Categorieën
Economie Politiek

Links mag niet op Macron stemmen

Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 22 april 2022

fotografie: UnHerd

door Thomas Fazi

Thomas Fazi is schrijver, journalist en vertaler. Zijn laatste boek, Reclaiming the State, verscheen bij Pluto Press.

Macrons aggresieve agenda heeft de werkende klasse verlamd

Op 6 mei 2017, de dag dat Emmanuel Macron werd verkozen tot president van Frankrijk nadat hij Marine Le Pen met groot verschil had verslagen, deed hij een belofte aan het Franse volk: dat het land nooit meer een ʻextreem-rechtseʼ kandidaat de tweede ronde van de presidentsverkiezingen zou zien bereiken. Maar nu, vijf jaar later, moet Macron het opnieuw opnemen tegen Le Pen. En deze keer zal het zeker veel dichter bij elkaar liggen, met een peiling van 55 procent voor de zittende president en 45 procent voor Le Pen.

Om dat verschil te verkleinen, moet Le Pen ten minste een deel van de 22 procent van de kiezers overhalen die in de eerste ronde van de verkiezingen voor de ʻlinks-populistischeʼ Jean-Luc Mélenchon hebben gekozen. Het standpunt van Mélenchon in dezen is echter duidelijk: ʻWij mogen geen enkele stem aan Le Pen geven,ʼ verklaarde hij op de avond van de eerste ronde, in wat neerkwam op een de facto steunbetuiging aan Macron. In een brief aan zijn achterban liet hij duidelijk weten dat hij de aftredende president de minst slechte optie vindt die op tafel ligt.

Maar niet al zijn kiezers zijn dezelfde mening toegedaan. Zoals Alexandre, een 36-jarige man die in de eerste ronde op Mélenchon stemde, aan BFMTV vertelde: ʻIk ben fundamenteel, ideologisch links en ik ben diep humanistisch, maar ik zal toch op Marine Le Pen stemmen.ʼ Hij is niet de enige die er zo over denkt: volgens opiniepeilingbureau Elabe zal een derde van de kiezers van Mélenchon in de tweede ronde waarschijnlijk op Le Pen stemmen.

Het hoeft ons niet te verbazen dat een groot deel van de aanhangers van Mélenchon het niet met hun leider eens is dat Macron het minste kwaad is. Gedurende zijn hele presidentschap heeft Macron onophoudelijk een aggressieve neoliberale agenda nagestreefd die de omstandigheden van de Franse arbeidersklasse dramatisch heeft verslechterd, terwijl hij de rijke elites en bedrijfsgiganten van het land enorm heeft bevoordeeld – verlaging van de belastingen voor de rijken en de grote bedrijven, hervorming van de arbeidswetgeving ten gunste van de werkgevers, bezuinigingen op de sociale voorzieningen en voortzetting van de ʻvermarktingʼ van elk gebied van de Franse samenleving.

Zoals een Franse econoom het formuleerde: ʻMacron is de kandidaat van de rijkste 1 procent of zelfs 0,1 procent.ʼ Dit is meer dan alleen een stijlfiguur: in zijn opzienbarende boek Crépuscule beschrijft de Franse schrijver en activist Juan Branco hoe Frankrijks machtigste oligarchen en mediamagnaten Macron vrij letterlijk van jongs af aan hebben ʻklaargestoomd,ʼ waarna ze al het geld en alle invloed waarover ze beschikten hebben gebruikt om hem te helpen de jongste president ooit van het land te worden. Het bleek een lonende investering: de laatste jaren is het aantal miljonairs in Frankrijk, na de Verenigde Staten, het sterkst toegenomen: een derde van de Franse rijkdom is nu in handen van slechts acht miljardairs. Intussen zijn de levensomstandigheden van de minstbedeelden verslechterd en is het aantal Fransen dat in armoede leeft toegenomen.

Alsof dit nog niet erg genoeg was, heeft Macron, toen de Franse onderklasse de straat opging om te protesteren tegen het top-down klassenoorlogsbeleid van de president en de Gilets Jaunes-beweging ontstond, daarop gereageerd met angstaanjagend politiegeweld dat niet onderdoet voor ʼs werelds meest repressieve regimes, waardoor betogers ten minste 24 ogen en vijf handen verloren.

De protesten kwamen alleen tot een einde omdat het uitbreken van de Covid-pandemie Macron, net als andere leiders over de hele wereld, het perfecte excuus bood om een draconisch en autoritair beleid van sociale controle uit te rollen, dat, zoals Toby Green en ik hebben gedocumenteerd, de arbeidersklasse het zwaarst heeft getroffen. Zoals Serge Halimi, directeur van Le Monde diplomatique, onlangs verklaarde, is het presidentschap van Macron ʻFrankrijks meest “illiberale” presidentschap van de moderne tijd.ʼ Hij heeft de angst voor onveiligheid, terrorisme, Covid-19 en nu de oorlog in Oekraïne uitgebuit om ʻeen antidemocratische “shockstrategie” te bevorderenʼ die erop gericht is ʻdoor angst te regeren.ʼ

En de toekomst voor de gewone Fransen ziet er niet rooskleuriger uit, als we het verkiezingsprogramma van Macron mogen geloven: meer belastingverlagingen voor grote bedrijven, de pensioengerechtigde leeftijd verhogen tot 65 jaar, uitkeringsgerechtigden dwingen om meer dan vijftien uur per week te werken, en terugkeren naar de strenge begrotingsregels van Maastricht (d.w.z. meer bezuinigingen). Zoals Halimi opmerkt: ʻEen tweede termijn voor Macron zou vooral gevaarlijk zijn voor de arbeidersklasse, omdat hij zich niet kandidaat kan stellen voor een derde termijn. Zonder de remmende invloed van een toekomstige verkiezingʼ staat er weinig meer in de weg van Macrons autoritaire neoliberale project.

Dit alles roept de vraag op waarom een socialist als Mélenchon zou moeten willen dat Macron aan de macht blijft. Op de meeste linkse mensen, niet alleen die in Frankrijk, zal deze vraag waarschijnlijk provocerend retorisch overkomen: wel, omdat het alternatief – Le Pen – duidelijk slechter is. Maar is dat ook zo? Of is het slechts een linkse Pavlov-reactie op de klank van haar naam? De argumenten van Mélenchon weerspiegelen de conventionele wijsheid onder Franse linksen en socialisten: de economische agenda van Le Pen is net zo slecht – dat wil zeggen: neoliberaal – als die van Macron, terwijl haar ʻculturele agendaʼ (over kwesties als immigratie) veel slechter is.

Dit zou een redelijk argument zijn als het waar was. Maar het idee dat de programmaʼs van Le Pen en Macron even slecht zijn vanuit een links-socialistisch perspectief is gewoon onjuist.

Le Pen heeft de ʻneoliberaleʼ logica van veel van de voorstellen van haar concurrent gehekeld – met name de aanscherping van de voorwaarden voor de ontvangers van sociale uitkeringen voor werkenden en de verhoging van de pensioenleeftijd, waar Le Pen zich in beide gevallen consequent tegen heeft verzet. Het is eerlijk gezegd moeilijk in te zien hoe iemand te goeder trouw het verkiezingsprogramma van Le Pen als neoliberaal zou kunnen omschrijven. Het is eerder een gematigd herverdelingsprogramma op keynesiaanse leest, gebaseerd op staatsinterventionisme, sociale bescherming en verdediging van de publieke diensten. De maatregelen omvatten de versterking van publieke diensten zoals ziekenhuizen, algemene BTW-verlagingen, loonsverhogingen voor werknemers in de gezondheidszorg en andere sectoren, belastingvrijstellingen of gratis vervoer voor jonge werkenden, de bouw van honderdduizend sociale huurwoningen per jaar, de renationalisatie van de autowegen en een belasting op financieel vermogen. Niets dat bijzonder radicaal is – maar neoliberaal is het zeker niet.

Het is dan ook geen verrassing dat een diepgaand onderzoek van het manifest van Le Pen door het Centre de Recherche Politique van Sciences Po, een van de grootste en invloedrijkste centra voor politiek-wetenschappelijk onderzoek in Frankrijk en zeker geen lepénistisch bolwerk, tot de conclusie kwam dat haar politieke programma stevig ʻlinks van het economische middenʼ ligt – veel meer dan de agenda van Macron. Interessant genoeg bleek uit het onderzoek ook dat de kiezers van Le Pen haar linkse economische visie delen: groot vertrouwen in de vakbonden, wantrouwen jegens grote particuliere ondernemingen, weigering om het aantal ambtenaren te verminderen. Over het geheel genomen is een overweldigende meerderheid van de aanhangers van Le Pen het eens met het idee dat ʻmen van de rijken moet nemen om aan de armen te geven.ʼ

Het is inderdaad pijnlijk duidelijk dat Mélenchons eigen economische manifest veel meer overeenkomsten vertoont met dat van Le Pen dan met dat van Macron. Ja, het programma van Mélenchon legt meer nadruk op lonen en werknemersrechten, zoals te verwachten valt, maar de algemene oriëntatie is vergelijkbaar. Mélenchon en Le Pen hebben zich ook allebei zeer kritisch uitgelaten over Macrons ʻvaccinpaspoorten,ʼ en hebben beloofd die in te zullen trekken als zij verkozen zouden worden. En de twee leiders hebben een vergelijkbare afkeer van de mondialisering en van de Europese Unie in het bijzonder – waarvan Macron een fervent pleitbezorger is. Ze zijn ook allebei voorstander van de terugtrekking van Frankrijk uit de NAVO.

Het grootste verschil tussen de twee betreft de immigratie. Terwijl Mélenchon in zijn manifest oproept om ʻimmigranten op een waardige manier te verwelkomen,ʼ wil Le Pen ʻde immigratie weer volledig onder controle krijgenʼ – door de regels voor het verkrijgen van de Franse nationaliteit aan te scherpen, nationale onderdanen voorrang te geven bij de toegang tot bepaalde sociale voorzieningen, en delinquente en stelselmatig werkloze buitenlanders het land uit te zetten. Zij heeft ook een hard standpunt ingenomen tegen het islamitisch radicalisme.

Nu kan het heel goed zijn dat men het niet eens is met dit beleid, maar het demoniseren ervan als ʻfascistischʼ – zoals velen ter linkerzijde doen – is gewoon belachelijk. Immers, het idee dat een staat voorrang moet geven aan het welzijn van de eigen burgers werd tot niet al te lang geleden als vanzelfsprekend beschouwd – zelfs onder linkse partijen en kiezers, zoals Sahra Wagenknecht, voormalig leider van de radicaal-linkse Duitse partij Die Linke, opmerkt in haar jongste boek Die Selbstgerechten(ʻDe zelfingenomenenʼ).

Maar wat belangrijker is, is de vraag of Macron in dit opzicht echt zo veel beter is dan Le Pen. Zoals Pauline Bock in The Guardian schreef, heeft Macron zelf een zeer ʻharde houding op het gebied van de immigratie aangenomen, waarbij politieagenten tenten van vluchtelingen in Calais vernielden … hij een eerbetoon bracht aan de ʻgrote soldaatʼ maarschalk Pétain … en interviews gaf aan extreem-rechtse tijdschriften.ʼ Toen Macrons minister van Binnenlandse Zaken, Gérald Darmanin, in februari 2021 in een tv-programma tegenover Le Pen stond, beschuldigde hij haar er zelfs van ʻte mild te zijn op het gebied van de immigratie.ʼ

Het lijkt er dus op dat de meeste argumenten van Mélenchon (en Frans links) om Macron boven Le Pen te verkiezen geen stand houden: de eerste is onvergelijkbaar veel slechter – d.w.z. ʻrechtserʼ – dan Le Pen op economisch gebied, en aantoonbaar bijna even slecht als zijn rivaal, vanuit een standaard ʻprogressiefʼ gezichtspunt, als het op de behandeling van immigranten aankomt. Ongeacht wat men van Le Pen mag denken – ik ben geen fan en als ik in Frankrijk had gewoond, zou mijn stem naar Mélenchon zijn gegaan – lijkt het vrij duidelijk dat de Franse arbeidersklasse veel slechter af zou zijn met een tweede ambtstermijn van Macron.

Uiteindelijk laat deze hele affaire echt zien waarom de historische kloof tussen links en rechts nergens meer op slaat. Geen enkel land illustreert dit beter dan Frankrijk – het land dat als eerste de concepten links en rechts in de politiek uitvond. Want niet alleen zijn nominaal linkse en progressieve partijen radicaal naar rechts opgeschoven in economische termen, en hebben zij klassenpolitiek opgegeven ten gunste van identiteitspolitiek, maar nominaal rechtse partijen zijn tegelijkertijd naar links opgeschoven als het om de economie gaat. Ook al hebben politieke partijen de traditionele links-rechts dichotomie uitgedaagd, en hebben Macron, Le Pen en Mélenchon er allemaal op hun eigen manier op gewezen dat de links-rechtspolitiek voorbij is, waarbij de laatste zich veel moeite heeft getroost om de linkse politiek te ʻont-neoliberaliseren,ʼ deze labels blijken zeer moeilijk verwijderbaar.

Dat is uiteindelijk de reden waarom een socialist als Mélenchon het nog steeds niet kan opbrengen om de ʻrechtseʼ Le Pen te verkiezen boven de nominaal ʻprogressieveʼ Macron, ook al is de economische agenda van eerstgenoemde veel linkser. Het verklaart ook waarom Macron waarschijnlijk voor een tweede termijn zal worden verkozen, met nefaste gevolgen voor de Franse arbeiders- en middenklasse.

Natuurlijk zouden de kiezers van Le Pen waarschijnlijk voor hetzelfde dilemma staan als Mélenchon het tegen Macron zou moeten opnemen. Maar dit bewijst alleen maar dat de kloof tussen links en rechts een rookgordijn is geworden dat het vrijwel onmogelijk maakt om de status quo serieus aan te vechten. Zolang politieke partijen en kiezers meer belang blijven hechten aan de steeds betekenislozere labels die zij zichzelf geven, in plaats van aan het beleid dat andere partijen en kiezers daadwerkelijk steunen, zal elk vooruitzicht om iemand als Macron ten val te brengen waarschijnlijk worden gedwarsboomd – tot grote vreugde van de heersende klassen.

Vertaling: Menno Grootveld

Één reactie op “Links mag niet op Macron stemmen”

Goed artikel dat waarschuwt, te laat waarschijnlijk, voor het gebruik van etiketten zonder naar de inhoud te kijken. Een oud lied van de Bintangs uit Beverwijk, ‘you can’t judge a book by looking at the cover’.
er zijn te veel etiketten en te weinig beoordeling op inhoud. Als ik zie dat Oekraïne ondertussen de grote oorlogshitser is in het midden van Europa, eerst gesteund door USA en UK en nu door veel meer landen in Europa. Dan zie ik een derde wereld-oorlog ontstaan, of al gevoerd worden, terwijl veel mensen nog denken aan een gerechtvaardigde oorlog volgens hun ideaal van Oost is slecht en West is goed. West voert oorlog met alle middelen, verdragen, handel, investeringen, uitsluitingen, wapens, oorlogsdreiging, etc.
Het artikel heeft mij wakker gemaakt. Laat je niet in de neo-linerale luren leggen. De communicatie is zo geavanceerd.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.