Categorieën
Gezondheid Politiek

Het grootste overheidsfalen sinds de appeasement

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 14 mei 2020

fotografie: Simon Dawson

door Owen Jones

Owen Jones is een Brits journalist, schrijver, columnist, politiek commentator en linkspolitiek activist.

Officieel is de nieuwe strategie ʻpersoonlijke verantwoordelijkheidʼ en ʻgoed, solide Brits gezond verstand,ʼ zoals onze minister-president het kleurrijk omschrijft; officieus is de operatie om het publiek de schuld in de schoenen te schuiven redelijk op stoom gekomen. Terwijl de media zich afvragen waarom de treinen en bussen in Londen propvol zitten ondanks het regeringsadvies, smeekt onze minister van vervoer, Grant Shapps, de domme oude forenzen om niet ʻterug te stromenʼ naar het openbaar vervoer.

Het kleine probleem hier is dat de regering miljoenen werknemers heeft opgedragen weer aan het werk te gaan; gezien het feit dat er nog steeds geen teleporters zijn uitgevonden, hebben ze een ander vervoermiddel nodig om de afstand tussen hun huis en hun werk te overbruggen. Als je als Londenaar meer dan 70.000 pond per jaar verdient, is dat geen probleem: ongeveer 80% heeft toegang tot een auto en de meesten kunnen thuiswerken. Helaas heeft bijna de helft van de inwoners van de hoofdstad – en ruim 70% van de mensen die minder dan 10.000 pond per jaar verdienen – geen toegang tot een auto: als je die beelden van volgepakte treinen en bussen wilt begrijpen, begin dan hier.

Het is niet verwonderlijk dat een regering die verantwoordelijk is voor het grootste dodental van Europa, zó geïnteresseerd is in het afschuiven van de schuld. Was het ʻgoed, solide Brits gezond verstandʼ om groepsimmuniteit na te streven en later dan andere Europese landen een lockdown op te leggen, ook al waren de gruwelen van Lombardije allang bekend? En was het inderdaad ʻgoed, solide Brits gezond verstandʼ om kwetsbare patiënten terug te sturen naar verzorgingstehuizen, zonder ze eerst te testen op het coronavirus, waardoor de ziekte werd verspreid in een sector waar misschien wel 22.000 mensen zijn gestorven? Of zou ʻgoed, solide Brits gezond verstandʼ kunnen verklaren hoe het personeel in de frontlinie is blootgesteld aan een gebrek aan persoonlijke beschermingsmiddelen?

Maar de strategie achter de nieuwe aanpak van de regering is duidelijk. ʻBlijf alertʼ is natuurlijk betekenisloos, behalve om de verantwoordelijkheid voor wat er straks gaat gebeuren op individuen af te kunnen wentelen. Volwassenen hebben de staat niet nodig om hun hand vast te houden, verkondigen de boodschappers van de regering: in plaats van te vertrouwen op gedetailleerde instructies en een centraal dictaat, moeten we vertrouwen op ons eigen oordeel. De implicatie is natuurlijk dat als zich straks nóg een piek in de infecties en de sterfgevallen voordoet, dit de schuld van het publiek zal zijn, omdat het niet genoeg persoonlijke verantwoordelijkheid heeft betoond.

Dit is een heropleving van de idealen van het Hoge Thatcherisme, zij het dat ze nu worden toegepast op een pandemie. In de jaren tachtig van de vorige eeuw werden sociale problemen die collectieve oplossingen vereisten – zoals werkloosheid en armoede – geherdefinieerd als individuele tekortkomingen. ʻTegenwoordig is er echt geen primaire armoede meer in dit land,ʼ verklaarde Margaret Thatcher zelf. ʻIn westerse landen hebben we alleen nog problemen die geen armoede zijn. Oké, er kan sprake zijn van armoede omdat mensen niet weten hoe ze moeten budgetteren, niet weten hoe ze hun inkomsten moeten uitgeven, maar dat is uiteindelijk het gevolg van een fundamenteel persoonlijkheidsgebrek.ʼ

Als je arm was, werd het een steeds populairdere houding om te beweren dat dat kwam omdat je dom, werkschuw en lui was. Dankzij de voormalige Tory-minister Norman Tebbit werd ʻget on your bikeʼ (ʻstap op je fietsʼ) een nationaal cliché: het was natuurlijk handiger voor de regering om net te doen alsof de massale werkloosheid werd veroorzaakt door een gebrek aan inspanning en vastberadenheid, en niet door de monetaristische economie die hele bedrijfstakken verwoestte.

Wat het dogma van de ʻpersoonlijke verantwoordelijkheidʼ doet, is het uitwissen van de ongelijkheden die de samenleving tekenen, verminken en uiteindelijk bepalen. Het wendt voor dat we allemaal even vrij zijn, dat onze autonomie over ons leven en onze omstandigheden dezelfde is; dat een middenklasseprofessional die thuis werkt en toegang heeft tot een auto, dezelfde keuzes kan maken als een schoonmaakster die geacht wordt haar werk aan de andere kant van de stad te doen.

De naar schatting 60.000 mensen die tot nu toe bij deze nationale ramp zijn omgekomen, zijn niet van hun familie losgescheurd omdat het publiek niet zich niet verantwoordelijk heeft gedragen, en dat geldt ook voor de doden die de komende weken nog zullen vallen. Elke toename van de besmettingen zal niet te wijten zijn aan het feit dat iemand in het park op een meter afstand van zijn ouders heeft gestaan in plaats van op twee. Het zal niet de schuld zijn van mensen die hun buren hebben uitgenodigd voor een verboden kopje thee in de keuken, maar van het feit dat de schoonmakers die hun rommel mogen opruimen een hongerloon uitbetaald krijgen.

De verklaring hiervoor is eenvoudig: de regering heeft de lockdown versoepeld om mensen uit de arbeidersklasse in onevenredige mate in mogelijk onveilige omgevingen te dwingen, op verzoek van hun werkgevers die economische belangen boven het menselijk leven hebben gesteld. Een andere verzwarende factor is het opgeven van duidelijke instructies ten gunste van verwarring. Het kan goed zijn dat dit een bewuste strategie is, om te kunnen beweren dat de regering volkomen duidelijk is geweest, maar dat het publiek het team in de steek heeft gelaten door niet genoeg ʻgoed, solide Brits gezond verstandʼ te tonen. Wat er ook gebeurt, de poging om de schuld voor het meest rampzalige regeringsfalen sinds de appeasement van 1938 in de schoenen van het publiek te schuiven mag niet slagen. Dit is hún schuld: zíj hebben dit gedaan, en we mogen hen dit niet laten vergeten.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

Het neoliberalisme is nog lang niet dood

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Guardian, 16 mei 2020

bron foto: Twitter

door Alex Doherty

Alex Doherty is gastheer van Politics Theory Other, een podcast over allerlei politieke en theoretische zaken. Het doel is het werk van auteurs van radicaal links, dat soms als ʻacademischʼ of ʻmoeilijkʼ wordt gezien, naar een breder publiek te brengen.

Sommige mensen zeggen dat het neoliberalisme niet bestaat – dat het ʻbetekenisloosʼ is, of alleen maar een ʻscheldwoord.ʼ Maar van de financiële crisis van 2008 tot het Brexit-referendum van 2016, en van de opkomst van de alt-right tot de COVID-19-pandemie, kun je onze wereld eigenlijk niet goed begrijpen zonder in te zien hoe het neoliberalisme onze politiek en onze economie beïnvloedt.

Maar wat is het? In grote lijnen kan het neoliberalisme worden gedefinieerd als het geheel van het beleid en het overkoepelende politieke ethos dat de regeringen eind jaren zeventig in staat heeft gesteld zich af te wenden van de door de staat gestuurde economische planning, ten faveure van een economisch model dat concurrerende markten heeft uitgebreid naar alle terreinen van menselijke activiteit en de aanzet heeft gegeven tot de heerschappij van het financiële kapitaal (zoals bedacht in de City of Londen en Wall Street), door de beperkingen op de mobiliteit van dat kapitaal weg te nemen.

Belangrijk is dat het neoliberalisme niet alleen een beleidsagenda is, maar ook een moreel kader dat individuen leert zichzelf niet te zien als bijvoorbeeld loontrekkers, maar eerder als risicominnende ondernemers die de financiële risicoʼs moeten aanvaarden van hun deelname aan het hoger onderwijs, het kredietsysteem en de gedereguleerde arbeidsmarkten.

Het neoliberalisme werd in eerste instantie als economisch programma door de regering-Thatcher in Groot-Brittannië en door de regering-Reagan in de Verenigde Staten ingevoerd, maar de principes ervan bleven ook de derde weg-politiek van New Labour en de Clinton-Democraten bepalen. Hoewel centrumlinkse politici de toepasbaarheid van de term op hun beleid afwijzen, toont een schat aan door economen, sociologen en historici geproduceerd wetenschappelijk bewijsmateriaal aan hoe derde-weg politici het neoliberale project vooruit hebben geholpen.

Hoe staat het er vandaag de dag voor met deze ideologie? Sommigen zeggen dat het neoliberale tijdperk zo goed als voorbij is. In de begindagen van de COVID-19-pandemie verklaarde Paul Mason dat de gegevenheden van de crisis inhielden dat de politieke klasse van Groot-Brittannië binnenkort volledig zou bestaan uit ʻenthousiasteʼ of ʻenigszins onwilligeʼ socialisten – de progressieve staatsinterventie stond onvermijdelijk weer op de agenda. Dergelijke beweringen moeten echter met een korreltje zout worden genomen, niet in de laatste plaats omdat soortgelijke voorspellingen de ronde deden na de financiële crisis van 2008, na het Brexit-referendum en de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten. En die voorspellingen bleken er flink naast te zitten.

Zo kondigde Nobelpijswinnaar Joseph Stiglitz op het hoogtepunt van de financiële crisis aan: ʻHet neoliberalisme … is dood.ʼ Toch werd het al snel duidelijk dat dit een voorbarige conclusie was. Het is waar dat de crisis een ernstige bedreiging leek te vormen voor de aanbidding van de markten, omdat overheden gedwongen werden de financiële sector te redden. Maar wetenschappers als Philip Mirowski hebben aangetoond dat de neoliberalen al lang hadden begrepen dat hun project staatsinterventies vergt om markten te creëren en in stand te houden. In plaats van de crisisbestrijding van de overheden in 2008 te zien als een afwijzing van marktvriendelijk beleid, is het nuttiger om het te beschouwen als een extreem voorbeeld van pro-business overheidsingrijpen, dat erop gericht was om het primaat van de markt op de langere termijn te behouden.

Op het eerste gezicht leken de uitslag van het Brexit-referendum en de verkiezing van Trump een breuk met het neoliberalisme in te houden. Maar die diagnose kwam voort uit een gebrek aan inzicht in de manier waarop het neoliberalisme zich kan aanpassen aan elementen van andere ideologieën.

Hoewel de Brexiteers een hekel hebben aan de Europese Unie (een instelling waar neoliberale intellectuelen het al heel lang niet over eens zijn), blijven zij gehecht aan de kern van de neoliberale ideologie. Zo is het Australische, door de Brexiteers zo geliefde, op punten gebaseerde immigratiesysteem volkomen in overeenstemming met de visie van de neoliberalen op de mens als een verzameling van bezittingen (van grotere of kleinere waarde). De opleiding, werkervaring en connecties van de post-Brexit immigrant worden geherdefinieerd als vormen van kapitaal waarvan het al dan niet de moeite waard is om erin te investeren (door die immigranten binnen te laten), om op die manier een toekomstig rendement op deze investering voor de nationale economie veilig te stellen. Op punten gebaseerde immigratiesystemen betekenen met andere woorden geen eenvoudige verschuiving van de neoliberale, op de vrije markt gerichte orthodoxie naar een of ander rechts protectionisme.

Als noch de crises van 2008 noch die van 2016 het einde van het neoliberalisme hebben ingeluid, hoe zit het dan met COVID-19? Vandaag de dag, net als in 2008, zien politici als Rishi Sunak zich gedwongen beleid te voeren dat in tegenspraak lijkt te zijn met hun voorkeur voor de heerschappij van de markt, maar het is opnieuw de bedoeling om zo snel mogelijk terug te kunnen keren naar ʻnormaalʼ en het publiek te verlossen van hun ʻverslavingʼ aan de steun van de staat. Het gefrustreerde verlangen van de regering om de verlofregeling in te perken en haar duidelijke verzet tegen de invoering van een universeel basisinkomen wijzen op een engagement om de kern van het neoliberale welvaartsbeleid in stand te houden. Dit betekent dat men zich verzet tegen royale uitkeringen voor iedereen, die door de neoliberalen als nadelig worden beschouwd voor het bevorderen van de ondernemerszin en het disciplineren van de beroepsbevolking.

In de context van de pandemie en de klimaatcrisis is het nóg verontrustender dat de neoliberale visie op het individu als menselijk kapitaal blijft bestaan, waardoor regeringen bevolkingsgroepen van ʻlage waardeʼ als wegwerpartikel kunnen behandelen. Meer overheidsingrijpen om de inkomens te beschermen is welkom, maar kan door regeringen kunnen worden gebruikt om een soort economische triage uit te voeren, waarbij bevolkingsgroepen die het niet waard worden geacht om te worden ʻgeredʼ worden uitgesloten van overheidssteun. Zoals Michel Feher heeft aangetoond, zijn er al mildere precedenten voor dit soort hervormingen van de verzorgingsstaat uitgevoerd door de belangrijkste politieke partijen van Ierland en Portugal, die de uitkeringen voor de jongere delen van de beroepsbevolking hebben verlaagd om de emigratie te stimuleren en – in het geval van Portugal – om jonge, relatief arme Portugezen in te ruilen voor welvarender gepensioneerden uit het buitenland. In de context van de steeds groter wordende staatsschulden, waarbij migrantenpopulaties worden behandeld als ziekteverspreiders, is het niet moeilijk in te zien hoe een op uitsluiting gebaseerde neoliberale politiek, die investeringen in bepaalde bevolkingsgroepen en desinvesteringen in andere bevolkingsgroepen ondersteunt, aan kracht zou kunnen winnen.

Dit alles wil niet zeggen dat de COVID-19-crisis geen reële bedreiging vormt voor de neoliberale orthodoxie. Fysieke distantie en gedwongen quarantaine hebben de arbeidsmarkt verstoord, waardoor het machtsevenwicht tussen arbeid en kapitaal mogelijk is verschoven ten gunste van de werknemers. De toename van wilde stakingen en de opkomst van onderlinge hulpgroepen zijn zeker bemoedigend. En de verlofregeling heeft de kunstmatigheid van de beperkingen van de overheidsuitgaven tijdelijk aan het licht gebracht. Maar gezien de hardnekkigheid en het aanpassingsvermogen die de neoliberale ideologie gedurende de afgelopen tien jaar aan de dag heeft gelegd moet iedere nuchtere beoordeling van de huidige toestand rekening houden met de mogelijkheid van het voortbestaan (of de succesvolle mutatie) ervan, maar ook met haar mogelijke ondergang.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

De euro: het wonder of de dood

Oorspronkelijke tekst (Frans): Le Monde Diplomatique, 21 april 2020

fotografie: Stéphane Burlot

door Frédéric Lordon

Frédéric Lordon is een Frans econoom en filosoof, en onderzoeksdirecteur aan het Centre européen de sociologie et de science politique in Parijs.

Na de near death experience een full death experience?

De door het ʻwhatever it takesʼ van Mario Draghi in 20121 op het nippertje geredde euro had in werkelijkheid alleen maar een beetje tijd gewonnen om zich te kunnen herstellen en de volgende klap te kunnen opvangen. Want het is wel zeker dat die gaat komen, in de vorm van een nieuwe gigantische financiële crisis. Financiële deregulering leidt immers altijd tot crises, met dezelfde regelmaat als die van de seizoenen, vooral omdat de fundamentele problemen van de kapitaalmarkten niet zijn opgelost. Want feitelijk zijn er geen zesendertig oplossingen om de problemen van de financiële markten op te lossen, er is er slechts één: ze moeten worden afgeschaft.

Maar er waren zulke machtige belangen mee gemoeid dat er alle naïviteit van de wereld voor nodig was om te kunnen denken dat er binnen het kader van de politieke instellingen van het neoliberalisme iets serieus tegen zou kunnen worden ondernomen. Obama schijnt een ogenblik te hebben gedacht dat hij kon onderhandelen en had, naar men zegt, de moguls van de financiële wereld in deze bewoordingen op de hoogte gebracht: ʻThe only thing between you and the pitchforks is my administration.ʼ Het feit dat Wall Street zijn campagne had gefinancierd en innig verstrengeld was met de Democraten bracht hem echter snel bij zijn positieven. De affaire eindigde met de Dodd-Frank Act: niet helemaal niets, maar ook niet heel veel, zoals de gebeurtenissen die nog zouden komen inmiddels hebben aangetoond.

Ondertussen stond Sarkozy in Europa in Toulon met zijn armpjes te zwaaien en wekte The Economist de indruk bang te zijn door zich af te vragen of dit het einde van het kapitalisme was, maar godzijdank – nee. Eind 2008, begin 2009 zagen we regeringen dingen goedkeuren die afwijken van het Europese liberale dogma. Er werd aangekondigd dat alles anders zou zijn en dat niets zo zou blijven als het was. Men dacht heel hard na en zou alles doen wat nodig was. Maar medio 2009, nadat de financiële en bancaire klap van de crisis was opgevangen, waren we weer terug bij af: alle ontstane tekorten kwamen voor rekening van het lopende boekjaar, verder niet. Voortaan was het parool: herstel van de ernst, onze kinderen niet opzadelen met schulden, noodzakelijke inspanningen (lees: bezuinigingen). Er ontstond een patroon dat Hegel noch Marx had kunnen voorzien: de eerste keer als klucht, de tweede keer (waar we nu in zitten) als een enorme klucht.

Van eendenvijver naar stormachtige zee

Maar er is een klein verschil: wat ons nu te wachten staat, is van een omvang die de post-subprime-golf reduceert tot een aangenaam kabbelend beekje. Nu is het moment aangebroken om te bedenken dat de euro is verworden tot een wrak in een eendenvijver, zoals binnenkort zal blijken. Tien jaar lang hebben de Europese instellingen nergens aan toegegeven – en het heeft geen zin meer om het te hebben over een ʻonconventioneelʼ monetair beleid, over de oprichting van het Europese stabiliteitspact EMS,2 of over een Potemkin-bankenunie; die hebben namelijk niets substantieels veranderd aan de regels van het economische beleid. Ook dat zullen we binnenkort zien. Hier komt nog bij dat het humanistische alter-Europa ook alles heeft lamgelegd door uitsluitend te willen debatteren over een andere mogelijke euro. Natuurlijk democratisch, maar zonder zich af te vragen hoe die transformatie van een pompoen in een gouden koets zich zou moeten voltrekken – ongetwijfeld is het voldoende om het te willen, maar dan wel heel sterk.

Zonder een begin te maken met een analyse van de politieke voorwaarden, en voorzien van alle zegeningen van een positieve humanistische houding, zijn we verzekerd van een volledige immobilisatie van het debat. De beweging DiEM25 van Yanis Varoufakis, die in 2015 na het bloedbad in Griekenland werd opgericht, vond het niet nodig om zich af te vragen hoe zij Duitsland aan haar ʻdemocratische euroʼ kon verbinden, terwijl Duitsland er alles aan deed om zich aan iedere vorm van democratische besluitvorming te onttrekken – en het najagen van deze hersenschim was alleen maar goed voor het verspillen van nog eens tien jaar. Ondertussen produceerden de sociaaldemocratische herzieners van de Europese verdragen een serie pamfletten zonder enige zeggingskracht.3 Zij waren druk bezig aan van alles te tornen, maar niet aan de kern van de ordo-liberale regels die aanleiding hadden gegeven tot het constitutionele bezuinigingsbeleid, dat de near death experience van 2010-2012 had veroorzaakt, en dat vroeg of laat zonder enige twijfel opnieuw zou gaan doen. Alle vragen die destijds werden gesteld over de houdbaarheid van de meest fundamentele en (logischerwijs) meest onwrikbare regels, over de gevolgen van een schok die even groot zou zijn als de klap van de subprime-crisis, al die vragen bleven onbeantwoord – alles wat buiten de Europees-democratische alternatieven viel. Dit is waar de weigering om lastige problemen te benoemen toe leidt: tot het jaar 2020, met vóór ons het Antwoord (we weten overigens niet meer of we verrast moeten zijn door de korte tijd die het nodig had om te arriveren).

Dus nu krijgen we de full death. Want we zien niet in wat Europa zou kunnen redden van wat in aantocht is, omdat Europa tijdens de miniatuurversie ervan (tussen 2009 en 2015) er al bijna aan was overleden. In werkelijkheid is de bom al gebarsten en zien we dezelfde bewonderenswaardige resultaten. Er wordt gezegd dat het ʻdeze keer anders is,ʼ want het komt niet door de markten, maar door een virus. Dus door een ʻexogene schokʼ – door onverklaarbare zaken van buiten de economie, die verder perfect zelfregulerend is. Een soort pech, bij wijze van spreken. Maar natuurlijk is het virus volstrekt niet exogeen: het is het product van de kapitalistische verwoesting van het milieu en heeft zijn perfecte verspreidingskanalen gevonden in onze waanzinnig geworden mondialisering. Essentieel is echter dat de ramp pas echt catastrofaal wordt in en door de motor van de financiële markten, de fora waar oordelen over schulden worden geveld – en waar deze oordelen bij zwaar weer meestal de vorm van een cataclysme krijgen.

Een muur van schulden (en hypotheses over het einde van de lockdown)

Welnu, schulden zullen er zeker zijn, zowel private als publieke. Eerst de private – ondanks de commentaren in de media, waarvoor blijkbaar alleen de staatsschulden tellen. De ineenstorting van de economie brengt bedrijven, vooral kleine, in situaties die variëren van zeer zorgwekkend tot ronduit rampzalig. In de Verenigde Staten is de Federal Reserve begonnen met een kolossaal liquiditeitsplan om bedrijven te beschermen tegen faillissementen: de banken verstrekken leningen die de centrale bank belooft te zullen opkopen. Maar voor hoe lang? ʻTot het herstel goed op gang is gekomen,ʼ zegt Jerome Powell, voorzitter van de Fed. Dus ongeveer zolang als nodig is. Hiermee geeft hij impliciet een hypothese over de duur van de crisis. Dus: ʻeen bepaalde tijd,ʼ waarvan we niet precies weten hoelang die zal duren, maar waaraan desondanks ongetwijfeld heel snel een einde zal komen. Oftewel: er zijn nu inderdaad mensen ziek, maar als ze binnenkort genezen zijn, kunnen ze weer aan het werk en zullen we ervoor zorgen dat ze gezond zullen blijven. Er is dus sprake van een gewelddadige maar tijdelijke crisis, een ʻschone crisisʼ; de maatregelen om deze moeilijke tijd door te komen zijn uitzonderlijk maar van voorbijgaande aard. En dan zal alles weer normaal zijn.

Of niet. Want het is helemaal niet zeker dat deze epidemiologische dynamiek zo keurig verloopt als het monetaire beleid graag zou willen. Ofwel het scenario van de ʻniet zo schoneʼ beëindiging van de lockdown: gedeeltelijk, selectief (bijvoorbeeld per regio), geleidelijk, overal omkeerbaar, met nieuwe, lokale lockdowns als het virus weer ergens opvlamt, of zelfs landelijk als zich in de herfst een tweede coronagolf aandient, en het virus mogelijk gemuteerd is zodat de opgebouwde immuniteit nutteloos is, enz. De ʻslechte tijd van voorbijgaande aardʼ is dan niet meer een moment maar bijna permanent – dat van een verlengde schok in het aanbod (en de vraag), een enigszins bizarre variatie op een ʻklapʼ: een ʻpermanente klapʼ (van wisselende intensiteit). De versoepeling van de lockdown kan ʻmaanden of misschien wel een jaarʼ duren, waarschuwt een Belgische epidemioloog. Nou, nou, nou.

Als u weet dat de INSEE (het Franse CBS) twee weken lockdown inschat op een daling van 1,5 procent van het bbp, berekent u dan eens tot welk verlies een lockdown zal leiden die ʻmisschien wel een jaarʼ zal duren.

Of toch maar niet. We gaan niets berekenen. Dat is veel te eng.

De INSEE heeft zelf een berekening gemaakt van acht weken lockdown. En die is al erg genoeg: een recessie van 6% (de Banque de France zegt 8%, vergeleken met de 2,2% van 2009 is dit de ergste recessie sinds 1945) en een begrotingstekort van 12% (7,5% in 2009). En dat ondanks het feit dat deze berekening uitgaat van een ʻschone crisisʼ en er geen garantie is dat het goed zal gaan of dat, mochten de acht weken niet zo goed verlopen, de productie weer normaal zal worden. Als het einde van de lockdown niet zo ʻschoonʼ is, of nog erger, als de lockdown voor onbepaalde tijd blijft bestaan, wellicht ʻmaanden en misschien wel een jaar,ʼ dan ontstaat er uiteraard een enigszins ander beeld.

In het ʻniet zo schoneʼ scenario zal de overheid in de breedste zin van het woord de economie bij elkaar proberen te houden (gedeeltelijke werkloosheid, uitstel van verschillende betalingsverplichtingen aan de staat, ʻopen barʼ-beleid bij de centrale bank) gedurende de hele tijd dat het ʻslechte momentʼ duurt, want juist als we niet uitsluiten dat dat moment met tussenpozen minder slecht wordt, zien we dat het … een bepaalde tijd zal gaan duren. Misschien duurt het wel even voordat het echt weer goed is. En dan is een bepaalde tijd, als het bijvoorbeeld een jaar wordt, veel te lang om continu de particuliere sector te steunen.

Voorlopig beleven de financiële markten, waaraan niets obsceens vreemd is, een geweldige tijd dankzij de door de Fed opgeworpen anti-faillissementsdam. Maar de dag waarop de Fed zal aankondigen dat de deze dam tijdelijk was en zich zal terugtrekken terwijl het tij blijft stijgen, zou de stemming gevoelig kunnen omslaan. De enorme omvang van al het cashgeld dat is omgezet in kortlopende schulden zal op rekening komen van de private banken, zonder dat zij kunnen onderhandelen over de laatste fase van deze reis: de overname ervan door de centrale bank. Dan begint het opmaken van de pijnlijke rekeningen, het registreren van de non-performing loans en van onbetrouwbare debiteuren. En het tellen van de banken die zullen omvallen, tenzij laatstgenoemden al anticiperend zelf economische subjecten gaan loskoppelen van de kredietbeademingsapparatuur en we daaraan het bloedbad zullen kunnen afmeten.

De ʻonveranderlijkeʼ Europese solidariteit

We noemen de Fed, maar het zou net zo goed de ECB kunnen zijn, die het nog niet nodig vindt om formeel een garantieboodschap af te kondigen. Het is trouwens niet zeker dat we daarop zullen uitkomen vóór de middelpuntvliedende krachten uit de doos komen, in een vorm die veel gewelddadiger is dan die van 2010-2015. De Engelse taal heeft daar het begrip to skyrocket voor. Binnenkort zal dat de term zijn voor alle tekorten en staatsschulden. De Engelse flipperkast kent de term: same player shoots again. Aangezien de eurocrisis een extra bal heeft gewonnen, kunnen we ook die gebruiken.

Net zoals in 2010 nodigt alles in Europa weer uit tot chaos. Vergis je niet in de uitspraken van Angela Merkel om de ʻgouden regelʼ op te schorten, of die van de Europese Commissie om de gebruikelijke criteria (3% en 60%) voorlopig niet al te nauw te nemen. Deze goede bedoelingen zullen maar even duren, minder lang dan ʻzolang als nodig is,ʼ en zullen ongetwijfeld net zo bekrompen zijn als in 2009; dit jaar mág het vanwege alle emoties, maar daarna zal het parool weer zo snel mogelijk luiden: Disziplin! Van Villeroy de Galhau bij de Banque de France tot Lagarde bij de ECB en Le Maire in Bercy: hun oproep tot inspanningen is erop gericht om ons daar nu al op voor te bereiden. De tweede keer zal dus komen als een enorme klucht. De financiële nood van Italië, Spanje en misschien ook Frankrijk belooft weer bodemloos te worden. Met daartegenover weer de onverzettelijkheid van de Europese instellingen onder de hegemonie van het Duitse blok.

De vergadering van de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin) van 9 april zou zijn afgesloten met een applaus voor de eigen deelnemers – wat duidt op een mengeling van zelfgenoegzaamheid, die eigen is aan isolement, en een warrig besef dat men niet te veel moet rekenen op applaus van derden. De redenen voor dit applaus waren flinterdun. Het is waar dat het EMS heeft gezegd bereid te zijn 500 miljard euro ter beschikking te stellen, maar er is niets losgelaten over de essentie daarvan, te weten de voorwaarden, dat wil zeggen: de vereiste ʻaanpassingenʼ voor alle begunstigden van het fonds – dezelfde die tot de instorting van Griekenland hebben geleid. Same player shoots again, zeiden we al, maar deze keer inzake een land dat 16% van het bbp van de eurozone vertegenwoordigt4 (en niet 2%, zoals Griekenland …) en een schuld van 2.400 miljard euro heeft (en niet 400 miljard5). Er dan is er nog niets gezegd over Spanje (11,8%), Frankrijk (19,2%), en andere landen …

Intussen is het politieke landschap nog altijd even gunstig. In Italië is de publieke opinie op spectaculaire wijze gedraaid: aanvankelijk het meest pro-Europees, is het land nu ten prooi gevallen aan een gevoel van verlatenheid en walging. En dat is begrijpelijk, want de Europese blindheid is schrijnend geweest. De late verontschuldigingen van de voorzitter van de Europese Commissie, en de gemaakte bevlogenheid ervan – ʻwijstaan achterjullie,ʼ terwijl het omgekeerde werd bedoeld – hadden als enig effect dat de Italianen bevestigd werden in hun idee dat ze in de steek gelaten waren. En dit werd hen opnieuw verteld door de Ecofin-vergadering, luid applaudisserend voor zichzelf – maar dan in technischere termen: 1) we zullen jullie behandelen als Griekenland, 2) als het gaat om euro-obligaties of corona-obligaties kunnen jullie de pot op. Je moet je overigens afvragen of er reden tot klagen is met dit Europa, waarin zelfs de oplossingen die bedoeld zijn als redmiddel een venijnig kantje hebben: die euro-obligaties werden gepresenteerd als een onvoorwaardelijk instrument dat zou openstaan voor iedereen die ze nodig had. Maar natuurlijk komt ʻsolidariteitʼ nooit zonder ʻtegenprestatie.ʼ De corona-obligaties zouden hier waarschijnlijk ook niet aan zijn ontsnapt.

En aangezien Europa met zijn inerte instellingen tot niets anders in staat is dan tot tragische herhalingen, zien we soortgelijke personages alweer dezelfde taferelen opvoeren. Jeroen Dijsselbloem, de beul van de Grieken bij de Eurogroep, is opgevolgd door de al even meedogenloze Wopke Hoekstra, de huidige minister van Financiën van Nederland – aan hem danken we sinds eind maart de torpedering van het project van de corona-obligaties, vergezeld van een zware aanklacht tegen Italië, dat werd beticht van een wezenlijk budgettair onvermogen om de situatie het hoofd te bieden, en dat binnenkort wel eens een bezoekje van een onderzoekscommissie tegemoet zou kunnen zien, een van die broederlijke instrumenten waarvan de EU het geheim bewaart. En we kunnen het eeuwige antwoord al zien aankomen, het antwoord dat in het afgelopen decennium bijna tot de begrafenis van de euro heeft geleid en dat deze keer opnieuw zal doen: ʻWij gaan niet voor anderen betalen.ʼ Ieder voor zich – dat is het solidaire Europa. Nederlanders, Duitsers, Luxemburgers, Finnen enz.: wij betalen niet voor anderen.

Net als in 2010: de Duitse rots

En de Duitsers zijn daar beslist minder dan ooit toe bereid. Op het gebied van de gezondheidszorg lijkt Duitsland het beter te doen dan welk land dan ook, wat Frankrijk in verlegenheid brengt: voldoende ic-capaciteit, intensief testbeleid, relatief laag aantal sterfgevallen, snelle daling van de curve – we mogen niet vergeten dat Frankrijk nog tot eind juni op zijn mondkapjes moet wachten … Het einde van de Duitse lockdown is daarom al snel in zicht – evenals de hervatting van zijn economische activiteiten. De groeiverliezen, het begrotingstekort, de private en de publieke schulden zullen lager zijn dan die van andere landen, omdat Duitsland – niet zonder reden – meent beter georganiseerd te zijn. Dit is het soort prestatie dat weinig aanleiding geeft tot geduld voor de achterblijvers en nog minder tot financiële solidariteit. Ieder voor zich.

Er zullen geen euro-obligaties komen en ook geen corona-obligaties. Er zal geen solidariteit zijn. Er zullen wél kolossale nationale staatsschulden zijn, met enige bereidheid van de ECB om ze op te kopen, teneinde de ontploffing van de spreads6 voor de meest getroffen landen te beperken, niet zonder plafond deze keer, want de huidige crisis kent geen whatever it takes, ook al is er 2.400 miljard euro op weg naar Italië en 1.290 euro naar Spanje. Het whatever lijkt dus iets te worden dat we zullen moeten herzien. Om nog maar te zwijgen van het feit dat sommige landen in de bestuursraad zullen gaan denken dat de ECB een stofzuiger mag worden voor de slechte schulden van anderen. We zullen degenen ʻhelpenʼ die geholpen moeten worden, maar dan wel financieel, dat wil zeggen via de EMS-procedures, binnen de grenzen van de middelen … en dan vooral door middel van toezicht à la Griekenland.

Laten we de dingen bij de naam noemen: landen ter grootte van Italië of Spanje zien we niet zo gauw buigen voor deze behandeling, nog minder wanneer rationele oplossingen samengaan met verbittering. Gezien de enorme omvang van wat ons te wachten staat, zijn er slechts twee mogelijkheden: 1) directe steun van de centrale bank aan de schatkist – zoals Groot-Brittannië zojuist in beginsel heeft toegestaan (een monetaire beleidsrevolutie die onopgemerkt is gebleven); 2) massale kwijtschelding van schulden door de centrale bank, ten gunste van zowel de private als de publieke sector. Oftewel twee dingen die binnen de door Duitsland gedomineerde eurozone verboden zijn.

De nog verse les van 2009 leert ons dat de crisis van het Europese wanbeleid twee vormen kan aannemen. Een politieke: de tumultueuze uittreding van een mishandeld land dat onder druk van zijn bevolking inziet dat de verdediging van zijn vitale belangen niet langer verenigbaar is met het lidmaatschap van de eurozone. En een financiële: een catastrofe op de obligatiemarkten, als beleggers de hoge staatsschulden ʻonhoudbaarʼ achten en gaan beproeven wanneer de centrale bank zal ingrijpen om het groter worden van de spreads tegen te gaan (waardoor sprake zal zijn van een self-fullfilling prophecy7), of als beleggers ontwrichting beginnen te bespeuren via een X-exit, waarbij X staat voor een land dat zijn politieke breekpunt nadert, zoals Griekenland tussen 2011 en 2015 – en daarmee is al aangeven hoe deze twee vormen perfect kunnen samengaan tot een nog ergere combinatie.

Het is dus weer dezelfde rots waarop de euro aan diggelen wordt geslagen, de rots van de Duitse onverzettelijkheid bij het omgaan met de reacties op het monetaire beleid waar het land zijn hele geschiedenis bang voor is geweest. Laten we nogmaals zeggen dat een natie niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor haar collectieve spoken, want iedereen heeft zo zijn eigen spoken. Maar ook dat het een krankzinnig project was om een gemeenschappelijke munt te creëren met een land dat door zulke nachtmerries wordt geteisterd.

Het is niet zo dat Europa, en daarbinnen Duitsland, sinds 2009 geen enkele beweging meer heeft gemaakt. Het opschorten van het begrotingsdogma aan het begin van deze crisis toont een snelle draai van de ECB met betrekking tot massale aankoopprogrammaʼs (ook al moest Lagarde er twee keer over nadenken, na een aanvankelijke weigering) en is niet niets. Maar wat zijn de realistische op de langere termijn? Op het gebied van de overheidsfinanciën zal de budgettaire tolerantie niet lang duren en zal de aanpassingsdruk snel toenemen. Op het monetaire vlak zal de kwestie van de kwijtschelding van schulden door de ECB – dat wil zeggen: hun (zeer) grootschalige monetarisering – nog beslissender zijn. Monetiseren – kwijtschelden. Schulden. De Duitse nachtmerrie bij uitstek. Maar er is geen andere uitweg dan deze monetaire strategie.

In 2012 had Duitsland op het laatste moment het ʻwhatever it takesʼ geslikt – en liet het Griekenland het honderdvoudige betalen. Bij iedere crisis wordt de hele onder Duitse invloed staande structuur op zijn rigiditeit getest. Er is een bijna miraculeuze beweging voor nodig om die niet te laten breken. Naarmate crises heviger worden, loopt de structuur altijd vertraging op bij de aanpassing en wordt hij op een steeds gevoeliger punt getest, waardoor er een steeds spectaculairder wonder nodig zal zijn. Op een dag komt de maximale belasting. Daar zijn we nu aangeland.

Om ervoor te zorgen dat de euro deze keer niet te gronde gaat, is er, afgezien van ʻwonderen,ʼ slechts één mogelijkheid: dat ook Duitsland gedwongen zal worden akkoord te gaan met de oplossing van de kwijtschelding van schulden. Het enige dat de euro kan redden is dat Duitsland zichzelf niet langer in staat acht de gigantische schok op te vangen binnen het kader van de eigen regels. En dat ook Duitsland zich straks in een situatie zal bevinden waarin het land zal moeten schipperen tussen het handhaven van de eigen principes en het vasthouden aan zijn essentiële belangen – het beperken van de economische en sociale ontwrichting. Wat Duitsland absoluut niet kan – onderhandelen over zijn principes met anderen – kan het land misschien wel met zichzelf doen. Dan, en alleen dan, zou de euro nog een laatste, ultieme kans hebben.

In werkelijkheid is de gebeurtenis die op het punt staat plaats te vinden zo enorm dat zij ambivalent is. We zijn weer aangeland bij de contingentie van de uitkomsten: ofwel het enorme geweld van deze crisis zal alles stukmaken en de euro naar de vuilnisbak van de geschiedenis verwijzen, of het Duitse dogma zal (net op tijd) exploderen zodat de rest behouden blijft.

Ondertussen wordt Varoufakis met een schok wakker. Hij zegt dat ʻEuropa het niet verdient om te overlevenʼ en kondigt in de Italiaanse pers aan dat ʻde Europese desintegratie is begonnen.ʼ Het is duidelijk dat hij het seculiere pad volgt – en misschien heeft hij deze keer wel gelijk.

Over de revolutie

In haar Essay over de revolutie bespreekt Hannah Arendt de merkwaardige paradox dat we de meest ʻconvulsieveʼ politieke gebeurtenissen als zodanig benoemen. ʻAls zodanig,ʼ dat was in de astronomie dus het woord waarmee de onveranderlijke rotatie der planeten werd aangeduid – het is heel merkwaardig dat het woord waarmee we in eerste instantie de eeuwige terugkeer van hetzelfde aanduidden nu de grote breuken in de geschiedenis benoemt. De reden is volgens Arendt dat het woord ʻrevolutieʼ in de 17e en 18e eeuw ook de connotatie had van een onoverwinnelijke fataliteit – het onweerstaanbare werk van krachten elders, waarvan het onuitwisbare gevolg alleen maar hoefde te worden vastgelegd. De tijdsgeest van toen dacht dus aan planeten, terwijl de hedendaagse mogelijk over meer beelden beschikt, bijvoorbeeld die van tsunamiʼs, ontstaan door een schok duizenden kilometers verderop, maar waarvan de frontlijn voorbestemd is om op te rukken op een manier waar niets tegenin te brengen is – hetzelfde beeld van een noodzaak die alleen maar werkelijkheid kan worden.

Het lot te slim af zijn of het tij keren is normaal gesproken een zaak van de politiek. Maar de Europese instellingen zijn zo georganiseerd dat ze geen echte vrijheid hebben – ook al zijn er soms lokaal en tijdelijk aanpassingen mogelijk. Zonder de minste bewegingsruimte, zonder de herpositionering op pijnpunten waar de macht als het ware ʻpsychischʼ niet in staat is compromissen te sluiten, en zonder enige flexibiliteit, zijn deze instellingen gedoemd de klap slechts te ondergaan en de spanningen te moeten dragen zonder ze te kunnen opvangen, in de hoop dat ze er niet onder zullen bezwijken. Maar er zijn grenzen aan wat een rigide structuur aankan. In 2010 waren die al bijna overschreden door een klap die destijds enorm werd geacht, maar die niet te vergelijken is met wat ons nu te wachten staat.

We bevinden ons ver van het epicentrum van de beving en voorlopig is er niets concreets zichtbaar. Alles is nog abstract en dus gevoelig voor ontkenning of minimalisering. Maar de onderzeese aardbeving heeft al plaatsgevonden, ze verspreidt haar golf, en de frontlinie van de tsunami is al op weg. Ze nadert ons, en niets lijkt haar te kunnen tegenhouden. Revolutie.

Vertaling: Jael Kraut

1Met deze drie woorden – whatever it takes – heeft Mario Draghi in 2012 de eurocrisis een halt toegeroepen: door aan te geven dat de ECB alles wat nodig was uit de kast zou halen om de liquiditeit van de Europese markten te waarborgen, en de speculaties over de uittreding van Griekenland en het uiteenvallen van de eurozone tegen te gaan.

2Het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), een soort Europees Monetair Fonds, is in 2012 opgericht als instrument voor financiële bijstand en herstructurering van de staatsschulden van de lidstaten.

3Stéphanie Hennette, Thomas Piketty, Guillaume Sacriste et Antoine Vauchez, Pour un traité de démocratisation de l’Europe, Seuil, 2017 ; Changer l’Europe, c’est possible !, Seuil, 2019.

4Alle cijfers zijn van 2018, bron Insee, Eurostat.

5En nog geen 300 miljard aan het begin van de Griekse crisis.

6Een spread is het verschil tussen de rentetarieven van de diverse staten en een referentierente; in de eurozone is dat de Duitse rente. Dit is een doorslaggevende variabele, want als er vragen rijzen over de houdbaarheid van een staatsschuld, zal er al snel sprake zijn van speculatie en worden de obligaties verkocht, waardoor de rente stijgt (en de spread groter wordt), met als gevolg dat de schuldenlast toeneemt en de financiële situatie van het betrokken land verder verergert.

7Zie vorige voetnoot

Categorieën
Filosofie Politiek

Spinoza: Common en COVID

bron foto: Jos Scheren

door Jos Scheren

Jos Scheren werkt samen met Spinoza, over wie hij met Wijnand Duyvendak een boek heeft gepubliceerd bij Starfish Books. De samenwerking betreft vooral de vraag hoe in tijden zoals nu de (politieke) verbeelding intact kan blijven. Het (onder meer door Spinoza ingefluisterde) antwoord : autonomie, de aanval is de beste verdediging.

Voor Eddy PG (1934-2020)

1 Wat mij raakt is veel, al was het maar omdat ik het op hetzelfde moment ook aanraak. In het New York van 1855 zegt Walt Whitman daarom: I am large, I contain multitudes. Dat ik veel ben kan mij onrustig maken. Ik kan er bang van worden of hoopvol, maar als het meezit, wordt er iets gemaakt wat er niet nog niet is.

2 Iets wat mij raakt en wat ik weer aanraak, daar heeft Spinoza een woord voor: affect. Even schoolmeesterachtig, maar toch ook vooral praktisch: affect is niet hetzelfde als emotie. Een affect beweegt zich tussen mij en iets anders. Het is niet míjn affect, daarvoor is het te beweeglijk en te eindeloos. Hoe meer ik zelf terugtreed, des te vrijer het affect. Het loopt door me heen.

Vrijheid is overigens bij Spinoza niet allereerst de vrijheid van meningsuiting. Geloof dat suffe praatje niet. Het is wel wat meer dan dat. Het is de vrijheid van het affect om zich te ontwikkelen tot aan de limiet van wat het kan. En als dat niet genoeg zegt, dan helpt mogelijk dit: het affect wacht maximaal opmerkzaam op een gelegenheid om zijn potentieel aan verbindingen te verwerkelijken. Nog niet genoeg? De levende gemeenschappelijkheid die er al is, nog intensiever te begeren: dat is het affect.

3 Nog even wat voorwerk voordat we komen waar we willen zijn. Of misschien komen we wel ergens anders uit. Hoe dan ook, je overgeven aan je affecten is geloven in de wereld – haar onzekerheid omarmen, zoals Deleuze (Spinoza parle par ma bouche) graag zegt. Ik vertrouw op/in de wereld die ik – de ʻvelen-ikʼ – maak. Op productieve wijze past deze ʻvelen-ikʼ zich aan de wereld aan. Geen ding in de wereld – ik niet, een haai niet, een rots niet – zou zich kunnen aanpassen aan wat er gebeurt, als ik – of de haai, of de rots – geen surplus, geen overvloed zou kennen. Er gebeurt niets zonder de ʻvelen-ik.ʼ

Wat gebeurt, doen wij gebeuren. Wij horen bij de wereld, omdat we haar op elk ogenblik – echt waar, op elk ogenblik – opnieuw creëren. Dat hoeven we niet eens te willen, dat doen we gewoon. Nou ja, gewoon? Dat is wat wij kunnen, wat niemand ons helemaal kan afnemen, en het is een niet gering voordeel in de huidige COVID 19-tijd: wij hoeven niet te hopen dat de wereld anders wordt. Hoop op een andere, bij voorkeur betere wereld is niet nodig.

Wat dan ook niet nodig is, is verontwaardiging als het toch niet gaat zoals ik had gehoopt. Want het zal nooit zo gaan zoals ik hoop. Daarvoor is hoop te krachteloos en niet vernieuwend. Niet vernieuwend? Nee, want vernieuwend is de maximale verwezenlijking van mijn potentiëlen, ons surplus. Hoop, verontwaardiging, aanklachten daarentegen zijn waarschuwingstekens. Ik moet oppassen dat ik niet gescheiden dreig te raken van wat ik kan.

4 Onder 2 is gezegd: Spinoza’s affect is niet hetzelfde als emotie. Dat is niet helemaal waar, zoals alles wat tot nu toe is gezegd niet helemaal waar is. Het moet zijn: Een emotie is een affect dat niet tot de limiet van zijn vermogen reikt. Een emotie is een passie, een dadeloos gevoel, zegt Spinoza in zijn Ethica – een tekst zo intensief nieuw dat hij blijft vernieuwen, sub specie aeternitatis, vanuit de eeuwigheid bezien.

Emoties, passies zijn schijnbaar vaste patronen, waarin affecten zo veel mogelijk geïdentificeerd worden – en ja, ook geneutraliseerd. Een emotie is tevens de onderbreking van een affect, van zijn vernieuwend potentieel, of tenslotte – zoals Marx in 1858 in Londen noteert –: een toe-eigening van het surplus aan levensactiviteit. Levende arbeid noemt hij dat laatste.

5 Misschien is emotie is een identificatie van een affect: de formulering die het snelst tot meer samenhang voert. Wat meer samenhangt is het beste! Deze zin gaat haast onmerkbaar over in een volgende: in een emotie krijgt het affect een overbekende naam – haat, medelijden, liefde, verontwaardiging, trots – en een drager, een mens van vlees en bloed, zoals dat heet, wiens emoties van alle tijden zouden zijn. Maar het is vooral een mens. Onthoud echter Spinozaʼs militante tegenwerping: de mens is geen rijk in een rijk, zijn menselijke vooroordelen maken hem dat wijs.(1) Daar valt nog heel wat meer over te zeggen, maar laten we nu naar het nu van COVID-19 gaan en naar de emotionele verwarring van dit moment, de verwarring dus door emoties.

6 Wat er ook in deze COVID-19-tijd zal veranderen, ten kwade of ten goede, als het aan de emoties ligt, blijft alles bij het oude. Je kunt angstig worden, depressief, hoopvol, verontwaardigd, stoïcijns over wat er nu gebeurt – en dat gaat allemaal heen en weer, up en down. Je kunt geloven, zeker weten, vrezen, hopen dat de wereld niet meer de oude zal worden, zekerheid suggererend waar die niet is. Alsof je de wereld waarin je leefde door en door hebt gekend en het nieuwe, onzekere alleen in de toekomst zou liggen. Het verleden, dat geen verleden is, is echter even onzeker als alles wat op ons af kan komen. Onzeker vanwege alle crises die nooit tot een oplossing zijn gekomen en onzeker vanwege al het nu nog virtuele nieuwe dat het verleden bevat.

7 Hou je maar liever aan je affecten, maak er ruim baan voor. Dan hoef je tenminste niet alsmaar geëmotioneerd te reageren op het nieuws dat je overkomt, of op de gebeurtenissen waarvan je toeschouwer blijft.

Het is beter en werkelijker om over het nieuwe niet te oordelen, maar om het te maken. Zeg nooit dat iets nieuw is, maar maak het gewoon, zonder iets te zeggen. Bereid vele vluchtwegen voor, omarm wat er gebeurt, koester de onzekerheden, maar … interpreteer de wereld niet, ook niet kritisch. Creëer wat jou aanraakt, zodat dat jou ook weer maakt, dan ben je immers ʻvelenʼ:

The commonplace I sing;

The common day and night — the common earth and waters,

The democratic wisdom underneath, like solid ground for all.

(Walt Whitman)

8 Tegenwerping: er is onvermijdelijk nieuws dat zich aan je opdringt, en er zal ook nu en in de komende COVID-19-tijd het nieuwe zijn van de powers that be dat je overkomt: nog meer surveillance en neoliberale onteigening. En beslist ook meer eenzaamheid, die Whitmans multitudes, de ʻvelen-ik,ʼ zal infecteren. Armzalig zelfbehoud zal je deel zijn. De te omarmen onwaarschijnlijkheid van je affecten wordt onderbroken. Je zult een prooi worden van je emoties, de dood zal rondwaren in je geest en in je lichaam. Het surplus van de common zal worden geprivatiseerd en je affecten tot emoties worden verarmd. Kortom: je leeft in een gecontamineerde wereld, maar daar leefde je altijd al in.

9 Tegenwerping op de tegenwerping: realiseer je echter ook dat de onteigenende en levensvijandige machten, hoe macroscopisch ook, hun scheuren hebben. Ze zijn gevormd op basis van wat ze moeten najagen – het surplus van levende arbeid, van productieve lichamen en dito affecten. De common van dat surplus kan zich niet aan onteigening onttrekken, maar de onteigening kan anderzijds evenmin volledig zijn. Zij is parasitair op het surplus dat zij zelf niet is, zo dicht mogelijk op het spoor ervan, zonder het te kunnen toe-eigenen en te kunnen identificeren. Maar dat kunnen omgekeerd de machten van de common, de ʻvelen-ik,ʼ Whitmans solid ground for all ook niet.

10 Er bestaat een bijzondere kunstvorm, de kunst om in een gecontamineerde wereld rechtop te blijven lopen. Daarvoor zijn nodig: ervaring, verbeelding, bindmiddelen, vluchtwegen, nooduitgangen, een echolood, betrouwbare affecten. Bij het rechtop lopen helpen hoop, verontwaardiging, klagen en rationaliteit minder goed.

A propos rechtop lopen: je loopt alleen rechtop als je bijna valt en als je ook dat vallen weer weet te onderbreken. Je past je creatief aan de zwaartekracht aan.(2)

Rechtop lopen is veel moeilijker maar ook effectiever dan hopen, want hoop speelt zich af zonder te verwerken beperkingen, zonder weerbarstig materiaal. Hoop kent geen zwaartekracht. Alles is mogelijk als je hoopt, dus ook niets.

11 De wegen van de common zijn ondoorgrondelijk, al was het maar omdat telkens delen van zijn surplus in de powers that be, de onteigenende machten, worden opgenomen. Waardoor een praktisch probleem voor alle betrokkenen ontstaat: te moeten detecteren hoeveel van de een in de ander zit. Aftasten hoeveel de ene macht heeft over de ander, zich erin verplaatsen, zich er gelijk aan maken, maar tot waar?

12 Niet alles maakt mij passief, dat kan niet. Maar wat mij passief maakt en blokkeert, dat wil ik voor mijn eigen bestwil begrijpen. Laten we het kapitaal noemen. Ik kruip in zijn huidlagen. Ik word kapitaal, incognito, om te zien wat zich erin verbergt. Zonder het helemaal te doorgronden, want zo door en door rationeel blijkt het niet te zijn. Het is kapitaal en dat is het – door mijn toedoen – ook weer niet.

In feite is het simpel en toch uiterst gecompliceerd: kapitaal is een relatie, een geheimzinnige relatie tussen de rusteloze meerwaarde-honger, die zich om het surplus heen slingert, en het verzet van de levende arbeid daartegen. Dat weet ik ongeveer, maar ook alleen maar ongeveer – de relatie is het volgende moment alweer anders. Kan ik kapitaal volledig inlevend begrijpen en kan het kapitaal mij volledig beheersen? Nee, never nooit!

13 Spinoza acht zelfs in de treurigste passies – haat, ambitie, wraak, kortom, ressentiment – levensdrang aanwezig. Hij laat weten dat de meest neerdrukkende vormen van de werkelijkheid nog altijd, zo veel mogelijk, ontcijferd kunnen worden aan de hand van het levensdrang-surplus, of – zoals hij zegt – van de actieve, vreugdevolle affecten. Zo veel mogelijk, tot aan hun limiet. Ook hier geldt: nooit helemaal. Wat niet wegneemt dat het belangrijkste is dat ik wat mij blokkeert alleen vanuit mijn macht zo krachtig mogelijk kan begrijpen.

14 Je kunt je afvragen: ‘Wat gaat er gebeuren door/met deze COVID-19-pandemie?ʼ Je zult je ongetwijfeld onzeker, misschien zelfs wel angstig, afvragen wat er nu veranderen gaat, wat er nieuw zal zijn. Maar bedenk dan in ieder geval een paar dingen die – wie weet – kunnen helpen:

A : Er bestaat ook een militante onzekerheid. Dat is niet de subjectieve onzekerheid, hoe onvermijdelijk ook, van een naar de randen van de common teruggeworpen individu. Maar de werkelijkheid is onzeker in haar potenties – objectief onzeker. Er is geen virtuele werkelijkheid, alle werkelijkheid is virtueel. Je weet niet welke van haar potenties zich met elkaar verbinden en je weet niet wat jij daarbij kunt. Je surplus is je onbekend. Hou het zo, dan kan je ook van je zelf staan te kijken.

B: B is eigenlijk nog A, iets nieuws is zonder militante onzekerheid niet mogelijk. Je kunt het nieuwe niet vaststellen en zelf dezelfde blijven. Het nieuwe kan zich alleen maar met zichzelf vergelijken, maar of dat nog vergelijken is? Voorspel het nieuwe niet, creëer het. Wees geen toeschouwer van je eigen wereld.

C: A en B zijn geen ʻfeel goodʼ- boodschappen. De objectieve onzekerheid van de wereld kan ook destructieve verbindingen opleveren, die – eenmaal op drift gekomen – accelereren naar onbekende vormen van fascismen en andere sinistere attractors. (3) A en B betekenen slechts dat er geen reden voor hoop noch voor hopeloosheid is.

11 Wat als een viroloog het COVID-virus kritisch zou benaderen? Als zij/hij het virus zou doorgronden op de manier waarop bijvoorbeeld een mâitre-penseur het neoliberalisme of het populisme doorziet. De viroloog zou zich een beter wezen voelen dan het virus, en verder vooral herhalen dat het virus maar niet tot inkeer komt en geen beter wezen wil worden, dus niet wil ophouden een virus te zijn.

Godzijdank is de viroloog niet kritisch en geen aanklager. Het virus wordt gerespecteerd, het is tenslotte vele malen ouder dan de mens en er worden verbindingen mee gelegd. Het virus dat zich op de scheidslijn van leven en niet-leven bevindt, wordt tot leven gebracht om te weten wat het kan.

Spinoza heeft voor de conceptualisering van dit soort processen een woord bedacht: notiones comunes, ʻgemeenschappelijke begrippen.ʼ Begrippen die ontstaan en blijven ontstaan door de ontwikkeling van nieuwe natuurlijke verbindingen, emerging properties. En Spinoza heeft nog een aardige toevoeging: gemeenschappelijke begrippen zijn vreugdevol. Zij leven. Het zijn geen abstracta, ze interpreteren niet.

12 Korte vraag: Is neoliberalisme een levend begrip?

13 Tenslotte: Wij zijn niet in oorlog met COVID-19. De common en de gemeenschappelijke begrippen sluiten dat uit. Wat wel dreigt is de infectie van onze verbeeldingskracht, maar die dreigt zowel van de kant van degenen die het virus de oorlog hebben verklaard als – laten we eerlijk zijn – niet zelden van onszelf.

  1. ʻMenschlichkeit.ʼ Wir halten die Tiere nicht für moralische Wesen. Aber meint ihr denn, dass die Tiere uns für moralische Wesen halten? – Ein Tier, welches reden konnte, sagt: ʻMenschlichkeit ist ein Vorurteil, an dem wenigstens wir Tiere nicht leiden.ʼNietzsche, Morgenröte. Köln, 2011, p. 234.
  2. ʻWalking as controlled fallingʼ conveys the sense that freedom, or the ability to move forward and to transit through life, isn’t neccesarily about escaping from constraints. (…) You move forward by playing with the constraints, not by avoiding them. Brian Massumi, Politics of affect, Cambridge, 2015 p. 16
  3. De objectieve onzekerheid van de werkelijkheid sluit herhaling van oude fascismen uit. Nog afgezien van het feit dat die oude fascismen uit de twintigste eeuw nog steeds een raadsel zijn en dat ook zullen blijven. Als de werkelijkheid objectief onzeker is en door en door virtueel, dan is ze dat ook voor wat betreft haar verleden, dat geen verleden is.
Categorieën
Economie Politiek

Er zijn omstandigheden waarin een revolutie denkbaar wordt

Oorspronkelijke tekst (Engels): Commune, 7 april 2020

bron foto: The Star

door Ben Tarnoff

Ben Tarnoff is schrijver en mede-oprichter van Logic Magazine.

De geschiedenis beweegt zich over het algemeen langzaam, maar soms ook heel snel, als een plotselinge golfbeweging. De coronavirus-crisis heeft ons in dit laatste ritme gekatapulteerd. Het tempo van de gebeurtenissen is sterk toegenomen, en het verloop ervan is onmogelijk te voorspellen. Achteraf gezien kan 2020 een 1968 of een 1917 blijken te zijn geweest: een jaar van sprongen en breuklijnen, of een harde scheidslijn tussen het ene en het andere tijdperk.

Hoe zouden we het nieuwe tijdperk kunnen karakteriseren? Het is moeilijk om definitieve conclusies te trekken over een periode die zich nog in de vroegste fasen van haar ontwikkeling bevindt. Toch is het mogelijk om ondanks de snelle veranderingen een voorlopige schets te maken. Zoʼn schets kan echter alleen van nut zijn als hij, al is het slechts in grove lijnen, de scherpte van de breuk en de nieuwheid van de situatie die hierdoor is ontstaan, vastlegt. Zoals Stuart Hall schreef:

Als zich een conjunctuurverschuiving voordoet, is er geen ʻweg terug.ʼ Dan schakelt de geschiedenis naar een andere versnelling. Het terrein verandert. Je bent in een nieuw moment terechtgekomen. Je moet ʻmet geweld,ʼ met al het ʻpessimisme van het intellectʼ dat je tot je beschikking hebt, aandacht schenken aan de ʻdiscipline van de conjunctuur.ʼ

Een conjunctuur is iets dat uit andere dingen is opgebouwd, letterlijk een ʻsamenvoeging.ʼ Dus een goede manier om te beginnen is het schenken van aandacht aan de verschillende elementen die tezamen die conjunctuur vormen. Idealiter zou dit niet alleen een waslijst moeten zijn van verschillende dingen die gebeuren, maar ook een verslag van hoe ze in elkaar passen, en een theorie over het complexe, tegenstrijdige geheel dat wordt gegenereerd door hun interactie.

Dat is moeilijk werk, en het vereist een langdurige, collectieve inspanning. Er zijn veel mensen nodig om samen te denken en te handelen, teneinde dit nieuwe terrein te kunnen doorgronden. Wat volgt is een eerste poging om daartoe een bijdrage te leveren: een gedeeltelijke inventarisatie van de omstandigheden in de VS en een voorlopig beeld van hoe ze in elkaar passen.

De economie stort in. Economen van Goldman Sachs hebben voor het tweede kwartaal van 2020 een daling van het bbp met 34 procent op jaarbasis voorspeld – een implosie zonder historisch precedent. Ter vergelijking: de ergste jaarlijkse daling van het bbp op jaarbasis tot nu toe is 13 procent, die zich in 1932 voordeed tijdens de Grote Depressie. De voorspellingen van Goldman voor de rest van 2020 zijn ietwat rooskleuriger: een terugkeer naar een groei met dubbele cijfers in het derde en vierde kwartaal, zodat het bbp op jaarbasis over het hele jaar 2020 gemiddeld met 6,2 procent zal dalen.

Deze cijfers zouden uiteindelijk echter te optimistisch kunnen blijken. Ze gaan ervan uit dat de lockdowns en het social distancing tegen het einde van het jaar in voldoende mate zullen zijn versoepeld om iets dat op een normaal leven lijkt te kunnen hervatten. De economen Warwick McKibbin en Roshen Fernando opperen daarentegen, en dat is aannemelijker, dat de economische gevolgen van de coronavirus-crisis ernstiger zullen zijn. Zij vermoeden dat een pandemie die een jaar duurt en een miljoen mensen doodt – een schatting die binnen het bereik ligt van de huidige voorspellingen van de Centers for Disease Control, en misschien zelfs te laag is gezien het huidige verspreidingstempo van de infectie – het bbp over het hele jaar met 8,4 procent zal doen dalen.

Maar een abrupte daling van de groei is niet de enige reden tot bezorgdheid. Het is ook mogelijk dat we binnenkort opnieuw met een financiële crisis te maken zullen krijgen, wat de situatie er aanzienlijk pijnlijker op zou maken. Vooral de schuldenlast van bedrijven is kwetsbaar, mede als gevolg van de manier waarop overheden de vorige financiële crisis hebben aangepakt. Om de crisis van 2008 te kunnen bestrijden hebben centrale bankiers het geld goedkoop gemaakt door de rente te verlagen. Dit heeft bedrijven er weer toe aangezet om obligaties uit te geven, vooral om er fusies en overnames en het terugkopen van de eigen aandelen mee te financieren. Omdat de meeste van deze bedrijven geen grote reserves in contanten achter de hand hebben, kunnen zelfs kleine verstoringen ervoor zorgen dat zij hun schulden niet meer kunnen aflossen. Gezien de immense omvang van deze schulden – de wereldwijde waarde van niet-financiële bedrijfsobligaties bedroeg eind 2019 13,5 biljoen dollar – zou een nieuwe crisis het financiële systeem gemakkelijk kunnen doen instorten, waardoor de kredietmarkten zouden bevriezen en er een golf van faillissementen onder werkgevers zou kunnen ontstaan.

Het is dan ook een schrale troost dat beleggers de afgelopen weken allerlei soorten activa zijn ontvlucht: niet alleen bedrijfsobligaties, maar ook van oudsher ʻveilige havensʼ als goud en schatkistpapier. De Federal Reserve (het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken) heeft agressief gereageerd, met instrumenten die vergelijkbaar zijn met de instrumenten die zij in 2008 heeft ingezet: het verlagen van de rente en het opkopen van diverse financiële activa, waaronder bedrijfsobligaties. Toch duidt het ambivalente antwoord van de markten op deze stappen erop dat dit misschien nog niet genoeg zal zijn. De aandelenmarkten hebben zich, in afwachting van de stimuleringsmaatregelen ter waarde van 2,2 biljoen dollar, hersteld en de koerswinst is intact gebleven nadat het betreffende wetsontwerp werd goedgekeurd. Maar het lijdt geen twijfel dat er meer onrust in het verschiet ligt.

Als de snelheid waarmee de economische krimp als gevolg van de pandemie zich voltrekt één kenmerk is dat onze huidige crisis onderscheidt van de vorige, dan is een ander kenmerk het specifieke segment van de economie dat het meest te lijden zal hebben van die krimp: de dienstensector. Diensten worden doorgaans niet het zwaarst getroffen tijdens recessies. Dat komt doordat ze niet kunnen worden opgeslagen, zodat ze meteen moeten worden geconsumeerd.

De coronavirus-crisis zou dit patroon echter kunnen doorbreken. ʻDit zal waarschijnlijk de eerste recessie ter wereld zijn die begint in de dienstensector,ʼ zei econoom Gabriel Mathy tegen de New York Times. Tijdens een pandemie zijn diensten buitengewoon kwetsbaar. Zo kunnen de mensen hun haar niet laten knippen, omdat ze bang zijn om geïnfecteerd te worden of omdat de overheid heeft verordonneerd dat kapperszaken gesloten moeten blijven. En omdat je de output van diensten niet kunt opslaan – een kapper kan geen kapsels in een magazijn opslaan totdat de vraag weer aantrekt – gaan bedrijven snel failliet en vallen er al heel snel veel ontslagen.

De menselijke tol van dergelijke ontslagen zal enorm zijn, want de dienstensector is de sector waar de meeste Amerikanen werken. Volgens de laatste schatting van het Bureau of Labor Statistics is 71 procent van alle niet-landbouwwerknemers – ruim honderd miljoen mensen – in de VS werkzaam in de dienstensector. Weliswaar is dit een heterogene categorie, die alles omvat van beursmakelaars tot fastfood-werknemers. Maar het grootste deel van de groei in de afgelopen decennia heeft zich aan de onderkant van het loonspectrum voorgedaan, en dat is ook de plek waar de meeste pijn zal worden geleden.

Die pijn wordt al op zeer grote schaal gevoeld. In de week die eindigt op 21 maart hebben 3,3 miljoen mensen in de VS een werkloosheidsuitkering aangevraagd. De week daarop verdubbelde dit aantal tot 6,6 miljoen – bijna tien keer het record van 1982. De ontslagen zijn geconcentreerd in de dienstensector, met name in de segmenten waar de lonen het laagst zijn. De komende weken zullen vrijwel zeker nog meer slecht nieuws brengen. Goldman Sachs verwacht dat het werkloosheidscijfer in de VS op 15 procent zal uitkomen; de St. Louis Fed zegt dat het kan oplopen tot 32,1 procent.

Deze cijfers weerspiegelen het wegvallen van een centrale pijler onder het Amerikaanse economische model. De dienstensector heeft decennialang een essentiële rol gespeeld bij het stabiliseren van de arbeidsmarkt. Omdat diensten moeilijker te automatiseren zijn – het is lastiger om de productie van een kapsel te automatiseren dan de productie van een auto – kennen ze een lagere productiviteitsgroei, wat inhoudt dat er meer arbeid voor nodig is. Dit is wat de dienstensector in staat heeft gesteld de werknemers te absorberen die de productiesector in de jaren zeventig begon af te stoten als gevolg van een wereldwijde overcapaciteitscrisis. De dienstensector kan niet net als voorheen de industrie als de groeimotor van de economie dienen, zoals blijkt uit de steeds slechtere prestaties van de Amerikaanse economie sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Maar ze heeft wel gezorgd voor een gestaag aanbod van banen.

De pandemie sluit deze veiligheidsklep af. Nu de dienstensector in een vrije val is geraakt, is er geen plaats meer voor het overschot aan arbeidskrachten dat door tientallen jaren van economische stagnatie is gegenereerd.

Natuurlijk zullen sommige van de ontslagen werknemers uiteindelijk wel weer een nieuwe baan vinden, vooral als de opleving na de crisis de meer optimistische scenarioʼs zal volgen. Maar de economie waarin zij terugkeren zal voorgoed zijn veranderd. Kleine bedrijven, die momenteel bijna de helft van de particuliere beroepsbevolking van het land in dienst hebben, zullen worden gedecimeerd. Reuzen als Amazon en Walmart zullen hun greep op de consumentenbestedingen verstevigen.

Amazon en zijn collega-bedrijven zullen profiteren van de manier waarop de crisis het gedrag van de consument herprogrammeert. De pandemie is nu al een zegen voor de e-commerce, omdat mensen met een minimum aan sociale interactie proberen de dingen te kopen die ze nodig hebben. Amazon heeft onlangs aangekondigd dat het honderdduizend nieuwe werknemers in dienst wil nemen als gevolg van de toenemende vraag; Instacart, een online boodschappendienst, voegt daar nog eens driehonderdduizend arbeidsplaatsen aan toe. Deze trend zou heel goed permanent kunnen worden. De consument zou er de voorkeur aan kunnen geven om zijn boodschappen te laten bezorgen in plaats van naar de supermarkt te gaan, bijvoorbeeld uit gewoonte, gemak of aanhoudende angst voor besmetting. De werkgelegenheid van de toekomst zal zich dus waarschijnlijk concentreren bij het transport en de opslag van goederen. Een groeiend deel van de Amerikaanse arbeidersklasse zal een (schamel, precair) bestaan kunnen ontlenen aan het verpakken en afleveren van de goederen die mensen in een langdurig isolement nodig hebben om te overleven.

Het overlevingsvraagstuk brengt ons bij een ander kernthema van de coronavirus-crisis: de sociale reproductie. Sociale reproductie verwijst naar de verschillende systemen – formeel en informeel, betaald en onbetaald – die het kapitalisme mogelijk maken door het opvoeden, socialiseren, opvoeden, genezen, huisvesten en op een andere manier ondersteunen van de werknemers van wier arbeid dat kapitalisme afhankelijk is. Deze systemen staan in de VS al heel lang onder zware druk. Stagnerende lonen en armzalige sociale voorzieningen hebben het grootste deel van de Amerikaanse arbeidersklasse aan de rand van het faillissement gebracht, waardoor bijna 80 procent van de Amerikanen over geen enkele financiële reserve beschikt.

De pandemie maakt een einde aan dit gammele arrangement. De toenemende vraag naar werkloosheidsuitkeringen en voedselbonnen duwt de zuinige Amerikaanse verzorgingsstaat ver over het breekpunt heen. Intussen is de fragiele toestand van het sterk gefinancialiseerde gezondheidszorgsysteem van het land – dat de afgelopen tien jaar dankzij fusies en overnames de leidinggevenden en investeerders heeft verrijkt – in een schril perspectief geplaatst.

Maar de pandemie verergert niet alleen een bestaande crisis van de sociale reproductie. De pandemie wordt op haar beurt ook weer versterkt door deze crisis. De slechte kwaliteit van de sociaal-reproducerende systemen in de VS heeft de ideale omstandigheden voor besmetting gecreëerd. Zo kwamen verpleeghuizen al vroeg als hotspots naar voren. Een groot deel van de schuld daarvoor ligt bij een golf van particuliere investeringen in de verpleeghuissector in het afgelopen decennium, waardoor voorzieningen in het hele land gedwongen werden om op de kosten te besparen en zo meer winst te maken. Veel verpleeginrichtingen zijn hierdoor extreem onhygiënisch geworden; bij overheidscontroles zijn ontstellende gevallen van misbruik en verwaarlozing aan het licht gekomen, en inmiddels zijn het grote infectiehaarden geworden.

Een virus is niet alleen een biologisch, maar ook een sociaal fenomeen. De kwetsbaarheden waar het gebruik van maakt om zich te verspreiden zijn niet alleen eigenschappen van menselijke cellen, maar ook van de manier waarop menselijke samenlevingen zijn georganiseerd. Als die zijn georganiseerd rond de accumulatie van kapitaal – dat wil zeggen: kapitalistische samenlevingen – brengen ze zichzelf in gevaar, vooral samenlevingen zoals die van de VS, waar de accumulatie een bijzonder meedogenloze vorm heeft aangenomen.

Er is hier sprake van een tegenstrijdigheid: door de sociale reproductie te ondermijnen, ondermijnt het kapitalisme zijn eigen stabiliteit. Het leegknijpen van het proletariaat voedt de motor van het kapitaal tot een bepaald punt – maar vervolgens zorgt het ervoor dat de machinerie wordt lamgelegd, zoals de feministische theoreticus Nancy Fraser heeft uitgelegd. De coronavirus-crisis biedt een levendige illustratie van deze dynamiek. De extreme druk die het kapitaal heeft uitgeoefend op de sociale reproductie in de VS heeft een gastvrije omgeving gecreëerd voor een pandemie die de economie vernietigt. De kapitalisten die winst hebben gemaakt op de verpleging van ouderen hebben een situatie helpen creëren waarin veel van hun collega-kapitalisten niet meer in staat zullen zijn om het kapitaal in beweging te brengen.

Om de accumulatie weer normaal te laten verlopen, moet het virus onder controle worden gebracht: de robuustheid van het Chinese antwoord is bijvoorbeeld niet alleen ingegeven door de wens om de politieke legitimiteit van de communistische partij overeind te houden, maar ook door de wens om de industriële productie weer op gang te brengen. In de VS zal de terugkeer naar een normale gang van zaken onder meer een bescheiden toename van de publieke steun voor sociale reproductie vereisen. Dit kan verklaren dat het Congres erin is geslaagd om in de eerste week van de pandemie zo snel een wetsvoorstel aan te nemen dat een deel van de werknemers in de VS tien dagen betaald ziekteverlof gunde. Werknemers ziek laten worden en laten sterven is aanvaardbaar; werknemers ziek laten worden en daardoor het accumulatieproces in gevaar brengen is niet aanvaardbaar.

In het industriële tijdperk wist de factor arbeid concessies van het kapitaal af te dwingen op grond van een fundamentele wederzijdse afhankelijkheid: kapitalisten hadden arbeiders nodig om de fabrieken te runnen. De economische groeivertraging sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw heeft deze afhankelijkheid verminderd, waarbij de afname van de productie een tijdperk van stagnatie inluidde dat gekenmerkt werd door een aanhoudend lage vraag naar arbeid, waardoor het machtsevenwicht in het voordeel van het kapitaal is gekanteld. De pandemie zou deze ontwikkeling gedeeltelijk kunnen keren. Werknemers hebben als arbeiders misschien minder invloed op het accumulatieproces, maar ze kunnen dit proces nu in gevaar brengen als vectoren van virusoverdracht. Misschien biedt dit een nieuwe basis voor het afdwingen van concessies.

Natuurlijk kunnen werknemers ook op de ouderwetse manier problemen maken: door zich in te zetten voor ontwrichtende acties op hun werkplek en in hun gemeenschap. De ruimte voor dergelijke acties zal de komende weken en maanden waarschijnlijk drastisch toenemen. Stelt u zich een nabije toekomst voor van 30 procent werkloosheid, wijdverbreide voedsel- en huisvestingsonzekerheid en miljoenen doden door de pandemie en door de toegenomen sterfte als gevolg van een overweldigd gezondheidszorgsysteem. Dit zijn in feite oorlogsomstandigheden. Het zijn de omstandigheden waaronder een revolutie op zijn minst denkbaar wordt, zo niet waarschijnlijk.

Tijdens een crisis breiden de parameters van de politieke mogelijkheden zich uit. Tientallen gemeenten hebben huisuitzettingen en het afsluiten van nutsvoorzieningen stopgezet. Trump heeft het ministerie van Volkshuisvesting en Stedelijke Ontwikkeling geïnstrueerd om huisuitzettingen van eigenaren met een door de federale overheid gegarandeerde hypotheek op te schorten. Californië is van plan om duizenden daklozen naar hotels te verplaatsen, in sommige gevallen door het opkopen van die hotels. New York City, Houston en Detroit hebben de lokale busdiensten gratis gemaakt.

Maar dit is pas het begin. Door druk van onderaf kunnen deze scheuren groter worden gemaakt; het overleven van een aanzienlijk aantal mensen hangt er waarschijnlijk van af. Met dit doel voor ogen wil Bernie Sanders dat de federale overheid ieder huishouden $2000 per maand stuurt, de Defense Production Act gebruikt om particuliere bedrijven ertoe te dwingen cruciale goederen als mondkapjes en beademingsapparatuur te produceren, en een nationaal moratorium instelt op huisuitzettingen en het afsluiten van nutsvoorzieningen, naast andere maatregelen.

Gezien het tempo waarin de gebeurtenissen zich nu voltrekken kunnen zelfs deze eisen binnen korte tijd een gematigde indruk maken. Onder socialisten heeft deze crisis geleid tot hernieuwde oproepen tot het nationaliseren van diverse sectoren. De gezondheidszorg lijkt een voor de hand liggende kandidaat, vooral gezien de komende stortvloed van faillissementen van ziekenhuizen, de behoefte aan rationele coördinatie die de markten die niet kunnen bieden, en de morele verplichting om te zorgen voor de vele miljoenen Amerikanen die onverzekerd of onderverzekerd zijn.

Maar een concrete analyse van de concrete situatie vergt ook nog iets anders. Socialisten hebben er een handje van om strijdmodellen uit vroegere tijden op te pakken en die ongewijzigd toe te passen op de problemen van het huidige tijdsgewricht. Deze verleiding neemt toe in tijden van crisis, omdat een verzwakking van de status quo mogelijkheden schept om oude socialistische ideeën een bredere verspreiding te geven. Maar tijden van crisis bieden ook kansen om nieuwe socialistische ideeën te genereren: nieuwe manieren van organiseren, nieuwe horizonten voor sociale transformatie. De socialistische traditie is een waardevolle bron van inspiratie en inzicht. Maar zij omvat niet alle antwoorden op iedere vraag die door welke conjunctuur dan ook kan worden gesteld, om de eenvoudige reden dat iedere nieuwe conjunctuur weer nieuwe vragen oproept.

Marx geloofde dat de antwoorden op dergelijke vragen moeten worden gevonden in de strijd van de arbeidersklasse. De arbeidersklasse was niet alleen de enige sociale kracht die in staat was om het socialisme op te bouwen – het was ook de enige sociale kracht die in staat was om te bepalen hoe het socialisme eruit zou zien. Dit proces moest worden vormgegeven door de praktijk, dat wil zeggen: door de ontelbare botsingen en weerstanden van de klassenstrijd. ʻHet communisme,ʼ zo schreven hij en Engels, ʻis geen ideaal waaraan de werkelijkheid zich zal moeten aanpassen,ʼ maar ʻde werkelijke beweging die een einde zal maken aan de huidige stand van zaken.ʼ De taak van socialisten vandaag de dag is om de trillingen van deze beweging te lokaliseren en de impliciete inhoud ervan uit te tekenen: om de grondstoffen ervan te verfijnen tot nieuwe strategieën, programmaʼs en mogelijke toekomsten.

Er zal binnenkort geen gebrek aan materiaal zijn om mee te werken, zodra de pandemie een cyclus van proletarische zelfwerkzaamheid op gang zal hebben gebracht. Overal hebben werknemers nu een urgente kwestie – hun gezondheid – om rond te agiteren, en ze zijn zich al aan het organiseren op basis daarvan. Er zijn wilde stakingen uitgebroken onder vuilnismannen, arbeiders in de auto-industrie, werknemers in de pluimveesector, magazijnmedewerkers en buschauffeurs. Amazon is geconfronteerd met een golf van militantisme, waardoor het management zich gedwongen heeft gezien om betere gezondheidsbescherming te beloven en al zijn werknemers betaald verlof te gunnen. Werknemers van Instacart en Whole Foods hebben arbeidsprotesten in scène gezet. Georganiseerde verpleegkundigen hebben zich aaneengesloten om te protesteren tegen de tekorten. De werknemers van General Electric hebben geëist dat er beademingsapparaten worden geproduceerd in de fabrieken voor straalmotoren. Er zijn hulpgroepen ontstaan om boodschappendiensten en kinderopvang te coördineren. Huurders in het hele land organiseren huurstakingen. In Los Angeles bezetten dakloze gezinnen leegstaande huizen.

Dit zijn overlevingsstrategieën, maar het zijn mogelijk ook de kiemen van een nieuwe wereld: plekken van sociale macht waar mensen zich collectief de middelen verschaffen die ze nodig hebben om rechtstreeks te kunnen deelnemen aan beslissingen die hen aangaan. Het is op deze plekken en in deze praktijken dat de contouren van het volgende socialistische project kunnen worden aangetroffen. Wil dit project geloofwaardig zijn voor de mensen van wie het afhankelijk is, dan moet het gelijkwaardig zijn aan de radicaliteit van onze werkelijkheid. Het moet een socialisme zijn dat geen tak van het progressivisme of een vleugel van de Democratische Partij is, maar een werkelijk anti-systemisch alternatief – een alternatief dat, hoe onwaarschijnlijk ook, een einde belooft aan de doodscultus van het kapitaal. Het moet de verheffing van de menselijke gezondheid, waardigheid en zelfbeschikking tot de hoogste ordenende principes van ons gemeenschappelijk leven uitdragen.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Economie Politiek

De terugkeer van de gebruikswaarde?

Oorspronkelijke tekst (Frans): Le Grand Continent, 21 april 2020

fotografie: Ronald Giebel

door Anton Jäger

Anton Jäger (1994) is afgestudeerd in de ideeëngeschiedenis aan de Universiteit van Cambridge. Hij schrijft voor De Groene Amsterdammer, De Morgen, Sabzian, rekto:verso, Apache, Lava en DeWereldMorgen.be.

In een tijd waarin de coronavirus-crisis de mondiale waardeketens verstoort, is de metafoor van de oorlogseconomie alomtegenwoordig – en niet zonder reden, ondanks de gebreken ervan. Deze crisis vraagt inderdaad om gericht overheidsingrijpen, en in deze context is het moeilijk om de grillige aanpassingen van vraag en aanbod, zoals die zich in ʻnormaleʼ economische tijden voordoen, op te vangen. De staat faalt soms, en dit kan leiden tot kritiek van libertariërs. Niettemin is het waarschijnlijk dat het krediet van de staat, in zijn rol van beheerder van de economie, zal worden versterkt.

Om deze situatie te doorgronden kan het nuttig zijn ons te wenden tot filosoof en econoom Otto Neurath, zowel een van de oprichters van de Wiener Kreis als een oorspronkelijke socialistische figuur. Hij was een van de eersten die de oorlogseconomie in een reeks artikelen conceptualiseerde, nog vóór de Eerste Wereldoorlog, en die probeerde daaruit alle consequenties te trekken.

ʻDit is onze voornaamste bevinding. Oorlog dwingt een land om meer aandacht te schenken aan de hoeveelheid goederen die het tot zijn beschikking heeft, en minder aan de hoeveelheid geld die beschikbaar is. Veel meer dan in tijden van vrede wordt in tijden van oorlog duidelijk dat superioriteit een uitvloeisel is van de bewapening, de voedselvoorziening en het transport (al kan financiële superioriteit soms een militaire nederlaag compenseren). Het wordt steeds duidelijker dat geld slechts een middel is om goederen te verkrijgen. De staat eigent zich dit instrument meestal energieker toe in tijden van nood en gebruikt het dan om in zijn behoeften te voorzien. Als geld nutteloos blijkt te zijn, aarzelt de regering niet om de economische orde te veranderen. Als de productiecapaciteit intact is, maar de monetaire arrangementen niet, blijft er nog een laatste optie over – de economie in natura.ʼi

Neurath schreef deze woorden in 1909, bijna vier jaar vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Ze vormen de afsluiting van een reeks artikelen over oorlogsplanning en economie in natura. Op dat moment had hij zijn scriptie over de ʻeconomieën in naturaʼ uit het verleden al afgerond, onder leiding van Eduard Meyer en Gustav Schmoller, decanen van de Duitse geschiedkundige school.

In de jaren twintig van de vorige eeuw creëerde Otto Neurath de Weense Methode van Beeldstatistieken, de voorvader van de Isotype, die sindsdien op grote schaal wordt gebruikt. Deze foto is, net als de volgende, afkomstig uit Gesellschaft und Wirtschaft. Bildstatistisches Elementarwerk, gepubliceerd in 1930.
De terugkeer van de gebruikswaarde

In 1918, toen de revolutie zich over de Oude Wereld verspreidde, werd hij een autoriteit op dit gebied. Zijn onderzoek naar het ʻeconomische equivalent van de oorlog,ʼ om William James te parafraseren, was nu beroemd geworden. Volgens hem kon ʻhet grootste succes worden bereikt door niet rechtstreeks tegen de oorlog te vechten, maar eerder tegen bepaalde tekortkomingen in onze economische orde die tot gevolg hebben dat de gruwelijkheid van de oorlog wordt verminderd en de voordelen ervan worden vergroot.ʼ Zijn conclusie luidde als volgt:

ʻIn onze economie worden in tijden van vrede niet alle energieën volledig benut. Integendeel, daar is soms een oorlog voor nodig. De reden is dat in tijden van oorlog de productiviteit belangrijker is dan de winstgevendheid, en dat de organisatie van het verkeer van mensen, goederen en diensten wordt bevrijd van de beperkingen die anders gebruikelijk zijn. Ook moet worden opgemerkt dat het relatieve bevolkingsoverschot [de werklozen] dat door onze economische orde wordt gecreëerd, dan volledig wordt geabsorbeerd.ʼ

Neuraths visie op oorlogseconomieën was even simpel als meedogenloos: ze schortten de normale werking van de markt op en ʻstuurden de ruilwaarde op vakantie,ʼ zoals William Davies het onlangs verwoordde. Ze dwongen de staat om zich met de economie bezig te houden. De kapitalistische samenleving bewoog zich immers toch al in deze ʻsocialeʼ richting. Vóór de oorlog waren de Britse conservatieven zich al zorgen gaan maken over de industriële schaarste, om de eenvoudige reden dat de Britse samenleving niet genoeg capabele mannen creëerde om oorlog te voeren. De industrie had de arbeidersklasse al ʻgemilitariseerd,ʼ zoals Marx in de zestiger jaren van de 19e eeuw had voorspeld; nu verspreidde deze militarisering zich langzaam door de hele maatschappij.

Dit proces is gepaard gegaan met een reeks belangrijke veranderingen in de structuren van de kapitalistische concurrentie. Heroïsche ondernemers werden als basiseenheden van de kapitalistische markt vervangen door kartels en trusts, die werden gerund door planningsafdelingen en bureaucraten in plaats van door risicominnende zakenlieden. Dit was de basis van het ʻsocialisatiedebatʼ dat de marxisten in de Tweede Internationale vóór de Eerste Wereldoorlog in beroering had gebracht, onder leiding van denkers als Rudolf Hilferding en Charles Steinmetz, die allemaal in het nieuwe bedrijfskapitalisme een individualistische erfenis zagen die op het punt stond te verdwijnen.

Veel socialistische auteurs hoopten dat de op handen zijnde socialisatie van het kapitaal door de grote bedrijven een revolutionaire machtsovername mogelijk zou maken. In zijn boek America and the New Society uit 1916 stelde Steinmetz bijvoorbeeld dat de opkomst van de grote onderneming niets meer of minder was dan ʻde rationele reorganisatie en centralisatie van de productiemiddelen, en dus een noodzakelijke opmaat voor het socialismeʼ; ʻop haar hoogtepunt aangekomen,ʼ zei hij, zou de bedrijfseconomie snel ʻten val komenʼ en zou er een wereldrevolutie volgen. Volgens Neurath was de oorlogseconomie een andere modaliteit van deze immanente socialisatie van het kapitalisme; al vóór de oorlog hadden de monopolies een toenemende staatsinterventie noodzakelijk gemaakt; Neuraths vader sprak van een ʻpan-cartelisme,ʼ waarin de economie zou worden gerund door een klein aantal dominante bedrijven.

Socialisme in de praktijk

De wereldbrand van 1914-1918 versterkte de hypothese van Neurath alleen maar. De staten hadden planningsafdelingen ingericht en hun economieën tot het meest essentiële teruggebracht. De ʻproductie voor de gebruikswaardeʼ werd opnieuw noodzaak, en geweren, schepen en kanonnen gingen allemaal deel uitmaken van de oorlogsinspanning – hoe vreselijk die noodzaak ook mocht zijn.

Neurath had kennis genomen van deze ontwikkelingen. Hij had tijdens de oorlog aan het front gediend en was later overgeplaatst naar de keizerlijke oorlogsbureaucratie. Daar had hij de ʻorganisatorische kwestiesʼ die gepaard gingen met de oorlog, de kiem van de ʻovergangseconomieʼ waarop hij zijn proefschrift had gebaseerde, op de voet gevolgd. Na zijn aanstelling bij het Oostenrijkse ministerie van Oorlog werd Neurath door de nieuwe Münchense Radenrepubliek, die uit de Duitse spartakistenopstand was voortgekomen, uitgenodigd om een plan voor ʻsocialisatieʼ (Vergesellschaftlichung) op te stellen, dat de productiecapaciteit van de regio onder publieke controle zou brengen. In die tijd publiceerde hij een bloemlezing van zijn artikelen over de oorlogseconomie, waarvan het socialisme het gevolg zou zijn.

Maar de ervaring zou geen lang leven beschoren zijn. Na een maand viel het vrijkorps Ritter von Epp de stad binnen, waardoor Duitsland een eerste voorproefje van de nazi-terreur kreeg. De wetenschappelijke reputatie van Neurath heeft er ook onder geleden. Max Weber stelt dat ʻNeuraths werk over de economische geschiedenis van de oudheid altijd in hoog aanzien heeft gestaan,ʼ maar beschouwt zijn Beierse avontuur als een ʻamateuristische, objectief onverantwoordelijke dwaasheid die het “socialisme” honderd jaar lang in diskrediet had kunnen brengen, waardoor alles wat had kunnen ontstaan in de afgrond van een stupide reactie gesleurd had kunnen worden.ʼ

Neurath besloot zijn geluk elders te beproeven. In de jaren twintig van de vorige eeuw vluchtte hij naar Oostenrijk en vestigde hij zich in het administratieve hoofdkwartier van het Rode Wenen.i Hij werd een prominent lid van de Wiener Kreis, die een variant van het linkse positivisme vertegenwoordigde die afstand zou nemen van de orthodoxie van Carnap. Het geheel was een overblijfsel van waar de sociaaldemocratie ooit voor had gestaan; in het debat over socialisatie was alles niet verloren gegaan.

Neo-liberale en libertaire kritiek

Neurath maakte ook vijanden in zijn tijd als bestuurder van het Rode Wenen. Het was de stad van Friedrich Hayek, die in de jaren twintig van de vorige eeuw zijn polemiek tegen de positivistische wetenschapsvisie lanceerde, die hij star en totaliserend vond, en in staat tot volledige integratie. Hij, die de economie zag als een zwarte doos die nooit geopend mocht worden, was geschokt door Neuraths ode aan de universele leesbaarheid, die terug te vinden is in zijn beroemde Isotype en zijn reprise van Diderots Encyclopedie. Volgens Hayek konden economieën niet in kaart worden gebracht of leesbaar worden gemaakt; het waren eerder bovenmenselijke ordes die niet onderhevig waren aan collectieve menselijke actie en zich niet leenden voor een epistemische interpretatie. Hayeks ʻsublieme economieʼ – zoals Quinn Slobodian die noemt – was dus de tegenhanger van de Neurath-economie met zijn planning, kartels en bedrijfsbeheerders. Het is niet overdreven om te zeggen dat Neurath de belangrijkste Nemesis van het primitieve neoliberalisme was; ʻalle fouten van het socialisme verenigd in één persoon,ʼ aldus Hayek.

Maar Neurath had ook geen blijvende vrienden ter linkerzijde. Eind jaren twintig ging hij in dialoog met Max Horkheimer en de eerste Frankfurter Schule. Hij schreef artikelen in het Zeitschrift für Sozialforschung en streefde naar eenzelfde synthese van wetenschap en filosofie ʻdie door het materialisme van Marx werd geëist,ʼ in de woorden van Horkheimer. Maar Horkheimer keerde zich later tegen Neurath en maakte van hem een onttoveringsfilosoof, een apostel van het dorre rationalisme wiens doctrine de weg vrijmaakte voor de ʻtotaal beheerde samenlevingʻ (Adorno) van de naoorlogse periode.

De tendens die Neurath aan het werk had gezien in het primitieve monopoliekapitalisme en de oorlogseconomie was volgens Adorno en Horkheimer reëel genoeg, maar zou niet tot het socialisme leiden. Het was het nazisme dat het Duitse kapitaal had geherstructureerd en de oorlogsplanning had doen herleven. Ten koste van de menselijke waardigheid zelf.

Het nieuwe links en het nieuwe rechts, Horkheimer en Hayek, bewogen zich dus in de richting van dezelfde scepsis jegens het ʻgeorganiseerde kapitalismeʼ dat Neurath in de jaren dertig van de vorige eeuw had bepleit, waarin kartels en trusts nieuwe corporatistische afspraken met de georganiseerde arbeid mogelijk maakten. Het ʻgeorganiseerde kapitalismeʼ was weliswaar georganiseerd, maar nog steeds niet vrij. De geschiedenis had Neurath dus ingehaald, zo lijkt het, toen de filosoof in 1945 in Oxford overleed. In zijn dagboek had hij een opmerkelijke afspraak genoteerd: een debat met Hayek, waarschijnlijk om diens De weg naar slavernij (1944) te bespreken. Die kans is hem ontglipt.

En nu?

Dit verhaal heeft ook een ironische kant. Na enkele decennia van intellectuele hegemonie, die gedeeld werd tussen nieuw rechts en nieuw links, is de wereld vandaag de dag getuige van een belangrijke herconfiguratie van de capaciteit van staten en, als gevolg daarvan, van een reeks politieke herschikkingen. Langzaam maar zeker nemen staten afstand van de theorie van het met zachte hand sturen van de economie van de afgelopen dertig jaar; ze gaan die nu weer steeds nadrukkelijker beheren. De productie voor de gebruikswaarde van Neurath zou weer werkelijkheid kunnen worden; Wallonië heeft nieuwe fabrieken voor beademingsapparaten opgezet, terwijl Duitsland van plan is een aantal van zijn toeleveringsketens in te korten. Zodra deze ingrepen zijn gestabiliseerd, zal het moeilijk zijn om de geest weer terug in de fles te krijgen.

Neuraths voorbeeld kan echter ook misleidend zijn. Samen met anderen van de Tweede Internationale zag hij in de oorlogseconomie van 1914-1918 het bewijs voor de theorie dat de staat de productie van de gebruikswaarde kon plannen. Maar Neurath en zijn generatie opereerden in de marge van een grote socialistische beweging, georganiseerd in partijen, raden en vakbonden, die de socialisatie van een kapitalisme dat zich al aan het socialiseren was, wilde voltooien. Dat kun je vandaag de dag moeilijk zeggen.

Vertaling: Menno Grootveld

i Otto Neurath, ʻWar economy,ʼ in Economic writings selections 1904-1945, Uebel en Cohen, New York, Kluwer, 2005, p. 193. Neuraths eigen bloemlezing uit 1919 heeft een suggestieve titel: Durch die Kriegswirtschaft zu Naturalwirtschaft (Van de oorlogseconomie naar de natuurlijke economie).

i Deze gemeente werd van 1918 tot 1934 bestuurd door de sociaal-democraten.

Categorieën
Gezondheid Politiek

Kwade wil

Oorspronkelijke tekst (Engels): The Baffler, 21 april 2020

bron foto: Max Planck Institute for the History of Science

door Edna Bonhomme

Edna Bonhomme is een curator, onderzoeker en schrijver die in haar werk de archeologie van de koloniale wetenschap, belichaming en surveillance onderzoekt. Momenteel woont ze in Berlijn.

In 1992 had een stille epidemie de gevangenissen in New York City in haar greep. Een resistente variant van tuberculose verspreidde zich door de vochtige cellen. Morris E. Lasker, federaal rechter voor het zuidelijke district van New York, riep op 24 januari de noodtoestand uit. Hij eiste dat het New York City Department of Corrections tweeënveertig isolatiebedden zou organiseren voor de zeer besmettelijke gevangenen met tuberculose. Hij werd daartoe aangezet door de dood van dertien gevangenen in New York City als gevolg van tuberculose in de loop van het jaar daarvoor, die allemaal HIV-positief waren. Onderzoekers en medici ontdekten dat immunodeficiënte gevangenen die HIV-positief waren bijzonder kwetsbaar bleken voor tuberculose, longontsteking en andere overdraagbare ziekten.

De uitbraak vond plaats op het hoogtepunt van de HIV-epidemie, jaren voordat het eerste anti-retrovirale geneesmiddel voor HIV ruimschoots beschikbaar kwam voor mensen met het virus. Net als vandaag waren de gevangenen op Rikers Island in onevenredige mate zwart en bruin, en ze waren voor een deel ontvankelijk voor tuberculose als gevolg van de slechte ventilatie in de gevangenissen, waardoor bacterieën zich makkelijk door de lucht konden verspreiden. Voor veel mensen die in afwachting waren van het einde van hun straf hadden isolatie en deugdelijke ventilatie kunnen voorkomen dat ze besmet raakten.

Wijlen Susan Sontag heeft in haar Ziekte als metafoor geschreven dat ʻalle aanwijzingen erop duiden dat de cultus van TB niet eenvoudigweg een uitvinding was van romantische dichters en opera-librettisten, maar een wijdverbreide houding, en dat iemand die (op jonge leeftijd) overleed aan TB werkelijk als een romantische persoonlijkheid werd gezien.ʼ In de huidige fase van onze nieuwe wereldwijde pandemie, waarbij COVID-19 mensen en overheden ertoe heeft gebracht strikte social distancing-maatregelen te hanteren om verspreiding te voorkomen, is ziekte veel meer dan een metafoor. Hoewel Sontag in haar werk uit 1978 de sociale en psychologische contouren van ziekte behendig afbakende, was haar nadruk op de ʻromantischeʼ aard van tuberculose kortzichtig. Die onttrok vooral de ongelijke werkelijkheid van mensen van kleur en van degenen die in het mondiale zuiden woonden aan het oog; deze mensen kwamen onopgemerkt om als gevolg van een epidemie, lang nadat de romantische schijn van tuberculose was verdwenen.

Voor de grotendeels zwarte en bruine gevangenen in de cellenblokken van New York City begin jaren negentig was de tuberculose-epidemie vooral zo verderfelijk, omdat er aanvankelijk weinig bereidheid was om er iets aan te doen. Dit was lang vóór de verschijning van Michelle Alexander’s The New Jim Crow; de meeste Amerikanen zagen nog geen verband tussen de slavernij en het criminele onrechtvaardigheidssysteem, en de gevallen van resistente tuberculose in de gevangenissen van New York State begin jaren negentig leidden nog niet tot een oproep om in actie te komen. Omdat die actie uitbleef zijn tijdens de achttien maanden van de tuberculose-uitbraak in de staat New York minstens zevenentwintig gevangenen en één bewaker overleden.

De symptomen van ademhalingsziekten kunnen mild zijn, maar ze kunnen ook een reeks ademhalingsproblemen teweegbrengen – kortademigheid, hijgen, het gevoel dat je longen het zullen begeven. Net als bij het coronavirus is één manier om de verspreiding van tuberculose een halt toe te roepen het isoleren van de zieken. Maar in 1992 waren er de Verenigde Staten relatief méér mensen die in de gevangenis zaten dan in de meeste andere landen van de wereld. Als tuberculose nog steeds een ziekte was geweest die vooral de opperklasse en niet-gevangenen trof, zouden politici misschien de bereidheid hebben gevonden om deze epidemie snel te laten verdwijnen. Maar in plaats daarvan was New York juist bereid om de gezondheid van opgesloten mensen in gevaar te brengen. Hetzelfde is vandaag de dag het geval, nu COVID-19 onder de gevangenen op Rikers Island woedt. Hoewel pleitbezorgers voor de afschaffing van gevangenissen hebben opgeroepen tot de vrijlating van kwetsbare gevangenen, omdat ze terecht bang zijn dat Rikers en andere huizen van bewaring zullen worden overspoeld door een vloedgolf van corona-besmettingen, blijft het aantal mensen dat in vrijheid is gesteld ver achter bij de officiële beloften.

De tuberculose-epidemie van 1992 is een van de vele episoden waarin een ziekte in de loop der tijd steeds virulenter en dodelijker is geworden. Wat deze resistente tuberculose-variant zo gevaarlijk maakte, was voor een deel de samenhang met andere ziekten als HIV/AIDS en Hepatitis C. Maar in deze periode verspreidde tuberculose zich ook naar andere delen van de wereld en vond de ziekte een plek in verarmde gebieden die moeite hadden om de uitbraken in te dammen. Tuberculose blijft vandaag de dag een van de tien voornaamste doodsoorzaken in de wereld, en volgens de Wereldgezondheidsorganisatie vindt ruim 25 procent van de sterfgevallen als gevolg van tuberculose nu plaats op het Afrikaanse continent. Ademhalingsziekten als tuberculose worden verergerd door bestaande mondiale ongelijkheden – en gevangeniscellen en krottenwijken zijn ideale broedplaatsen voor virussen en bacteriën.

Ook al is de wereld zich bewust van deze ongelijkheden, de manier waarop we reageren is een product van de empathie waarmee we de zieken en stervenden tegemoet treden: er wordt onderscheid gemaakt tussen zij die eruit zien zoals wij, en zij die er niet uitzien zoals wij. Voor de armen en achtergestelden toont de ervaring van het doormaken van epidemieën aan hoe microbiële besmettingen kunnen samenvallen met reeds bestaande vooroordelen in een samenleving.

Hoe kunnen we de manieren begrijpen waarop de angst voor epidemieën zich verspreidt? De geschiedenis kan hier misschien antwoord op geven. Zoals Walter Benjamin opmerkte in The Arcades Project: ʻOp ieder denkbaar moment zien de levenden zichzelf alsof ze zich in de middag van de geschiedenis bevinden. Ze zijn verplicht om een banket voor het verleden voor te bereiden. De historicus is de heraut die de doden aan tafel noodt.ʼ Als we in het niet zo recente verleden duiken om uit te vissen hoe de diverse schakeringen van de besmetting de voorwaarden reproduceren die virale en bacteriële besmettingen mogelijk maken, is het belangrijk om eerlijk rekening te houden met massale sterfte, en te leren om compassie te hebben en racisme te vermijden bij het bestrijden van een ziekte.

Dikwijls begint de angst met een naam. In de negentiende eeuw braken diverse cholera-epidemieën uit in grootstedelijke gebieden als New York City, Londen, Alexandria en Shanghai. De uitbraken werden deels verspreid via besmet water, maar ook via de interregionale handel. Het Europese imperialisme en het mondiale kapitalisme waren in opkomst, en de cholera reisde mee op de handelsschepen op de Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee en de Indische Oceaan. Ondanks het feit dat de epidemie vooral in Europa en Noord-Amerika woedde, werd naar de eerste pandemie van 1817-1821 verwezen als de ʻAziatischeʼ cholera, merkt Mark Harrison op in zijn artikel A Dreadful Scourge. De getijdenbewegingen van de ziekte hadden meer te maken met de verspreiding van de bacterie Vibrio cholerae in waterbronnen dan met het Aziatische continent. Toch drong deze benaming door in beschaafde Europese kringen.

Later, tussen 1918 en 1919, stierven vijftig tot misschien wel honderd miljoen mensen aan een nieuw type influenza – sommigen naar verluidt binnen een paar uur nadat ze besmet waren geraakt, anderen binnen een paar dagen. De pandemie had dramatische commerciële en politieke gevolgen: zij dwong veel bedrijven de deuren te sluiten, de vuilnisinzameling werd opgeschort en landarbeiders konden de gewassen niet meer oogsten. Sommige zieken lagen wekenlang in bed en hun geliefden zorgden voor hen, zodat die niet meer naar hun werk konden gaan; de economie ervoer een tijdelijke schok. Ook al was de ziekte niet afkomstig uit Spanje, zij werd uiteindelijk bekend als de ʻSpaanseʼ griep omdat het Iberische land, zoals Laura Spinney in de Guardian schreef, geen censuur toepaste op de gezondheidsrapporten, waardoor het sterftecijfer onevenredig hoog leek.

Hoewel de geschiedenis van het wetenschappelijke racisme verzonken is in een moeras van pseudo-wetenschap, hebben antropologen uit die tijd zoals William Z. Ripley hiërarchieën van ʻwitheidʼ geconstrueerd. In zijn boek uit 1899, The Races of Europe, beweerde hij dat Noord-Europese trekken zoals blond haar het bovenste echelon van de mensheid vertegenwoordigden, terwijl Zuid-Europeanen met donkerder trekken zoals de Spanjaarden op een lagere trede stonden. Dat de griep begin twintigste eeuw met de Spanjaarden in verband werd gebracht, binnen een context waarin noties van ras binnen Europa konden worden misbruikt om een Zuid-Europees land te demoniseren, was geen toeval. Zowel de griep-uitbraak van 1918 als de cholera-epidemieën van de negentiende eeuw tonen aan dat mensen die niet expliciet verantwoordelijk zijn voor de opkomst of de verspreiding van een nieuwe ziekte permanent met de aandoening in verband kunnen worden gebracht op manieren die uiteindelijk de reactie op het gebied van de volksgezondheid kunnen beïnvloeden.

De racialisering van de epidemie blijft tot zeer uiteenlopende resultaten leiden. De tuberculose-uitbraak van de jaren negentig in de gevangenissen van New York City is slechts één voorbeeld van de manier waarop racisme een snel antwoord op een epidemie kan dwarsbomen. In dat geval had de zwijgzaamheid tot iets groters geleid: de resistente tuberculose was gemuteerd tot een virulentere ziekte die zich later manifesteerde in het mondiale Zuiden en tot uitbarsting kwam in onafhankelijk geworden landen die door hun voormalige Europese koloniale overheersers aan de bedelstaf waren gebracht. Een treffend voorbeeld van hoe de voormalige koloniale machten hun vroegere koloniën blijven besmetten kan vandaag de dag op het Afrikaanse continent worden aangetroffen: het eerste bevestigde geval van COVID-19 in de Democratische Republiek Congo was dat van een Belgisch staatsburger. De nalatenschap van het Belgische kolonialisme in de Congo blijft het gezondheidszorgsysteem van dat land tot op de dag van vandaag parten spelen. Dat systeem zal nu het hoofd moeten bieden aan de pandemie, in het kielzog van een Ebola-uitbraak en een uitbraak van de mazelen. In plaats van hulp zonder voorwaarden heeft de Wereldbank het land nu een lening van $47 miljoen aangeboden ter bestrijding van COVID-19.

Tuberculose, cholera, de griepepidemie van 1918 en nu de COVID-19-pandemie leren ons dat de mensen wier gezondheid minder belangrijk wordt geacht vaak dezelfde mensen zijn die het meest zullen lijden onder de economische gevolgen van een pandemie. De reactie op COVID-19 is tussen januari, toen de uitbraak zich grotendeels tot Oost-Azië beperkte, en het huidige tijdsbestek, waarin het virus gemeenschappen in Italië, Spanje, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten heeft verwoest, aanzienlijk veranderd. De wereldwijde reactie is ook gepaard gegaan met zorgen over de mondiale economie: het gevoel dat arbeid, handel en reizen nooit meer hetzelfde zullen zijn.

Naarmate het epidemiologisch onderzoek voortgaat, dat erop gericht is om COVID-19 beter te kunnen begrijpen, hebben wetenschappers gerapporteerd dat de ziekte asymptomatisch is voor sommigen en vreselijk voor anderen. De symptomen kunnen afschuwelijk zijn voor ouderen, mannen en rokers; in andere gevallen zijn mensen met obesitas en auto-immuniteitsproblemen ook kwetsbaarder gebleken. Het grote verschil in gezondheidsuitkomsten tussen verschillende mondiale populaties weerspiegelt niet alleen de glibberige aard van deze ziekte, maar ook de ongelijke kwaliteit van de zorg. Alles bij elkaar genomen zal dit er naar alle waarschijnlijkheid voor zorgen dat deze crisis zeer langdurig zal zijn en onevenredig veel schade zal toebrengen aan gemeenschappen van kleur.

Voor veel zwarte mensen in de Verenigde Staten gaat de angst om door COVID-19 te worden besmet samen met de grimmige werkelijkheid dat het waarschijnlijker is dat ze eraan zullen overlijden. Zowel in steden in het midden-westen als Detroit en Milwaukee als in semi-landelijke gemeenschappen in Alabama en Louisiana overlijden zwarte Amerikanen in onevenredige mate aan het nieuwe coronavirus. Uit recent onderzoek is gebleken dat in Chicago, waar 30 procent van de bevolking van Afrikaans-Amerikaanse afkomst is, zwarte mensen 70 procent van alle sterfgevallen als gevolg van het coronavirus vertegenwoordigden. Deze ijzingwekkende statistieken zijn het product van een ongelijke samenleving, waarin het minder waarschijnlijk is dat zwarte Amerikanen een ziektekostenverzekering hebben, het waarschijnlijker is dat zwarte Amerikanen in gebieden of wijken met weinig gezondheidszorgvoorzieningen wonen, en het waarschijnlijker is dat ze buitenshuis werken in de gezondheidszorg, in supermarkten en in het goederenvervoer. Alles bij elkaar genomen leven zwarte Amerikanen in een sfeer van sociale en medische apartheid.

Hetzelfde geldt voor de mensen die in het bredere mondiale Zuiden wonen, waar laat in actie komen misschien wel miljoenen levens gaat kosten. Eén plek waar het coronavirus een drastische uitkomst zou kunnen hebben is het Afrikaanse continent, waar een stijging van het aantal ziektegevallen in Zuid-Afrika heeft geleid tot een lockdown in het hele land van eenentwintig dagen. Maar de social distancing die in de meeste landen van de wereld wordt aangemoedigd is niet voor iedereen mogelijk. Zoals Karsten Noko berichtte op Al Jazeera is social distancing in veel Afrikaanse landen een privilege.

Als volksgezondheidsmaatregelen een effectief wapen willen zijn tegen de huidige pandemie moet het systeem dat deze drastische ongelijkheden mogelijk heeft gemaakt overhoop worden gehaald. We moeten onderzoek uitvoeren naar de manier waarop alle bevolkingsgroepen worden geraakt door epidemieën, en niet louter empathie uitstralen voor de achtergestelden. Volksgezondheidsmaatregelen die universeel worden toegepast op een niet-universele, ongelijke wereld zullen niet werken als die wereld niet radicaal wordt veranderd.

Vertaling: Menno Grootveld

Categorieën
Filosofie Politiek

De epidemie van de filosoof

Oorspronkelijke tekst (Engels): New Left Review, maart/april 2020)

fotografie: Neue Zürcher Zeitung

door Marco d’Eramo

Marco d’Eramo is een Italiaans journalist. Hij was student van de Franse socioloog Pierre Bourdieu en een van de oprichters van het Italiaanse dagblad Il Manifesto, dat hij in 2012 verliet. Tegenwoordig schrijft hij voor de taz, New Left Review en MicroMega.

‘Er zal geen herstel zijn. Er zal sociale onrust zijn. Er zal geweld zijn. Er zullen sociaal-economische gevolgen zijn: dramatische werkloosheid. Burgers zullen vreselijk lijden: sommigen zullen sterven, anderen zullen zich afschuwelijk voelen.’i Hier is geen eschatoloog aan het woord, maar Jacob Wallenberg, afstammeling van een van de machtigste dynastieën van het mondiale kapitalisme, die een inkrimping van de wereldeconomie met 30 procent voorziet en een torenhoge werkloosheid, als gevolg van de lockdowns om het coronavirus in te dammen. Terwijl filosofen bang zijn dat onze heersers de epidemie uitbuiten om biopolitieke discipline af te dwingen, lijkt de heersende klasse zelf tegenovergestelde zorgen te hebben: ‘Ik ben doodsbenauwd voor de gevolgen voor de samenleving … we moeten de risicoʼs incalculeren dat het medicijn de patiënt hard zal treffen.’ Hier herhaalt de Zweedse tycoon de prognose van Trump dat de therapie de patiënt zal doden. Terwijl de filosofen de anti-besmettingsmaatregelen – uitgaansverboden, gesloten grenzen, beperkingen van publieke bijeenkomsten – als een sinister controlemechanisme zien, zijn de heersers bang dat de lockdowns hun controle juist zullen doen verslappen.

Bij het beoordelen van de impact van COVID-19 halen de filosofen in kwestie de passages over de pest aan uit Discipline and Punish, waarin Foucault de nieuwe vormen van toezicht en regulering beschrijft die het gevolg waren van de pestuitbraak eind zeventiende eeuw.ii De denker die tot nu toe het helderste standpunt over de pandemie heeft ingenomen is Giorgio Agamben, in een reeks strijdlustige artikelen, beginnend met ‘De uitvinding van een pandemie,’ verschenen in Il Manifesto op 26 februari 2020. In dit stuk beschrijft Agamben de noodmaatregelen die in Italië ten uitvoer zijn gelegd om de verspreiding van het virus tegen te gaan als ‘panisch, irrationeel en absoluut ongegrond.’ ‘De angst voor de pandemie geeft aanleiding tot paniek,’ schrijft hij, ‘en in naam van de veiligheid aanvaarden we maatregelen die de vrijheid ernstig aan banden leggen, waardoor de uitzonderingstoestand wordt gerechtvaardigd.’ Volgens Agamben toont de reactie op het coronavirus ‘een tendens om de uitzonderingstoestand te gebruiken als een normaal bestuursparadigma’ – ‘het is bijna of, nu het terrorisme is uitgeput als legitimatie voor uitzonderlijke maatregelen, de uitvinding van een epidemie het ideale excuus is om dergelijke maatregelen onbeperkt te kunnen verruimen.’ Agamben heeft deze ideeën in twee andere teksten verder uitgewerkt die halverwege maart zijn verschenen op de website van de Italiaanse uitgever Quodlibet.iii

Agamben heeft wél en niet gelijk; of beter gezegd: hij zit er over het algemeen stevig naast, maar niet helemaal. Hij heeft ongelijk omdat de feiten hem weerspreken. Zelfs grote denkers kunnen aan besmettingen bezwijken – Hegel overleed in 1831 aan de cholera – en filosofen hebben de plicht om hun mening te herzien als de omstandigheden daarom vragen: als het in februari misschien nog enigszins mogelijk was om de corona-pandemie te ontkennen, was dat in maart niet langer vol te houden. Maar Agamben heeft gelijk dat onze heersers iedere mogelijkheid zullen aangrijpen om hun macht te consolideren, vooral in tijden van crisis. Dat het coronavirus wordt misbruikt om de massale surveillance te versterken is geen geheim. De Zuid-Koreaanse regering heeft de verspreiding van de besmetting geanalyseerd door de locatie van haar burgers in kaart te brengen via hun mobiele telefoons – een beleid dat tot beroering heeft geleid toen er ook een aantal buitenechtelijke affaires werd blootgelegd. In Israel zal de Mossad binnenkort zijn eigen versie van deze technologie implementeren, terwijl de Chinese overheid nog krachtiger heeft ingezet op video-surveillance en gezichtsherkenningstechnologieën (de mondiale inlichtingendiensten hebben op het excuus van een epidemie gewacht om ons digitaal te kunnen gaan schaduwen). Veel Europese regeringen zijn momenteel aan het beslissen of ze een voorbeeld willen nemen aan de Zuid-Koreaanse en Chinese programmaʼs, terwijl het Britse Information Commissioner’s Office deze technologie al eind maart heeft goedgekeurd. Agamben was niet de eerste die betoogde dat een van de doelen van de sociale overheersing de ʻatomiseringʼ van de overheersten is; Guy Debord schreef in De Spektakelmaatschappij dat de ontwikkeling van kapitalistische handelswarenutopiaʼs ons allemaal zou doen belanden in ‘perfecte afzondering.’

*

Aan het einde van deze crisis zullen de surveillance-bevoegdheden van de regeringen vertienvoudigd zijn. Maar desondanks – ook al beweert Agamben iets anders – blijft de besmetting reëel, dodelijk en verwoestend. Dat veiligheidsdiensten waarschijnlijk van de pandemie zullen gaan profiteren rechtvaardigt nog geen sprong naar het paranoïde samenzweringsdenken: de regering-Bush hoefde de Twin Towers niet zelf te verwoesten om de Patriot Act te kunnen invoeren; Cheney en Rumsfeld konden ontvoering en marteling eenvoudigweg legitimeren door gebruik te maken van de kansen die 9/11 hen bood.

Ik noem de aanval op het World Trade Center omdat dit een tweede zwakte in Agambens werk blootlegt, waarin immers alle technieken van maatschappelijke controle worden uitgelegd met behulp van het model van de onderdrukking door de staat van een gewapende opstand. Ook eind jaren zeventig en begin jaren tachtig legden diverse Europese landen al eens een uitzonderingstoestand op, zogenaamd om het terrorisme te bestrijden – en trend die de generatie van Agamben en haar nakomelingen rechtstreeks heeft beïnvloed. Maar niet alle uitzonderingstoestanden zijn hetzelfde. Zoals Aristoteles al zei: als alle katten zoogdieren zijn, betekent dit nog niet dat alle zoogdieren katten zijn. De uitzonderingstoestand, opgelegd uit naam van het terrorisme, lijkt op het beleid dat is ontworpen om lepra in te dammen: d.w.z. het verdelen van de samenleving in twee afzonderlijke groepen, waarbij de leprozen/terroristen werden buitengesloten van de grotere gemeenschap van gezonde/wetsgetrouwe burgers. Daarentegen reproduceert de huidige uitzonderingstoestand in beginsel het fenomeen waarover Foucault het heeft als het om de pest gaat, gebaseerd op de controle, immobilisatie en isolatie van de gehele bevolking.iv Anders dan het lepra-model maakt dit regime geen onderscheid tussen goede en slechte burgers. Iedereen is potentieel slecht; wij moeten allemaal worden gemonitord en onder toezicht worden gesteld. Het panopticon omvat de hele samenleving, niet slechts de gevangenis of de kliniek.

Het is waar dat we getuige zijn van een gigantisch en ongekend experiment in sociale discipline, met drie miljard mensen die momenteel thuis moeten blijven; de meesten van hen hebben deze beperkingen van hun vrijheid geaccepteerd, zonder veel actieve weerstand. Veertig jaar geleden zou dit ondenkbaar zijn geweest. In veel gevallen vindt dit experiment blind en op de tast plaats, zoals in India, waar premier Modi het hele land heeft opgedragen thuis te blijven, ondanks de aanwezigheid van 120 miljoen zwervende migrantenarbeiders die dikwijls gedwongen zijn op straat te leven. In een groot deel van de wereld is de opsluiting in het eigen huis louter denkbaar voor de rijkste laag van de bevolking, terwijl het voor de meesten rechtstreeks tot werkloosheid en honger leidt. India is een extreem geval, maar een op klassenverschil gebaseerd antwoord op de epidemie is zichtbaar in ieder land. Dit is een ‘witte-boorden-quarantine’, zoals de New York Times hem omschreef.v De geprivilegieerden sluiten zichzelf op in huizen met snel internet en volle koelkasten, terwijl de rest van ons blijft reizen in overvolle metrotreinen en schouder aan schouder blijft werken in besmette omgevingen. De voedselindustrie, de energiesector, de transportdiensten en de telecommunicatiehubs moeten blijven draaien, naast de productie van cruciale medicijnen en ziekenhuisapparatuur. Fysieke afzondering is een luxe die velen zich niet kunnen veroorloven, en de regels voor ‘social distancing’ dienen om de kloof tussen de klassen te verbreden.

*

Hetgeen ons bij het voornaamste punt brengt dat Agamben over het hoofd ziet: de overheersing is niet ééndimensionaal. Het gaat niet alleen maar om controle en toezicht, maar ook om uitbuiting en extractie. (Een beetje Marx, bovenop Schmitt, zou zijn analyse geen kwaad doen.) De serieuze schade die deze epidemie dreigt toe te brengen aan het kapitaal verklaart de aarzeling bij politici om isolatie en quarantaine af te dwingen. Boris Johnson (aanvankelijk) en Trump zijn de opvallendste voorbeelden: zij hebben zich zo lang mogelijk tegen het aankondigen van een quarantaine verzet en willen die ook weer zo snel mogelijk opheffen, zelfs als dat ten koste gaat van een paar honderdduizend doden. In dit geval moet het trage tempo van het volksgezondheidsbeleid worden gecontrasteerd met de snelheid van het financiële antwoord. Natuurlijk weerspiegelen de ‘genereuze’ budgettaire maatregelen deels de zorgen van Wallenberg: ze zijn bedoeld om grote maatschappelijke onrust te vermijden door de werkers voor het moment genoeg inkomsten te geven om van te leven. Geen kapitalist wilde in deze Keynesiaanse positie gedwongen worden. Maar zoals Obama’s stafchef Rahm Emanuel opmerkte: ‘Je mag een ernstige crisis nooit verloren laten gaan.’ Dus terwijl er sprake is van spaarzame uitbreidingen van de wettelijke ziektekostenvergoeding, hebben de staten ook buitengewone maatregelen getroffen om hun financiële sectoren te steunen, of ‘om de startbaan voor de banken in gereedheid te brengen,’ zoals de vroegere Amerikaanse minister van Financiën Timothy Geithner het heeft verwoord. Tot nu toe hebben de regeringen van de OESO-landen ruim $5 bln toegezegd, maar dit bedrag zal nog verder stijgen.

Heersers maken ook gebruik van de pandemie om er beleid doorheen te drukken dat in normale tijden tot verontwaardiging zou hebben geleid. Trump heeft de Amerikaanse industrie de vrijheid gegeven om de milieuwetten te overtreden tijdens de noodtoestand, terwijl Macron een van de voornaamste verworvenheden van de arbeidersbeweging heeft ontmanteld door de maximale werkweek uit te breiden naar zestig uur.vi Toch heeft op een bepaalde manier de kleingeestigheid van deze wetgevende trucs – te lokaal en te beperkt om een noodlijdende neoliberale orde te kunnen helpen – aangetoond dat de pandemie de heersende klassen heeft verrast: zij hebben de recessie die ons wacht nog niet doorzien, evenmin als het vermogen daarvan om de economische orthodoxie overhoop te gooien. Net zoals Agamben alle noodtoestanden beschouwt als anti-terroristisch, zien onze heersers deze systeemcrisis louter als een financiële: zij reageren op de pandemie alsof het om een nieuw 2008 gaat, door Bernanke te imiteren en een Friedman-achtige monetaire expansie voor te schrijven. Als gevangenen van de monetaire orthodoxie begrijpen ze niet dat deze keer de schok aan de vraagzijde meer zal inhouden dan een simpele liquiditeitscrisis.

Al heel snel zullen hele fortuinen verloren gaan terwijl de kapitalisten hun bedrijfsactiviteiten (luchtvaartmaatschappijen, bouwbedrijven, autofabrieken, toeristencircuits, filmproducties) ten onder zien gaan. Maar in deze context zal Friedmans ‘helikoptergeld’ – de injectie van astronomische hoeveelheden liquiditeit in de economie – een grootschalige vernietiging van kapitaal teweegbrengen, omdat dit nieuw uitgegeven geld geen enkele reële waarde vertegenwoordigt. In oorlogstijd wordt zowel financieel als materieel kapitaal verwoest: infrastructuur, fabrieken, bruggen, havens, stations, luchthavens, gebouwen. Maar zodra de oorlog voorbij is begint een periode van wederopbouw, en deze wederopbouw brengt een economische opleving teweeg. De huidige epidemie heeft echter meer weg van een neutronenbom, die mensen doodt, maar gebouwen, wegen en fabrieken intact laat (zij het leeg). Dus als de epidemie voorbij is, zal er niets meer te herbouwen zijn – en bijgevolg ook geen sprake zijn van herstel.

Nadat de quarantine is opgeheven zullen mensen niet eenvoudigweg op dezelfde schaal auto’s en vliegtuigtickets gaan kopen als vóór de crisis. Velen zullen hun baan kwijtraken, terwijl degenen die hun baan zullen behouden moeite zullen hebben om klanten te vinden in een economie waarin weinig geld omgaat. Intussen zal iemand de rekening moeten betalen voor de enorme uitgaven die zijn gedaan om het virus in te dammen, vooral als de daaruit voortvloeiende schuldenberg het vertrouwen bij beleggers wegneemt, op welk punt Wallenbergs angst voor sociale onrust gerechtvaardigd zou kunnen blijken: de shocktherapie die zal worden toegepast na de crisis – als, uit naam van een economische noodzaak, het publiek moet gaan betalen voor deze ‘generositeit’ – kan er inderdaad toe leiden dat mensen in verzet komen. De epidemie zal de controle en het toezicht van bovenaf versterken; zij zal van de maatschappij weer een laboratorium voor disciplinaire technieken maken. Maar in deze situatie zullen onze heersers wel een tijger moeten leren berijden: degenen die ons willen controleren zouden dat liever met minder kostbare middelen doen. Uiteindelijk zal het makkelijk zijn om de quarantaine op te heffen. Maar het zal problematischer blijken om de economie weer op te starten.

Rome, 4 april 2020

Vertaling: Menno Grootveld

Noten:

i ‘Coronavirus “medicine” could trigger social breakdown,’ Financial Times, 26 maart 2020.

ii Michel Foucault, Discipline and Punish: The Birth of the Prison, London 1995, pp. 195–228.

iii Het artikel van Agamben in Il Manifesto en de daaropvolgende discussie in het Italiaanse online-magazine antinomiemet bijdragen van onder meer Jean-Luc Nancy, Sergio Benvenuto en Roberto Esposito – staan op de website van het European Journal of Psychoanalysis. Andere bijdragen omvatten Alain Badiou, ‘On the Pandemic Situation,’ MicroMega, 25 maart 2020, en Paolo Flores d’Arcais, ‘Philosophy and the Virus: Giorgio Agamben’s Ravings,’ MicroMega, 16 maart 2020.

iv Voor een historische reality check is het echter de moeite waard om Daniel Defoe’s Journal of a Plague Year [1722] te raadplegen, dat de ontelbare manieren beschrijft waarop de door de pest getroffen Londenaren de gardisten wisten te ontlopen of om te kopen, en te ontsnappen aan de besmette huizen waar ze in opgesloten waren – iets wat ontbreekt aan het verhaal van Foucault.

v Noam Scheiber, Nelson Schwartz, Tiffany Hsu, ‘“White-Collar Quarantine” Over Virus Spotlights Class Divide,’ New York Times, 27 maart 2020; Jennifer Valentino-DeVries, Denise Lu, Gabriel Dance, ‘Location Data Says It All: Staying at Home During Coronavirus Is a Luxury,’ New York Times, 3 april 2020.

vi Oliver Milman en Emily Holden, ‘Trump Administration allows companies to break pollution laws during coronavirus pandemic,’ The Guardian, 27 maart 2020; Le Macronomètre, ‘Coronavirus: 60 heures de travail par semaine dans les secteurs essentiels, la bonne décision,’ Le Figaro, 25 maart 2020.

Categorieën
Economie Politiek

Afwijzing corona-bonds lijdt tot permanente littekens

Oorspronkelijke tekst (Engels): Social Europe, 13 april 2020

fotografie: Radio open source

door Adam Tooze

Adam Tooze is een Brits historicus die hoogleraar is aan de Columbia Universiteit en directeur is van het European Institute. Hij is de auteur van Crashed: How a Decade of Financial Crises Changed the World (de Nederlandse vertaling verscheen in 2018 bij Spectrum)

Het is een wrede speling van het lot dat de COVID-19-crisis de fundamentele breuklijn in de eurozone tussen noord en zuid heeft blootgelegd. Het daaruit voortvloeiende debat over de vraag hoe we een gezamenlijk antwoord kunnen formuleren is bitter geweest.

Het voorlopige compromis dat op 9 april jl. door de ministers van Financiën op de bijeenkomst van de Eurogroep werd bereikt, was een opluchting. Het zou rampzalig zijn geweest als de Eurogroep voor de tweede keer binnen een week zonder akkoord uit elkaar zou zijn gegaan. Dat zou waarschijnlijk niet hebben geleid tot paniek op de obligatiemarkt – enorme interventies van de kant van de Europese Centrale Bank hebben die mogelijkheid voor dit moment geneutraliseerd. Maar in politiek opzicht zou het een vreselijk signaal van onenigheid hebben afgegeven.

Het drievoudige pakket – met financiering van de uitgaven aan de gezondheidszorg via het Europees Stabiliteits Mechanisme (ESM), leningen voor bedrijven van de Europese Investeringsbank en 100 miljard euro voor het werkloosheidsfonds van de Europese Commissie – is bescheiden in omvang. Het is teleurstellend voor degenen onder ons die het idee van de ʻcorona-bondsʼ steunen. Maar het is wel een opluchting dat het een compromis was, in plaats van een vernederende nederlaag voor de coalitie van negen voorstanders van corona-bonds, toegebracht door het koppige en kortzichtige egoïsme van de Nederlanders en de Duitsers.

In politiek opzicht hebben de Nederlanders hun zaak misschien wel meer kwaad dan goed gedaan met hun eis dat ESM-leningen afhankelijk moeten worden gesteld van structurele aanpassingen (lees: bezuinigingen). In plaats van als bondgenoten van de Nederlanders worden de Duitsers nu namelijk liever gezien als bemiddelaars.

Bekentenis van onvermogen

In verhouding tot de omvang van de huidige crisis is het akkoord, zelfs als we het royale bedrag van 540 miljard euro voor het steunpakket in aanmerking nemen, een bekentenis van Europees onvermogen. In het licht van de klap van een biljoen dollar voor de wereldeconomie komt de bescheiden omvang van het steunpakket neer op een bekentenis dat het primaat bij de bestrijding van de crisis nog steeds bij de natiestaten ligt.

Het beste dat erover kan worden gezegd is dat het een kader biedt voor verdere onderhandelingen. Er is de toezegging om een tijdelijk wederopbouwfonds in te richten, te financieren met ʻinnovatieve instrumentenʼ – wat dat betekent moet nog blijken. Helaas is er gezien onze ervaringen van de afgelopen weken weinig reden tot optimisme, tenzij zich in Nederland een regeringswisseling voordoet.

Als de onmiddellijke gezondheidscrisis voorbij is, als ʻallesʼ dat op het spel staat de ellende van massale werkloosheid in Spanje of een verdere schok voor de groeivooruitzichten van Italië is – waarom zouden we dan verwachten dat de noordelijke staten zich coöperatiever zullen opstellen dan ze sinds 2010 hebben gedaan? De verhouding tussen de staatsschuld en het bruto binnenlands product zal nog slechter worden. We mogen ervan uitgaan dat het discours over de houdbaarheid van de schuld en de begrotingsverantwoordelijkheid net zo meedogenloos zal zijn als altijd.

Natuurlijk mag je nooit ʻnooitʼ zeggen. Uit peilingen blijkt een openheid bij het Duitse publiek ten aanzien van corona-bonds, die door een creatief en dapper politiek leiderschap zou kunnen worden uitgebuit. De mening onder deskundigen is duidelijk omgeslagen; de breed gedragen oproep tot gezamenlijke actie van Duitse economen is nieuw en zeer welkom. Zowel in Duitsland als in Nederland schaamt een groot deel van het publiek zich blijkbaar voor het standpunt van hun regering.

De politieke ruzie is nog niet voorbij. Zij zal worden hervat als de regeringsleiders weer om de tafel gaan zitten. Toch is één ding nu al duidelijk: de crisisbestrijdingsvoorstellen op basis van het ESM zijn in de praktijk een dode letter. De weg naar het akkoord van 9 april kwam pas open te liggen toen de Nederlanders eindelijk afzagen van hun eis dat de belangrijkste vorm van steun ESM-leningen met harde voorwaarden moesten zijn. Maar zelfs in de afgezwakte vorm waarin dit in het huidige pakket is opgenomen is de vermelding van het ESM alleen al voldoende om in Italië verontwaardiging te wekken.

Kleingeestige bedoelingen

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het standpunt van de Nederlanders over het ESM niet abnormaal was. Wat zij vroegen was niet alleen trouw aan de letter, maar ook aan de kleingeestige bedoelingen die het ESM in de eerste plaats hebben doen ontstaan. Dat was altijd al bedoeld als een zware financiële oefening die zoveel mogelijk structurele aanpassingen zou vergen in ruil voor zo weinig mogelijk kredieten.

Maar het ESM bestond tenminste. En tot vorige week konden we nog doen alsof dat ertoe deed. Er zijn veel ingewikkelde en weinig kleingeestige ideeën voor een gezamenlijk antwoord op de corona-crisis geopperd, waarin werd voorgesteld om de financiering via het ESM te laten verlopen. Het ESM werd als instrument naar voren geschoven om de zeer goede reden dat het de enige faciliteit was die direct beschikbaar was.

Het ESM fungeert als ʻtriggerʼ voor een andere vermeende stabiliteitsvoorziening van de eurozone, de faciliteit voor rechtstreekse monetaire transacties (OMT) van de ECB. Dit OMT is in augustus 2012 ontstaan nadat de toenmalige bankpresident, Mario Draghi, zijn gewaagde uitspraak had gedaan over ʻwat ook maar nodig is.ʼ Een van de voorwaarden die de OMT aanvaardbaar maakte – misschien niet voor de Duitse Bundesbank, maar in ieder geval wél voor de regering van Angela Merkel – was de bepaling dat de aankoop van ECB-obligaties afhankelijk moest zijn van de aanvaarding door een land van een ESM-programma, compleet met een memorandum van overeenstemming.

Zelfs toen al was het voor iedereen die verder wilde gaan dan de woorden van Draghi duidelijk dat deze voorwaarden de kans op activering van het OMT zeer onwaarschijnlijk maakten. Toch was het handig om te doen alsof het OMT-ESM de inhoud behelste van ʻwat ook maar nodig is.ʼ Dit is nooit op de proef gesteld, omdat de ECB sinds 2015 obligaties is gaan kopen onder het mom van ʻkwantitatieve versoepeling.ʼ

Dat is wat de ECB in 2019 en in maart dit jaar als reactie op de coronavirus-crisis heeft gedaan. Dat waren algemene interventies in het kader van het economisch beleid, die zich richtten op de kwestie van de risicodeling en de asymmetrische gevolgen voor de sterkere en zwakkere leden van de eurozone. Op de achtergrond was er altijd de suggestie dat, als Italië echt in de problemen zou komen, er een beroep zou kunnen worden gedaan op het OMT.

Vijgenblad verwijderd

Door de impasse binnen de Eurogroep van de afgelopen weken is dit vijgenblad nu verwijderd. Wat nu duidelijk is geworden is dat het zeer onwaarschijnlijk is dat een beroep op het ESM aanvaardbaar is.

In wezen komt dit doordat het ESM zijn ontstaansgeschiedenis in de tumultueuze episode van de eurozone-crisis van 2010-2012 niet heeft weten te ontstijgen. Het wordt nog steeds gezien als een vernederend disciplinair instrument waarmee de landen uit de Noord-Europese eurozone hun beleidsagenda opleggen aan het eigenzinnige zuiden.

Het is makkelijk om dergelijke verwijzingen naar de geschiedenis ongeduldig te verwerpen. Natuurlijk komt het de politici in de Zuid-Europese landen met hoge schulden goed uit om hun problemen aan Brussel en Frankfurt te wijten. Maar geen van de huidige regeringen in Rome of Madrid kan worden beticht van populisme van dit slag. Beiden vragen juist om méér Europa en om een diepere integratie. Maar ze houden ook staande dat het ESM, als een instelling die de erfenis van de eurozone-crisis belichaamt, politiek vergif is.

Dit zou Europa tot nadenken moeten stemmen.

Blijvende littekens

Het is een van de grote waarheden van de Europese Unie dat zij ʻtijdens een crisis is gesmeed.ʼ Wat hierdoor onderbelicht blijft is dat een crisis ook blijvende littekens kan opleveren. Crises kunnen namelijk niet alleen misvormende sporen achterlaten, maar ook neuralgische punten die zelfs jaren later nog acute pijn veroorzaken. De eurozone-crisis is in het geheugen bijna verworden tot een Europese burgeroorlog – een moment in de geschiedenis dat verdeeldheid zaaiende verhalen genereert, waarvan het verdwijnen van de intensiteit niet te voorspellen valt.

Wat we de afgelopen weken hebben geleerd is dat het ESM, het aangewezen crisisbestrijdingsmechanisme van de eurozone, in deze verhalenoorlog verstrikt is geraakt. En dat heeft reële gevolgen.

Degenen die tegen corona-bonds waren, omdat dit niet het moment zou zijn voor zoʼn innovatie, en in plaats daarvan de voorkeur gaven aan op het ESM gebaseerde oplossingen, omdat dit mechanisme nu eenmaal al beschikbaar was, hebben de verkeerde keuze gemaakt. Het was de ESM-route die onrealistisch was, juist vanwege de associatie met het tijdperk van de eurozone-crisis. Een van de dingen die corona-bonds aantrekkelijk maken voor hun voorstanders is dat ze nieuw zijn en dus niet het odium van de bittere geschiedenis van de eurozone met zich meedragen.

Helaas wordt de geschiedenis voortdurend opnieuw geschreven en zullen de beladen debatten van de afgelopen weken zelf tot het erfgoed gaan behoren. Nu de Nederlanders en de Italianen hun hakken in het zand hebben gezet, zal het in de toekomst voor iedereen nóg moeilijker worden om de steun van het ESM in te roepen. Wat voor schok is ervoor nodig om een land zich dán nog tot het ESM te laten wenden? Wat slechts enkele weken geleden nog werd gezien als het institutionele raamwerk voor reële crisisbestrijding, is nu gereduceerd tot een soort betalingsmechanisme voor de gezondheidszorguitgaven, specifiek uitgesloten van iedere macro-economische stabilisatiefunctie.

Schade aangericht

Natuurlijk is er het nieuwe wederopbouwfonds, waarvan de details en de financiering nog moeten worden uitgewerkt. Misschien komt er iets vernieuwends uit voort. Maar niemand mag zich illusies maken over de schade die is aangericht sinds de lancering van het idee van de corona-bonds in maart.

Merkel en haar minister van Financiën, Olaf Scholz, hadden ongetwijfeld graag gezien dat de negen regeringsleiders de vraag nooit zo duidelijk en zo dringend hadden gesteld. Begrepen zij dan niet dat Berlijn wel ʻneeʼ moest zeggen? Zou het niet beter zijn geweest om gewoon door te modderen?

Misschien. Maar in de geschiedenis is er geen weg terug. Het voorstel kan niet ongedaan worden gemaakt. De vraag is gesteld, en er is antwoord gegeven. Dit zal onvermijdelijk een schaduw werpen. Europa kan er in de toekomst door worden ingehaald – op dezelfde manier dat de herinneringen aan 2010-12 het ESM dit voorjaar hebben ingehaald.

Dit artikel is een gezamenlijke publicatie van Social Europe en IPS-Journal

Vertaling Menno Grootveld

Categorieën
Politiek

DiEM TV