Categorieën
Economie Politiek

Giorgia Meloni is geen radicaal

Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 27 september 2022

fotografie: UnHerd

door Thomas Fazi

Thomas Fazi is schrijver, journalist en vertaler. Zijn jongste boek Reclaiming the State verscheen bij Pluto Press.

De Italiaanse kiezers weten dat er niets zal veranderen

De internationale reactie op de (alom voorspelde) overwinning van Giorgia Meloni bij de Italiaanse verkiezingen van afgelopen zondag kan in twee kampen worden verdeeld: de linkse liberalen vrezen dat een centrumrechtse regering onder leiding van Meloni Italië in een ʻilliberale democratieʼ à la Hongarije zal storten, terwijl de rechtse partijen haar opkomst als een dodelijke bedreiging voor het ʻglobalistischeʼ regime van de EU beschouwen. Beide kampen zitten er even ver naast.

Misschien wel de meest veelzeggende reactie op de verkiezingen is die van de financiële markten: onverschilligheid. De beurs van Milaan steeg de maandagochtend na de verkiezingen zelfs, terwijl de spread tussen Italiaanse en Duitse staatsobligaties met een looptijd van tien jaar een kleine opleving kende, maar niet groter is geworden dan een maand geleden. De markten verwachten duidelijk niet dat Meloni veel zal afwijken van het macro-economische pad dat de technocraten in Brussel en Frankfurt voor het land hebben uitgestippeld en dat door Mario Draghi is verankerd – laat staan dat zij de EU de voet zal dwarszetten.

En terecht. Meloni heeft zich met volle overtuiging uitgesproken vóór de Europese Unie, het Euro-Atlantisch partnerschap en de NAVO, en heeft zelfs voor het sturen van wapens naar Oekraïne gestemd. Wat alle belangrijke kwesties van dit moment betreft, denken de markten terecht dat zij de lijn van het establishment zal volgen. Vandaar hun relatieve rust – in schril contrast met de turbulentie na de verkiezingen van 2018, toen de Vijfsterrenbeweging en de Lega aan de macht kwamen, die destijds nog vrij eurosceptisch waren (voordat ze door het establishment van de EU tot overgave werden gedwongen).

Meloni’s pro-establishment benadering van het economisch beleid is niet alleen te wijten aan een gebrek aan verbeeldingskracht van haar kant, hoewel ze altijd vrij gangbare opvattingen over deze materie heeft gehad. Het is in de eerste plaats te wijten aan het feit dat ze zich er ten volle van bewust is dat Italië, door zijn toetreding tot de eenheidsmunt, niet langer een soeverein land is, en dat ze daarom de steun van het EU-establishment nodig heeft om aan de macht te blijven. Ze heeft in feite de les geleerd van de ʻpopulistischeʼ Vijfsterren-Lega-regering van 2018, toen de Europese autoriteiten hun toevlucht namen tot een breed scala aan instrumenten – waaronder financiële en politieke druk – om iedere potentiële afwijking van de status quo de kop in te drukken.

Tijdens een recente toespraak aan de Princeton-universiteit heeft de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, dit concept nader toegelicht. Op de vraag of zij zich zorgen maakte over de komende verkiezingen in Italië, antwoordde ze: ʻAls de dingen zich in “een moeilijke richting” bewegen, hebben we instrumenten [om met de situatie om te gaan].ʼ Daarmee liet ze zien hoe de heersende elites van de EU de lidstaten zien: niet als soevereine landen maar als protectoraten.

Meloni begrijpt dit. Een groot aantal Italianen begrijpt dit echter ook en deelt het oordeel van de financiële markten: de Italiaanse democratie is zó ingeperkt dat het niet meer uitmaakt wie de verkiezingen wint. Want ver weg van de gierende krantenkoppen was het meest opvallende aspect van de verkiezingen in feite de lage opkomst – 64 procent, de laagste in de geschiedenis van Italië. Dit betekent dat een derde van de Italianen niet heeft gestemd; deze mensen hebben de democratie opgegeven. Dit aantal zal alleen maar toenemen – een vernietigende aanklacht tegen de manier waarop de EU de Italiaanse democratie heeft uitgehold.

In die zin moet de overwinning van Meloni niet worden overdreven. Weliswaar is Broeders van Italië met 26 procent van de stemmen (tegen 4,4 procent in 2018) veruit de grootste partij van het land geworden – gevolgd door de Partito Democratico (19 procent) en de Vijfsterrenbeweging (15,6 procent) – maar dat is niets vergeleken met de 32,6 procent die de Vijfsterrenbeweging bij de verkiezingen van 2018 behaalde. Bovendien, als we kijken naar de totale aantallen, kregen de drie partijen van de centrum-rechtse coalitie – Broeders van Italië, Lega en Berlusconiʼs Forza Italia – gezamenlijk vrijwel hetzelfde aantal stemmen als in 2018: iets meer dan twaalf miljoen. Er is dus geen sprake van een massale ʻruk naar rechtsʼ onder het Italiaanse electoraat, zoals verschillende analisten hebben gesuggereerd; in feite zijn we vooral getuige geweest van een herschikking van de stemmen tussen de centrum-rechtse partijen.

Hetzelfde geldt voor de centrum-linkse coalitie – de Partito Democratico plus een stel kleinere partijen – die in totaal 7,2 miljoen stemmen haalde, slechts iets minder dan de 7,5 miljoen stemmen die zij in 2018 kreeg. Over het geheel genomen lijken de twee coalities dus een redelijk geconsolideerde basis te hebben die de afgelopen vier jaar grotendeels ongewijzigd is gebleven.

De echte uitschieter is de Vijfsterrenbeweging, die verbazingwekkend genoeg van 10,7 miljoen stemmen in 2018 naar 4,2 miljoen stemmen nu is gegaan – een verbijsterende daling van 6,5 miljoen. Interessant genoeg is zes miljoen ook het aantal mensen dat bij deze ronde niet is komen opdagen om te stemmen, in vergelijking met 2018. De implicaties zijn nogal duidelijk: voor miljoenen gemarginaliseerde, werkloze, precaire en lage-inkomensstemmers die hun hoop op een radicale breuk met de status quo hadden gevestigd op de Vijfsterrenbeweging – om vervolgens met lede ogen te moeten aanzien hoe die partij al haar beloften in de wind sloeg en zich in de loop van slechts een jaar aan het establishment verbond – heeft geen van de bestaande partijen iets te bieden, zelfs Broeders van Italië niet.

Hoewel Vijfsterrenleider Giuseppe Conte er de afgelopen weken in is geslaagd een klein deel van zijn achterban terug te winnen, vooral door de inkomenssteunregeling van de Vijfsterrenbeweging harder te verdedigen en kritiek te leveren op de militaire steun van Italië aan Oekraïne, was het voor de meeste kiezers een geval van te weinig en te laat. Veel van het anti-establishmentsentiment in de Italiaanse samenleving blijft dus springlevend; het heeft alleen geen politiek kanaal om zich te uiten.

Het zoeken naar diepgaande sociologische implicaties die de overwinning van Meloni zouden kunnen verklaren, is dan ook tijdverspilling. De meeste mensen die op haar gestemd hebben, hebben niet echt op haar gestemd; ze verwachten althans niet dat ze het land op een betekenisvolle manier zal veranderen. Er is geen echte volksbeweging of sociale basis die Meloni steunt. Simpel gezegd was het voor de meeste centrumrechtse kiezers eenvoudigweg ʻhaar beurt.ʼ

Wat zal ze kunnen laten zien? Niet veel, aangezien het onwaarschijnlijk is dat Meloni het economische kader van de EU ter discussie zal stellen en omdat Brussel, samen met haar handlanger, de Italiaanse president, de ʻrechtsstaatʼ-kwesties nauwlettend in de gaten zal houden. Sommigen vinden dit misschien geruststellend. Maar nu Italië (en Europa als geheel) een zeer turbulente winter tegemoet gaat – die instrumenten voor economisch ingrijpen zal vereisen die Meloni niet heeft – zullen velen misschien de deugden van de Europese ʻbeperkte democratieʼ willen heroverwegen. En laten we niet vergeten: in Italië kan zó weer een nieuwe technocratische regering aantreden…

Vertaling: Menno Grootveld

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *