Categorieën
Politiek

Rochdale en de toekomst van de democratie

Oorspronkelijke tekst (Engels): Thomas Fazi op Substack, 2 maart 2024

fotografie: Hurst

door Thomas Fazi

Thomas Fazi is columnist en vertaler bij UnHerd. Zijn jongste boek is The Covid Consensus, dat hij samen met Toby Green schreef. Dit boek komt binnenkort in Nederlandse vertaling uit bij Starfish Books.

De paniekreactie van het establishment laat zien hoe bang de elites zijn voor het volk

Tussentijdse verkiezingen – verkiezingen die in één kiesdistrict worden gehouden ter vervanging van een gekozen parlementslid dat is overleden of ontslag heeft genomen – halen meestal de krantenkoppen niet, vooral niet als ze in kleine kiesdistricten plaatsvinden. Bij de recente tussentijdse verkiezingen in Rochdale, een kleine stad in Greater Manchester, een van de meest achtergestelde gebieden van het Verenigd Koninkrijk, was dat echter anders. De verpletterende overwinning van een radicale buitenstaander uit de arbeidersklasse, George Galloway – een voormalig parlementslid voor Labour, al heel lang anti-imperialist en pleitbezorger van de Palestijnen, en tegenwoordig leider van de Workers Party of Britain, een ouderwetse socialistische partij die anti-NAVO en anti-EU is – heeft een politieke aardbeving veroorzaakt.

Galloway stelde de steun van de twee grootste partijen van het Verenigd Koninkrijk voor Israëls vernietigingscampagne in Gaza centraal in zijn grassroots-campagne, met speciale nadruk op de medeplichtigheid van het Labour van Keir Starmer. Dat wierp zijn vruchten af: Galloway kreeg twee keer zoveel stemmen als Labour en de Conservatieven samen. ‘Keir Starmer, deze is voor Gaza,’ zei Galloway in zijn overwinningstoespraak. ‘Je zult een hoge prijs betalen voor de rol die je hebt gespeeld in het mogelijk maken, aanmoedigen en toedekken van de catastrofe die zich momenteel voltrekt in bezet Gaza, in de Gazastrook.’

Mainstream-commentatoren proberen nu Galloway’s overwinning vooral toe te schrijven aan het feit dat Rochdale een grote moslimgemeenschap heeft. Als dit waar zou zijn, zou daar natuurlijk niets mis mee zijn: Britse moslims hebben alle reden om bijzonder bezorgd te zijn over wat er in Gaza gebeurt. Maar de waarheid is dat deze poging om de houding van mensen ten opzichte van Gaza te verklaren door het prisma van religie of etniciteit niet alleen op gevaarlijke wijze verdeeldheid zaait; zij staat ook los van de realiteit. Een overweldigende meerderheid van de Britse burgers – bijna zeventig procent – steunt een staakt-het-vuren. Dit gaat dus niet over de etnische of religieuze samenstelling van Rochdale; het gaat over de steun van de Britse regering en beide grote partijen voor het genocidale beleid van Israël in Gaza – en over het toenemende verzet van de bevolking daartegen.

In die zin heeft Galloway gelijk als hij zijn overwinning als ‘historisch’ bestempelt: zijn verkiezing is de eerste serieuze barst in de politieke dam die is opgeworpen om de onvoorwaardelijke Britse steun voor Israël te garanderen, ondanks massale oppositie van het volk – en natuurlijk de eerste echte uitdaging aan het adres van het Britse establishment sinds Farage’s UKIP. Geen wonder dat het establishment zo hysterisch reageert. Niet alleen zijn de aanvalshonden van de media op Galloway losgelaten (dat was te verwachten, maar Galloway is een begenadigd redenaar en perfect in staat om ze af te weren); nog verbazingwekkender is dat de premier zelf, Rishi Sunak, zich gedwongen voelde om een tien minuten durende toespraak te houden, alleen maar om de resultaten van de tussentijdse verkiezingen in Rochdale te bespreken.

In die nogal huiveringwekkende toespraak beschuldigde Sunak Galloway ervan een sympathisant van terroristen te zijn en, misschien nog onheilspellender, deel uit te maken van een bredere extremistische aanval op de democratie zelf – waartegen de regering nu ‘actie zou ondernemen.’ Sunak herhaalde vervolgens een script waaraan we de afgelopen maanden gewend zijn geraakt: de massale demonstraties voor Palestina en voor een staakt-het-vuren worden verward met geweld, antisemitisme en pro-terroristische apologie – ondanks het feit dat deze massale protesten ondubbelzinnig vreedzaam waren, bijgewoond door mensen van alle geloofsovertuigingen, onder wie duizenden joodse mensen, en opvallend verstoken (op enkele uitzonderingen na) van pro-Hamas beelden en slogans.

De bedoeling is duidelijk: het criminaliseren van het recht van mensen om te protesteren – of zelfs maar om te stemmen op kandidaten die zich verzetten tegen de koers van het establishment in belangrijke binnenlandse en/of buitenlandse beleidskwesties. Dit alles in naam van de ‘strijd tegen het extremisme’ (Sunak gebruikte deze zinsnede dertien keer in zijn toespraak). In die zin was de toespraak van Sunak een gevaarlijk hoogtepunt in de autoritaire en antidemocratische regressie van de Britse samenleving – en van de westerse samenlevingen in het algemeen – die zich nu al een aantal jaren aan het voltrekken is.

We hebben het hier namelijk over een miljardair-oligarch wiens macht nog nooit gelegitimeerd is geweest via nationale verkiezingen, die actief een aannemelijke genocide steunt (volgens het Internationaal Gerechtshof), een van de meest extreme beleidslijnen denkbaar. Het heeft onmiskenbaar Orwelliaanse trekjes, om het zacht uit te drukken, als deze man een politicus uit de arbeidersklasse die net met overweldigende meerderheid een verkiezing heeft gewonnen, met een pleidooi voor een staakt-het-vuren dat gedeeld wordt door de meerderheid van de Britten, ervan beticht antidemocratisch en een extremist te zijn – en belooft ‘actie te zullen ondernemen’ tegen de beweging die hij vertegenwoordigt.

Dit vertelt ons veel over de staat van de westerse ‘democratie’ – en over de opvatting van onze elites daaromtrent. Het zegt ons dat ze inmiddels zó’n afkeer van de democratie hebben gekregen dat ze geschokt zijn door het idee dat mensen daadwerkelijk naar de stembus gaan om iemand te kiezen die geen deel uitmaakt van de oligarchie. Vanuit hun perspectief dient het electorale ‘democratische’ proces maar één doel: het verdoezelen van het feit dat we leven onder een de facto oligarchisch systeem, waarin de spelregels worden gemanipuleerd door en ten gunste van de heersende klassen.

De macht van de staat en het bedrijfsleven zijn zodanig met elkaar versmolten dat het vermogen van mensen om de status quo echt uit te dagen via de stembus effectief teniet wordt gedaan door de inzet van een breed scala aan instrumenten: verkiezingsregels die zijn ontworpen om kleine partijen te marginaliseren; consensus creërende propaganda en censuur die worden gewaarborgd door de volgzaamheid van de massamedia en sociale netwerkplatforms (die zelfs kunnen worden ingezet om karaktermoord te plegen op onwelgevallige kandidaten zoals Jeremy Corbyn); onbeperkte economische middelen om politieke trouw te kopen; de verschuiving van de soevereiniteit van de natiestaat naar internationale en supranationale instellingen die structureel immuun zijn voor democratische druk, enz. En dan hebben we het nog niet eens over de mate waarin de elites bereid zijn de wet om te buigen en zelfs te overtreden teneinde elke uitdaging aan hun heerschappij de kop in te drukken – zoals op dramatische wijze blijkt uit de tien-en-een-half jaar durende juridische vervolging van Julian Assange.

We moeten eerlijk zijn over de implicaties hiervan: het systeem uitdagen via het verkiezingsproces is bijna onmogelijk geworden. Sterker nog, je kunt alleen maar huiveren bij de gedachte aan de ‘vuile oorlog’ die het establishment tegen Galloway’s partij zou voeren als die op nationaal niveau voet aan de grond zou krijgen. Dit betekent echter niet dat we de democratie helemaal moeten opgeven. De paniekerige reactie van het Britse establishment op de overwinning van Galloway is immers een bewijs van de impact die zelfs een kleine, relatief invloedloze lokale verkiezing kan hebben.

Maar hoe zit dat dan? Het feit dat Galloway parlementslid wordt, verschuift de machtsverhoudingen binnen het parlement, laat staan binnen de regering, geen jota. Bovendien hebben we net gezegd dat de heersende klasse bijna onbeperkte macht heeft – en effectief in staat is om de (uitkomst van het) ‘democratische’ proces veilig te controleren, althans op nationaal niveau. Dus waar zijn ze zo bang voor? Hadden ze Galloway’s overwinning niet gewoon van zich af kunnen schudden en kunnen doorgaan waarmee ze bezig zijn? Waarom zouden ze hem frontaal aanvallen?

Ongeveer een eeuw geleden, in het fascistische tijdperk, dacht de Italiaanse historicus en socioloog Giuseppe Ferrero na over een soortgelijke vraag. Hij was diep geschokt door de moord in 1924 op de socialistische politicus Giacomo Matteotti door toedoen van het fascistische regime – niet alleen omdat die de wreedheid van dat regime blootlegde, maar ook omdat Ferrero de logica erachter niet begreep. Natuurlijk, Matteotti was een uitgesproken criticus van het fascisme en van Benito Mussolini – maar hij was ook vrijwel het enige parlementslid dat openlijk kritiek op het regime uitte. Mussolini kon rekenen op een volledig onderdanig parlement, inclusief de formele oppositie. Hij kon elke wet doordrukken die hij wilde, en deed dat ook. Dus waarom was Mussolini, die in het openbaar een aura van absolute zelfverzekerdheid uitstraalde, zo bang voor de eenzame oppositie van Matteotti – tot op het punt waarop hij hem liet vermoorden? Ferrero kon het niet bevatten.

Hoe langer hij erover nadacht, des te meer hij zich realiseerde dat Mussolini’s ogenschijnlijk irrationele gedrag tal van historische precedenten had – met name Napoleons staatsgreep van 1799, waarmee hij alle onafhankelijke kranten buiten de wet stelde en een militaire dictatuur onder zijn absolute controle vestigde. ‘Waarom voelde Napoleon, die al een ongelooflijk populaire militaire bevelhebber was, zich zo bedreigd door de stemmen van een paar kritische journalisten en wetgevers dat hij elke afwijkende mening verbood?,’ vroeg Ferrero zich af.

Ferrero’s intellectuele onderzoek resulteerde in de publicatie van een van zijn belangrijkste boeken, The Principles of Power. Daarin biedt Ferrero een verklaring voor het gedrag van deze almachtige, maar schijnbaar bange leiders in termen van de relatie tussen macht en legitimiteit. ‘Legitimiteitsprincipes zijn rechtvaardigingen van macht, dat wil zeggen, van het recht om te heersen,’ schrijft Ferrero. ‘Van alle menselijke ongelijkheden is er geen zo belangrijk in zijn gevolgen en is er geen met een grotere behoefte aan logische rechtvaardiging dan de ongelijkheid die door macht tot stand wordt gebracht.’ Macht, met andere woorden, vereist legitimiteit – of instemming, zouden we kunnen zeggen –, omdat het een zeer ongelijke relatie tussen heerser en geregeerde impliceert. Hoe groter de macht die wordt uitgeoefend, des te meer legitimiteit, of instemming, nodig is om die macht in stand te houden.

Geen enkele macht, hoe groot ook, kan onbeperkt worden uitgeoefend zonder legitimiteit. Heersers begrijpen deze ijzeren wet van de geschiedenis heel goed, en daarom veroorzaakt macht die op onrechtmatige wijze is verkregen – vooral na een staatsgreep – volgens Ferrero onvermijdelijk angst in de hoofden van de heersers, wat leidt tot steeds paranoïder, repressiever en angstiger regimes. Hoe onrechtmatiger een macht is, des te meer zal zij zelfs de kleinste uitdaging van haar heerschappij als een existentiële bedreiging gaan zien – in een mate die evenredig is aan de machtsongelijkheid die het regime in kwestie kenmerkt.

Ik denk dat Ferrero’s analytische prisma in grote mate verklaart wat er vandaag in het Westen aan de hand is. Onze heersende elites zijn enorm machtig, maar hun macht is onrechtmatig verkregen – ze regeren en zijn in staat hun heerschappij te reproduceren om geen andere reden dan het feit dat ze zo machtig zijn. Het is een zuiver autochtone vorm van macht, maar wel een die de legitimiteit mist van eerdere vormen van autochtone macht, zoals monarchieën. Ze hebben geen symbolisch reservoir of ‘seculiere theologie’ om uit te putten. Naast angst – hun claim dat ze ons beschermen tegen kwade krachten die op ons uit zijn: Rusland, terroristen, virussen, of wat dan ook – is de enige legitimerende kracht die deze oligarchen nog hebben de ‘democratie.’ Verkiezingen zijn uiteindelijk het enige dat nog wat legitimiteit verleent aan hun de facto absolute heerschappij.

Daarom doen ze er alles aan om het democratische proces te controleren, maar kunnen ze het zich niet veroorloven om het helemaal af te schaffen. Want als ze dat zouden doen, zou er alleen nog maar een ruw, naakt elitair bewind overblijven, blootgelegd in al zijn onrechtmatigheid. Maar zelfs die zogenaamde democratische legitimiteit wordt steeds dunner – en de elites weten dat. Vandaar hun angst, die op zijn beurt leidt tot een voortdurende aanscherping van de sociale controle (meer censuur, repressie, enz., evenals de aanhoudende zoektocht naar buitenlandse vijanden) – en tot hysterische reacties op zelfs de geringste uitdaging aan het adres van hun heerschappij.

Hoewel we ons in deze context niet al te veel illusies moeten maken over de mogelijkheid om het democratische proces onder de huidige omstandigheden te gebruiken om de machtsverhoudingen fundamenteel te veranderen, kunnen en moeten we het democratische proces wél gebruiken om de werkelijke, fundamenteel gemanipuleerde aard van het systeem te onthullen – en zo de laatste legitimerende kracht die de elites nog hebben, af te breken. Alleen door de absolute onrechtmatigheid van hun absolute macht bloot te leggen, kunnen we hopen hun heerschappij aan te vechten en de voorwaarden scheppen voor het opbouwen van een echte democratie. Daarom zijn de elites ondanks alles nog steeds bang voor de democratie. In die zin zouden de tussentijdse verkiezingen in Rochdale inderdaad wel eens ‘historisch’ kunnen blijken te zijn.

Vertaling: Menno Grootveld

Één reactie op “Rochdale en de toekomst van de democratie”

Heel verhelderend, zijn betoog over de relatie tussen de macht en de angst van de huidige zgn democratische leiders, voor een tegengeluid.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *