Categorieën
Politiek

Israël: van uitzetting tot etnische zuivering

Oorspronkelijke tekst (Engels): Le Monde diplomatique, mei 2026

fotografie: Wikimedia Commons

door Ilan Pappé

Ilan Pappé is een Israëlische historicus en politiek wetenschapper

Hoe een beweging om joden te redden en het jodendom te moderniseren veranderde in een koloniaal nederzettingsproject

Zionistische leiders hebben lange tijd gediscussieerd over de vraag of Palestijnen ertoe konden worden bewogen vrijwillig te vertrekken, of dat hun vertrek alleen met geweld kon worden afgedwongen. Vanaf het midden van de jaren twintig, toen steeds meer land werd aangekocht en de spanningen opliepen, kregen deze ideeën steeds vastere voet aan de grond

Halverwege de jaren twintig veranderde de koers van de zionistische beweging. Het ging niet langer uitsluitend om het streven naar een thuisland waar joden veilig zouden kunnen leven, afhankelijk van de bescherming van grotere imperiale mogendheden. Steeds nadrukkelijker richtte de beweging zich op de kolonisatie van Palestina, waarbij de inheemse bevolking zonder veel terughoudendheid van haar land werd verdreven. Bovendien ging de beweging deze onteigening steeds meer beschouwen als noodzakelijk voor de verwezenlijking van een joods thuisland.

Tegen 1926 had de zionistische beweging de bestaande verhoudingen rond grondbezit, die teruggingen tot de Ottomaanse hervormingen van het midden van de negentiende eeuw, ingrijpend veranderd. Door deze hervormingen hoefde grond niet langer uitsluitend van de staat te worden gepacht en konden vermogende particulieren grond in eigendom verwerven. Daardoor kwamen grote stukken land in handen van een kleine groep grootgrondbezitters. Velen van hen woonden buiten Palestina en waren zogenoemde afwezige landeigenaren. Een kleiner deel behoorde tot de Palestijnse elite.

Wanneer land van eigenaar wisselde, maakten de dorpen en hun bewoners in zekere zin deel uit van die overdracht. Volgens het gewoonterecht hadden de dorpsbewoners bepaalde verplichtingen tegenover de landeigenaar, maar van hen werd niet verwacht dat zij het land zouden verlaten. Dat veranderde pas toen het Britse bestuur de regels aanpaste. In 1920 schaften de Britten om te beginnen veel van de bestaande beperkingen op de aankoop van grond af. Hoewel zij, vanwege het Palestijnse verzet, enkele beperkingen stelden aan grondaankopen door zionistische organisaties, betekende dit in de praktijk dat de zionistische beweging zoveel land kon kopen als haar financiële middelen toelieten. Daarnaast classificeerden de Britten Palestijnse dorpelingen, van wie velen al generaties lang dezelfde grond bewerkten, voortaan als pachters. Daarmee werd hun recht om op het land te blijven afhankelijk van de toestemming en welwillendheid van de landeigenaar.

Tussen 1921 en 1925 kocht de American Zion Commonwealth ongeveer 33 hectare grond in het toenmalige Marj ibn Amr, tegenwoordig bekend als de Jezreelvallei, van de in Beiroet gevestigde familie Sursock. In 1929 verwierf het Joods Nationaal Fonds vervolgens ongeveer 3 hectare in het toenmalige Wadi Hawarith, tussen Haifa en Tel Aviv, nadat de erfgenamen van de oorspronkelijke Libanese eigenaar diens schulden niet konden aflossen. In beide gevallen verdreven de nieuwe zionistische kolonisten de dorpelingen en boeren die de grond tot dan toe hadden bewerkt, soms met geweld.

Gedreven door het ideaal dat joden zelf het land zouden bewerken, vroegen zionistische organisaties de Britse autoriteiten om uitzettingsbevelen. Die werden ook verleend. Daarmee begon de etnische zuivering van Palestina, een proces dat tot op de dag van vandaag voortduurt.

Wat ooit begon als een beweging die joden wilde beschermen en het jodendom wilde moderniseren door het vorm te geven als een nationale identiteit naast andere, had zich inmiddels duidelijk ontwikkeld tot een kolonistenproject dat afhankelijk was van de onderwerping van een ander volk. Bij nederzettingskolonialisme streven de kolonisten ernaar de bestaande inheemse samenleving te vervangen door hun eigen samenleving. Door kolonisten die hun eigen cultuur en maatschappelijke orde willen vestigen, wordt de plaatselijke bevolking – die zich duidelijk van hen onderscheidt – gezien als een obstakel dat uit de weg moet worden geruimd. Zo’n proces gaat vrijwel onvermijdelijk gepaard met geweld en wreedheid. In Australië vonden bijvoorbeeld gedurende 140 jaar Britse kolonisatie minstens 270 bloedbaden onder de Aboriginalbevolking plaats.

Het proces draait echter niet alleen om bruut geweld. Kolonisten wissen ook het verleden uit, waardoor het lijkt alsof de geschiedenis pas met hun komst begint. Bestaande tradities en gebruiken verdwijnen, terwijl lokale voedselbronnen worden toegeëigend en vervolgens als onderdeel van de cultuur van de kolonisten worden voorgesteld. Eenvoudig gezegd: het land is niet leeg, dus maken de kolonisten het leeg.

De Australische wetenschapper Patrick Wolfe, gespecialiseerd in nederzettingskolonialisme, omschreef de houding van de kolonisten als de ‘logica van eliminatie.’ Volgens hem is die eliminatie weliswaar niet volledig, maar is het koloniale project er voortdurend op gericht haar te voltooien. Met andere woorden: zolang Israël vasthoudt aan een koloniale mentaliteit, zal vreedzaam samenleven met de Palestijnen niet mogelijk zijn.

Deze acties komen niet uit het niets. Voorafgaand aan en tijdens dergelijke daden van etnische zuivering en genocide bouwen kolonisten een ideologische rechtvaardiging op en proberen zij daarvoor een consensus te creëren. Ze schrijven over hun bedoelingen, soms openlijk, soms meer verhuld. Die denkwereld komt zelfs tot uiting in ogenschijnlijk onschuldige cultuurvormen, zoals de schilderkunst. Zo schilderden vroege zionistische kunstenaars het landschap van hun toekomstige thuisland zonder de Palestijnse dorpen die daar in werkelijkheid lagen af te beelden.

Hoe rechtvaardigden kolonisten hun houding tegenover de inheemse bevolking? Zoals bij veel andere koloniale projecten gebeurde dat door de oorspronkelijke bewoners te ontmenselijken en hen af te schilderen als ‘wilden’ of ‘primitieven.’ Een bijzonder hardnekkig beeld was dat Palestijnen ‘nomaden’ zouden zijn: mensen zonder werkelijke binding met het land. Dit terwijl veel Palestijnse dorpen al duizenden jaren bestonden. Tegelijkertijd presenteerden de kolonisten hun eigen streven als een nobele onderneming. Zij beweerden een achtergebleven gebied de voordelen van modernisering en ‘beschaving’ te brengen.

Maar nederzettingskolonialisme verschilt op één cruciaal punt van het klassieke kolonialisme. Klassieke kolonialisten zagen zichzelf als de brengers van moderniteit aan de ‘wilden.’ Nederzettingskolonisten beschouwden zichzelf daarentegen vooral als moderniseerders van het land, niet van de bevolking die er woonde. Die bevolking vormde in hun ogen een obstakel dat uit de weg moest worden geruimd. Ook vandaag de dag wordt in Israël nog vaak de mythe herhaald dat Palestina vóór de komst van de zionisten weinig meer was dan een uitgestrekte woestenij, die zij vervolgens ‘tot bloei brachten.’

Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, herhaalde dit oude cliché in haar felicitatieboodschap ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van Israël. Palestina was echter allerminst een woestijn, en de mensen die er woonden waren evenmin primitieve nomaden. Hoewel dergelijke voorstellingen werden verspreid om het zionistische project aantrekkelijker te maken voor joden in Europa en elders, waren zionistische denkers zich er terdege van bewust dat Palestina een inheemse bevolking had met wie zij rekening moesten houden.

Al lang vóór de jaren twintig bespraken zionistische leiders al hoe de Palestijnse bevolking kon worden verdreven. Sommige zionistische ideologen hoopten dat Palestijnen vrijwillig naar naburige Arabische landen zouden emigreren als hun daarvoor een passende financiële vergoeding werd geboden. Als zij daar niet toe bereid waren, bleef gedwongen verhuizing echter een mogelijkheid. Vanaf het midden van de jaren twintig tot 1948 werkten zionistische leiders en activisten deze ideeën steeds verder uit. In 1948 brak het moment aan waarop ze in praktijk konden worden gebracht. Wat aanvankelijk nog betrekkelijk vage ideeën waren geweest, kreeg toen de vorm van een uitgewerkt plan dat zou leiden tot de etnische zuivering van de helft van de Arabische bevolking van Palestina.

De grootschalige landaankopen in de jaren twintig en de daarmee gepaard gaande etnische zuivering van Palestijnen maakten een einde aan een betrekkelijk rustige periode. Tegen het einde van het decennium liepen de spanningen tussen joodse kolonisten en Palestijnen steeds verder op, waarna gewelddadige confrontaties in de jaren dertig steeds vaker voorkwamen. Beide partijen raakten bovendien in conflict met de Britse autoriteiten, die zij ervan beschuldigden onvoldoende bescherming te bieden.

De voortekenen van een naderende ramp waren al duidelijk zichtbaar. Palestijnen die kort daarvoor hun land waren kwijtgeraakt – en waren verdreven van de landbouwgrond die zij zelf vruchtbaar hadden gemaakt – zagen zich gedwongen naar de steden te trekken. Zij waren het slachtoffer geworden van zogenaamd ‘socialistische’ zionistische groeperingen die bekendstonden als Hebrew Labour. Deze bewegingen waren ervan overtuigd dat de joden alleen konden moderniseren door zelf productieve arbeid te verrichten.

Daarom wilden zij dat het werk in de landbouw uitsluitend door joden werd verricht. Zelfs joodse werkgevers die Palestijnse landarbeiders in dienst hadden, verzetten zich tegen dit beleid. Het betekende immers dat zij ervaren arbeidskrachten moesten ontslaan en vervangen door kolonisten die soms nog nooit op een echte boerderij hadden gewerkt. Landeigenaren die zich hiertegen verzetten, werden echter onder druk gezet en publiekelijk aan de schandpaal genageld, totdat zij uiteindelijk toegaven. Zo trokken steeds meer Palestijnen, berooid en van hun land verdreven, naar de steden op zoek naar werk.

In 1929 liepen de spanningen op catastrofale wijze uit de hand tijdens wat onder Palestijnen bekendstaat als de Al-Buraq-opstand (thawrat al-buraq). Op 15 augustus organiseerden leden van de Haganah en revisionistische zionisten, geïnspireerd door Ze’ev Jabotinsky, demonstraties bij de Klaagmuur. Een dag later volgden islamitische tegendemonstraties. Gedurende de daaropvolgende week vonden gewelddadige confrontaties tussen moslims en joden plaats. Op 23 augustus, na het islamitische vrijdaggebed, werden zeventien joden gedood. Dit ontketende een kettingreactie van geweld, waarbij binnen een week 133 joden en 116 Palestijnen om het leven kwamen. Het geweld bleef niet beperkt tot Jeruzalem, maar verspreidde zich naar andere steden. Het beruchtste voorbeeld was het bloedbad van Hebron op 24 augustus 1929. De joodse gemeenschap van Hebron vormde een kleine minderheid die al eeuwen vóór de opkomst van het zionisme in Palestina woonde en vreedzaam samenleefde met de plaatselijke moslimgemeenschap. Voor beide gemeenschappen is Hebron een heilige plaats, omdat zich daar volgens hun religieuze tradities het graf bevindt van de profeet Abraham, die zowel door joden als moslims wordt vereerd.

Jonge zionistische jesjivastudenten – studenten aan joodse religieuze scholen – die moderne Europese kleding droegen, werden daarentegen als ongewenste nieuwkomers beschouwd. Toen het nieuws over de confrontaties in Jeruzalem Hebron bereikte, trokken moslims uit omliggende dorpen de stad binnen. Daarbij werden 67 joden vermoord, al wisten sommigen aan het geweld te ontkomen doordat sympathiserende moslimgezinnen hun onderdak boden. Tegenwoordig wordt het bloedbad van Hebron – een gruwelijke misdaad – in het officiële Israëlische discours aangehaald als ‘bewijs’ dat vreedzaam samenleven onmogelijk zou zijn. Ironisch genoeg wordt het daarmee ook gebruikt om latere bloedbaden onder Palestijnen te rechtvaardigen.

Hoewel de directe aanleiding voor de gebeurtenissen van 1929 religieus van aard was, verspreidden de onlusten zich snel en kregen ze een verwoestend karakter toen Palestijnen zagen hoe de bestaande maatschappelijke orde uiteenviel. Het geweld vormde een uitbarsting van frustratie na een decennium waarin de zionistische beweging grote vooruitgang had geboekt. Voor Palestijnen op het platteland werd in die jaren steeds duidelijker wat hun volgens hen te wachten stond: etnische zuivering en doelbewuste verarming.

Naarmate steeds meer Palestijnen uit de landbouw werden verdreven, ontstonden er sloppenwijken. In die van Haifa, in het noorden van Palestina, kreeg een nieuwe vorm van Palestijns verzet tegen het zionisme en de Britse steun daaraan gestalte: de guerrillastrijd. In deze omgeving trad een charismatische prediker naar voren: imam Izz al-Din al-Qassam (1882–1935). Later werden zowel de militaire vleugel van Hamas als de eerste raketten van deze organisatie naar hem vernoemd.

Ook veel seculiere Palestijnse verzetsbewegingen eren zijn nalatenschap, omdat hij de guerrillastrijd introduceerde in het Palestijnse verzet, aanvankelijk in een vrijwel kansloze strijd tegen de Britten. Al-Qassam had in zijn geboorteland Syrië ervaring opgedaan met antikoloniaal verzet. In de sloppenwijken van Haifa wist hij jonge moslims te inspireren om eigen paramilitaire groepen op te richten en zich voor te bereiden op een langdurige strijd tegen het Britse koloniale bewind.

Geconfronteerd met een sterke toename van de joodse immigratie en steeds intensiever toezicht door de Britse autoriteiten zag al-Qassam zich echter gedwongen eerder dan gepland tot actie over te gaan. Op 20 november 1935 hield hij samen met elf medestrijders in de heuvels bij Jenin enkele uren stand tegen een veel grotere Britse troepenmacht. Uiteindelijk werden al-Qassam en vier van zijn medestrijders gedood.

De volgende dag werd in Haifa een algemene staking uitgeroepen. De dood van al-Qassam inspireerde steeds meer jonge Palestijnen om de wapens op te nemen en zich voor te bereiden op een strijd tegen Groot-Brittannië, met als doel de Britse regering te dwingen haar steun aan het zionistische project op te geven. Hoewel de gewapende opstand van al-Qassam weinig kans van slagen had, effende zij de weg voor het beter georganiseerde Palestijnse verzet dat in de tweede helft van de jaren dertig zou ontstaan.

Vertaling: Menno Grootveld

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *