Oorspronkelijke tekst (Engels): New York Times, 20 oktober 2022

door Andreas Malm
Andreas Malm is universitair hoofddocent menselijke ecologie aan de universiteit van Lund en auteur van ʻEco-sabotage, of hoe je een pijpleiding opblaast.ʼ
Vincent van Gogh is niet verantwoordelijk voor de afbraak van ons klimaat. Hij was niet de CEO van een olie- en gasbedrijf of een kolenhandelaar. In feite begon van Gogh te tekenen en te schilderen terwijl hij te midden van de rook en sintels in een Belgische mijnstreek verbleef. Naast de ʻZonnebloemenʼ is een van zijn beroemdste schilderijen ʻMijnwerkersvrouwen met zakken steenkool,ʼ hun lichamen gebogen onder het gewicht van de zakken; de kunstgeschiedenis kent weinig werken die zo krachtig de ondraaglijke last van de fossiele economie op de levenden weergeven.
Mijn eerste reactie op het nieuws dat twee activisten van de groep Just Stop Oil tomatensoep hadden gegooid op de ʻZonnebloemenʼ in de National Gallery in Londen was dan ook: o nee, niet weer een aanval op een of ander object dat geen oorzakelijk verband onderhoudt met de klimaatnoodtoestand, maar slechts iets onschuldigs en moois is.
In de regel denk ik dat sabotage het meest effectief is als het precies is, en hard. Toen activisten van dezelfde groep in april dit jaar tankstations vernielden, sloegen ze de spijker op de kop. Benzine is, anders dan een schilderij van Van Gogh, een brandstof die verantwoordelijk is voor de opwarming van de aarde. Er is een hele planetaire infrastructuur van tankstations, pijpleidingen, platforms, boortorens, terminals, mijnen en schachten die moet worden stilgelegd om de mensheid en andere levensvormen te redden. Als overheden weigeren dit werk te doen, is het aan de rest van ons om het op te starten. Dat is het motief voor sabotage: je moet recht op de kolenzakken mikken.
Maar toen de foto uit de National Gallery over de sociale media raasde en van alles – uiteenlopend van spot tot bewondering – opriep, bedacht ik me. Er is misschien toch ook ruimte voor dit soort acties. Zoals een van de jonge activisten riep voordat ze zich aan de muur onder het schilderij vastplakte: ʻMaak je je meer zorgen over de bescherming van een schilderij of over de bescherming van onze planeet en de mensheid?ʼ De acties van Just Stop Oil lijken de gevoeligheden van het establishment te hebben geraakt in een tijd waarin een derde van Pakistan onderwater staat.
Een Amerikaanse kunstcriticus, Jerry Saltz, ging zelfs zo ver dat hij de activisten vergeleek met de Taliban – duidelijk een overdreven analogie, aangezien de activisten het schilderij, dat beschermd werd door glas, met opzet niet beschadigden. De keuze van hun doelwit was puur instrumenteel: door zoiets schandaligs te doen, dwong Just Stop Oil de media en het grote publiek aandacht te besteden aan het feit dat de Britse regering op het punt staat honderd vergunningen voor nieuwe olie- en gasprojecten uit te delen, terwijl één al te veel is.
ʻWe moeten de illusie dat alles in orde is doorbreken en de illusie van het normale leven verbrijzelen,ʼ verklaarde Indigo Rumbelow, een organisator van Just Stop Oil, toen ik haar sprak. Een uitstapje naar het museum, een voetbalwedstrijd, een autorit naar het werk – alles kan in deze opvatting worden verstoord. Het doel is om op elk podium te springen en genoeg wanorde te creëren om het onmogelijk te maken de voortdurende afbraak van het klimaat te negeren.
De acties van de terecht gelauwerde suffragettes waren vergelijkbaar en omvatten zelfs aanslagen op schilderijen in de National Gallery. In 1914 doorboorde Mary Richardson het ʻToilet van Venusʼ van Diego Velázquez, verklarend dat ʻrechtvaardigheid evenzeer een element van schoonheid is als kleur en omtrek op het doek.ʼ Haar onverschrokkenheid kon de pers niet bekoren, maar vier jaar later verleende het parlement Britse vrouwen die eigendom bezaten en ouder waren dan dertig jaar stemrecht, en kregen militante organisaties zoals die welke Richardson steunde, de Women’s Social and Political Union, veel krediet voor hun bereidheid de sociale normen uit te dagen.
De klimaatbeweging in het Mondiale Noorden lijkt deze geschiedenis te hebben gelezen. In het afgelopen jaar hebben activisten de tactiek van sabotage en vernieling van eigendommen opgepakt, van symbolisch tot ernstig. De Tyre Extinguishers hebben de banden van bijna tienduizend S.U.V.ʼs in enkele van de meest welvarende enclaves van de wereld laten leeglopen. In februari bestormden activisten een bouwplaats van de Coastal GasLink pijpleiding in Brits Columbia en vernielden machines en andere apparatuur, waardoor volgens het bedrijf voor miljoenen dollars schade ontstond.
Ondertussen bespreken vooraanstaande energiewetenschappers als Benjamin K. Sovacool van de universiteit van Boston de voor- en nadelen van klimaatmilitantisme en pleiten zij opmerkelijk genoeg voor het overwegen van een hele reeks opties, waaronder burgerlijke ongehoorzaamheid en guerrilla-oorlogsvoering.
Als de planeet een kans wil maken om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graden Celsius boven het pre-industriële niveau, moet de hele olie- en gasproductie in de rijke landen – waaronder de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Canada, Australië en Qatar – binnen twaalf jaar worden stopgezet. Niet alleen mogen er geen nieuwe installaties voor fossiele brandstoffen meer worden gebouwd; veertig procent van de reeds ontwikkelde reserves zal in de grond moeten blijven.
En toch: ook al belooft de onlangs aangenomen Inflation Reduction Act in de Verenigde Staten enerzijds om de totale uitstoot te verminderen door schone energie te bevorderen, anderzijds doet hij precies datgene wat we ons niet kunnen veroorloven: nieuwe olie- en gaslicenties aanbieden aan bedrijven die al overspoeld worden door recordwinsten. Wat doen ze met al dat geld? Ze herinvesteren dat natuurlijk in nieuwe olie en gas, een bron van winst waar deze bedrijven niet van kunnen afzien.
Geen wonder dat mensen een zekere wanhoop voelen en, belangrijker nog, woede. Jonge Europeanen die in 2018 en 2019 tot het klimaatactivisme werden aangetrokken, toen Greta Thunberg deze generatie in beweging bracht, zijn nu gefrustreerd door het voortbestaan van business as usual. En inderdaad, een logisch onvermijdelijke conclusie lijkt te zijn dat de klimaatbeweging nog niet genoeg heeft gedaan. Ze moet iets anders proberen.
Wat de ethiek van de vernietiging van eigendommen betreft, die is in dit geval niet erg ingewikkeld. Fossiele brandstoffen doden mensen. Als je de stroom van die brandstoffen verstoort en de machines die ze aandrijven kapot maakt, voorkom je doden. Je stopt het aanrichten van schade. Je mag een levenloos object vernietigen – en niemand in de klimaatbeweging suggereert iets anders dan het vernielen van dode dingen – om levende wezens te beschermen. Of, anders gezegd, als je opgesloten zit in een huis dat in brand staat, heb je het recht om een paar ramen in te slaan om eruit te komen.
Als de logica en ethiek hier simpel lijken, geldt dat niet voor de tactiek. Hoe zorgen we ervoor dat niemand al doende lichamelijk letsel oploopt? Welke ramen zijn het meest effectief om in te slaan? Welke openingen zullen grotere aantallen mensen aantrekken om de sprong te wagen? We weten niet wat zal werken, áls er al iets is dat werkt, en daarom heeft de beweging misschien wel beide componenten nodig: zowel flirterige aandachttrekkerij als chirurgische uitschakeling, in een verscheidenheid van ontwrichtingen. We kunnen het ons niet veroorloven af te zien van creatieve methoden die de goede zaak kunnen bevorderen.
Vertaling: Menno Grootveld

Één reactie op “De geschiedenis zal de soepgooiers vergeven”
Ik vind het goor!