Oorspronkelijke tekst (Engels): UnHerd, 1 november 2026

door Thomas Fazi
Thomas Fazi is een Anglo-Italiaanse journalist, schrijver, documentairemaker en vertaler.
Overal in Europa komen jongeren in opstand. De studentenprotesten in Frankrijk hebben de meeste aandacht getrokken, vooral vanwege het geweld waarmee ze gepaard gingen: rellen, plunderingen en het in brand steken van openbare gebouwen. Maar ook in tal van andere Europese landen zijn de afgelopen weken jongeren de straat op gegaan, soms eveneens met geweld. Dat gebeurde onder meer in Italië, Spanje, Portugal, België, Griekenland, Ierland, Duitsland en Oostenrijk. In Servië heeft een studentenbeweging, die twee jaar lang massaal protesteerde, de parlementsverkiezingen gewonnen. Daarmee is een einde gekomen aan het jarenlange bewind van Aleksandar Vučić.
De aanleidingen voor de protesten verschillen – problemen in het onderwijs in Frankrijk en België, de woningnood in Spanje en Portugal, de stijgende kosten van levensonderhoud in Italië, corruptie en een combinatie van deze problemen in Servië – maar de onderliggende oorzaak is overal dezelfde. Dit zijn de protesten van een generatie die het gevoel heeft dat haar de toekomst is afgenomen. En dat gevoel is niet moeilijk te begrijpen. Het sociale contract waarop hun ouders nog konden vertrouwen – wie hard werkt, kan zich op zijn minst een eigen huis veroorloven, een gezin onderhouden en een beter bestaan opbouwen dan eerdere generaties – is ingestort. Voor veel jonge Europeanen die niet kunnen terugvallen op een erfenis of familievermogen, betekent volwassen worden dat ze van de ene onzekere baan naar de andere gaan. Ze verdienen nauwelijks genoeg om de huur en de boodschappen te betalen, laat staan om een gezin te stichten. Tenminste, als ze al werk vinden. Ondertussen hebben ze moeten toezien hoe de voorzieningen die hen op weg hadden moeten helpen en bescherming hadden moeten bieden bij tegenslagen – scholen, universiteiten, gezondheidszorg en jeugdzorg – steeds verder zijn uitgehold door bezuinigingen en privatisering.
Het lijdt geen twijfel dat jongeren het zwaarst zijn getroffen door het neoliberale beleid van de afgelopen decennia. Dat dit beleid de ongelijkheid sterk heeft vergroot, wordt algemeen erkend. Minder aandacht is er voor het feit dat die ongelijkheid zich steeds nadrukkelijker tussen generaties aftekent. De geopolitiek analist Arnaud Bertrand deelde onlangs op X enkele opvallende cijfers over Frankrijk. Zo bezitten zestig-plussers, die ongeveer een kwart van de bevolking uitmaken, maar liefst zestig procent van het totale vermogen in het land. Bovendien gaat bijna twee derde van alle sociale uitgaven van de Franse overheid naar deze leeftijdsgroep, voornamelijk in de vorm van pensioenen die binnen het huidige stelsel door jongere generaties worden gefinancierd. Deze voortdurende overdracht van financiële middelen van jongere naar oudere generaties is des te opmerkelijker omdat de gemiddelde Franse gepensioneerde tegenwoordig een hoger inkomen heeft dan de gemiddelde werkende.
Hoewel de demonstranten zichzelf vaak nadrukkelijk als vertegenwoordigers van een bepaalde generatie presenteren – het duidelijkst in de Duitse leus ‘Gen Z regelt’ (vrij vertaald: ‘Generatie Z regelt het wel’) – richten hun eisen zich niet tegen ouderen. Dat is ongetwijfeld de juiste benadering. Het zou een vergissing zijn om de babyboomers de schuld te geven. Zij hadden simpelweg het geluk op te groeien in een tijd van volledige werkgelegenheid, betaalbare woningen en behoorlijke pensioenen. Bovendien is er op zichzelf niets mis mee dat vergrijzende samenlevingen meer geld uitgeven aan ouderen. Daar komt bij dat een groot deel van het vermogen van de babyboomgeneratie in handen is van een kleine, welgestelde minderheid. Lang niet alle ouderen leiden immers een comfortabel bestaan. Het werkelijke probleem is dan ook niet dat de pensioenen te hoog zijn, maar dat jongeren de bestaanszekerheid wordt onthouden die hun ouders nog als vanzelfsprekend beschouwden. De generatiekloof is in feite de manier waarop jongeren de gevolgen ervaren van een decennialange klassenstrijd die van bovenaf is gevoerd. Zij werden volwassen toen de werkende klasse die strijd al had verloren en erfden een politiek-economisch systeem dat erop is gericht rijkdom steeds verder naar de top door te sluizen. In Europa is dit systeem diep verankerd in de institutionele structuur zelf – van de euro en het Verdrag van Maastricht tot de Europese begrotingsregels. Die bevoordelen stelselmatig vermogenden boven mensen die van hun loon afhankelijk zijn, en werknemers met een gevestigde positie boven degenen die nog een plek op de arbeidsmarkt moeten veroveren.
De mechanismen achter deze ontwikkeling zijn inmiddels bekend. Tien jaar lang heeft het beleid van kwantitatieve versoepeling – waarbij centrale banken op grote schaal financiële activa opkochten om de economie te stimuleren – de waarde van vastgoed en financiële bezittingen opgedreven. Daarvan profiteerden vooral oudere generaties, terwijl de lonen nauwelijks stegen en een eigen woning voor steeds meer jongeren onbereikbaar werd. Ook hervormingen van de arbeidsmarkt – van het Italiaanse Treu-pakket en de Jobs Act tot de Duitse Hartz-wetten en de Franse El Khomri-wet – droegen bij aan deze ongelijkheid. Werknemers die al een vaste baan hadden, behielden grotendeels hun zekerheid, terwijl nieuwkomers onder het mom van ‘flexibiliteit’ werden aangewezen op een eindeloze opeenvolging van tijdelijke contracten en steeds onzekerder werk. Na 2010 trof het bezuinigingsbeleid vooral het onderwijs, de jeugdzorg en de overheidsinvesteringen. Bestaande pensioenen bleven grotendeels buiten schot, terwijl toekomstige pensioenuitkeringen geleidelijk en vaak ongemerkt werden verlaagd. Het gevolg was dat in heel Europa de overheidsuitgaven voor ouderen toenamen, terwijl de publieke investeringen steeds verder werden teruggeschroefd. Daarna kwam de coronapandemie, die generatie Z kostbare jaren aan onderwijs, werkervaring en sociaal leven ontnam. Vervolgens schoot de inflatie omhoog, nog eens versterkt door een energiecrisis waarvoor de Europese leiders voor een belangrijk deel zelf verantwoordelijk waren.
Alsof dat nog niet genoeg was, krijgen jongeren nu te horen dat ze verdere bezuinigingen en een dalende levensstandaard moeten accepteren om geld vrij te maken voor herbewapening en een oorlog waarvan het einde niet in zicht is. Daarvoor lijkt immers altijd geld beschikbaar. Nog maar enkele weken geleden, terwijl de Franse politie traangas inzette tegen tieners, droegen de EU-leiders de Europese Commissie op om voor 2027 nog eens 70 miljard euro voor Oekraïne vrij te maken, boven op de 45 miljard euro die al was toegezegd. De Europese begrotingsregels, die voor scholen en ziekenhuizen nooit werden versoepeld, blijken nu wel te kunnen worden aangepast om hogere defensie-uitgaven mogelijk te maken. Dat gebeurt onder meer via uitzonderingen op de nationale begrotingsregels en gezamenlijke leningen voor de aanschaf van wapens. Dat is jongeren niet ontgaan. Terwijl hun wordt verteld dat er geen geld is voor hun onderwijs, worden er telkens weer miljarden gevonden voor een oorlog waarvan het einde niet in zicht is. En nu de herinvoering van de dienstplicht in Europa opnieuw ter discussie staat, bestaat zelfs de mogelijkheid dat zij straks worden opgeroepen om in die oorlog te vechten. In steeds meer Europese landen leggen jongeren dan ook nadrukkelijk een verband tussen de stijgende kosten van levensonderhoud en de toenemende uitgaven aan herbewapening.
De vraag is dan ook niet zozeer waarom jongeren in opstand komen, maar waarom het zo lang heeft geduurd. De economische oorzaken van de protesten zijn duidelijk. Maar verklaren die alles? De meeste conservatieve commentatoren richten hun aandacht liever op de betrokkenheid van jongeren met een Arabische of Afrikaanse migratieachtergrond. Daarbij benadrukken ze de prominente rol die deze jongeren zouden spelen bij het geweld en de plunderingen, met name in Frankrijk, maar ook in Italië. Voor een groot deel van rechts vormen de rellen vooral een bevestiging van wat het al jarenlang beweert: dat massale immigratie rampzalige gevolgen heeft gehad en dat Europese steden inmiddels een omvangrijke, overwegend islamitische onderklasse kennen die niet zou willen integreren. In de meest extreme versie van dit verhaal worden deze jongeren zelfs afgeschilderd als mensen die erop uit zijn de fundamenten van de westerse beschaving te vernietigen, soms met steun van ‘extreemlinks.’ Ondertussen krijgen de eisen van de overgrote meerderheid van de demonstranten, die vreedzaam protesteren, nauwelijks aandacht.
Hierin schuilt een zekere ironie. Populistisch rechts wordt er niet moe van te verkondigen dat een ‘mondialistisch establishment’ Europa heeft verarmd en zijn industrie heeft ontmanteld. Maar zodra jongeren de straat opgaan om tegen datzelfde establishment en de gevolgen van zijn beleid te protesteren, soms met geweld, weigert populistisch rechts te erkennen dat hun onvrede misschien wel degelijk gegrond is. In plaats daarvan wordt vrijwel automatisch aangenomen dat er anderen achter de protesten zitten en aan de touwtjes trekken: islamisten, Antifa of Mélenchon.
Het is natuurlijk terecht om onderscheid te maken tussen de vreedzame demonstraties waarin economische hervormingen worden geëist en de rellen en plunderingen die met sommige protesten gepaard gingen. Maar gaat het werkelijk om twee volstrekt verschillende verschijnselen? Het valt moeilijk te ontkennen dat bij een aanzienlijk deel van de plunderingen, zowel in Frankrijk als in Italië, jongeren van de tweede generatie met een migratieachtergrond betrokken waren. Zij kwamen vooral uit de Franse banlieues en de achtergestelde buitenwijken van Italiaanse steden. Aan hun optreden leek geen duidelijke politieke ideologie ten grondslag te liggen. Evenmin heeft het zin om de maatschappelijke kosten van grootschalige immigratie te ontkennen, of het nu gaat om de gevolgen voor de openbare veiligheid of de toenemende druk op de publieke voorzieningen.
Veel van de mensen die bij het geweld betrokken waren, handelden duidelijk uit opportunisme. Tegelijkertijd vormt de groei van geïsoleerde gemeenschappen met uiteenlopende sociale en religieuze achtergronden, waarvan de bewoners vaak in sterk achtergestelde omstandigheden leven en nauwelijks aansluiting vinden bij de rest van de samenleving, een sociale tijdbom. Deze ontwikkeling heeft de maatschappelijke samenhang nu al ernstig aangetast. Wie aan de linkerkant van het politieke spectrum deze werkelijkheid ontkent, is even kortzichtig als wie zich er aan de rechterkant volledig op blindstaart en alle andere oorzaken buiten beschouwing laat.
Je zou zelfs nog een stap verder kunnen gaan en stellen dat grootschalige immigratie zelf onderdeel is geweest van het neoliberale beleid van de afgelopen decennia, onder meer doordat daarmee een groot aanbod van goedkope arbeidskrachten werd gecreëerd. Ook valt te betogen dat relschoppers die tijdens vreedzame demonstraties vernielingen aanrichten, de zaak van de demonstranten juist ondermijnen. Hun geweld leidt de aandacht af van de eisen van de demonstranten en biedt de autoriteiten een voorwendsel om hard in te grijpen. Er zijn zelfs beschuldigingen geuit dat de Franse politie de vernielingen bewust heeft laten gebeuren om grootschalig repressief optreden te kunnen rechtvaardigen.
Dit zijn allemaal steekhoudende argumenten. Maar ze roepen ook een voor de hand liggende vraag op: waarom richten jongeren die tegen de gevestigde orde in opstand komen hun woede niet op deze immigranten, maar trekken ze juist vaak samen met hen op? Zijn ze simpelweg verblind door een naïeve linkse ideologie? Of speelt er iets fundamentelers? Waarschijnlijker is dat deze jongeren hun strijd in de eerste plaats zien als die van een generatie die zich tekortgedaan voelt. Dat gedeelde gevoel overstijgt etnische en, tot op zekere hoogte, ook sociale en economische scheidslijnen. Die verklaring lijkt veel overtuigender dan de zogenoemde ‘islamo-gauchiste-theorie.’ Volgens deze theorie is de samenwerking tussen jongeren met verschillende etnische achtergronden geen uiting van spontane solidariteit, maar het resultaat van bewuste politieke aansturing door linkse partijen, zoals La France Insoumise (LFI) van Jean-Luc Mélenchon. In Frankrijk speelt die politieke invloed misschien tot op zekere hoogte een rol. Maar in Italië gaat die verklaring niet op. Daar bestaat geen partij die vergelijkbaar is met LFI, evenmin als een soortgelijk bondgenootschap tussen links en islamitische kiezers. Toch gingen ook daar, net als elders in Europa, jongeren met uiteenlopende achtergronden gezamenlijk de straat op.
Maar het is ook misleidend – en al te makkelijk – om het geweld uitsluitend toe te schrijven aan jongeren van de tweede generatie met een migratieachtergrond. Ook jongeren zonder migratieachtergrond hebben eraan deelgenomen. Onder de relschoppers die onlangs in Milaan de straat op gingen, bevonden zich zowel jongeren van Italiaanse afkomst als jongeren uit immigrantengezinnen. Daarom moeten we ons ook afvragen in hoeverre dit geweld voortkomt uit frustratie over een politiek systeem dat nauwelijks mogelijkheden biedt om wezenlijke veranderingen tot stand te brengen. Dat is geen rechtvaardiging van het geweld. Geweld op zichzelf draagt immers niets bij aan maatschappelijke emancipatie. Maar we kunnen niet voorbijgaan aan een ongemakkelijke waarheid: een steeds autoritairder wordend politiek systeem, dat fundamentele democratische veranderingen actief tegenhoudt, zal onvermijdelijk geweld oproepen wanneer er geen organisaties of socialw bewegingen meer zijn die een brug kunnen slaan tussen de machthebbers en de bevolking. Zonder politieke krachten die de onvrede kunnen kanaliseren, de protesten richting en inhoud kunnen geven en ze kunnen verbinden aan een breder streven naar maatschappelijke emancipatie, dreigt die onvrede zich steeds vaker in geweld te uiten. Daar komt nog een harde demografische werkelijkheid bij: jongeren vormen in alle Europese samenlevingen een minderheid. Alleen op basis van hun gedeelde generatiebelangen kunnen ze geen verkiezingen winnen.
Maar het geweld – en vooral de doelbewuste plunderingen – is ook een uiting van een dieperliggende sociale malaise, die verder gaat dan economische problemen. Het weerspiegelt de nihilistische leegte waarin westerse samenlevingen steeds verder zijn weggezakt. Wanneer individualisme, een gebrek aan zingeving, angst en wanhoop de boventoon voeren, hoeft het ons niet te verbazen dat dit leidt tot collectieve neerslachtigheid of woede. In een tijd waarin het morele verval op alle niveaus van de westerse samenleving zichtbaar is, en vooral onder politieke en economische elites die stelselmatig weinig respect tonen voor zowel mensenlevens als andermans eigendom, is het dan niet enigszins misplaatst om van de jongste en meest achtergestelde groepen te verwachten dat zij hogere morele normen hanteren dan hun eigen leiders?
In een artikel over de rellen in Engeland in 2011 omschreef de Duitse sociaalpsycholoog Götz Eisenberg deze jongeren als de ‘overbodige generatie’: jongeren die in de ogen van de samenleving niet langer nodig zijn, wier arbeid makkelijk vervangbaar is en die nauwelijks nog de kans krijgen om op eigen kracht een zelfstandig bestaan op te bouwen. Tegelijkertijd worden ze voortdurend verleid met de belofte dat ze zichzelf door consumptie kunnen ontplooien, terwijl de welvaart die daarvoor nodig is steeds verder buiten hun bereik raakt. Vijftien jaar later is zijn analyse actueler dan ooit. Groot-Brittannië blijft een sociaal kruitvat dat ieder moment opnieuw tot ontploffing kan komen. Geweld biedt geen oplossing voor maatschappelijke problemen, maar ontstaat ook niet uit het niets. Wanneer politieke en economische machtsstructuren onpersoonlijk en ongrijpbaar zijn geworden, richt de woede zich op de meest zichtbare symbolen ervan, zoals een boetiek van Louis Vuitton. De etalage van een luxewinkel kun je inslaan; financiële markten en bezuinigingsbeleid niet.
Dat neemt niet weg dat we niet de fout moeten maken te denken dat de demonstranten een hele generatie vertegenwoordigen. Want binnen diezelfde generatie groeit ook de steun voor rechtse anti-immigratiepartijen. Bij de Franse verkiezingen van 2024 stemde een derde van de jongeren onder de 25 jaar op het Rassemblement National. In Duitsland bracht vorig jaar meer dan een kwart van de jonge mannen zijn stem uit op de AfD. De woede over de gevestigde orde komt voort uit vergelijkbare gevoelens van onvrede, maar vertaalt zich in tegengestelde politieke keuzes. De vraag is of de Europese politici, zowel de huidige machthebbers als hun ‘populistische’ uitdagers, werkelijk oplossingen voor deze problemen te bieden hebben.
Om tegemoet te komen aan de eisen van de demonstranten, zou een fundamentele verandering van het huidige systeem nodig zijn. Dat betekent meer overheidsinvesteringen in onderwijs en huisvesting, hogere lonen, meer baanzekerheid, een eerlijkere verdeling van de welvaart – waarbij de lasten terechtkomen bij degenen die daadwerkelijk grote vermogens vergaren, en niet bij gepensioneerden in het algemeen – en een rationeler energiebeleid. Vooral dat laatste zou een ingrijpende koerswijziging in het Europese geopolitieke denken vereisen. Het is echter moeilijk voor te stellen hoe al deze veranderingen binnen de huidige structuren van de EU en de NAVO kunnen worden verwezenlijkt. Geen enkele grote politieke partij lijkt bereid die structuren fundamenteel ter discussie te stellen. Ondertussen is het idee dat de problemen van vervreemde jongeren van de tweede generatie met een migratieachtergrond kunnen worden opgelost door nog harder tegen hen op te treden – of zelfs door middel van ‘remigratie’ – weinig meer dan een illusie.
De vraag is dan ook of de Europese jongeren erin kunnen slagen het voorbeeld van Servië te volgen. Ook dat land kampt met een vergrijzende en krimpende bevolking. Toch wist de studentenbeweging er een breed maatschappelijk draagvlak op te bouwen, met steun van verschillende generaties. Dat lukte mede doordat de beweging zich niet liet leiden door traditionele politieke ideologieën, maar mensen wist te verenigen rond een eenvoudige, partijoverstijgende oproep tot verandering. Het is ironisch dat zoiets tegenwoordig moeilijker te verwezenlijken lijkt in het ‘liberaal-democratische’ Westen dan in een land dat doorgaans als autoritair wordt bestempeld.
Vertaling: Menno Grootveld
