
door Peter Edel
Peter Edel (Amsterdam, 1959) is fotograaf en publicist. Tussen 2010 en 2018 volgde hij de politiek in Turkije voor de websites Joop, De Wereld Morgen, MO, Turkijeblog en Turksnieuws. Sinds 2018 schrijft hij vooral over extreemrechtse netwerken en de raakvlakken daarvan met cybertechnologie.
Antisemitisme: wie het laatste half jaar een eurocent ontving voor iedere keer dat het woord viel, zou zich nu rijk kunnen rekenen. Er is niet veel kritiek op Israël voor nodig om van antisemitisme beschuldigd te worden. Opvallend genoeg krijgen ook joden dat vaak voor de voeten geworpen. Duitsland spant wat dat betreft de kroon. Diverse joodse kunstenaars en intellectuelen zagen exposities en andere evenementen geannuleerd worden omdat ze de Israëlische misdaden in Gaza onder de aandacht brachten. Dat het cancelen van joden in Duitsland akelige herinneringen oproept, zal de Bondsregering een worst zijn: voor Berlijn zijn de belangen van individuele joden zonder meer ondergeschikt aan die van Israël.
Rond het begin van dit jaar werd in Duitsland massaal gedemonstreerd tegen Alternative für Deutschland (AfD), nadat was uitgelekt dat leden van deze extreemrechtse partij met neonazi’s wilden samenwerken bij het deporteren van immigranten. Bondskanselier Olaf Scholtz sprak terecht zijn sympathie uit voor deze demonstraties. Wanneer leden van de extreemrechtse regering in Israël suggereren om autochtone inwoners te deporteren geeft Scholtz echter niet thuis. Dan blijkt ook dat de posities van de Duitse regering en die van de AfD wat betreft Israël nagenoeg identiek zijn. Overigens kent de AfD ook een joodse afdeling: de JAfD. Niet meer dan een marginaal clubje, maar het illustreert de worsteling waarin de Duitsers verkeren, tussen Israël, het eigen verleden en de opkomst van pro-Israëlisch extreemrechts.
Dat de minste geringste kritiek op Israël zo snel aan antisemitisme wordt gekoppeld is om diverse redenen absurd. Een van die redenen is dat het zionisme, de nationalistische ideologie waarop de staat Israël gegrondvest is, niet alleen een reactie is op het antisemitisme, maar in een aantal opzichten ook kan worden beschouwd als een verschijningsvorm ervan. Binnen heden en verleden van Israël en het zionisme vallen dan ook situaties en uitspraken op die in andere landen zonder meer het etiket ‘antisemitisch’ zouden krijgen. Om dat uit te leggen dienen we terug te keren naar de vroegste dagen van het moderne politieke zionisme.
Herzl
De Hongaarse journalist Theodor Herzl (1860-1904) geldt als de aartsvader van het zionisme en daarmee van de staat Israël. Wie zonder meer aanneemt dat hij het zionisme bedacht uit liefde voor de joden komt echter bedrogen uit. Want de manier waarop Herzl over de joden schreef zou tegenwoordig kunnen leiden tot vervolging wegens groepsbelediging op basis van artikel 137c uit het Wetboek van strafrecht.
Herzl deelde de opvattingen over joden van de meest schunnige antisemieten. Dat zij ‘gedegenereerd’ waren geraakt kwam volgens hem door het joodse leven in de diaspora. Dat joden daar niet thuis hoorden verklaarde volgens Herzl niet alleen het kwaad dat hen door de eeuwen heen was overkomen, maar ook hoe antisemieten over hen oordeelden. Daarom had het voor hem geen enkele zin om de strijd tegen het antisemitisme in Europa aan te binden. Aan linkse joden die samen met niet-joodse socialisten tegen antisemieten op wilden trekken had hij geen enkele boodschap. Alleen de massale verplaatsing van de joden naar een specifiek joodse staat kon soelaas bieden. Alleen daar konden zij volgens hem aan de negatieve spiraal van degeneratie ontsnappen.
Wie binnen de joodse gemeenschap met dat laatste instemde, was volgens Herzl een goede jood. Voor de joden die ertegen waren (en dat waren er nogal wat in zijn tijd, want het zionisme was aanvankelijk erg marginaal) gebruikte hij een woord dat sinds de zeventiende eeuw voor een afdingende joodse handelaar werd gebruikt: Mauschel. Onder die titel schreef hij een artikel om zijn zionistische antisemitisme uiteen te zetten.
Herzl schreef over de joden als een ras, precies zoals de voorlopers van het nationaalsocialisme dat destijds deden. Uiteraard was dat onwetenschappelijke onzin. Jood zijn betekent een geloof belijden en het volgen van een daaraan verbonden cultuur, wat iets heel anders is dan tot een ras behoren. Het idee dat joden een afzonderlijk ras zouden zijn werd in de negentiende eeuw bedacht door vroege zionisten die meenden dat het jodendom onder invloed van de secularisering en vermenging met niet-joden het risico liep te verdwijnen. Maar hoe kan er sprake zijn van een afzonderlijk ras als er witte, zwarte en Aziatische joden zijn?
Het is echter niet helemaal duidelijk wat Herzl precies bedoelde toen hij over het ‘joodse ras’ schreef. Met name omdat de term ‘ras’ in zijn tijd een bredere lading kende dan tegenwoordig. Hij werd destijds ook gebruikt in de betekenis van ‘etnische achtergrond.’ Zo werden de Turken in die jaren ook aangemerkt als een ras, terwijl zij dat volgens de hedendaagse wetenschappelijke interpretatie van het begrip evenmin waren of zijn.
Ondanks deze kanttekening ontwikkelde zich wel degelijk een zionistische rassenideologie. Een van de belangrijkste architecten daarvan was Arthur Ruppin. Diens invloed op de sociale structuur van Israël zou veel groter worden dan die van Herzl, al werd zijn naam een stuk minder bekend.
Vader van de Israëlische sociologie
Arthur Ruppin werd in 1876 in Polen geboren, maar verhuisde op elfjarige leeftijd met zijn ouders naar het Duitse Magdeburg. Daar werd hij jurist en econoom, waarna hij zich in 1905 aansloot bij de door Herzl opgerichte World Zionist Organization. In opdracht van de WZO reisde hij naar Palestina waar hij een belangrijk man werd bij de zionistische kolonisering van het land. Hij was nauw betrokken bij de aankoop van land en behoorde tot de stichters van de Bank Hapoalim, alsmede van de stad Tel Aviv. Daarnaast was hij oprichter van de faculteit joodse sociologie op de prille Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, wat hem de bijnaam ‘vader van de Israëlische sociologie’ opleverde.
Aldus ging Ruppin de annalen van het zionisme in. Hij had echter nog een andere kant, maar die bleef lang onderbelicht en ging tot de categorie onderwerpen behoren waar de zionisten na het uitroepen van de staat Israël in 1948 liever niet aan herinnerd wilden worden. Logisch, want Ruppin stelde een rassentheorie over joden op waar je stijl van achterover zou vallen.
Het duurde tot 2008 voordat die kant van Ruppin uit de schaduw werd gelicht, wat grotendeels de verdienste is van Etan Bloom, een aan de universiteit van Tel Aviv verbonden wetenschapper. Hij schreef het proefschrift ‘Arthur Ruppin and the Production of Modern Hebrew Culture.’
Bloom is niet de enige Israëlische academicus die Ruppin bestudeerde. De eveneens aan de universiteit van Tel Aviv verbonden Amos Morris-Reich deed dat bijvoorbeeld ook. Het onderzoek van Bloom valt echter vooral op omdat het de (Engelstalige) media in Israël haalde. Dat wil zeggen: via een in 2009 door de Israëlische journalist Tom Segev geschreven artikel voor het dagblad Ha’aretz.
Ariërs
Centraal binnen Ruppins rassenideologie stond volgens Bloom een agrarisch niet-semitisch ras dat al voor de zesde eeuw vóór Chr. in Palestina woonde. Deze ‘Arische’ Israëlieten zouden hun oorsprong hebben gehad in het Hittitische Rijk dat ver voor het eerste millenium vóór Chr. in Centraal Anatolië ontstond. De voorouders van de Hittieten waren uit Centraal-Azië afkomstige Indo-Iraniërs die via Zuid-India in Anatolië terechtkwamen en de geschiedenis in gingen als ‘ariërs’. Zij onderscheidden zich in cultureel, religieus en taalkundig opzicht van andere volken, maar waren in raciaal opzicht niet specifiek. Dat werden ze pas in de negentiende eeuw toen de fantasierijke Franse aristocraat Arthur de Gobineau hen tot het ‘arische ras’ bestempelde. Niet alleen de voorlopers van de nationaalsocialistische rassenwaan gingen daar in mee, Arthur Ruppin deed dat eveneens.
Volgens Ruppin vermengden de ariërs in Palestina zich na de vernietiging van de eerste tempel in 586 vóór Chr. met donkere semitische stammen, met als consequentie dat zij hun raszuiverheid verspeelden en onplezierige karaktereigenschappen van de semieten overnamen. Zoals materialisme en inhaligheid, aan joden toegeschreven negatieve kenmerken die ook door Theodor Herzl en diens antisemitische tijdgenoten werden beschreven.
Het klinkt allemaal akelig bekend. Ook volgens de nationaalsocialistische rassenideologie werd de zuiverheid van het arische ras immers in de waagschaal gesteld door vermenging met ‘donkere’ semitische rassen. Ruppin liet zich dan ook door de nazi’s inspireren en citeerde hen regelmatig. In augustus 1933 – dat wil zeggen acht maanden nadat Hitler aan de macht was gekomen en het antisemitische geweld verhevigde in Duitsland – schreef hij in zijn dagboek over een ontmoeting met Hans F. K. Günther. Oftewel ‘Rassengünther,’ een nationaalsocialistische rassenideoloog met veel invloed op prominente nazi’s waaronder SS Reichsführer Heinrich Himmler. Zoals hij het in zijn dagboek stelde, leek Ruppin het onderhoud met Günther op prijs te stellen.
Omgekeerd ging Ruppins bovengenoemde verklaring over de inhaligheid en het materialisme van de joden er bij de nazi’s in als gesneden koek. Volgens Bloom kwam Ruppins contact met Günther voort uit zijn betrokkenheid bij het Ha’avara Abkommen. Dit samenwerkingsverband tussen het ministerie van Economische Zaken van nazi-Duitsland en de Duitse tak van de World Zionist Organisation bevorderde de emigratie van joden en faciliteerde het verplaatsen van joods kapitaal naar Palestina.
(Bloom constateert dat de zionisten zich door hun deelname aan het Ha’avara Abkommen distantieerden van het internationale protest tegen de nazi’s, maar benadrukt dat die regeling plaatsvond in een periode waarin de Holocaust in de verste verten nog niet aan de horizon was verschenen. Verder stelt Bloom dat de samenwerking verder uitgebreid had kunnen worden als het aan de zionisten had gelegen, maar dat de nazi’s daar niet voor voelden. Dat laatste is interessant ten aanzien van pleitbezorgers van het zionisme die graag denken dat de WZO tot de samenwerking verplicht werd door de nazi’s.)
Mizrahim
Omdat de Ashkenazim zich volgens Ruppin niet of in ieder geval minder met semitische rassen hadden vermengd, was het oorspronkelijk niet-semitische Israëlitische ras bij hen het best bewaard gebleven. Dit bracht Ruppin tot het opstellen van een rangorde van verschillende subrassen onder de joden. Bovenaan stonden de superieure Ashkenazim met hun lichte huidskleur, maar naarmate de huid van een jood donkerder was, constateerde hij meer vermenging met semitische rassen en daardoor ook meer negatieve kenmerken, waardoor ze voor hem lager op de ladder stonden.
Aangezien het Israël uit zijn dromen volgens Ruppin onbegonnen werk was zonder een zuiver ras woog het zwaar voor Ruppin dat de arische Israëlieten hun raszuiverheid waren kwijtgeraakt. Hij ontwaarde echter wegen tot herstel, waarbij zijn hoop vooral gevestigd was op de Ashkenazim, de uit Oost-Europa afkomstige joden. Dezelfde Ashkenazim die het zionisme begonnen en waar hij er zelf ook een van was…
Afrikaanse joden waren Ruppin een gruwel. Van hun immigratie naar Palestina moest hij dan ook niets weten. Maar met oriëntaalse joden, de Mizrahim en de Sephardim, had hij evenmin veel op. Voor alle duidelijkheid: de Mizrahim hebben altijd in het Midden-Oosten gewoond, terwijl de voorouders van de Sephardim zich ooit op het Iberische schiereiland vestigden. Toen het daar in de vijftiende eeuw tot een uitbarsting van antisemitisme kwam, werden de Sephardim verdreven. Naar alle windrichtingen, maar ook naar het Midden-Oosten. Daardoor zijn de tradities van de Sephardim en Mizrahim op elkaar gaan lijken en vormen ze in veel opzichten een en dezelfde groep. Voor Ruppin behoorden oriëntaalse joden tot dezelfde categorie als Arabieren, Berbers of andere autochtone bevolkingsgroepen in de regio. Ze zouden volgens hem hooguit nut gaan hebben voor Israël als ongeschoolde arbeiders in dienst van de superieure Ashkenazim.
Door een raciaal onderscheid tussen de Ashkenazim en de oriëntaalse joden aan te leggen ging Ruppin zelfs zo ver dat hij afweek van Herzls opvattingen. Die beschreef joden weliswaar als een ras, maar sprak onderlinge raciale verschillen tegen. Dat bleek toen de zionist Israel Zangwil een naar zijn mening te groot fysiek onderscheid tussen de joden constateerde om van één ras te kunnen spreken. Herzl wees erop dat binnen een ras grote fysieke verschillen kunnen bestaan, waarmee hij op zich een punt had.
Ruppin dacht hier heel anders over. Hij trachtte door fysieke kenmerken te bestuderen zijn theorie over raciale verschillen tussen Ashkenazim en Mizrahim te onderbouwen. Volgens Ethan Bloom wilde hij aan het einde van zijn leven ook de onderlinge raciale verschillen tussen de Ashkenazim bepalen. Zijn methodiek deed daarbij denken aan de Italiaanse criminoloog en ‘schedelmeter’ Césare Lombroso, die niet alleen populair was bij Mussolini’s fascisten, maar ook bij Max Nordau, naast Herzl een van de oprichters van de WZO.
Om de Ashkenazim te bevrijden van de in zijn ogen negatieve semitische kenmerken was het toekomstige Israël volgens Ruppin van essentieel belang. De stichting van de zionistische staat maakte hij echter niet mee, want hij kwam in 1943 te overlijden.’
Magdeburg
In 2002 besloot het bestuur van Magdeburg, de Duitse stad waar Ruppin opgroeide, hem vanwege zijn inspanningen voor Israël te eren door een straat naar hem te vernoemen. Goed, dat was in 2002 en de studie van Ethan Bloom was toen nog niet verschenen, dus kan het de Magdeburgers niet helemaal kwalijk genomen worden dat ze destijds niet begrepen dat Ruppin een rassendenker was die zijn opvattingen met de nazi’s deelde. In 2022 werd echter besloten om de Arthur Ruppin Strasse tijdens een bijzondere plechtigheid van een nieuw straatnaambordje te voorzien en dat is een heel ander verhaal. Hetzelfde geldt voor het lovende artikel ‘How Mr. Ruppin built a country’ dat Sebastian Berbner in 2018 voor Zeit Online schreef. Ruppin kreeg daar een veer in zijn kont, omdat hij Tel Aviv stichtte en Oost-Friese koeien naar Palestina haalde, maar over zijn ridicule rassentheorie schreef Berbner geen woord. Het is duidelijk: een zionist die zich liet inspireren door de nazi’s en hen op zijn beurt zelf inspireerde, krijgt in Duitsland een hagiografie en een straatnaam, terwijl joodse kunstenaars en intellectuelen met kritiek op Israël gecanceled worden. Het toont eens te meer het kunstmatige vacuüm waar de Duitsers door Israël en hun eigen verleden in zijn gezogen. Het ergste van al dit historiografische geklungel is dat de betekenis van Ruppins rassenwaan na 1948 zeker niet verdwenen is. Maar daarover meer in het tweede deel van deze artikelenserie.
