Categorieën
Filosofie Politiek

De Paus en de Antichrist

Oorspronkelijke tekst (Engels): First Things, 15 juli 2026

fotografie: Gage Skidmore

door Peter Thiel en Sam Wolfe

Peter Thiel is een technologieondernemer, auteur en investeerder.

Sam Wolfe is onderzoeker en schrijver bij Thiel Capital.

Onlangs hield ik in Rome een serie lezingen over de Antichrist. Dat onderwerp fascineert me om diverse redenen, vooral omdat vrijwel niemand er nog over spreekt – iets wat gedurende het grootste deel van de christelijke geschiedenis juist zou zijn opgevat als een duidelijk teken dat zijn komst nabij was (2 Petrus 3:3–4). Ik had verwacht dat de Kerk mijn lezingen zou negeren. Ik ben geen katholiek, de bijeenkomsten waren niet openbaar en bovendien leek het onderwerp mij ver, ver buiten de grenzen te liggen van wat tegenwoordig als bespreekbaar wordt beschouwd.

Mijn verwachting bleek niet uit te komen. De zwerm paparazzi voor de – in theorie geheime – locatie van de lezingen deed al vermoeden dat de bijeenkomsten minder besloten waren dan ik had gehoopt. Na de eerste lezing liet mijn staf me weten dat de Italiaanse pers er opvallend veel belangstelling voor had. Een priester die de lezing zelf niet had bijgewoond, vroeg zich zelfs publiekelijk af of ik wegens ketterij op de brandstapel moest worden gezet – al ging het volgens hem om politieke ‘ketterij tegen de liberale consensus.’

Ik vertel dit niet om mezelf op de borst te kloppen of uit zelfmedelijden, maar omdat het me meer begrip deed krijgen voor paus Benedictus XVI. Laat me uitleggen waarom. Ik was niet naar Rome gekomen met de bedoeling katholieker te zijn dan de paus. Maar zelfs als protestant hoopte ik wel katholieker te zijn dan de gemiddelde katholiek. Om daaraan te voldoen, zo betoogde ik in mijn lezingen, hoef je eigenlijk alleen maar goed naar paus Benedictus te luisteren – niet alleen wanneer hij ex cathedra sprak, maar ook wanneer hij zich sotto voce, op gedempte toon, uitliet. Wie goed luistert, hoort hem eerst fluisteren en uiteindelijk schreeuwen: de wereld loopt ten einde.

Benedictus geloofde dat hij in de eindtijd leefde. Dat is een schokkende gedachte, vooral omdat hij er pas in de laatste jaren van zijn leven openlijk over begon te spreken. Hij had het pausdom toen al neergelegd, zijn bondgenoten waren uit de leiding van het Vaticaan verwijderd en vrijwel niemand luisterde nog naar hem. Waarom hij zo lang heeft gewacht, zullen we nooit weten. Misschien was hij bang zijn gezag te ondermijnen, dat voor een belangrijk deel berustte op zijn academische briljantheid. En weinig klinkt in academische kringen minder respectabel dan het verkondigen van de naderende ondergang van de wereld. Een welwillender verklaring is dat Benedictus misschien vreesde dat zijn apocalyptische voorspellingen zichzelf zouden waarmaken: dat ze de gelovigen in verwarring zouden brengen en hen juist van de Kerk zouden vervreemden.

Ironisch genoeg zou juist een openhartig gesprek over het apocalyptische karakter van onze tijd waarschijnlijk de meeste weerklank hebben gevonden bij jongeren. Zij zijn zich immers sterk bewust van, en bezorgd over, existentiële dreigingen als klimaatverandering, kunstmatige intelligentie, demografische neergang en kernwapens. Benedictus had hun kunnen uitleggen hoe de Bijbel de apocalyps beschrijft, met inbegrip van de totalitaire ‘vrede en veiligheid’ die eraan vooraf zouden gaan. Zo’n gesprek had ook redenen voor hoop kunnen bieden, terwijl we proberen de moed te vinden om ‘niet in verwarring te raken’ (Mattheüs 24:6). Het is moeilijk iemand voor te stellen die beter geschikt was geweest om zo’n gesprek te leiden dan Benedictus. Nu zullen we het zonder hem moeten doen.

Het is niet aan mij om de Kerk te vertellen hoe laat het is. Benedictus heeft dat al gedaan, zoals Sam Wolfe en ik in dit essay proberen duidelijk te maken. Mijn bescheiden hoop is dat anderen zullen slagen waar Benedictus tekortschiet: in het beantwoorden van de vraag hoe we, nu we een tijdperk van duisternis tegemoet gaan, ons geloof in de toekomst kunnen hervinden.

De eschatologie – de leer over de laatste dingen en het einde der tijden – fascineerde de jonge Joseph Ratzinger. Soms gaat achter een biografie ook een autobiografie schuil. Dat is een gedachte die we in het achterhoofd moeten houden bij het lezen van Ratzingers werk uit 1957, The Theology of History in St. Bonaventure, zijn Habilitationsschrift, waarmee hij zich binnen het Duitse universitaire stelsel kwalificeerde voor een hoogleraarschap. Daarin schreef hij dat ‘Bonaventura’s theologie van de geschiedenis getuigt van een worsteling om tot een juist begrip van de eschatologie te komen. […] De theologie van de geschiedenis vormt geen afzonderlijk onderdeel van Bonaventura’s denken. Integendeel, zij hangt nauw samen met de fundamentele filosofische en theologische keuzes die ten grondslag lagen aan zijn betrokkenheid bij de felle controverses van de jaren 1260 en 1270.’ Ratzinger besteedde aandacht aan deze ‘controverses’ omdat hij meende dat het ‘niet moeilijk zou zijn om parallellen met het heden te trekken,’ zelfs zeven eeuwen later. ‘Juist op dit moment,’ voegde hij eraan toe, ‘heeft de theologie alle reden om in contact te blijven met haar eigen geschiedenis.’ Toch koos hij ervoor die parallellen en redenen niet nader uit te werken. ‘Het is de taak van de historicus zijn bevindingen te presenteren, en niets anders dan zijn bevindingen,’ schreef hij. Tegelijkertijd gaf hij toe dat deze zelfopgelegde beperking hem niet altijd makkelijk viel: ‘Soms heeft deze beperking mij dwarsgezeten.’

Wat de beperkingen ervan ook mogen zijn, Ratzingers uiteenzetting over Bonaventura getuigt van zijn uitzonderlijke intellectuele kracht. Hij weet de complexe middeleeuwse denkwereld van Bonaventura toegankelijk te maken voor de moderne lezer. Naarmate zijn betoog vordert, lijkt Ratzinger steeds dichter bij een antwoord te komen op vragen waaraan de Kerk eeuwenlang nauwelijks aandacht heeft besteed – vragen die raken aan het mysterieuze hart van het christendom. Daar ligt ook het vraagstuk waaraan Ratzinger het laatste deel van zijn verhandeling wijdde: hoe en wanneer zal de wereld ten einde komen?

De apocalyptische profetieën van de twaalfde-eeuwse abt Joachim van Fiore zorgden voor grote verdeeldheid binnen de Kerk. Volgens Joachim weerspiegelde de loop van de geschiedenis de goddelijke drie-eenheid en zou de komst van de Antichrist – de laatste tiran die over de wereld zou heersen – spoedig het derde tijdperk inluiden. Zijn volgelingen meenden zelfs het jaar te kunnen aanwijzen: 1260. Joachim voorspelde bovendien dat deze Antichrist paus zou worden. In zijn weerlegging van de Joachimieten keerde Bonaventura zich tegen hun stellige overtuiging dat zij konden bepalen op welke dag en welk uur de Antichrist zou verschijnen. Maar hij verzette zich ook tegen het andere uiterste: de terughoudendheid van zijn aristotelische rivaal Thomas van Aquino. Volgens Thomas kon ‘geen lange of korte periode worden vastgesteld waarbinnen het einde van de wereld te verwachten is.’ In diens denken, aldus Ratzinger, ‘verdwijnt het eschatologische bewustzijn naar de achtergrond.’

Bonaventura ging nog verder in zijn afwijzing van het averroïstische aristotelisme, dat een belangrijke rol speelde bij de herontdekking van Aristoteles in het Westen. Deze stroming leerde onder meer dat de wereld eeuwig is, dat alles door het noodlot wordt bepaald en dat er uiteindelijk slechts één intellect bestaat. Bonaventura vereenzelvigde deze drie leerstellingen met het getal ‘666’ uit Openbaring 13:18. Ratzinger wijst erop dat vooral de eerste leerstelling – het idee dat de tijd eeuwig voortduurt en de geschiedenis nooit tot een einde komt – voor Bonaventura ‘de oorspronkelijke ketterij en de essentie zelf van het apocalyptische monster’ vormde.

In dit grote debat koos Ratzinger de kant van Bonaventura: onwetendheid over de precieze dag en het uur van de wederkomst van de Heer is geen excuus voor gebrek aan nieuwsgierigheid. Maar wat betreft de implicaties voor de twintigste eeuw en daarna, hield Ratzinger zich stil. Hij legt uit waarom in een voetnoot waarin hij zijn promotor, Gottlieb Söhngen, citeert: ‘In het geval van Bonaventura zien we hoe moeilijk het is om [apocalyptische] beelden binnen de juiste grenzen te houden. Apocalyptische beelden zijn als een stortvloed die over de oevers stroomt en moeilijk in bedwang te houden is. En ondanks alle pogingen om de beeldspraak te verzachten, overheerst de apocalyptische toon. Zelfs een Mozart kan een trompet niet laten vergeten dat hij als een trompet moet klinken!’

Met andere woorden: wees voorzichtig met het verkondigen van voorspellingen over de apocalyps. Als Ratzinger ooit de stap zou zetten van de academische eschatologie naar de concrete politiek en de rol daarvan in het einde der tijden, zou hij dat uiterst behoedzaam doen. Zo behoedzaam zelfs dat hij, wanneer hij het onderwerp ter sprake bracht, zijn promotor citeerde, die op zijn beurt over een andere theoloog sprak.

De filosofie kan soms hopeloos ver verwijderd lijken van de concrete werkelijkheid van politiek en wetenschap. Ratzinger zag dat anders. Voor hem waren filosofie en theologie twee elkaar aanvullende manieren om God en de werkelijkheid als geheel te begrijpen – en daarmee ook politiek en wetenschap. Vanuit die overtuiging benoemde Ratzinger in 1969 tijdens een radio-uitzending verschillende ‘crises’ die de Kerk teisterden. De positivistische ondermijning van ‘de vraag naar het bestaan van God’ vormde volgens hem de voedingsbodem voor ‘de crisis van het heden,’ ‘de crisis in ons begrip van de werkelijkheid,’ ‘de algemene crisis van het denken’ en ‘de crisis van het modernisme.’ Deze crises van geest en geloof zouden, zo voorspelde hij, de Kerk binnen afzienbare tijd sterk doen krimpen:

Uit de crisis van vandaag zal de Kerk van morgen tevoorschijn komen – een Kerk die veel zal hebben verloren. Zij zal kleiner worden en in zekere zin opnieuw moeten beginnen. […] Het zal een meer spirituele Kerk zijn, die geen aanspraak maakt op een politiek mandaat.

Zou een terugkeer naar de contemplatieve, politiek terughoudende Kerk van de eerste eeuwen ook een terugkeer naar millenaristische verwachtingen betekenen, of misschien zelfs de vervulling daarvan? Zowel Joachim als Bonaventura dachten van wel en voorspelden dat de Kerk zich in haar laatste dagen zou terugtrekken in contemplatie. Maar net als in zijn Habilitationsschrift liet Ratzinger het aan anderen over om te beoordelen hoe serieus hij deze mogelijkheid zelf nam. Zijn boek uit 1977, Eschatology, begint met de constatering van opnieuw een ‘crisis’ – de ‘opkomende crisis van de Europese beschaving’ – en bevestigt de traditionele orthodoxe eschatologie, waaronder de uiteindelijke komst van een laatste Antichrist, voorafgegaan door herkenbare tekenen. Maar net als The Theology of History in St. Bonaventure besteedt Eschatology nauwelijks aandacht aan concrete aardse ontwikkelingen. Het boek keert zich scherp tegen het optimisme van de bevrijdingstheologie, maar onthoudt zich verder grotendeels van politiek commentaar.

Elf jaar later kreeg een publiek in Manhattan een minder terughoudende Ratzinger te horen. Richard John Neuhaus, oprichter en hoofdredacteur van First Things, had hem naar New York uitgenodigd om de Erasmus-lezing van 1988 te houden. Ratzinger opende zijn lezing, ‘Biblical Interpretation in Crisis,’ met de volgende woorden: ‘In Vladimir Solovjovs History of the Antichrist maakte de eschatologische tegenstander van de Verlosser indruk op de gelovigen […] doordat hij in Tübingen was gepromoveerd in de theologie en een exegetisch werk had geschreven dat op dit terrein als baanbrekend gold.’ Vervolgens richtte Ratzinger zijn kritiek op de exegeten Martin Dibelius en Rudolf Bultmann. Als hij hoopte dat zijn publiek de crisis in de bijbelinterpretatie zou verbinden met een wereldhistorische, apocalyptische crisis die zich aan de horizon aftekende – en Dibelius en Bultmann daarmee als handlangers van de Antichrist zou beschouwen – dan liet hij het aan zijn toehoorders over om die conclusie zelf te trekken. Wel gaf Ratzinger nog een aanwijzing. In het reductionistische, historische beeld van Jezus dat Dibelius en Bultmann volgens hem schetsten, ‘moeten alle apocalyptische, sacramentele en mystieke elementen worden weggesneden.’

Toen Benedictus paus werd, richtten zijn knipogen en toespelingen zich niet langer alleen tot kardinalen en boekenwurm-theologen, maar tot de hele wereld. Benedictus bracht de Antichrist in de krantenkoppen toen hij kardinaal Giacomo Biffi uitnodigde om de vastenmeditaties van 2007 te verzorgen voor de hoogste kringen van het Vaticaan. Biffi had tijdens zijn ambtsperiode als aartsbisschop van Bologna regelmatig over de Antichrist gesproken. Hij ging dan ook op Benedictus’ verzoek in en hield achter gesloten deuren een lezing over Solovjovs voorstelling van de Antichrist. De lovende woorden waarmee Benedictus daarop reageerde, zijn veelzeggend: ‘U [Biffi] hebt ons een bijzonder scherpzinnige en nauwkeurige diagnose van onze huidige situatie gegeven. Bovenal hebt u ons laten zien dat achter zoveel verschijnselen van onze tijd, die ver verwijderd lijken van religie en van Christus, toch een vraag, een verwachting en een verlangen schuilgaan.’

Later datzelfde jaar kwam Benedictus in zijn encycliek Spe Salvi (‘Gered door hoop’) opnieuw op de Antichrist terug. Ditmaal citeerde hij enkele, voor zijn doen opvallend apocalyptische woorden van Immanuel Kant: ‘Mocht het christendom op een dag niet langer liefde waard zijn […] dan zou de overheersende houding van het menselijk denken er een zijn van afwijzing en verzet ertegen; en de Antichrist […] zou zijn – zij het korte – heerschappij beginnen.’ In dezelfde encycliek schreef Benedictus: ‘Het geloof in Christus heeft nooit uitsluitend achterom of omhoog gekeken, maar altijd ook vooruit, naar het uur van gerechtigheid dat de Heer herhaaldelijk heeft aangekondigd. Juist deze blik op de toekomst heeft het christendom zijn betekenis voor het heden gegeven’ (nadruk toegevoegd).

Met zulke apocalyptische uitbarstingen klinkt Benedictus bijna als een ‘vuur-en-zwavel’-predikant uit de traditie van de Southern Baptists. Hoewel dergelijke uitspraken zeldzaam zijn, is het opmerkelijk dat ze vrijwel vergeten zijn geraakt tussen zijn zesenzestig boeken en talloze toespraken. Niet iedereen zag ze echter over het hoofd. De filosoof Giorgio Agamben begreep Benedictus als weinig anderen. Hij beschouwde diens aftreden als een voorteken van het einde en als de uiteindelijke uitdrukking van Benedictus’ jarenlange fascinatie voor de theoloog Tyconius. In zijn boek uit 2017, The Mystery of Evil, wijst Agamben op de bewondering van de jonge Ratzinger voor Tyconius’ theorie van een ‘tweedelige Kerk,’ waarin zowel Christus als de Antichrist aanwezig zijn – ‘fusca sum et decora’ (‘donker ben ik en mooi,’ Hooglied 1:5) – en die zich aan het einde der tijden in tweeën zal splitsen. Toen zijn biograaf Peter Seewald hem in 2018 vroeg of Agamben gelijk had dat Benedictus’ aftreden moest worden opgevat als ‘een wake-upcall voor het eschatologische bewustzijn,’ sprak de emerituspaus dat niet tegen.

In onze samenleving, waarin ouderen steeds langer de macht in handen houden, is tachtig het nieuwe achttien: de leeftijd waarop je je eindelijk als een onverantwoordelijke volwassene kunt gedragen en vrijuit kunt zeggen wat je denkt. Op hoge leeftijd begon Benedictus zich dan ook uit te spreken met een openhartigheid die hij tot dan toe vooral voor zijn meest vertrouwde lezers had bewaard. In hetzelfde interview uit 2018 zei hij tegen Seewald: ‘De moderne samenleving verkondigt een antichristelijke geloofsbelijdenis. Wie zich daartegen verzet, wordt bestraft met sociale uitsluiting. Het is dan ook begrijpelijk dat we deze geestelijke macht van de Antichrist vrezen. Om er weerstand aan te kunnen bieden, hebben we werkelijk de steun nodig van de gebeden van een heel bisdom en van de wereldkerk.’ Drie jaar eerder had de Slowaakse politicus Vladimír Palko onverwacht een brief van Benedictus ontvangen, waarin deze zijn boek Die Löwen kommen (‘De leeuwen komen’) prees. In die brief schreef Benedictus: ‘We zien hoe de macht van de Antichrist zich steeds verder uitbreidt. We kunnen alleen maar bidden dat de Heer ons krachtige geestelijke leiders schenkt, die zijn kerk in deze moeilijke tijd zullen beschermen tegen de machten van het kwaad.’

Wie zich lang genoeg in de figuur van de Antichrist verdiept, zal vroeg of laat iemand op het oog krijgen die daarvoor in aanmerking komt. Benedictus weerstond de verleiding om zijn vermoedens openlijk uit te spreken en een naam te noemen. Toch liet hij enkele aanwijzingen achter. Een mogelijke kandidaat is natuurlijk de hervormingsgezinde paus die hem opvolgde. Volgens Joachim zou de Antichrist het pausdom overnemen na het aftreden van een deugdzame paus. Sommige aanhangers van Joachim meenden dat paus Celestinus V, die net als Benedictus op vijfentachtigjarige leeftijd aftrad, die deugdzame paus was. Zijn opvolger, Bonifatius VIII, zou dan de Antichrist zijn geweest. Benedictus kende deze geschiedenis toen hij in 2009 zijn pauselijke pallium op het graf van Celestinus legde. Een week eerder had hij nog een lezing gehouden over de opvatting van Tyconius dat de Kerk uit twee delen bestaat. Beschouwde Benedictus zijn opvolger, paus Franciscus, werkelijk als de Antichrist?

Hoe verleidelijk deze theorie ook mag zijn, Benedictus had iemand anders op het oog. In het werk van Solovjov is de Antichrist een liberale theoloog, sterk beïnvloed door de filosofie van Nietzsche. Zoals Benedictus in zijn Erasmus-lezing opmerkte, weet deze figuur zijn volgelingen mede voor zich te winnen dankzij een eredoctoraat in de theologie van de Universiteit van Tübingen. Dat laatste detail amuseerde Benedictus. Hij kwam er opnieuw op terug in zijn boek uit 2007, Jezus van Nazareth. Misschien vond hij het zo opmerkelijk omdat hij zelf tussen 1966 en 1969 aan de Universiteit van Tübingen had gedoceerd. Maar wie het daarbij laat, ziet de subtielere boodschap over het hoofd die Benedictus hiermee wilde overbrengen.

Hans Küng was een charismatische priester en een collega van Ratzinger aan de Universiteit van Tübingen, waar hij van 1960 tot 1996 doceerde. Op vierendertigjarige leeftijd behoorde hij tot de jongste periti (theologische deskundigen) van het Tweede Vaticaans Concilie, dat veel van zijn aanbevelingen overnam. ‘Nooit meer zou een theoloog zo veel invloed hebben,’ merkte Vaticaankenner Peter Hebblethwaite op. Later pleitte Küng voor euthanasie en verwierp hij de leer van de pauselijke onfeilbaarheid. Hij werd door president John F. Kennedy hartelijk ontvangen in het Witte Huis en begeleidde Tony Blair bij diens bekering tot het katholicisme. Paus Johannes Paulus II verbood hem uiteindelijk nog langer als katholiek theoloog te doceren. Küng oefende op de Kerk meer invloed uit dan menige paus.

Küngs idee van een Weltethos, een universele ethiek die de verschillende wereldreligies met elkaar zou verbinden, vormde de basis voor de agenda van het Parlement van Wereldreligies, dat in 1993 in Chicago bijeenkwam. De katholieke filosoof Robert Spaemann, een goede vriend van Benedictus die ook lezingen had gegeven over Solovjovs verhaal over de Antichrist, uitte in 1996 scherpe kritiek op dit idee in zijn essay ‘Weltethos als Projekt.’ ‘Boven dit alles,’ schreef Spaemann, ‘zweefde de naam van een hoogleraar theologie uit Tübingen.’

Net als de Antichrist, wiens leus ‘vrede en veiligheid’ luidt (1 Thessalonicenzen 5:3), stelde Küngs Weltethos de wereldvrede centraal. Zijn uitgangspunt was: ‘Geen vrede tussen de naties zonder vrede tussen de religies. Geen vrede tussen de religies zonder dialoog tussen de religies.’ Ook in het verhaal van Solovjov onderscheidt de Antichrist zich van Christus door zijn nadruk op vrede. ‘Christus bracht het zwaard’, zegt hij. ‘Ik zal vrede brengen.’ Hij verwijt Christus dat hij ‘de mensheid verdeelt door het onderscheid tussen goed en kwaad’ en ‘de aarde bedreigt met de Dag des Oordeels.’ Volgens Spaemann ontmoedigt ‘Küngs afgezwakte versie van het christendom’ op vergelijkbare wijze elke gedachte aan de eindtijd. ‘Jezus,’ schrijft hij, ‘verwachtte beslist niet dat zijn toehoorders opgelucht zouden glimlachen wanneer hij over het Laatste Oordeel sprak.’ Maar Küng gaat nog een stap verder. Hij laat niet alleen het idee van de Apocalyps los, maar gaat ook voorbij aan Christus’ waarschuwing dat ‘als die dagen niet zouden worden verkort, geen mens gered zou worden.’ Met andere woorden: Küng vraagt ons de Antichrist en de Grote Verdrukking uit ons denken te bannen. Deze wereld is alles wat we hebben, en het is aan ons om haar te redden. Zonder een gedeelde wereldwijde ethiek, zonder Weltethos, kan de mensheid volgens Küng niet overleven.

In het verhaal van Solovjov weet de Antichrist mensen voor zich te winnen met een bestseller, De open weg naar universele vrede en welvaart. Het boek ‘behandelde alles en bood voor ieder probleem een oplossing. Het combineerde een diep respect voor oude tradities en symbolen met een brede, gedurfde en radicale visie op maatschappelijke en politieke vraagstukken. Het verenigde een onbeperkte vrijheid van denken met een diepe waardering voor het mystieke. Een uitgesproken individualisme ging hand in hand met een hartstochtelijke inzet voor het algemeen welzijn. En verheven idealen werden moeiteloos verbonden met heldere, praktische oplossingen voor de dagelijkse levensbehoeften.’ Spaemann beschrijft Küngs Weltethos in opvallend vergelijkbare bewoordingen: ‘Hij heeft ieder mogelijk bezwaar al van tevoren overwogen. Zijn benadering is die van de “redelijke middenweg”: tussen ongebonden vrijheid en starre gehoorzaamheid aan regels, tussen hebzucht en minachting voor bezit, tussen genotzucht en zelfverloochening, tussen zinnelijk genot en afkeer van het lichamelijke, tussen wereldse betrokkenheid en afwijzing van de wereld, tussen rationalisme en irrationalisme,’ enzovoort.

Ratzinger vond Spaemanns argumenten kennelijk zo overtuigend dat hij tijdens een debat met Jürgen Habermas in 2004 niet zelf de moeite nam om Küngs opvattingen te weerleggen, maar zijn lezers eenvoudigweg verwees naar Spaemanns essay.

De stille strijd die Benedictus tegen Küng voerde en die in de jaren zestig in Tübingen begon, is slechts de meest recente episode in een intellectuele en theologische strijd die al sinds de dertiende eeuw woedt. Eerder stonden denkers als Solovjov en Nietzsche tegenover elkaar, en vóór hen Bonaventura en Thomas van Aquino. Zij discussieerden over fundamentele vragen die, in hun ogen, bepalend waren voor het lot van de wereld. Voor Ratzinger en Spaemann zou het dan ook nauwelijks een verrassing zijn geweest als de Antichrist zich uiteindelijk had aangediend in de gedaante van een collega-theoloog als Küng.

Inmiddels zijn alle drie deze mannen overleden. Het idee dat de Antichrist ergens op een universiteit achter zijn bureau zou zitten schrijven, doet tegenwoordig achterhaald en zelfs belachelijk aan. Vrijwel niemand schrijft of denkt nog met de subtiliteit en intellectuele kracht van deze drie mannen. En mocht iemand dat wel doen, dan zou het waarschijnlijk niemand opvallen. Benedictus’ overtuiging dat ideeën altijd van wezenlijk belang zouden blijven, was misschien een meesterlijke vergissing, maar het bleef een vergissing. Wellicht besefte Benedictus in zijn laatste jaren, toen hij zich steeds vrijer begon uit te spreken, dat de wereld de academische debatten waaraan hij zijn gezag en aanzien ontleende, allang achter zich had gelaten. Misschien zag hij in dat alleen een denker van de ‘Stille Generatie,’ zoals Giorgio Agamben, hem nog enigszins kon begrijpen. Dat de academische wereld allang geen geestverwanten als Spaemann of intellectuele tegenstanders als Küng meer voortbracht. En dat onze samenleving zowel haar belangstelling voor het verleden als haar vertrouwen in de toekomst had verloren.

We kunnen Benedictus als wetenschapper vergeven dat hij dacht dat de wereld waarin hij leefde eeuwig zou voortbestaan. Maar voor Benedictus als christen was dat een ernstige vergissing. Plato, Aristoteles en de filosofen die na hen kwamen, schreven tussen de regels door over de eeuwige vragen van het menselijk bestaan. Zij richtten zich niet alleen tot hun briljante tijdgenoten, maar ook tot iedereen die, waar en wanneer dan ook, bereid was diep na te denken. Zij gingen ervan uit dat de wereld eeuwig zou blijven bestaan en twijfelden er niet aan dat er ook in de toekomst nieuwe generaties studenten zouden opstaan, met voldoende intelligentie en tijd om zich te wijden aan het langdurige, moeilijke, maar altijd bevredigende werk van filosofische interpretatie. Een christen weet echter dat niets eeuwig voortduurt. De wereld heeft immers een begin en een einde. Uiteindelijk zal de Apocalyps aanbreken: het moment waarop alle geheimen worden onthuld en aan iedere interpretatie een einde komt. Er is een tijd en een plaats voor esoterisch denken, waarbij de diepere betekenis verborgen blijft en alleen voor ingewijden toegankelijk is. Daartegenover staat de openbaring, die juist onthult wat verborgen was. Maar wanneer het gaat om het lot van de wereld en het heil van onze zielen, is terughoudendheid niet op haar plaats. Want als de tijd dringt en het uur van de waarheid nadert, wie kan dan nog verwachten zijn verlossing te vinden in filosofische omzichtigheid en stilzwijgen?

Vertaling: Menno Grootveld

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *