Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 27 april 2026

door Wolfgang Münchau
Wolfgang Munchau is directeur van Eurointelligence en columnist bij UnHerd.
Dollarswaps zijn een slecht teken
Financiële crises zien er nooit precies hetzelfde uit. Wat ze wél gemeen hebben, is een wildgroei aan rare verhalen. Zo gingen er tijdens de beurscrash van 1929 verhalen rond over schoenpoetsers die aandelenadvies gaven op basis van wat ze toevallig hadden opgevangen. Begin deze eeuw dachten beleggers dat ingewikkelde financiële producten en geavanceerde wiskundige modellen het veilig maakten om te beleggen in risicovolle hypotheekproducten. De dwaasheid van dit soort verhalen wordt beschreven in het boek This Time is Different van Kenneth Rogoff en Carmen Reinhart. Financiële euforie ontstaat vaak doordat mensen vergeten wat er in het verleden is misgegaan.
De ‘schoenpoetser’ van nu is bijvoorbeeld de Amerikaanse soldaat die vierhonderdduizend dollar inzette op Polymarket, een wedplatform, in de verwachting dat de Venezolaanse president Nicolás Maduro in januari gearresteerd zou worden. Maar het vreemdste verhaal is misschien wel iets dat veel mensen hebben gemist, omdat het verstopt zit in de financiële pagina’s. De Amerikaanse minister van Financiën, Scott Bessent, heeft gezegd dat diverse Golfstaten – waaronder de Verenigde Arabische Emiraten – hebben gevraagd om zogeheten dollarswaplijnen met de Verenigde Staten. Bij een swap spreken twee partijen af om valuta uit te wisselen: in dit geval Amerikaanse dollars tegen de munt van de Emiraten, de dirham. Een swaplijn betekent dat de Emiraten op elk moment zo’n ruil kunnen activeren, bijvoorbeeld om snel aan dollars te komen als dat nodig is.
Maar waarom zouden ze dat willen? De Verenigde Arabische Emiraten zijn immers heel rijk. Het land beschikt al over een hoeveelheid dollars die meer dan tien keer zo groot is als het Exchange Stabilisation Fund van de Amerikaanse overheid – het fonds dat bij zo’n swap de tegenpartij zou zijn. Volgens Gita Gopinath, voormalig adjunct-directeur en hoofdeconoom van het IMF, kan dit erop wijzen dat ‘de gevolgen van het conflict met Iran veel groter zijn dan wat momenteel in de markten wordt ingeprijsd. Zulke verkenningen ontstaan niet zomaar, zelfs niet achter gesloten deuren.’
Volgens Brad Setser, onderzoeker bij de Council on Foreign Relations, is hier iets fundamenteel nieuws aan de hand. Hij vindt dat het lijkt op een twijfelachtige constructie buiten de officiële balans, ‘waarbij de Emiraten het voordeel hebben.’
Manipulatie van gokmarkten en dubieuze swaps kunnen tekenen zijn dat er een financiële crisis op komst is. Hoe de oorlog tegen Iran zal aflopen, is onzeker. Wel is duidelijk dat de diplomatie eromheen veel ingewikkelder is dan Donald Trump doet voorkomen. Dat bleek afgelopen weekend, toen hij de geplande reis van zijn gezanten Steve Witkoff en Jared Kushner naar Pakistan afblies. Het kost tijd om tot een diplomatieke oplossing te komen. Eerst moet er overeenstemming worden bereikt, en daarna duurt het nóg langer voordat de afspraken ook echt worden uitgevoerd. Dat proces kan maanden in beslag nemen. Zelfs daarna zullen de olie- en gasprijzen waarschijnlijk niet terugkeren naar hun oude niveau. De oorlog heeft blijvende schade veroorzaakt aan infrastructuur, zoals pijpleidingen en verwerkingsinstallaties. Ook hebben scheepvaart- en verzekeringsmaatschappijen tijd nodig om te bepalen wanneer het weer veilig is om door de Straat van Hormuz te varen.
Als Iran inkomsten inkomsten zou ontvangen uit het scheepvaartverkeer door de Straat van Hormuz, zoals Donald Trump heeft gesuggereerd, zou dat een gevaarlijk precedent scheppen voor de wereldeconomie. Het zou neerkomen op een soort belasting op internationale scheepvaart. Geïnspireerd door de Iraanse Revolutionaire Garde liet de Indonesische minister van Financiën, Purbaya Yudhi Sadewa, weten dat ook zijn land overweegt tol te heffen op schepen die door de Straat van Malakka varen. Deze zeestraat is zelfs nog belangrijker voor de wereldeconomie dan Hormuz: ongeveer veertig procent van de wereldhandel gaat erdoorheen.
Deze maatregelen zouden in strijd zijn met het verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee. In dit verdrag staat het principe dat geen enkel land soevereiniteit over de zeeën heeft. Als we dat principe loslaten, zou dat een grote stap terug zijn – naar een tijd van piraterij en kanonneerbootdiplomatie. We zouden daarmee niet alleen de mondialisering van de afgelopen dertig jaar ondermijnen, maar zelfs de vooruitgang van de afgelopentweehonderd jaar. De wereld zou er dan ingrijpend anders uitzien.
We moeten niet denken dat een snel en slecht doordacht vredesakkoord, een capitulatie van de VS, de minst slechte uitkomst voor de wereldeconomie zou zijn. Het grootste risico voor de wereldeconomie is niet een tijdelijke stijging van de olieprijzen, en ook niet kortdurende tekorten aan bijvoorbeeld ureum of helium. Zulke ontwrichtingen aan de aanbodkant zijn vervelend, maar het zijn schokken waar je je in principe op kunt voorbereiden.
Het grotere risico op de korte termijn is een nieuwe wereldwijde financiële crisis. Zo’n crisis kan niet alleen ontstaan door een langdurige oorlog, maar ook door een slechte vredesregeling. Daarmee wordt niet bedoeld dat een beurscrash de belangrijkste oorzaak zou zijn. Als bijvoorbeeld een blokkade van de Straat van Hormuz leidt tot een wereldwijde recessie, kan dat een kettingreactie veroorzaken in andere delen van het financiële systeem – vooral rond staats- en privéschulden. Daarom schrikken mensen die de mondiale financiële stromen volgen van berichten over gesprekken tussen de VS en de VAE over een valutaswap. Als zo’n swap slechts een twijfelachtige deal is, dan is dat nog de meest onschuldige verklaring. Maar het kan ook betekenen dat men zich voorbereidt op een ernstige schok in het wereldwijde financiële systeem. In dat scenario zouden banken in de Emiraten plots moeite kunnen krijgen om aan dollars te komen. Een swapovereenkomst zou dan helpen om het systeem draaiende te houden, maar wel onder enorme druk. In zo’n situatie gaat het niet langer over de prijs van diesel of tekorten aan kerosine, maar over iets veel groters: een economische crisis van het niveau van de Grote Depressie. Aandelenkoersen zouden dan zeker dalen, maar dat zou nog het minste probleem zijn.
Er is echter één groot verschil met 2008. Toen kwamen de wereldleiders nog samen om de crisis gezamenlijk aan te pakken. De G20, die tot dan toe vooral een overleggroep was van centrale bankiers en ministers van Financiën, hield in november 2008 in Washington haar eerste top met staatshoofden en regeringsleiders. De Amerikanen, Russen, Chinezen en Europeanen zaten toen allemaal aan één tafel, klaar om nieuwe financiële regels af te spreken en gezamenlijk de economie te stimuleren. Ook kwamen de leiders van landen met de euro voor het eerst samen als een aparte eurozone. Het internationale systeem van samenwerking en bestuur werkte toen nog.
Ik verlang niet terug naar die tijd. Wat de leiders toen besloten, werkte misschien op de korte termijn, maar richtte op de lange termijn schade aan in westerse economieën en democratieën. Beleidsmaatregelen zoals monetaire verruiming (quantitative easing) en strenge bezuinigingen behoren tot de meest schadelijke economische keuzes van deze eeuw. Bovendien werden ze ingevoerd zonder sterke democratische controle. Dat verklaart ook waarom de voorstanders van internationale samenwerking zo geschokt waren door Brexit: het was de eerste succesvolle tegenreactie op het multilateralisme.
Ik betreur het einde van het multilaterale tijdperk dus niet. Maar we moeten wel begrijpen wat de gevolgen daarvan zijn. Als de wereldeconomie opnieuw in een soort ‘hartstilstand’ terechtkomt, zoals in 2008, kunnen we niet verwachten dat politici zich weer zullen verenigen om snel tot een oplossing te komen, of überhaupt tot een oplossing. In plaats daarvan zullen ze elkaar de schuld geven, zoals ze nu al doen. Deze nieuwe financiële crisis zou zich dan ontwikkelen zonder effectieve gezamenlijke ingrepen.
In een wereld die het multilateralisme heeft losgelaten, wordt het belangrijker dan ooit dat de grootmachten zich terughoudend en voorzichtig opstellen. China lijkt op het eerste gezicht politiek terughoudend, maar voert economisch beleid dat eerder roekeloos te noemen is. Het land is bovendien veruit de grootste veroorzaker van mondiale economische onevenwichtigheden. Daarnaast bestaat het risico dat China op een onvoorspelbaar moment in de toekomst een militaire aanval op Taiwan zal uitvoeren.
Ook Vladimir Poetin staat niet bekend om zijn terughoudendheid, en dat geldt evenmin voor Donald Trump. Van Trump weten we dat hij van nature impulsief is en risico’s neemt. Hij is geen strategische denker, en lijkt zich te hebben verkeken toen hij opdracht gaf tot een aanval op Iran. Het zou dan ook verrassend zijn als hij in de toekomst wél kiest voor geduld en lange-termijndenken. Trump en zijn minister van Defensie, Pete Hegseth, hebben zich bovendien omringd met mensen die vooral ja-knikken. Er lijkt weinig ruimte meer voor tegenspraak binnen de regering. Zo heeft Hegseth kritische generaals en hoge ambtenaren ontslagen, waaronder recent John Phelan, de minister van Marine. Daarnaast heeft Trump geen vaste nationale veiligheidsadviseur. Minister van Buitenlandse Zaken Marco Rubio doet die job er tijdelijk bij. En hoewel vice-president JD Vance sceptisch was over de oorlog, is het onwaarschijnlijk dat hij zich openlijk tegen Trump zal keren.
De huidige Europese leiders zijn regelgebonden wezens, en dat geldt misschien nog wel het meest voor de Britse premier Keir Starmer. Zij betreuren het einde van het multilaterale tijdperk. Tegelijkertijd lijkt het hen te ontbreken aan strategisch denken en een duidelijke langetermijnvisie.
Ondanks alle sombere vooruitzichten is er ook een belangrijk lichtpunt. Kunstmatige intelligentie (AI) blijft het sterkste argument van de optimisten onder ons en een logische verklaring voor de hoge waarderingen op de markten van vandaag. AI kan uitgroeien tot de belangrijkste technologische doorbraak sinds elektriciteit. Het heeft de potentie om de manier waarop we werken en leven ingrijpender te veranderen dan welke andere innovatie ook die we in ons leven hebben meegemaakt.
De eeuwenoude basisregels van het beleggen gelden echter nog steeds. Deze keer kan alleen anders zijn in de mate waarin AI de economische productiviteitsgroei beïnvloedt. De effecten van AI beginnen nu pas voorzichtig zichtbaar te worden in sommige economische cijfers in de Verenigde Staten. Persoonlijk denk ik dat AI een technologie is die ons leven ingrijpend zal veranderen. Maar zeker weten doen we dat pas over een tijdje.
Dat betekent dat de voordelen van AI vrijwel zeker niet op tijd zullen komen om ons te beschermen tegen de gevolgen van deze oorlog, en tegen de economische en financiële schade die daaruit voortkomt. In die zin zal deze keer inderdaad anders zijn, maar niet op een positieve manier.
Vertaling: Menno Grootveld
