Owen Jones is een Brits journalist, schrijver, columnist, politiek commentator en linkspolitiek activist.
Officieel is de nieuwe strategie ʻpersoonlijke verantwoordelijkheidʼ en ʻgoed, solide Brits gezond verstand,ʼ zoals onze minister-president het kleurrijk omschrijft; officieus is de operatie om het publiek de schuld in de schoenen te schuiven redelijk op stoom gekomen. Terwijl de media zich afvragen waarom de treinen en bussen in Londen propvol zitten ondanks het regeringsadvies, smeekt onze minister van vervoer, Grant Shapps, de domme oude forenzen om niet ʻterug te stromenʼ naar het openbaar vervoer.
Het kleine probleem hier is dat de regering miljoenen werknemers heeft opgedragen weer aan het werk te gaan; gezien het feit dat er nog steeds geen teleporters zijn uitgevonden, hebben ze een ander vervoermiddel nodig om de afstand tussen hun huis en hun werk te overbruggen. Als je als Londenaar meer dan 70.000 pond per jaar verdient, is dat geen probleem: ongeveer 80% heeft toegang tot een auto en de meesten kunnen thuiswerken. Helaas heeft bijna de helft van de inwoners van de hoofdstad – en ruim 70% van de mensen die minder dan 10.000 pond per jaar verdienen – geen toegang tot een auto: als je die beelden van volgepakte treinen en bussen wilt begrijpen, begin dan hier.
Het is niet verwonderlijk dat een regering die verantwoordelijk is voor het grootste dodental van Europa, zó geïnteresseerd is in het afschuiven van de schuld. Was het ʻgoed, solide Brits gezond verstandʼ om groepsimmuniteit na te streven en later dan andere Europese landen een lockdown op te leggen, ook al waren de gruwelen van Lombardije allang bekend? En was het inderdaad ʻgoed, solide Brits gezond verstandʼ om kwetsbare patiënten terug te sturen naar verzorgingstehuizen, zonder ze eerst te testen op het coronavirus, waardoor de ziekte werd verspreid in een sector waar misschien wel 22.000 mensen zijn gestorven? Of zou ʻgoed, solide Brits gezond verstandʼ kunnen verklaren hoe het personeel in de frontlinie is blootgesteld aan een gebrek aan persoonlijke beschermingsmiddelen?
Maar de strategie achter de nieuwe aanpak van de regering is duidelijk. ʻBlijf alertʼ is natuurlijk betekenisloos, behalve om de verantwoordelijkheid voor wat er straks gaat gebeuren op individuen af te kunnen wentelen. Volwassenen hebben de staat niet nodig om hun hand vast te houden, verkondigen de boodschappers van de regering: in plaats van te vertrouwen op gedetailleerde instructies en een centraal dictaat, moeten we vertrouwen op ons eigen oordeel. De implicatie is natuurlijk dat als zich straks nóg een piek in de infecties en de sterfgevallen voordoet, dit de schuld van het publiek zal zijn, omdat het niet genoeg persoonlijke verantwoordelijkheid heeft betoond.
Dit is een heropleving van de idealen van het Hoge Thatcherisme, zij het dat ze nu worden toegepast op een pandemie. In de jaren tachtig van de vorige eeuw werden sociale problemen die collectieve oplossingen vereisten – zoals werkloosheid en armoede – geherdefinieerd als individuele tekortkomingen. ʻTegenwoordig is er echt geen primaire armoede meer in dit land,ʼ verklaarde Margaret Thatcher zelf. ʻIn westerse landen hebben we alleen nog problemen die geen armoede zijn. Oké, er kan sprake zijn van armoede omdat mensen niet weten hoe ze moeten budgetteren, niet weten hoe ze hun inkomsten moeten uitgeven, maar dat is uiteindelijk het gevolg van een fundamenteel persoonlijkheidsgebrek.ʼ
Als je arm was, werd het een steeds populairdere houding om te beweren dat dat kwam omdat je dom, werkschuw en lui was. Dankzij de voormalige Tory-minister Norman Tebbit werd ʻget on your bikeʼ (ʻstap op je fietsʼ) een nationaal cliché: het was natuurlijk handiger voor de regering om net te doen alsof de massale werkloosheid werd veroorzaakt door een gebrek aan inspanning en vastberadenheid, en niet door de monetaristische economie die hele bedrijfstakken verwoestte.
Wat het dogma van de
ʻpersoonlijke
verantwoordelijkheidʼ
doet, is het uitwissen van de ongelijkheden die de samenleving
tekenen, verminken en uiteindelijk bepalen. Het wendt voor dat we
allemaal even vrij zijn, dat onze autonomie over ons leven en onze
omstandigheden dezelfde is; dat een middenklasseprofessional die
thuis werkt en toegang heeft tot een auto, dezelfde keuzes kan maken
als een schoonmaakster die geacht wordt haar werk aan de andere kant
van de stad te doen.
De naar schatting 60.000 mensen die tot nu toe bij deze nationale ramp zijn omgekomen, zijn niet van hun familie losgescheurd omdat het publiek niet zich niet verantwoordelijk heeft gedragen, en dat geldt ook voor de doden die de komende weken nog zullen vallen. Elke toename van de besmettingen zal niet te wijten zijn aan het feit dat iemand in het park op een meter afstand van zijn ouders heeft gestaan in plaats van op twee. Het zal niet de schuld zijn van mensen die hun buren hebben uitgenodigd voor een verboden kopje thee in de keuken, maar van het feit dat de schoonmakers die hun rommel mogen opruimen een hongerloon uitbetaald krijgen.
De verklaring hiervoor is eenvoudig: de regering heeft de lockdown versoepeld om mensen uit de arbeidersklasse in onevenredige mate in mogelijk onveilige omgevingen te dwingen, op verzoek van hun werkgevers die economische belangen boven het menselijk leven hebben gesteld. Een andere verzwarende factor is het opgeven van duidelijke instructies ten gunste van verwarring. Het kan goed zijn dat dit een bewuste strategie is, om te kunnen beweren dat de regering volkomen duidelijk is geweest, maar dat het publiek het team in de steek heeft gelaten door niet genoeg ʻgoed, solide Brits gezond verstandʼ te tonen. Wat er ook gebeurt, de poging om de schuld voor het meest rampzalige regeringsfalen sinds de appeasement van 1938 in de schoenen van het publiek te schuiven mag niet slagen. Dit is hún schuld: zíj hebben dit gedaan, en we mogen hen dit niet laten vergeten.
Alex Doherty is gastheer van Politics Theory Other, een podcast over allerlei politieke en theoretische zaken. Het doel is het werk van auteurs van radicaal links, dat soms als ʻacademischʼ of ʻmoeilijkʼ wordt gezien, naar een breder publiek te brengen.
Sommige mensen zeggen dat het neoliberalisme niet bestaat – dat het ʻbetekenisloosʼ is, of alleen maar een ʻscheldwoord.ʼ Maar van de financiële crisis van 2008 tot het Brexit-referendum van 2016, en van de opkomst van de alt-right tot de COVID-19-pandemie, kun je onze wereld eigenlijk niet goed begrijpen zonder in te zien hoe het neoliberalisme onze politiek en onze economie beïnvloedt.
Maar wat is het? In grote lijnen kan het neoliberalisme worden gedefinieerd als het geheel van het beleid en het overkoepelende politieke ethos dat de regeringen eind jaren zeventig in staat heeft gesteld zich af te wenden van de door de staat gestuurde economische planning, ten faveure van een economisch model dat concurrerende markten heeft uitgebreid naar alle terreinen van menselijke activiteit en de aanzet heeft gegeven tot de heerschappij van het financiële kapitaal (zoals bedacht in de City of Londen en Wall Street), door de beperkingen op de mobiliteit van dat kapitaal weg te nemen.
Belangrijk is dat het neoliberalisme niet alleen
een beleidsagenda is, maar ook een moreel kader dat individuen leert
zichzelf niet te zien als bijvoorbeeld loontrekkers, maar eerder als
risicominnende ondernemers die de financiële risicoʼs
moeten aanvaarden van hun deelname aan het hoger onderwijs, het
kredietsysteem en de gedereguleerde arbeidsmarkten.
Het neoliberalisme werd in eerste instantie als economisch programma door de regering-Thatcher in Groot-Brittannië en door de regering-Reagan in de Verenigde Staten ingevoerd, maar de principes ervan bleven ook de derde weg-politiek van New Labour en de Clinton-Democraten bepalen. Hoewel centrumlinkse politici de toepasbaarheid van de term op hun beleid afwijzen, toont een schat aan door economen, sociologen en historici geproduceerd wetenschappelijk bewijsmateriaal aan hoe derde-weg politici het neoliberale project vooruit hebben geholpen.
Hoe staat het er vandaag de dag voor met deze ideologie? Sommigen zeggen dat het neoliberale tijdperk zo goed als voorbij is. In de begindagen van de COVID-19-pandemie verklaarde Paul Mason dat de gegevenheden van de crisis inhielden dat de politieke klasse van Groot-Brittannië binnenkort volledig zou bestaan uit ʻenthousiasteʼ of ʻenigszins onwilligeʼ socialisten – de progressieve staatsinterventie stond onvermijdelijk weer op de agenda. Dergelijke beweringen moeten echter met een korreltje zout worden genomen, niet in de laatste plaats omdat soortgelijke voorspellingen de ronde deden na de financiële crisis van 2008, na het Brexit-referendum en de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten. En die voorspellingen bleken er flink naast te zitten.
Zo kondigde Nobelpijswinnaar Joseph Stiglitz op het hoogtepunt van de financiële crisis aan: ʻHet neoliberalisme … is dood.ʼ Toch werd het al snel duidelijk dat dit een voorbarige conclusie was. Het is waar dat de crisis een ernstige bedreiging leek te vormen voor de aanbidding van de markten, omdat overheden gedwongen werden de financiële sector te redden. Maar wetenschappers als Philip Mirowski hebben aangetoond dat de neoliberalen al lang hadden begrepen dat hun project staatsinterventies vergt om markten te creëren en in stand te houden. In plaats van de crisisbestrijding van de overheden in 2008 te zien als een afwijzing van marktvriendelijk beleid, is het nuttiger om het te beschouwen als een extreem voorbeeld van pro-business overheidsingrijpen, dat erop gericht was om het primaat van de markt op de langere termijn te behouden.
Op het eerste gezicht leken de uitslag van het Brexit-referendum en de verkiezing van Trump een breuk met het neoliberalisme in te houden. Maar die diagnose kwam voort uit een gebrek aan inzicht in de manier waarop het neoliberalisme zich kan aanpassen aan elementen van andere ideologieën.
Hoewel de Brexiteers een hekel hebben aan de Europese Unie (een instelling waar neoliberale intellectuelen het al heel lang niet over eens zijn), blijven zij gehecht aan de kern van de neoliberale ideologie. Zo is het Australische, door de Brexiteers zo geliefde, op punten gebaseerde immigratiesysteem volkomen in overeenstemming met de visie van de neoliberalen op de mens als een verzameling van bezittingen (van grotere of kleinere waarde). De opleiding, werkervaring en connecties van de post-Brexit immigrant worden geherdefinieerd als vormen van kapitaal waarvan het al dan niet de moeite waard is om erin te investeren (door die immigranten binnen te laten), om op die manier een toekomstig rendement op deze investering voor de nationale economie veilig te stellen. Op punten gebaseerde immigratiesystemen betekenen met andere woorden geen eenvoudige verschuiving van de neoliberale, op de vrije markt gerichte orthodoxie naar een of ander rechts protectionisme.
Als noch de crises van 2008 noch die van 2016 het einde van het neoliberalisme hebben ingeluid, hoe zit het dan met COVID-19? Vandaag de dag, net als in 2008, zien politici als Rishi Sunak zich gedwongen beleid te voeren dat in tegenspraak lijkt te zijn met hun voorkeur voor de heerschappij van de markt, maar het is opnieuw de bedoeling om zo snel mogelijk terug te kunnen keren naar ʻnormaalʼ en het publiek te verlossen van hun ʻverslavingʼ aan de steun van de staat. Het gefrustreerde verlangen van de regering om de verlofregeling in te perken en haar duidelijke verzet tegen de invoering van een universeel basisinkomen wijzen op een engagement om de kern van het neoliberale welvaartsbeleid in stand te houden. Dit betekent dat men zich verzet tegen royale uitkeringen voor iedereen, die door de neoliberalen als nadelig worden beschouwd voor het bevorderen van de ondernemerszin en het disciplineren van de beroepsbevolking.
In de context van de pandemie en de klimaatcrisis is het nóg verontrustender dat de neoliberale visie op het individu als menselijk kapitaal blijft bestaan, waardoor regeringen bevolkingsgroepen van ʻlage waardeʼ als wegwerpartikel kunnen behandelen. Meer overheidsingrijpen om de inkomens te beschermen is welkom, maar kan door regeringen kunnen worden gebruikt om een soort economische triage uit te voeren, waarbij bevolkingsgroepen die het niet waard worden geacht om te worden ʻgeredʼ worden uitgesloten van overheidssteun. Zoals Michel Feher heeft aangetoond, zijn er al mildere precedenten voor dit soort hervormingen van de verzorgingsstaat uitgevoerd door de belangrijkste politieke partijen van Ierland en Portugal, die de uitkeringen voor de jongere delen van de beroepsbevolking hebben verlaagd om de emigratie te stimuleren en – in het geval van Portugal – om jonge, relatief arme Portugezen in te ruilen voor welvarender gepensioneerden uit het buitenland. In de context van de steeds groter wordende staatsschulden, waarbij migrantenpopulaties worden behandeld als ziekteverspreiders, is het niet moeilijk in te zien hoe een op uitsluiting gebaseerde neoliberale politiek, die investeringen in bepaalde bevolkingsgroepen en desinvesteringen in andere bevolkingsgroepen ondersteunt, aan kracht zou kunnen winnen.
Dit alles wil niet zeggen dat de COVID-19-crisis geen reële bedreiging vormt voor de neoliberale orthodoxie. Fysieke distantie en gedwongen quarantaine hebben de arbeidsmarkt verstoord, waardoor het machtsevenwicht tussen arbeid en kapitaal mogelijk is verschoven ten gunste van de werknemers. De toename van wilde stakingen en de opkomst van onderlinge hulpgroepen zijn zeker bemoedigend. En de verlofregeling heeft de kunstmatigheid van de beperkingen van de overheidsuitgaven tijdelijk aan het licht gebracht. Maar gezien de hardnekkigheid en het aanpassingsvermogen die de neoliberale ideologie gedurende de afgelopen tien jaar aan de dag heeft gelegd moet iedere nuchtere beoordeling van de huidige toestand rekening houden met de mogelijkheid van het voortbestaan (of de succesvolle mutatie) ervan, maar ook met haar mogelijke ondergang.
Frédéric Lordon is een Frans econoom en filosoof, en onderzoeksdirecteur aan het Centre européen de sociologie et de science politique in Parijs.
Na
de near
death experience
een full
death experience?
De door het ʻwhatever it takesʼ van Mario Draghi in 20121 op het nippertje geredde euro had in werkelijkheid alleen maar een beetje tijd gewonnen om zich te kunnen herstellen en de volgende klap te kunnen opvangen. Want het is wel zeker dat die gaat komen, in de vorm van een nieuwe gigantische financiële crisis. Financiële deregulering leidt immers altijd tot crises, met dezelfde regelmaat als die van de seizoenen, vooral omdat de fundamentele problemen van de kapitaalmarkten niet zijn opgelost. Want feitelijk zijn er geen zesendertig oplossingen om de problemen van de financiële markten op te lossen, er is er slechts één: ze moeten worden afgeschaft.
Maar er waren zulke machtige belangen mee gemoeid dat er alle naïviteit van de wereld voor nodig was om te kunnen denken dat er binnen het kader van de politieke instellingen van het neoliberalisme iets serieus tegen zou kunnen worden ondernomen. Obama schijnt een ogenblik te hebben gedacht dat hij kon onderhandelen en had, naar men zegt, de moguls van de financiële wereld in deze bewoordingen op de hoogte gebracht: ʻThe only thing between you and the pitchforks is my administration.ʼ Het feit dat Wall Street zijn campagne had gefinancierd en innig verstrengeld was met de Democraten bracht hem echter snel bij zijn positieven. De affaire eindigde met de Dodd-Frank Act: niet helemaal niets, maar ook niet heel veel, zoals de gebeurtenissen die nog zouden komen inmiddels hebben aangetoond.
Ondertussen
stond
Sarkozy in Europa in Toulon met zijn armpjes te
zwaaien
en wekte
The
Economist
de indruk bang te zijn door zich af te vragen of dit het einde van
het kapitalisme was, maar godzijdank – nee. Eind 2008, begin 2009
zagen we regeringen dingen goedkeuren die afwijken van het Europese
liberale dogma. Er werd aangekondigd dat alles anders zou zijn en dat
niets zo zou blijven als het was. Men dacht heel hard na en zou alles
doen wat nodig was.
Maar medio 2009, nadat de financiële en bancaire klap van de crisis
was opgevangen, waren we weer terug bij af: alle ontstane tekorten
kwamen
voor rekening
van
het lopende boekjaar,
verder niet. Voortaan was het parool:
herstel van de ernst, onze kinderen niet opzadelen met schulden,
noodzakelijke inspanningen (lees: bezuinigingen). Er ontstond een
patroon dat Hegel noch Marx had kunnen voorzien: de eerste keer als
klucht, de tweede keer (waar we nu in zitten) als een enorme klucht.
Van
eendenvijver naar stormachtige zee
Maar
er is een klein verschil: wat ons nu te wachten staat, is van een
omvang die de post-subprime-golf reduceert tot een aangenaam
kabbelend beekje. Nu is het moment aangebroken om te bedenken dat de
euro is verworden tot een wrak in een eendenvijver, zoals binnenkort
zal blijken. Tien jaar lang hebben de Europese instellingen nergens
aan toegegeven – en het heeft geen zin meer
om het
te hebben over een ʻonconventioneelʼ
monetair beleid, over de oprichting van het Europese stabiliteitspact
EMS,2
of over een Potemkin-bankenunie; die hebben namelijk
niets
substantieels
veranderd aan de regels van het economische beleid. Ook dat zullen we
binnenkort zien. Hier komt nog
bij dat
het humanistische alter-Europa ook alles heeft lamgelegd door
uitsluitend te willen debatteren over een andere mogelijke euro.
Natuurlijk democratisch, maar zonder zich af te vragen hoe die
transformatie van een pompoen in een gouden
koets
zich zou moeten voltrekken – ongetwijfeld is het voldoende om het
te willen,
maar dan wel
heel
sterk.
Zonder
een begin te maken met een analyse van de politieke voorwaarden, en
voorzien
van alle
zegeningen van een positieve humanistische houding, zijn we verzekerd
van een volledige immobilisatie van het debat. De beweging DiEM25 van
Yanis Varoufakis, die in 2015 na het bloedbad in Griekenland werd
opgericht,
vond het niet nodig om zich af te vragen hoe zij Duitsland aan haar
ʻdemocratische
euroʼ
kon verbinden, terwijl Duitsland er alles aan deed om zich aan iedere
vorm van democratische besluitvorming te onttrekken – en het
najagen van deze hersenschim was alleen maar goed voor het verspillen
van nog eens tien jaar. Ondertussen produceerden de
sociaaldemocratische herzieners van de Europese verdragen een serie
pamfletten zonder enige zeggingskracht.3
Zij waren druk bezig aan van alles te tornen, maar niet aan de kern
van de ordo-liberale regels die aanleiding hadden gegeven tot het
constitutionele bezuinigingsbeleid, dat de near
death experience
van 2010-2012 had veroorzaakt, en dat vroeg of laat zonder enige
twijfel opnieuw zou gaan
doen.
Alle vragen die destijds werden gesteld over de houdbaarheid van de
meest fundamentele en (logischerwijs) meest onwrikbare regels, over
de gevolgen van een schok die even groot zou zijn als de klap van de
subprime-crisis, al die vragen bleven onbeantwoord – alles wat
buiten de Europees-democratische alternatieven viel. Dit is waar de
weigering om lastige problemen te benoemen toe leidt: tot het jaar
2020, met vóór ons het Antwoord (we weten overigens niet meer of we
verrast moeten zijn door de korte tijd die het nodig had om te
arriveren).
Dus
nu
krijgen
we de full
death.
Want we zien niet in
wat
Europa zou kunnen redden van wat in
aantocht
is, omdat
Europa
tijdens
de miniatuurversie ervan
(tussen 2009 en 2015) er
al bijna
aan was
overleden. In werkelijkheid is de bom al gebarsten en zien we
dezelfde bewonderenswaardige resultaten. Er wordt gezegd dat het
ʻdeze
keer anders is,ʼ
want
het komt niet door de markten, maar door een virus. Dus door een
ʻexogene
schokʼ
– door
onverklaarbare zaken van buiten de economie, die verder perfect
zelfregulerend is. Een soort pech, bij wijze van spreken. Maar
natuurlijk is het virus volstrekt niet exogeen: het is het product
van de kapitalistische verwoesting van het milieu en heeft zijn
perfecte verspreidingskanalen gevonden in onze waanzinnig geworden
mondialisering. Essentieel is echter dat de ramp pas echt
catastrofaal
wordt in en door de motor van de financiële markten, de
fora
waar oordelen over schulden worden geveld – en waar deze oordelen
bij zwaar weer meestal de vorm van een cataclysme krijgen.
Een
muur van schulden (en hypotheses over het einde van de lockdown)
Welnu,
schulden zullen er zeker zijn, zowel private als publieke. Eerst de
private – ondanks de commentaren in de media, waarvoor blijkbaar
alleen de staatsschulden tellen. De ineenstorting van
de economie brengt bedrijven, vooral kleine, in situaties die
variëren van zeer zorgwekkend tot ronduit rampzalig. In de Verenigde
Staten is de Federal Reserve begonnen met een kolossaal
liquiditeitsplan om bedrijven te beschermen tegen faillissementen: de
banken verstrekken leningen die de centrale bank belooft te zullen
opkopen. Maar voor hoe lang? ʻTot
het herstel goed op gang is gekomen,ʼ
zegt Jerome Powell, voorzitter van de Fed. Dus ongeveer zolang als
nodig is. Hiermee geeft hij impliciet een hypothese over de duur van
de crisis. Dus: ʻeen
bepaalde tijd,ʼ waarvan
we niet precies weten hoelang die zal duren, maar waaraan desondanks
ongetwijfeld heel snel een einde zal komen. Oftewel: er zijn nu
inderdaad mensen ziek, maar als ze binnenkort genezen zijn, kunnen ze
weer aan het werk en zullen we ervoor zorgen dat ze gezond zullen
blijven. Er is dus sprake van een gewelddadige maar tijdelijke
crisis, een ʻschone
crisisʼ; de maatregelen
om deze moeilijke tijd door te komen zijn uitzonderlijk maar van
voorbijgaande aard. En dan zal alles weer normaal zijn.
Of
niet. Want het is helemaal niet zeker dat deze epidemiologische
dynamiek zo keurig verloopt als het monetaire beleid graag zou
willen. Ofwel het scenario van de ʻniet
zo schoneʼ beëindiging
van de lockdown: gedeeltelijk, selectief (bijvoorbeeld per regio),
geleidelijk, overal omkeerbaar, met nieuwe, lokale lockdowns als het
virus weer ergens opvlamt, of zelfs landelijk als zich in de herfst
een tweede coronagolf aandient, en het virus mogelijk gemuteerd is
zodat de opgebouwde immuniteit nutteloos is, enz. De ʻslechte
tijd van voorbijgaande aardʼ
is dan niet meer een moment maar bijna permanent – dat van een
verlengde schok in het aanbod (en de vraag), een enigszins bizarre
variatie op een ʻklapʼ:
een ʻpermanente klapʼ
(van wisselende intensiteit). De versoepeling van de lockdown kan
ʻmaanden of misschien
wel een jaarʼ duren,
waarschuwt een Belgische epidemioloog. Nou, nou, nou.
Als
u weet dat de INSEE (het Franse CBS) twee weken lockdown inschat op
een daling van 1,5 procent van het bbp, berekent u dan eens tot welk
verlies een lockdown zal leiden die ʻmisschien
wel een jaarʼ zal duren.
Of
toch maar niet. We gaan niets berekenen. Dat is veel te eng.
De
INSEE heeft zelf een berekening gemaakt van acht weken lockdown. En
die is al erg genoeg: een recessie van 6% (de Banque de France zegt
8%, vergeleken met de 2,2% van 2009 is dit de ergste recessie sinds
1945) en een begrotingstekort van 12% (7,5% in 2009). En dat ondanks
het feit dat deze berekening uitgaat van een ʻschone
crisisʼ en er geen
garantie is dat het goed zal gaan of dat, mochten de acht weken niet
zo goed verlopen, de productie weer normaal zal worden. Als het einde
van de lockdown niet zo ʻschoonʼ
is, of nog erger, als de lockdown voor onbepaalde tijd blijft
bestaan, wellicht ʻmaanden
en misschien wel een jaar,ʼ
dan ontstaat er uiteraard een enigszins ander beeld.
In
het ʻniet zo schoneʼ
scenario zal de overheid in de breedste zin van het woord de economie
bij elkaar proberen te houden (gedeeltelijke werkloosheid, uitstel
van verschillende betalingsverplichtingen aan de staat, ʻopen
barʼ-beleid bij de
centrale bank) gedurende de hele tijd dat het ʻslechte
momentʼ duurt, want
juist als we niet uitsluiten dat dat moment met tussenpozen minder
slecht wordt, zien we dat het … een bepaalde tijd zal gaan duren.
Misschien duurt het wel even voordat het echt weer goed is. En dan is
een bepaalde tijd, als het bijvoorbeeld een jaar wordt, veel te lang
om continu de particuliere sector te steunen.
Voorlopig
beleven de financiële markten, waaraan niets obsceens vreemd is, een
geweldige tijd dankzij de door de Fed opgeworpen
anti-faillissementsdam. Maar de dag waarop de Fed zal aankondigen dat
de deze dam tijdelijk was en zich zal terugtrekken terwijl het tij
blijft stijgen, zou de stemming gevoelig kunnen omslaan. De enorme
omvang van al het cashgeld dat is omgezet in kortlopende schulden zal
op rekening komen van de private banken, zonder dat zij kunnen
onderhandelen over de laatste fase van deze reis: de overname ervan
door de centrale bank. Dan begint het opmaken van de pijnlijke
rekeningen, het registreren van de non-performing loans en van
onbetrouwbare debiteuren. En het tellen van de banken die zullen
omvallen, tenzij laatstgenoemden al anticiperend zelf economische
subjecten gaan loskoppelen van de kredietbeademingsapparatuur en we
daaraan het bloedbad zullen kunnen afmeten.
De
ʻonveranderlijkeʼ
Europese solidariteit
We
noemen de Fed, maar het zou net zo goed de ECB kunnen zijn, die het
nog niet nodig vindt om formeel een garantieboodschap af te kondigen.
Het is trouwens niet zeker dat we daarop zullen uitkomen vóór de
middelpuntvliedende krachten uit de doos komen, in een vorm die veel
gewelddadiger is dan die van 2010-2015. De Engelse taal heeft daar
het begrip to skyrocket voor. Binnenkort zal dat de term zijn
voor alle tekorten en staatsschulden. De Engelse flipperkast kent de
term: same player shoots again. Aangezien de
eurocrisis een extra bal heeft gewonnen, kunnen we ook die gebruiken.
Net
zoals in 2010 nodigt alles in Europa weer uit tot chaos. Vergis je
niet in de uitspraken van Angela Merkel om de ʻgouden
regelʼ op te schorten,
of die van de Europese Commissie om de gebruikelijke criteria (3% en
60%) voorlopig niet al te nauw te nemen. Deze goede bedoelingen
zullen maar even duren, minder lang dan ʻzolang
als nodig is,ʼ en zullen
ongetwijfeld net zo bekrompen zijn als in 2009; dit jaar mág het
vanwege alle emoties, maar daarna zal het parool weer zo snel
mogelijk luiden: Disziplin! Van Villeroy de Galhau bij de
Banque de France tot Lagarde bij de ECB en Le Maire in Bercy: hun
oproep tot inspanningen is erop gericht om ons daar nu al op voor te
bereiden. De tweede keer zal dus komen als een enorme klucht. De
financiële nood van Italië, Spanje en misschien ook Frankrijk
belooft weer bodemloos te worden. Met daartegenover weer de
onverzettelijkheid van de Europese instellingen onder de hegemonie
van het Duitse blok.
De
vergadering van de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin) van
9 april zou zijn afgesloten met een applaus voor
de eigen deelnemers – wat duidt op een mengeling van
zelfgenoegzaamheid,
die eigen is aan isolement,
en een warrig besef dat men niet te veel moet rekenen op applaus van
derden.
De redenen voor dit
applaus
waren
flinterdun.
Het is waar dat het
EMS
heeft
gezegd
bereid te zijn 500 miljard euro ter
beschikking
te stellen, maar er
is
niets losgelaten
over de essentie daarvan,
te weten
de
voorwaarden, dat wil zeggen: de vereiste
ʻaanpassingenʼ
voor
alle begunstigden van het fonds – dezelfde die tot
de
instorting van Griekenland hebben
geleid.
Same
player shoots
again,
zeiden we al,
maar deze keer inzake
een land dat 16% van het bbp
van de eurozone vertegenwoordigt4
(en niet 2%, zoals Griekenland …) en een schuld van 2.400 miljard
euro heeft (en niet 400 miljard5).
Er dan
is
er nog
niets
gezegd over Spanje (11,8%), Frankrijk (19,2%), en
andere landen
…
Intussen is het politieke landschap nog altijd even gunstig. In Italië is de publieke opinie op spectaculaire wijze gedraaid: aanvankelijk het meest pro-Europees, is het land nu ten prooi gevallen aan een gevoel van verlatenheid en walging. En dat is begrijpelijk, want de Europese blindheid is schrijnend geweest. De late verontschuldigingen van de voorzitter van de Europese Commissie, en de gemaakte bevlogenheid ervan – ʻwijstaan achterjullie,ʼ terwijl het omgekeerde werd bedoeld – hadden als enig effect dat de Italianen bevestigd werden in hun idee dat ze in de steek gelaten waren. En dit werd hen opnieuw verteld door de Ecofin-vergadering, luid applaudisserend voor zichzelf – maar dan in technischere termen: 1) we zullen jullie behandelen als Griekenland, 2) als het gaat om euro-obligaties of corona-obligaties kunnen jullie de pot op. Je moet je overigens afvragen of er reden tot klagen is met dit Europa, waarin zelfs de oplossingen die bedoeld zijn als redmiddel een venijnig kantje hebben: die euro-obligaties werden gepresenteerd als een onvoorwaardelijk instrument dat zou openstaan voor iedereen die ze nodig had. Maar natuurlijk komt ʻsolidariteitʼ nooit zonder ʻtegenprestatie.ʼ De corona-obligaties zouden hier waarschijnlijk ook niet aan zijn ontsnapt.
En
aangezien Europa met zijn inerte instellingen tot niets anders in
staat is dan tot tragische herhalingen, zien we soortgelijke
personages alweer dezelfde taferelen opvoeren. Jeroen Dijsselbloem,
de beul van de Grieken bij de Eurogroep, is opgevolgd door de al even
meedogenloze Wopke Hoekstra, de huidige minister van Financiën van
Nederland – aan hem danken we sinds eind maart de torpedering van
het project van de corona-obligaties, vergezeld van een zware
aanklacht tegen Italië, dat werd beticht van een wezenlijk
budgettair onvermogen om de situatie het hoofd te bieden, en dat
binnenkort wel eens een bezoekje van een onderzoekscommissie tegemoet
zou kunnen zien, een van die broederlijke instrumenten waarvan de EU
het geheim bewaart. En we kunnen het eeuwige antwoord al zien
aankomen, het antwoord dat in het afgelopen decennium bijna tot de
begrafenis van de euro heeft geleid en dat deze keer opnieuw zal
doen: ʻWij gaan niet
voor anderen betalen.ʼ
Ieder voor zich – dat is het solidaire Europa. Nederlanders,
Duitsers, Luxemburgers, Finnen enz.: wij betalen niet voor anderen.
Net
als in 2010: de Duitse rots
En
de Duitsers zijn daar beslist minder dan ooit toe bereid. Op het
gebied van de gezondheidszorg lijkt Duitsland het beter te doen dan
welk land dan ook, wat Frankrijk in verlegenheid brengt: voldoende
ic-capaciteit, intensief testbeleid, relatief laag aantal
sterfgevallen, snelle daling van de curve – we mogen niet vergeten
dat Frankrijk nog tot eind juni op zijn mondkapjes moet wachten …
Het einde van de Duitse lockdown is daarom al snel in zicht –
evenals de hervatting van zijn economische activiteiten. De
groeiverliezen, het begrotingstekort, de private en de publieke
schulden zullen lager zijn dan die van andere landen, omdat Duitsland
– niet zonder reden – meent beter georganiseerd te zijn. Dit is
het soort prestatie dat weinig aanleiding geeft tot geduld voor de
achterblijvers en nog minder tot financiële solidariteit. Ieder voor
zich.
Er
zullen geen euro-obligaties
komen en
ook geen
corona-obligaties.
Er zal
geen
solidariteit zijn.
Er zullen wél
kolossale
nationale staatsschulden
zijn, met
enige bereidheid van de
ECB om
ze op te kopen,
teneinde
de ontploffing van de
spreads6
voor
de meest getroffen landen te beperken, niet
zonder plafond deze keer,
want de huidige crisis kent
geen whatever
it takes,
ook al
is er
2.400 miljard euro
op weg
naar
Italië en 1.290 euro
naar
Spanje. Het whatever
lijkt dus
iets te
worden dat
we zullen
moeten
herzien. Om nog maar te zwijgen van het feit dat sommige landen in de
bestuursraad
zullen gaan denken dat de ECB een stofzuiger mag
worden
voor de slechte schulden van anderen. We zullen degenen ʻhelpenʼ
die geholpen moeten worden, maar dan
wel financieel,
dat wil zeggen via de
EMS-procedures,
binnen de grenzen van de middelen … en dan
vooral
door middel van toezicht à la
Griekenland.
Laten
we de dingen bij de naam noemen: landen ter grootte van Italië of
Spanje zien we niet zo gauw buigen voor deze behandeling, nog minder
wanneer rationele oplossingen samengaan met verbittering. Gezien de
enorme omvang van wat ons te wachten staat, zijn er slechts twee
mogelijkheden: 1) directe steun van de centrale bank aan de schatkist
– zoals Groot-Brittannië zojuist in beginsel heeft toegestaan (een
monetaire beleidsrevolutie die onopgemerkt is gebleven); 2) massale
kwijtschelding van schulden door de centrale bank, ten gunste van
zowel de private als de publieke sector. Oftewel twee dingen die
binnen de door Duitsland gedomineerde eurozone verboden zijn.
De
nog verse les van 2009 leert ons
dat de
crisis van het Europese wanbeleid twee vormen kan
aannemen.
Een politieke: de tumultueuze
uittreding van een mishandeld land dat onder druk van zijn
bevolking inziet dat de verdediging van zijn
vitale belangen niet langer verenigbaar is met het lidmaatschap van
de eurozone. En een financiële: een catastrofe op de
obligatiemarkten, als
beleggers
de hoge
staatsschulden
ʻonhoudbaarʼ
achten
en gaan beproeven
wanneer de centrale bank zal
ingrijpen
om het
groter worden
van de spreads
tegen te gaan (waardoor
sprake
zal zijn van een self-fullfilling
prophecy7),
of als
beleggers
ontwrichting beginnen
te
bespeuren
via
een X-exit,
waarbij
X staat
voor een
land dat zijn politieke breekpunt nadert, zoals Griekenland tussen
2011 en 2015 – en daarmee is al aangeven hoe
deze twee vormen perfect kunnen samengaan tot
een nog ergere combinatie.
Het
is dus weer dezelfde rots waarop de euro aan diggelen wordt geslagen,
de rots van de Duitse onverzettelijkheid bij het omgaan met de
reacties op het monetaire beleid waar het land zijn hele geschiedenis
bang voor is geweest. Laten we nogmaals zeggen dat een natie niet
verantwoordelijk kan worden gesteld voor haar collectieve spoken,
want iedereen heeft zo zijn eigen spoken. Maar ook dat het een
krankzinnig project was om een gemeenschappelijke munt te creëren
met een land dat door zulke nachtmerries wordt geteisterd.
Het
is niet zo dat Europa, en daarbinnen Duitsland, sinds 2009 geen
enkele beweging meer heeft gemaakt. Het opschorten van het
begrotingsdogma aan het begin van deze crisis toont een snelle draai
van de ECB met betrekking tot massale aankoopprogrammaʼs
(ook al moest Lagarde er twee keer over nadenken, na een
aanvankelijke weigering) en is niet niets. Maar wat zijn de
realistische op de langere termijn? Op het gebied van de
overheidsfinanciën zal de budgettaire tolerantie niet lang duren en
zal de aanpassingsdruk snel toenemen. Op het monetaire vlak zal de
kwestie van de kwijtschelding van schulden door de ECB – dat wil
zeggen: hun (zeer) grootschalige monetarisering – nog beslissender
zijn. Monetiseren – kwijtschelden. Schulden. De Duitse nachtmerrie
bij uitstek. Maar er is geen andere uitweg dan deze monetaire
strategie.
In
2012 had Duitsland op het laatste moment het ʻwhatever
it takesʼ geslikt –
en liet het Griekenland het honderdvoudige betalen. Bij iedere crisis
wordt de hele onder Duitse invloed staande structuur op zijn
rigiditeit getest. Er is een bijna miraculeuze beweging voor nodig om
die niet te laten breken. Naarmate crises heviger worden, loopt de
structuur altijd vertraging op bij de aanpassing en wordt hij op een
steeds gevoeliger punt getest, waardoor er een steeds spectaculairder
wonder nodig zal zijn. Op een dag komt de maximale belasting. Daar
zijn we nu aangeland.
Om
ervoor te zorgen dat de euro deze keer niet te gronde gaat, is er,
afgezien van ʻwonderen,ʼ
slechts één mogelijkheid: dat ook Duitsland gedwongen zal worden
akkoord te gaan met de oplossing van de kwijtschelding van schulden.
Het enige dat de euro kan redden is dat Duitsland zichzelf niet
langer in staat acht de gigantische schok op te vangen binnen het
kader van de eigen regels. En dat ook Duitsland zich straks in een
situatie zal bevinden waarin het land zal moeten schipperen tussen
het handhaven van de eigen principes en het vasthouden aan zijn
essentiële belangen – het beperken van de economische en sociale
ontwrichting. Wat Duitsland absoluut niet kan – onderhandelen over
zijn principes met anderen – kan het land misschien wel met
zichzelf doen. Dan, en alleen dan, zou de euro nog een laatste,
ultieme kans hebben.
In
werkelijkheid is de gebeurtenis die op het punt staat plaats te
vinden zo enorm dat zij ambivalent is. We zijn weer aangeland bij de
contingentie van de uitkomsten: ofwel het enorme geweld van deze
crisis zal alles stukmaken en de euro naar de vuilnisbak van de
geschiedenis verwijzen, of het Duitse dogma zal (net op tijd)
exploderen zodat de rest behouden blijft.
Ondertussen
wordt Varoufakis met een schok wakker. Hij zegt dat ʻEuropa
het niet verdient om te overlevenʼ
en kondigt in de Italiaanse pers aan dat ʻde
Europese desintegratie is begonnen.ʼ
Het is duidelijk dat hij het seculiere pad volgt – en
misschien heeft hij deze keer wel gelijk.
Over
de revolutie
In
haar Essay over de revolutie bespreekt Hannah Arendt de
merkwaardige paradox dat we de meest ʻconvulsieveʼ
politieke gebeurtenissen als zodanig benoemen. ʻAls
zodanig,ʼ dat was
in de astronomie dus het woord waarmee de onveranderlijke rotatie der
planeten werd aangeduid – het is heel merkwaardig dat het woord
waarmee we in eerste instantie de eeuwige terugkeer van hetzelfde
aanduidden nu de grote breuken in de geschiedenis benoemt. De reden
is volgens Arendt dat het woord ʻrevolutieʼ
in de 17e en 18e eeuw ook de connotatie had van een onoverwinnelijke
fataliteit – het onweerstaanbare werk van krachten elders, waarvan
het onuitwisbare gevolg alleen maar hoefde te worden vastgelegd. De
tijdsgeest van toen dacht dus aan planeten, terwijl de hedendaagse
mogelijk over meer beelden beschikt, bijvoorbeeld die van tsunamiʼs,
ontstaan door een schok duizenden kilometers verderop, maar waarvan
de frontlijn voorbestemd is om op te rukken op een manier waar niets
tegenin te brengen is – hetzelfde beeld van een noodzaak die alleen
maar werkelijkheid kan worden.
Het
lot te slim af zijn of het tij keren is normaal gesproken een zaak
van de politiek. Maar de Europese instellingen zijn zo georganiseerd
dat ze geen echte vrijheid hebben – ook al zijn er soms lokaal en
tijdelijk aanpassingen mogelijk. Zonder de minste bewegingsruimte,
zonder de herpositionering op pijnpunten waar de macht als het ware
ʻpsychischʼ
niet in staat is compromissen te sluiten, en zonder enige
flexibiliteit, zijn deze instellingen gedoemd de klap slechts te
ondergaan en de spanningen te moeten dragen zonder ze te kunnen
opvangen, in de hoop dat ze er niet onder zullen bezwijken. Maar er
zijn grenzen aan wat een rigide structuur aankan. In 2010 waren die
al bijna overschreden door een klap die destijds enorm werd geacht,
maar die niet te vergelijken is met wat ons nu te wachten staat.
We bevinden ons ver van het epicentrum van de beving en voorlopig is er niets concreets zichtbaar. Alles is nog abstract en dus gevoelig voor ontkenning of minimalisering. Maar de onderzeese aardbeving heeft al plaatsgevonden, ze verspreidt haar golf, en de frontlinie van de tsunami is al op weg. Ze nadert ons, en niets lijkt haar te kunnen tegenhouden. Revolutie.
Vertaling: Jael Kraut
1Met
deze drie woorden – whatever
it takes – heeft
Mario Draghi in 2012 de eurocrisis een halt toegeroepen: door aan te
geven dat de ECB alles wat nodig was uit
de kast zou halen om
de liquiditeit van de Europese markten te waarborgen, en de
speculaties over de
uittreding van Griekenland en het uiteenvallen van de eurozone tegen
te gaan.
2Het
Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), een soort Europees Monetair
Fonds, is in 2012 opgericht als instrument voor financiële bijstand
en herstructurering van de staatsschulden van de lidstaten.
3Stéphanie
Hennette, Thomas Piketty, Guillaume Sacriste et Antoine Vauchez,
Pour un traité de démocratisation de l’Europe, Seuil, 2017 ;
Changer l’Europe, c’est possible !, Seuil, 2019.
4Alle cijfers zijn van 2018, bron Insee, Eurostat.
5En nog geen 300 miljard aan het begin van de Griekse crisis.
6Een spread is het verschil tussen de rentetarieven van de diverse staten en een referentierente; in de eurozone is dat de Duitse rente. Dit is een doorslaggevende variabele, want als er vragen rijzen over de houdbaarheid van een staatsschuld, zal er al snel sprake zijn van speculatie en worden de obligaties verkocht, waardoor de rente stijgt (en de spread groter wordt), met als gevolg dat de schuldenlast toeneemt en de financiële situatie van het betrokken land verder verergert.
Jos Scheren werkt samen met Spinoza, over wie hij met Wijnand Duyvendak een boek heeft gepubliceerd bij Starfish Books. De samenwerking betreft vooral de vraag hoe in tijden zoals nu de (politieke) verbeelding intact kan blijven. Het (onder meer door Spinoza ingefluisterde) antwoord : autonomie, de aanval is de beste verdediging.
Voor
Eddy PG (1934-2020)
1 Wat mij raakt is veel, al was het maar omdat ik het op hetzelfde
moment ook aanraak. In het New York van 1855 zegt Walt Whitman
daarom: I am large, I contain multitudes. Dat ik veel ben kan
mij onrustig maken. Ik kan er bang van worden of hoopvol, maar als
het meezit, wordt er iets gemaakt wat er niet nog niet is.
2 Iets wat mij raakt en wat ik weer aanraak, daar heeft Spinoza een woord voor: affect. Even schoolmeesterachtig, maar toch ook vooral praktisch: affect is niet hetzelfde als emotie. Een affect beweegt zich tussen mij en iets anders. Het is niet míjn affect, daarvoor is het te beweeglijk en te eindeloos. Hoe meer ik zelf terugtreed, des te vrijer het affect. Het loopt door me heen.
Vrijheid is overigens bij Spinoza niet allereerst de vrijheid van
meningsuiting. Geloof dat suffe praatje niet. Het is wel wat meer dan
dat. Het is de vrijheid van het affect om zich te ontwikkelen tot aan
de limiet van wat het kan. En als dat niet genoeg zegt, dan helpt
mogelijk dit: het affect wacht maximaal opmerkzaam op een gelegenheid
om zijn potentieel aan verbindingen te verwerkelijken. Nog niet
genoeg? De levende gemeenschappelijkheid die er al is, nog
intensiever te begeren: dat is het affect.
3 Nog even wat voorwerk voordat we komen waar we willen zijn. Of misschien komen we wel ergens anders uit. Hoe dan ook, je overgeven aan je affecten is geloven in de wereld – haar onzekerheid omarmen, zoals Deleuze (Spinoza parle par ma bouche) graag zegt. Ik vertrouw op/in de wereld die ik – de ʻvelen-ikʼ – maak. Op productieve wijze past deze ʻvelen-ikʼ zich aan de wereld aan. Geen ding in de wereld – ik niet, een haai niet, een rots niet – zou zich kunnen aanpassen aan wat er gebeurt, als ik – of de haai, of de rots – geen surplus, geen overvloed zou kennen. Er gebeurt niets zonder de ʻvelen-ik.ʼ
Wat gebeurt, doen wij gebeuren. Wij horen bij de wereld, omdat we
haar op elk ogenblik – echt waar, op elk ogenblik – opnieuw
creëren. Dat hoeven we niet eens te willen, dat doen we gewoon. Nou
ja, gewoon? Dat is wat wij kunnen, wat niemand ons helemaal kan
afnemen, en het is een niet gering voordeel in de huidige COVID
19-tijd: wij hoeven niet te hopen dat de wereld anders wordt. Hoop op
een andere, bij voorkeur betere wereld is niet nodig.
Wat dan ook niet nodig is, is verontwaardiging als het toch niet gaat
zoals ik had gehoopt. Want het zal nooit zo gaan zoals ik hoop.
Daarvoor is hoop te krachteloos en niet vernieuwend. Niet
vernieuwend? Nee, want vernieuwend is de maximale verwezenlijking
van mijn potentiëlen, ons surplus. Hoop, verontwaardiging,
aanklachten daarentegen zijn waarschuwingstekens. Ik moet oppassen
dat ik niet gescheiden dreig te raken van wat ik kan.
4 Onder 2 is gezegd: Spinoza’s affect is niet hetzelfde als
emotie. Dat is niet helemaal waar, zoals alles wat tot nu
toe is gezegd niet helemaal waar is. Het moet zijn: Een emotie is
een affect dat niet tot de limiet van zijn vermogen reikt. Een
emotie is een passie, een dadeloos gevoel, zegt Spinoza in zijn
Ethica – een tekst zo intensief nieuw dat hij blijft vernieuwen,
sub specie aeternitatis, vanuit de eeuwigheid bezien.
Emoties, passies zijn schijnbaar vaste patronen, waarin affecten zo
veel mogelijk geïdentificeerd worden – en ja, ook geneutraliseerd.
Een emotie is tevens de onderbreking van een affect, van zijn
vernieuwend potentieel, of tenslotte – zoals Marx in 1858 in Londen
noteert –: een toe-eigening van het surplus aan levensactiviteit.
Levende arbeid noemt hij dat laatste.
5 Misschien is emotie is een identificatie van een affect: de formulering die het snelst tot meer samenhang voert. Wat meer samenhangt is het beste! Deze zin gaat haast onmerkbaar over in een volgende: in een emotie krijgt het affect een overbekende naam – haat, medelijden, liefde, verontwaardiging, trots – en een drager, een mens van vlees en bloed, zoals dat heet, wiens emoties van alle tijden zouden zijn. Maar het is vooral een mens. Onthoud echter Spinozaʼs militante tegenwerping: de mens is geen rijk in een rijk, zijn menselijke vooroordelen maken hem dat wijs.(1) Daar valt nog heel wat meer over te zeggen, maar laten we nu naar het nu van COVID-19 gaan en naar de emotionele verwarring van dit moment, de verwarring dus door emoties.
6 Wat er ook in deze COVID-19-tijd zal veranderen, ten kwade of ten
goede, als het aan de emoties ligt, blijft alles bij het oude. Je
kunt angstig worden, depressief, hoopvol, verontwaardigd, stoïcijns
over wat er nu gebeurt – en dat gaat allemaal heen en weer, up en
down. Je kunt geloven, zeker weten, vrezen, hopen dat de wereld niet
meer de oude zal worden, zekerheid suggererend waar die niet is.
Alsof je de wereld waarin je leefde door en door hebt gekend en het
nieuwe, onzekere alleen in de toekomst zou liggen. Het verleden, dat
geen verleden is, is echter even onzeker als alles wat op ons af kan
komen. Onzeker vanwege alle crises die nooit tot een oplossing zijn
gekomen en onzeker vanwege al het nu nog virtuele nieuwe dat het
verleden bevat.
7 Hou je maar liever aan je affecten, maak er ruim baan voor. Dan
hoef je tenminste niet alsmaar geëmotioneerd te reageren op het
nieuws dat je overkomt, of op de gebeurtenissen waarvan je
toeschouwer blijft.
Het is beter en werkelijker om over het nieuwe niet te oordelen, maar
om het te maken. Zeg nooit dat iets nieuw is, maar maak het gewoon,
zonder iets te zeggen. Bereid vele vluchtwegen voor, omarm wat er
gebeurt, koester de onzekerheden, maar … interpreteer de wereld
niet, ook niet kritisch. Creëer wat jou aanraakt, zodat dat jou ook
weer maakt, dan ben je immers ʻvelenʼ:
The commonplace I sing;
The common day and night — the common earth and waters,
The democratic wisdom underneath, like solid ground for all.
(Walt Whitman)
8
Tegenwerping: er is onvermijdelijk nieuws dat zich aan je
opdringt, en er zal ook nu en in de komende COVID-19-tijd het nieuwe
zijn van de powers that be dat je overkomt: nog meer
surveillance en neoliberale onteigening. En beslist ook meer
eenzaamheid, die Whitmans multitudes, de ʻvelen-ik,ʼ
zal infecteren. Armzalig zelfbehoud zal je deel zijn. De te omarmen
onwaarschijnlijkheid van je affecten wordt onderbroken. Je zult een
prooi worden van je emoties, de dood zal rondwaren in je geest en in
je lichaam. Het surplus van de common zal worden geprivatiseerd en je
affecten tot emoties worden verarmd. Kortom: je leeft in een
gecontamineerde wereld, maar daar leefde je altijd al in.
9
Tegenwerping op de tegenwerping: realiseer je echter ook dat
de onteigenende en levensvijandige machten, hoe macroscopisch ook,
hun scheuren hebben. Ze zijn gevormd op basis van wat ze moeten
najagen – het surplus van levende arbeid, van productieve lichamen
en dito affecten. De common van dat surplus kan zich niet aan
onteigening onttrekken, maar de onteigening kan anderzijds evenmin
volledig zijn. Zij is parasitair op het surplus dat zij zelf niet is,
zo dicht mogelijk op het spoor ervan, zonder het te kunnen
toe-eigenen en te kunnen identificeren. Maar dat kunnen omgekeerd de
machten van de common, de ʻvelen-ik,ʼ
Whitmans solid ground for all ook niet.
10
Er bestaat een bijzondere kunstvorm, de kunst om in een
gecontamineerde wereld rechtop te blijven lopen. Daarvoor zijn nodig:
ervaring, verbeelding, bindmiddelen, vluchtwegen, nooduitgangen, een
echolood, betrouwbare affecten. Bij het rechtop lopen helpen hoop,
verontwaardiging, klagen en rationaliteit minder goed.
A
propos rechtop lopen: je loopt alleen rechtop als je bijna
valt en als je ook dat vallen weer weet te onderbreken. Je past je
creatief aan de zwaartekracht aan.(2)
Rechtop
lopen is veel moeilijker maar ook effectiever dan hopen, want hoop
speelt zich af zonder te verwerken beperkingen, zonder weerbarstig
materiaal. Hoop kent geen zwaartekracht. Alles is mogelijk als je
hoopt, dus ook niets.
11
De wegen van de common zijn ondoorgrondelijk, al was het maar omdat
telkens delen van zijn surplus in de powers that be, de
onteigenende machten, worden opgenomen. Waardoor een praktisch
probleem voor alle betrokkenen ontstaat: te moeten detecteren hoeveel
van de een in de ander zit. Aftasten hoeveel de ene macht heeft over
de ander, zich erin verplaatsen, zich er gelijk aan maken, maar tot
waar?
12
Niet alles maakt mij passief, dat kan niet. Maar wat mij passief
maakt en blokkeert, dat wil ik voor mijn eigen bestwil begrijpen.
Laten we het kapitaal noemen. Ik kruip in zijn huidlagen. Ik
word kapitaal, incognito, om te zien wat zich erin verbergt. Zonder
het helemaal te doorgronden, want zo door en door rationeel blijkt
het niet te zijn. Het is kapitaal en dat is het – door mijn toedoen
– ook weer niet.
In
feite is het simpel en toch uiterst gecompliceerd: kapitaal is een
relatie, een geheimzinnige relatie tussen de rusteloze
meerwaarde-honger, die zich om het surplus heen slingert, en het
verzet van de levende arbeid daartegen. Dat weet ik ongeveer, maar
ook alleen maar ongeveer – de relatie is het volgende moment alweer
anders. Kan ik kapitaal volledig inlevend begrijpen en kan het
kapitaal mij volledig beheersen? Nee, never nooit!
13
Spinoza acht zelfs in de treurigste passies – haat, ambitie, wraak,
kortom, ressentiment – levensdrang aanwezig. Hij laat weten dat de
meest neerdrukkende vormen van de werkelijkheid nog altijd, zo veel
mogelijk, ontcijferd kunnen worden aan de hand van het
levensdrang-surplus, of – zoals hij zegt – van de actieve,
vreugdevolle affecten. Zo veel mogelijk, tot aan hun limiet. Ook hier
geldt: nooit helemaal. Wat niet wegneemt dat het belangrijkste is dat
ik wat mij blokkeert alleen vanuit mijn macht zo krachtig mogelijk
kan begrijpen.
14
Je kunt je afvragen: ‘Wat gaat er gebeuren door/met deze
COVID-19-pandemie?ʼ Je
zult je ongetwijfeld onzeker, misschien zelfs wel angstig, afvragen
wat er nu veranderen gaat, wat er nieuw zal zijn. Maar bedenk dan in
ieder geval een paar dingen die – wie weet – kunnen helpen:
A
: Er bestaat ook een militante onzekerheid. Dat is niet de
subjectieve onzekerheid, hoe onvermijdelijk ook, van een naar de
randen van de common teruggeworpen individu. Maar de werkelijkheid is
onzeker in haar potenties – objectief onzeker. Er is geen virtuele
werkelijkheid, alle werkelijkheid is virtueel. Je weet niet welke van
haar potenties zich met elkaar verbinden en je weet niet wat jij
daarbij kunt. Je surplus is je onbekend. Hou het zo, dan kan je ook
van je zelf staan te kijken.
B:
B is eigenlijk nog A, iets nieuws is zonder militante onzekerheid
niet mogelijk. Je kunt het nieuwe niet vaststellen en zelf dezelfde
blijven. Het nieuwe kan zich alleen maar met zichzelf vergelijken,
maar of dat nog vergelijken is? Voorspel het nieuwe niet, creëer
het. Wees geen toeschouwer van je eigen wereld.
C:
A en B zijn geen ʻfeel goodʼ-
boodschappen. De objectieve onzekerheid van de wereld kan ook
destructieve verbindingen opleveren, die – eenmaal op drift gekomen
– accelereren naar onbekende vormen van fascismen en andere
sinistere attractors. (3) A en B betekenen slechts dat er geen reden
voor hoop noch voor hopeloosheid is.
11
Wat als een viroloog het COVID-virus kritisch zou benaderen? Als
zij/hij het virus zou doorgronden op de manier waarop bijvoorbeeld
een mâitre-penseur het neoliberalisme of het populisme doorziet. De
viroloog zou zich een beter wezen voelen dan het virus, en verder
vooral herhalen dat het virus maar niet tot inkeer komt en geen beter
wezen wil worden, dus niet wil ophouden een virus te zijn.
Godzijdank
is de viroloog niet kritisch en geen aanklager. Het virus wordt
gerespecteerd, het is tenslotte vele malen ouder dan de mens en er
worden verbindingen mee gelegd. Het virus dat zich op de scheidslijn
van leven en niet-leven bevindt, wordt tot leven gebracht om te weten
wat het kan.
Spinoza
heeft voor de conceptualisering van dit soort processen een woord
bedacht: notiones comunes, ʻgemeenschappelijke
begrippen.ʼ Begrippen die ontstaan
en blijven ontstaan door de ontwikkeling van nieuwe natuurlijke
verbindingen, emerging properties. En Spinoza heeft nog een
aardige toevoeging: gemeenschappelijke begrippen zijn vreugdevol. Zij
leven. Het zijn geen abstracta, ze interpreteren niet.
12
Korte vraag: Is neoliberalisme een levend begrip?
13
Tenslotte: Wij zijn niet in oorlog met COVID-19. De common en de
gemeenschappelijke begrippen sluiten dat uit. Wat wel dreigt is de
infectie van onze verbeeldingskracht, maar die dreigt zowel van de
kant van degenen die het virus de oorlog hebben verklaard als –
laten we eerlijk zijn – niet zelden van onszelf.
ʻMenschlichkeit.ʼ
Wir halten die Tiere nicht für moralische Wesen. Aber
meint ihr denn, dass die Tiere uns für moralische Wesen halten? –
Ein Tier, welches reden konnte, sagt: ʻMenschlichkeit
ist ein Vorurteil, an dem wenigstens wir Tiere nicht leiden.ʼNietzsche, Morgenröte. Köln, 2011, p. 234.
ʻWalking as controlled fallingʼconveys the sense that freedom, or the ability to move forward
and to transit through life, isn’t neccesarily about escaping from
constraints. (…) You move forward by playing with the constraints,
not by avoiding them. Brian Massumi, Politics of affect,
Cambridge, 2015 p. 16
De objectieve onzekerheid van de werkelijkheid sluit herhaling van
oude fascismen uit. Nog afgezien van het feit dat die oude fascismen
uit de twintigste eeuw nog steeds een raadsel zijn en dat ook zullen
blijven. Als de werkelijkheid objectief onzeker is en door en door
virtueel, dan is ze dat ook voor wat betreft haar verleden, dat geen
verleden is.
Ben Tarnoff is schrijver en mede-oprichter van Logic Magazine.
De
geschiedenis beweegt zich over het algemeen langzaam, maar soms ook
heel snel, als een plotselinge golfbeweging. De coronavirus-crisis
heeft ons in dit laatste ritme gekatapulteerd. Het tempo van de
gebeurtenissen is sterk toegenomen, en het verloop ervan is
onmogelijk te voorspellen. Achteraf gezien kan 2020 een 1968 of een
1917 blijken te zijn geweest: een jaar van sprongen en breuklijnen,
of een harde scheidslijn tussen het ene en het andere tijdperk.
Hoe
zouden we het nieuwe tijdperk kunnen karakteriseren? Het is moeilijk
om definitieve conclusies te trekken over een periode die zich nog in
de vroegste fasen van haar ontwikkeling bevindt. Toch is het mogelijk
om ondanks de snelle veranderingen een voorlopige schets te maken.
Zoʼn
schets kan echter alleen van nut zijn als hij, al is het slechts in
grove lijnen, de scherpte van de breuk en de nieuwheid van de
situatie die hierdoor is ontstaan, vastlegt. Zoals Stuart Hall
schreef:
Als
zich een conjunctuurverschuiving voordoet, is er geen ʻweg
terug.ʼ
Dan schakelt de geschiedenis naar een andere versnelling. Het terrein
verandert. Je bent in een nieuw moment terechtgekomen. Je moet ʻmet
geweld,ʼ
met al het ʻpessimisme
van het intellectʼ
dat je tot je beschikking hebt, aandacht schenken aan de ʻdiscipline
van de conjunctuur.ʼ
Een
conjunctuur is iets dat uit andere dingen is opgebouwd, letterlijk
een ʻsamenvoeging.ʼ
Dus een goede manier om te beginnen is het schenken van aandacht aan
de verschillende elementen die tezamen die conjunctuur vormen.
Idealiter zou dit niet alleen een waslijst moeten zijn van
verschillende dingen die gebeuren, maar ook een verslag van hoe ze in
elkaar passen, en een theorie over het complexe, tegenstrijdige
geheel dat wordt gegenereerd door hun interactie.
Dat
is moeilijk werk, en het vereist een langdurige, collectieve
inspanning. Er zijn veel mensen nodig om samen te denken en te
handelen, teneinde dit nieuwe terrein te kunnen doorgronden. Wat
volgt is een eerste poging om daartoe een bijdrage te leveren: een
gedeeltelijke inventarisatie van de omstandigheden in de VS en een
voorlopig beeld van hoe ze in elkaar passen.
De
economie stort in. Economen van Goldman Sachs hebben voor het tweede
kwartaal van 2020 een daling van het bbp met 34 procent op jaarbasis
voorspeld – een implosie zonder historisch precedent. Ter
vergelijking: de ergste jaarlijkse daling van het bbp op jaarbasis
tot nu toe is 13 procent, die zich in 1932 voordeed tijdens de Grote
Depressie. De voorspellingen van Goldman voor de rest van 2020 zijn
ietwat rooskleuriger: een terugkeer naar een groei met dubbele
cijfers in het derde en vierde kwartaal, zodat het bbp op jaarbasis
over het hele jaar 2020 gemiddeld met 6,2 procent zal dalen.
Deze
cijfers zouden uiteindelijk echter te optimistisch kunnen blijken. Ze
gaan ervan uit dat de lockdowns en het social distancing tegen het
einde van het jaar in voldoende mate zullen zijn versoepeld om iets
dat op een normaal leven lijkt te kunnen hervatten. De economen
Warwick McKibbin en Roshen Fernando opperen daarentegen, en dat is
aannemelijker, dat de economische gevolgen van de coronavirus-crisis
ernstiger zullen zijn. Zij vermoeden dat een pandemie die een jaar
duurt en een miljoen mensen doodt – een schatting die binnen het
bereik ligt van de huidige voorspellingen van de Centers for Disease
Control, en misschien zelfs te laag is gezien het huidige
verspreidingstempo van de infectie – het bbp over het hele jaar met
8,4 procent zal doen dalen.
Maar
een abrupte daling van de groei is niet de enige reden tot
bezorgdheid. Het is ook mogelijk dat we binnenkort opnieuw met een
financiële crisis te maken zullen krijgen, wat de situatie er
aanzienlijk pijnlijker op zou maken. Vooral de schuldenlast van
bedrijven is kwetsbaar, mede als gevolg van de manier waarop
overheden de vorige financiële crisis hebben aangepakt. Om de crisis
van 2008 te kunnen bestrijden hebben centrale bankiers het geld
goedkoop gemaakt door de rente te verlagen. Dit heeft bedrijven er
weer toe aangezet om obligaties uit te geven, vooral om er fusies en
overnames en het terugkopen van de eigen aandelen mee te financieren.
Omdat de meeste van deze bedrijven geen grote reserves in contanten
achter de hand hebben, kunnen zelfs kleine verstoringen ervoor zorgen
dat zij hun schulden niet meer kunnen aflossen. Gezien de immense
omvang van deze schulden – de wereldwijde waarde van
niet-financiële bedrijfsobligaties bedroeg eind 2019 13,5 biljoen
dollar – zou een nieuwe crisis het financiële systeem gemakkelijk
kunnen doen instorten, waardoor de kredietmarkten zouden bevriezen en
er een golf van faillissementen onder werkgevers zou kunnen ontstaan.
Het
is dan ook een schrale troost dat beleggers de afgelopen weken
allerlei soorten activa zijn ontvlucht: niet alleen
bedrijfsobligaties, maar ook van oudsher ʻveilige
havensʼ
als goud en schatkistpapier. De Federal Reserve (het federale stelsel
van Amerikaanse centrale banken) heeft agressief gereageerd, met
instrumenten die vergelijkbaar zijn met de instrumenten die zij in
2008 heeft ingezet: het verlagen van de rente en het opkopen van
diverse financiële activa, waaronder bedrijfsobligaties. Toch duidt
het ambivalente antwoord van de markten op deze stappen erop dat dit
misschien nog niet genoeg zal zijn. De aandelenmarkten hebben zich,
in afwachting van de stimuleringsmaatregelen ter waarde van 2,2
biljoen dollar, hersteld en de koerswinst is intact gebleven nadat
het betreffende wetsontwerp werd goedgekeurd. Maar het lijdt geen
twijfel dat er meer onrust in het verschiet ligt.
Als
de snelheid waarmee de economische krimp als gevolg van de pandemie
zich voltrekt één kenmerk is dat onze huidige crisis onderscheidt
van de vorige, dan is een ander kenmerk het specifieke segment van de
economie dat het meest te lijden zal hebben van die krimp: de
dienstensector. Diensten worden doorgaans niet het zwaarst getroffen
tijdens recessies. Dat komt doordat ze niet kunnen worden opgeslagen,
zodat ze meteen moeten worden geconsumeerd.
De
coronavirus-crisis zou dit patroon echter kunnen doorbreken. ʻDit
zal waarschijnlijk de eerste recessie ter wereld zijn die begint in
de dienstensector,ʼ zei
econoom Gabriel Mathy tegen de New York Times. Tijdens een
pandemie zijn diensten buitengewoon kwetsbaar. Zo kunnen de mensen
hun haar niet laten knippen, omdat ze bang zijn om geïnfecteerd te
worden of omdat de overheid heeft verordonneerd dat kapperszaken
gesloten moeten blijven. En omdat je de output van diensten niet kunt
opslaan – een kapper kan geen kapsels in een magazijn opslaan
totdat de vraag weer aantrekt – gaan bedrijven snel failliet en
vallen er al heel snel veel ontslagen.
De
menselijke tol van dergelijke ontslagen zal enorm zijn, want de
dienstensector is de sector waar de meeste Amerikanen werken. Volgens
de laatste schatting van het Bureau of Labor Statistics is 71 procent
van alle niet-landbouwwerknemers – ruim honderd miljoen mensen –
in de VS werkzaam in de dienstensector. Weliswaar is dit een
heterogene categorie, die alles omvat van beursmakelaars tot
fastfood-werknemers. Maar het grootste deel van de groei in de
afgelopen decennia heeft zich aan de onderkant van het loonspectrum
voorgedaan, en dat is ook de plek waar de meeste pijn zal worden
geleden.
Die
pijn wordt al op zeer grote schaal gevoeld. In de week die eindigt op
21 maart hebben 3,3 miljoen mensen in de VS een
werkloosheidsuitkering aangevraagd. De week daarop verdubbelde dit
aantal tot 6,6 miljoen – bijna tien keer het record van 1982. De
ontslagen zijn geconcentreerd in de dienstensector, met name in de
segmenten waar de lonen het laagst zijn. De komende weken zullen
vrijwel zeker nog meer slecht nieuws brengen. Goldman Sachs verwacht
dat het werkloosheidscijfer in de VS op 15 procent zal uitkomen; de
St. Louis Fed zegt dat het kan oplopen tot 32,1 procent.
Deze
cijfers weerspiegelen het wegvallen van een centrale pijler onder het
Amerikaanse economische model. De dienstensector heeft decennialang
een essentiële rol gespeeld bij het stabiliseren van de
arbeidsmarkt. Omdat diensten moeilijker te automatiseren zijn – het
is lastiger om de productie van een kapsel te automatiseren dan de
productie van een auto – kennen ze een lagere productiviteitsgroei,
wat inhoudt dat er meer arbeid voor nodig is. Dit is wat de
dienstensector in staat heeft gesteld de werknemers te absorberen die
de productiesector in de jaren zeventig begon af te stoten als gevolg
van een wereldwijde overcapaciteitscrisis. De dienstensector kan niet
net als voorheen de industrie als de groeimotor van de economie
dienen, zoals blijkt uit de steeds slechtere prestaties van de
Amerikaanse economie sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Maar
ze heeft wel gezorgd voor een gestaag aanbod van banen.
De
pandemie sluit deze veiligheidsklep af. Nu de dienstensector in een
vrije val is geraakt, is er geen plaats meer voor het overschot aan
arbeidskrachten dat door tientallen jaren van economische stagnatie
is gegenereerd.
Natuurlijk
zullen sommige van de ontslagen werknemers uiteindelijk wel weer een
nieuwe baan vinden, vooral als de opleving na de crisis de meer
optimistische scenarioʼs
zal volgen. Maar de economie waarin zij terugkeren zal voorgoed zijn
veranderd. Kleine bedrijven, die momenteel bijna de helft van de
particuliere beroepsbevolking van het land in dienst hebben, zullen
worden gedecimeerd. Reuzen als Amazon en Walmart zullen hun greep op
de consumentenbestedingen verstevigen.
Amazon
en zijn collega-bedrijven zullen profiteren van de manier waarop de
crisis het gedrag van de consument herprogrammeert. De pandemie is nu
al een zegen voor de e-commerce, omdat mensen met een minimum aan
sociale interactie proberen de dingen te kopen die ze nodig hebben.
Amazon heeft onlangs aangekondigd dat het honderdduizend nieuwe
werknemers in dienst wil nemen als gevolg van de toenemende vraag;
Instacart, een online boodschappendienst, voegt daar nog eens
driehonderdduizend arbeidsplaatsen aan toe. Deze trend zou heel goed
permanent kunnen worden. De consument zou er de voorkeur aan kunnen
geven om zijn boodschappen te laten bezorgen in plaats van naar de
supermarkt te gaan, bijvoorbeeld uit gewoonte, gemak of aanhoudende
angst voor besmetting. De werkgelegenheid van de toekomst zal zich
dus waarschijnlijk concentreren bij het transport en de opslag van
goederen. Een groeiend deel van de Amerikaanse arbeidersklasse zal
een (schamel, precair) bestaan kunnen ontlenen aan het verpakken en
afleveren van de goederen die mensen in een langdurig isolement nodig
hebben om te overleven.
Het
overlevingsvraagstuk brengt ons bij een ander kernthema van de
coronavirus-crisis: de sociale reproductie. Sociale reproductie
verwijst naar de verschillende systemen – formeel en informeel,
betaald en onbetaald – die het kapitalisme mogelijk maken door het
opvoeden, socialiseren, opvoeden, genezen, huisvesten en op een
andere manier ondersteunen van de werknemers van wier arbeid dat
kapitalisme afhankelijk is. Deze systemen staan in de VS al heel lang
onder zware druk. Stagnerende lonen en armzalige sociale
voorzieningen hebben het grootste deel van de Amerikaanse
arbeidersklasse aan de rand van het faillissement gebracht, waardoor
bijna 80 procent van de Amerikanen over geen enkele financiële
reserve beschikt.
De
pandemie maakt een einde aan dit gammele arrangement. De toenemende
vraag naar werkloosheidsuitkeringen en voedselbonnen duwt de zuinige
Amerikaanse verzorgingsstaat ver over het breekpunt heen. Intussen is
de fragiele toestand van het sterk gefinancialiseerde
gezondheidszorgsysteem van het land – dat de afgelopen tien jaar
dankzij fusies en overnames de leidinggevenden en investeerders heeft
verrijkt – in een schril perspectief geplaatst.
Maar
de pandemie verergert niet alleen een bestaande crisis van de sociale
reproductie. De pandemie wordt op haar beurt ook weer versterkt door
deze crisis. De slechte kwaliteit van de sociaal-reproducerende
systemen in de VS heeft de ideale omstandigheden voor besmetting
gecreëerd. Zo kwamen verpleeghuizen al vroeg als hotspots naar
voren. Een groot deel van de schuld daarvoor ligt bij een golf van
particuliere investeringen in de verpleeghuissector in het afgelopen
decennium, waardoor voorzieningen in het hele land gedwongen werden
om op de kosten te besparen en zo meer winst te maken. Veel
verpleeginrichtingen zijn hierdoor extreem onhygiënisch geworden;
bij overheidscontroles zijn ontstellende gevallen van misbruik en
verwaarlozing aan het licht gekomen, en inmiddels zijn het grote
infectiehaarden geworden.
Een
virus is niet alleen een biologisch, maar ook een sociaal fenomeen.
De kwetsbaarheden waar het gebruik van maakt om zich te verspreiden
zijn niet alleen eigenschappen van menselijke cellen, maar ook van de
manier waarop menselijke samenlevingen zijn georganiseerd. Als die
zijn georganiseerd rond de accumulatie van kapitaal – dat wil
zeggen: kapitalistische samenlevingen – brengen ze zichzelf in
gevaar, vooral samenlevingen zoals die van de VS, waar de accumulatie
een bijzonder meedogenloze vorm heeft aangenomen.
Er
is hier sprake van een tegenstrijdigheid: door de sociale reproductie
te ondermijnen, ondermijnt het kapitalisme zijn eigen stabiliteit.
Het leegknijpen van het proletariaat voedt de motor van het kapitaal
tot een bepaald punt – maar vervolgens zorgt het ervoor dat de
machinerie wordt lamgelegd, zoals de feministische theoreticus Nancy
Fraser heeft uitgelegd. De coronavirus-crisis biedt een levendige
illustratie van deze dynamiek. De extreme druk die het kapitaal heeft
uitgeoefend op de sociale reproductie in de VS heeft een gastvrije
omgeving gecreëerd voor een pandemie die de economie vernietigt. De
kapitalisten die winst hebben gemaakt op de verpleging van ouderen
hebben een situatie helpen creëren waarin veel van hun
collega-kapitalisten niet meer in staat zullen zijn om het kapitaal
in beweging te brengen.
Om
de accumulatie weer normaal te laten verlopen, moet het virus onder
controle worden gebracht: de robuustheid van het Chinese antwoord is
bijvoorbeeld niet alleen ingegeven door de wens om de politieke
legitimiteit van de communistische partij overeind te houden, maar
ook door de wens om de industriële productie weer op gang te
brengen. In de VS zal de terugkeer naar een normale gang van zaken
onder meer een bescheiden toename van de publieke steun voor sociale
reproductie vereisen. Dit kan verklaren dat het Congres erin is
geslaagd om in de eerste week van de pandemie zo snel een
wetsvoorstel aan te nemen dat een deel van de werknemers in de VS
tien dagen betaald ziekteverlof gunde. Werknemers ziek laten worden
en laten sterven is aanvaardbaar; werknemers ziek laten worden en
daardoor het accumulatieproces in gevaar brengen is niet
aanvaardbaar.
In
het industriële tijdperk wist de factor arbeid concessies van het
kapitaal af te dwingen op grond van een fundamentele wederzijdse
afhankelijkheid: kapitalisten hadden arbeiders nodig om de fabrieken
te runnen. De economische groeivertraging sinds de jaren zeventig van
de vorige eeuw heeft deze afhankelijkheid verminderd, waarbij de
afname van de productie een tijdperk van stagnatie inluidde dat
gekenmerkt werd door een aanhoudend lage vraag naar arbeid, waardoor
het machtsevenwicht in het voordeel van het kapitaal is gekanteld. De
pandemie zou deze ontwikkeling gedeeltelijk kunnen keren. Werknemers
hebben als arbeiders misschien minder invloed op het
accumulatieproces, maar ze kunnen dit proces nu in gevaar brengen als
vectoren van virusoverdracht. Misschien biedt dit een nieuwe basis
voor het afdwingen van concessies.
Natuurlijk
kunnen werknemers ook op de ouderwetse manier problemen maken: door
zich in te zetten voor ontwrichtende acties op hun werkplek en in hun
gemeenschap. De ruimte voor dergelijke acties zal de komende weken en
maanden waarschijnlijk drastisch toenemen. Stelt u zich een nabije
toekomst voor van 30 procent werkloosheid, wijdverbreide voedsel- en
huisvestingsonzekerheid en miljoenen doden door de pandemie en door
de toegenomen sterfte als gevolg van een overweldigd
gezondheidszorgsysteem. Dit zijn in feite oorlogsomstandigheden. Het
zijn de omstandigheden waaronder een revolutie op zijn minst denkbaar
wordt, zo niet waarschijnlijk.
Tijdens
een crisis breiden de parameters van de politieke mogelijkheden zich
uit. Tientallen gemeenten hebben huisuitzettingen en het afsluiten
van nutsvoorzieningen stopgezet. Trump heeft het ministerie van
Volkshuisvesting en Stedelijke Ontwikkeling geïnstrueerd om
huisuitzettingen van eigenaren met een door de federale overheid
gegarandeerde hypotheek op te schorten. Californië is van plan om
duizenden daklozen naar hotels te verplaatsen, in sommige gevallen
door het opkopen van die hotels. New York City, Houston en Detroit
hebben de lokale busdiensten gratis gemaakt.
Maar
dit is pas het begin. Door druk van onderaf kunnen deze scheuren
groter worden gemaakt; het overleven van een aanzienlijk aantal
mensen hangt er waarschijnlijk van af. Met dit doel voor ogen wil
Bernie Sanders dat de federale overheid ieder huishouden $2000 per
maand stuurt, de Defense Production Act gebruikt om particuliere
bedrijven ertoe te dwingen cruciale goederen als mondkapjes en
beademingsapparatuur te produceren, en een nationaal moratorium
instelt op huisuitzettingen en het afsluiten van nutsvoorzieningen,
naast andere maatregelen.
Gezien
het tempo waarin de gebeurtenissen zich nu voltrekken kunnen zelfs
deze eisen binnen korte tijd een gematigde indruk maken. Onder
socialisten heeft deze crisis geleid tot hernieuwde oproepen tot het
nationaliseren van diverse sectoren. De gezondheidszorg lijkt een
voor de hand liggende kandidaat, vooral gezien de komende stortvloed
van faillissementen van ziekenhuizen, de behoefte aan rationele
coördinatie die de markten die niet kunnen bieden, en de morele
verplichting om te zorgen voor de vele miljoenen Amerikanen die
onverzekerd of onderverzekerd zijn.
Maar
een concrete analyse van de concrete situatie vergt ook nog iets
anders. Socialisten hebben er een handje van om strijdmodellen uit
vroegere tijden op te pakken en die ongewijzigd toe te passen op de
problemen van het huidige tijdsgewricht. Deze verleiding neemt toe in
tijden van crisis, omdat een verzwakking van de status quo
mogelijkheden schept om oude socialistische ideeën een bredere
verspreiding te geven. Maar tijden van crisis bieden ook kansen om
nieuwe socialistische ideeën te genereren: nieuwe manieren van
organiseren, nieuwe horizonten voor sociale transformatie. De
socialistische traditie is een waardevolle bron van inspiratie en
inzicht. Maar zij omvat niet alle antwoorden op iedere vraag die door
welke conjunctuur dan ook kan worden gesteld, om de eenvoudige reden
dat iedere nieuwe conjunctuur weer nieuwe vragen oproept.
Marx
geloofde dat de antwoorden op dergelijke vragen moeten worden
gevonden in de strijd van de arbeidersklasse. De arbeidersklasse was
niet alleen de enige sociale kracht die in staat was om het
socialisme op te bouwen – het was ook de enige sociale kracht die
in staat was om te bepalen hoe het socialisme eruit zou zien. Dit
proces moest worden vormgegeven door de praktijk, dat wil zeggen:
door de ontelbare botsingen en weerstanden van de klassenstrijd. ʻHet
communisme,ʼ zo schreven
hij en Engels, ʻis geen
ideaal waaraan de werkelijkheid zich zal moeten aanpassen,ʼ
maar ʻde werkelijke
beweging die een einde zal maken aan de huidige stand van zaken.ʼ
De taak van socialisten vandaag de dag is om de trillingen van deze
beweging te lokaliseren en de impliciete inhoud ervan uit te tekenen:
om de grondstoffen ervan te verfijnen tot nieuwe strategieën,
programmaʼs en mogelijke
toekomsten.
Er
zal binnenkort geen gebrek aan materiaal zijn om mee te werken, zodra
de pandemie een cyclus van proletarische zelfwerkzaamheid op gang zal
hebben gebracht. Overal hebben werknemers nu een urgente kwestie –
hun gezondheid – om rond te agiteren, en ze zijn zich al aan het
organiseren op basis daarvan. Er zijn wilde stakingen uitgebroken
onder vuilnismannen, arbeiders in de auto-industrie, werknemers in de
pluimveesector, magazijnmedewerkers en buschauffeurs. Amazon is
geconfronteerd met een golf van militantisme, waardoor het management
zich gedwongen heeft gezien om betere gezondheidsbescherming te
beloven en al zijn werknemers betaald verlof te gunnen. Werknemers
van Instacart en Whole Foods hebben arbeidsprotesten in scène gezet.
Georganiseerde verpleegkundigen hebben zich aaneengesloten om te
protesteren tegen de tekorten. De werknemers van General Electric
hebben geëist dat er beademingsapparaten worden geproduceerd in de
fabrieken voor straalmotoren. Er zijn hulpgroepen ontstaan om
boodschappendiensten en kinderopvang te coördineren. Huurders in het
hele land organiseren huurstakingen. In Los Angeles bezetten dakloze
gezinnen leegstaande huizen.
Dit zijn overlevingsstrategieën, maar het zijn mogelijk ook de kiemen van een nieuwe wereld: plekken van sociale macht waar mensen zich collectief de middelen verschaffen die ze nodig hebben om rechtstreeks te kunnen deelnemen aan beslissingen die hen aangaan. Het is op deze plekken en in deze praktijken dat de contouren van het volgende socialistische project kunnen worden aangetroffen. Wil dit project geloofwaardig zijn voor de mensen van wie het afhankelijk is, dan moet het gelijkwaardig zijn aan de radicaliteit van onze werkelijkheid. Het moet een socialisme zijn dat geen tak van het progressivisme of een vleugel van de Democratische Partij is, maar een werkelijk anti-systemisch alternatief – een alternatief dat, hoe onwaarschijnlijk ook, een einde belooft aan de doodscultus van het kapitaal. Het moet de verheffing van de menselijke gezondheid, waardigheid en zelfbeschikking tot de hoogste ordenende principes van ons gemeenschappelijk leven uitdragen.
Anton Jäger (1994) is afgestudeerd in de ideeëngeschiedenis aan de Universiteit van Cambridge. Hij schrijft voor De Groene Amsterdammer, De Morgen, Sabzian, rekto:verso, Apache, Lava en DeWereldMorgen.be.
In een tijd waarin
de coronavirus-crisis de mondiale waardeketens verstoort, is de
metafoor van de oorlogseconomie alomtegenwoordig – en niet zonder
reden, ondanks de gebreken ervan. Deze crisis vraagt inderdaad om
gericht overheidsingrijpen, en in deze context is het moeilijk om de
grillige aanpassingen van vraag en aanbod, zoals die zich in
ʻnormaleʼ
economische tijden voordoen, op te vangen. De staat faalt soms, en
dit kan leiden tot kritiek van libertariërs. Niettemin is het
waarschijnlijk dat het krediet van de staat, in zijn rol van
beheerder van de economie, zal worden versterkt.
Om deze situatie te
doorgronden kan het nuttig zijn ons te wenden tot filosoof en econoom
Otto Neurath, zowel een van de oprichters van de Wiener Kreis als een
oorspronkelijke socialistische figuur. Hij was een van de eersten die
de oorlogseconomie in een reeks artikelen conceptualiseerde, nog vóór
de Eerste Wereldoorlog, en die probeerde daaruit alle consequenties
te trekken.
ʻDit
is onze voornaamste bevinding. Oorlog dwingt een land om meer
aandacht te schenken aan de hoeveelheid goederen die het tot zijn
beschikking heeft, en minder aan de hoeveelheid geld die beschikbaar
is. Veel meer dan in tijden van vrede wordt in tijden van oorlog
duidelijk dat superioriteit een uitvloeisel is van de bewapening, de
voedselvoorziening en het transport (al kan financiële superioriteit
soms een militaire nederlaag compenseren). Het wordt steeds
duidelijker dat geld slechts een middel is om goederen te verkrijgen.
De staat eigent zich dit instrument meestal energieker toe in tijden
van nood en gebruikt het dan om in zijn behoeften te voorzien. Als
geld nutteloos blijkt te zijn, aarzelt de regering niet om de
economische orde te veranderen. Als de productiecapaciteit intact is,
maar de monetaire arrangementen niet, blijft er nog een laatste optie
over – de economie in natura.ʼi
Neurath schreef deze woorden in 1909, bijna vier jaar vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Ze vormen de afsluiting van een reeks artikelen over oorlogsplanning en economie in natura. Op dat moment had hij zijn scriptie over de ʻeconomieën in naturaʼ uit het verleden al afgerond, onder leiding van Eduard Meyer en Gustav Schmoller, decanen van de Duitse geschiedkundige school.
In de jaren twintig van de vorige eeuw creëerde Otto Neurath de Weense Methode van Beeldstatistieken, de voorvader van de Isotype, die sindsdien op grote schaal wordt gebruikt. Deze foto is, net als de volgende, afkomstig uit Gesellschaft und Wirtschaft. Bildstatistisches Elementarwerk, gepubliceerd in 1930.
De terugkeer van de gebruikswaarde
In 1918, toen de
revolutie zich over de Oude Wereld verspreidde, werd hij een
autoriteit op dit gebied. Zijn onderzoek naar het ʻeconomische
equivalent van de oorlog,ʼ
om William James te parafraseren, was nu beroemd geworden. Volgens
hem kon ʻhet grootste
succes worden bereikt door niet rechtstreeks tegen de oorlog te
vechten, maar eerder tegen bepaalde tekortkomingen in onze
economische orde die tot gevolg hebben dat de gruwelijkheid van de
oorlog wordt verminderd en de voordelen ervan worden vergroot.ʼ
Zijn conclusie luidde als volgt:
ʻIn
onze economie worden in tijden van vrede niet alle energieën
volledig benut. Integendeel, daar is soms een oorlog voor nodig. De
reden is dat in tijden van oorlog de productiviteit belangrijker is
dan de winstgevendheid, en dat de organisatie van het verkeer van
mensen, goederen en diensten wordt bevrijd van de beperkingen die
anders gebruikelijk zijn. Ook moet worden opgemerkt dat het relatieve
bevolkingsoverschot [de werklozen] dat door onze economische orde
wordt gecreëerd, dan volledig wordt geabsorbeerd.ʼ
Neuraths visie op
oorlogseconomieën was even simpel als meedogenloos: ze schortten de
normale werking van de markt op en ʻstuurden
de ruilwaarde op vakantie,ʼ
zoals William Davies het onlangs verwoordde. Ze dwongen de staat om
zich met de economie bezig te houden. De kapitalistische samenleving
bewoog zich immers toch al in deze ʻsocialeʼ
richting. Vóór de oorlog waren de Britse conservatieven zich al
zorgen gaan maken over de industriële schaarste, om de eenvoudige
reden dat de Britse samenleving niet genoeg capabele mannen creëerde
om oorlog te voeren. De industrie had de arbeidersklasse al
ʻgemilitariseerd,ʼ
zoals Marx in de zestiger jaren van de 19e eeuw had
voorspeld; nu verspreidde deze militarisering zich langzaam door de
hele maatschappij.
Dit proces is
gepaard gegaan met een reeks belangrijke veranderingen in de
structuren van de kapitalistische concurrentie. Heroïsche
ondernemers werden als basiseenheden van de kapitalistische markt
vervangen door kartels en trusts, die werden gerund door
planningsafdelingen en bureaucraten in plaats van door risicominnende
zakenlieden. Dit was de basis van het ʻsocialisatiedebatʼ
dat de marxisten in de Tweede Internationale vóór de Eerste
Wereldoorlog in beroering had gebracht, onder leiding van denkers als
Rudolf Hilferding en Charles Steinmetz, die allemaal in het nieuwe
bedrijfskapitalisme een individualistische erfenis zagen die op het
punt stond te verdwijnen.
Veel socialistische auteurs hoopten dat de op handen zijnde socialisatie van het kapitaal door de grote bedrijven een revolutionaire machtsovername mogelijk zou maken. In zijn boek America and the New Society uit 1916 stelde Steinmetz bijvoorbeeld dat de opkomst van de grote onderneming niets meer of minder was dan ʻde rationele reorganisatie en centralisatie van de productiemiddelen, en dus een noodzakelijke opmaat voor het socialismeʼ; ʻop haar hoogtepunt aangekomen,ʼ zei hij, zou de bedrijfseconomie snel ʻten val komenʼ en zou er een wereldrevolutie volgen. Volgens Neurath was de oorlogseconomie een andere modaliteit van deze immanente socialisatie van het kapitalisme; al vóór de oorlog hadden de monopolies een toenemende staatsinterventie noodzakelijk gemaakt; Neuraths vader sprak van een ʻpan-cartelisme,ʼ waarin de economie zou worden gerund door een klein aantal dominante bedrijven.
Socialisme in de praktijk
De wereldbrand van 1914-1918 versterkte de hypothese van Neurath alleen maar. De staten hadden planningsafdelingen ingericht en hun economieën tot het meest essentiële teruggebracht. De ʻproductie voor de gebruikswaardeʼ werd opnieuw noodzaak, en geweren, schepen en kanonnen gingen allemaal deel uitmaken van de oorlogsinspanning – hoe vreselijk die noodzaak ook mocht zijn.
Neurath had kennis
genomen van deze ontwikkelingen. Hij had tijdens de oorlog aan het
front gediend en was later overgeplaatst naar de keizerlijke
oorlogsbureaucratie. Daar had hij de ʻorganisatorische
kwestiesʼ die gepaard
gingen met de oorlog, de kiem van de ʻovergangseconomieʼ
waarop hij zijn proefschrift had gebaseerde, op de voet gevolgd. Na
zijn aanstelling bij het Oostenrijkse ministerie van Oorlog werd
Neurath door de nieuwe Münchense Radenrepubliek, die uit de Duitse
spartakistenopstand was voortgekomen, uitgenodigd om een plan voor
ʻsocialisatieʼ
(Vergesellschaftlichung) op te stellen, dat de productiecapaciteit
van de regio onder publieke controle zou brengen. In die tijd
publiceerde hij een bloemlezing van zijn artikelen over de
oorlogseconomie, waarvan het socialisme het gevolg zou zijn.
Maar de ervaring zou
geen lang leven beschoren zijn. Na een maand viel het vrijkorps
Ritter von Epp de stad binnen, waardoor Duitsland een eerste
voorproefje van de nazi-terreur kreeg. De wetenschappelijke reputatie
van Neurath heeft er ook onder geleden. Max Weber stelt dat ʻNeuraths
werk over de economische geschiedenis van de oudheid altijd in hoog
aanzien heeft gestaan,ʼ
maar beschouwt zijn Beierse avontuur als een ʻamateuristische,
objectief onverantwoordelijke dwaasheid die het “socialisme”
honderd jaar lang in diskrediet had kunnen brengen, waardoor alles
wat had kunnen ontstaan in de afgrond van een stupide reactie
gesleurd had kunnen worden.ʼ
Neurath besloot zijn
geluk elders te beproeven. In de jaren twintig van de vorige eeuw
vluchtte hij naar Oostenrijk en vestigde hij zich in het
administratieve hoofdkwartier van het Rode Wenen.i
Hij werd een prominent lid van de Wiener Kreis, die een variant van
het linkse positivisme vertegenwoordigde die afstand zou nemen van de
orthodoxie van Carnap. Het geheel was een overblijfsel van waar de
sociaaldemocratie ooit voor had gestaan; in het debat over
socialisatie was alles niet verloren gegaan.
Neo-liberale en libertaire kritiek
Neurath maakte ook
vijanden in zijn tijd als bestuurder van het Rode Wenen. Het was de
stad van Friedrich Hayek, die in de jaren twintig van de vorige eeuw
zijn polemiek tegen de positivistische wetenschapsvisie lanceerde,
die hij star en totaliserend vond, en in staat tot volledige
integratie. Hij, die de economie zag als een zwarte doos die nooit
geopend mocht worden, was geschokt door Neuraths ode aan de
universele leesbaarheid, die terug te vinden is in zijn beroemde
Isotype en zijn reprise van Diderots Encyclopedie. Volgens Hayek
konden economieën niet in kaart worden gebracht of leesbaar worden
gemaakt; het waren eerder bovenmenselijke ordes die niet onderhevig
waren aan collectieve menselijke actie en zich niet leenden voor een
epistemische interpretatie. Hayeks ʻsublieme
economieʼ – zoals
Quinn Slobodian die noemt – was dus de tegenhanger van de
Neurath-economie met zijn planning, kartels en bedrijfsbeheerders.
Het is niet overdreven om te zeggen dat Neurath de belangrijkste
Nemesis van het primitieve neoliberalisme was; ʻalle
fouten van het socialisme verenigd in één persoon,ʼ
aldus Hayek.
Maar Neurath had ook
geen blijvende vrienden ter linkerzijde. Eind jaren twintig ging hij
in dialoog met Max Horkheimer en de eerste Frankfurter Schule. Hij
schreef artikelen in het Zeitschrift für Sozialforschung en
streefde naar eenzelfde synthese van wetenschap en filosofie ʻdie
door het materialisme van Marx werd geëist,ʼ
in de woorden van Horkheimer. Maar Horkheimer keerde zich later tegen
Neurath en maakte van hem een onttoveringsfilosoof, een apostel van
het dorre rationalisme wiens doctrine de weg vrijmaakte voor de
ʻtotaal
beheerde samenlevingʻ
(Adorno) van de naoorlogse periode.
De tendens die
Neurath aan het werk had gezien in het primitieve
monopoliekapitalisme en de oorlogseconomie was volgens Adorno en
Horkheimer reëel genoeg, maar zou niet tot het socialisme leiden.
Het was het nazisme dat het Duitse kapitaal had geherstructureerd en
de oorlogsplanning had doen herleven. Ten koste van de menselijke
waardigheid zelf.
Het nieuwe links en het nieuwe rechts, Horkheimer en Hayek, bewogen zich dus in de richting van dezelfde scepsis jegens het ʻgeorganiseerde kapitalismeʼ dat Neurath in de jaren dertig van de vorige eeuw had bepleit, waarin kartels en trusts nieuwe corporatistische afspraken met de georganiseerde arbeid mogelijk maakten. Het ʻgeorganiseerde kapitalismeʼ was weliswaar georganiseerd, maar nog steeds niet vrij. De geschiedenis had Neurath dus ingehaald, zo lijkt het, toen de filosoof in 1945 in Oxford overleed. In zijn dagboek had hij een opmerkelijke afspraak genoteerd: een debat met Hayek, waarschijnlijk om diens De weg naar slavernij (1944) te bespreken. Die kans is hem ontglipt.
En nu?
Dit verhaal heeft
ook een ironische kant. Na enkele decennia van intellectuele
hegemonie, die gedeeld werd tussen nieuw rechts en nieuw links, is de
wereld vandaag de dag getuige van een belangrijke herconfiguratie van
de capaciteit van staten en, als gevolg daarvan, van een reeks
politieke herschikkingen. Langzaam maar zeker nemen staten afstand
van de theorie van het met zachte hand sturen van de economie van de
afgelopen dertig jaar; ze gaan die nu weer steeds nadrukkelijker
beheren. De productie voor de gebruikswaarde van Neurath zou weer
werkelijkheid kunnen worden; Wallonië heeft nieuwe fabrieken voor
beademingsapparaten opgezet, terwijl Duitsland van plan is een aantal
van zijn toeleveringsketens in te korten. Zodra deze ingrepen zijn
gestabiliseerd, zal het moeilijk zijn om de geest weer terug in de
fles te krijgen.
Neuraths voorbeeld kan echter ook misleidend zijn. Samen met anderen van de Tweede Internationale zag hij in de oorlogseconomie van 1914-1918 het bewijs voor de theorie dat de staat de productie van de gebruikswaarde kon plannen. Maar Neurath en zijn generatie opereerden in de marge van een grote socialistische beweging, georganiseerd in partijen, raden en vakbonden, die de socialisatie van een kapitalisme dat zich al aan het socialiseren was, wilde voltooien. Dat kun je vandaag de dag moeilijk zeggen.
Vertaling: Menno Grootveld
i Otto
Neurath, ʻWar
economy,ʼ in
Economic writings selections 1904-1945, Uebel en Cohen, New
York, Kluwer, 2005, p. 193. Neuraths eigen bloemlezing uit 1919
heeft een suggestieve titel: Durch die Kriegswirtschaft zu
Naturalwirtschaft (Van de oorlogseconomie naar de natuurlijke
economie).
i Deze
gemeente werd van 1918 tot 1934 bestuurd door de sociaal-democraten.
Edna Bonhomme is een curator, onderzoeker en schrijver die in haar werk de archeologie van de koloniale wetenschap, belichaming en surveillance onderzoekt. Momenteel woont ze in Berlijn.
In 1992 had een
stille epidemie de gevangenissen in New York City in haar greep. Een
resistente variant van tuberculose verspreidde zich door de vochtige
cellen. Morris E. Lasker, federaal rechter voor het zuidelijke
district van New York, riep op 24 januari de noodtoestand uit. Hij
eiste dat het New York City Department of Corrections tweeënveertig
isolatiebedden zou organiseren voor de zeer besmettelijke gevangenen
met tuberculose. Hij werd daartoe aangezet door de dood van dertien
gevangenen in New York City als gevolg van tuberculose in de loop van
het jaar daarvoor, die allemaal HIV-positief waren. Onderzoekers en
medici ontdekten dat immunodeficiënte gevangenen die HIV-positief
waren bijzonder kwetsbaar bleken voor tuberculose, longontsteking en
andere overdraagbare ziekten.
De uitbraak vond
plaats op het hoogtepunt van de HIV-epidemie, jaren voordat het
eerste anti-retrovirale geneesmiddel voor HIV ruimschoots beschikbaar
kwam voor mensen met het virus. Net als vandaag waren de gevangenen
op Rikers Island in onevenredige mate zwart en bruin, en ze waren
voor een deel ontvankelijk voor tuberculose als gevolg van de slechte
ventilatie in de gevangenissen, waardoor bacterieën zich makkelijk
door de lucht konden verspreiden. Voor veel mensen die in afwachting
waren van het einde van hun straf hadden isolatie en deugdelijke
ventilatie kunnen voorkomen dat ze besmet raakten.
Wijlen Susan Sontag
heeft in haar Ziekte als metafoor geschreven dat ʻalle
aanwijzingen erop duiden dat de cultus van TB niet eenvoudigweg een
uitvinding was van romantische dichters en opera-librettisten, maar
een wijdverbreide houding, en dat iemand die (op jonge leeftijd)
overleed aan TB werkelijk als een romantische persoonlijkheid werd
gezien.ʼ In de huidige
fase van onze nieuwe wereldwijde pandemie, waarbij COVID-19 mensen en
overheden ertoe heeft gebracht strikte social distancing-maatregelen
te hanteren om verspreiding te voorkomen, is ziekte veel meer dan een
metafoor. Hoewel Sontag in haar werk uit 1978 de sociale en
psychologische contouren van ziekte behendig afbakende, was haar
nadruk op de ʻromantischeʼ
aard van tuberculose kortzichtig. Die onttrok vooral de ongelijke
werkelijkheid van mensen van kleur en van degenen die in het mondiale
zuiden woonden aan het oog; deze mensen kwamen onopgemerkt om als
gevolg van een epidemie, lang nadat de romantische schijn van
tuberculose was verdwenen.
Voor de grotendeels
zwarte en bruine gevangenen in de cellenblokken van New York City
begin jaren negentig was de tuberculose-epidemie vooral zo
verderfelijk, omdat er aanvankelijk weinig bereidheid was om er iets
aan te doen. Dit was lang vóór de verschijning van Michelle
Alexander’s The New Jim Crow; de meeste Amerikanen zagen
nog geen verband tussen de slavernij en het criminele
onrechtvaardigheidssysteem, en de gevallen van resistente tuberculose
in de gevangenissen van New York State begin jaren negentig leidden
nog niet tot een oproep om in actie te komen. Omdat die actie
uitbleef zijn tijdens de achttien maanden van de tuberculose-uitbraak
in de staat New York minstens zevenentwintig gevangenen en één
bewaker overleden.
De symptomen van
ademhalingsziekten kunnen mild zijn, maar ze kunnen ook een reeks
ademhalingsproblemen teweegbrengen – kortademigheid, hijgen, het
gevoel dat je longen het zullen begeven. Net als bij het coronavirus
is één manier om de verspreiding van tuberculose een halt toe te
roepen het isoleren van de zieken. Maar in 1992 waren er de Verenigde
Staten relatief méér mensen die in de gevangenis zaten dan in de
meeste andere landen van de wereld. Als tuberculose nog steeds een
ziekte was geweest die vooral de opperklasse en niet-gevangenen trof,
zouden politici misschien de bereidheid hebben gevonden om deze
epidemie snel te laten verdwijnen. Maar in plaats daarvan was New
York juist bereid om de gezondheid van opgesloten mensen in gevaar te
brengen. Hetzelfde is vandaag de dag het geval, nu COVID-19
onder de gevangenen op Rikers Island woedt. Hoewel pleitbezorgers
voor de afschaffing van gevangenissen hebben opgeroepen tot de
vrijlating van kwetsbare gevangenen, omdat ze terecht bang zijn dat
Rikers en andere huizen van bewaring zullen worden overspoeld door
een vloedgolf van corona-besmettingen, blijft het aantal mensen dat
in vrijheid is gesteld ver
achter bij de officiële beloften.
De
tuberculose-epidemie van 1992 is een van de vele episoden waarin een
ziekte in de loop der tijd steeds virulenter en dodelijker is
geworden. Wat deze resistente tuberculose-variant zo gevaarlijk
maakte, was voor een deel de samenhang met andere ziekten als
HIV/AIDS en Hepatitis C. Maar in deze periode verspreidde tuberculose
zich ook naar andere delen van de wereld en vond de ziekte een plek
in verarmde gebieden die moeite hadden om de uitbraken in te dammen.
Tuberculose blijft vandaag de dag een van de tien voornaamste
doodsoorzaken in de wereld, en volgens de
Wereldgezondheidsorganisatie vindt ruim
25 procent van de sterfgevallen als gevolg van tuberculose nu
plaats op het Afrikaanse continent. Ademhalingsziekten als
tuberculose worden verergerd door bestaande mondiale ongelijkheden –
en gevangeniscellen en krottenwijken zijn ideale broedplaatsen voor
virussen en bacteriën.
Ook al is de wereld
zich bewust van deze ongelijkheden, de manier waarop we reageren is
een product van de empathie waarmee we de zieken en stervenden
tegemoet treden: er wordt onderscheid gemaakt tussen zij die eruit
zien zoals wij, en zij die er niet uitzien zoals wij. Voor de armen
en achtergestelden toont de ervaring van het doormaken van epidemieën
aan hoe microbiële besmettingen kunnen samenvallen met reeds
bestaande vooroordelen in een samenleving.
Hoe kunnen we de
manieren begrijpen waarop de angst voor epidemieën zich
verspreidt? De geschiedenis kan hier misschien antwoord op geven.
Zoals Walter Benjamin opmerkte in The Arcades Project: ʻOp
ieder denkbaar moment zien de levenden zichzelf alsof ze zich in de
middag van de geschiedenis bevinden. Ze zijn verplicht om een banket
voor het verleden voor te bereiden. De historicus is de heraut die de
doden aan tafel noodt.ʼ
Als we in het niet zo recente verleden duiken om uit te vissen hoe de
diverse schakeringen van de besmetting de voorwaarden reproduceren
die virale en bacteriële besmettingen mogelijk maken, is het
belangrijk om eerlijk rekening te houden met massale sterfte, en te
leren om compassie te hebben en racisme te vermijden bij het
bestrijden van een ziekte.
Dikwijls begint de
angst met een naam. In de negentiende eeuw braken diverse
cholera-epidemieën uit in grootstedelijke gebieden als New York
City, Londen, Alexandria en Shanghai. De uitbraken werden deels
verspreid via besmet water, maar ook via de interregionale handel.
Het Europese imperialisme en het mondiale kapitalisme waren in
opkomst, en de cholera reisde mee op de handelsschepen op de
Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee en de Indische Oceaan.
Ondanks het feit dat de epidemie vooral in Europa en Noord-Amerika
woedde, werd naar de eerste pandemie van 1817-1821 verwezen als de
ʻAziatischeʼ
cholera, merkt Mark Harrison op in zijn artikel A Dreadful
Scourge. De getijdenbewegingen van de ziekte hadden meer te maken
met de verspreiding van de bacterie Vibrio cholerae in
waterbronnen dan met het Aziatische continent. Toch drong deze
benaming door in beschaafde Europese kringen.
Later, tussen 1918
en 1919, stierven vijftig tot misschien wel honderd miljoen mensen
aan een
nieuw type influenza – sommigen naar verluidt binnen een paar
uur nadat ze besmet waren geraakt, anderen binnen een paar dagen. De
pandemie had dramatische commerciële en politieke gevolgen: zij
dwong veel bedrijven de deuren te sluiten, de vuilnisinzameling werd
opgeschort en landarbeiders konden de gewassen niet meer oogsten.
Sommige zieken lagen wekenlang in bed en hun geliefden zorgden voor
hen, zodat die niet meer naar hun werk konden gaan; de economie
ervoer een tijdelijke schok. Ook al was de ziekte niet afkomstig uit
Spanje, zij werd uiteindelijk bekend als de ʻSpaanseʼ
griep omdat het Iberische land, zoals Laura Spinney in de
Guardian schreef, geen censuur toepaste op de
gezondheidsrapporten, waardoor het sterftecijfer onevenredig hoog
leek.
Hoewel de
geschiedenis van het wetenschappelijke racisme verzonken is in een
moeras van pseudo-wetenschap, hebben antropologen uit die tijd zoals
William Z. Ripley hiërarchieën van ʻwitheidʼ
geconstrueerd. In zijn boek uit 1899, The
Races of Europe, beweerde hij dat Noord-Europese trekken
zoals blond haar het bovenste echelon van de mensheid
vertegenwoordigden, terwijl Zuid-Europeanen met donkerder trekken
zoals de Spanjaarden op een lagere trede stonden. Dat de griep begin
twintigste eeuw met de Spanjaarden in verband werd gebracht, binnen
een context waarin noties van ras binnen Europa konden worden
misbruikt om een Zuid-Europees land te demoniseren, was geen toeval.
Zowel de griep-uitbraak van 1918 als de cholera-epidemieën van de
negentiende eeuw tonen aan dat mensen die niet expliciet
verantwoordelijk zijn voor de opkomst of de verspreiding van een
nieuwe ziekte permanent met de aandoening in verband kunnen worden
gebracht op manieren die uiteindelijk de reactie op het gebied van de
volksgezondheid kunnen beïnvloeden.
De racialisering van
de epidemie blijft tot zeer uiteenlopende resultaten leiden. De
tuberculose-uitbraak van de jaren negentig in de gevangenissen van
New York City is slechts één voorbeeld van de manier waarop racisme
een snel antwoord op een epidemie kan dwarsbomen. In dat geval had de
zwijgzaamheid tot iets groters geleid: de resistente tuberculose was
gemuteerd tot een virulentere ziekte die zich later manifesteerde in
het mondiale Zuiden en tot uitbarsting kwam in onafhankelijk geworden
landen die door hun voormalige Europese koloniale overheersers aan de
bedelstaf waren gebracht. Een treffend voorbeeld van hoe de
voormalige koloniale machten hun vroegere koloniën blijven besmetten
kan vandaag de dag op het Afrikaanse continent worden aangetroffen:
het eerste bevestigde geval van COVID-19 in de Democratische
Republiek Congo was dat van een
Belgisch staatsburger. De nalatenschap van het Belgische
kolonialisme in de Congo blijft het gezondheidszorgsysteem van dat
land tot op de dag van vandaag parten spelen. Dat systeem zal nu het
hoofd moeten bieden aan de pandemie, in het kielzog van een
Ebola-uitbraak
en een uitbraak van de mazelen. In plaats van hulp zonder
voorwaarden heeft de Wereldbank het land nu een
lening van $47 miljoen aangeboden ter bestrijding van COVID-19.
Tuberculose,
cholera, de griepepidemie van 1918 en nu de COVID-19-pandemie leren
ons dat de mensen wier gezondheid minder belangrijk wordt geacht vaak
dezelfde mensen zijn die het meest zullen lijden onder de economische
gevolgen van een pandemie. De reactie op COVID-19 is tussen januari,
toen de uitbraak zich grotendeels tot Oost-Azië beperkte, en het
huidige tijdsbestek, waarin het virus gemeenschappen in Italië,
Spanje, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten heeft verwoest,
aanzienlijk veranderd. De wereldwijde reactie is ook gepaard gegaan
met zorgen over de mondiale economie: het gevoel dat arbeid, handel
en reizen nooit meer hetzelfde zullen zijn.
Naarmate het
epidemiologisch onderzoek voortgaat, dat erop gericht is om COVID-19
beter te kunnen begrijpen, hebben wetenschappers gerapporteerd dat de
ziekte asymptomatisch is voor sommigen en vreselijk voor anderen. De
symptomen kunnen afschuwelijk zijn voor ouderen, mannen en rokers; in
andere gevallen zijn mensen met obesitas en auto-immuniteitsproblemen
ook kwetsbaarder gebleken. Het grote verschil in
gezondheidsuitkomsten tussen verschillende mondiale populaties
weerspiegelt niet alleen de glibberige aard van deze ziekte, maar ook
de ongelijke kwaliteit van de zorg. Alles bij elkaar genomen zal dit
er naar alle waarschijnlijkheid voor zorgen dat deze crisis zeer
langdurig zal zijn en onevenredig veel schade zal toebrengen aan
gemeenschappen van kleur.
Voor veel zwarte
mensen in de Verenigde Staten gaat de angst om door COVID-19 te
worden besmet samen met de grimmige werkelijkheid dat het
waarschijnlijker is dat ze eraan zullen overlijden. Zowel in
steden in het midden-westen als Detroit en Milwaukee als in
semi-landelijke gemeenschappen in Alabama en Louisiana overlijden
zwarte Amerikanen in onevenredige mate aan het nieuwe coronavirus.
Uit recent
onderzoek is gebleken dat in Chicago, waar 30 procent van de
bevolking van Afrikaans-Amerikaanse afkomst is, zwarte mensen 70
procent van alle sterfgevallen als gevolg van het coronavirus
vertegenwoordigden. Deze ijzingwekkende statistieken zijn het product
van een ongelijke samenleving, waarin het minder
waarschijnlijk is dat zwarte Amerikanen een ziektekostenverzekering
hebben, het waarschijnlijker is dat zwarte Amerikanen in gebieden
of wijken met weinig gezondheidszorgvoorzieningen wonen, en het
waarschijnlijker is dat ze buitenshuis
werken in de gezondheidszorg, in supermarkten en in het
goederenvervoer. Alles bij elkaar genomen leven zwarte Amerikanen in
een sfeer van sociale en medische apartheid.
Hetzelfde geldt voor
de mensen die in het bredere mondiale Zuiden wonen, waar laat in
actie komen misschien wel miljoenen levens gaat kosten. Eén plek
waar het coronavirus een drastische uitkomst zou kunnen hebben is het
Afrikaanse continent, waar een stijging van het aantal ziektegevallen
in Zuid-Afrika heeft geleid tot een lockdown
in het hele land van eenentwintig dagen. Maar de social
distancing die in de meeste landen van de wereld wordt aangemoedigd
is niet voor iedereen mogelijk. Zoals Karsten Noko berichtte op Al
Jazeera is
social distancing in veel Afrikaanse landen een privilege.
Als volksgezondheidsmaatregelen een effectief wapen willen zijn tegen de huidige pandemie moet het systeem dat deze drastische ongelijkheden mogelijk heeft gemaakt overhoop worden gehaald. We moeten onderzoek uitvoeren naar de manier waarop alle bevolkingsgroepen worden geraakt door epidemieën, en niet louter empathie uitstralen voor de achtergestelden. Volksgezondheidsmaatregelen die universeel worden toegepast op een niet-universele, ongelijke wereld zullen niet werken als die wereld niet radicaal wordt veranderd.
Marco d’Eramo is een Italiaans journalist. Hij was student van de Franse socioloog Pierre Bourdieu en een van de oprichters van het Italiaanse dagblad Il Manifesto, dat hij in 2012 verliet. Tegenwoordig schrijft hij voor de taz, New Left Review en MicroMega.
‘Er zal geen herstel zijn. Er zal sociale onrust zijn. Er zal
geweld zijn. Er zullen sociaal-economische gevolgen zijn: dramatische
werkloosheid. Burgers zullen vreselijk lijden: sommigen zullen
sterven, anderen zullen zich afschuwelijk voelen.’i
Hier is geen eschatoloog aan het woord, maar Jacob Wallenberg,
afstammeling van een van de machtigste dynastieën van het mondiale
kapitalisme, die een inkrimping van de wereldeconomie met 30 procent
voorziet en een torenhoge werkloosheid, als gevolg van de lockdowns
om het coronavirus in te dammen. Terwijl filosofen bang zijn dat onze
heersers de epidemie uitbuiten om biopolitieke discipline af te
dwingen, lijkt de heersende klasse zelf tegenovergestelde zorgen te
hebben: ‘Ik ben doodsbenauwd voor de gevolgen voor de samenleving …
we moeten de risicoʼs
incalculeren dat het medicijn de patiënt hard
zal treffen.’
Hier herhaalt de Zweedse tycoon de prognose van Trump dat de therapie
de patiënt zal doden. Terwijl de filosofen de
anti-besmettingsmaatregelen – uitgaansverboden, gesloten grenzen,
beperkingen van publieke bijeenkomsten – als een sinister
controlemechanisme zien, zijn de heersers bang dat de lockdowns hun
controle juist zullen doen verslappen.
Bij het beoordelen van de impact van COVID-19 halen de filosofen in kwestie de passages over de pest aan uit Discipline and Punish, waarin Foucault de nieuwe vormen van toezicht en regulering beschrijft die het gevolg waren van de pestuitbraak eind zeventiende eeuw.ii De denker die tot nu toe het helderste standpunt over de pandemie heeft ingenomen is Giorgio Agamben, in een reeks strijdlustige artikelen, beginnend met ‘De uitvinding van een pandemie,’ verschenen in Il Manifesto op 26 februari 2020. In dit stuk beschrijft Agamben de noodmaatregelen die in Italië ten uitvoer zijn gelegd om de verspreiding van het virus tegen te gaan als ‘panisch, irrationeel en absoluut ongegrond.’ ‘De angst voor de pandemie geeft aanleiding tot paniek,’ schrijft hij, ‘en in naam van de veiligheid aanvaarden we maatregelen die de vrijheid ernstig aan banden leggen, waardoor de uitzonderingstoestand wordt gerechtvaardigd.’ Volgens Agamben toont de reactie op het coronavirus ‘een tendens om de uitzonderingstoestand te gebruiken als een normaal bestuursparadigma’ – ‘het is bijna of, nu het terrorisme is uitgeput als legitimatie voor uitzonderlijke maatregelen, de uitvinding van een epidemie het ideale excuus is om dergelijke maatregelen onbeperkt te kunnen verruimen.’ Agamben heeft deze ideeën in twee andere teksten verder uitgewerkt die halverwege maart zijn verschenen op de website van de Italiaanse uitgever Quodlibet.iii
Agamben heeft wél
en niet gelijk; of beter gezegd: hij zit er over het algemeen stevig
naast, maar niet helemaal. Hij heeft ongelijk omdat de feiten hem
weerspreken. Zelfs grote denkers kunnen aan besmettingen bezwijken –
Hegel overleed in 1831 aan de cholera – en filosofen hebben de
plicht om hun mening te herzien als de omstandigheden daarom vragen:
als het in februari misschien nog enigszins mogelijk was om de
corona-pandemie te ontkennen, was dat in maart niet langer vol te
houden. Maar Agamben heeft gelijk dat onze heersers iedere
mogelijkheid zullen aangrijpen om hun macht te consolideren, vooral
in tijden van crisis. Dat het coronavirus wordt misbruikt om de
massale surveillance te versterken is geen geheim. De Zuid-Koreaanse
regering heeft de verspreiding van de besmetting geanalyseerd door de
locatie van haar burgers in kaart te brengen via hun mobiele
telefoons – een beleid dat tot beroering heeft geleid toen er ook
een aantal buitenechtelijke affaires werd blootgelegd. In Israel zal
de Mossad binnenkort zijn eigen versie van deze technologie
implementeren, terwijl de Chinese overheid nog krachtiger heeft
ingezet op video-surveillance en gezichtsherkenningstechnologieën
(de mondiale inlichtingendiensten hebben op het excuus van een
epidemie gewacht om ons digitaal te kunnen gaan schaduwen). Veel
Europese regeringen zijn momenteel aan het beslissen of ze een
voorbeeld willen nemen aan de Zuid-Koreaanse en Chinese programmaʼs,
terwijl het Britse Information Commissioner’s Office deze
technologie al eind maart heeft goedgekeurd. Agamben was niet de
eerste die betoogde dat een van de doelen van de sociale overheersing
de ʻatomiseringʼ
van de overheersten is; Guy Debord schreef in De
Spektakelmaatschappij dat de ontwikkeling van kapitalistische
handelswarenutopiaʼs ons
allemaal zou doen
belanden in ‘perfecte
afzondering.’
*
Aan het einde van
deze crisis zullen de surveillance-bevoegdheden van de regeringen
vertienvoudigd zijn. Maar desondanks – ook al beweert Agamben iets
anders – blijft de besmetting reëel, dodelijk en verwoestend. Dat
veiligheidsdiensten waarschijnlijk van de pandemie zullen gaan
profiteren rechtvaardigt nog geen sprong naar het paranoïde
samenzweringsdenken: de regering-Bush hoefde de Twin Towers niet zelf
te verwoesten om de Patriot Act te kunnen invoeren; Cheney en
Rumsfeld konden ontvoering en marteling eenvoudigweg legitimeren door
gebruik te maken van de kansen die 9/11 hen bood.
Ik noem de aanval op het World Trade Center omdat dit een tweede
zwakte in Agambens werk blootlegt, waarin immers alle technieken van
maatschappelijke controle worden uitgelegd met behulp van het model
van de onderdrukking door de staat van een gewapende opstand. Ook
eind jaren zeventig en begin jaren tachtig legden diverse Europese
landen al eens een uitzonderingstoestand op, zogenaamd om het
terrorisme te bestrijden – en trend die de generatie van Agamben en
haar nakomelingen rechtstreeks heeft beïnvloed. Maar niet alle
uitzonderingstoestanden zijn hetzelfde. Zoals Aristoteles al zei: als
alle katten zoogdieren zijn, betekent dit nog niet dat alle
zoogdieren katten zijn. De uitzonderingstoestand, opgelegd uit naam
van het terrorisme, lijkt op het beleid dat is ontworpen om lepra in
te dammen: d.w.z. het verdelen van de samenleving in twee
afzonderlijke groepen, waarbij de leprozen/terroristen werden
buitengesloten van de grotere gemeenschap van gezonde/wetsgetrouwe
burgers. Daarentegen reproduceert de huidige uitzonderingstoestand in
beginsel het fenomeen waarover Foucault het heeft als het om de pest
gaat, gebaseerd op de controle, immobilisatie en isolatie van de
gehele bevolking.iv
Anders dan het lepra-model maakt dit regime geen onderscheid tussen
goede en slechte burgers. Iedereen is potentieel slecht; wij moeten
allemaal worden gemonitord en onder toezicht worden gesteld. Het
panopticon omvat de hele samenleving, niet slechts de gevangenis of
de kliniek.
Het is waar dat we
getuige zijn van een gigantisch en ongekend experiment in sociale
discipline, met drie miljard mensen die momenteel thuis moeten
blijven; de meesten van hen hebben deze beperkingen van hun vrijheid
geaccepteerd, zonder veel actieve weerstand. Veertig jaar geleden zou
dit ondenkbaar zijn geweest. In veel gevallen vindt dit experiment
blind en op de tast plaats, zoals in India, waar premier Modi het
hele land heeft opgedragen thuis te blijven, ondanks de aanwezigheid
van 120 miljoen zwervende migrantenarbeiders die dikwijls gedwongen
zijn op straat te leven. In een groot deel van de wereld is de
opsluiting in het eigen huis louter denkbaar voor de rijkste laag van
de bevolking, terwijl het voor de meesten rechtstreeks tot
werkloosheid en honger leidt. India is een extreem geval, maar een op
klassenverschil gebaseerd antwoord op de epidemie is zichtbaar in
ieder land. Dit is een ‘witte-boorden-quarantine’, zoals de New
York Times hem omschreef.v
De geprivilegieerden sluiten zichzelf op in huizen met snel internet
en volle koelkasten, terwijl de rest van ons blijft reizen in
overvolle metrotreinen en schouder aan schouder blijft werken in
besmette omgevingen. De voedselindustrie, de energiesector, de
transportdiensten en de telecommunicatiehubs moeten blijven draaien,
naast de productie van cruciale medicijnen en ziekenhuisapparatuur.
Fysieke afzondering is een luxe die velen zich niet kunnen
veroorloven, en de regels voor ‘social distancing’ dienen om de
kloof tussen de klassen te verbreden.
*
Hetgeen ons bij het
voornaamste punt brengt dat Agamben over het hoofd ziet: de
overheersing is niet ééndimensionaal. Het gaat niet alleen maar om
controle en toezicht, maar ook om uitbuiting en extractie. (Een
beetje Marx, bovenop Schmitt, zou zijn analyse geen kwaad doen.) De
serieuze schade die deze epidemie dreigt toe te brengen aan het
kapitaal verklaart de aarzeling bij politici om isolatie en
quarantaine af te dwingen. Boris Johnson (aanvankelijk) en Trump zijn
de opvallendste voorbeelden: zij hebben zich zo lang mogelijk tegen
het aankondigen van een quarantaine verzet en willen die ook weer zo
snel mogelijk opheffen, zelfs als dat ten koste gaat van een paar
honderdduizend doden. In dit geval moet het trage tempo van het
volksgezondheidsbeleid worden gecontrasteerd met de snelheid van het
financiële antwoord. Natuurlijk weerspiegelen de ‘genereuze’
budgettaire maatregelen deels de zorgen van Wallenberg: ze zijn
bedoeld om grote maatschappelijke onrust te vermijden door de werkers
voor het moment genoeg inkomsten te geven om van te leven. Geen
kapitalist wilde in deze Keynesiaanse positie gedwongen worden. Maar
zoals Obama’s stafchef Rahm Emanuel opmerkte: ‘Je mag een
ernstige crisis nooit verloren laten gaan.’ Dus terwijl er sprake
is van spaarzame uitbreidingen van de wettelijke
ziektekostenvergoeding, hebben de staten ook buitengewone maatregelen
getroffen om hun financiële sectoren te steunen, of ‘om de
startbaan voor de banken in gereedheid te brengen,’ zoals de
vroegere Amerikaanse minister van Financiën Timothy Geithner het
heeft verwoord. Tot nu toe hebben de regeringen van de OESO-landen
ruim $5 bln toegezegd, maar dit bedrag zal nog verder stijgen.
Heersers maken ook
gebruik van de pandemie om er beleid doorheen te drukken dat in
normale tijden tot verontwaardiging zou hebben geleid. Trump heeft de
Amerikaanse industrie de vrijheid gegeven om de milieuwetten te
overtreden tijdens de noodtoestand, terwijl Macron een van de
voornaamste verworvenheden van de arbeidersbeweging heeft ontmanteld
door de maximale werkweek uit te breiden naar zestig uur.vi
Toch heeft op een bepaalde manier de kleingeestigheid van deze
wetgevende trucs – te lokaal en te beperkt om een noodlijdende
neoliberale orde te kunnen helpen – aangetoond dat de pandemie de
heersende klassen heeft verrast: zij hebben de recessie die ons wacht
nog niet doorzien, evenmin als het vermogen daarvan om de economische
orthodoxie overhoop te gooien. Net zoals Agamben alle noodtoestanden
beschouwt als anti-terroristisch, zien onze heersers deze
systeemcrisis louter als een financiële: zij reageren op de pandemie
alsof het om een nieuw 2008 gaat, door Bernanke te imiteren en een
Friedman-achtige monetaire expansie voor te schrijven. Als gevangenen
van de monetaire orthodoxie begrijpen ze niet dat deze keer de schok
aan de vraagzijde meer zal inhouden dan een simpele
liquiditeitscrisis.
Al heel snel zullen
hele fortuinen verloren gaan terwijl de kapitalisten hun
bedrijfsactiviteiten (luchtvaartmaatschappijen, bouwbedrijven,
autofabrieken, toeristencircuits, filmproducties) ten onder zien
gaan. Maar in deze context zal Friedmans ‘helikoptergeld’ – de
injectie van astronomische hoeveelheden liquiditeit in de economie –
een grootschalige vernietiging van kapitaal teweegbrengen, omdat dit
nieuw uitgegeven geld geen enkele reële waarde vertegenwoordigt. In
oorlogstijd wordt zowel financieel als materieel kapitaal verwoest:
infrastructuur, fabrieken, bruggen, havens, stations, luchthavens,
gebouwen. Maar zodra de oorlog voorbij is begint een periode van
wederopbouw, en deze wederopbouw brengt een economische opleving
teweeg. De huidige epidemie heeft echter meer weg van een
neutronenbom, die mensen doodt, maar gebouwen, wegen en fabrieken
intact laat (zij het leeg). Dus als de epidemie voorbij is, zal er
niets meer te herbouwen zijn – en bijgevolg ook geen sprake zijn
van herstel.
Nadat de quarantine
is opgeheven zullen mensen niet eenvoudigweg op dezelfde schaal
auto’s en vliegtuigtickets gaan kopen als vóór de crisis. Velen
zullen hun baan kwijtraken, terwijl degenen die hun baan zullen
behouden moeite zullen hebben om klanten te vinden in een economie
waarin weinig geld omgaat. Intussen zal iemand de rekening moeten
betalen voor de enorme uitgaven die zijn gedaan om het virus in te
dammen, vooral als de daaruit voortvloeiende schuldenberg het
vertrouwen bij beleggers wegneemt, op welk punt Wallenbergs angst
voor sociale onrust gerechtvaardigd zou kunnen blijken: de
shocktherapie die zal worden toegepast na de crisis – als, uit naam
van een economische noodzaak, het publiek moet gaan betalen voor deze
‘generositeit’ – kan er inderdaad toe leiden dat mensen in
verzet komen. De epidemie zal de controle en het toezicht van bovenaf
versterken; zij zal van de maatschappij weer een laboratorium voor
disciplinaire technieken maken. Maar in deze situatie zullen onze
heersers wel een tijger moeten leren berijden: degenen die ons willen
controleren zouden dat liever met minder kostbare middelen doen.
Uiteindelijk zal het makkelijk zijn om de quarantaine op te heffen.
Maar het zal problematischer blijken om de economie weer op te
starten.
Rome, 4 april
2020
Vertaling: Menno Grootveld
Noten:
i ‘Coronavirus “medicine” could trigger social breakdown,’ Financial Times, 26 maart 2020.
ii
Michel Foucault, Discipline and Punish: The Birth of the Prison,
London 1995, pp. 195–228.
iii Het artikel van Agamben in Il Manifesto en de daaropvolgende discussie in het Italiaanse online-magazine antinomie – met bijdragen van onder meer Jean-Luc Nancy, Sergio Benvenuto en Roberto Esposito – staan op de website van het European Journal of Psychoanalysis. Andere bijdragen omvatten Alain Badiou, ‘On the Pandemic Situation,’ MicroMega, 25 maart 2020, en Paolo Flores d’Arcais, ‘Philosophy and the Virus: Giorgio Agamben’s Ravings,’ MicroMega, 16 maart 2020.
iv
Voor een historische reality check is het echter de moeite waard om
Daniel Defoe’s Journal of a Plague Year [1722] te
raadplegen, dat de ontelbare manieren beschrijft waarop de door de
pest getroffen Londenaren de gardisten wisten te ontlopen of om te
kopen, en te ontsnappen aan de besmette huizen waar ze in opgesloten
waren – iets wat ontbreekt aan het verhaal van Foucault.
v Noam Scheiber, Nelson Schwartz, Tiffany Hsu, ‘“White-Collar Quarantine” Over Virus Spotlights Class Divide,’ New York Times, 27 maart 2020; Jennifer Valentino-DeVries, Denise Lu, Gabriel Dance, ‘Location Data Says It All: Staying at Home During Coronavirus Is a Luxury,’ New York Times, 3 april 2020.
vi Oliver Milman en Emily Holden, ‘Trump Administration allows companies to break pollution laws during coronavirus pandemic,’ The Guardian, 27 maart 2020; Le Macronomètre, ‘Coronavirus: 60 heures de travail par semaine dans les secteurs essentiels, la bonne décision,’ Le Figaro, 25 maart 2020.
Adam Tooze is een Brits historicus die hoogleraar is aan de Columbia Universiteit en directeur is van het European Institute. Hij is de auteur van Crashed: How a Decade of Financial Crises Changed the World (de Nederlandse vertaling verscheen in 2018 bij Spectrum)
Het is een wrede speling van het lot dat de
COVID-19-crisis de fundamentele breuklijn in de eurozone tussen
noord en zuid heeft blootgelegd. Het daaruit
voortvloeiende debat over de vraag hoe we een gezamenlijk antwoord
kunnen formuleren is bitter geweest.
Het voorlopige compromis dat op 9 april jl. door
de ministers van Financiën op de bijeenkomst van de Eurogroep werd
bereikt, was een opluchting. Het zou rampzalig zijn geweest als de
Eurogroep voor de tweede keer binnen een week zonder akkoord uit
elkaar zou zijn gegaan. Dat zou waarschijnlijk niet hebben geleid tot
paniek op de obligatiemarkt – enorme interventies van de kant van
de Europese Centrale Bank hebben die mogelijkheid voor dit moment
geneutraliseerd. Maar in politiek opzicht zou het een vreselijk
signaal van onenigheid hebben afgegeven.
Het drievoudige pakket – met financiering van de
uitgaven aan de gezondheidszorg via het Europees Stabiliteits
Mechanisme (ESM), leningen voor bedrijven van de Europese
Investeringsbank en 100 miljard euro voor het werkloosheidsfonds van
de Europese Commissie – is bescheiden in omvang. Het is
teleurstellend
voor degenen onder ons die het idee van de ʻcorona-bondsʼ
steunen. Maar het is wel een opluchting dat het een compromis was, in
plaats van een vernederende nederlaag voor de coalitie van negen
voorstanders van corona-bonds, toegebracht door het koppige en
kortzichtige egoïsme van de Nederlanders en de Duitsers.
In politiek opzicht hebben de Nederlanders hun zaak misschien wel meer kwaad dan goed gedaan met hun eis dat ESM-leningen afhankelijk moeten worden gesteld van structurele aanpassingen (lees: bezuinigingen). In plaats van als bondgenoten van de Nederlanders worden de Duitsers nu namelijk liever gezien als bemiddelaars.
Bekentenis van onvermogen
In verhouding tot de omvang van de huidige crisis
is het akkoord, zelfs als we het royale bedrag van 540 miljard euro
voor het steunpakket in aanmerking nemen, een
bekentenis van Europees onvermogen. In het
licht van de klap van een biljoen dollar voor de wereldeconomie komt
de bescheiden omvang van het steunpakket neer op een bekentenis dat
het primaat bij de bestrijding van de crisis nog
steeds bij de natiestaten ligt.
Het beste dat erover kan worden gezegd is dat het
een kader biedt voor verdere onderhandelingen. Er is de toezegging om
een tijdelijk wederopbouwfonds in te richten, te financieren met
ʻinnovatieve
instrumentenʼ
– wat dat betekent moet nog blijken. Helaas is er gezien onze
ervaringen van de afgelopen weken weinig reden tot optimisme, tenzij
zich in Nederland een regeringswisseling voordoet.
Als de onmiddellijke gezondheidscrisis voorbij is,
als ʻallesʼ
dat op het spel staat de ellende van massale werkloosheid in
Spanje of een verdere schok voor de groeivooruitzichten van Italië
is – waarom zouden we dan verwachten dat de noordelijke staten zich
coöperatiever zullen opstellen dan ze sinds 2010 hebben gedaan? De
verhouding tussen de staatsschuld en het bruto binnenlands product
zal nog slechter worden. We mogen ervan uitgaan dat het discours over
de houdbaarheid van de schuld en de begrotingsverantwoordelijkheid
net zo meedogenloos zal zijn als altijd.
Natuurlijk mag je nooit ʻnooitʼ
zeggen. Uit peilingen blijkt
een openheid bij het Duitse publiek ten aanzien van corona-bonds, die
door een creatief en dapper politiek leiderschap zou kunnen worden
uitgebuit. De mening onder deskundigen is duidelijk omgeslagen;
de breed gedragen oproep tot gezamenlijke actie van
Duitse economen is nieuw en zeer welkom. Zowel
in Duitsland als in Nederland schaamt
een groot deel van het publiek zich blijkbaar voor het standpunt van
hun regering.
De politieke ruzie is nog niet voorbij. Zij zal worden hervat als de regeringsleiders weer om de tafel gaan zitten. Toch is één ding nu al duidelijk: de crisisbestrijdingsvoorstellen op basis van het ESM zijn in de praktijk een dode letter. De weg naar het akkoord van 9 april kwam pas open te liggen toen de Nederlanders eindelijk afzagen van hun eis dat de belangrijkste vorm van steun ESM-leningen met harde voorwaarden moesten zijn. Maar zelfs in de afgezwakte vorm waarin dit in het huidige pakket is opgenomen is de vermelding van het ESM alleen al voldoende om in Italië verontwaardiging te wekken.
Kleingeestige bedoelingen
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het standpunt
van de Nederlanders over het ESM niet abnormaal was. Wat zij vroegen
was niet alleen trouw aan de letter, maar ook aan de kleingeestige
bedoelingen die het ESM in de eerste plaats hebben doen ontstaan. Dat
was altijd al bedoeld als een zware financiële oefening die zoveel
mogelijk structurele aanpassingen zou vergen in ruil voor zo weinig
mogelijk kredieten.
Maar het ESM bestond tenminste. En tot vorige week
konden we nog doen alsof dat ertoe deed. Er zijn veel ingewikkelde en
weinig kleingeestige ideeën voor een gezamenlijk antwoord op de
corona-crisis geopperd, waarin werd voorgesteld om de financiering
via het ESM te laten verlopen. Het ESM werd als instrument naar voren
geschoven om de zeer goede reden dat het de enige faciliteit was die
direct beschikbaar was.
Het ESM fungeert als ʻtriggerʼ
voor een andere vermeende stabiliteitsvoorziening van de eurozone, de
faciliteit voor rechtstreekse monetaire transacties (OMT) van de ECB.
Dit OMT is in augustus 2012 ontstaan nadat de toenmalige
bankpresident, Mario Draghi, zijn gewaagde uitspraak
had gedaan over ʻwat
ook maar nodig is.ʼ
Een van de voorwaarden die de OMT aanvaardbaar maakte – misschien
niet voor de Duitse Bundesbank, maar in ieder geval wél voor
de regering van Angela Merkel – was de bepaling dat de aankoop van
ECB-obligaties afhankelijk moest zijn van de aanvaarding door een
land van een ESM-programma, compleet met een memorandum van
overeenstemming.
Zelfs toen al was het voor iedereen die verder
wilde gaan dan de woorden van Draghi duidelijk dat deze voorwaarden
de kans op activering van het OMT zeer onwaarschijnlijk maakten. Toch
was het handig om te doen alsof het OMT-ESM de inhoud behelste van
ʻwat
ook maar nodig is.ʼ
Dit is nooit op de proef gesteld, omdat de ECB sinds 2015 obligaties
is gaan kopen onder het mom van ʻkwantitatieve
versoepeling.ʼ
Dat is wat de ECB in 2019 en in maart dit jaar als reactie op de coronavirus-crisis heeft gedaan. Dat waren algemene interventies in het kader van het economisch beleid, die zich richtten op de kwestie van de risicodeling en de asymmetrische gevolgen voor de sterkere en zwakkere leden van de eurozone. Op de achtergrond was er altijd de suggestie dat, als Italië echt in de problemen zou komen, er een beroep zou kunnen worden gedaan op het OMT.
Vijgenblad verwijderd
Door de impasse binnen de Eurogroep van de
afgelopen weken is dit vijgenblad nu verwijderd. Wat nu duidelijk is
geworden is dat het zeer onwaarschijnlijk is dat een beroep op het
ESM aanvaardbaar is.
In wezen komt dit doordat het ESM zijn
ontstaansgeschiedenis in de tumultueuze episode van de
eurozone-crisis van 2010-2012 niet heeft weten te ontstijgen. Het
wordt nog steeds gezien als een vernederend disciplinair instrument
waarmee de landen uit de Noord-Europese eurozone hun beleidsagenda
opleggen aan het eigenzinnige zuiden.
Het is makkelijk om dergelijke verwijzingen naar
de geschiedenis ongeduldig te verwerpen. Natuurlijk komt het de
politici in de Zuid-Europese landen met hoge schulden goed uit om hun
problemen aan Brussel en Frankfurt te wijten. Maar geen van de
huidige regeringen in Rome of Madrid kan worden beticht van populisme
van dit slag. Beiden vragen juist om méér Europa en om een diepere
integratie. Maar ze houden ook staande dat het ESM, als een
instelling die de erfenis van de eurozone-crisis belichaamt, politiek
vergif is.
Dit zou Europa tot nadenken moeten stemmen.
Blijvende littekens
Het is een van de grote waarheden van de Europese
Unie dat zij ʻtijdens
een crisis is gesmeed.ʼ
Wat hierdoor onderbelicht blijft is dat een crisis ook blijvende
littekens kan opleveren. Crises kunnen namelijk niet alleen
misvormende sporen achterlaten, maar ook neuralgische punten die
zelfs jaren later nog acute pijn veroorzaken. De eurozone-crisis
is in het geheugen bijna verworden tot een Europese burgeroorlog –
een moment in de geschiedenis dat verdeeldheid zaaiende verhalen
genereert, waarvan het verdwijnen van de intensiteit niet te
voorspellen valt.
Wat we de afgelopen weken hebben geleerd is dat
het ESM, het aangewezen crisisbestrijdingsmechanisme van de eurozone,
in deze verhalenoorlog verstrikt is geraakt. En dat heeft reële
gevolgen.
Degenen die tegen corona-bonds waren, omdat dit
niet het moment zou zijn voor zoʼn
innovatie, en in plaats daarvan de voorkeur gaven aan op het ESM
gebaseerde oplossingen, omdat dit mechanisme nu eenmaal al
beschikbaar was, hebben de verkeerde keuze gemaakt. Het was de
ESM-route die onrealistisch was, juist vanwege de associatie met het
tijdperk van de eurozone-crisis. Een van de dingen die corona-bonds
aantrekkelijk maken voor hun voorstanders is dat ze nieuw zijn en dus
niet het odium van de bittere geschiedenis van de eurozone met zich
meedragen.
Helaas wordt de geschiedenis voortdurend opnieuw geschreven en zullen de beladen debatten van de afgelopen weken zelf tot het erfgoed gaan behoren. Nu de Nederlanders en de Italianen hun hakken in het zand hebben gezet, zal het in de toekomst voor iedereen nóg moeilijker worden om de steun van het ESM in te roepen. Wat voor schok is ervoor nodig om een land zich dán nog tot het ESM te laten wenden? Wat slechts enkele weken geleden nog werd gezien als het institutionele raamwerk voor reële crisisbestrijding, is nu gereduceerd tot een soort betalingsmechanisme voor de gezondheidszorguitgaven, specifiek uitgesloten van iedere macro-economische stabilisatiefunctie.
Schade aangericht
Natuurlijk is er het nieuwe wederopbouwfonds,
waarvan de details en de financiering nog moeten worden uitgewerkt.
Misschien komt er iets vernieuwends uit voort. Maar niemand mag zich
illusies maken over de schade die is aangericht sinds de lancering
van het idee van de corona-bonds in maart.
Merkel en haar minister van Financiën, Olaf
Scholz, hadden ongetwijfeld graag gezien dat de negen
regeringsleiders de vraag nooit zo duidelijk en zo dringend hadden
gesteld. Begrepen zij dan niet dat Berlijn wel ʻneeʼ
moest zeggen? Zou het niet beter zijn geweest om gewoon door te
modderen?
Misschien. Maar in de geschiedenis is er geen weg
terug. Het voorstel kan niet ongedaan worden gemaakt. De vraag is
gesteld, en er is antwoord gegeven. Dit zal onvermijdelijk een
schaduw werpen. Europa kan er in de toekomst door worden ingehaald –
op dezelfde manier dat de herinneringen aan 2010-12 het ESM dit
voorjaar hebben ingehaald.
Dit artikel is een gezamenlijke publicatie van Social Europe en IPS-Journal