Categorieën
Economie Politiek

Het energiedilemma

Oorspronkelijke tekst (Engels): Sidecar, 5 november 2021

fotografie: La Carmagnole

door Cédric Durand

Cédric Durand doceert Economie en Ontwikkelingstheorieën aan de universiteit van Parijs 13 en de EHESS. Hij werkt binnen de traditie van de marxistische en Franse regulationistische politieke economie en is auteur van verschillende artikelen over de euro-crisis, de verwevenheid financialisering-mondialisering en de post-Sovjet-transformatie. Hij is lid van de redactieraad van het radicale online tijdschrift ContreTemps.

De ecologische tweedeling is geen galadiner. Na een zomer van extreme klimaatgebeurtenissen en een nieuw IPCC-rapport dat de meest verontrustende voorspellingen bevestigt, worden grote delen van de wereld nu geteisterd door een energiecrisis die een voorbode is van verdere economische problemen in de toekomst. Deze samenloop van omstandigheden heeft de droom van een harmonieuze transitie naar een post-koolstofwereld ten grave gedragen en de kwestie van de ecologische crisis van het kapitalisme op de voorgrond geplaatst. Op de COP26-conferentie overheerste een toon van machteloosheid, waarbij de dreigende ellende de mensheid heeft klemgezet tussen de onmiddellijke eisen van systemische reproductie en de versnelling van de klimaatontwrichting.

Op het eerste gezicht zou je misschien denken dat er stappen worden ondernomen om dit cataclysme tegen te gaan. Ruim vijftig landen – plus de hele Europese Unie – hebben zich ertoe verbonden een netto-emissiedoelstelling van nul te halen, waardoor de wereldwijde energiegerelateerde CO2-uitstoot tussen nu en 2050 met 40 procent zou dalen. Een nuchtere lezing van de wetenschappelijke gegevens laat echter zien dat de groene transitie ver uit koers ligt. Als het wereldwijde nulpunt niet wordt gehaald, zullen de temperaturen blijven stijgen, waardoor de wereld tegen 2100 ver boven de 2°C opwarming zal uitkomen. Volgens de UNEP zouden de nationaal vastgestelde bijdragen, die de landen vóór COP26 moesten indienen, de uitstoot in 2030 met 7,5 procent verminderen. Toch is een daling met 30 procent nodig om de opwarming tot 2°C te beperken, terwijl 55 procent nodig zou zijn voor 1,5°C.

Zoals in een recent hoofdartikel van Nature werd gewaarschuwd, hebben veel van deze landen netto-nul-beloften gedaan zonder een concreet plan te hebben hoe ze dat willen bereiken. Welke gassen zullen worden aangepakt? In hoeverre is netto-nul gebaseerd op effectieve reductie in plaats van op compensatieregelingen? Die laatste zijn bijzonder aantrekkelijk geworden voor rijke landen en vervuilende bedrijven, aangezien zij de uitstoot niet rechtstreeks verminderen en de last van de koolstofbeperking afwentelen op landen met lage en middelgrote inkomens (die het zwaarst zullen worden getroffen door de klimaatafbraak). Betrouwbare informatie en transparante toezeggingen over deze cruciale kwesties zijn nergens te vinden, waardoor de mogelijkheid van een geloofwaardige internationale wetenschappelijke monitoring in gevaar komt. De bottom line is dat de wereld op basis van het huidige mondiale klimaatbeleid – het gevoerde beleid en het voorgestelde beleid – hard op weg is naar een verwoestende toename van de uitstoot in het komende decennium.

Desondanks heeft het kapitalisme al de eerste grote economische schok te verwerken gekregen die verband houdt met de transitie naar een koolstofvrije economie. De sterke stijging van de energieprijzen is te wijten aan verschillende factoren, waaronder een wanordelijke opleving van de economie na de pandemie, slecht ontworpen energiemarkten in het Verenigd Koninkrijk en de EU die de prijsvolatiliteit verergeren, en de bereidheid van Rusland om zijn energie-inkomsten op de langere termijn veilig te stellen. Op een structureler niveau kan het effect van de eerste inspanningen om het gebruik van fossiele brandstoffen te beperken echter niet over het hoofd worden gezien. Als gevolg van de door de overheid opgelegde beperkingen inzake het verbranden van steenkool, plus de groeiende terughoudendheid van aandeelhouders om zich vast te leggen op projecten die binnen dertig jaar grotendeels verouderd kunnen zijn, zijn de investeringen in fossiele brandstoffen teruggelopen. Hoewel deze inkrimping van het aanbod niet voldoende is om het klimaat te redden, blijkt zij toch te veel voor de kapitalistische groei.

De combinatie van een aantal recente gebeurtenissen geeft een voorproefje van de dingen die komen gaan. In de Punjab-regio in India hebben ernstige tekorten aan steenkool geleid tot onvoorziene stroomonderbrekingen. In China heeft meer dan de helft van de provincies strenge maatregelen voor stroomrantsoenering ingevoerd. Verscheidene bedrijven, waaronder belangrijke toeleveranciers van Apple, zijn onlangs gedwongen hun productie in fabrieken in de provincie Jiangsu stop te zetten of te verminderen, nadat lokale overheden de levering van elektriciteit hadden beperkt. Deze beperkingen waren een poging om te voldoen aan de nationale emissiedoelstellingen door de opwekking van elektriciteit met kolencentrales aan banden te leggen; deze zijn nog steeds goed voor ongeveer twee derde van Chinaʼs elektriciteitsproductie. Om de gevolgen van deze ontwrichtingen binnen de perken te houden, hebben de Chinese autoriteiten hun klimaatambities tijdelijk getemperd door 72 kolenmijnen te gelasten hun aanbod op te voeren en door de invoer van Australische steenkool, die maandenlang was stilgelegd wegens diplomatieke spanningen tussen beide landen, weer op gang te brengen.

In Europa was het de sterke stijging van de gasprijzen die heeft geleid tot de huidige crisis. Gekweld door de herinnering aan de opstand van de gilets jaunes tegen de koolstofbelasting van Macron, hebben de regeringen ingegrepen met energiesubsidies voor de lagere klassen. Maar op meer onverwachte wijze heeft de stijging van de gasprijzen ook kettingreacties teweeggebracht in de verwerkende sector. Het geval van de meststoffen is veelzeggend. Een Amerikaans bedrijf, CF Industries, besloot zijn kunstmestfabrieken in het Verenigd Koninkrijk stil te leggen, omdat die door de prijsstijgingen onrendabel waren geworden. Als nevenproduct van zijn activiteiten was het bedrijf voorheen verantwoordelijk voor 45 procent van de CO2 in de levensmiddelensector in het Verenigd Koninkrijk. Het stilleggen van de fabrieken ontketende weken van chaos, met gevolgen voor diverse sectoren, van bier en frisdranken tot voedselverpakkingen en vlees. Wereldwijd heeft de sterke stijging van de gasprijzen gevolgen voor de landbouwsector, via de stijging van de kunstmestprijzen. In Thailand zullen de kosten van kunstmest vanaf 2020 verdubbelen, waardoor de kosten voor veel rijstproducenten zullen stijgen en het plantseizoen in gevaar komt. Als dit zo doorgaat, zullen regeringen misschien moeten ingrijpen om de voedselvoorziening veilig te stellen.

De wereldwijde en wijdverspreide repercussies van energietekorten en prijsstijgingen onderstrepen de complexe neveneffecten van de structurele transformatie die nodig is om de koolstofemissies te elimineren. Terwijl het aanbod van koolwaterstoffen aan het afnemen is, volstaat de toename van duurzame energiebronnen niet om aan de groeiende vraag te voldoen. Daardoor blijft er een energieprobleem bestaan dat de transitie volledig zou kunnen doen ontsporen. In deze context kunnen landen ofwel terugkeren naar de meest overvloedig beschikbare energiebron – steenkool – ofwel een economische krimp veroorzaken, die in gang wordt gezet door de stijging van de kosten en de gevolgen daarvan voor de winstgevendheid, de consumptieprijzen en de stabiliteit van het financiële systeem. Op de korte termijn is er dus sprake van een uitruil tussen ecologische doelstellingen en de eis om de groei te bevorderen. Maar speelt dit energiedilemma ook op de middellange en de lange termijn? Zullen we uiteindelijk voor de keuze komen te staan tussen klimaat en groei?

Een succesvolle koolstoftransitie impliceert de harmonieuze ontplooiing van twee processen die op materieel, economisch en financieel niveau op complexe wijze met elkaar verbonden zijn. In de eerste plaats moet er een proces van ontmanteling plaatsvinden. De bronnen van koolstofvervuiling moeten drastisch worden verminderd: vooral de winning van koolwaterstoffen, de elektriciteitsproductie met behulp van kolen en gas, de op brandstoffen gebaseerde vervoerssystemen, de bouwsector (door de hoge uitstoot bij de productie van cement en staal) en de vleesindustrie. Het gaat hier om de-growth in de meest rechtstreekse zin van het woord: apparatuur moet worden afgedankt, fossiele brandstofreserves moeten in de bodem blijven, de intensieve veeteelt moet worden opgegeven en een hele reeks aanverwante beroepsvaardigheden moet overbodig worden gemaakt.

Alles in aanmerking genomen, impliceert de eliminatie van productiecapaciteit een inkrimping van het aanbod, hetgeen tot een algemene inflatoire druk zal leiden. Dit is des te waarschijnlijker omdat de meest getroffen sectoren zich op het hoogste niveau van de moderne economieën bevinden. Via de andere sectoren zal de druk op de kosten de winstmarges van de bedrijven, de mondiale winsten en/of de koopkracht van de consumenten aantasten, wat een wilde recessie teweeg zal brengen. Bovendien is het stopzetten van de koolstofeconomie een nettoverlies vanuit het oogpunt van de valorisatie van financieel kapitaal: enorme hoeveelheden gestrande activa zullen worden weggevaagd omdat onderliggende verwachte winsten zullen verdwijnen, wat de weg vrijmaakt voor grootschalige uitverkopen, die hun invloed zullen hebben op de massa van fictief kapitaal. Deze onderling samenhangende dynamieken zullen elkaar aanwakkeren, naarmate de recessiekrachten de wanbetalingen op schulden doen toenemen, terwijl de financiële crisis de toegang tot kredieten bevriest.

De andere kant van de transitie is een grote investeringsgolf om de aanbodschok op te vangen die wordt veroorzaakt door de ontmanteling van de koolstofsector. Hoewel veranderende consumptiegewoonten een rol kunnen spelen, vooral in rijke landen, zijn ook de creatie van nieuwe koolstofvrije productiecapaciteit, efficiëntieverbeteringen, en de elektrificatie van vervoers-, industriële en verwarmingssystemen (naast de inzet van koolstofafvang, in sommige gevallen) nodig om de geleidelijke afschaffing van broeikasgasemissies te compenseren. Vanuit kapitalistisch oogpunt kunnen deze nieuwe activiteiten winstmogelijkheden bieden, zolang de productiekosten niet te hoog zijn in verhouding tot de beschikbare vraag. Aangetrokken door deze valorisatie zou groen kapitaal kunnen instappen en de transitie kunnen versnellen, waardoor een nieuwe golf van accumulatie kan worden aangezwengeld die de werkgelegenheid en de levensstandaard in stand kan houden.

We mogen echter niet vergeten dat de timing allesbepalend is: dergelijke aanpassingen doorvoeren in vijftig jaar is iets heel anders dan drastisch moeten terugschakelen in een decennium. En vanaf het punt waarop we ons nu bevinden, zijn de vooruitzichten voor een soepele en adequate overschakeling op groene energie op zijn zachtst gezegd troebel. De ontmanteling van de koolstofsector blijft onzeker door de inherente wisselvalligheid van politieke processen en het aanhoudende gebrek aan engagement van overheidsinstanties. Het is illustratief dat één enkele senator, Joe Manchin III uit West-Virginia, het programma kan blokkeren van de Democraten in de VS om de vervanging van kolen- en gasgestookte elektriciteitscentrales te vergemakkelijken.

Zoals de huidige ontwrichtingen illustreren, kan ook het gebrek aan direct beschikbare alternatieven de geleidelijke afschaffing van fossiele brandstoffen belemmeren. Volgens het IEA: ʻDe met de transitie samenhangende uitgaven […] blijven ver achter bij wat nodig is om op een duurzame manier aan de stijgende vraag naar energiediensten te voldoen. Het tekort is zichtbaar in alle sectoren en regioʼs.ʼ In zijn jongste Energy Report schat Bloomberg dat een groeiende wereldeconomie de komende dertig jaar investeringen in energievoorziening en -infrastructuur zal vergen van tussen de 92 biljoen en de 173 biljoen dollar. De jaarlijkse investeringen moeten meer dan verdubbelen, van ongeveer 1,7 biljoen dollar per jaar nu naar gemiddeld tussen de 3,1 biljoen en 5,8 biljoen dollar per jaar. De omvang van een dergelijke macro-economische aanpassing zou ongekend zijn.

Vanuit het perspectief van de mainstream-economie is deze aanpassing nog steeds een kwestie van een juiste beprijzing. In een recent rapport dat in opdracht van de Franse president Emmanuel Macron is opgesteld, stellen twee vooraanstaande economen op dit gebied, Christian Gollier en Mar Reguant, dat ʻde waarde van koolstof moet worden gebruikt als maatstaf voor alle dimensies van de beleidsvorming van de overheid.’ Hoewel normen en regelgeving niet moeten worden uitgesloten, moet een ʻgoed ontworpen koolstofbeprijzing’ via een koolstofbelasting of een cap-and-trade-mechanisme de hoofdrol spelen. Van marktmechanismen wordt verwacht dat zij de negatieve externe effecten van broeikasgasemissies zullen internaliseren, waardoor een ordelijke transitie aan zowel de vraag- als de aanbodzijde mogelijk wordt. ‘Koolstofbeprijzing heeft het voordeel dat de nadruk ligt op efficiëntie in termen van de kosten per ton CO2, zonder dat van tevoren hoeft te worden vastgesteld welke maatregelen zullen werken.’ Als weerspiegeling van de plasticiteit van marktaanpassingen opent een koolstofprijs – ‘in tegenstelling tot meer prescriptieve maatregelen’ – ruimte voor ‘innovatieve oplossingen.’

Dit op de vrije markt geënte, techno-optimistische perspectief verzekert ons ervan dat kapitalistische groei en klimaatstabilisatie met elkaar te verzoenen zijn. Het lijdt echter aan twee belangrijke tekortkomingen. De eerste is de blindheid van deze benadering voor de macro-economische dynamiek die een rol speelt in de transitie-inspanning. In een recent rapport van Jean Pisani-Ferry, geschreven voor het Peterson Institute for International Economics, wordt de mogelijkheid van een soepele aanpassing gedreven door marktprijzen gebagatelliseerd, terwijl ook de hoop op een Green New Deal die alle schepen zou kunnen lichten de bodem wordt ingeslagen.

Het rapport constateert dat ‘uitstel de kansen op een ordelijke transitie heeft verkleind’ en merkt op dat er ‘geen garantie is dat de transitie naar koolstofneutraliteit goed zal zijn voor de groei.’ Het proces is vrij eenvoudig: 1) aangezien decarbonisatie een versnelde veroudering van een deel van de bestaande kapitaalvoorraad impliceert, zal het aanbod teruglopen; 2) in de tussentijd zullen meer investeringen nodig zijn. De prangende vraag wordt dan: zijn er voldoende middelen in de economie beschikbaar om meer investeringen mogelijk te maken, naast een verzwakt aanbod? Het antwoord hangt af van de hoeveelheid ‘speling’ in de economie – d.w.z.: onbenutte productiecapaciteit en werkloosheid. Maar gezien de omvang van de aanpassing en het korte tijdsbestek kan dit niet als vanzelfsprekend worden beschouwd. Volgens Pisani-Ferry ‘zal het effect op de groei dubbelzinnig zijn, en het effect op de consumptie negatief. Klimaatactie is als een militaire opbouw in geval van een dreiging: goed voor de welvaart op de langere termijn, maar slecht voor de tevredenheid van de consument.’ Het verschuiven van middelen van consumptie naar investeringen betekent dat de consumenten onvermijdelijk de kosten van de inspanning zullen moeten dragen.

Ondanks zijn neo-Keynesiaanse invalshoek opent Pisani-Ferry een inzichtelijke discussie over de politieke voorwaarden die een verlaging van de levensstandaard en een groene klassenoorlog langs inkomenslijnen mogelijk zouden maken. Maar in zijn gehechtheid aan het prijsmechanisme deelt zijn betoog met dat van de marktaanpassing een irrationele nadruk op de efficiëntie van de CO2-emissiereductie. De tweede tekortkoming in de bijdrage van Gollier en Reguant wordt duidelijk wanneer zij oproepen tot ‘een combinatie van klimaatmaatregelen met de laagst mogelijke kosten per ton niet-uitgestoten CO2-equivalent.’ Zoals de auteurs zelf erkennen, is de vaststelling van koolstofprijzen immers hoogst onzeker. Schattingen variëren van 45 dollar tot 14.300 dollar per ton, afhankelijk van de tijdshorizon en de beoogde reductie. Met een dergelijke variabiliteit heeft het geen zin te proberen de kosten van koolstofreductie intertemporeel te optimaliseren. Wat belangrijk is, zijn niet de kosten van de aanpassing, maar veeleer de zekerheid dat de stabilisatie van het klimaat zal plaatsvinden.

De politicoloog Chalmers Johnson, die de specifieke kenmerken van de Japanse ontwikkelingsstaat beschreef, maakte een onderscheid dat ook op het transitiedebat kan worden toegepast:

Een regulerende, of marktrationele, staat houdt zich bezig met de vorm en de procedures – de regels, zo u wilt – van de economische concurrentie, maar houdt zich niet bezig met inhoudelijke zaken […] De ontwikkelingsstaat, of planrationele staat, daarentegen, heeft als dominant kenmerk juist het stellen van zulke inhoudelijke sociale en economische doelen.

Met andere woorden: terwijl de eerste doelmatigheid nastreeft – door de middelen zo economisch mogelijk te gebruiken – is de tweede gericht op doeltreffendheid: dat wil zeggen, op het vermogen om een bepaald doel te bereiken, of dat nu oorlog is of industrialisatie. Gezien de existentiële bedreiging die van de klimaatverandering uitgaat, en het feit dat er een eenvoudige en stabiele metriek bestaat om onze blootstelling te beperken, zouden wij ons eerder zorgen moeten maken over de doeltreffendheid van de vermindering van de broeikasgassen dan over de efficiëntie van de inspanning. In plaats van het prijsmechanisme te gebruiken om de markt te laten beslissen waar de inspanning moet liggen, is het oneindig veel eenvoudiger om doelstellingen op sectoraal en geografisch niveau bij elkaar op te tellen en een consistent reductieplan op te stellen om ervoor te zorgen dat het algemene doel op tijd zal worden bereikt.

Ruchir Sharma van Morgan Stanley, die over deze kwestie schrijft in de FT, stelt een punt aan de orde dat indirect pleit voor ecologische planning. Hij merkt op dat de investeringsdrang die nodig is voor de transitie naar een koolstofvrije economie ons voor een triviaal materieel probleem stelt: aan de ene kant worden vuile activiteiten – met name in de sectoren van de mijnbouw of de metaalproductie – onrendabel door strengere regelgeving of hogere koolstofprijzen; aan de andere kant zijn voor investeringen in de vergroening van de infrastructuur dergelijke middelen nodig om de capaciteit uit te breiden. Afnemend aanbod plus stijgende vraag is daarom een recept voor wat hij ʻgroene inflatieʼ noemt. Sharma stelt dan ook dat ʻhet blokkeren van nieuwe mijnen en boorplatforms niet altijd een ecologisch en sociaal verantwoorde zet zal zijn.ʼ

Als woordvoerder van een instelling met gevestigde belangen in vervuilende grondstoffen is Sharma nauwelijks een neutrale commentator te noemen. Maar het probleem dat hij schetst – hoe kunnen we genoeg vervuilend materiaal leveren om een schone energie-economie op te bouwen – is reëel en houdt verband met een ander probleem van de voorgenomen marktgestuurde transitie: koolstofbeprijzing stelt de maatschappij niet in staat onderscheid te maken tussen oneigenlijk gebruik van koolstof – zoals het naar de ruimte sturen van miljardairs – en essentieel gebruik, zoals het bouwen van de infrastructuur voor een koolstofvrije economie. Bij een succesvolle transitie zou het eerste onmogelijk worden gemaakt, en het tweede zo goedkoop mogelijk. Als zodanig wordt een koolstofprijs een duidelijk pad naar mislukking.

Dit brengt ons terug bij een oud, maar nog steeds doorslaggevend argument: de wederopbouw van een economie – in dit geval een economie waarin geleidelijk een einde wordt gemaakt aan fossiele brandstoffen – vergt een herstructurering van de keten van betrekkingen tussen de verschillende segmenten ervan, wat erop duidt dat het lot van de economie als geheel afhangt van het punt van de minste weerstand. Zoals Alexandr Bogdanov in het kader van de opbouw van de jonge Sovjetstaat opmerkte: ‘Door deze onderlinge afhankelijkheid is het uitbreidingsproces van de economie in zijn geheel onderworpen aan de wet van het zwakste punt.’ Deze gedachtegang is later door Wassily Leontief verder uitgewerkt in zijn bijdragen aan de input-output-analyse. Volgens deze gedachtegang zijn marktaanpassingen eenvoudigweg niet opgewassen tegen structurele veranderingen. In dergelijke situaties is een zorgvuldig en adaptief planningsmechanisme vereist dat in staat is een bewegend landschap van knelpunten te identificeren en aan te pakken.

Als we kijken naar de economische uitdagingen van de herstructurering van economieën om de koolstofuitstoot in overeenstemming te houden met de stabilisering van het klimaat, komt deze discussie in een nieuw perpectief te staan. Doeltreffendheid moet voorrang krijgen op efficiëntie bij het terugdringen van de uitstoot. Dit betekent dat de fetisj van het prijsmechanisme moet worden losgelaten om te plannen hoe de resterende vervuilende hulpbronnen zullen worden gebruikt ten dienste van een schone infrastructuur. Een dergelijke planning moet een internationaal bereik hebben, aangezien de grootste kansen voor het koolstofarm maken van de energievoorziening in het Mondiale Zuiden liggen. Omdat transformatie aan de aanbodzijde niet zal volstaan, zullen ook veranderingen aan de vraagzijde cruciaal zijn om binnen de planetaire grenzen te blijven. De energiebehoeften om de wereldbevolking een fatsoenlijke levensstandaard te bieden, kunnen drastisch worden verminderd, maar naast het gebruik van de meest efficiënte beschikbare technologieën vergt dit een radicale transformatie van de consumptiepatronen, met inbegrip van politieke procedures om prioriteiten te stellen tussen concurrerende consumptie-eisen.

Het internationale socialisme, dat zich van oudsher bezighoudt met planning en gesocialiseerde consumptie, is een voor de hand liggende kandidaat om een dergelijke historische taak op zich te nemen. Hoewel de slechte staat van de socialistische politiek niet veel optimisme oproept, zou de catastrofale conjunctuur waarin we ons bevinden – samen met de volatiliteit van de prijzen en de voortdurende spasmen van kapitalistische crises – de fluïditeit van de situatie kunnen vergroten. In dergelijke omstandigheden moet links flexibel genoeg zijn om elke politieke kans aan te grijpen die de zaak van een democratische ecologische transitie vooruit kan helpen.

Vertaling: Menno Grootveld

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.