Cas Mudde is hoogleraar internationale zaken aan de Universiteit van Georgia, auteur van The Far Right Today (2019), en gastheer van de podcast Radikaal. Hij is columnist bij de Guardian in de VS.
De media, die in de ban zijn van Wilders’ partij, zorgen ervoor dat zijn agenda stevig verankerd blijft in de Nederlandse politiek en de verkiezingen van woensdag zal overheersen
Woensdag 29 oktober trekken de Nederlanders opnieuw naar de stembus. Het zijn de negende verkiezingen voor de Tweede Kamer in deze nog jonge eeuw. In sommige opzichten is Nederland het Italië van de 21e eeuw geworden: een land dat wordt geteisterd door politieke versnippering, instabiele regeringen en een toenemende radicalisering, die steeds vaker ook met geweld gepaard gaat.
Deze verkiezingen zijn een direct gevolg van die versnippering en instabiliteit. De extreemrechtse Partij voor de Vrijheid (PVV) van Geert Wilders domineerde de vorige regeringscoalitie, maar trok in juli – na nog geen jaar – zelf de stekker eruit. De verschillende lessen die de Nederlandse media, politieke partijen en kiezers uit deze onrustige periode hebben getrokken, zijn ook buiten Nederland relevant. Vrijwel alle Europese landen staan immers voor dezelfde uitdaging: hoe om te gaan met het groeiende electorale, ideologische en politieke succes van extreemrechts?
Net als iedereen waren ook de Nederlandse media verrast toen Wilders ‘zijn regering’ liet vallen, en ze hebben sindsdien geprobeerd die gebeurtenis te duiden. In tegenstelling tot 2002 – toen een nog chaotischere coalitie al na twaalf weken uiteenviel – is er nu nauwelijks debat over de vraag of extreemrechts überhaupt een rol zou moeten spelen in de Nederlandse politiek. Het lijkt bijna alsof het onvoorstelbaar is geworden om je een toekomst voor Nederland zonder extreemrechts voor te stellen.
Dat is niet verrassend, want de meeste Nederlandse media blijven – grotendeels vrijwillig – in de ban van extreemrechts. Hoewel Geert Wilders zelf zelden in de media verschijnt of interviews geeft, is hij toch de meest besproken politicus op de Nederlandse televisie. In zijn afwezigheid hebben de media bovendien Joost Eerdmans, leider van de radicaal-rechtse partij JA21, buitensporig veel aandacht gegeven. Ook de tactische leiderschapswissel bij het extreemrechtse Forum voor Democratie (FVD) – waar Lidewij de Vos het stokje heeft overgenomen van Thierry Baudet – heeft precies bereikt wat de partij beoogde: opnieuw volop media-aandacht en een plek in de politieke spotlichten.
De Nederlandse politieke partijen hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de normalisering en rationalisering van extreemrechts. Sommige rechtse partijen hebben weliswaar uitgesloten dat ze in de toekomst nog met Wilders en de PVV willen samenwerken, maar dat doen ze niet vanwege zijn anticonstitutionele opvattingen – alleen vanwege zijn zogenaamd ‘onvolwassen’ en ‘onverantwoordelijke gedrag. Ondertussen blijven diezelfde rechtse partijen in het parlement extreemrechtse beleidsvoorstellen steunen, ook nadat Wilders de coalitie had verlaten. Daaronder vallen onder meer het ‘strengste asielbeleid ooit,’ een verder aangescherpt boerkaverbod, en zelfs een ‘antifa-verbod’ – een voorstel dat afkomstig was van het Forum voor Democratie (FVD). Opmerkelijk genoeg is FVD de enige extreemrechtse partij die formeel door een cordon sanitaire – een politieke vuurmuur – van de macht zou moeten worden geweerd, al geldt dat voorlopig alleen op nationaal niveau.
Zelfs zogenaamd ‘centristische’ politici dragen bij aan de normalisering van extreemrechts. Rob Jetten heeft zijn sociaal-liberale partij D66 naar rechts opgeschoven op het gebied van cultuur en immigratie, waarbij hij een vorm van communautair patriottisme omarmt. Bovendien sluit hij niet uit om samen te regeren met de radicaal-rechtse partij JA21 of de geradicaliseerde boerenpartij BBB. Ook Frans Timmermans, leider van het centrumlinkse GroenLinks/PvdA (GL/PvdA), heeft het immigratiestandpunt van zijn partij aangescherpt, gesproken over een ‘vluchtelingenprobleem,’ en deelgenomen aan het favoriete tv-programma van extreemrechts, Vandaag Inside – ironisch genoeg tot ergernis van veel vaste kijkers van datzelfde programma.
Maar zoals zo vaak lijken de kiezers uiteindelijk toch de voorkeur te geven aan het origineel boven de steeds talrijkere extreemrechtse imitaties. Hoewel de PVV van Geert Wilders iets aan steun heeft ingeboet – zo’n 4 procent minder dan bij de vorige verkiezingen – blijft de partij waarschijnlijk wel de populairste van het land.
De meeste verschuivingen in het electoraat komen voort uit de implosie van twee nieuwere partijen: de BBB en Nieuw Sociaal Contract (NSC) van Pieter Omtzigt. Beide maakten deel uit van de vertrekkende coalitie, maar worden nu respectievelijk ingeschat op nog slechts 2,5 en 0 procent van de stemmen. Hun voormalige kiezers lijken grotendeels te zijn overgestapt – of teruggekeerd – naar het Christen-Democratisch Appèl (CDA), dat naar verwachting de grote winnaar van deze verkiezingen zal worden. De conservatieve VVD, de partij van oud-premier Mark Rutte die de Nederlandse politiek het grootste deel van deze eeuw heeft gedomineerd, verliest naar verwachting ongeveer een derde van haar toch al gekrompen achterban van 2023, vooral ten gunste van de radicaal-rechtse partij JA21.
Links blijft marginaal en stagneert, ondanks de recente fusie van GroenLinks en de PvdA tot GL/PvdA. De linkerzijde slaagt er niet in om de dominantie van extreemrechts in de media – vooral in de populaire talkshows – te doorbreken.
Interessant is dat peilingen laten zien dat de grootste verschuivingen plaatsvinden binnen de drie electorale blokken – extreemrechts, centrumrechts en links. Elk blok behoudt ongeveer dezelfde totale steun: respectievelijk 35, 40 en 25 procent. Binnen het extreemrechtse kamp lijkt JA21 echter uit te groeien tot de tweede partij, direct na de PVV, terwijl binnen het centrumrechtse blok het CDA – en mogelijk ook D66 – de VVD voorbijstreeft.
Natuurlijk kunnen opiniepeilingen ernaast zitten – en in Nederland gebeurt dat steeds vaker, omdat steeds meer kiezers pas op de verkiezingsdag zelf hun keuze maken. Toch lijkt één ding zeker: het vormen van een nieuwe coalitie zal moeilijk en langdurig worden, zelfs naar Nederlandse maatstaven.
Bijna alle partijen hebben samenwerking met Geert Wilders uitgesloten, maar sommige – zoals de VVD – hebben óók aangegeven geen deals te willen sluiten met centrumlinks. Zelfs als GL/PvdA de grootste ‘democratische’ partij wordt, zou Frans Timmermans dus nog steeds een koerswijziging van de VVD nodig hebben om premier te kunnen worden aan het hoofd van een brede centrumcoalitie. Een alternatief is dat de christendemocratische leider Henri Bontebal een centrumrechtse regering gaat leiden. Dat zou waarschijnlijk tot minder persoonlijke spanningen leiden, maar zo’n kabinet zou nog steeds kwetsbaar zijn voor instabiliteit.
Wat de uiteindelijke uitslag ook wordt, één ding is nu al helder: ondanks het duidelijke falen van extreemrechts in het regeren van Nederland, blijft het een magnetische aantrekkingskracht uitoefenen. De partijpolitiek is nog altijd sterk versnipperd, maar wordt wel gedomineerd door de normalisering van extreemrechtse ideeën en politici. Liberaal-democratische partijen steken bovendien meer energie in het bestrijden van elkaar dan in het tegengaan van de invloed van extreemrechts. Voor zover er nog sprake is van een cordon sanitaire, geldt dat niet voor alle extreemrechtse partijen – zo blijft JA21 buiten schot – en richt de afwijzing zich eerder op het gedrag dan op de ideologie. Deze ontwikkelingen zien we niet alleen in Nederland, maar ook in het Europees Parlement en in veel andere Europese landen.
Miquel Vila is politiek adviseur met een specialisatie in internationale betrekkingen. Daarnaast is hij uitvoerend directeur van het Catalonia Global Institute.
Eind vorige week verhevigde Beijing de economische confrontatie tussen de Verenigde Staten en China door de exportbeperkingen, niet alleen op zeldzame aardmetalen, maar ook op de raffinagetechnologie die nodig is om deze bruikbaar te maken, verder aan te scherpen. Binnen enkele uren veroordeelde president Donald Trump deze stap als een vorm van ‘economische agressie.’ Hij kondigde invoerrechten van honderd procent aan op een breed scala aan Chinese goederen en waarschuwde voor nog zwaardere vergeldingsmaatregelen als Beijing niet op zijn schreden zou terugkeren.
Hoewel beide partijen inmiddels lijken terug te krabbelen, heeft de Chinese Communistische Partij mogelijk een vergissing begaan door zo hoog in te zetten. Net zoals de Amerikaanse beperkingen op de export van computerchips China ertoe hebben aangezet om sneller zelfvoorzienend te worden in de halfgeleiderindustrie, kan deze Chinese maatregel er nu juist toe leiden dat Washington zijn eigen onafhankelijkheid op het gebied van mineralen versnelt.
Zelfs als in de gesprekken vooruitgang wordt geboekt, is het onwaarschijnlijk dat de onderliggende spanningen verdwijnen. In tegenstelling tot wat Trump beweert, kwam de escalatie door Peking niet uit de lucht vallen – het was een vergeldingsmaatregel. Eerder vorige week had het Amerikaanse ministerie van Handel namelijk stilletjes de exportbeperkingen voor computerchips uitgebreid op basis van de zogenaamde ‘50%-regel.’ Die bepaling legt automatisch beperkingen op aan elk bedrijf dat voor vijftig procent of meer eigendom is van een Chinese organisatie die op de zwarte lijst staat.
In de praktijk zorgde deze maatregel ervoor dat honderden Chinese dochterondernemingen direct onder de Amerikaanse exportcontrole kwamen te vallen. Daarnaast verhoogde Washington de havengelden voor Chinese scheepvaartmaatschappijen met banden met de staat. Officieel werden deze stappen gepresenteerd als ‘verduidelijkingen van de regelgeving,’ maar Peking zag ze als een schending van het informele diplomatieke bestand dat in juni in Madrid was gesloten – een afspraak waarbij beide partijen hadden beloofd geen verdere escalatie te veroorzaken zolang de gesprekken nog liepen. Deze keer reageerde China niet met nieuwe invoerheffingen, maar door toe te slaan op een strategisch knelpunt.
China heeft controle over ongeveer 87 procent van de wereldwijde capaciteit voor het raffineren van zeldzame aardmetalen. Deze mineralen, en de permanente magneten die ermee worden gemaakt, zijn onmisbaar voor onder meer F-35-straaljagers, Tomahawk-raketten, satellieten, kwantumcomputers, datacenters, elektrische auto’s, windturbines en vrijwel alle vormen van geavanceerde industriële technologie.
Maar juist op dit punt heeft Peking mogelijk een strategische fout gemaakt. Zeldzame aardmetalen zijn namelijk niet echt zeldzaam: ze komen in grote hoeveelheden voor in landen als de Verenigde Staten, Australië, Brazilië, Vietnam en zelfs in de Kiruna-afzetting in Zweden. Wat China echter domineert, is de verwerking van deze grondstoffen. Die machtspositie wist het land sinds de jaren negentig op te bouwen dankzij een door de staat gesteund beleid dat milieuschade negeerde en concurrenten uit de markt drukte door extreem lage prijzen te hanteren.
Door zijn dominantie in zeldzame aardmetalen in te zetten als geopolitiek wapen, heeft China de Verenigde Staten nu juist de politieke en economische motieven gegeven om te doen wat ze al jaren geleden hadden moeten doen: de binnenlandse capaciteit voor raffinage en de productie van magneten uit zeldzame aardmetalen heropbouwen.
De reactie zal niet meteen zichtbaar zijn, maar het proces is al in gang gezet. Het Pentagon heeft via de Defense Production Act steun verleend aan MP Materials om de raffinage van zware zeldzame aardmetalen in Californië en de productie van permanente magneten in Texas opnieuw op te starten.
Tegelijkertijd bouwt het Australische bedrijf Lynas momenteel een door de VS gefinancierde raffinaderij in Texas, terwijl de Verenigde Staten, Japan en Zuid-Korea plannen ontwikkelen voor de gezamenlijke productie van magneten om hun afhankelijkheid van China te verkleinen.
In het verleden ging China ervan uit dat westerse regeringen te traag en ineffectief zouden zijn om een serieuze industriële tegenreactie op te zetten. Dat was destijds een logische inschatting, maar niet langer. Het is zelfs goed mogelijk dat Peking heeft onderschat hoe snel westerse bedrijven op eigen initiatief in actie zullen komen. Amerikaanse fabrikanten die afhankelijk zijn van zeldzame aardmetalen zijn nu al stilletjes bezig alternatieve toeleveringsketens op te bouwen en zelf nieuwe raffinagecapaciteit te financieren.
De dreiging van China om de export van zeldzame aardmetalen aan banden te leggen, is een duidelijke waarschuwing aan westerse bedrijven die afhankelijk zijn van toeleveringsketens die met China verbonden zijn. Zij kunnen niet uitsluitend vertrouwen op een eventuele overeenkomst tussen Beijing en Washington. Zelfs als zo’n akkoord tot stand zou komen, neemt dat het risico op toekomstige geopolitieke schokken niet weg.
Met de exportbeperkingen op zeldzame aardmetalen wilde China zijn machtspositie versterken en Trump onder druk zetten om toe te geven. Maar het tegenovergestelde lijkt te zijn gebeurd: de Verenigde Staten zijn de onafhankelijkheid van hun toeleveringsketens juist gaan zien als een nationale prioriteit.
Judith Levine is een journaliste en essayiste uit Brooklyn en de auteur van vijf boeken. Ze schrijft op Substack de nieuwsbrief Today in Fascism.
Aan de hand van de plaatsvervangend stafchef van het Witte Huis wordt duidelijk dat MAGA niet zomaar zal verdwijnen zodra Trump is vertrokken. We moeten Miller nauwlettend in de gaten houden
In een interview afgelopen maandag vroeg Boris Sanchez van CNN aan Stephen Miller, de plaatsvervangend stafchef van het Witte Huis, of Donald Trump van plan was zich te houden aan het bevel van de federale rechter Karin Immergut, die had bepaald dat de inzet van de Nationale Garde in Oregon moest worden stopgezet.
Miller gaf geen duidelijk antwoord, maar de ondertoon was duidelijk: nee. De regering had inmiddels al beroep aangetekend bij het Hof van Beroep voor het Negende Circuit. Hij zei: ‘Ik wil erop wijzen dat de regering enkele maanden geleden een identieke zaak heeft gewonnen bij het Negende Circuit, over de federalisering van de Nationale Garde van Californië.’ In werkelijkheid klopt dat niet helemaal. Voor zover ik het begrijp heeft de regering slechts tijdelijk uitstel gekregen van een tijdelijk verbod op de federalisering van de Nationale Garde van Californië in Los Angeles.
Miller vervolgde: ‘Volgens Titel 10 van de Amerikaanse wetgeving heeft de president volledige bevoegdheid, hij heeft…’
Toen viel hij plotseling stil. De man wiens gezicht eruit ziet alsof het bedekt is met een pantykous, liet even een glimp van emotie zien – misschien spijt, misschien schaamte. Of misschien wel het besef: oh shit, ik heb net mijn mond voorbij gepraat.
Miller knipperde een paar keer met zijn ogen. Sanchez riep zijn naam en vroeg of hij hem kon horen, maar Miller reageerde niet. Vervolgens verontschuldigde Sanchez zich voor technische problemen en schakelde hij over naar een reclameblok. Toen het interview later werd hervat, waren de woorden ‘volledige bevoegdheid’ niet meer te horen. In de online versie van het fragment op de CNN-website was dat deel van het gesprek verwijderd, maar het werd desondanks breed gedeeld en bekeken.
Plenary authority, ofwel volledige bevoegdheid, betekent absolute, onbeperkte en ongecontroleerde macht – de macht van een koning. De macht van Caesar, van Hitler, van Stalin.
Title 10 van de US Code, die de organisatie en regelgeving van het leger beschrijft, verwijst slechts zelden naar de president, en dan vooral in de context van het benoemen van ministers en het indienen van een begroting bij het Congres. Nergens in deze wet is sprake van iets dat ook maar in de buurt komt van absolute presidentiële macht.
De Amerikaanse Grondwet kent de president slechts één ongecontroleerde bevoegdheid toe: het recht om gratie te verlenen. Zelfs de Insurrection Act– die een president toestaat de staat van beleg uit te roepen en bepaalde wetten of gerechtelijke bevelen te negeren – wordt ingeperkt door de Posse Comitatus Act, die het gebruik van het leger voor binnenlandse wetshandhaving verbiedt. Althans, dat is wat sommige commentatoren, die optimistischer zijn dan ik, ons willen doen geloven.
Kortom, de uitvoerende macht moet worden gecontroleerd en in evenwicht gehouden door de twee andere takken van de overheid. Dat deze twee takken op dit moment geen behoefte lijken te hebben om die controle uit te oefenen, betekent nog niet dat de president daardoor absolute macht heeft.
De zorgvuldige, juridisch klinkende manier waarop Miller de Amerikaanse wet verdraaide, gaat hand in hand met zijn vage, allesomvattende apocalyptische retoriek, waarmee hij MAGA aanzet tot oorlog tegen de vermeende vijand in eigen land.
‘Wij zijn de storm,’ zei hij tijdens de begrafenis van Charlie Kirk, in een toespraak die door sommigen is vergeleken met een rede van de nazi-propagandaminister Joseph Goebbels tijdens een verkiezingsbijeenkomst in 1932. ‘Onze vijanden kunnen onze kracht, onze vastberadenheid, onze passie niet bevatten. Onze afkomst en onze erfenis gaan terug op Athene, Rome, Philadelphia en Monticello. Onze voorouders bouwden de steden, zij creëerden de kunst en de architectuur, zij bouwden de industrie,’ vervolgde hij. ‘Wij staan voor wat goed is, wat deugdzaam is en wat nobel is.’
En wie zijn dan ‘onze vijanden’? Volgens hem zijn het tegelijk machtige krachten — ‘de krachten van duisternis en kwaad’ – en nietige wezens. Hij richtte zich rechtstreeks tot ‘jullie,’ de vermeende vijanden, en riep: ‘Jullie zijn niets. Jullie hebben niets. Jullie zijn slechtheid, jullie zijn jaloezie, jullie zijn afgunst, jullie zijn haat. Jullie zijn niets! Jullie kunnen niets bouwen, niets produceren, niets creëren.’
‘Jullie hebben geen idee welke draak jullie hebben gewekt. Jullie hebben geen idee hoe vastberaden we zullen zijn om deze beschaving te redden, om het Westen te redden, om deze republiek te redden.’
Miller sprak over de toekomstige generaties – ‘onze kinderen’ – en over de nietigheid waartoe ‘jullie’ uiteindelijk zullen vervallen. Of beter gezegd: waartoe jullie zullen worden gebracht.
Naarmate Trump steeds onsamenhangender en emotioneel labieler wordt, neemt Millers invloed alleen maar toe. Hij fungeert als het brein van de president, zijn bron van discipline. Waar Trump geen duidelijke overtuigingen heeft, is Miller een vastberaden ideoloog van witte, westerse suprematie, en een strateeg die gelooft in definitieve oplossingen. Trump is eenvoudig te bespotten, maar Miller is de grimmigste van alle doodgravers.
Timothy Snyder, historicus en auteur van het invloedrijke boek On Tyranny, plaatste een video op zijn Substack waarin hij Miller vergelijkt met Stalin. Hij wees erop dat Stalin aan de macht kwam toen Lenins gezondheid begon te verslechteren. Lenin leidde de Sovjet-Unie van 1917 tot 1924, maar was vanaf 1922 door meerdere beroertes grotendeels arbeidsongeschikt. Stalins moorddadige bewind duurde vervolgens tot 1953.
In Stephen Miller zien we dat MAGA niet zomaar zal verdwijnen als Trump verdwijnt. We zullen Miller nauwlettend moeten volgen en alles wat hij doet en zegt kritisch blijven bevragen. Want – hoe moeilijk dat misschien ook is om te beseffen – als de Verenigde Staten ooit Miller als dictator krijgen, dan staan we voor nog grotere problemen dan onder Trump. En die zouden ook weleens veel langer kunnen aanhouden.
Nik Martin maakt deel uit van het team van bedrijfsjournalisten van Deutsche Welle in Bonn.
China’s greep op zeldzame aardmetalen – essentieel voor smartphones, elektrische auto’s en militaire technologie – heeft de Verenigde Staten, Europa en India in een kwetsbare positie gebracht. Zolang het wereldwijde aanbod beperkt blijft, behoudt China een sterke machtspositie in cruciale technologische sectoren
China’s greep op zeldzame aardmetalen – mineralen die essentieel zijn voor elektronische apparaten, de auto-industrie en defensiesystemen – geeft het land een sterke machtspositie ten opzichte van de Verenigde Staten tijdens de lopende handelsbesprekingen.
Met controle over ongeveer zestig procent van de wereldwijde productie van zeldzame aardmetalen en bijna negentig procent van de raffinage ervan, heeft China zijn machtspositie verder versterkt door exportbeperkingen in te voeren op deze metalen en op zogenoemde ‘permanente magneten.’
Een deel van deze beperkingen was een reactie op de torenhoge invoertarieven die de Amerikaanse president Donald Trump had opgelegd aan Chinese exportproducten. Later werden sommige van deze maatregelen versoepeld om de handelsbesprekingen met de Verenigde Staten te kunnen voortzetten.
Maar donderdag vorige week kondigde China ingrijpende nieuwe exportbeperkingen aan op zeldzame aardmetalen. De maatregelen breiden de beperkingen op verwerkingstechnologie uit en richten zich expliciet op de export naar buitenlandse defensie- en halfgeleiderbedrijven. Dit is Beijings eigen versie van de Amerikaanse Foreign Direct Product Rule, waarmee Washington de export van chips uit derde landen naar China aan banden heeft gelegd.
Deze maatregel, genomen enkele weken voor een persoonlijke ontmoeting tussen Trump en de Chinese president Xi Jinping, maakte de kwetsbaarheid van de Verenigde Staten nog duidelijker zichtbaar, aangezien het land geen eigen raffinagecapaciteit heeft.
‘De hele wereldeconomie is afhankelijk van deze magneten uit China,’ aldus Jost Wübbeke, managing partner bij het in Berlijn gevestigde onderzoeksbureau Sinolytics, dat gespecialiseerd is in de Chinese economie en het Chinese industriebeleid, tegen DW. ‘Als China stopt met de export ervan, zullen de gevolgen wereldwijd voelbaar zijn.’
Eerdere beperkingen hebben al geleid tot verstoringen in de toeleveringsketen, die de Amerikaanse industrie zwaar hebben getroffen. Zo maakte autofabrikant Ford in mei bekend door de tekorten gedwongen te zijn de productie van SUV’s in Chicago terug te schroeven. Ondertussen lieten auto-onderdelenfabrikanten Aptiv en BorgWarner weten dat ze werken aan motoren met weinig tot geen zeldzame aardmetalen om de leveringsproblemen te omzeilen.
Michael Dunne, een in China gespecialiseerde auto-industrieconsultant, zei in juni tegen The New York Times dat de Chinese beperkingen ‘de assemblagelijnen van Amerikaanse autofabrieken volledig tot stilstand zouden kunnen brengen.’
Uitputting van de Amerikaanse voorraden
Uit een enquête van de Amerikaanse Kamer van Koophandel in China, uitgevoerd in mei, bleek dat 75 procent van de Amerikaanse bedrijven verwachtte binnen enkele maanden door hun voorraden zeldzame aardmetalen heen te zijn. Amerikaanse producenten riepen Washington daarom op om te onderhandelen over een einde aan de beperkingen. Tijdens handelsbesprekingen in Londen in juni stemde China ermee in om de goedkeuring van exportvergunningen te versnellen, al bestaat er nog steeds een aanzienlijke achterstand. De nieuwe Chinese exportbeperkingen dreigen deze recente inspanningen echter volledig teniet te doen.
Het strategisch inzetten van zeldzame aardmetalen als geopolitiek drukmiddel door China is niets nieuws. In 2010 stopte Peking gedurende twee maanden de export naar Japan vanwege een territoriaal conflict, wat leidde tot forse prijsstijgingen en de kwetsbaarheid van de wereldwijde toeleveringsketen blootlegde.
Gabriel Wildau, algemeen directeur van het in New York gevestigde adviesbureau Teneo, waarschuwde dat het Chinese systeem van exportvergunningen een blijvend instrument is en niet slechts een tijdelijke reactie op de invoerheffingen van Trump. In een notitie voor zijn klanten in juni schreef hij dat ‘aanvoerbeperkingen een voortdurende bedreiging zullen blijven,’ waarmee hij duidelijk maakte dat China vastbesloten is zijn machtspositie ten opzichte van de Verenigde Staten te behouden.
Ook Europese industrie getroffen door de Chinese beperkingen
De Verenigde Staten zijn niet de enige economie die door het tekort aan zeldzame aardmetalen wordt getroffen. De Europese Unie is voor 98 procent afhankelijk van China voor deze grondstoffen, die essentieel zijn voor de productie van auto-onderdelen, straaljagers en medische beeldvormingsapparatuur.
De Europese Vereniging van Automobieltoeleveranciers waarschuwde in juni dat de sector ‘al aanzienlijke verstoringen ondervond’ door de Chinese exportbeperkingen. De organisatie voegde daaraan toe dat deze maatregelen hebben geleid tot ‘de sluiting van verschillende productielijnen en fabrieken in heel Europa, met verdere gevolgen in de komende weken naarmate de voorraden verder afnemen.’
Alberto Prina Cerai, onderzoeker bij het Italiaanse Instituut voor Internationale Politieke Studies (ISPI), zei tegen DW dat Brussel dringend ‘tijd moet zien te winnen.’
‘Qua schaal kunnen wij [het Westen] China niet bijbenen,’ waarschuwde hij. ‘Zij beschikken over een volledig geïntegreerde toeleveringsketen – van mijn tot magneet – die buitengewoon moeilijk te evenaren is.’ Toch noemde hij een volledige ontkoppeling van China op de korte termijn ‘ondenkbaar,’ en benadrukte hij dat de EU ‘deze afhankelijkheid in goede banen moet zien te leiden met een samenhangende industriële strategie.’
De Europese Commissie, het uitvoerend orgaan van de EU, wil tegen 2030 jaarlijks zevenduizend ton magneten binnen de EU produceren, als onderdeel van de Critical Raw Materials Act. Er lopen al verschillende projecten voor mijnbouw, raffinage en recycling. Dit jaar opende in Estland een grote fabriek voor de verwerking van zeldzame aardmetalen, en in 2026 zal een tweede grote fabriek in het zuidwesten van Frankrijk operationeel worden.
Na een ontmoeting met zijn Chinese ambtgenoot in mei noemde EU-commissaris voor Handel Maros Sefcovic de Chinese beperkingen ‘uiterst verstorend’ voor de Europese auto- en industriesector. China heeft wel een zogenoemd ‘groen kanaal’ voorgesteld om de goedkeuring van exportvergunningen voor EU-bedrijven te versnellen, maar experts waarschuwen dat het proces nog steeds tot 45 dagen kan duren.
India verlaagt export om het binnenlandse aanbod te vergroten
Ondanks het feit dat India met 6,9 miljoen ton de op vier na grootste reserves aan zeldzame aardmetalen ter wereld bezit, levert het land minder dan één procent van het wereldwijde aanbod van deze grondstoffen. Het Zuid-Aziatische land beschikt namelijk niet over de raffinagecapaciteit die nodig is om de metalen te verwerken voor gebruik in hightechtoepassingen. Daarnaast is India afhankelijk van de Chinese export, die zelf ook weer aan beperkingen onderhevig is.
Hoewel New Delhi zijn inspanningen heeft opgevoerd om het aanbod te diversifiëren via samenwerkingsakkoorden met de Verenigde Staten, Australië en Centraal-Aziatische landen, verloopt de vooruitgang tot nu toe traag.
In juni gaf New Delhi het staatsmijnbouwbedrijf IREL opdracht om de export van in eigen land gewonnen mineralen, onder meer naar Japan, stop te zetten, teneinde de aanvoer voor binnenlandse producenten veilig te stellen. In 2024 leverde IREL nog een derde van de 2.900 ton zeldzame aardmetalen die het ontgint aan Japan, via een Japans verwerkingsbedrijf.
G7-leiders beloven verstoring door China aan te zullen pakken
Aangezien het onwaarschijnlijk is dat de dominantie van China op de markt op de korte termijn zal worden doorbroken, hebben de leiders van de G7 tijdens hun bijeenkomst in Canada in juni voorlopig overeenstemming bereikt over een strategie om een mogelijk tekort aan zeldzame aardmetalen te voorkomen. Ze hebben beloofd gezamenlijk op te zullen treden tegen opzettelijke marktverstoringen, zoals die door China, en maatregelen te zullen nemen om de productie en het aanbod te diversifiëren.
‘Wij erkennen deze bedreiging voor onze economieën, evenals andere risico’s voor de veerkracht van onze toeleveringsketens van kritieke mineralen, en zullen samenwerken met partners buiten de G7 om onze economische en nationale veiligheid snel te beschermen,’ aldus de groep van geavanceerde economieën in een document met de titel G7 Critical Minerals Action Plan.
Prina Cerai van ISPI zei tegen DW dat de toegang tot zeldzame aardmetalen voor het Westen steeds belangrijker zal worden naarmate geavanceerde technologieën zich verder ontwikkelen. Ze merkte daarbij op dat ‘robotica en humanoïden op de middellange termijn een belangrijke markt kunnen worden.’
Diverse concurrenten voeren de productie van zeldzame aardmetalen op
Na de 44 miljoen ton aan zeldzame aardmetalen in China beschikken Brazilië, India en Australië gezamenlijk over de op één na grootste voorraad, goed voor ongeveer 31,3 miljoen ton, aldus de US Geological Survey. Onlangs werd in Kazachstan nog eens ongeveer 20 miljoen ton ontdekt.
De Verenigde Staten en Australië zijn het verst gevorderd met het opschalen van hun eigen productie van zeldzame aardmetalen, terwijl de plannen van andere landen zich nog in een vroege tot middelfase bevinden. Deze plannen vergen vijf tot tien jaar, moeten rekening houden met milieuoverwegingen, en vereisen investeringen van miljarden.
Een andere mogelijke toekomstige bron is Groenland, ondanks de barre weersomstandigheden. De Verenigde Staten en de Europese Unie hebben al samenwerkingsovereenkomsten gesloten, en in 2023 werd het Tanbreez-project in het zuiden van Groenland door Mining Intelligence – een leverancier van gegevens over de mijnbouwsector – uitgeroepen tot het meest veelbelovende zeldzame-aardmetalenproject, met een geschatte voorraad van 28,2 miljoen ton mineralen.
Maar zolang het alternatieve aanbod van zeldzame aardmetalen niet aanzienlijk wordt opgeschaald, zal China deze cruciale grondstof blijven inzetten als een krachtig geopolitiek wapen, waarmee het wereldwijd industrieën en landen stevig in zijn greep houdt.
Wübbeke van Sinolytics is sceptisch over de vraag of andere landen ooit in staat zullen zijn iets te doen aan de dominante positie van China op het gebied van zeldzame aardmetalen, gezien het enorme kostenvoordeel van de marktleider.
‘Zodra China de exportbeperkingen opheft, zullen de prijzen dalen en zal de bevoorradingssituatie verbeteren. Niemand zal het dan nog hebben over de overmatige afhankelijkheid van China, omdat het op dat moment alleen nog maar om de prijzen draait,’ aldus Wübbeke tegenover DW. ‘Niet-Chinese mijnen en raffinaderijen moeten dan met deze prijzen concurreren, en dat kunnen ze doorgaans niet.’
Gil Duran is een journalist uit San Francisco en voormalig hoofdredacteur van de opinieredacties van The Sacramento Bee en The San Francisco Examiner. Hij schrijft de nieuwsbrief The Nerd Reich, over extremistische technologiepolitiek, en werkt momenteel aan zijn eerste boek.
De techmagnaat voert zijn apocalyptische retoriek verder op en voegt een gevaarlijke dosis extremisme toe aan de toch al beladen cultuuroorlog
Bij wijze van weer een nieuw verontrustend teken van deze tijd kan Peter Thiel niet ophouden met praten over de Antichrist. Vorige maand gaf de techmiljardair in San Francisco een serie van vier besloten lezingen over dit onderwerp, dat hij zelf aanduidt als ‘politieke theologie.’ Het is onderdeel van wat je Thiels ‘Antichrist World Tour’ zou kunnen noemen: de medeoprichter van PayPal en Palantir hield eerder al vertrouwelijke lezingen over dit thema in Oxford, Harvard en aan de door Bari Weiss opgerichte surrogaatuniversiteit, de University of Austin.
Waarom Thiel zoveel geheimhouding nodig heeft om over zijn jongste obsessie te kunnen spreken, is onduidelijk. Al jaren houdt hij in openbare lezingen betogen over de Antichrist. In een interview met The New York Times in juni deelde Thiel uitgebreid zijn gedachten over deze schimmige figuur, die in de Bijbel nauwelijks wordt genoemd, maar volgens de legende – en talloze pulp-horrorfilms – zal opstaan om Satan te helpen Armageddon te ontketenen. Daarbij wees hij zelfs een verdachte aan: Greta Thunberg. (Het interview ging viraal toen Thiel zichtbaar worstelde met de vraag of hij eigenlijk wel wil dat het menselijk ras blijft voortbestaan.)
Thiel is geen theoloog, geen wetenschapper en geen profeet. Waarom zouden we dan aandacht besteden aan zijn bijbelse bespiegelingen? Omdat hij een van de invloedrijkste mannen ter wereld is, en zijn lezingen over de Antichrist onthullen zijn diepe overtuiging dat religie een wapen is in de politieke strijd. En daarin heeft hij gelijk.
Thiels fixatie op de Antichrist past binnen een lange traditie in de Amerikaanse politiek. Al sinds de stichting van de natie proberen Amerikanen de Antichrist aan te wijzen – meestal door hun politieke tegenstanders zo te bestempelen. ‘Het symbool van de Antichrist heeft een verrassend belangrijke rol gespeeld in het vormgeven van het Amerikaanse zelfbeeld,’ schreef historicus Robert Fuller in 1995 in Naming the Antichrist: The History of an American Obsession. ‘Omdat Amerikanen hun land zien als uniek door God gezegend, zijn ze vooral geneigd om hun vijanden te demoniseren.’
In de loop der tijd is de identiteit van Satans handlanger steeds verschoven: van de indianen naar de communisten, en van Hitler naar Saddam Hoessein en zelfs Barack Obama – en tussendoor werden ook streepjescodes en microchips verdacht gemaakt. Van de koloniale tijd tot het AI-tijdperk is de jacht op de Antichrist blijven voortduren. De huidige QAnon-complottheoretici menen dat ze strijden tegen een kliek van kannibalistische satanisten. In Unhumans, een boek uit 2024 dat door JD Vance is geprezen, worden progressieven zelfs gelijkgesteld aan bloeddorstige ‘onmenselijke’ wezens. Daarmee verandert de politiek in een heilige oorlog met een nulsomuitkomst.
‘Zodra we onze tegenstanders in zulke kosmische termen bestempelen – het goede tegenover het kwade – verdwijnt elke mogelijkheid tot compromis,’ aldus Fuller.
Thiel begrijpt dit maar al te goed. Hij presenteert zijn interesse in de Antichrist als onderdeel van zijn eigen ‘politieke theologie,’ een term die hij ontleent aan Carl Schmitt – de nazi-filosoof die politiek omschreef als een strijd tegen een existentiële vijand, en stelde dat politiek in wezen religie in vermomming is. Daarnaast put Thiel uit het werk van René Girard, de katholieke denker (en een van zijn hoogleraren aan Stanford University) die waarschuwde dat menselijke samenlevingen de neiging hebben te vervallen in een spiraal van geweld in hun zoektocht naar zondebokken.
‘De vraag is altijd of de politiek lijkt op een markt… of dat het meer een zondebokmachine is, die alleen werkt zolang je niet in de worstfabriek kijkt,’ zei Thiel in 2024 tijdens een lezing aan Stanford. Hij lichtte het mechanisme toe: ‘Stel dat er veel conflicten zijn in ons dorp. Dan moeten we een willekeurige oudere vrouw aanwijzen en haar beschuldigen van hekserij, zodat we als gemeenschap weer enige psychosociale eenheid ervaren… maar dit soort processen werkt niet meer zodra mensen zich daar bewust van worden.’
Thiel kent deze dynamiek maar al te goed, maar het is onduidelijk of hij erdoor geschokt is, of juist gefascineerd. Zijn lezingen bieden geen oplossingen; in plaats daarvan verweeft hij Schmitt, Girard en de Bijbel tot een indringende beschouwing over de kracht van apocalyptische ideeën. Thiel presenteert zichzelf als iemand die de wereld wil helpen een ‘smal pad’ te bewandelen tussen Armageddon en de Antichrist. Tegelijkertijd schetst zijn retoriek ook een draaiboek voor een heilige oorlog, voor het aanwijzen van zondebokken, en voor het uitlokken van crises en het verwerven van macht – aangezien Schmitt stelde dat macht zich juist consolideert tijdens existentiële crisissen, wanneer grondwetten kunnen worden opgeschort.
‘Ons wordt verteld dat er niets ergers is dan Armageddon, maar misschien is dat niet zo,’ zei Thiel tijdens een lezing in Oxford in 2023. ‘Misschien moeten we de Antichrist vrezen. Misschien moeten we de totalitaire wereldstaat méér vrezen dan Armageddon.’
Hij experimenteert al met dit doemscenario: in januari schreef hij een opiniestuk waarin hij de terugkeer van Donald Trump aan de macht omschreef als een ‘apokálypsis’ – een ‘onthulling’ van verborgen waarheden en een kans om de ‘zonden’ van de natie uit te wissen. In zijn religieuze lezingen aarzelt Thiel bovendien niet om een mogelijke Antichrist aan te wijzen, zoals Greta Thunberg, het communisme en zelfs de regulering van technologie. Daarmee laat hij een veelzeggende neiging zien om de Schrift als politiek wapen in te zetten.
Toch kent zijn benadering grote tekortkomingen. Zo beweert Thiel dat de Antichrist iemand zal zijn die zich richt op existentiële bedreigingen en de Apocalyps, en die onder het motto ‘vrede en veiligheid’ een totalitaire wereldregering zal vestigen. Maar Thiels eigen checklist voor de Antichrist – een paranoïde fixatie op de Apocalyps, controle en surveillance – lijkt vooral een beschrijving van hemzelf.
Thiel is medeoprichter van Palantir, een softwarebedrijf dat letterlijk is vernoemd naar een alziende bol die in The Lord of the Rings wordt beheerst door een kwaadaardige tovenaar. Palantir werkt samen met de regering-Trump om de overheidssurveillance uit te breiden, juist op een moment dat de president openlijk autoritaire trekken vertoont. De ironie daarvan is zo groot dat het bijna op een bekentenis lijkt. Zoals komiek Tim Dillon onlangs grapte in de podcast van Joe Rogan: ‘Het is zo vreemd… Je bouwt binnenlandse surveillancetechnologie om onze vrienden en buren in de gaten te houden – en je andere obsessie is de Antichrist.’
Thiel is niet de enige die religieuze thema’s inzet. Miljardair Nicole Shanahan noemde Burning Man onlangs ‘demonisch,’ terwijl Andreessen Horowitz-partner Katherine Boyle de kruisiging van Christus aanhaalde om te beweren dat regeringen gezinnen vernietigen. Trae Stephens, een bondgenoot van Thiel en zelfverklaard ‘wapenhandelaar,’ medeoprichter van het dronebedrijf Anduril (opnieuw een verwrongen verwijzing naar The Lord of the Rings), ziet zijn werk als onderdeel van een missie om ‘Gods gebod uit te voeren en zijn Koninkrijk op aarde te vestigen zoals in de hemel.’ Zijn vrouw Michelle is medeoprichtster van ACTS 17 Collective (Acknowledging Christ in Technology and Society), een organisatie die onder techneuten evangeliseert en Thiels Antichrist-lezingen organiseert.
Ondertussen is Alexander Dugin in Rusland – een ultranationalistische filosoof en propagandist, vaak omschreven als ‘het brein van Poetin’ – de enige andere prominente politieke figuur die net zo geobsedeerd is door de Antichrist als Thiel. In Dugins visie voert Rusland oorlog tegen de Antichrist, belichaamd door de liberale moderniteit die volgens hem voortkomt uit het ‘land van de Apocalyps’: de Verenigde Staten.
Niet iedereen gelooft in de plotselinge bekering van Silicon Valley tot vroomheid. Tijdens de National Conservatism Conference van vorige maand uitten sommige traditionele religieuze conservatieven felle kritiek op hun zogenoemde tech-broeders. De conservatieve activist Geoffrey Miller beschuldigde ontwikkelaars van kunstmatige intelligentie ervan ‘verraders van de mensheid’ en ‘afvalligen van het geloof’ te zijn. Volgens The Verge riep hij zelfs letterlijk op tot een ‘heilige oorlog’ tegen technologie.
Want als we op zoek zijn naar existentiële vijanden, staan de duivels hebzuchtige techmiljardairs uit Silicon Valley bovenaan de lijst – zij die ‘goddelijke’ AI-systemen willen bouwen die krachtig genoeg zijn om de mensheid te vernietigen. Toch moeten we oppassen niet in de val te trappen van het rondstrooien van het woord ‘Antichrist’. In plaats van te vragen ‘Wie is de Antichrist?,’ zouden we ons beter kunnen afvragen: ‘Waarom probeert een techmiljardair ons ervan te overtuigen dat we aan de rand van de Apocalyps staan?’
Deze herkauwde satanische paniektactieken moeten worden ontmaskerd voor wat ze werkelijk zijn: een cynisch plan om de politieke verdeeldheid verder aan te wakkeren. Ze lijken bovendien op een onhandige poging om een alliantie te smeden met religieus-nationalistische stromingen binnen de Republikeinse Partij, die eveneens apocalyptische taal gebruiken om hun politieke agenda te verwoorden. Journalist Matthew D’Ancona omschreef Thiels Antichrist-theorieën treffend als ‘een intellectuele variant van de MAGA-eindtijdtheologie.’
Maar het aanwijzen van een ‘Antichrist’ is een gevaarlijke strategie, die vaak uitmondt in crisis en geweld.
‘Het hele concept van de Antichrist… bevordert een crisismentaliteit,’ zegt Fuller, de Antichrist- historicus. ‘En met die crisismentaliteit zetten we al onze andere verschillen opzij. Er ontstaat tribale cohesie, een tribale eenheid, en die rechtvaardigt immorele daden, want om een kwaadaardige, satanische vijand te verslaan moet je doen wat nodig is.’
Vorige maand, in de uren na de moord op Charlie Kirk, waren de woorden ‘demon’ en ‘kwaad’ trending op X, omdat sommigen ter rechterzijde zijn dood afschilderden als het werk van bovennatuurlijk bezeten Democraten en linkse activisten. Belangrijke rechtse influencers sloegen aan het denken in de geest van Carl Schmitt en pleitten voor een hardere politieke aanpak van Kirks critici. Chris Rufo, een bekende rechtse opiniemaker, riep wetshandhavers op de ‘radicale linkse beweging’ te ‘infiltreren, ontwrichten, arresteren en opsluiten.’
Dit is het onvermijdelijke gevolg van apocalyptische retoriek: wanneer politieke tegenstanders worden neergezet als kwaadaardige, bijna kosmische vijanden, worden vervolging en geweld gezien als een heilige plicht. De recente golf van demon- en duivelstaal laat zien dat Thiel op zich niet onterecht een krachtige, maar uiterst gevaarlijke tendens in onze politiek heeft blootgelegd.
Maar als techmiljardairs het christendom werkelijk willen uitdragen, zouden ze moeten stoppen met het najagen van vermeende Antichristen en in plaats daarvan stilstaan bij de woorden van Jezus Christus zelf. Hij riep zijn volgelingen op tot empathie, vergeving en zorg voor anderen – niet tot uitbuiting en controle. In plaats van zich te fixeren op Armageddon, zou Thiel beter kunnen luisteren naar de evangeliën, die waarschuwen dat ‘het makkelijker is voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’
Dat is een bijbeltekst die het waard is om even bij stil te staan, en een probleem dat geen enkele AI, geen vorm van controle, macht of rijkdom ooit zal kunnen oplossen.
B. Duncan Moench is een punkfilosoof en ‘herstellend’ academicus. Hij is Tablet’sSocial Critic at Large, schrijver voor County Highway en onderzoeker van de Amerikaanse politieke cultuur. Daarnaast is hij auteur en presentator van de Producerist-nieuwsbrief en podcast op Substack.
De diepe polarisatie daar is een weerspiegeling van de Amerikaanse nationale malaise
De kern van de Amerikaanse politieke psyche wordt bepaald door een gewelddadige vorm van paranoia die voor buitenstaanders nauwelijks te begrijpen, laat staan te accepteren is. Wat heeft een land dat door twee oceanen wordt beschermd en aan de noord- en zuidgrens wordt omringd door economisch afhankelijke semi-vazalstaten, werkelijk te vrezen van de wereld? Waarom grijpt een land met de grootste rijkdom en het machtigste leger uit de geschiedenis zo vaak naar geweld – niet alleen in het buitenland, maar ook tegen de eigen bevolking? Dit zijn de vragen die gesteld moeten worden nu de Verenigde Staten opnieuw lijken af te glijden naar een periode van geweld, vergelijkbaar met de ‘dagen van woede’ van eind jaren zestig.
In de nasleep van de moord op Charlie Kirk op de campus van de Utah Valley University (UVU) zullen deskundigen opnieuw pleiten voor ‘nationale gesprekken’ over het matigen van de politieke retoriek, het herzien van de wapenwetten, en het aanpakken van de groeiende mentale onevenwichtigheid van generatie Z en jongere generaties. Sommige van die oproepen tot dialoog zijn wellicht oprecht, maar slechts weinigen zullen diep genoeg willen graven om het rauwe geweld te onderkennen dat verankerd zit in de Amerikaanse politieke verbeelding – een verbeelding waarin meningsverschillen steeds vaker worden gezien als een directe bedreiging voor het persoonlijke voortbestaan. En dus zal er, na enkele nieuwscycli, zoals zo vaak helemaal niets veranderen. Zoals Ian MacKaye van de invloedrijke punkband Fugazi ooit zei: ‘Er is geen sprake van beweging in een slechte geest.’
Kirk stond online bekend om zijn strijdlust en sarcasme, maar in de privésfeer werd hij omschreven als vriendelijk en genereus – een toegewijde echtgenoot, een loyale vriend en een zorgzame vader. Hij was geen slecht mens. Maar een slechte geest is iets heel anders. Kirks dood is, net als zijn weg naar de roem, het gevolg van een cultuuroorlog rond kwesties die tegelijk zo bekrompen én zo onverzoenlijk zijn dat ze de republiek dreigen te verscheuren. In dat licht is de plaats van zijn dood veelzeggend: niet slechts als achtergrond, maar ook als symbool van hoe verschrikkelijk intolerant en kortzichtig we als samenleving zijn geworden. Kirk werd namelijk doodgeschoten in Orem, Utah, tijdens een evenement op de campus van de UVU – een plek die de cultuuroorlog bij uitstek belichaamt en die ik goed ken, omdat ik zelf geboren en getogen ben in het nabijgelegen Holladay.
Utah is veel meer dan rode rotsen, mormoonse tempels en de Osmonds. De staat vormt ook een spiegel van de nationale verdeeldheid – een perfecte microkosmos van de verscheurde ziel van Amerika. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, zijn Salt Lake City en het omliggende district overwegend progressief, uitgesproken seculier, en doen veel inwoners hun uiterste best om hun vooruitstrevende geloofwaardigheid te bewijzen – niet alleen aan buitenstaanders, maar ook aan zichzelf. Zo identificeren vijf van de zeven raadsleden van de stad zich vandaag de dag als LGBTQ. Tegelijkertijd wordt de wetgevende macht die boven hen staat gedomineerd door ultraconservatieve plattelands- en voorstedelijke gebieden: vroom mormoons, zwaar bewapend, en stevig in de greep van een rechtse mentaliteit die minder te maken heeft met de leer van Joseph Smith dan met de invloed van Fox News en oppervlakkige online influencers zoals Kirk.
Orem en de UVU-campus liggen precies op de breuklijn tussen twee werelden. De verhouding tussen de progressieve politieke klasse van Salt Lake City en het conservatieve plattelandsblok van Utah is niet alleen vijandig; soms lijkt ze zelfs ronduit psychotisch. Beide kampen willen elkaar daadwerkelijk schade toebrengen. Ook wanneer samenwerking overduidelijk in ieders belang zou zijn, overheerst meestal de vijandigheid. Zo verloor Utah vorig jaar het Sundance Film Festival, een belangrijke culturele en economische motor. Niet omdat het festival verliesgevend was of slecht werd georganiseerd, maar omdat het parlement van Utah weigerde zelfs maar bescheiden belastingvoordelen te verlenen – iets wat in vrijwel alle andere vergelijkbare gevallen wél zou zijn gebeurd. Het straffen van de stedelijke ‘progressieven’ woog blijkbaar zwaarder dan het beschermen van de lokale filmwerkers, banen in het toerisme en de inkomsten van kleine bedrijven. Dit is geen gevolg van een slecht functionerend systeem, maar van opzettelijke sabotage, uitgevoerd in naam van de culturele zuiverheid. Juist dat maakt Utah tot zo’n scherp venster om het neerschieten van Kirk te begrijpen.
Ik heb deze spanningen persoonlijk meegemaakt. Twintig jaar geleden was ik communicatiedirecteur en speechschrijver voor Rocky Anderson, de voormalige burgemeester van Salt Lake City en een van de meest strijdlustige lokale politici uit de recente geschiedenis. In zekere zin was hij de linkse tegenhanger van Trump: fel, agressief en totaal niet geïnteresseerd in diplomatie. Toch werd hij herkozen en is hij, inmiddels in de zeventig, opnieuw een van de belangrijkste kandidaten voor het burgemeesterschap van Salt Lake City.
Anderson bleef populair omdat hij feilloos wist wat zijn achterban werkelijk wilde: iemand die bereid was de mormoonse kerk en de Republikeinse wetgevende macht met nietsontziende, theatrale agressie aan te vallen. In Utah heeft het nooit ontbroken aan brandstof voor de cultuuroorlog. Anderson wakkerde die strijd aan door de mormoonse gemeenschap voortdurend te bekritiseren en zelfs in The Guardian te verklaren dat ze ‘Taliban-achtig’ waren. Het lijkt misschien een opmerkelijke zet voor een burgemeester van Salt Lake City, maar geloof me: het was een bewuste strategie – en de kiezers van de stad smulden ervan.
Hoe meer de burgemeester de conservatieven in Utah bekritiseerde, hoe populairder hij werd. We hebben daar meerdere keren openlijk over gesproken. Ik probeerde zijn retoriek richting een meer verzoenende toon te sturen, maar dat werd steeds resoluut afgewezen. De UVU ligt precies op de scheidslijn – letterlijk én politiek – tussen de Democratische Salt Lake County en de Republikeinse Utah County ten zuiden daarvan. Het lijkt mij geen toeval dat Kirk juist op deze breuklijn werd vermoord. Ter rechterzijde is, zonder enig bewijs, geopperd dat de dader een transactivist zou zijn. Die theorie zal waarschijnlijk aan kracht winnen zodra duidelijker wordt hoe sterk LGBTQ-belangengroepen de politiek in Salt Lake City en de county beïnvloeden. Vlak voor de schietpartij zou iemand in het publiek Kirk hebben gevraagd: ‘Hoeveel massamoordenaars waren trans?’
Hoewel genoemde mogelijkheid niet volledig kan worden uitgesloten – zeker niet nu de Wall Street Journalmeldde dat de kogels van de schutter waren voorzien van uitingen van transideologie – zal nóg meer zondebokken aanwijzen niets oplossen aangaande de diepere oorzaken van de moord op Kirk. Die oorzaken zijn zowel lokaal als nationaal, maar niet in elk opzicht typisch Amerikaans. Want als de diepe polarisatie in Utah een afspiegeling is van een nationale malaise die mensen voldoende redenen geeft om tot moord over te gaan, dan zien we dat die partijpolitieke verdeeldheid overal in de westerse wereld toeneemt. Het verschil is echter – zoals de gruwelijke beelden van de aanslag op Kirk pijnlijk duidelijk maken – dat potentiële moordenaars in de Verenigde Staten ook kunnen terugvallen op de grillen van het Tweede Amendement (het deel van de Amerikaanse grondwet waarin de vrijheid om wapens te dragen is vastgelegd).
Ik ben zeker niet de eerste die dit constateert, maar wapens zijn hier overal. Dat raakt de kern van de reden waarom Amerikaanse burgers niveaus van wapengeweld tolereren en zelfs normaliseren, die in elk ander welvarend land ondenkbaar zouden zijn. Wapens zijn bovendien makkelijk verkrijgbaar, zelfs voor mensen met ernstige psychische aandoeningen of een strafblad wegens gewelddaden. Zo stak Decarlos Brown, wiens eigen moeder hem had willen laten opnemen in een inrichting, twee maanden geleden Iryna Zarutska neer in een trein op weg naar Charlotte. Maar gezien de lakse wapenwetten had hij haar net zo goed kunnen doodschieten. Op grond van overwegingen van ideologische zuiverheid hebben veel Republikeinse staten de afgelopen twintig jaar zelfs de meest basale beperkingen op wapenbezit afgeschaft. Charlie Kirk was daar een uitgesproken voorstander van. Utah is hiervan een symbolisch voorbeeld, en de gevolgen waren al lang voor de moord op Kirk zichtbaar.
In juni werd tijdens de ‘No Kings’-bijeenkomst in Salt Lake City een man gezien die aan de rand van de menigte een AR-15-geweer in elkaar zette. In typisch Middle-Amerikaanse stijl openden diverse zogenoemde ‘vredeshandhavers’ – van wie velen zelf gewapend waren – het vuur, in de overtuiging dat ze op het punt stonden een massale schietpartij te voorkomen. De man werd neergeschoten en raakte gewond. Maar ook een onschuldige omstander werd getroffen en kwam om het leven in het kruisvuur van deze chaotische, doe-het-zelfvariant van openbare veiligheid.
Lang voordat iemand de trekker overhaalde, hadden meerdere demonstranten al 112 gebeld om de man en zijn wapen te melden. De medewerkers van de telefooncentrale zeiden echter dat ze niets konden doen: hun handen waren gebonden. In Utah is het namelijk volledig legaal om in het openbaar met een geladen aanvalsgeweer rond te lopen – zelfs op een politieke bijeenkomst. In 2021 schafte de staat bovendien de vergunningplicht voor het verborgen dragen van vuurwapens af. Inwoners mogen sindsdien zowel openlijk als heimelijk wapens dragen, zonder vergunning, zonder training en zonder enig toezicht.
Iedereen van 21 jaar en ouder die wettelijk een vuurwapen mag bezitten – wat in Utah in principe iedereen zonder strafblad is – mag vrijelijk een geladen, verborgen vuurwapen in het openbaar dragen. Daarom kon de man die tijdens de bijeenkomst in Salt Lake City een aanvalsgeweer in elkaar zette pas worden gearresteerd toen hij daadwerkelijk het vuur opende. De psychologische tol van het leven in een samenleving waarin je iemand een bloedbad ziet voorbereiden, maar te horen krijgt dat er ‘niets aan te doen is,’ kan nauwelijks worden overschat. Ik ken die angst uit eigen ervaring. Jaren geleden, toen ik lesgaf aan de universiteit van Utah, kwamen studenten tijdens mijn spreekuur mijn kantoor binnen met pistolen die zichtbaar aan hun borst bevestigd waren. Net als de aanwezigen op de ‘No Kings’-bijeenkomst kon ik wettelijk niets doen – ik mocht zelfs niet weigeren om de gewapende studenten te ontvangen. De universiteit had geprobeerd vuurwapens op de campus te verbieden, maar de wetgever stapte naar de rechter en kreeg gelijk.
Een paar jaar later, toen ik lesgaf aan de universiteit van Texas in Austin, leverde een van mijn studenten een essay in waarin hij tot in detail een fantasie beschreef waarin hij eerst zijn professor en daarna de rest van de klas vermoordde. Zelfs als ik dat essay bij de politie had gemeld, zou dat niet hebben geleid tot de inbeslagname van vuurwapens – niet op grond van de wetgeving van Texas, en al helemaal niet op grond van die van Utah.In 2018 overwogen wetgevers in Utah gedurende korte tijd een wetsvoorstel dat rechtbanken de mogelijkheid zou geven om beschermingsbevelen uit te vaardigen. Daarmee konden vuurwapens tijdelijk worden afgenomen van mensen die als ‘ernstig geestesziek’ of ‘gewelddadig en onstabiel’ werden beschouwd. Maar het voorstel werd in stilte tegengehouden in de commissie en stierf een stille dood. Sindsdien is het nooit meer op een serieuze manier in behandeling genomen.
Ondanks de fantasieën van de NRA en andere pro-wapenlobby’s, die op perverse wijze beweren dat ‘een gewapende samenleving een beleefde samenleving is,’ voelt de werkelijkheid voor mensen die bewust in deze cultuur van wapenverheerlijking leven vaak heel anders aan. Wanneer vuurwapens overal zijn toegestaan, blijft de angst bestaan dat jij – evenals je familie – nergens echt veilig bent. Die angst voedt juist de neiging van velen om zich nog verder te bewapenen, zowel letterlijk als emotioneel, ter voorbereiding op een mogelijke strijd. Charlie Kirk was misschien oprecht in zijn wens om in het openbaar eerlijke debatten te voeren. Maar in een Amerikaanse cultuur die wordt getekend door geweld en door het normaliseren van voortdurende, vaak onnodige economische onzekerheid, hebben maar weinig jonge mensen vandaag de dag nog belangstelling voor welk debat dan ook.
Er valt dus te betogen dat de collectieve angst die wordt aangewakkerd door de Amerikaanse wapencultuur de politieke polarisatie versterkt – en omgekeerd. De ‘woke’ linkse beweging slaat misschien geregeld de plank mis op het gebied van ras en gender. Progressieven gaan misschien soms te ver in hun pogingen om als morele of nationale therapeut op te treden. Maar de Amerikaanse pro-wapenbeweging is minstens even ontspoord, zo niet nog veel meer. De obsessie met vuurwapens heeft inmiddels bijna sektarische trekken gekregen: ze is ideologisch, absolutistisch en doordrongen van een religieus fatalisme. Wanneer je dat fanatisme combineert met het feit dat veel van de meest fervente voorstanders van wapens zichzelf ook als ‘christenen’ beschouwen, is het moeilijk om geen parallellen te trekken met religieus extremisme elders. Hoe dan ook, het idee dat de epidemie van massale schietpartijen in Amerika niet rechtstreeks voortkomt uit het vrijwel onbeperkte recht om wapens te dragen – én uit de nietsontziende lobby die zelfs de mildste vormen van wapenbeperking bestrijdt – is volkomen absurd.
Alleen al dit jaar zijn er in de Verenigde Staten 309 massale schietpartijen geweest, gemiddeld bijna 1,3 per dag. Vuurwapens op zich zijn natuurlijk niet de enige oorzaak van dit geweld. Zoals het grimmige voorbeeld van Decarlos Brown laat zien, lopen er in de VS veel te veel gevaarlijke mensen vrij rond, beschermd door een naïef, bijna utopisch rechtssysteem. Toch ligt het probleem dieper. De sluiting van tientallen psychiatrische ziekenhuizen de afgelopen decennia speelt ongetwijfeld een rol, net als het feit dat zelfs notoire recidivisten vaak niet worden opgesloten. Maar hoe je het ook wendt of keert, uiteindelijk komt de discussie steeds weer terug op dezelfde kernvraag: de vuurwapens zelf – en wie ze mag bezitten.
In de Verenigde Staten heeft naar schatting 1,5 tot 2 procent van de volwassenen last van hallucinaties, wanen of andere ernstige psychotische symptomen. Bij een bevolking van ongeveer 330 à 340 miljoen mensen komt dat neer op zo’n vijf tot zes miljoen mensen – van wie vrijwel iedereen legaal een wapen kan bezitten.Dat betekent dat miljoenen mensen in theorie de mogelijkheid hebben om te schieten op onschuldige kinderen of publieke figuren die ze niet mogen, als de stemmen in hun hoofd hen daartoe zouden aanzetten. Als je dat geheel overziet, is het eigenlijk verbazingwekkend dat er niet nóg meer massale schietpartijen en moorden plaatsvinden in de Verenigde Staten – al is het huidige aantal al meer dan schokkend genoeg.
Zet gewoon het nieuws eens aan. Minder dan een uur nadat Charlie Kirk was neergeschoten, vond er opnieuw een schietpartij plaats, dit keer op een school in Evergreen, Colorado. Een tiener kwam om het leven en twee anderen raakten zwaargewond. De dag ervoor werden zes mensen neergeschoten in San Francisco. Twee dagen eerder vielen in Cleveland opnieuw zes gewonden, onder wie een zestienjarige jongen die in zijn mond werd geraakt. En nog geen twee weken geleden vond er een bloedbad plaats op de Annunciation Catholic School in Minneapolis, waar tientallen mensen – vooral basisschoolkinderen – in een kerk werden beschoten. Twee kinderen werden ter plaatse dood verklaard, maar het dodental had makkelijk in de tientallen kunnen lopen. En dat alles in een land dat, jaar na jaar en zonder onderbreking, verantwoordelijk is voor ruim zeventig procent van alle massale schietpartijen in de ontwikkelde wereld.
Twee jaar geleden, tijdens een openbaar evenement dat kort na de schietpartij op een school in Nashville werd gehouden – waarbij drie kinderen en drie volwassenen werden gedood door een non-binaire dader – kreeg Charlie Kirk de vraag of het toenemende aantal slachtoffers zijn geloof in het Tweede Amendement aan het wankelen had gebracht. Zijn antwoord was inhoudelijk schokkend, maar in zijn eigen logica opmerkelijk consistent:
‘Een gewapende bevolking hebben, kent een prijs – dat hoort bij vrijheid,’ zei hij. ‘Je kunt het aantal slachtoffers door vuurwapens niet tot nul terugbrengen. Er zal nooit een samenleving bestaan waarin burgers gewapend zijn en niemand omkomt door wapengeweld. Maar ik vind dat het de moeite waard is: elk jaar een aantal dodelijke slachtoffers door vuurwapens, zodat we het Tweede Amendement kunnen behouden om onze andere, door God gegeven rechten te beschermen. Dat is een verstandige deal. Dat is rationeel.’
Je moet toegeven: Charlie Kirk bleef zijn overtuigingen trouw tot het moment dat de kogel van een moordenaar zijn nek doorboorde. Maar zullen zijn weduwe en jonge kinderen over tien of twintig jaar nog steeds hetzelfde denken? Dat is uiteindelijk de ware prijs van Amerika’s dodelijke compromis. Het is makkelijk om een tragedie de prijs van de ‘vrijheid’ te noemen – zolang de doden niet de jouwe zijn. Maar zoals Ian MacKaye zei: ‘Er is geen sprake van beweging in een slechte geest.’ En vandaag, nu Kirk op internet wordt verheven tot martelaar van rechts, lijkt Amerika steeds meer overspoeld door slechte geesten – en nog altijd volkomen onwillig om het voor de hand liggende onder ogen te zien.
Thomas Fazi is columnist en vertaler bij UnHerd. Zijn jongste boek is The Covid Consensus, dat hij samen met Toby Green schreef. Dit boek komt binnenkort in Nederlandse vertaling uit bij Starfish Books.
Hij maakte van Europa een vazal van Amerika
‘Jarenlang,’ verklaarde Mario Draghi, de voormalige president van de Europese Centrale Bank (ECB) en oud-premier van Italië onlangs, ‘ging de Europese Unie ervan uit dat haar economische omvang, met 450 miljoen consumenten, vanzelf geopolitieke macht en invloed in de internationale handelsbetrekkingen zou opleveren.’ Maar volgens hem zal dit jaar de geschiedenis ingaan als het moment waarop die illusie uiteen spatte. Zoals Draghi toelichtte, is de EU door de Verenigde Staten onder druk gezet om schadelijke importtarieven en nodeloos hoge militaire uitgaven te accepteren, ‘op een manier en in een vorm die waarschijnlijk niet in het belang van Europa zijn,’ terwijl de EU tegelijkertijd – van Gaza tot Oekraïne – louter tot ‘toeschouwer’ is gereduceerd.
Draghi wordt vaak geroemd om zijn zeldzame openhartigheid bij het beoordelen van de toestand van Europa, een eigenschap die hem de reputatie heeft bezorgd een van de meest scherpzinnige denkers van het continent te zijn. En hij heeft zeker een punt wanneer hij stelt dat de neoliberale architectuur van de EU – gebouwd op ‘een bewuste verzwakking van de macht van staten’ ten gunste van op regels gebaseerde marktmechanismen – Europa volstrekt ongeschikt heeft gemaakt om zich staande te houden in een wereld waarin militaire en economische macht steeds vaker wordt ingezet om nationale belangen te verdedigen.
Het probleem is echter dat Draghi’s zogenaamde analyses vaak niet veel verder gaan dan het benoemen van het voor de hand liggende: feiten die voor iedereen die niet verblind is door ideologie of gevestigde belangen duidelijk zouden moeten zijn. De lof die hij ontvangt zegt dan ook minder over zijn briljantheid dan over de armoede van het Europese publieke debat. Belangrijker nog: hoewel Draghi de oppervlakkige symptomen van Europa’s malaise scherp weet te benoemen, faalt hij – consequent en bewust – in het stellen van de juiste diagnose van de onderliggende oorzaken.
Want als Draghi gelijk heeft dat het neoliberale kader van de EU – gestoeld op inkrimping van de staatsmacht, fiscale soberheid, loonmatiging en een obsessie met exportbevordering – Europa heeft verzwakt, dan moet worden benadrukt dat hij zelf mede-architect en uitvoerder van dit model is geweest. Al begin jaren negentig, toen hij directeur-generaal was bij het Italiaanse ministerie van Financiën, trad hij op als een prominent voorstander van het concept van de vincolo esterno (‘externe beperking’): het idee dat neoliberale hervormingen, die geen steun genoten bij de bevolking, alleen konden worden afgedwongen door nationale regeringen te ‘binden’ in een politiek-economisch keurslijf. Die externe beperking was uiteraard de Europese Unie, en in het bijzonder de eenheidsmunt, waarvan de routekaart werd vastgelegd in het Verdrag van Maastricht (1992). In diezelfde periode speelde Draghi bovendien een sleutelrol bij de grootschalige privatisering van Italiaanse staatsbedrijven.
De drie daaropvolgende decennia, waarin hij afwisselend actief was in de private sector (onder meer bij Goldman Sachs) en in hoge publieke functies, groeide Draghi uit tot een van de belangrijkste pleitbezorgers van de neoliberale orthodoxie. Dat kwam het duidelijkst tot uiting tijdens zijn presidentschap van de ECB (2011–2019). De handeling die symbool stond voor de start van zijn ambtstermijn had nauwelijks paradigmatischer kunnen zijn.
In augustus 2011, op het hoogtepunt van de zogenoemde ‘eurocrisis,’ stuurden Draghi en zijn aftredende voorganger Jean-Claude Trichet een brief aan de Italiaanse regering. Hoewel deze brief geheim had moeten blijven, lekte hij echter toch uit. In de brief werd gesteld dat het Italiaanse plan om het begrotingstekort terug te dringen ‘niet voldoende’ was. Er volgden gedetailleerde eisen, waaronder ‘de volledige liberalisering van de lokale openbare diensten,’ ‘grootschalige privatiseringen,’ loonsverlagingen en zelfs ‘constitutionele hervormingen om de begrotingsregels aan te scherpen.’ Giulio Tremonti, destijds de Italiaanse minister van Economie en Financiën, vertelde later in een besloten gesprek met Europese collega’s dat zijn regering dat jaar twee dreigbrieven had ontvangen: één van een terroristische groepering en één van de ECB. ‘Die van de ECB was erger,’ grapte hij.
Draghi moet tot de conclusie zijn gekomen dat de voorwaarden uit de brief niet waren nageleefd, want enkele maanden later ‘dwong’ hij – om de neoliberale Financial Times te citeren – Silvio Berlusconi tot aftreden ten gunste van de niet-gekozen Mario Monti. Dat deed hij door de aankopen van Italiaanse staatsobligaties door de ECB stop te zetten, waardoor de rente bewust boven het veilige niveau uitsteeg, en door de afzetting van Berlusconi als voorwaarde te stellen voor verdere steun van de ECB. Dit werd later bevestigd door niemand minder dan Monti zelf, die in 2017 in een interview verklaarde dat Draghi eind 2011 ‘besloot te stoppen met de aankoop van Italiaanse staatsobligaties, die de regering-Berlusconi in de zomer en herfst van 2011 overeind hadden gehouden.’
Het is moeilijk een verontrustender scenario te bedenken dan een zogenaamd ‘onafhankelijke’ en ‘apolitieke’ centrale bank die monetaire chantage inzet om een gekozen regering ten val te brengen en haar eigen politieke agenda door te drukken. Toch wijst alles erop dat dit – een monetaire staatsgreep – precies is wat er in 2011 in Italië is gebeurd. Slechts enkele jaren later gebruikte Draghi dezelfde middelen tegen Griekenland, waar hij het banksysteem feitelijk lamlegde om de regering te dwingen het door de EU opgelegde bezuinigingsbeleid te volgen. Yanis Varoufakis, destijds de Griekse minister van Financiën, noemde deze aanpak ‘economische waterboarding.’
Zelfs tijdens zijn korte periode als Italiaans premier, van 2021 tot 2022, zette Draghi dit beleid voort. De weinige ‘structurele’ hervormingen die zijn regering doorvoerde, waren volledig gericht op privatisering, liberalisering, deregulering en begrotingsdiscipline – terwijl hij zijn land tegelijk een paar van de meest draconische coronamaatregelen ter wereld oplegde.
Al met al zijn er de afgelopen decennia maar weinig figuren geweest die zich zo onverzettelijk hebben ingezet voor het bevorderen van het ondemocratische neoliberalisme als Mario Draghi. Zijn verantwoordelijkheid voor Europa’s neerwaartse spiraal reikt echter veel verder dan zijn rol als neoliberaal enforcer-in-chief. In zijn recente toespraak erkende hij in feite dat de EU een vazal van de Verenigde Staten is geworden. Maar opnieuw liet Draghi na zijn eigen rol in dit trieste proces te benoemen: als overtuigd atlanticus speelde hij juist een sleutelrol bij het bestendigen van de structurele ondergeschiktheid van de EU aan Washington.
De reactie van de EU op de oorlog tussen Rusland en Oekraïne is daar een goed voorbeeld van. In zijn veelbesproken rapport over het Europese concurrentievermogen, dat precies een jaar geleden werd gepubliceerd, wees Draghi de hoge energiekosten aan als een van de belangrijkste oorzaken van het verlies aan concurrentiekracht van de EU. Volgens het rapport betalen Europese bedrijven aanzienlijk meer voor energie dan hun Amerikaanse concurrenten, wat de industriële groei en investeringen ernstig afremt.
Dat is op zichzelf begrijpelijk, maar dit was allerminst een onvermijdelijke uitkomst. Het was veeleer een rechtstreeks gevolg van het besluit van de EU om zich los te koppelen van Russisch gas – dat vóór de oorlog in bijna de helft van de Europese gasbehoefte voorzag – ten gunste van veel duurder Amerikaans vloeibaar aardgas (LNG). Dit beleid werd bovendien krachtig gesteund door Draghi. Kort na de Russische invasie verdedigde hij als premier het besluit van de EU om een gasembargo tegen Rusland in te stellen, terwijl Italië zo’n veertig procent van zijn gas uit dat land betrok. ‘Wilt u airconditioning of vrede?,’ vroeg hij toen, met een logica die hoogst twijfelachtig was. Waarschijnlijk ging Draghi ervan uit dat de sancties de Russische economie snel zouden lamleggen en zo een einde aan de oorlog zouden afdwingen – een scenario dat iedereen met zelfs maar een rudimentair begrip van de economische en geopolitieke realiteit vanaf het begin had moeten afwijzen.
Enkele maanden later hield Draghi een toespraak voor de VN die, achteraf gezien, bijna komisch misplaatst klinkt. Daarin deed hij er nog een schepje bovenop door te stellen dat de sancties ‘extreem hoge kosten voor Rusland’ met zich meebrachten en ‘een ontwrichtend effect hadden op de Russische oorlogsmachine en economie.’ Volgens hem zou dit ertoe leiden dat het voor Rusland steeds moeilijker werd ‘te reageren op de nederlagen die zich op het slagveld opstapelden.’ Zoals we inmiddels weten, is van dit alles niets uitgekomen: de Russische economie bleek opmerkelijk veerkrachtig, de oorlogsmachine bleef functioneren en de nederlagen vonden niet plaats in Moskou, maar in de misleidende voorspellingen van Draghi zelf. Dit was bovendien eenvoudig te voorzien – en velen van ons hebben dat destijds ook voorspeld.
Dit alles roept een voor de hand liggende vraag op: hoe kan het dat Draghi nog steeds wordt geprezen nu hij de gevolgen hekelt van het gebrekkige beleid dat hij zelf heeft bevorderd? In een normale wereld zou hij worden weggehoond – of zelfs met rotte eieren worden bekogeld. Het feit dat hij zo moeiteloos aan zijn verantwoordelijkheid weet te ontsnappen, is misschien wel de duidelijkste illustratie van het kakistocratische karakter van de EU-politiek: een systeem waarin falen niet wordt bestraft maar juist beloond, en waarin incompetente leiders routinematig omhoogvallen.
Maar terwijl Draghi’s weigering om verantwoordelijkheid te nemen voor de problemen van de EU al erg genoeg is, zijn zijn voorgestelde oplossingen nog erger. Volgens hem ligt de remedie voor het disfunctioneren van de Unie in het toekennen van nóg meer macht aan Brussel. ‘De Europese Unie zal moeten evolueren naar nieuwe vormen van integratie,’ verklaarde hij in zijn jongste toespraak. Met andere woorden: meer politieke, fiscale, militaire en technologische centralisatie. In Draghi’s visie kunnen de problemen van Europa alleen worden opgelost door nóg meer bevoegdheden over te dragen aan de EU-instellingen, terwijl de nationale regeringen en parlementen verder buitenspel worden gezet.
Maar het laatste wat Europa nodig heeft, is nóg meer macht in handen geven van mensen als Draghi. Integendeel, als het continent zijn neergang wil keren, moet het breken met het misleidende dogma van ‘meer Europa’ en eindelijk de technocraten ter verantwoording roepen die zelf de door crises geteisterde orde hebben gecreëerd die zij nu zogenaamd diagnosticeren.
Wolfgang Münchau is directeur van Eurointelligence en columnist van UnHerd.
Terwijl progressieven lacherig doen, is rechts in opkomst
De bouwwerken uit het tijdperk van de mondialisering storten één voor één in. De instellingen van onze multilaterale wereld brokkelen langzaam af. De cultus van diversiteit, gelijkheid en inclusie slaat om in zijn tegendeel. De progressief-liberale media hebben hun monopolie op de agenda verloren, nu steeds meer mensen hun toevlucht zoeken tot alternatieve nieuwsbronnen. Na de moord op Charlie Kirk zal deze ontwikkeling alleen nog maar verergeren.
Sinds de jaren vijftig, toen Europa cultureel en economisch in verval raakte, heeft het vrijwel alle grote Amerikaanse trends gevolgd. De Oostenrijkers schonken ons het grand café: een plek waar je rustig kon zitten, goede koffie kon drinken en de krant kon lezen. Tegenwoordig halen jonge Europeanen echter mierzoete, slechte koffie bij Amerikaanse koffieketens. Wie niet weet dat de Napolitanen de pizza hebben uitgevonden, zou denken dat die uit New York komt. En over hamburgers hoeven we het al helemaal niet te hebben.
Wij Europeanen mogen dan de democratie, het communisme en het fascisme – en alles daartussenin – hebben uitgevonden, in onze huidige leegte importeren we de politieke cultuur van Amerika. Euro-versies van Donald Trump zullen overal op het continent opduiken en worden verkozen.
De oorzaken die de MAGA-beweging in de Verenigde Staten hebben voortgebracht, bestaan ook in Europa. De immigratie is toegenomen, terwijl de politie er niet in slaagt misdrijven gepleegd door immigranten effectief aan te pakken. Centrale banken hebben de afgelopen vijftien jaar een enorme ongelijkheid gecreëerd met hun activa-aankopen en marktstabilisatie – kosten die door het brede publiek zijn gedragen in de vorm van een hogere inflatie en een lager besteedbaar reëel inkomen. De invloed van populistisch rechts is nu al zichtbaar, aangevoerd door Viktor Orbán in Hongarije, maar staat op het punt om definitief mainstream te worden.
Laten we ons eens voorstellen dat de G8-top in 2030 plaatsvindt in Moskou, onder voorzitterschap van president Poetin, die dan net zijn dertigjarig jubileum als machthebber viert. Hij ontvangt er de Amerikaanse president JD Vance, de Britse premier Farage, president Le Pen van Frankrijk en bondskanselier Weidel van Duitsland. Premier Meloni van Italië zal tegen die tijd het langstzittende lid van deze groep zijn. Dit alles uiteraard onder de aanname dat de top überhaupt zal doorgaan – want misschien hebben de leiders elkaar dan wel niets meer te zeggen.
Ondertussen zal de EU in een diepe crisis verkeren – áls ze tegen die tijd nog niet uiteen is gevallen. Het blok is sinds het begin van deze eeuw langzaam aan het afbrokkelen, maar in 2030 zullen de Europese leiders vooral bezig zijn om, ieder voor zich, hun eigen land weer groot te maken.
Zo’n scenario past niet in het liberaal-progressieve verhaal, waarin geen alternatief bestaat voor een multilaterale, mondialistische wereld en Trump slechts een voorbijgaand fenomeen is. Toen Trump in 2016 echter voor het eerst werd gekozen, hebben de Europeanen hun kans gemist om zich te profileren. Ze slaagden er niet in defensief onafhankelijker te worden, omdat dit forse bezuinigingen op de verzorgingsstaat had vereist – een stelsel dat grotendeels was gefinancierd met het vredesdividend. Het had ook een fusie van de Europese wapeninkoopbureaus gevergd en een verlies van de nationale soevereiniteit over het wapenbeleid. Voor de landen van de eurozone zou bovendien een grotere politieke en fiscale integratie noodzakelijk zijn geweest om de euro als serieuze tegenhanger van de dollar te positioneren. In plaats daarvan kozen de Europese landen voor precies het tegenovergestelde. Omdat verdere integratie mislukte, legde de EU de nadruk op regulering, terwijl het Verenigd Koninkrijk de Unie verliet. Vandaag is de EU economisch simpelweg te zwak om Trump ook maar iets in de weg te leggen.
Ook op technisch gebied loopt Europa achter. Het laatste grote project dat Duitsland heeft gerealiseerd, was het perfectioneren van de dieselmotor in de jaren tachtig en negentig. Het is opnieuw hetzelfde verhaal als dat van de espresso en pizza. De Duitsers hebben de auto uitgevonden, ze hebben de kwantummechanica ontdekt en een lucratieve niche gevonden in de wereld van de midtech-engineering, de wereld van de gadgets. Maar die twintigste-eeuwse technologie is inmiddels achterhaald. Ze levert simpelweg niets meer op.
Pro-Europeanen mogen de EU in haar huidige vorm misschien prijzen als regelgever en soft power, maar dat zijn in wezen zwakke ambities. Ik was vroeger een voorstander van Europese integratie, in de hoop dat Europa zou uitgroeien tot een verenigde, strategische speler van wereldformaat, met meer economische en militaire samenhang. In plaats daarvan is de EU vandaag de dag niet veel meer dan een douane-unie en een interne markt voor voornamelijk producten – een speler van weinig betekenis op het wereldtoneel. Europa is gedegradeerd tot juniorpartner, tot voetvolk.
De Europeanen gingen er ook naïef van uit dat de demografie in het voordeel van centrumlinks zou uitpakken. Aan het einde van het vorige decennium leek de jeugd nog massaal achter links en de Groenen te staan, maar afgezien van Greta Thunberg en veel van haar volgelingen bleek dit slechts een voorbijgaande fase. Bij de verkiezingen in Duitsland eerder dit jaar werd de extreemrechtse Alternative für Deutschland de populairste partij onder jongeren. Datzelfde patroon zien we terug bij andere verkiezingen. In de VS heeft Charlie Kirk van MAGA een jeugdbeweging weten te maken, en in Europa horen we nu de echo daarvan.
Is dit werkelijk zo verrassend? Wie naar het politieke debat in Duitsland en Frankrijk luistert, krijgt de indruk dat de oudere generatie alleen maar bezig is met het veiligstellen van haar eigen privileges. Ondertussen zijn we op een punt in onze economische ontwikkeling beland waarop we niet langer kunnen verwachten dat onze kinderen het beter zullen hebben dan wij. Jonge Europeanen kampen met een crisis in de kosten van levensonderhoud: de economie laat hen in de steek en het establishment negeert hen. Daarom voorspel ik een verwoestende opstand van een jonge rechtse beweging, waarvan de meeste leden niet op straat staan bij anti-immigratiedemonstraties, maar hun strijd vooral online voeren.
Mijn algemene punt is dat alle onderliggende krachten die de Amerikaanse kiezers – en vooral de jonge kiezers – naar rechts drijven, ook in Europa aanwezig zijn. Alleen loopt Europa achter als het om een politieke reactie gaat. Tot nu toe werd de opkomst van rechtse partijen hier afgeremd door hun eenzijdige focus op immigratie. We weten wie ze haten, maar veel minder hoe ze zouden willen regeren. Hebben ze eigenlijk wel een economisch beleid? Beschikken ze over een samenhangend begrotingsplan? Voor zover ik heb gezien, komt er nog van geen enkele rechtse partij een overtuigend antwoord.
Maar daar zou weleens verandering in kunnen komen. De Duitse AfD begint in te zien dat ze een economisch beleid nodig heeft. In de peilingen gaat de partij inmiddels gelijk op met de CDU/CSU van bondskanselier Friedrich Merz. Ik verwacht dat de coalitie van Merz zal falen in haar poging de economische neergang van Duitsland te keren. In dat opzicht bevindt ze zich in een vergelijkbare positie als de Labour-regering in het Verenigd Koninkrijk. Beide regeringen zullen de belastingen verhogen, omdat ze het politiek niet aandurven om fors te snijden in de sociale uitgaven. Daardoor kan het moment aanbreken dat de AfD zich zal profileren als de enige partij in Duitsland die geloofwaardige economische hervormingen belooft. In het Verenigd Koninkrijk heeft Nigel Farage nog geen uitgewerkt economisch plan, maar ik verwacht dat hij zal inzetten op het zich losmaken van de EU-regelgeving en het verlagen van de belastingen – allebei noodzakelijke voorwaarden voor het vinden van een lucratieve economische niche buiten de EU.
De ervaring met rechts leiderschap binnen de EU zal waarschijnlijk rommeliger zijn. Extreemrechtse partijen zijn hier doorgaans niet libertair ingesteld. Sommige partijen, zoals die van Le Pen, zijn net zo corporatistisch als de gevestigde centrumpartijen. Er zullen zowel mislukkingen als successen zijn, terwijl de economie stagneert en het politieke establishment geen geloofwaardige alternatieven weet te bieden.
Zo was het ook in Duitsland begin jaren dertig. De juiste parallel is niet die tussen Hitler en de moderne rechtse leiders – het zou absurd zijn om te beweren dat Trump een fascistische dictator is. Nee, de griezelige gelijkenis is die met de Weimarrepubliek, die ten onder ging aan haar eigen onvermogen om te besturen en de economische welvaart te waarborgen.
Ik verwacht dat een variant van die periode zich opnieuw zal voordoen. Zoals Karl Marx schreef in De achttiende brumaire van Louis Bonaparte: ‘Hegel merkt ergens op dat alle grote wereldhistorische feiten en personen als het ware tweemaal ten tonele verschijnen. Hij vergat eraan toe te voegen: de eerste keer als tragedie, de tweede keer als farce.’
Het discours van rechts mag soms bespottelijk lijken, maar zolang zelfgenoegzame liberaal-progressieven er slechts lacherig over doen en weigeren van koers te veranderen, zal rechts blijven groeien. Vroeg of laat zullen we daardoor ook in Europa onze eigen Trumps krijgen – want al het andere hebben we al geprobeerd.
Bernie Sanders is een Amerikaanse senator en een vooraanstaand lid van de senaatscommissie voor Gezondheid, Onderwijs, Arbeid en Pensioenen. Hij vertegenwoordigt de staat Vermont en is de langstzittende onafhankelijke senator in de geschiedenis van het Congres. Zijn boek Our Revolution verscheen in Nederlandse vertaling bij Starfish Books.
Te veel leiders van de Democratische Partij zijn liever kapitein op een zinkende Titanic dan dat ze bereid zijn van koers te veranderen
De Democratische Partij bevindt zich op een kruispunt.
De partij kan ervoor kiezen vast te houden aan beleid dat een gebrekkig en gemanipuleerd economisch en politiek systeem in stand houdt, terwijl ze de pijn negeert van de zestig procent van de Amerikanen die van salarisstrook naar salarisstrook moeten leven. Ze kan ook de dromen van een jongere generatie naast zich neerleggen – een generatie die, als dit systeem niet verandert, waarschijnlijk slechter af zal zijn dan hun ouders.
Ze kan blijven leunen op miljardair-donateurs en campagneadviseurs die geen voeling hebben met de werkelijkheid, en ondertussen enorme bedragen blijven verspillen aan nietszeggende reclamespotjes van dertig seconden, waarop steeds minder mensen reageren.
Ze kan de tragische realiteit blijven negeren dat tientallen miljoenen Amerikanen de democratie de rug toekeren, omdat zij vinden dat hun regering geen oog heeft voor hun worstelingen en de werkelijkheid van hun dagelijks leven – en daar ook niets aan verandert.
Of ze kan de les ter harte nemen die de campagne van Zohran Mamdani ons heeft geleerd.
En die luidt:
Heb de moed om de werkelijke economische en morele problemen aan te pakken waarmee de meerderheid van onze bevolking kampt, ga de strijd aan met de hebzucht en de macht van de oligarchie, en vecht voor een agenda die het leven van werkende gezinnen daadwerkelijk verbetert.
Sommigen zullen misschien zeggen dat Mamdani’s overwinning vooral te danken was aan zijn stijl en zijn charisma. Dat klopt – maar zonder de buitengewone grassrootsbeweging die zich rond hem heeft gevormd, had hij die overwinning nooit behaald. En zo’n beweging, met duizenden enthousiaste vrijwilligers die langs de deuren gaan, ontstaat niet zonder een economische agenda die aansluit bij de behoeften van werkende mensen. De inwoners van New York – en eigenlijk alle Amerikanen – begrijpen dat je in het rijkste land ter wereld niet elke dag zou moeten worstelen om eten op tafel te krijgen, de huur te betalen of je medische rekeningen te voldoen. Het zijn precies deze mensen waarvan de adviseurs van de Democraten vaak niet eens beseffen dat ze bestaan.
Mamdani kreeg kritiek op zijn zogenaamd ‘radicale’ en ‘onrealistische’ economische beleid:
Hij pleit ervoor dat, in een tijd van ongekende inkomens- en vermogensongelijkheid, de rijken en grote bedrijven eindelijk hun eerlijke deel aan belastingen gaan betalen.
Hij pleit ervoor om, nu veel New Yorkers geen betaalbare woning meer kunnen vinden, de huurstijgingen te bevriezen.
Hij pleit ervoor dat, wanneer het woon-werkverkeer een groot deel van het loon opslokt, het openbaar vervoer gratis wordt gemaakt.
Hij pleit ervoor dat, nu veel mensen met een laag inkomen en werkende gezinnen geen toegang hebben tot gezond voedsel voor zichzelf en hun kinderen, er publieke buurtwinkels worden opgericht.
Deze ideeën – en vele andere – zijn helemaal niet radicaal. Ze zijn misschien niet wat miljardairs, rijke donoren en vastgoedspeculanten willen, maar ze weerspiegelen wel wat werkende mensen verlangen. En misschien, heel misschien, wordt het tijd om naar hén te luisteren.
De overwinning van Mamdani had niets te maken met ‘sterrenkracht.’ Zij draaide volledig om de kracht van het volk: het nieuw leven inblazen van de democratie en het openen van de deur voor gewone mensen om weer invloed te krijgen op de beslissingen die hun leven bepalen.
Belangrijk is dat hij niet wegliep voor de morele kwestie die miljoenen mensen in New York en in de rest van het land bezighoudt: de noodzaak om een einde te maken aan de militaire steun van de VS aan de extreemrechtse regering van Benjamin Netanyahu in Israël, die de bevolking van Gaza wegvaagt en hun kinderen uithongert. Mamdani begrijpt dat antisemitisme een walgelijke en gevaarlijke ideologie is, maar ook dat kritiek op het onmenselijke beleid van de regering-Netanyahu geen antisemitisme is.
De les van Mamdani’s campagne is dat het niet genoeg is om alleen maar kritiek te leveren op Trump en zijn destructieve beleid. We moeten een positieve visie naar voren brengen en duidelijk maken waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Het volstaat niet om vast te houden aan een status quo die voor de meeste Amerikanen niet werkt. In een tijd waarin hoop steeds schaarser wordt, moeten mensen het gevoel krijgen dat we samen – met de moed om machtige belangen aan te pakken – een betere wereld kunnen bouwen: een wereld van economische, sociale, raciale en ecologische rechtvaardigheid.
Zal de huidige leiding van de Democratische Partij lering trekken uit Mamdani’s campagne? Waarschijnlijk niet. Te veel van hen zijn liever kapitein op een zinkende Titanic dan dat ze bereid zijn van koers te veranderen.
Maar goed, uiteindelijk maakt het niet uit wat zij denken. Het establishment zette alles op alles om Mamdani te verslaan – miljoenen aan Super PAC-geld, steun van ‘belangrijke figuren,’ vijandige media – en toch verloren ze.
De toekomst van de Democratische Partij zal niet worden bepaald door haar huidige leiders, maar door de arbeidersklasse van dit land. Steeds meer mensen beseffen dat ons politieke systeem corrupt is en dat miljardairs geen verkiezingen zouden mogen kunnen kopen. Ze begrijpen dat er geen ongekende inkomens- en vermogensongelijkheid zou mogen bestaan; dat de VS niet het enige rijke land zouden mogen zijn zonder universele gezondheidszorg; dat jongeren niet het recht op hoger onderwijs mag worden ontzegd vanwege hun inkomen; dat er geen grote crisis in betaalbare huisvesting zou mogen zijn; dat het minimumloon geen hongerloon mag zijn; en dat bedrijven er niet mee weg mogen komen om vakbondsorganisatie illegaal te dwarsbomen – en nog veel meer.
Het Amerikaanse volk begint in opstand te komen en terug te vechten. Dat zagen we bij de vele Fighting Oligarchy-bijeenkomsten die we in het hele land hebben georganiseerd en die enorme aantallen mensen op de been brachten. We zagen het bij de miljoenen die onlangs in bijna elke staat deelnamen aan de No Kings-bijeenkomsten. En we zagen het opnieuw bij de Democratische voorverkiezingen in New York City.
Bernie Sanders is een Amerikaanse senator en een vooraanstaand lid van de senaatscommissie voor Gezondheid, Onderwijs, Arbeid en Pensioenen. Hij vertegenwoordigt de staat Vermont en is de langstzittende onafhankelijke senator in de geschiedenis van het Congres. Zijn boek Our Revolution verscheen in Nederlandse vertaling bij Starfish Books.
Wat we nu zien, is de opkomst van twee Amerika’s: één voor de miljardairsklasse, en één voor alle anderen
Laten we even diep ademhalen en Donald Trump, Jimmy Kimmel, de VN, Charlie Kirk, Gaza, de shutdown van de overheid en al die andere crises waarmee we worden geconfronteerd, voor een moment vergeten.
Laten we het in plaats daarvan hebben over de realiteit waar de door bedrijven gecontroleerde media en het door bedrijven gedomineerde politieke systeem nauwelijks over spreken.
Wat we nu zien, is de opkomst van twee Amerika’s: één voor de miljardairsklasse en één voor alle anderen.
In het ene Amerika worden de allerrijksten nóg rijker en hebben zij het beter dan ooit. Dat Amerika zwemt in onvoorstelbare rijkdom, hebzucht en weelde – zó overdreven dat de Gilded Age er bescheiden bij lijkt.
En dan is er het andere Amerika – waar de meerderheid van de mensen van salarisstrook naar salarisstrook leeft en dagelijks worstelt om te voorzien in de basisbehoeften: voedsel, gezondheidszorg, huisvesting en onderwijs.
De eenvoudige waarheid is dat nog nooit in onze geschiedenis zo weinig mensen zoveel rijkdom en macht bezaten, terwijl zovelen in economische wanhoop leven.
In het eerste Amerika bezit één man – Elon Musk, de rijkste man ter wereld met een vermogen van ruim 480 miljard dollar – meer rijkdom dan de onderste 52 procent van alle Amerikaanse huishoudens samen. Nadat hij 290 miljoen dollar had uitgegeven om Trump terug in het Witte Huis te krijgen, werd Musk sinds de verkiezingsdag ruim 180 miljard dollar rijker. Dat is een behoorlijk goed rendement op zijn investering.
Maar blijkbaar is dat voor Musk nog niet genoeg. Om hem als CEO ‘gemotiveerd’ te houden, heeft de raad van bestuur van Tesla voorgesteld hem een salarispakket van één biljoen dollar toe te kennen als hij bepaalde doelen haalt. Eén biljoen dollar.
Jeff Bezos, de op drie na rijkste persoon ter wereld, beschikt over een vermogen van 233 miljard dollar. Hij kan met zijn jacht van 500 miljoen dollar naar Venetië varen voor een bruiloft die naar verluidt 50 miljoen dollar kostte, en zijn vrouw een ring geven van 3 tot 5 miljoen dollar – mede mogelijk gemaakt doordat zijn effectieve belastingtarief naar verluidt slechts 1,1 procent bedraagt.
Mark Zuckerberg, de op twee na rijkste persoon ter wereld, bezit een vermogen van 258 miljard dollar. Hij gaf 110 miljoen dollar uit aan elf huizen in Palo Alto, Californië, om zijn eigen privécomplex te creëren, en nog eens 270 miljoen dollar voor ruim 2300 hectare grond op Hawaï, inclusief een ondergrondse bunker van 5000 vierkante meter. Daarnaast bezit hij drie jachten die samen naar verluidt meer dan 530 miljoen dollar waard zijn.
Larry Ellison, de op één na rijkste persoon ter wereld met een vermogen van 377 miljard dollar, werd onlangs op één dag bijna 100 miljard dollar rijker. Hij bezit een privé-eiland in Hawaï en een vloot straalvliegtuigen, en naar verluidt probeert hij nu grote mediabedrijven zoals Warner Bros en CNN op te kopen.
Alleen al deze vier mannen zijn samen ruim 1,3 biljoen dollar waard. Maar zij zijn niet de enigen: de rijkste 1 procent bezit inmiddels meer vermogen dan de onderste 93 procent van de bevolking.
De rijkste 1 procent leeft in een wereld die totaal losstaat van die van de gewone Amerikanen. Ze reizen niet in overvolle metro’s naar hun werk en staan niet vast in het verkeer op weg naar huis. Ze vliegen met hun eigen privéjets en helikopters, wonen in villa’s verspreid over de hele wereld, sturen hun kinderen naar de duurste privéscholen en gaan op vakantie naar hun eigen eilanden. Voor hun plezier geven sommigen zelfs miljoenen uit om met hun eigen raketten de ruimte in te vliegen.
En dan is er het andere Amerika, waar de overgrote meerderheid van de bevolking leeft. Voor hen is de economie niet alleen kapot, maar zelfs aan het instorten. In dit Amerika liggen de reële weeklonen van de gemiddelde Amerikaanse werknemer vandaag lager dan 52 jaar geleden, ondanks een enorme stijging van de arbeidsproductiviteit.
In dit Amerika kunnen mensen zich geen doktersbezoek veroorloven – áls ze al het geluk hebben een arts te vinden. Ze geven ruim de helft van hun toch al karige inkomen uit aan huur of hypotheek, en de torenhoge kosten van de kinderopvang of de studie van hun kinderen zijn onbetaalbaar. Zelfs basisproducten als groenten, fruit en ander gezond voedsel liggen voor velen buiten bereik.
Iedereen heeft recht op gezondheidszorg. Toch zijn er vandaag de dag ruim 85 miljoen Amerikanen die niet of onvoldoende verzekerd zijn – en dat aantal zal door Trumps zogenoemde Big, Beautiful Bill met minstens 15 miljoen toenemen.
Iedereen heeft recht op huisvesting. Toch zijn er vandaag de dag bijna 800.000 Amerikanen dakloos, terwijl meer dan 20 miljoen huishoudens ruim de helft van hun beperkte inkomen kwijt zijn aan huur of hypotheek. Sinds 2000 is de gemiddelde huurprijs ruimschoots verdubbeld en bedraagt de gemiddelde huizenprijs inmiddels meer dan 435.000 dollar.
Iedereen heeft recht op goed onderwijs. Toch is ons kinderopvangsysteem gebrekkig en onbetaalbaar. Veel openbare scholen zijn vervallen, leraren worden onderbetaald en ondergewaardeerd, en Amerikaanse leerlingen lopen achter op hun internationale leeftijdsgenoten op het gebied van wiskunde, natuurwetenschappen en lezen. Voor miljoenen mensen is een universitaire opleiding onbetaalbaar, terwijl beroepsscholen er niet in slagen de werknemers op te leiden die de samenleving dringend nodig heeft.
Iedereen heeft recht op een zeker pensioen. Toch heeft bijna de helft van de oudere werknemers geen enkel pensioenspaargeld, zodat ze niet weten hoe ze ooit met respect en waardigheid met pensioen kunnen gaan. Ondertussen moet 22 procent van de senioren zien rond te komen van een inkomen van minder dan 15.000 dollar per jaar.
Genoeg is genoeg.
Zoals Louis Brandeis, rechter van het Hooggerechtshof, in 1933 zei: ‘We kunnen in dit land óf democratie hebben, óf enorme rijkdom die geconcentreerd is in de handen van een kleine groep. Maar we kunnen niet allebei tegelijk hebben.’
Die waarschuwing is vandaag de dag nog relevanter.
Op dit beslissende moment in de Amerikaanse geschiedenis moeten we een regering en economie opbouwen die voor iedereen werkt. Doen we dat niet, dan glijden we verder af naar een oligarchie, waarin de miljardairsklasse onze regering, economie en toekomst in handen heeft.
Aan mijn mede-Amerikanen wil ik het volgende zeggen: ik weet dat het dagelijks leven zwaar kan zijn, maar we mogen de wanhoop niet de overhand laten krijgen. Als we ons niet laten verdelen door Trump en zijn oligarchische bondgenoten, kunnen we het tij keren en samen een andere koers inslaan.
De keuze is duidelijk. Laten we samen opkomen voor democratie en rechtvaardigheid.