Oorspronkelijke tekst (Engels): LA Review of Books, 12 augustus 2026

door Elizabeth Harper
Elizabeth Harper schrijft op haar blog All the Saints You Should Know over katholieke relikwieën en andere religieuze curiositeiten. Haar artikelen en foto’s verschenen eerder in Slate, VICE Italia, Atlas Obscura en Swide Magazine, maar ook in tal van Britse roddelbladen die haar werk zonder toestemming overnamen. Ze woont in Los Angeles.
De Amerikaanse vicepresident schreef zijn nieuwe boek zonder zijn bron te vermelden: Peter Thiel
Er klopt iets niet aan de nieuwe memoires van J.D. Vance, Communion: Finding My Way Back to Faith. Om te beginnen lijkt er enige verwarring te bestaan over het geloof waarnaar Vance precies zou zijn teruggekeerd. Het boek gaat vermoedelijk over zijn bekering tot het katholicisme, maar zoals velen al hebben opgemerkt, prijkt op de stofomslag een methodistenkerk. Ook de formulering ‘mijn weg terug naar het geloof vinden’ is opmerkelijk. Een bekering wordt immers doorgaans voorgesteld als het vinden van een nieuwe weg vooruit, niet als een terugkeer naar iets wat er al was.
Aanvankelijk schreef ik deze merkwaardige keuzes toe aan slordigheid – het soort fouten dat je kunt verwachten in een boek dat eerder bedoeld lijkt om over geschreven dan daadwerkelijk gelezen te worden. Maar al op de eerste pagina werd duidelijk dat het probleem dieper zat en bij Vance zelf vandaan kwam. ‘Tegenwoordig wonen we ongeveer de helft van de tijd thuis de mis bij,’ schrijft hij. Iedereen die enigszins vertrouwd is met het katholicisme zal daarbij de wenkbrauwen fronsen: de mis is immers niet iets wat je thuis bijwoont. Het interesseert me niet bijzonder of Vance wel of niet aan zijn zondagsplicht voldoet. Het punt is dat zijn boek Communion heet – een verwijzing naar een sacrament dat tijdens de mis wordt gevierd en juist in gemeenschap met anderen wordt beleefd. Ook elders in de inleiding staan zulke vreemde formuleringen. Op de eerste pagina gebruikt Vance het woord ‘katholiek’ één keer, om te beschrijven wat zijn vrouw niet is. Daarna spreekt hij alleen nog over ‘christenen.’ Pas later duikt het woord ‘katholiek’ weer op, wanneer hij schrijft dat protestanten ‘de katholieke gewoonte om tot heiligen te bidden’ of ‘overledenen te raadplegen’ ‘echt niet waarderen.’ Dat is geen oecumenische manier om over religieuze verschillen te spreken; het is eenvoudigweg niet serieus. Om hem het voordeel van de twijfel te gunnen: Vance zegt zelf dat zijn boek geen sektarisch geschrift is en evenmin een poging om het christelijk geloof te verdedigen. Dat is duidelijk. Maar wat voor boek is het dan wél?
Als we Vance mogen geloven, beschrijft Communion een eenvoudige persoonlijke geloofsreis. Hij groeit op binnen verschillende protestantse kerkgenootschappen, flirt korte tijd met het atheïsme en bekeert zich uiteindelijk tot het katholicisme. Echt ver van het christendom raakt hij nooit verwijderd. Er is ook geen plotseling moment van openbaring dat hem naar het geloof terugbrengt; het gaat eerder om een geleidelijk inzicht. Mijn eigen inzicht kwam toen ik Vances beschrijving las van zijn tijd aan Yale Law School. Daar wedijverden hij en zijn medestudenten om een felbegeerde stage bij het Amerikaanse Hooggerechtshof, allemaal in de hoop uiteindelijk te behoren tot wat hij ‘de uitverkorenen’ noemt. Vance zelf wist niet tot die exclusieve kring door te dringen. Maar dat was niet erg, schrijft hij: Peter Thiel was het immers ook niet gelukt. Wat een merkwaardige opmerking!
Achteraf bleek het mislopen van die stageplek juist een geluk bij een ongeluk. Vance kwam later tot het inzicht dat ‘de uitverkorenen’ in feite gehersenspoelde volgelingen waren van een soort ‘quasi-religie,’ waarin status en macht als goden werden vereerd. Zelf ontsnapte hij maar ternauwernood aan dat lot, mede dankzij het werk van de Franse filosoof René Girard en diens theorie van het ‘mimetisch verlangen.’ Vance besefte dat hij die felbegeerde stage eigenlijk helemaal niet wilde. Sterker nog, hij wist niet eens goed waarom hij advocaat wilde worden of waarom hij zo graag naar Yale had gewild. Hij verlangde simpelweg naar dezelfde dingen als de mensen om hem heen. Dat is wat Girard ‘mimetisch verlangen’ noemt: mensen ontlenen hun verlangens voor een belangrijk deel aan anderen. Om met een bepaald doel door het leven te gaan, leren we via onze sociale omgeving wat waardevol en nastrevenswaardig zou zijn. Maar daardoor ontstaan ook groepen mensen die allemaal naar hetzelfde streven, zonder dat iemand nog precies kan uitleggen waarom dat doel eigenlijk zo waardevol is.
Ik bleef hier even bij stilstaan. Dit idee kan op allerlei manieren worden uitgelegd. Van iemand als Vance – die zegt zich te herkennen in de tekst van Simple Man van Lynyrd Skynyrd en die als volwassene het woord ‘cathartic’ nog in het woordenboek opzoekt – zou je eerder verwachten dat hij gewoon een term als ‘groepsdruk’ gebruikt. Maar dat doet hij niet. Het blijkt namelijk dat Vance niet alleen Girard aanhaalt: hij citeert Peter Thiel, die op zijn beurt Girard citeert. Daar zijn meteen enkele aanwijzingen voor. Zo ontbreekt de helft van Girards begrip van mimetisch verlangen. Girard stelde dat mimesis niet alleen destructief is, maar ook ‘de basis vormt van heldendom, toewijding aan anderen en alles.’ Thiel was een leerling van Girard en heeft het werk van zijn leermeester verwerkt in zijn eigen filosofische geschriften. Maar wanneer hij dat doet, laat hij juist die positieve helft van het begrip weg.
Vance brengt zijn kennismaking met Girard later expliciet in verband met Thiel, maar vertelt niet hoe nauw hun relatie werkelijk is. Verder wordt de techmiljardair nergens genoemd: noch Vances baan bij Thiels investeringsmaatschappij, nochThiels financiële steun aan Vances eigen onderneming, noch diens recorddonatie van vijftien miljoen dollar aan Vances campagne voor de Senaat, en evenmin Thiels rol bij de verzoening tussen Vance en voormalig president Donald Trump, die er uiteindelijk toe bijdroeg dat Vance in 2024 Trumps running mate werd. Als we Vances eigen relaas mogen geloven, was Thiel niet veel meer dan een soort christelijke inspiratiespreker die toevallig een lezing gaf die Vance aan Yale bijwoonde. In andere interviews heeft Vance die lezing zelfs de invloedrijkste gebeurtenis uit zijn tijd aan Yale genoemd. Dat kan best waar zijn. Toch is het niet die lezing die bepalend is voor Communion. Het cruciale denkkader voor Vances verder nogal raadselachtige boek is veeleer te vinden in een andere lezing van Thiel: ‘The Straussian Moment.’
Thiel hield die lezing oorspronkelijk tijdens Politics and the Apocalypse, een conferentie die hij in 2004 zelf financierde, en werkte de lezing later uit tot een essay. Op het eerste gezicht is het een reactie op de terroristische aanslagen van 11 september. Maar eigenlijk is het een reeks filosofische capriolen waarin Thiel het werk van René Girard, Leo Strauss en Carl Schmitt met elkaar verweeft tot een pleidooi voor de omvorming van de Verenigde Staten tot een autoritaire christelijke natiestaat. Thiel begint met de vraag hoe de Verenigde Staten, ondanks al hun macht en middelen, door de Taliban op de knieën konden worden gedwongen doordat ze er niet in slaagden ‘een handvol krankzinnige, vastberaden en suïcidale individuen af te schrikken.’ Zijn conclusie luidt dat dit komt doordat ‘de nieuwe economische wetenschap en de praktijk van het kapitalisme het vacuüm hebben opgevuld dat ontstond toen de oudere traditie werd losgelaten.’ Met die ‘oudere traditie’ bedoelt hij in feite een onverholen christelijk nationalisme, vermengd met een koortsachtige, geïdealiseerde voorstelling van de middeleeuwen.
Onomwonden gesteld: volgens Thiel hebben de Verenigde Staten de religie de rug toegekeerd en is de Verlichting mislukt. De wereld is veranderd in een gemondialiseerde en goddeloze samenleving waarin alle keuzes als even geldig worden beschouwd en waarin een passieve houding van ‘leven en laten leven’ de norm is geworden. Dat heeft volgens hem geleid tot een inhoudsloze vorm van vrede, die door liberalen fanatiek wordt verdedigd onder het mom van multiculturalisme. In werkelijkheid, zo stelt Thiel, zijn zij verblind door goedkope consumptiegoederen en worden zij door afgunst gedreven om het systeem in stand te houden dat hun die welvaart verschaft. In deze ‘anti-samenleving,’ zo stelt Thiel, worden intellectuelen afgestraft zodra ze ook maar suggereren dat culturen vroeger duidelijk van elkaar verschilden en volgens hem bovendien in een hiërarchische verhouding tot elkaar stonden. Als het christelijke Westen de moslims in het Midden-Oosten wil verslaan, moet het volgens Thiel opnieuw beseffen wie het is. Het moet overtuigd raken van de superioriteit van zijn eigen cultuur en religie, daaruit nieuwe kracht putten en bereid zijn ervoor te strijden.
De titel van Thiels lezing wordt in Communion nergens genoemd, maar een hoogleraar zou de tekst zonder veel moeite kunnen aanmerken als niet-vermeld bronmateriaal. Al vroeg in het boek schetst Vance namelijk precies hetzelfde maatschappelijke probleem als Thiel en stelt hij vrijwel dezelfde vraag over terrorisme. Hij legt die vraag in de mond van een niet bij naam genoemde Irakees die hij tijdens zijn uitzending als Amerikaanse marinier zou hebben ontmoet: ‘Jullie zijn het machtigste land ter wereld, maar jullie kunnen niet voorkomen dat een gek een markt opblaast? Wat is er mis met jullie?’ Vervolgens komt Vance stap voor stap tot dezelfde conclusie als Thiel: het Westen ‘vergat waar het voor stond. In het ontstane vacuüm zagen we een nieuw credo ontstaan: een seculier, mondiaal liberalisme dat wel de taal van rechten behield, maar de religieuze grondslag die daaraan betekenis gaf, van zich afschudde.’
Er zijn opvallend veel andere voorbeelden waarin Communion en ‘The Straussian Moment’ vrijwel dezelfde bewoordingen gebruiken. Zo verbindt Thiel in een passage de filosofieën van Locke en Hobbes met het gedachtegoed van Aristoteles en Thomas van Aquino. Vance vat diezelfde gedachte in zijn boek samen, al wekt hij de indruk dat hij die tijdens het spreekuur van een of andere wijze professor heeft opgedaan. Ook verwijzen beiden naar Latijnse motto’s die met de kruistochten worden geassocieerd. Thiel gebruikt ‘Dieu le veult!’ (‘God wil het!’) en Vance ‘In hoc signo vinces’ (‘In dit teken zult gij overwinnen.’) Daarnaast wijzen ze op de vergelijkbare rol die de mythe van Romulus en Remus en het Bijbelboek Genesis hebben gespeeld in verhalen over het ontstaan van beschavingen. Beiden waarschuwen bovendien voor een toekomst waarin videogames de werkelijkheid vervangen en bespreken de overeenkomsten tussen het denken van René Girard en dat van Charles Darwin. Wat Girard betreft, introduceert Vance zelfs geen enkel idee dat niet al in ‘The Straussian Moment’ voorkomt. Het enige citaat dat hij uit Girards omvangrijke oeuvre aanhaalt, luidt: ‘dingen die verborgen zijn sinds de grondlegging van de wereld’. Precies die acht woorden komen ook voor in Thiels tekst.
Toch vroeg ik me af of ik niet te veel aandacht besteedde aan een middelmatig boek van iemand die eigenlijk zijn handen vol zou moeten hebben aan zijn functie als vicepresident. Communion leest vaak als een verzameling losse vignetten, die zonder duidelijke overgang van het ene onderwerp naar het andere springen. Maar wie het boek van Vance naast ‘The Straussian Moment’ legt, begint te begrijpen dat dit waarschijnlijk opzet is. Nadat Thiel in zijn essay heeft betoogd dat het zowel gevaarlijk als noodzakelijk is om vragen te stellen over de superioriteit van verschillende culturen, grijpt hij terug op een idee van de filosoof Leo Strauss, aan wie de titel van zijn essay is ontleend. Volgens Strauss moeten zulke gevoelige onderwerpen op een ‘esoterische manier’ worden besproken. Thiel is vooral geïnteresseerd in Strauss’ opvatting dat een tekst tegelijkertijd twee doelen kan dienen: aan de oppervlakte is hij bestemd voor een breed publiek, terwijl hij ondertussen een verborgen boodschap overbrengt aan een kleine, selecte groep – in de woorden die Thiel citeert: ‘alleen betrouwbare en intelligente lezers.’ Strauss beschrijft verschillende manieren waarop een auteur zo’n verborgen boodschap in een tekst kan verwerken. Zo kan hij ‘drie of vier zinnen opnemen in die beknopte en levendige stijl die de aandacht trekt van jonge mannen die graag nadenken.’ Dat doet denken aan de verhulde signalen – de ‘dog whistles’ – die de overeenkomsten tussen het werk van Vance en dat van Thiel lijken te bevatten. Een auteur kan volgens Strauss ook een ‘berucht personage’ als spreekbuis gebruiken, bijvoorbeeld een ‘bedelaar’ of een ‘clown.’ Vance maakt veelvuldig gebruik van deze tweede methode door zijn ideeën te verpakken in de grove taal van zijn grootmoeder uit de Appalachen of van Trump. Maar de grootste clown is uiteindelijk het personage dat hij J.D. Vance noemt. Op een wat onbeholpen en bescheiden toon probeert hij Thiels christelijk-nationalistische gedachtegoed te verweven met het verhaal over zijn bekering tot het katholicisme.
In de rol die hij zichzelf aanmeet, stelt Vance dat Communion ‘het verhaal van één man’ is. ‘Niet meer en niet minder.’ Dat is de klassieke uitweg van de memoireschrijver: hij zegt alleen zichzelf te beschrijven en laat het aan de lezer over om de rest van het verhaal in te vullen – zij het binnen de grenzen die hij daarvoor zelf heeft afgebakend. Die aanpak leverde Vance in Hillbilly Elegy: A Memoir of a Family and Culture in Crisis (2016) bijval op uit zowel Democratische als Republikeinse kring. Daar schreef hij het verval van de Verenigde Staten toe aan arme witte Amerikanen, wier vermeende tekortkomingen opvallend veel overeenkomsten vertoonden met bestaande stereotypen over zwarte Amerikanen. In Communion richt hij zijn pijlen op precies de andere kant van het maatschappelijke spectrum. Nu wijt hij de uitholling van de westerse beschaving aan een bevoorrechte, liberale klasse, wier ‘ijverige handhaving van sociale regels niet onderdoet voor welke religieuze tirannie dan ook’ die hij ooit heeft meegemaakt. Door het hele boek heen probeert Vance duidelijk te maken dat het zelfs gevaarlijk was om tussen zulke mensen te leven. Mocht dat overdreven klinken, dan grijpt hij opnieuw terug op Thiels interpretatie van Girard in ‘The Straussian Moment.’ Ditmaal gaat het om wat Girard het ‘zondebokmechanisme’ noemt, een idee dat voortbouwt op zijn theorie van de mimetische begeerte. In de lezing van Girard die Vance – en uiteraard ook Thiel – hanteert, verschillen samenlevingen die vrijdenkers zoals zijzelf onderdrukken nauwelijks van een primitieve menigte waarvan iedereen naar dezelfde dingen verlangt. Om de onderlinge vrede te bewaren, zoekt zo’n gemeenschap een buitenstaander op wie zij haar maatschappelijke problemen kan afwentelen: een zondebok. Uiteindelijk wordt die zondebok gedood, in de hoop daarmee ook de problemen uit te bannen die in de samenleving zelf besloten liggen. Vervolgens wordt de onderlinge band binnen de gemeenschap versterkt door de moord die zogenaamd in het algemeen belang is gepleegd. In oude heidense samenlevingen kon iedereen die als een ‘kwade kracht’ werd beschouwd die rol vervullen, bijvoorbeeld een vermeende heks. Tegenwoordig, zo luidt de redenering, weet de menigte diep vanbinnen dat haar zondebok onschuldig is. Voor Girard is Jezus Christus de ultieme zondebok. Voor Vance is dat J.D. Vance. Door het christendom te omarmen, aanvaardt Vance als het ware het sociale doodvonnis dat de menigte over hem uitspreekt: voortaan wordt hij buitengesloten van de cocktailparty’s in Georgetown. Dat is zijn metafoor (op pagina 97), niet de mijne.
Ook op Yale bevindt Vance zich in een vergelijkbare benarde positie. Afgewezen door zijn medestudenten zwerft hij alleen door de straten van New Haven en bewondert hij de ‘collegezalen die op kathedralen lijken.’ Ze doen hem denken aan andere christelijke alumni, in het bijzonder aan Nathan Hale, die tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog als spion achter de vijandelijke linies opereerde. Hale werd door de Britten ontmaskerd en opgehangen. Ook Vance presenteert zichzelf als iemand die zich vrijwillig achter de vijandelijke linies heeft begeven: hij kent de gevaren, maar is bereid alles op het spel te zetten. Daarmee vergelijkt hij zichzelf impliciet met Hale, die ‘aan de Britse galg stierf in hetzelfde jaar waarin de Founding Fathers een nieuwe natie stichtten.’ Naarmate het boek vordert, worden de verwijzingen naar de dreiging van de vijand steeds minder metaforisch. Tegen het einde schrijft Vance: ‘Een bepaald geloof kan echte pijn of lijden veroorzaken. Ja, het kan je zelfs de dood in jagen.’ Daarmee sluit hij opnieuw aan bij Thiels verwijzing naar Strauss, die waarschuwde dat verboden gedachten voor een auteur zelfs tot ‘de doodstraf’ konden leiden.
Voor Vance en Thiel draait de strijd die zij voeren niet alleen om het voortbestaan van de heterodoxe denker, maar ook om het behoud van de idealen waarop volgens hen de westerse christelijke beschaving is gebouwd. Vanuit dat perspectief vormen zowel de Taliban als Amerikaanse progressieven een existentiële bedreiging. Maar hoe moet deze beslissende strijd worden gevoerd? Voor een antwoord wendt Thiel zich tot de nazistische filosoof Carl Schmitt. Volgens Thiel moeten in oorlogen die om fundamentele waarheden zoals religie draaien, de gebruikelijke regels van het conflict worden losgelaten. In plaats daarvan is een strijd nodig waarbij de winnaar alles krijgt, vergelijkbaar met een kruistocht ‘in de middeleeuws-katholieke traditie.’ Vrede door onderlinge verschillen simpelweg te accepteren, is binnen deze denkwijze onmogelijk: mensen staan óf aan de kant van Christus, óf ertegenover. Joden, moslims en atheïsten worden daarbij allemaal tot de ‘ongelovigen’ gerekend. Om de strijd te kunnen winnen, moet zo snel mogelijk duidelijk worden wie tot welk kamp behoort, en moet men niet terugschrikken voor het benoemen van de kenmerken die beide kampen van elkaar onderscheiden. Thiel kan zich in grote lijnen in deze gedachtegang vinden, maar beseft dat een letterlijke kruistocht in de moderne wereld niet langer haalbaar is. Daarom verplaatst de strijd zich naar een ander terrein: ‘de politiek is het strijdtoneel waarop deze scheiding plaatsvindt.’
Dit is de oorlog die Vance meent te voeren. In de eerste helft van Communion neemt die nog de vertrouwde vorm aan van een cultuuroorlog, die zich vooral richt tegen mensen die hij persoonlijk heeft ontmoet en die hem vanwege zijn conservatieve opvattingen zouden hebben afgewezen. Na zijn bekering krijgt datzelfde conflict in de tweede helft van het boek echter wereldwijde proporties. Vance besluit zich kandidaat te stellen voor de Senaat als onderdeel van ‘een eigenzinnig intellectueel project.’ Binnen één pagina verandert hij vervolgens in een ‘christelijke staatsman’ – opnieuw een term die hij aan Thiels essay ontleent. Thiel schrijft overigens steevast ‘staatsman of staatsvrouw,’ terwijl Vance pagina na pagina betoogt dat zelfs de meest ambitieuze vrouwen er beter aan zouden doen thuis bij de kinderen te blijven. Ook in de opbouw van zijn betoog volgt Vance het voorbeeld van Thiel. In ‘The Straussian Moment’ past Thiel een typisch Straussiaanse truc toe – let goed op, jonge mannen! – door de kern van zijn betoog te verbergen in een passage met onvertaald Duits en Latijn. Vance gebruikt een vergelijkbare techniek: hij verstopt zijn eigenlijke boodschap in de abrupte en onthullende overgang van het persoonlijke naar het politieke.
Het hoofdstuk in kwestie heet ‘Another Munich.’ We treffen Vance daarin aan op de Veiligheidsconferentie van München, tijdens zijn eerste jaar als senator. Opnieuw voelt hij zich buitengesloten, ditmaal door gevestigde politici van beide partijen. En opnieuw dwaalt hij alleen door de straten, terwijl hij zich afvraagt waar het Westen de verkeerde afslag heeft genomen. Zijn antwoord kennen we inmiddels en komt overeen met dat van Thiel: de moderne vrede is geen echte vrede, maar vooral een voorwaarde voor vrije handel. Werkelijke vrede komt volgens hem voort uit een ‘oudere traditie’: de vijand wordt verslagen, waarna alleen de superieure samenleving overblijft. Onze huidige samenleving bouwt winkelcentra; de oudere samenleving bouwde de middeleeuwse kerken die Vance tijdens zijn reizen zo bewondert. Vance haalt daarbij Mattheüs 7:17 aan: ‘Elke goede boom brengt goede vruchten voort, maar een slechte boom brengt slechte vruchten voort.’ Hij buit deze Bijbelpassage uitvoerig uit: tweemaal citeert hij haar volledig, zeker een half dozijn keer verwijst hij er rechtstreeks naar en daarnaast maakt hij nogal nadrukkelijke woordspelingen met Froot Loops, Fruity Pebbles en aardbeien in Japan. In al die gevallen kun je ‘goede vruchten’ vrijwel zonder betekenisverlies vervangen door ‘raciaal homogeen christelijk nationalisme.’ Hoewel deze gedachtegang verstrekkende en radicale implicaties heeft, wordt ze in dit hoofdstuk zo onschuldig mogelijk voorgesteld. Vance verpakt haar in beschouwingen over achterhaalde internationale politiek waarvan zelfs hij toegeeft dat die inmiddels nauwelijks nog relevant is.
Hier laat hij de centrale gedachte van zijn boek schuilgaan achter een weinig bekende historische gebeurtenis, die je makkelijk over het hoofd ziet, tenzij je Wikipedia erbij pakt. Het verhaal draait om een vader en zoon, Ewald en Ewald-Heinrich von Kleist-Schmenzin. Beiden waren diepgelovige christenen. De vader was bovendien een christelijk-nationalistische politicus. Tijdens de Tweede Wereldoorlog toonden beiden grote moed. Net als Vance zelf, en Nathan Hale vóór hem, waren ze bereid hun leven te riskeren door de vijand te bespioneren. Ook raakten ze betrokken bij een samenzwering om Hitler te vermoorden. De vader werd door de nazi’s gearresteerd en geëxecuteerd. Het plan van de zoon werd nooit uitgevoerd. Wat Vance onvermeld laat, is dat de zoon bereid was een zelfmoordaanslag op Hitler te plegen. Vrijwel iedereen zal die bereidheid tot zelfopoffering bewonderenswaardig vinden. Vance rekent op die bijna vanzelfsprekende reactie om zijn lezers anders te laten kijken naar de zelfmoordterroristen uit het Midden-Oosten waarover Thiel spreekt. Door een daad die doorgaans als terrorisme wordt veroordeeld in een andere historische context te plaatsen, probeert hij hun gebruikelijke oordeel op zijn kop te zetten.
Zowel Vance als Thiel hebben zich afgevraagd hoe een kleine groep mensen met beperkte middelen een machtig land als de Verenigde Staten zoveel angst kan aanjagen. Hun antwoord luidt dat mensen die bereid zijn tot de dood te vechten, werkelijk geloven in de waarden waarop hun cultuur is gebouwd. De vader en zoon Von Kleist-Schmenzin vochten om een waarde te verdedigen die destijds breed werd gedeeld. Vance beroept zich op de morele eensgezindheid over de strijd tegen het nazisme om duidelijk te maken welke waarde volgens hem op het spel stond. In zijn eigen woorden (cursivering van mij): ‘Het was niet het liberalisme, niet de vrijheid, zelfs niet de democratie. Het was de westerse christelijke beschaving.’ Vance pleit daarmee niet alleen voor de verdediging van die beschaving. Hij stelt ook dat die verdediging zó belangrijk is dat de idealen van de Verlichting, die we doorgaans als onlosmakelijk verbonden met de Verenigde Staten beschouwen, er desnoods voor moeten wijken. Wie de Duitse passage uit Thiels essay The Straussian Moment door Google Translate haalt, ziet dat Thiel er net zo over denkt. Volgens hem draagt onze neoliberale samenleving de kiemen van haar eigen ondergang in zich. We leven, zo schrijft hij, in een tijd waarin ‘het geld zijn laatste overwinningen viert, terwijl zijn opvolger, het caesarisme, stilzwijgend en onverbiddelijk naderbij komt.’ De boodschap van beiden is uiteindelijk dezelfde: als het voortbestaan van het Westen op het spel staat, moeten we bereid zijn de liberale en democratische beginselen opzij te zetten. Zelfs als dat betekent dat we opnieuw een vorm van autoritair leiderschap, met enkele alleenheersers aan de macht, moeten accepteren.
Door het hoofdstuk de titel ‘Another Munich’ (‘Nog een München’) te geven, suggereert Vance dat er meer dan één historische gebeurtenis is waarop die naam van toepassing is. Misschien verwijst hij naar zijn optreden op de Veiligheidsconferentie van München, waar hij de internationale verhoudingen op scherp zette door immigranten wereldwijd als criminelen af te schilderen en toenadering te zoeken tot de AfD (Alternative für Deutschland), de Duitse nationalistische partij die bekendstaat om haar xenofobe standpunten. Maar misschien moet het verhaal over de Tweede Wereldoorlog vooral herinneren aan het Verdrag van München van 1938, waarbij Groot-Brittannië en Frankrijk ermee instemden dat nazi-Duitsland een deel van Tsjechoslowakije zou annexeren. In het volgende hoofdstuk maakt Vance een sprong naar zijn bezoek aan Rome in 2025. Hoewel de overgang van München naar Rome nogal onsamenhangend lijkt, weerspiegelen deze twee hoofdstukken een centraal thema uit Thiels essay The Straussian Moment: de kloof tussen ‘Athene en Jeruzalem.’ Deze steden staan symbool voor twee verschillende tradities, die van de politieke rede en die van het religieuze geloof. Volgens deze gedachtegang kan een samenleving geen samenhangend geheel vormen zolang de politieke en religieuze macht van elkaar gescheiden blijven. Voor Vance en Thiel lijkt de conclusie dan ook duidelijk: als uit de puinhopen van het Westen ooit weer een sterke samenleving moet verrijzen, kan dat volgens hen alleen op basis van het christelijk nationalisme.
Vanuit dit perspectief wordt duidelijker waarom Vance, die zich zes jaar eerder tot het katholicisme had bekeerd, met paus Franciscus in conflict raakte over immigratie. Onder diens opvolger, paus Leo XIV, heeft hij die confrontatie verder op de spits gedreven. Vance beschouwt de oproepen van het Vaticaan om een einde te maken aan het geweld in het gunstigste geval als naïeve gemeenplaatsen en in het ergste geval als steun aan de vijand die voor de poorten staat. Waar hij ook kijkt, ziet hij bedreigingen van buitenaf. Zoals hij zelf zegt: ‘Als je kijkt naar de overwegend christelijke samenlevingen in de ontwikkelde wereld, is er niet één die niet door de immigratiekwestie in vuur en vlam is gezet.’ Als de paus niet bereid is het voortouw te nemen, zal Vance zelf doen wat volgens hem noodzakelijk is, zelfs wanneer de verdediging van het christendom middelen vereist die moeilijk met christelijke waarden te verenigen zijn. Die redenering is bij uitstek Straussiaans. Thiel verwijst opnieuw naar de woorden van Leo Strauss: wat een fatsoenlijke samenleving in oorlogstijd doet, ‘zal tot op zekere hoogte afhangen van wat de vijand – mogelijk een volstrekt gewetenloze en wrede vijand – haar dwingt te doen.’ Ook Vance stelt dat er soms moeilijke ‘afwegingen’ moeten worden gemaakt. Staatsgeweld valt volgens hem niet volledig te vermijden, omdat ‘iemand zich nu eenmaal soms tegen zijn arrestatie zal verzetten.’ Vance trekt deze redenering niet expliciet door tot het rechtvaardigen van het doden van gevangenen of demonstranten. Maar hij zet wel een gedachtegang uiteen die zijn lezers in die richting kan voeren. Wie hem daarin volgt, zou uiteindelijk kunnen gaan geloven dat niet de paus, maar Vance zelf de ware verdediger van het christendom is.
Uiteindelijk wijst Vance alle groepen aan die volgens hem tot zijn eigen ‘As van het Kwaad’ behoren: immigranten, academici, mondialisten, de media en diverse economische elites. Daaronder vallen ook kapitalistische machthebbers wier liberale opvattingen miljardairs in staat stellen hun eigen positie en belangen aan het zicht te onttrekken. Tegelijkertijd schetst Vance hoe zijn politieke kamp de overwinning kan behalen. Daarbij omarmt hij wat zijn bondgenoot Thiel ‘vreemde nieuwe gedachten’ noemt. En vreemd zijn die ideeën inderdaad. Vance is bereid afscheid te nemen van beginselen die lange tijd als vanzelfsprekend golden. Zo verwerpt hij het uitgangspunt dat alle mensen gelijk geschapen zijn. Volgens hem zouden culturen buiten de westerse christelijke beschaving ‘moeten uitsterven, zoals een dier dat niet is toegerust om in een nieuwe omgeving te overleven.’ Ook neemt hij de democratie op de hak en lijkt hij te hinten op het caesarisme dat Thiel ziet opkomen: een samenleving waarin de macht bij een sterke alleenheerser ligt. Vance sluit zijn laatste hoofdstuk veelzeggend af met de woorden: ‘Caesar was dood. Christus leefde nog.’ Daarmee lijkt hij de ene heerser door een andere te vervangen. Daarnaast verdedigt Vance de mogelijkheid om individuele vrijheden op te schorten. De verhalen over spionnen zijn dan ook geen toeval. Thiel haalt in dit verband Leo Strauss aan: ‘Zelfs de meest rechtvaardige samenleving kan niet overleven zonder inlichtingen, dat wil zeggen zonder spionage,’ ook al is ‘spionage onmogelijk zonder bepaalde regels van het natuurrecht buiten werking te stellen.’ Vance bereidt zijn lezers zelfs voor op het idee dat zij hun persoonlijke geluk moeten opofferen aan het algemeen belang. Hij erkent bijvoorbeeld dat het krijgen van kinderen aantoonbaar tot minder geluk kan leiden, maar beschouwt dat als een aanvaardbare prijs voor het welzijn van de samenleving. Thiel verwoordt een vergelijkbare gedachte: vóór de Verlichting zou ‘het nastreven van geluk ondergeschikt zijn geweest aan een deugdzaam leven, en bovendien als iets veel subjectievers zijn beschouwd.’ Wat stelt Vance daar tegenover? Een samenleving die doet denken aan een theocratische bedrijfsstad, waarin het christelijk geloof richting geeft aan het openbare leven en de industriële werkgelegenheid een naar binnen gekeerd, isolationistisch nationaal beleid ondersteunt. Vakbonden, die Vance zegt te steunen, zouden in deze samenleving niet in de eerste plaats de rechten van werknemers beschermen, maar vooral de ‘sociale samenhang’ bevorderen. Lagere gezinsinkomens zouden mensen moeten bevrijden van de ‘tirannie van de consumptie,’ terwijl kortere werktijden hen zouden aanmoedigen meer kinderen te krijgen. Uiteindelijk lijkt Vance ervan overtuigd dat de mensen en groepen die hij stelselmatig uit zijn ideaalbeeld van de samenleving probeert te verdringen, door nieuwe generaties zullen worden vervangen.
Om het te zeggen zoals Vance dat zelf nooit zou doen: de samenleving die hij voor ogen heeft, is even bekrompen en gewelddadig als de samenleving die hij zijn tegenstanders verwijt na te streven. En mochten groepen mensen zich tegen zijn toekomstvisie verzetten, dan heeft hij een intellectuele gifpil achter de hand. Volgens Vance is het Amerika dat hij beschrijft namelijk geen breuk met het verleden, maar juist een voortzetting van wat de Verenigde Staten altijd al zijn geweest. Wie zich beroept op de idealen van de Verlichting om voor een ander Amerika te strijden, miskent volgens hem de geschiedenis van het land. De Verenigde Staten hebben hun ontstaan en ontwikkeling niet zozeer te danken aan de verdediging van onvervreemdbare rechten, maar juist aan de bereidheid om die rechten op beslissende momenten opzij te zetten. Zo stelt Vance dat ‘het christendom mensen al eeuwenlang met elkaar verbindt.’ Als voorbeeld noemt hij ‘de gemengde huwelijken tussen Spanjaarden en de inheemse bevolking van Mexico.’ Daarmee presenteert hij de gewelddadige kolonisatie en de genocide op de oorspronkelijke bevolking op een merkwaardig jubelende manier als een succesverhaal van christelijke verbondenheid. Thiel gaat nog verder. Zijn opvattingen zijn weliswaar weerzinwekkender, maar hij is ook openhartiger. Volgens hem ‘heeft Amerika zijn grootheid misschien niet alleen te danken aan zijn gebruikelijke trouw aan de beginselen van vrijheid en rechtvaardigheid, maar ook aan de momenten waarop het daarvan afweek.’ In dat verband verwijst hij naar een ‘ondeugende interpretatie van de aankoop van Louisiana en het lot van de Amerikaanse indianen.’ De boodschap die Vance uiteindelijk overbrengt, is dat er helemaal geen onvervreemdbare rechten zijn waarvoor we zouden moeten vechten. Volgens hem hebben die rechten nooit werkelijk bestaan.
In de inleiding van Communion verwijst Vance naar de Apocalyps als het onbekende moment waarop ‘God Zijn kinderen zal verenigen.’ Omdat ik dacht een persoonlijk bekeringsverhaal te lezen, vond ik dat aanvankelijk een vage en theologisch weinig overtuigende formulering. Ik begreep niet wie hij met ‘Zijn kinderen’ bedoelde, of wat hen precies zou verenigen. Al snel werd me duidelijk dat ook deze passage, zoals zoveel andere in het boek, haar betekenis ontleent aan The Straussian Moment. Daar wordt het woord ‘apocalyps’ gebruikt in zijn oorspronkelijke betekenis: een onthulling, het moment waarop zichtbaar wordt wat tot dan toe verborgen bleef. Uiteindelijk zullen Vance en zijn geestverwanten zich niet langer achter verhullende, esoterische taal kunnen verschuilen. Vance zal openlijk moeten zeggen wat hij werkelijk bedoelt, zonder zijn ideeën te verpakken in verhalen over advocaten, eenvoudige plattelandsbewoners en priesters. Hij zal zijn overtuigingen in daden moeten omzetten en proberen verlossing te brengen door middel van vernietiging. Hij gelooft dat zijn tijd spoedig zal aanbreken. De rest van ons doet er goed aan daarop voorbereid zijn.
Vertaling: Menno Grootveld
