Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 1 augustus 2026

door Yanis Varoufakis
Yanis Varoufakis is
De erfgenamen van Agamemnon bevinden zich in Silicon Valley
Christopher Nolans The Odyssey heeft het epos van Homerus opnieuw een prominente plaats in de populaire cultuur gegeven – een prestatie die alle lof verdient. Veel mensen hebben me gevraagd de film te recenseren, maar dat heb ik geweigerd. Dat ik Griek ben, geeft me immers geen bijzonder recht om me uit te spreken over een werk dat van iedereen is: een verhaal dat door de eeuwen heen en over taalgrenzen heen heeft gereisd en een plaats heeft gevonden in de verbeelding van mensen overal ter wereld. Daarom wil ik me voorlopig beperken tot enkele thema’s uit het werk van Homerus en de film van Nolan, om daarmee opnieuw te kijken naar hedendaagse ontwikkelingen die me ’s nachts uit mijn slaap houden.
Van de steeds schaarser wordende intellectuele publicaties tot de explosief groeiende sociale media: overal lijkt de aandacht gericht op de botsing tussen techno-optimisten en technofoben. Is efficiëntie belangrijker dan rechtvaardigheid? Zal AI ons bevrijden of juist tot slaaf maken? Deze discussies blijven vaak in dezelfde kringetjes ronddraaien en bevestigen vooral bestaande overtuigingen, in plaats van nieuwe inzichten op te leveren. Om werkelijk over deze vragen na te denken, doen we er goed aan om terug te keren naar de denkers uit de oudheid. Zij wisten immers het een en ander over het blootleggen van de essentie der dingen.
Het hart van Homeros’ Ilias wordt gevormd door het verhaal van een langdurige staking. In achttien van de vierentwintig boeken heeft Achilles, de beste krijger van de Grieken, zijn wapens neergelegd. Woedend op zijn meerdere, Agamemnon, de koning van de Achaeërs, weigert hij zijn tent te verlaten en aan de strijd deel te nemen. Zijn woede is ontstaan nadat Odysseus hem had bezocht met het bevel van de koning om de buit van een eerdere confrontatie met de Trojanen in beslag te nemen. Homeros stelt Odysseus hier dus niet zozeer voor als de listige held die we later leren kennen, maar als boodschapper, als de dienaar van een autoritaire vorst. Pas wanneer de Trojanen Achilles’ beste vriend Patroclus doden, wordt zijn verlangen naar wraak sterker dan zijn woede op Agamemnon. Hij beëindigt zijn staking, verlaat zijn tent en keert terug naar het slagveld.
Op dat moment smeekt Achilles’ moeder Thetis aan Hephaestos – de god van het ambacht en misschien wel de enige werkelijk nuttige Olympische god – om voor haar zoon een nieuwe wapenrusting te smeden. Hephaestos is Thetis dankbaar omdat zij zich over hem ontfermde toen hij van de Olympus was verbannen, en gaat in zijn vulkanische smidse aan het werk. Uit de vurige duisternis smeedt hij een schitterende wapenrusting: een schild, een helm, een borstharnas en beenplaten. Vooral het schild is indrukwekkend. Het is rijk versierd met taferelen uit het aardse bestaan: oorlog en vrede, de kosmos en menselijke arbeid. Het vormt als het ware een verbeelding van de hele menselijke wereld. Dit is meer dan meesterlijk smeedwerk. Het is goddelijk vakmanschap, bezield met een kracht die geen sterfelijke smid zou kunnen voortbrengen. Het is een geschenk van een god, niet het resultaat van menselijke arbeid of intelligentie – alsof Homeros ons eraan wil herinneren dat ware geschenken van onschatbare waarde zijn.
Tien jaar later ontmoeten we Odysseus opnieuw. Achilles is inmiddels gestorven, maar heeft een belangrijke rol gespeeld bij de verwoesting van Troje. Uiteindelijk gaf Odysseus met zijn list van het houten paard de beslissende aanzet tot de ondergang van de stad – opnieuw een geschenk, maar ditmaal één dat een grote stad ten val bracht. In Nolans film zien we Odysseus tijdens zijn moeizame reis terug naar huis als een man die wordt gekweld door spijt en schuldgevoelens over de manier waarop hij de verslagen Trojanen heeft behandeld. Daar komt het begrijpelijke schuldgevoel van de overlevende bij: de ondraaglijke last dat hij al zijn kameraden één voor één heeft zien sterven, terwijl hij als enige uiteindelijk de kust van Ithaka bereikt. Maar er is één episode die Odysseus’ morele last nog zwaarder had kunnen maken en hem met nog meer – verdiend – schuldgevoel had kunnen opzadelen. Nolan laat die episode echter weg. Het gaat om een verhaal dat Ovidius later aan de overlevering toevoegde en dat de toch al door zijn verleden achtervolgde Odysseus nog meer reden gaf om zich schuldig te voelen.
Nadat Troje was verwoest, zoals Ovidius het in zijn Metamorfosen beschrijft, moesten de Griekse overwinnaars een onderling conflict beslechten tussen Odysseus, hun strateeg, en Ajax, hun geduchtste krijger. De inzet was het goddelijke harnas van Achilles: wie van beiden mocht het mee naar huis nemen? Omdat de Griekse leiders er niet in slaagden tussen hen te bemiddelen, riepen ze een tribunaal bijeen. Daar zouden Odysseus en Ajax hun strijd niet met zwaarden, maar met woorden uitvechten. En er stond veel meer op het spel dan alleen een wapenrusting.
Het betoog van Ajax was eenvoudig: hij had meer gevochten, meer bloed vergoten en meer vijanden gedood. Bovendien was hij bedrevener in het hanteren van zware wapens. Hij had zich nooit achter listen of bedrog verscholen. Anders dan Odysseus, die krankzinnigheid had voorgewend om onder de krijgsdienst uit te komen, had Ajax zonder aarzelen gehoor gegeven aan de oproep om ten strijde te trekken. Het harnas van Achilles kwam hem daarom toe, vond hij: vanwege zijn onmiskenbare moed én omdat hij over de vaardigheden beschikte om ermee te vechten.
Odysseus verraste de aanvoerders door toe te geven dat Ajax moediger was en in een rechtstreeks gevecht van man tegen man meer waard was. Vervolgens verlegde hij de discussie echter van moed en rechtvaardigheid naar doeltreffendheid. ‘Wie heeft de Grieken het beste gediend?,’ vroeg hij. Hij was het immers geweest die ruziënde aanvoerders met elkaar had verzoend, als spion Troje was binnengedrongen en de list met het Paard van Troje had bedacht. Kracht zonder slimheid, zo suggereerde hij, is niet meer dan brute kracht. Niet de spierkracht van Ajax, maar zijn eigen intelligentie had de Grieken de overwinning bezorgd.
Toen het tribunaal de wapens van Achilles aan Odysseus toekende, wierp Ajax zich uit wanhoop op zijn zwaard. Hij kon de vernedering niet verdragen. Zijn dood werd zo een van de vele bronnen van schuld en spijt die Odysseus op zijn terugreis met zich meedroeg. In Nolans vertelling verandert Odysseus gaandeweg van een zelfverzekerde en koelbloedige man van de daad in een introspectief personage, vol twijfel aan zichzelf en daardoor ook menselijker en herkenbaarder. Hij draagt het gewicht van het lot van anderen met zich mee alsof er lood in de voering van zijn mantel is genaaid.
Welke betekenis kan dit verhaal voor de moderne wereld hebben? Er zijn verschillende lessen uit te trekken. Om te beginnen laat het zien hoe wij tegenwoordig bepalen wat iets waard is. Het geschil tussen Ajax en Odysseus zou nu waarschijnlijk niet worden beslecht door een tribunaal of door een confrontatie van morele argumenten, maar op een prestigieuze veiling bij Sotheby’s of Christie’s. Dat niemand daarvan zou opkijken, zegt veel over de verregaande commercialisering van vrijwel alles. We zijn er zo aan gewend geraakt waarde in geld uit te drukken dat we nauwelijks nog in staat lijken iets op waarde te schatten zonder daarbij te kijken naar de omvang van iemands vermogen.
Een tweede inzicht is dat de botsing tussen Ajax’ beroep op rechtvaardigheid en Odysseus’ nadruk op efficiëntie nog altijd voortduurt. Zodra iemand een vermogensbelasting voorstelt om iets van de rechtvaardigheid te herstellen die in onze samenlevingen verloren is gegaan, grijpen de verdedigers van de rijken terug op de redenering van Odysseus: ‘Wie levert de schatkist uiteindelijk het meeste op als we ervoor zorgen dat ze in het land blijven? De superrijken, of de armen, die toch nergens heen kunnen?’
Een derde inzicht ontstaat wanneer we nader kijken naar wat in de verhalen van Homerus en Ovidius eigenlijk de inzet van het conflict was. Wat was de oorlogsbuit waarvan de afname Achilles zo woedend maakte? Het ging om Briseïs, een Trojaanse vrouw die door de Grieken samen met andere vrouwen was ontvoerd en vervolgens als oorlogsbuit en slavin aan Achilles was toegewezen. Toen Agamemnon een van zijn eigen slavinnen moest afstaan om de god Apollo gunstig te stemmen, nam hij Briseïs van Achilles af. Uit woede daarover weigerde Achilles nog langer te vechten en legde hij zijn wapens neer. Homerus laat ons de woede voelen van een man die meent dat hem zijn rechtmatige bezit is ontnomen – alsof Briseïs net zo goed een amfora met kostbare wijn had kunnen zijn, in plaats van een levende, ademende en doodsbange vrouw.
Zijn wij werkelijk zoveel beter? Voordat we onszelf op de borst kloppen omdat de oude Grieken zo primitief waren, doen we er goed aan onze eigen samenleving kritisch te bekijken. Naast de opkomst van een ‘manosfeer,’ waarin patriarchale opvattingen over vrouwen als een vorm van bezit met kracht nieuw leven worden ingeblazen, heeft de voortschrijdende vermarkting ons tot de absurde overtuiging gebracht dat water niet meer is dan handelswaar, studenten klanten zijn, elektriciteitsmarkten een goed idee vormen en kunstmatige koolstofmarkten een doeltreffend middel zijn om onze economie koolstofvrij te maken. En zo kunnen we nog wel even doorgaan.
En dan is er nog het andere twistpunt: de wapenrusting van Achilles. Het tribunaal was in feite een schijnvertoning. De uitkomst stond al vast, hoezeer Ovidius ook probeert de spanning erin te houden. Agamemnon en de andere Griekse leiders hadden hun beslissing allang genomen – zoals ook tegenwoordig schijnprocessen en verhitte parlementaire debatten soms de indruk wekken dat er nog iets te beslissen valt, terwijl de uitkomst elders al is bepaald. De goden schonken de wapenrusting; de machtigen bepaalden wie haar kreeg. Klinkt dat bekend? Misschien lees ik te veel in Ovidius en Homerus, maar ga voor het gemak even met me mee in deze gedachte.
Voor ons ligt een verzameling kapitaalgoederen, gesmeed door Hephaistos. Geen sterveling heeft ze door eigen inspanning voortgebracht. Ze zijn van de Olympus neergedaald als geschenken die hun bezitters krachten verlenen die in geen verhouding staan tot wat zij zelf hebben gepresteerd om ze te verwerven. In het geval van Achilles’ wapens ging het om door de goden vervaardigde vernietigingsmiddelen. Bij andere gelegenheden, zoals toen Prometheus de mensheid het vuur schonk, ging het juist om productiemiddelen. Maar in beide gevallen waren stervelingen bereid elkaar tot de dood toe te bestrijden om het bezit ervan.
Maar terug naar onze toekomst. Laten we de wapens van Hephaistos vervangen door cloudkapitaal: de algoritmen achter Amazons Alexa en, recenter, de grote taalmodellen waarop AI-chatbots draaien. Anders dan de wapenrusting van Achilles worden deze magische instrumenten niet door goddelijke arbeid gesmeed, maar door onze gezamenlijke inspanningen: door iedere aankoop die we doen, iedere zin die we schrijven, iedere afbeelding die we taggen, iedere link waarop we klikken en iedere correctie die we geven aan een chatbot die ons heeft geleerd hem steeds verder te trainen. We hebben deze wapenrusting dus gezamenlijk gesmeed. Maar wij zijn niet degenen die haar mogen dragen. Ze wordt toegewezen – buiten iedere markt, verkiezing of veiling om – door het handjevol bedrijven dat eigenaar is van de algoritmen en datacenters. Deze ‘cloudalisten,’ zoals ik ze noem, zijn de Agamemnons van onze tijd: vanuit hun verheven positie vaardigen ze hun bevelen uit, terwijl wij buiten hun tent wachten op een audiëntie die nooit zal komen.
In het ouderwetse kapitalisme ging uitbuiting tenminste nog gekleed in het gewaad van de markt. Je verkocht je arbeidskracht op een markt die formeel de indruk wekte van een vrije uitwisseling tussen gelijken. Maar die formele vrijheid verdween zodra je de fabriekspoort achter je sloot en ontdekte dat je – om Marx’ vampiermetafoor te gebruiken – werd leeggezogen ‘zolang er nog één spier, pees of druppel bloed te exploiteren viel.’
Het tribunaal van Ovidius was niet meer dan een schijnvertoning rond een besluit dat Agamemnon allang had genomen. Op vergelijkbare wijze verhult de voorstelling van Deliveroo-bezorgers als zelfstandige ‘partners’ hun onzekere positie door die voor te stellen als keuzevrijheid, of zelfs als ondernemerschap. Het technofeodalisme, ons huidige systeem, laat zelfs die schijn varen. Er bestaat geen markt voor wat het algoritme van Amazon besluit je te laten zien, en evenmin voor wat je sociale-mediafeed bepaalt dat je vandaag zou moeten voelen. Er is alleen het dictaat – Agamemnons ‘je moet je aan mijn wil onderwerpen’ – dat nu niet meer door een koning wordt opgelegd, maar door een aanbevelingsalgoritme. En absurd genoeg wordt dat alles verpakt in de taal van ‘personalisatie.’ We hebben de tent van Homerus nooit verlaten; we hebben Agamemnon alleen een datacentrum en een paar AI-agenten gegeven en dat vervolgens vooruitgang genoemd.
En hier duikt een van de oudste trucs rond het begrip vrijheid weer op. Vrijheid, zo betoog ik al lange tijd, kan niet simpelweg worden opgevat als een afgebakend domein waarbinnen iedere vorm van overheersing is uitgesloten. Want daarmee ga je voorbij aan de vraag wie de grenzen van dat domein heeft bepaald en in hoeverre het trekken van die grenzen zelf al een vorm van onderwerping was. Silicon Valley heeft deze constructie geperfectioneerd. Je bent ‘vrij’ om de app af te sluiten, vrij om cookies te weigeren, vrij om het platform te verlaten waarop inmiddels je vrienden, je klanten en vrijwel je hele sociale bestaan te vinden zijn. Vrij, kortom, zoals een reiziger in de woestijn vrij is om geen water te kopen van de enige verkoper die er is. Dat is geen vrijheid, maar lijfeigenschap vermomd als keuzevrijheid. Marktuitwisseling heeft plaatsgemaakt voor digitale leengoederen, en de heren die daarover heersen, onderhandelen niet.
Dat brengt ons bij het huishouden dat Odysseus probeert terug te winnen. Nolan wil dat we uit zijn Odyssey vooral de angst en waardigheid van de nostos meenemen: de lange, vernederende strijd waarin Odysseus met list en volharding probeert terug te krijgen wat van hem is, nadat anderen zich er tijdens zijn afwezigheid meester van hebben gemaakt. Terwijl Odysseus weg is, dingen de vrijers niet alleen naar de hand van Penelope. Ze plunderen ook zijn landgoed, slachten zijn vee, drinken zijn wijn op en behandelen de rijkdom die een ander heeft opgebouwd alsof die van niemand is, enkel omdat de eigenaar niet aanwezig is om zich daartegen te verzetten. Precies dat is er gebeurd met wat van ons is, met onze gemeenschappelijke rijkdom: onze teksten, onze aandacht en alles wat we gezamenlijk aan creativiteit en kennis voortbrengen. Wij hebben het huishouden opgebouwd. Even waren we afgeleid, en toen we terugkwamen, zagen we hoe anderen het aan het verslinden waren. De vrijers zijn geen dieven die ’s nachts binnensluipen. Het zijn de platforms die we zelf hebben binnengelaten – en die zich vervolgens ons huis hebben toegeëigend.
Odysseus reikt ons twee wapens aan voor deze strijd, die ik beide al lange tijd bewonder. Het eerste is sluwheid in plaats van brute kracht. Hij weet aan de cycloop te ontsnappen door zichzelf ‘Niemand’ te noemen en zo zijn ware identiteit strategisch verborgen te houden. Onze huidige economie verlangt precies het tegenovergestelde van ons: dat we onze identiteit prijsgeven in steeds kleinere, nauwkeurig vastgelegde en exploiteerbare stukjes informatie, aan systemen die eraan verdienen ons beter te kennen dan wij onszelf kennen. Het tweede wapen is dat we bewust kiezen voor beperkingen van buitenaf, in plaats van uitsluitend op onze eigen wilskracht te vertrouwen. Odysseus weerstaat de Sirenen niet dankzij zijn eigen vastberadenheid, maar door zich aan de mast van zijn schip te laten vastbinden. Hij legt zichzelf daarmee bewust een beperking op, omdat hij weet dat de rede alleen niet bestand is tegen een verleiding die sterk genoeg is. De eindeloze stroom berichten waarop we blijven doorscrollen, is het gezang van onze Sirenen. Die strijd wint niemand uitsluitend op wilskracht. Als we al een kans willen maken, moeten we ons vastbinden aan iets stevigs buiten onszelf: aan regelgeving en collectieve actie, aan een mast die door de publieke macht wordt opgericht in plaats van aan gebruiksvoorwaarden die particuliere bedrijven ons opleggen. Tegenover het algoritme staat het individu machteloos; alleen door ons te verenigen maken we een kans.
Dat brengt me bij de les die besloten ligt in een oud, bijna vergeten inzicht: in iedere samenleving die op uitbuiting berust, heeft elk systeem dat bepaalt wie wat krijgt een verhaal nodig dat dwang als rechtvaardig en redelijk voorstelt. Homerus en Ovidius boden de antieke wereld zo’n verhaal, de markt deed dat voor het kapitalisme, en nu is het algoritme bezig het verhaal van het technofeodalisme te schrijven. De opgave waarvoor we staan, is niet om de wapenrusting van Achilles te bemachtigen door Odysseus in het debat te verslaan. Evenmin gaat het erom het recht veilig te stellen dat Achilles voor zichzelf opeiste: het recht om anderen tot slaaf te maken. Het gaat erom eindelijk te beseffen dat de wedstrijd vanaf het moment waarop Agamemnon de scheidsrechters aanwees al doorgestoken kaart was – en vervolgens toch koers naar huis te zetten. Want het huishouden is nog altijd van ons. Tenminste, als we slim genoeg zijn om het terug te eisen en moedig genoeg om ons aan de mast te laten vastbinden, zodat we weerstand kunnen bieden aan de verleidelijke gezangen die ons naar onze ondergang proberen te lokken.
Vertaling: Menno Grootveld
