en beheersen 77 procent van de productie van accu’s voor deze auto’s. En ze staan nog maar aan het begin – analisten voorspellen dat ze tegen 2030 maar liefst één op de drie auto’s ter wereld zullen produceren. Dit is geen toeval. China’s export steeg tussen 2020 en 2023 met een verbazingwekkende 851 procent. Hetzelfde geldt voor infrastructuur: de afgelopen twintig jaar heeft China tienduizenden kilometers hogesnelheidslijnen aangelegd, terwijl Californië er nog steeds niet in slaagt om een enkele lijn van nog geen duizend kilometer te voltooien. Terwijl Amerika zich richtte op aandelenterugkopen en kwartaalwinsten, heeft China tientallen jaren besteed aan het opbouwen van een geïntegreerd systeem waarin onderzoek, productie en innovatie naadloos op elkaar aansluiten.
Waarom zijn we nog steeds geschokt? China gebruikt dezelfde strategieën die Amerika ooit hebben geholpen groot te worden: staatsgeleide investeringen, industrieel beleid en langetermijnplanning. Wat werkelijk schokkend is, is niet wat China heeft bereikt, maar hoe weinig de Amerikanen hebben gedaan om bij te blijven. Dit is geen partijkwestie. De campagnes van Donald Trump hebben terecht gewezen op de pijn die wordt veroorzaakt door het verval van Amerika: het verlies van banen in de verwerkende industrie, slechte handelsovereenkomsten en de schadelijke effecten van de mondialisering. Op deze punten heeft hij absoluut gelijk. Maar noch Trump, noch zijn adviseurs begrijpen de werkelijke oorzaak van deze problemen. Hun oplossing? Nog harder vasthouden aan dezelfde vrijemarktideologie die ons juist in deze situatie heeft gebracht. Trump gelooft dat deregulering en vertrouwen op bedrijven om ‘het juiste te doen’ Amerika op de een of andere manier zullen wederopbouwen. Maar door deze illusie heeft elke Amerikaanse regering zich sinds de jaren zeventig laten leiden – en het is een ramp gebleken.
Markten zijn niet ontworpen om nationale problemen op te lossen; ze zijn ontworpen om winst te maximaliseren. Onbegrensd geven ze altijd voorrang aan kortetermijnwinsten boven langetermijnveerkracht. Dit is precies de reden dat:
Bedrijven meer geld uitgeven aan aandelenterugkopen dan aan onderzoek en ontwikkeling.
De Amerikaanse gezondheidszorg bijna vijf biljoen dollar per jaar kost, terwijl de resultaten slechter zijn dan in veel andere ontwikkelde landen.
Infrastructuurprojecten in de VS vaak meerdere keren duurder zijn per kilometer dan vergelijkbare projecten in China.
Amerika is niet groot geworden door simpelweg te wachten tot de markt alles zou oplossen. De transcontinentale spoorweg, de elektrificatie van het platteland, het arsenaal van de democratie, het Apolloprogramma – dit waren geen wonderen van de ‘onzichtbare hand.’ Ze waren het resultaat van collectieve actie, gedreven door een duidelijk nationaal doel. De Chinezen begrijpen dit. Ze hebben ons oude draaiboek overgenomen en er hun eigen versie van gemaakt. Terwijl wij onze industriële capaciteit hebben ontmanteld, hebben zij de hunne opgebouwd. Ze hebben innovatie verbonden met productie, en systemen gecreëerd waarin ingenieurs, fabrikanten en denkers samenwerken om problemen in realtime op te lossen. Daarom hebben ze ons ingehaald – niet omdat ze ideeën stelen, maar omdat ze de strategieën en middelen hebben omarmd die wij hebben achtergelaten. Als we willen concurreren, kunnen we niet langer wachten tot markten ons redden. We hebben een nationale strategie nodig om:
Onze industriële basis opnieuw op te bouwen.
Te investeren in essentiële industrieën.
Overheidsuitgaven te koppelen aan meetbare resultaten.
Zowel de overheid als het bedrijfsleven moet verantwoordelijk worden gehouden voor het leveren van resultaten. Het allerbelangrijkste is dat we afrekenen met de mythe dat alleen markten ons automatisch naar welvaart zullen leiden. De doorbraak van DeepSeek is opnieuw een waarschuwing, maar het hoeft niet de laatste te zijn. Amerika beschikt nog steeds over de middelen, het talent en de historie om een leidende rol te spelen. Wat ontbreekt, is de wil om te handelen. Leiderschap betekent niet wachten tot iemand anders het probleem oplost. Het betekent doen wat Amerika ooit groot heeft gemaakt: de mouwen opstropen, samenwerken en opnieuw dingen bouwen. De echte vraag is simpel: Worden we eindelijk wakker en ondernemen we actie? Of blijven we verbijsterd toekijken, telkens opnieuw geschokt en verrast, wachtend op de volgende klap?