Categorieën
Politiek

Cole Tomas Allen is een postmodern fenomeen

Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 28 april 2026

fotografie: UnHerd

door Sohrab Ahmari


Sohrab Ahmari is de Amerikaanse eindredacteur van UnHerd en de auteur van het onlangs verschenen Tyranny, Inc: How Private Power Crushed American Liberty — and What To Do About It

We snakken naar grootse verhalen

Spectaculaire gebeurtenissen – zoals de poging tot moord van dit weekend op Donald Trump en zijn kabinet in Washington – kunnen de indruk wekken dat we in uitzonderlijke tijden leven: ongekend onrustig en gewelddadig. Maar zelfs een basiskennis van de geschiedenis laat zien dat dit idee van ‘alles is nu erger dan ooit’ niet klopt. Van de dood van Alexander Hamilton door een duel tot het overlijden van Abraham Lincoln en de moord op John F. Kennedy, loopt politiek geweld parallel aan de Amerikaanse constitutionele stabiliteit.

Het feit dat sommige verschijnselen steeds terugkomen in de geschiedenis, betekent niet dat ze altijd hetzelfde blijven. Hun vorm en betekenis veranderen mee met bredere economische en ideologische ontwikkelingen. Zo valt het bijvoorbeeld op dat Cole Tomas Allen, de nieuwste persoon die wordt gelinkt aan een mogelijke aanslag op Donald Trump, afkomstig zou zijn uit de professionele middenklasse. Zijn motieven lijken vooral moreel gedreven – en beïnvloed door thema’s rond Jeffrey Epstein – maar staan los van een groter politiek project of een bredere beweging voor maatschappelijke verandering.

Met andere woorden: Cole Tomas Allen laat zien hoe de grote ideologische verhalen zijn weggevallen – precies wat de Franse denker Jean-François Lyotard beschreef als kenmerkend voor de postmoderne tijd (in een boek uit 1979 met de titel ‘La condition postmoderne’). Allen handelde niet om een nieuw politiek toekomstbeeld te realiseren, maar eerder om zichzelf moreel te zuiveren. Zoals zijn manifest het verwoordde: ‘Ik ben niet langer bereid toe te staan dat een pedofiel, verkrachter en verrader mijn handen met zijn misdaden besmeurt.’

‘Postmodernisme’ is eigenlijk een begrip dat is overgebleven uit eerdere fases van de cultuuroorlog. Ter rechterzijde werd het vaak slecht begrepen: veel conservatieve critici zagen de beschrijving van de situatie door linkse denkers aan voor een goedkeuring ervan. Daardoor ontstond een houding waarbij ongeveer gold: ‘Alles wat ik niet leuk vind, is postmodern.’ Dat was typerend voor veel conservatieve (en ook liberale) discussies in de jaren tachtig en negentig. Ondertussen raakte de term onder linkse academici juist snel uit de mode, omdat andere progressieve thema’s belangrijker werden.

Maar hoewel de discussies over het postmodernisme vaak weinig opleverden, beschreven Lyotard en zijn navolgers wel een belangrijke verandering. Vanaf het laatste derde deel van de twintigste eeuw ontstond er namelijk steeds meer wantrouwen jegens grote, allesomvattende verhalen over de menselijke samenleving – verhalen die vroeger juist richting gaven aan sociale verandering. Voorbeelden van zulke ‘grote verhalen’ zijn het liberalisme van de Verlichting, het wetenschappelijk positivisme, de freudiaanse psychoanalyse, en natuurlijk het marxisme en het dialectisch materialisme.

Sommige denkers verwelkomden het verdwijnen van de grote ideologische verhalen, omdat zij die zagen als rechtvaardigingen van bestaande machtsstructuren, en uiteindelijk als onhoudbaar. Maar dat verlies had ook een keerzijde. Een belangrijk gevolg was dat het optimistische geloof in de toekomst, dat zo kenmerkend was voor het modernistische denken, verzwakte. Stromingen zoals het marxisme plaatsten de mens bovendien minder centraal dan in de klassieke en middeleeuwse wereldbeelden het geval was.

Tegelijkertijd beweerden denkers als Auguste Comte, Sigmund Freud en Karl Marx dat zij nieuwe fundamenten voor de menselijke vrijheid hadden ontdekt. Voor marxisten betekende dit dat je de geschiedenis een zetje kon geven richting haar vermeende eindpunt: het doorbreken van het kapitalistische systeem, waarin mensen elkaar uitbuiten, en het vervangen daarvan door een welvarende, klassenloze samenleving. In zo’n samenleving zou iedereen zijn eigen talenten kunnen ontwikkelen, wat Marx in het derde deel van Het Kapitaal ‘het ware rijk van de vrijheid’ noemde.

Na het modernisme bleven wetenschap en technologie zich in hoog tempo verder ontwikkelen. Maar die vooruitgang werd niet langer gezien als onderdeel van een groter verhaal over bevrijding of vooruitgang voor de mensheid. De nieuwe communicatietechnologieën die in de jaren negentig opkwamen, zorgden juist voor meer versnippering. Allerlei achterhaalde ideeën en hyperlokale belangen kregen online nieuw leven. Mensen trokken zich steeds vaker terug in kleine gemeenschappen met dezelfde interesses, en vaak ook dezelfde meningen.

In de kunst maakte de typische modernistische focus op tijd – of die nu gericht was op de toekomst of op een idealisering van het verleden – plaats voor een meer oppervlakkige en ‘platte’ stijl, vaak in de vorm van pastiches. Dat stelde de Amerikaanse criticus Fredric Jameson. Ook in de architectuur veranderde het beeld. De grote, utopische en monumentale ontwerpen van het modernisme maakten plaats voor stijlen die speelser en toegankelijker waren, en sterker aansloten bij de populaire cultuur. Een invloedrijke tekst moedigde architecten zelfs aan om te leren van – in plaats van afstand te nemen van – Las Vegas.

En ook op het gebied van het politiek geweld is er iets veranderd. De figuur van de ideologisch gedreven anarchist of socialistische revolutionair heeft plaatsgemaakt voor een ander type: de eenling, zoals Cole Tomas Allen. Deze persoon handelt niet namens een bredere beweging of een visie op maatschappelijke verandering, maar vanuit een persoonlijke of sterk lokale motivatie. Dat past bij wat Lyotard beschreef: het verdwijnen van grote, allesomvattende verklaringsmodellen – zoals die van Comte, Freud en Marx – en hun vervanging door kleinere, meer persoonlijke betekeniskaders.

Dit betekent niet dat alle daders van het type Allen worden gedreven door bizarre overtuigingen of dat hun daden geen politieke betekenis hebben. Sommigen passen wel in dat beeld, zoals John Hinckley Jr., die probeerde Ronald Reagan te vermoorden. Hij wilde de filmfiguur Travis Bickle uit Taxi Driver nadoen, om indruk te maken op de jonge actrice Jodie Foster. Iets vergelijkbaars kan worden gezegd over Ryan Routh, die als tweede een poging ondernam om Donald Trump te vermoorden. Hij is meerdere keren door de geestelijke gezondheidszorg omschreven als iemand met wanen. Zo zei hij dat hij Oekraïne wilde verdedigen en vrede wilde brengen in Gaza, en verwees hij tijdens zijn proces – waarin hij terechtstaat voor meerdere ernstige aanklachten – ook naar Hitler.

Daarentegen schreef Cole Tomas Allen een vrij samenhangend manifest. Het lijkt erop dat hij dacht te handelen vanuit een progressieve en zelfs christelijke plicht. Maar het hebben van sterke politieke overtuigingen is nog iets anders dan het opzetten van een breed politiek project, zoals dat in de negentiende en een groot deel van de twintigste eeuw gebeurde. Toen socialistische revolutionairen de aanslag pleegden op tsaar Alexander II van Rusland, dachten zij dat ze een obstakel voor een betere toekomst uit de weg ruimden. Iets vergelijkbaars gold voor Leon Czolgosz, de anarchist die de Amerikaanse president William McKinley vermoordde.

Maar hoe zit dat bij Allen? Wat voor toekomst dacht hij in te luiden door Trump en zijn topfunctionarissen te doden? In zijn manifest komen woorden als ‘vrijheid,’ ‘gelijkheid,’ ‘arbeidersklasse’ of ‘imperialisme’ niet voor. Zulke begrippen krijgen pas betekenis binnen een breder politiek verhaal – een kader waarin bijvoorbeeld arbeiders tegenover werkgevers staan, het mondiale Zuiden tegenover het mondiale Noorden, onderdrukten tegenover machthebbers, en vooruitgang tegenover reactionaire krachten.

Laat één ding duidelijk zijn: ik betoog niet dat er ‘goede’ redenen zouden zijn om te moorden. Ook in de tijd van de grote ideologische verhalen werd terrorisme al bekritiseerd, juist door linkse denkers. Zij stelden dat een eenzame dader, wat zijn motieven ook zijn, uiteindelijk vooral het tegenovergestelde bereikt: hij versterkt de repressieve kant van de staat, brengt onschuldige mensen schade toe en – misschien wel het belangrijkste – vervangt collectieve actie en massabewegingen door een geromantiseerd idee van individuele heldendaden.

Het gaat mij er vooral om te laten zien hoe arm een tijdperk zonder grote, samenhangende verhalen – een postmodern tijdperk – kan zijn. En om de vraag te stellen waarom juist in zo’n tijd figuren zoals Allen de overhand lijken te krijgen.

Een van die zogenaamd ‘mislukte’ grote verhalen, het marxisme, kan hier misschien een verklaring voor bieden. Dat heeft te maken met de sociale positie van mensen als Allen en anderen, zoals Luigi Mangione, die wordt beschuldigd van de moord op Brian Thompson, de CEO van UnitedHealthCare. Zowel Allen als Mangione heeft gestudeerd aan een prestigieuze universiteit – respectievelijk Caltech en de uiversiteit van Pennsylvania – en behoort tot een professionele middenklasse die steeds meer onder druk staat en aan status verliest.

Professionals bezitten meestal niet zoveel vermogen als de rijke bovenklasse, maar ze zijn ook geen arbeiders die van een laag loon moeten rondkomen. Ze bevinden zich daar ergens tussenin. In de periode van de New Deal in de VS en de sociaaldemocratie in Europa vervulden zij vaak een bemiddelende rol tussen kapitaal en arbeid. Ze stonden aan de ene kant dicht bij het management en hielden toezicht op de werkprocessen, en droegen aan de andere kant bij aan het in stand houden van de ideeën en structuren waarop het systeem draaide.

Het begrip ‘laatkapitalisme’ in de ondertitel van het boek Postmodernism: or, the Cultural Logic of Late Capitalism van Fredric Jameson verwijst precies naar dit soort economische ordeningen uit het midden van de twintigste eeuw. In die periode maakte het harde, competitieve kapitalisme van de negentiende eeuw plaats voor een stabieler en beter georganiseerd systeem, waarin managers vaak meer invloed kregen dan de traditionele ondernemersklasse. De neoliberale wending – de sterke deregulering van de markten die in de jaren zeventig begon – heeft de rol van de professionals niet kleiner gemaakt. Hun functies, zoals bemiddelen en het in stand houden van ideeën en systemen, zijn alleen meer verschoven van de publieke sector naar de private sector.

Maar inmiddels lijkt de oude ondernemersklasse weer aan invloed te winnen, in de vorm van figuren als Elon Musk, Peter Thiel en Alex Karp. Deze invloedrijke zakenmensen zijn begonnen een nieuw, groots verhaal te formuleren, waarin zij zichzelf centraal stellen in de geschiedenis. Dat is bijvoorbeeld duidelijk te zien bij Palantir Technologies, dat in een recent ‘manifest’ de grote technologiebedrijven oproept om het Westen te bewapenen voor een nieuw tijdperk van voortdurende conflicten.

Je zou kunnen zeggen dat de Amerikaanse presidentverkiezingen van 2024 draaiden om een alliantie tussen de zogenoemde ‘Tech Right’ en een grote groep mensen met weinig vermogen. Samen keerden zij zich tegen de professionals en managers die vroeger juist als tussenlaag fungeerden. Tegelijkertijd versterkt de automatisering in kantoorbanen dit proces. Managers en bemiddelaars verdwijnen, waardoor de verhoudingen weer directer worden: rijk en arm staan steeds vaker rechtstreeks tegenover elkaar.

In een materialistische benadering kun je zeggen dat de grote ideologische verhalen uit de modernistische periode voortkwamen uit een ‘heroïsche’ fase van het kapitalisme, waarin felle en soms gewelddadige klassenstrijd centraal stond. Daarna volgde een meer bureaucratische en gecontroleerde fase, vaak aangeduid als ‘laatkapitalisme,’ waarin die spanningen deels werden afgezwakt. Nu zijn er echter tekenen dat we opnieuw een soort ‘heroïsche’ fase ingaan. Een zelfverzekerde en agressieve ondernemersklasse lijkt weer op te komen en produceert haar eigen, vaak eenvoudige grote verhalen. Maar zoals critici opmerken: figuren als Alex Karp zijn geen denkers van het niveau van Georg Wilhelm Friedrich Hegel.

Zo’n moment vraagt om nieuwe ideeën over de toekomst – nieuwe, grote verhalen die van onderaf ontstaan, vanuit de brede groep mensen zonder veel vermogen, die beginnen te beseffen dat de techmiljardairs niet vanzelf hun bondgenoten zijn. De wederopleving van het christendom kan helpen om zulke verhalen te verbinden met oude waarheden. Zolang zulke nieuwe perspectieven ontbreken, is de verwachting dat vormen van willekeurig geweld zullen blijven toenemen – geweld dat kan worden gezien als een uiting van frustratie bij een onder druk staande professionele klasse, die haar betekenis en positie ziet afnemen.

Vertaling: Menno Grootveld

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *