Categorieën
Economie Politiek

De Texaanse ideologie

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Baffler, 1 juni 2026

fotografie: Stanford University

door Fred Turner


Fred Turner is hoogleraar Communicatie aan Stanford University. Hij onderzoekt hoe nieuwe mediatechnologieën de Amerikaanse cultuur sinds de Tweede Wereldoorlog hebben beïnvloed. Turner schreef vijf boeken, waaronder zijn meest recente werk, dat hij samen met Mary Beth Meehan publiceerde: Seeing Silicon Valley: Life Inside a Fraying America.

Silicon Valley zoekt Lebensraum in de Bible Belt

Langs de bochten van de Colorado-rivier, te midden van uitgestrekte vlakten en struikgewas, ligt de Gigafactory van Tesla, op een terrein van ruim duizend hectare net buiten Austin, Texas. Vanuit de lucht lijkt het complex wel een landingsplaats voor buitenaardse ruimteschepen. Op het dak staat in metershoge witte hoofdletters het woord ‘TESLA,’ zo groot dat het vanuit een overvliegend vliegtuig makkelijk te lezen is. De fabriek, die in 2022 werd geopend, is laag en uitgestrekt. Het is geen campus zoals de hoofdkantoren van Google en Apple in Californië, maar één gigantisch gebouw: een ommuurd industrieel fort dat over een enorm oppervlak is uitgespreid.

Voor Elon Musk en zijn politieke geldschieters in het Texaanse Capitool is de Gigafactory veel meer dan alleen een fabriek waar auto’s worden gebouwd. De enorme assemblagehal, met zijn glanzend rode robots en twintigduizend werknemers, moet een boodschap van Texaanse proporties uitdragen aan ondernemers over de hele wereld: de toekomst wordt niet gebouwd in Californië of New York, maar in de Bible Belt. Daar zal die toekomst worden vormgegeven door mannen – altijd mannen – die de wilskracht bezitten om de technologie naar hun hand te zetten, het land winstgevend te maken en vanuit het niets nieuwe industrieën op te bouwen. Die industrieën zullen uit de grond schieten zoals de olieboortorens een eeuw geleden en getuigen van de grenzeloze, door God geschonken natuurlijke rijkdom van de regio. Sommige mannen zullen er schatrijk van worden. En wanneer dat gebeurt, zal dat gelden als bewijs dat Amerika nog altijd helden voortbrengt als Jim Bowie en Davy Crockett, de legendarische verdedigers van de Alamo.

Je ziet waar dit naartoe gaat. In persberichten en achtergrondverhalen fungeert Tesla’s Gigafactory als een soort vertaalmachine: eeuwenoude en recentere Texaanse mythen en tradities worden er omgevormd tot de bouwstenen van een nieuwe culturele stroming, een ‘Texaanse ideologie.’ Dertig jaar geleden publiceerden politiek theoreticus Richard Barbrook en kunstenaar Andy Cameron in Mute, een Brits tijdschrift dat kritisch schreef over de opkomende internetcultuur, hun invloedrijke essay ‘The Californian Ideology.’ Destijds bevond de computerindustrie van Silicon Valley zich nog te midden van de restanten van de tegencultuur die in de jaren zestig in San Francisco was ontstaan. Uit de botsing tussen die twee werelden ontstond volgens Barbrook en Cameron een nieuwe ideologische orthodoxie, die ‘de vrije geest van de hippies op merkwaardige wijze vermengde met de ondernemersdrift van de yuppies.’

Tegenwoordig zijn de hippies vrijwel geheel uit de computerindustrie verdwenen, zijn de yuppies met pensioen en verruilen hightechondernemers als Musk Californië voor Texas. Ook de digitale wereld zelf is ingrijpend veranderd. In de jaren negentig draaide alles, van de productie van modems tot de ontwikkeling van software, om de aanleg van een wereldwijd netwerk. Verbinding was het sleutelwoord. Inmiddels is het World Wide Web alomtegenwoordig, dragen we onze computers in onze broekzak, en valt er vooral geld te verdienen met het verzamelen en analyseren van de gegevens die we voortdurend produceren. Die gegevens worden omgezet in patronen en profielen die vervolgens aan de hoogste bieder kunnen worden verkocht. Het wereldwijde netwerk dat in de jaren negentig werd opgebouwd om mensen met elkaar te verbinden, heeft de sociale wereld zo veranderd in een grondstof voor een van de oudste mechanismen van het kapitalisme: uitbuiting.

Voor dit soort activiteiten vormt Texas een ideale uitvalsbasis. De staat werd aanvankelijk rijk door veeteelt en door katoen die door tot slaaf gemaakte mensen werd geplukt, en groeide dankzij de oliehausse aan het begin van de twintigste eeuw uit tot een economische macht van nationale betekenis. Texas staat dan ook al lange tijd symbool voor het omzetten van natuurlijke hulpbronnen én menselijke arbeid in winst. Tegelijkertijd zijn de voorvechters van die Texaanse cultuur er goed in geslaagd cowboys en oliemagnaten tot iconen van Amerikaanse mannelijkheid te verheffen en een vorm van ‘gespierd christendom’ te propageren. Al vanaf de tijd dat Texas nog deel uitmaakte van Mexico, en de Mexicaanse regering van kolonisten verlangde dat zij zich tot het katholicisme bekeerden, raakten economische exploitatie, religie en raciale verhoudingen nauw met elkaar verweven. In de jaren twintig en dertig klonk vervolgens in de hele staat de boodschap van fundamentalistisch-christelijke radiopredikers. In 1953 organiseerde de evangelist Billy Graham een grote opwekkingsbijeenkomst in de Cotton Bowl, die 75.000 Texanen trok. Sinds de jaren vijftig hebben de Southern Baptists, die in de loop der decennia steeds conservatiever werden, een dominante positie verworven in het religieuze landschap van Texas. Tegenwoordig spelen zij, samen met conservatieve leden van andere geloofsgemeenschappen, een belangrijke rol bij de organisatie en financiering van de politiek in de staat.

Omdat het conservatieve christendom zo nauw verweven is met de politieke cultuur van Texas, komen Musk en andere techondernemers die Californië hebben verruild voor deze staat terecht in een nieuwe ideologische versmelting. Daarin gaan neoliberaal economisch beleid en christelijk-nationalistische culturele ambities samen met een lange Texaanse traditie van grondstoffenwinning en exploitatie, waarbij racisme en vrouwenhaat nauwelijks als obstakel worden gezien. Deze ideologische combinatie heeft inmiddels ook haar weg gevonden naar het Witte Huis. Dat roept belangrijke vragen op. Wat is er geworden van de Californische droom van een grootschalige, welwillende verbondenheid tussen mensen? Welke nieuwe dromen zijn daarvoor in de plaats gekomen? En welke rol speelt Texas in deze verschuiving?

Terug naar de toekomst

Toen Barbrook en Cameron halverwege de jaren negentig de Californian Ideology beschreven, bestonden sociale media nog niet. Er waren geen platforms en apps zoals we die tegenwoordig kennen, en ook zoekmachines als Google en DuckDuckGo bestonden nog niet. IBM had kort daarvoor de eerste smartphone op de markt gebracht, de ‘Simon.’ Die kostte 1.099 dollar, hield het op een volle batterij slechts een uur vol en werd bepaald geen commercieel succes. Silicon Valley begon zich in die periode te ontwikkelen tot het centrum van de software-industrie dat het later zou worden. Begin jaren negentig maakten de belangrijkste bedrijven in de Valley echter vooral de fysieke bouwstenen van het internet: Intel produceerde halfgeleiders, Cisco Systems netwerkapparatuur, Sun Microsystems workstations, en Apple en Hewlett-Packard personal computers. In het hele land waren bedrijven bezig met het uitbouwen van digitale netwerken. In 1993 waren via NSFNET, de door de federale overheid gefinancierde ruggengraat van het internet, al meer dan twee miljoen computers met elkaar verbonden. HTML was inmiddels breed beschikbaar en het World Wide Web stond op het punt door te breken.

Terwijl programmeurs en chipfabrikanten in Silicon Valley hard werkten aan de aanleg van een wereldwijd digitaal netwerk, begon een bont gezelschap van journalisten, hackers en reclamemakers deze ontwikkeling te presenteren als een tegenculturele revolutie. In tijdschriften als Wired betoogden zij dat de nieuwe technologieën de weg vrijmaakten voor wat John Perry Barlow, tekstschrijver van de Grateful Dead, beroemd zou maken als de ‘electronic frontier’: een wereld zonder lichamelijke beperkingen en buiten het bereik van de politiek, waar individuen een vorm van harmonie zouden kunnen vinden die in het dagelijks leven onmogelijk leek. Het internet, zo was de gedachte, zou eindelijk kunnen verwezenlijken wat LSD in de jaren zestig had moeten bewerkstelligen: mensen in staat stellen de samenhang tussen alle levende en niet-levende dingen te zien en een utopie op te bouwen rond het hippie-ideaal: ‘We Are All One’ – we zijn allemaal één.

Voor marketeers was de koppeling tussen de tegencultuur en de computerwereld onweerstaanbaar. Seks, drugs en rock-’n-roll waren immers ‘cool’ op een manier waarop computers dat nooit waren geweest. Maar zoals Barbrook en Cameron opmerkten, ging deze versmelting van bohemien idealisme en technocratisch denken gepaard met een opmerkelijk conservatieve politieke visie. ‘In de digitale utopie zal iedereen zowel hip als rijk zijn,’ schreven ze. Om die utopie te verwezenlijken, moesten de vrije markt en het internet als politieke modellen worden omarmd. Iedereen zou een knooppunt in een netwerk worden: iemand die ideeën voortbrengt en ze onder anderen verspreidt, in een wereld waarin sociale en commerciële relaties voortdurend met elkaar verweven zijn. Volgens Barbrook en Cameron geloofden veel aanhangers van deze visie dat ze daarmee tegelijkertijd een van de dromen van Newt Gingrichs Nieuw Rechts zouden verwezenlijken. Dankzij het internet zouden de staat en het rechtssysteem, met hun logge regelgeving en moeizame politieke processen, ‘geleidelijk verdwijnen en plaatsmaken voor onbelemmerde interacties tussen autonome individuen en hun software.’

Deze visie sprak vooral de technologen van Silicon Valley aan. Zij zagen zichzelf maar al te graag niet als eenvoudige werkbijen die hightech-bijenkorven bouwden, maar als rebellen die met iedere toetsaanslag de gevestigde macht bevochten. De Californian Ideology kwam ook hun bedrijven uitstekend van pas. Als computers een utopie konden verwezenlijken, moest immers iedereen er een hebben. En als Californië de toekomst vertegenwoordigde, dan moest het ouderwetse, bekrompen Washington D.C. vooral zorgen dat zijn regels die toekomst niet in de weg stonden. Zo verbond de Californian Ideology de uitbreiding van het internet niet alleen met een tegenculturele droom. Ze maakte van die droom tegelijkertijd een middel om de hele wereld om te vormen tot een afzetmarkt voor de technologie van Silicon Valley.

De Californian Ideology stelde bovendien zowel de onlinewereld als de staat Californië voor als een paradijs voor de witte, mannelijke ondernemer. Volgens Barbrook en Cameron sloten haar aanhangers de ogen voor de alledaagse werkelijkheid in Californië, en met name voor ‘racisme, armoede en milieuvervuiling.’ Ze beschouwden cyberspace als een leeg, onontgonnen gebied dat rijp was om gekoloniseerd te worden. Daarmee leken ze op de aanhangers van de back-to-the-land-beweging uit de jaren zestig, die Amerika eveneens voorstelden als een ongerepte wildernis die nog in bezit kon worden genomen. In Californië vonden voormalige hippies en technologen elkaar in hetzelfde ideaal: je hoefde alleen maar te erkennen dat alles met alles verbonden was en vervolgens systemen te bouwen waarmee ook anderen die verbondenheid konden ervaren. Kwesties als discriminatie en ongelijkheid konden voorlopig terzijde worden geschoven, vanuit de overtuiging dat de nieuwe technologische systemen deze problemen uiteindelijk vanzelf zouden oplossen.

Van San Francisco naar Austin

Tegenwoordig lijkt de hoop dat onderling verbonden computers een utopische samenleving zouden kunnen voortbrengen buitengewoon naïef. Ondanks al het gepraat van Mark Zuckerberg over het verbinden van de wereld is Facebook uitgegroeid tot een bron van politieke conflicten, zowel in de Verenigde Staten als daarbuiten. Ook de manier waarop Facebook geld verdient, laat zien hoe sterk het internet sinds de jaren negentig is veranderd. Destijds wist eigenlijk niemand hoe er met de nieuwe digitale netwerken winst kon worden gemaakt; men wist alleen dat er ergens geld aan te verdienen moest zijn. Rond 2010 hadden sociale media en platformbedrijven als Facebook ontdekt hoe ze onze natuurlijke behoefte aan sociaal contact naar hun eigen platforms konden lokken en vervolgens commercieel konden exploiteren. Tegenwoordig maken bedrijven als TikTok en Google gebruik van onze aandacht, terwijl wij voortdurend informatie prijsgeven over onze verlangens, sociale gewoonten en consumptiepatronen. Zo hebben zij een systeem dat ooit de tegenculturele droom van vrije en harmonieuze menselijke interactie belichaamde, veranderd in een systeem van toezicht en uitbuiting.

Die ontwikkeling past slecht bij de Californian Ideology. En eigenlijk geldt hetzelfde voor Californië zelf. CEO’s als Musk, die het hoofdkantoor van hun bedrijf van Californië naar Texas verhuizen, doen dat mede om te ontsnappen aan de ongelijkheid die hun eigen sector heeft helpen creëren. De grote concentratie van hoogopgeleide en goedbetaalde techwerknemers op het schiereiland van San Francisco heeft de huizenprijzen en huren zo sterk opgedreven dat mensen met gewone inkomens noodgedwongen in campers wonen of zelfs op straat belanden. In de Tenderloin, een wijk in het centrum van San Francisco, zijn daklozen overal op de trottoirs te vinden.

De CEO’s voelen zich steeds minder thuis in de wereld die ze zelf mede hebben helpen creëren. In het najaar van 2020 besloot serieondernemer en durfkapitalist Joe Lonsdale daarom met zijn gezin naar Austin te verhuizen en ook het hoofdkantoor van zijn bedrijf daarheen te verplaatsen. In een opiniestuk in The Wall Street Journal lichtte hij zijn besluit als volgt toe:

‘Ondoordachte hervormingen van het strafrecht en radicale officieren van justitie eisen hun tol van het leven in de stad. Drie vrouwen van collega’s van mij zijn in de straten van San Francisco lastiggevallen en achtervolgd door daklozen, terwijl de straten bezaaid liggen met injectienaalden en menselijke uitwerpselen. Mijn vrouw durft nauwelijks nog met onze jonge dochters door de stad te lopen. De politie reageert vaak niet eens meer op meldingen van intimidatie en vermogensdelicten, terwijl die sterk zijn toegenomen. San Francisco heeft inmiddels het hoogste aantal vermogensdelicten van het land.’

Dat klopte overigens niet helemaal. Volgens de FBI lag het aantal vermogensdelicten per hoofd van de bevolking dat jaar in Memphis, Tennessee, hoger. En hoewel bronnen en onderzoeksmethoden uiteenlopen, komen in andere onderzoeken ook Fairbanks in Alaska en Alexandria in Louisiana boven San Francisco uit. Toch is Lonsdales relaas interessant, vooral omdat hij de persoonlijke bedreigingen aan het adres van de vrouwen en dochters van mannen zoals hij rechtstreeks in verband brengt met tekortschietend overheidsbeleid en gebrekkige regelgeving. Elders in het artikel verwijt hij het stadsbestuur van San Francisco dat het tijdens de eerste fase van de coronapandemie onvoldoende steun bood aan bedrijven zoals het zijne. In zijn ogen bracht de overheid daarmee zowel zijn gezin als het bedrijf dat hij had opgebouwd in gevaar – precies de zaken die hij, als ‘Man Die Dingen Bouwt,’ geacht werd te beschermen. Over de gevolgen die zijn eigen sector voor de regio heeft gehad, rept Lonsdale niet. Integendeel: volgens hem is het ‘slecht beleid dat de staat onleefbaar heeft gemaakt.’

Lonsdales betoog in The Wall Street Journal past in een al ruim tien jaar durende informele campagne van rechts om Californië af te schilderen als een ‘mislukte staat.’ De gouverneurs van Texas hebben zich daar enthousiast in gemengd. Toen de Texaanse gouverneur Greg Abbott Californië in 2015 bestempelde als een bolwerk van ‘falend groot overheidsbeleid,’ trad hij daarmee in de voetsporen van zijn voorganger Rick Perry. Die had eerder radiospotjes in Californië laten uitzenden waarin bedrijven werden opgeroepen naar Texas te verhuizen. Daarbij wees Perry er nadrukkelijk op dat Texas geen inkomstenbelasting heft. Meer in het algemeen richt de rechtse kritiek op Californië zich voor een groot deel op economische kwesties. Zo meldde een onderzoek dat de conservatieve Hoover Institution in 2022 publiceerde dat tussen begin 2018 en eind 2021 352 bedrijven hun hoofdkantoor uit Californië hadden verplaatst. Volgens de onderzoekers en de door hen geraadpleegde CEO’s waren de redenen duidelijk: ‘Hoge belastingtarieven, strenge regelgeving, hoge arbeidskosten, hoge kosten voor nutsvoorzieningen en energie, en hoge kosten van levensonderhoud, met name op het gebied van huisvesting.’

Maar onder de leiders uit Silicon Valley die Californië verlaten, doet nog een ander verhaal de ronde. Daarin wordt het vermeende onvermogen van Californië om een ondernemingsvriendelijk klimaat met weinig regelgeving te scheppen, gekoppeld aan het onvermogen van de staat om de problemen en behoeften van gewone burgers in de hand te houden. Verhalen over durfkapitalisten die op straat over drugsverslaafden struikelen zijn alomtegenwoordig, evenals berichten over slecht functionerende scholen en leraren en brandweerlieden die zich geen woning meer kunnen veroorloven. De schuld daarvoor wordt echter bij de overheid gelegd, niet bij het bedrijfsleven. Volgens deze CEO’s hebben de bestuurders van Californië de belastinginkomsten niet gebruikt om de voorzieningen en infrastructuur van hun steden te herstellen, maar zich in plaats daarvan steeds sterker toegelegd op het verdedigen van ‘woke’-opvattingen. Zo beweert Joe Lonsdale dat San Francisco in handen is gevallen van ‘extreemlinks.’ Elon Musk waarschuwt op zijn beurt voortdurend voor wat hij het ‘woke-gedachtenvirus’ noemt, waaraan hij de meest uiteenlopende problemen toeschrijft: van de gendertransitie van zijn dochter tot de problemen die Californië ondervindt bij de bestrijding van bosbranden.

Precies hier komen de zeer reële problemen van wonen en werken in Noord-Californië samen met de materiële belangen van durfkapitalisten en de cultuurstrijd van rechts-Republikeinse politici. In een essay uit 2020, getiteld Libertarianism is Dysfunctional, but Liberty is Great, liet Lonsdale zien hoe deze verschillende ontwikkelingen steeds meer met elkaar verweven raakten. Het libertarisme dat Silicon Valley decennialang had gekenmerkt, was volgens hem verworden tot een ‘louter performatieve vorm van politiek.’ Sinds de New Deal was de rol van de overheid in het dagelijks leven – en vermoedelijk ook in de regulering van het bedrijfsleven – steeds groter geworden. Het libertarisme bleek niet langer krachtig genoeg om die ontwikkeling tegen te houden. Daarom moesten de Amerikanen volgens Lonsdale niet langer voor libertarisme kiezen, maar voor ‘vrijheid.’ Daarmee bedoelde hij een overheid die meer functioneert als een op winst gericht bedrijf. ‘Als we de grootste probleemgebieden van onze samenleving, zoals het strafrecht, het onderwijs en de gezondheidszorg, willen hervormen, moeten we beleidsoplossingen omarmen die dezelfde concurrentie tussen ideeën mogelijk maken die kenmerkend is voor een vrije samenleving,’ betoogde hij. In de praktijk betekende dit dat overheidsbeleid op dezelfde manier moest worden vormgegeven als een CEO een bedrijfsplan opstelt: duidelijke doelen formuleren, meetbare criteria voor succes vaststellen en mensen verantwoordelijk houden voor het behalen daarvan.

Op het eerste gezicht klinkt dat misschien heel redelijk. Maar in Lonsdales essay mondt deze redenering al snel uit in een wereld waarin rijkdom de belangrijkste maatstaf voor maatschappelijk succes wordt. Stel je bijvoorbeeld eens voor, schrijft hij, dat universiteiten niet langer worden beoordeeld op het aantal studenten dat afstudeert, maar ‘op basis van het werkelijke inkomen van hun afgestudeerden’! Uiteindelijk begint Lonsdales opvatting van vrijheid sterk te lijken op het neoliberalisme uit het Reagan-tijdperk. ‘Vrijheid dwingt ons persoonlijke verantwoordelijkheid te nemen voor onze beslissingen, in het besef dat ieder van ons zijn eigen leven vormgeeft,’ legt hij uit. Als dat betekent dat sommige mensen achterblijven, dan zij dat zo. Volgens Lonsdale biedt vrijheid de meest getalenteerde burgers de mogelijkheid om met elkaar te concurreren op de markten van goederen en ideeën. ‘Als ondernemers vrij zijn om op de markt van ideeën te falen of te slagen, en recht hebben op de vruchten van hun arbeid,’ schrijft hij, ‘zullen getalenteerde mensen prachtige nieuwe manieren bedenken om het leven van anderen te verrijken.’

En natuurlijk om zichzelf te verrijken.

Groots uitpakken in Texas

In MaddAddam, haar sciencefictionroman over een wereld die uiteenvalt door ontspoorde bio-ingenieurs, machtige technologiebedrijven en ecologische ineenstorting, beschrijft Margaret Atwood de opkomst van een nieuwe sekte: de Petrobaptisten. Zij komen bijeen in ‘een megakerk, volledig opgetrokken uit glasplaten, met banken van namaakeiken en nepgraniet, midden in de glooiende vlakten’: de Church of PetrOleum. Daar houdt een predikant, die eenvoudigweg de Rev wordt genoemd, een preek:

‘Vrienden, zoals we allemaal weten, is oleum het Latijnse woord voor olie. En inderdaad: in de hele Bijbel is olie heilig! Waarmee anders worden priesters, profeten en koningen gezalfd? Met olie! Het is het teken van bijzondere uitverkiezing, het gewijde chrisma! […] Het Heilige Oleum mag niet onder de korenmaat worden verborgen – met andere woorden: het mag niet onder de rotsen blijven liggen – want daarmee zouden we het Woord verloochenen! Verhef daarom uw stemmen in gezang en laat het Oleum in steeds machtiger en alom gezegende stromen vloeien!’

De Rev zou zich in Texas ongetwijfeld thuis hebben gevoeld. Waar de Californische ideologie voortkwam uit de ontmoeting tussen de computerindustrie en de tegencultuur, weerspiegelt de Texaanse ideologie een veel oudere versmelting van de olie-industrie met het millenaristische christendom. Texas behoort tot het Amerikaanse Westen, maar is tegelijkertijd de grootste staat van de zuidelijke Bible Belt. Van noord naar zuid strekt de staat zich over bijna duizend mijl uit, en van oost naar west over ongeveer dezelfde afstand. Van de vijftig Amerikaanse staten heeft alleen Alaska een groter landoppervlak. Aan het begin van de negentiende eeuw, toen Texas nog deel uitmaakte van Mexico, trokken witte kolonisten vanuit de Verenigde Staten naar het zuiden. In de katoenstreken van Oost-Texas vestigden zij enorme landbouwbedrijven, waar tot slaaf gemaakte mensen het werk verrichtten. Rond 1900, toen de noordelijke staten volop industrialiseerden en de elite van Manhattan zich door de Gilded Age feestte, bleef Oost-Texas het land van de katoen. Die werd inmiddels verbouwd door witte deelpachters en de nakomelingen van tot slaaf gemaakte mensen. West-Texas was daarentegen het land van de eindeloze vlakten, waar cowboys enorme kuddes over uitgestrekte graslanden dreven. Hun onafhankelijkheid groeide uit tot een legende, maar achter die mythe bleef Texas een staat die diep in armoede gevangen zat.

Op het dieptepunt van de Grote Depressie veranderde dat voor een handvol Texaanse oliemagnaten. De eerste oliebronnen van de staat waren al aan het begin van de eeuw aangeboord, maar pas begin jaren dertig begon een groep ‘wildcatters’ pachtrechten te verwerven op grond in Oost-Texas die door de grote oliemaatschappijen over het hoofd was gezien. Toen zij daar keer op keer olie aantroffen, ontketenden mannen als H. L. Hunt en Clint Murchison een stormloop op de Texaanse olievelden die sindsdien nooit meer is opgehouden. Ze ontpopten zich bovendien tot invloedrijke financiers van rechtse politici en, in het geval van Hunt, van fundamentalistisch-christelijke predikanten. In de daaropvolgende dertig jaar financierden oliemagnaten die in de jaren dertig hun fortuin hadden gemaakt rechtse denktanks, de heksenjachten van Joe McCarthy, de John Birch Society en diverse openlijk racistische en antisemitische organisaties. In 1962 schreef The Nation dat ‘vrijwel elke radicaal-rechtse beweging uit de naoorlogse periode financiële steun heeft ontvangen van Texaanse oliemiljonairs.’

Zoals journalist Bryan Burrough beschrijft in The Big Rich, zijn uitvoerige kroniek van de invloedrijkste oliefamilies van Texas, hadden de wildcatters van de jaren dertig een grondige hekel aan de belastingdienst, vakbondsorganisatoren en Franklin D. Roosevelt. Ze vreesden dat een machtige overheid en de communisten hun fortuinen zouden afpakken. Tegelijkertijd waren die fortuinen juist afhankelijk van hun vermogen om invloed uit te oefenen op de staat. Wie naar olie wilde boren, had immers de rechten op de grond nodig, en om die te verkrijgen moest je een beroep kunnen doen op je vrienden binnen de overheid. Dezelfde paradox zien we tegenwoordig bij de bouwers van datacenters en fabrieken voor elektrische auto’s. Elon Musk heeft de staat nodig voor bouwvergunningen, elektriciteit en gunstige belastingvoorwaarden. Tegelijkertijd heeft hij diezelfde staat nodig om zijn bedrijven zo weinig mogelijk regels op te leggen.

De angst voor buitenstaanders en voor inmenging van de federale overheid loopt als een rode draad door de geschiedenis van Texas. Toen het gebied nog tot Mexico behoorde, eiste de Mexicaanse regering dat protestantse kolonisten uit het noorden zich tot het katholicisme bekeerden. Pas na de onafhankelijkheid verwierven de Texanen godsdienstvrijheid. Sinds de Reconstructie probeerde de federale regering in Washington bovendien rassengelijkheid af te dwingen. Nu leek ook Franklin D. Roosevelt een bedreiging te vormen voor de Texaanse onafhankelijkheid. Burrough beschrijft hoe schrijver John Gunther tijdens een bezoek aan de staat in 1944 een wijdverbreide angst aantrof dat Roosevelt de bestaande economische en raciale orde zou ontwrichten. Een van Gunthers gesprekspartners verwoordde het als volgt: als FDR opnieuw zou winnen, ‘zou dat betekenen dat de Mexicanen en de negers het hier van ons zullen overnemen.’

Na verloop van tijd leidde de afkeer van de oliemagnaten van de overheid, gecombineerd met hun behoefte om diezelfde overheid naar hun hand te zetten, ertoe dat zij de politieke opkomst van drie presidenten financierden: Lyndon B. Johnson, George H.W. Bush – zelf een oliemagnaat – en diens zoon George W. Bush. Daarnaast steunden zij tal van andere invloedrijke politici, van Johnsons adviseur en latere gouverneur van Texas John Connally in de jaren zestig tot de huidige senator voor Texas, Ted Cruz. Niet alle oliemagnaten waren politiek conservatief, maar de overgrote meerderheid was dat wel. Bovendien waren velen uitgesproken christelijk. In de beginjaren overtrof vrijwel niemand H. L. Hunt in religieuze ijver. In de jaren vijftig gebruikte hij zijn fortuin onder meer om voormalig FBI-agent Dan Smoot een radioprogramma te geven onder de titel Facts Forum. Als een vroege voorloper van Rush Limbaugh beweerde Smoot dat de New Deal niets anders was dan communisme en fascisme onder een andere naam, en suggereerde hij dat alle drie in strijd waren met het christelijk geloof. ‘De democratie is de politieke uitdrukking van de leer van Jezus Christus,’ verkondigde hij op de radio. ‘Het christendom is essentieel geweest voor het ontstaan van onze democratie. Wij van Facts Forum weten dat de Amerikaanse democratie nog altijd de meest volmaakte juridische en politieke uitdrukking is die de mens ooit heeft gegeven aan een fundamenteel ideaal van het christendom.’

De combinatie van afkeer van staatsbemoeienis, christelijk nationalisme en harde achterkamerpolitiek, waarmee de oliemagnaten van de jaren dertig de toon zetten, vormt tot op de dag van vandaag een vast onderdeel van de Texaanse politiek. Sinds 1995 is het gouverneurschap onafgebroken in handen van de Republikeinen en dankzij verregaande gerrymandering in de hele staat zal dat waarschijnlijk nog geruime tijd zo blijven. De huidige gouverneur, Greg Abbott, is bezig aan zijn derde ambtstermijn en voert een beleid dat niet alleen de idealen van de hedendaagse Republikeinse Partij weerspiegelt, maar ook die van inmiddels lang overleden oliemagnaten als H. L. Hunt. Abbott werd onder meer bekend doordat hij migranten vanaf de Mexicaanse grens per bus naar zogenoemde ‘sanctuary cities’ in het noorden liet vervoeren. Abbott heeft een vrijwel volledig verbod op abortus ondertekend, de rechten van transgender personen ingeperkt, en een einde gemaakt aan DEI-programma’s en -bureaus op openbare hogescholen en universiteiten in Texas en bij overheidsinstanties. Dankzij Texas Senate Bill 10 – een wet die Abbott actief heeft gesteund en ondertekend – is sinds dit najaar iedere openbare basis- en middelbare school in Texas verplicht een poster met de Tien Geboden op te hangen. Die poster moet zestien bij twintig inch groot zijn, vanuit elke plek in het klaslokaal leesbaar zijn en zonder commentaar worden getoond. Een federale rechter heeft de uitvoering van de wet tijdelijk geblokkeerd in elf van de ruim twaalfhonderd schooldistricten van de staat. In de overige districten prijkt het Woord van God echter aan de muur.

Of de rechtbanken uiteindelijk zullen toestaan dat de wet ook in de overige elf districten van kracht wordt, is nog onduidelijk. Maar de visie achter Abbotts wetgevingsagenda weerspiegelt een opmerkelijke samensmelting van verschillende ideologische stromingen. De uit het koloniale tijdperk stammende angst voor een Mexicaanse aanval gaat samen met de vrees voor economische herverdeling die tijdens de New Deal opkwam. Tegelijkertijd wordt een beroep op individuele vrijheid gebruikt om het opleggen van een uitgesproken patriarchale vorm van het christendom te rechtvaardigen. De historische kracht van elk van deze denkbeelden versterkt daarbij de schijnbare legitimiteit van de andere. Uiteindelijk vloeien ze samen in een wereldbeeld waarin witte mannen aan de top staan en zich door God het recht toegekend zien om over vrouwen, mensen van kleur en de natuurlijke wereld te heersen.

Gedurende het grootste deel van de negentiende eeuw vormde dit wereldbeeld de drijvende kracht achter de plantage-economie van de katoenvelden in Texas. In de twintigste eeuw droeg het eraan bij dat de zoektocht naar olie voor ondernemers als H.L. Hunt bijna het karakter van een goddelijke missie kreeg. Tegenwoordig ligt hetzelfde wereldbeeld ten grondslag aan een nieuw tijdperk van digitale grondstoffenwinning. In de jaren negentig, toen computernetwerken sterk in opkomst waren, richtten computerfabrikanten zich vooral op het vergroten van de rekenkracht van afzonderlijke computers. De kracht van het netwerk zelf werd beschouwd als een bijkomend voordeel: een gunstig neveneffect van het verbinden van grote aantallen krachtige computers. Met de opkomst van kunstmatige intelligentie en cryptovaluta is dat veranderd. Deze technologieën vragen om een steeds grotere concentratie van rekenkracht op één plek. Daardoor groeit ook de behoefte aan enorme hoeveelheden grond en elektriciteit.

Texas heeft beide in overvloed. In januari 2025 kondigde OpenAI het Stargate-project aan: een investeringsprogramma van vijfhonderd miljard dollar, verspreid over vier jaar, voor de bouw van een netwerk van onderling verbonden datacenters in de Verenigde Staten. De eerste locatie wordt momenteel gebouwd in Abilene, Texas. Als het complex eenmaal klaar is, zal het bestaan uit tien gebouwen van elk ongeveer 140.000 vierkante meter, vol met rijen energieverslindende servers. Voorlopig is Stargate het grootste project in zijn soort dat op stapel staat. Het consortium achter het initiatief wil daarnaast nog tien reusachtige datacenters op andere locaties in Texas bouwen. Elk daarvan vergt enorme aanvangsinvesteringen, maar biedt ook uitzicht op aanzienlijke winsten op de langere termijn. Daarmee beginnen deze projecten steeds meer te lijken op de grootschalige investeringen die vroeger nodig waren om olievelden te ontginnen. Hoewel overal in de Verenigde Staten nieuwe datacenters verrijzen, groeit de capaciteit nergens zo snel als in Noord-Virginia, met de regio Dallas-Fort Worth in Texas op de tweede plaats.

Net als AI vereist het delven van bitcoins enorme hallen vol servers en een ononderbroken toevoer van elektriciteit. Die stroom is niet alleen nodig om de computers draaiende te houden, maar ook om de ventilatoren aan te drijven die moeten voorkomen dat ze oververhit raken. De enorme omvang van deze installaties maakt duidelijk hoe misleidend het is om bitcoin een ‘virtuele’ munt te noemen. Bij Riot Platforms in Rockdale, Texas, het grootste bitcoinmijnbedrijf van Noord-Amerika, staan zeven gebouwen die elk bijna drie voetbalvelden lang zijn. Binnen klinkt voortdurend het geraas van ventilatoren die duizenden computers koelen. Die computers proberen onafgebroken ingewikkelde cryptografische puzzels op te lossen om nieuwe bitcoins te produceren. Ongeveer twee uur rijden naar het noorden, bij Corsicana, bouwt Riot een nog groter complex.

De omwonenden zijn daar allerminst blij mee. Naast de voortdurende geluidsoverlast zorgen bitcoinbedrijven als Riot ook voor hogere elektriciteitsprijzen. Volgens een simulatie die in opdracht van de New York Times werd uitgevoerd, hebben deze bedrijven de stroomtarieven in Texas met maar liefst vijf procent opgedreven. Nog opmerkelijker is dat de beheerders van het Texaanse elektriciteitsnet bitcoinbedrijven betalen om hun activiteiten zo nodig stil te leggen wanneer de vraag naar stroom zo groot wordt dat stroomuitval dreigt. In de praktijk hoeven deze bedrijven hun computers echter maar zelden uit te schakelen. Zo kunnen ze jaarlijks miljoenen dollars aan publieke middelen opstrijken, zonder dat ze daar veel voor hoeven te doen.

Voor de regering van gouverneur Greg Abbott zijn dit simpelweg de kosten die horen bij het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid. Hoewel vicegouverneur Dan Patrick publiekelijk heeft geopperd dat Texas het enorme energieverbruik van AI-datacenters en bitcoinmijnbedrijven kritisch onder de loep zou moeten nemen, heeft Abbott beide sectoren juist met open armen ontvangen. De afgelopen jaren heeft het parlement van Texas een ‘strategische bitcoinreserve’ ingesteld en belastingvoordelen ingevoerd voor aardgasproducenten die hun gas gebruiken om elektriciteit op te wekken voor het delven van bitcoins.

Abbott heeft verklaard dat hij hoopt dat dergelijke wetgeving Texas zal helpen uitgroeien tot ‘het epicentrum van de technologische vooruitgang,’ Ook de aanvankelijk sceptische vicegouverneur Dan Patrick heeft zich inmiddels achter deze koers geschaard. Hij grijpt de gelegenheid zelfs aan om in de gunst te komen van de president: ‘President Trump heeft er geen twijfel over laten bestaan dat hij van de Verenigde Staten de wereldhoofdstad van cryptovaluta wil maken. Zijn visionaire leiderschap op het gebied van bitcoin en digitale financiële bezittingen heeft de weg vrijgemaakt voor een snelle ontwikkeling van Amerikaanse innovaties. En Texas loopt daarbij voorop.’

Een techno-theocratie?

Maar waar leidt die weg eigenlijk naartoe? Welke toekomst hebben Patrick en Abbott voor Texas voor ogen? Een deel van het antwoord is te vinden achter de schermen van de Texaanse politiek, bij Tim Dunn, die door het tijdschrift Texas Monthly ‘de machtigste man van de staat’ is genoemd. Dunn staat aan het hoofd van CrownQuest Operating, een van de grootste olieproducenten van Texas. Hij is multimiljardair en een uiterst conservatieve christen. ‘Ik heb er heel bewust voor gekozen mijn leven niet in afzonderlijke delen op te splitsen,’ vertelde hij in 2022 aan een podcaster. ‘Ik hanteer niet de ene aanpak in het bedrijfsleven, een andere bij mijn politieke activiteiten en weer een andere in de kerk. […] Ik werk voor God, en God heeft mij een heleboel taken toevertrouwd.’ Net als oliemagnaat H.L. Hunt bijna een eeuw geleden beschouwt Dunn het boren naar olie als onderdeel van een goddelijke opdracht, net als het weren van homoseksuelen uit het onderwijs, het afschaffen van de inkomstenbelasting en het buiten de markt houden van hernieuwbare energie.

Dunns enorme rijkdom geeft hem aanzienlijke politieke macht. Zijn bondgenoten laten Texaanse volksvertegenwoordigers regelmatig weten hoe hij wil dat zij stemmen over uiteenlopende onderwerpen, van belastingen tot particulier onderwijs. Wie zijn wensen volgt, kan op zijn financiële steun blijven rekenen. Wie tegen hem ingaat, loopt het risico dat Dunn bij de volgende voorverkiezingen een tegenkandidaat naar voren schuift en diens campagne financiert. Maar niet alleen Dunns uitgesproken rechtse politieke opvattingen laten zien welke kant Texas, en mogelijk ook de rest van de samenleving, opgaat. Minstens zo veelzeggend is de manier waarop hij zijn eigen leven heeft ingericht. Aan het einde van de dag keert Dunn terug naar zijn familielandgoed in Midland, het centrum van de Texaanse olie-industrie. Het terrein ligt direct achter de Midland Classical Academy, een christelijke school voor kinderen van de kleuterleeftijd tot en met de middelbare school, waarvan hij medeoprichter is. Inmiddels zijn zijn kinderen volwassen en hebben zij ieder een eigen huis op het familieterrein gebouwd. Dunn heeft overal de touwtjes in handen: als patriarch van zijn familie, als invloedrijke figuur binnen zijn christelijke school en, dankzij zijn politieke donaties, als machthebber achter de schermen van de regering-Abbott en een groot deel van het Texaanse parlement. Zijn levensstijl belichaamt de belofte die Abbott doet aan miljardairs als Elon Musk en Joe Lonsdale: in Texas vind je de natuurlijke rijkdommen die God je heeft gegeven om een fortuin op te bouwen. Bovendien krijg je er alle ruimte om je rijkdom en je familie te beschermen, onder het toeziend oog van jezelf als patriarch, alsof dat een door God verleend recht is.

In de jaren negentig werd de Californische ideologie gekenmerkt door een vrijblijvende, hippieachtige spiritualiteit. Naar de kerk gaan was iets voor hopeloos saaie mensen. Maar nu de leiders van Silicon Valley steeds verder naar rechts opschuiven, vooral wanneer ze zich in Texas vestigen, omarmen velen van hen een andere levensbeschouwing. Daarin gaan ondernemerschap en een christelijke geloofsovertuiging hand in hand. Juist die combinatie vormt de kern van de Texaanse ideologie. Elon Musk heeft bijvoorbeeld verklaard dat hij weliswaar niet naar de kerk gaat, maar de ‘leer van Jezus Christus goed en wijs’ vindt. Hij beschouwt zichzelf dan ook als een ‘cultureel christen.’ Joe Lonsdale is joods, maar benadrukt regelmatig dat ‘joods-christelijke waarden’ onmisbaar zijn voor een goed functionerende samenleving. Toen hij naar Texas verhuisde, nam hij het Cicero Institute mee, een denktank voor de vrijemarkteconomie en overheidsbeleid die hij in Californië had opgericht. Eenmaal in Texas hielp hij ook bij de oprichting van de University of Austin, een universiteit die zich richt op het bestuderen van de belangrijkste werken uit de westerse intellectuele en culturele traditie. Voor Lonsdale, net als voor Dunn en in toenemende mate ook voor Musk, moet de technologische samenleving van de toekomst worden gebouwd op een nauwe verwevenheid van religie, politiek en economie. Daarvan profiteren vooral degenen die het beste in staat zijn publieke middelen naar zich toe te trekken en die om te zetten in particuliere winsten.

Die versmelting van religie, politiek en economie vormt de kern van de Texaanse ideologie. Ook in het Californië van de jaren negentig leefde het verlangen naar een ingrijpende, bijna verlossende omwenteling van de samenleving. Maar de Californische ideologie kwam voort uit de tegencultuur, die op zoek was naar een nieuw bewustzijn en nieuwe manieren om de onderlinge verbondenheid van mensen te begrijpen. Het uiteindelijke doel was de beperkingen van de alledaagse politiek te overstijgen. Die spirituele idealen bleken uitermate geschikt om de ontwikkeling van een wereldwijd digitaal netwerk te bevorderen en te rechtvaardigen. De Texaanse ideologie heeft heel andere wortels. Zij is voortgekomen uit twee eeuwen grondstoffenwinning in het hart van de Amerikaanse Bible Belt, waar het conservatieve christendom diep in de samenleving is verankerd. In deze wereldbeschouwing ligt de nadruk minder op de christelijke plicht om voor de zwaksten in de samenleving te zorgen, en meer op de overtuiging dat er onder ons uitverkoren mensen leven die bijzondere eerbied verdienen. Het christendom van de Texaanse ideologie inspireert dan ook eerder tot de bouw van afgeschermde privélandgoederen dan tot de oprichting van gaarkeukens voor mensen die hulp nodig hebben.

Maar misschien heeft de Texaanse ideologie toch meer gemeen met haar Californische voorganger dan op het eerste gezicht lijkt. Uiteindelijk slaagde de digitale industrie er in Californië immers niet in de beloofde gelijkwaardige samenleving tot stand te brengen. Integendeel, de groeiende ongelijkheid droeg bij aan de dakloosheid die zo zichtbaar is in de straten van San Francisco. Ook in Texas zouden de economische tegenstellingen die de staat al zo lang kenmerken, op den duur weleens zwaarder kunnen gaan wegen dan de eigenbelangen van de machtige technologieondernemers. Als het onderwijs verder achteruitgaat, woningen steeds onbetaalbaarder worden en het christelijk nationalisme een steeds beklemmender stempel op de samenleving drukt, komen de Texanen misschien uiteindelijk in opstand. Wellicht vinden zij dan een manier om een einde te maken aan de manipulatie van de kiesdistrictgrenzen door de Republikeinen en de huidige machthebbers uit het zadel te wippen.

Ondertussen begint de Texaanse ideologie ook in Californië voet aan de grond te krijgen. In februari 2025 publiceerde de Stanford Review, een conservatief studentenblad dat ooit mede werd opgericht door Peter Thiel, de voormalige mentor van Lonsdale, een essay met de titel ‘Manifest Destiny is het tegengif tegen bureaucratie.’ De auteurs grijpen terug op de geschiedenis van Texas om hun pleidooi te onderbouwen voor vergaande deregulering van de industrie, meer vrijheid voor ondernemerschap en technologische innovatie, en zelfs de verovering van Groenland en Mars. ‘Zonder de mogelijkheid om steeds nieuwe gebieden te ontginnen, zouden de elites het land hebben gemonopoliseerd en de vooruitgang hebben tegengehouden, zoals in Europa is gebeurd,’ schrijven ze. ‘Tijdens de oliehausse konden wildcatters dankzij de soepele regelgeving in Texas vrijwel onbelemmerd naar olie boren. Dat maakte de opkomst van bedrijven als Exxon, Shell en Texaco mogelijk. Meer recent kon SpaceX grote technologische doorbraken realiseren, terwijl de innovatie in sectoren als de luchtvaart en de auto-industrie stagneerde. Dat kwam juist doordat de ruimtevaart een vrijwel ongereguleerd terrein bleef, waar nieuwe grenzen konden worden verlegd.’

Volgens de auteurs van het essay moet de overheid, zoals generaties technologieondernemers al hebben bepleit, slechts de basisregels vaststellen voor het verkennen en ontginnen van nieuwe gebieden, om zich vervolgens zo veel mogelijk terug te trekken. Het succes van Amerika zal daarbij niet worden afgemeten aan de mate van gelijkheid tussen zijn inwoners. Integendeel: vooruitgang ontstaat pas wanneer de juiste mannen alle vrijheid krijgen om nieuwe gebieden te verkennen en hun rijkdommen te exploiteren. Alleen als die mannen ongehinderd de uitgestrekte vlakten kunnen doorkruisen, zullen ze olie vinden. En alleen door die olie te winnen, zal Amerika uiteindelijk de bestemming vervullen die God voor het land heeft uitgestippeld.

Vertaling: Menno Grootveld

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *